Bijlage 1 - Rapport Doorstroming Broedplaatsen 2025.pdf
Tekst van het document
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
Salama Konaté, Paul van Soomeren, Yan Crabbendam & Melle Conradie
Contactgegevens Juli 2025 Salama Konaté skonate@dsp-groep.nl Paul van Soomeren pvansoomeren@dsp-groep.nl Yan Crabbendam ycrabbendam@dsp-groep.nl Melle Conradie melle.conradie@Ipsos.com
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
Inleiding ..........................................................................................................................2 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................. 2
1.2
Leeswijzer.............................................................................................................................. 3
Methode ........................................................................................................................... 4 2.1
Oriëntatiefase ....................................................................................................................... 4
2.2
Verdiepingsfase ..................................................................................................................... 5
Relevante beleidskaders ...................................................................................................8 3.1
Doelen van het broedplaatsenbeleid .................................................................................... 8
3.2
Broedplaatsen en door CAWA-getoetste ruimtes ................................................................ 9
3.3
Doorstroombeleid en controverse ........................................................................................ 9
3.4
Huidig overzicht .................................................................................................................. 10
Kenmerken deelnemers enquête ..................................................................................... 13 4.1 Beschrijving broedplaatsen .................................................................................................... 13
5.
4.1
Huurders, zoekers en voormalig huurders .......................................................................... 14
4.2
Tussenbevindingen ............................................................................................................. 16
Aanbod en vraag ............................................................................................................. 20 5.1
Aanbod ................................................................................................................................ 20
5.2 Vraag ....................................................................................................................................... 22 5.2 6.
Tussenbevindingen ............................................................................................................. 26
Doorstroom in de praktijk................................................................................................ 28 6.1
Natuurlijke doorstroom ....................................................................................................... 28
6.2 Gedwongen doorstroom ......................................................................................................... 29 6.2
Tussenbevindingen ............................................................................................................. 31
Portret - de voormalig CAWA huurder (> dan 5 jaar hurend) ..................................................... 33 7.
Conclusie ....................................................................................................................... 34 7.1
Beschikbaarheid van CAWA-getoetste ruimtes in relatie tot doorstroom en vraag ........... 34
7.2
Aanbevelingen ..................................................................................................................... 35
Bijlage 1 - Literatuurlijst ........................................................................................................ 38 Bijlage 2 - Onderzoeksverantwoording ................................................................................... 39 Bijlage 3a - Figuren ................................................................................................................ 42 Bijlage 3b - Tabellen .............................................................................................................. 44 Bijlage 4 Klankbordgroep ...................................................................................................... 49
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
1
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
Broedplaatsen vormen het hart van de culturele en creatieve sector in Amsterdam. Ze zijn onmisbaar voor de rol die Amsterdam al decennia heeft als cultuurhoofdstad van Nederland, zo stelt Touria Meliani - wethouder Kunst en Cultuur1. De gemeente hecht waarde aan de broedplaatsen en wil met haar beleid toegankelijke en diverse broedplaatsen realiseren en behouden met meer ruimte voor jonge makers. Tegelijkertijd gaan huurprijzen en servicekosten omhoog en wordt het steeds moeilijker voor kunstenaars en creatieven om betaalbare werk- en woonruimte te vinden. In het “Herzien Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015 – 2018”, vastgesteld maart 2016, is doorstroombeleid ingesteld. Dit doorstroombeleid houdt in dat creatieven die tien jaar in een gesubsidieerde werkruimte hebben gewerkt (toegewezen via de CAWA-regeling), daarna moeten doorstromen naar een nietgesubsidieerde ruimte. Het doel hiervan is om ruimte vrij te maken voor nieuwe makers, en zo bij te dragen aan een divers, dynamisch en toegankelijk broedplaatsenaanbod in de stad. Het doorstroombeleid is in de opeenvolgende beleidsstukken in stand gehouden. De start in 2016 betekent dat in 2026 de eerste kunstenaars en creatieven gedwongen hun atelier zullen moeten verlaten. Het doorstroombeleid is sinds de invoering een controversiële maatregel.
Bij de behandeling van de beleidsstukken is het steevast een onderwerp van discussie hoe de schaarse ruimte het best verdeeld kan worden. Het gemeentebestuur beschrijft in het “Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023 – 2026” het dilemma als volgt: “Kunstenaars zijn op zoek naar continuïteit. Een kunstenaarscarrière is niet lineair en succes, zowel artistiek als financieel, is vaak fluctuerend. Dan ben je gebaat bij een betaalbaar atelier voor de lange termijn. Daarnaast zijn er jaarlijks nieuwe kunstenaars die een plek zoeken. Zij kloppen op de deur en geven aan geen ruimte te kunnen vinden om hun carrière verder te brengen. Dat betekent dat we op zoek moeten naar een manier om de schaarste zo goed mogelijk te verdelen.” De doorstroomregeling wordt door veel kunstenaars en creatieven als onwenselijk ervaren. Ook wordt door onder andere de CAWA, Kunstenbond en Platform BK gewaarschuwd dat het beleid tot uitstroom leidt in plaats van doorstroom. Het is tenslotte niet gezegd dat de kunstenaars en creatieven die hun plek moeten opgeven daarna in Amsterdam kunnen blijven. Er wordt gepleit voor een meer structurele aanpak en maatwerkoplossingen, zoals het delen van ateliers of het versterken van het aanbod.
Zo zegt Peter van den Bunder van de Kunstenbond bijvoorbeeld “Tijdelijkheid is een ramp, je kunt daar niet op bouwen.’’ 2 Om er zeker van te zijn dat de maatregel werkt zoals bedoeld en gehoor te geven aan de kritiek op de regeling, werd bij het presenteren van het huidige atelier- en broedplaatsenbeleid aangekondigd dat
Gemeente Amsterdam (2024). Raadsinformatiebrief Broedplaatsenbeleid en Voortgang Creatieve Ruimte (Touria Meliani). Kunstenbond (april, 2024): https://kunstenbond.nl/amsterdams-atelierbeleid-gedwongen-doorstroming-voorlopig-inijskast/ 1 2
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
2
- voordat de eerste kunstenaars en creatieven hun plek moeten opgeven - onderzoek wordt gedaan naar de effectiviteit van het doorstroombeleid. Het resultaat van dat onderzoek kan dan vervolgens door de gemeenteraad worden besproken en het beleid zo nodig worden aangepast. DSP-groep – in samenwerking met Ipsos I&O - is gevraagd om dit onderzoek uit te voeren en in kaart te brengen wat de mogelijke effecten zijn van dit beleid. In dit rapport presenteren we de resultaten. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in de effectiviteit en wenselijkheid van het doorstroombeleid. Daarvoor is inzicht nodig in de beschikbaarheid van ruimtes waar een positieve CAWA-toets voor nodig is in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) in relatie tot de doorstroom en de groei van het aanbod in broedplaatsen, ateliers en atelierwoningen. Het onderzoek moet duidelijk maken in hoeverre vrijkomende ruimte aansluit bij de bestaande en verwachte vraag van kunstenaars en creatieven.
1.2
Leeswijzer
Het rapport begint in hoofdstuk 2 met het bespreken van de methode en vervolgens met het uiteenzetten van de belangrijkste beleidskaders rond het broedplaatsenbeleid in hoofdstuk 3. Hierna gaan we in hoofdstuk 4 dieper in op de kenmerken van de broedplaatsen en de respondenten die mee hebben gedaan aan de enquête, waarna we in hoofdstuk 5 inzoomen op de vraag- en aanbodkant van broedplaatsen in Amsterdam. Tenslotte bekijken we in hoofdstuk 6 de natuurlijke doorstroming en de effecten van het doorstroombeleid. We eindigen in hoofdstuk 7 met conclusies en aanbevelingen.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
3
2. Methode Het onderzoek naar het doorstroombeleid voor culturele broedplaatsen in Amsterdam is uitgevoerd door DSP-groep en Ipsos I&O, in opdracht van de gemeente Amsterdam. Om tot een breed en goed onderbouwd inzicht te komen, is gekozen voor een gefaseerde onderzoeksaanpak bestaande uit (1) oriëntatiefase en (2) verdiepingsfase met metingen.
2.1
Oriëntatiefase
Deskresearch In de eerste fase is een documentanalyse uitgevoerd om een feitelijk beeld te krijgen van het huidige aanbod van creatieve werkplekken, ateliers en broedplaatsen in Amsterdam en de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Hiervoor is gebruikgemaakt van gegevens van: • Gemeente Amsterdam • •
CAWA MRA
•
woningcorporaties
• Bestaand beleid en onderzoek Daarnaast is een gerichte zoekactie uitgevoerd naar betaalbare werkruimtes voor creatieven via openbare bronnen, websites en platforms. Verkennende gesprekken Om de uit deskresearch verkregen inzichten te verrijken en aan te scherpen, zijn korte verkennende interviews gehouden met drie broedplaatsbeheerders. Daarnaast gebruikten we deze gesprekken om de enquête verder aan te scherpen, we gingen in op: • •
Huidige doorstroom van atelierruimtes. Type huurders.
•
Ontwikkeling van de vraag.
•
Eventueel oneigenlijk gebruik van ruimte.
Duidingssessie met klankbordgroep3 De klankbordgroep is samengesteld door gemeente. De inzichten uit de oriëntatiefase zijn gedeeld in een duidingssessie met de klankbordgroep. In deze sessie zijn de centrale knelpunten en thema’s besproken, deze bijeenkomsten hebben geleid tot een definitieve set enquêtevragen voor de verhuurders en huurders.
3
Zie bijlage 4 voor de samenstelling van de klankbordgroep
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
4
2.2
Verdiepingsfase
Enquête onderzoek onder verhuurders Ipsos I&O verstuurde op 28 maart 2025 per email een digitale enquête aan een door de gemeente aangeleverde lijst van 774 broedplaatsverhuurders in Amsterdam. De ingevulde enquêtes (respons) vertegenwoordigen ten minste 49 van de 77 aangeschreven broedplaatsen (64%).5
Enquête onderzoek onder huurders, voormalig huurders en zoekenden Tegelijkertijd is een enquête uitgezet onder kunstenaars en creatieven die een werkruimte in Amsterdam huren. De enquête liep van 28 maart t/m 6 mei 2025 en is verspreid via: •
Broedplaats-verhuurders die ook enquête voor verhuurders kregen.
• De klankbordgroep van het onderzoek. • Gemeentelijke communicatiekanalen, waaronder sociale media. Deze enquête werd door 554 personen ingevuld, zie de onderstaande tabel 2.1 voor een precieze verdeling. Tabel 2.1: Vertegenwoordiging huidige, voormalige en potentiële huurders Doelgroep
Aantal deelnames
Huurders
364
Voormalig huurders
64
Potentiële huurders (op zoek naar ruimte)
126
Totaal
554
Representativiteit6 Representativiteit betekent in hoeverre de responssamenstelling overeenkomt met de populatie. Het responspercentage zegt daarbij niet alles. Een onderzoek kan een hoge respons hebben (bijv. 80%), maar dan nog steeds kan een bepaalde groep – bijvoorbeeld jongeren – ondervertegenwoordigd zijn. In dit onderzoek is het lastig om de representativiteit volledig vast te stellen. Zo zijn veel populatiegegevens van huurders en verhuurders niet volledig bekend. We weten bijvoorbeeld niet hoeveel kunstenaars en creatieven in totaal in broedplaatsen huren, de leeftijdsopbouw van de huurderspopulatie en het aantal huurders per broedplaats. Daardoor weten we niet of er sprake is van over- of ondervertegenwoordiging van bepaalde leeftijdsgroepen en kleinere en grotere broedplaatsen gemeten naar omvang van het huurdersbestand. Betrouwbaarheid Om toch enig inzicht te krijgen in de representativiteit, hebben we gekeken naar de cijfers die wel beschikbaar zijn. Voor een volledige uiteenzetting van de representativiteit en betrouwbaarheid zie bijlage 2. De vragenlijst is door een relatief grote groep ingevuld. Bij de beschrijving van de reactie beschrijven we de resultaten in termen van respondenten. In de vervolgconclusies spreken we in algemene termen.
Sommige broedplaatsverhuurders vertegenwoordigen meer broedplaatsen. Dit aantal is niet representatief voor het daadwerkelijke aantal broedplaatslocaties dat is aangeschreven. 5 Op 29 april volgde een herinneringsmail. De enquête bleef open tot en met 8 mei 2025 en leverde 21 ingevulde enquêtes op (27% respons). Omdat een flink aantal ingevulde enquêtes meerdere broedplaatsen afdekt, vertegenwoordigen ze ten minste 49 van de 77 broedplaatsen (64%). We zien dat als een goede respons. 6 Zie ook bijlage 3, tabel 7 voor een overzicht waar de respondenten (huurders) wonen t.o.v. totaal aantal broedplaatsen in Amsterdam. 4
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
5
•
Verhuurdersonderzoek: 21 van de 77 aangeschreven verhuurders reageerden (27%), goed voor ten minste 49 van de 77 broedplaatsen. De foutenmarge bedraagt circa 8% 7.
•
Huurdersonderzoek: 554 respondenten, waarvan 364 huidige huurders. Op basis van een geschatte populatie van 3.000 huurders, levert dit een foutenmarge op van circa 4%.
Verdiepende interviews Respondenten konden aan het einde van de enquête aangeven of zij open stonden voor een vervolginterview. Hieruit is een diverse selectie gemaakt op basis van spreiding over stadsdelen, kunstdiscipline, huur-duur en artistieke ervaring. In totaal zijn vijf verdiepende interviews afgenomen: • Drie met huidige huurders (waarvan twee op locatie, één online). • Twee met potentiële huurders (vanaf nu: zoekenden) (beiden online). Deze gesprekken bieden kwalitatieve verdieping op de kwantitatieve resultaten. Op basis hiervan zijn ook enkele korte portretten opgesteld, die de waarde van een atelierruimte en de effecten van het beleid illustreren. De portretten zijn te vinden door het hele rapport heen. Na de uitvoering van de enquêtes zijn de eerste resultaten gepresenteerd aan de klankbordgroep. Daarna is er met de opgehaalde feedback nog een analyseslag gemaakt door Ipsos I&O en is de data aangeleverd aan DSP-groep. DSP-groep heeft het rapport geschreven, dat is vervolgens besproken met Ipsos I&O, vervolgens met de opdrachtgever en met de klankbordgroep.
De foutmarge is een bereik van waarden rondom de onderzoeksresultaten. Als bijvoorbeeld 60% het antwoord 'ja' kiest met een foutmarge van 8% bij een betrouwbaarheidsniveau van 95%, is de kans 95% dat 52% tot 68% van de populatie 'ja' zou kiezen. 7
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
6
Portret - De huurder (>10 jaar werkzaam & hurend)8 “Het atelier is belangrijker dan mijn huis. Het is mijn leven.” De geïnterviewde is al decennialang actief als beeldend kunstenaar en huurt sinds 23 jaar een atelier in een van de oudere broedplaatsen van Amsterdam. Via CAWA wordt er getoetst of een kunstenaar professioneel genoeg is om in aanmerking te komen voor een atelier. De geïnterviewde begrijpt deze maatregel, maar ziet ook de keerzijde. “Je moet alles online bewijzen — hoeveel tentoonstellingen, opleidingen, motivatie. Het is begrijpelijk, maar ook bureaucratisch.” Een veranderend systeem Voorheen beheerden een kunstenaarscollectief hun pand. Ze regelden zelf het onderhoud en bepaalden wie erbij kwam. “Vroeger kozen we zelf wie erbij kwam. Nu is alles geformaliseerd, en moeten we om de 5 jaar verklaren dat we nog kunstenaar zijn. ’’ Wat een atelier betekent Volgens de huurder is een atelier is essentieel voor de beroepspraktijk van kunstenaars — fysiek: “Een kunstenaar heeft een werktafel, drukpers, ruimte nodig. Je kúnt je werk niet doen zonder.” Maar ook op sociaal vlak: “De aanwezigheid van andere kunstenaars is net zo belangrijk — je helpt elkaar, je leert van elkaar.” Collectieve kracht De huurders vormen een vereniging die overlegt met de gemeente, vooral nu het pand moet worden verduurzaamd.
De huurder stelt hierover: “Je kunt niet zomaar iedereen uit z’n atelier zetten voor een renovatie. Je bent maanden bezig met inpakken.” Hij is blij met het collectief: “Als groep sta je sterker. Voor de gemeente én voor jezelf.” Tijdsdruk en onzekerheid De huurder zegt dat vroeger huurcontracten stilzwijgend werden verlengd. Tegenwoordig zijn ze gelimiteerd, vaak tot 5 of 10 jaar. “Ik ben 73. Mijn contract loopt straks af als ik 83 ben — dat is een verre toekomst. Maar voor jonge kunstenaars is die einddatum écht een probleem.” Hij heeft begrip voor de noodzaak van doorstroming, maar wijst op de moeizame praktijk. “De markt is niet zo dat je zomaar een ander atelier vindt. Er is veel meer vraag dan aanbod.” Een plek in de buurt De geïnterviewde is diep geworteld in de buurt, waar hij niet alleen woont en zijn atelier huurt, maar ook actief bijdraagt aan het sociale weefsel. “Als je elke 5 of 10 jaar de hele populatie vervangt, wordt een buurt anoniemer.” Over de mogelijke gevolgen van het beleid stelt hij dat er verbinding met de buurt ook minder kan worden: “Er was een web van contacten, van mensen die het verschil maakten. Dat is kwetsbaar geworden.”
8
Dit portret komt voort uit de verdiepende interviews, toegelicht in hoofdstuk 2: Methode.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
7
3. Relevante beleidskaders 3.1
Doelen van het broedplaatsenbeleid
Er is een Atelier- en broedplaatsenbeleid (gemakshalve in dit rapport broedplaatsenbeleid genoemd) over de periode 2023-20269 vastgesteld door de gemeente Amsterdam. In dit broedplaatsenbeleid ligt de nadruk op broedplaatsen die niet alleen werkruimtes bieden, maar ook ruimte geven aan kunstenaarschap, maatschappelijke initiatieven, (nacht)programmering, verbinding en ontwikkeling. Ook moeten de broedplaatsen meer divers en toegankelijker worden voor kunstenaars, met name uit Zuidoost, Nieuw West en Noord. Dit heeft als doel om te zorgen dat o.a. Amsterdamse creatieven gemakkelijker hun weg kunnen vinden naar de broedplaatsen. Hiervoor worden ook de toetsingscriteria verruimd voor ruimtes waar een positieve CAWA-toets voor nodig is, zodat de ruimtes voor meer mensen toegankelijk worden. Het beleid beoogt dat broedplaatsen door samen te werken met lokale organisaties, actief de verbinding te zoeken met maatschappelijke programma’s en culturele instellingen creatieve centra worden met een grote betekenis voor hun omgeving. Het “Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023-2026” draagt bij aan de ambities uit het Hoofdlijnen Kunstenplan 2025-2028, gericht op een lokaal, nationaal en internationaal kunst- en cultuurklimaat in Amsterdam. Daarnaast wordt er in totaal 600.000 euro vrij gemaakt voor programmering in broedplaatsen (over de periode van 2023-2026).
Onder het broedplaatsenbeleid vallen onder andere: • Broedplaatsen: creatieve werkplekken voor kunstenaars, vaak in leegstaande of herbestemde panden. Dit kunnen tijdelijke en permanente broedplaatsen zijn: sommige broedplaatsen zijn tijdelijk (vaak door herontwikkeling), andere krijgen een vaste bestemming. •
Ateliers, atelierwoningen en kunstenaarswoningen 10: zowel werk- als woonruimte voor makers. Subsidies en regelingen zoals: 1. Subsidie voor verbouw en inrichtingskosten. 2. Programmeringssubsidies, o.a. voor publieksactiviteiten. 3. Sterke broedplaatsen-regeling voor ontwikkeling van organisatie, bestuur en sociale veiligheid (denk aan coaching, netwerken, kennisdeling en opname in stedelijke
• •
ontwikkelplannen). Borgstellingsfonds voor leningen aan broedplaatsen. Maatschappelijke invulling: steeds meer nadruk op verbinding met de buurt, educatie, programmering, inclusie en duurzaamheid.
Al 15 jaar terug constateerde DSP-groep in de vraagmonitor dat er sprake is van een groeiende vraag11. Uit onderzoek van Blaker et al. (2022) lijkt van die trend nog steeds sprake te zijn.12
Per 2024 ingegaan. Er bestaat hiermee een link tussen het broedplaatsenbeleid en de Amsterdamse prestatieafspraken voor 2024 t/m 2027 tussen de woningcorporaties, de huurderskoepels en de gemeente Amsterdam 11 Vraagmonitor broedplaatsen Amsterdam Eindrapport (pagina 37, DSP-groep 2009 in opdracht van Bureau Broedplaatsen) 12 Blaker, et al. (2022, september). Broedplaatsen in de Metropoolregio Amsterdam. 9
10
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
8
3.2
Broedplaatsen en door CAWA-getoetste ruimtes
De gemeente Amsterdam ondersteunt groepen kunstenaars en creatieve ondernemers in het opzetten van een broedplaats en initiatiefnemers om de huisvesting te realiseren. Bureau Broedplaatsen13 en CAWA spelen hierin een grote rol. De Commissie voor Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam (CAWA) is een onafhankelijke commissie die is ingesteld door het college van B&W in 2008. De commissie bestaat uit negen mensen die gevraagd en ongevraagd het college van B&W adviseren. Daarnaast toetsen ze het kunstenaarschap van nieuwe huurders en beoordelen ze plannen bij de transformatie van een gebouw tot broedplaatsen. Ruimtes waar een positieve CAWA-toets voor nodig is, zijn ateliers of atelierwoningen die gesubsidieerd zijn en onder de toewijzing vallen van de CAWA. De commissie beoordeelt kunstenaars op basis van hun professionele status en artistieke kwaliteit, op grond van de zogeheten ‘basis-‘ of ‘toptoets’14. De volgende kenmerken zijn van toepassing op door de CAWA-getoetste ruimtes: • •
De ruimtes worden alleen toegewezen aan professionele kunstenaars. De toewijzing gebeurt op basis van inhoudelijke criteria (portfolio, beroepspraktijk).
•
De ruimtes betreffen zowel ateliers, atelierwoningen als kunstenaarswoningen in gemeentelijk
•
vastgoed. De CAWA-commissie toetst kunstenaars, beoordeelt broedplaatsplannen voor subsidies, en adviseert (ongevraagd of gevraagd) het college van B&W over (woon-)werkruimtebeleid.
3.3
Doorstroombeleid en controverse
Het doorstroombeleid is een reactie op het ruimtegebrek in de stad en houdt in dat creatieven en kunstzinnige makers, die huren in de door de gemeente aan kunstenaars toegewezen ruimtes, er na tien jaar uit moeten om plek te maken voor nieuwe creatieven en kunstzinnige makers die op zoek zijn naar ruimte. Het principe van doorstroom in gereserveerde werkruimten is voor het eerst vastgelegd in het “Herzien Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015 – 2018”. Het beleid is in 2019 hernieuwd en in 2023 nogmaals. De doorstroomregeling is in stand gehouden en er is in de voorgenomen handhaving niets veranderd. De eerste huurders waarvoor de regeling gaat gelden, komen in 2026 aan bod aangezien het beleid in 2016 actief is geworden en niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Mede met het oog op de uitkomsten van dit onderzoek heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, besloten tot uitstel van het huidige doorstroombeleid naar 2027.15 Het stimuleren van doorstroming wordt momenteel in de praktijk vooral vormgegeven door tijdelijke huurcontracten met een vaste looptijd. Er is geen nader onderzoek gedaan naar huurcontracten.
Wij merken op dat wooncontracten een ander juridisch kader en beschermingsniveau kennen dan werkruimtecontracten of bruikleencontracten (vaak anti-kraak) Daarnaast zijn veel broedplaatsen tijdelijk van aard, wat ook invloed heeft op de contracten. Bureau Broedplaatsen heeft de bestuurlijke opdracht om meer broedplaatsen te creëren, bijvoorbeeld door leegstaand vastgoed tot een broedplaats te transformeren. 14 Om in aanmerking te komen voor een CAWA-getoetste-ruimte, moet men een Basistoets of Toptoets halen: 1. CAWA Basistoets • Voor toegang tot een CAWA-getoetst-atelier of broedplaats • Toetst of je een actieve professionele kunstenaar of creatief bent • Let op: beroepspraktijk moet serieus en zichtbaar zijn (exposities, projecten, etc.) • Geldig voor 5 jaar 2. CAWA Toptoets • Voor bepaalde topateliers • Strengere toets: je moet van (inter)nationaal niveau zijn • Gericht op kunstenaars met een bewezen en erkende staat van dienst 15 Zie raadinformatiebrief van 25 februari 2025. 13
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
9
Doelstellingen en aandachtspunten van het doorstroombeleid16 zijn dat het: • De toegankelijkheid van broedplaatsen verhoogt. Kansen voor jonge en startende kunstenaars creëert. Van toepassing is op CAWA-getoetste huurders: andere gebruikers (bijvoorbeeld niet-
• •
gesubsidieerden) vallen er buiten. Zoals eerder aangegeven, stuit het doorstroombeleid op weerstand. Zo stelt CAWA in hun jaarverslag (2023) dat er voldoende natuurlijke doorstroom is: ‘’Achter de doorstroomregeling zit de gedachte dat startende kunstenaars makkelijker een werkruimte kunnen betrekken. In praktijk is het een verplichte ‘stoelendans’ ten koste van gevestigde kunstenaars. De CAWA krijgt signalen dat er voldoende organische doorstroom is. Een permanente, intergenerationele benadering is nodig. Verplichte doorstroom betekent voor de huidige huurders uitstroom.’’ 17 De vraag is dus wat de effecten van het doorstroombeleid zijn en of er een probleem is dat het beleid op moet lossen. De eerste mensen zouden in 2026 uit hun werkruimte moeten, dus een tijdig antwoord is wenselijk om een besluit te kunnen nemen. Het college heeft in het najaar van 2025 besloten niet voor 2027 te starten met uitvoering van de nu nog geldende doorstroomregeling, in afwachting van dit onderzoek.18
3.4
Huidig overzicht
Bij de start van de huidige beleidsperiode (2023 -2026) werden er in de MRA 80 actieve broedplaatsen ondersteund bij het opstarten van de broedplaats door de gemeente. In 200919 waren dat er 42. In deze broedplaatsen bevinden zich ongeveer 1.700 CAWA-getoetste ateliers, nog eens 1.700 niet-CAWA-getoetste ateliers en ruim 100 woonwerkateliers. Daarnaast zijn er 400 individuele ateliers, 35020 atelierwoningen en 100 kunstenaarswoningen beschikbaar. Ongeveer de helft van de broedplaatsen is permanent, de andere helft is tijdelijk. 21 Zie hieronder een overzicht hiervan:
Gemeente Amsterdam (2024) Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023-2028. Jaarverslag CAWA (2023): P. 5. 18 Gemeente Amsterdam Raadsbrief ‘Voortgang proces onderzoek Doorstroom in Broedplaatsen’, 2 februari 2025 19 Vraagmonitor broedplaatsen Amsterdam Eindrapport (pagina 37, DSP-groep 2009 in opdracht van Bureau Broedplaatsen) 20 Van deze 350 atelierwoningen zijn er 293 vastgelegd als ijzeren voorraad in de samenwerkingsafspraken met tussen de woningcorporaties en de gemeente Amsterdam 21 Gemeente Amsterdam broedplaatsenbeleid Gemeente Amsterdam 2023-2026. 16 17
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
10
Tabel 3.1: Broedplaatsen in metropoolregio Amsterdam in 2024 22 Categorie
Aantal
CAWA-getoetst of nietCAWA-getoetst
Toelichting
Actieve broedplaatsen
8023
Beide
Ondersteund door gemeente Amsterdam
Ateliers in broedplaatsen
± 1.700
Getoetst
Voor kunstenaars en CAWAgetoetste creatieven
Individuele ateliers (buiten broedplaatsen)
± 400
Getoetst
Atelierwoningen
± 350
Getoetst
Woning met atelierruimte - 293 vastgelegd als "ijzeren voorraad".
Kunstenaarswoningen24 25
± 100
Getoetst
Woningen zonder atelierruimte.
Ruimtes in broedplaatsen (overige creatieve sector)
± 1.700
Niet getoetst
Voor bredere creatieve sector
Woonwerkateliers in broedplaatsen
> 100
Niet getoetst
Totaal
4350 totaal
+- 2550 CAWA-getoetst +- 1800 niet-CAWA- getoetst
Kerncijfers huidige broedplaatsensituatie de MRA 26 •
Tussen 160.000 en 170.000 m2 vloeroppervlak.
•
Naar schatting is 56% van de ruimte voor CAWA-getoetste huurders.
•
Groei van gerealiseerde vloeroppervlak met 11,7% per jaar. Van 22.000 m2 (2003) naar 165.000 m2 (2022).
In het atelier- en broedplaatsenbeleid 2023-2026 wordt als doel gesteld om in totaal 40.000 m² over de hele beleidsperiode aan broedplaatsruimte te realiseren en/of te behouden. Hieraan wordt netto27 ongeveer 27.000 m² toegevoegd. Ongeveer de helft van deze ruimte zal bestaan uit ateliers voor CAWA-getoetste makers. Bijna 50% van de broedplaatsen is permanent van aard. Voor 14 broedplaatsen loopt het huurcontract af in de beleidsperiode 2023-2026 of is het al afgelopen28: naar verwachting kan de helft daarvan worden behouden, terwijl de andere helft mogelijk verdwijnt — wat een verlies van zo’n 13.000 m² zou betekenen. Wat betreft geografische spreiding bevinden de meeste broedplaatsen zich in stadsdeel Oost (19%) en Nieuw-West (18%), gevolgd door Noord (14%) en Centrum (13%). Minder broedplaatsen zijn gelegen in Zuid (5%) en Zuidoost (8%), en een klein deel bevindt zich in omliggende gemeenten zoals Zaanstad, Weesp en Halfweg. Voor een volledig overzicht van broedplaatsen in de MRA, zie bijlage 3, tabel 2.
Gemeente Amsterdam broedplaatsenbeleid 2023-2026, P14. Dit zijn cijfers uit het ‘’Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023-2026’’, veel broedplaatsen zijn tijdelijk dus dit aantal fluctueert regelmatig. De meest recente cijfers zijn bekend bij Bureau Broedplaatsen (Gemeente Amsterdam). 24 In het broedplaatsenbeleid 2023-2026 staat dat er wordt gewerkt aan de definities van atelierwoningen en kunstenaarswoningen (2024: P. 16). 25 Kunstenaarswoningen zijn voornamelijk in bezit van corporaties. De afspraken hierover zijn vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst tussen de corporaties in de gemeente. Voor woningen voor kunstenaars werd tot nu toe vaak gebruik gemaakt van jongerencontracten waarbij een maximale huurperiode van 5 jaar geldt (Broedplaatsenbeleid 20232026: 2024, P26). 26 Blaker, et al. (2022, september). Broedplaatsen in de Metropoolregio Amsterdam. 27 Er stoppen broedplaatsen en er komen nieuwe bij, netto is wat er uiteindelijk overblijft. 28 Deze informatie komt uit het broedplaatsenbeleid, versie april 2024. Inmiddels kan het aantal veranderd zijn. 22 23
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
11
Portret - De zoeker (tijdelijke contracten, huurt korter dan 5 jaar)29 “We vallen tussen wal en schip. Te groot voor de kleine ruimtes, te klein voor de enorme hallen.” De geïnterviewde is onderdeel van een theatergroep en is al jaren actief en internationaal erkend, maar opereert in Amsterdam vaak in tijdelijke, suboptimale omstandigheden: “De studio’s die we huren zijn nooit in goede staat. De ene had lekkage, de ander was letterlijk een container.” Broedplaatsen: nodig, maar wrang De huidige studio werd gevonden via de Instagram van de broedplaats waar ze al huurden, maar de beheerder gaf de voorkeur aan andere disciplines. Uiteindelijk kwam de ruimte toch vrij, maar het is geen ideale situatie: “De toiletten zijn als op een camping. Als het regent, is het echt niet prettig.” “Ze proberen vooral de inactieve mensen positief te beïnvloeden, in plaats van de actieve makers te ondersteunen.” Zoektocht naar ruimte: fulltime bezigheid “Ik zoek elke dag. Broedplaatsen, gemeentewebsite, Marktplaats, Funda.” Maar hoop is er nauwelijks: “De plekken worden vaak vergeven voordat ze online komen.’’ Hij heeft het idee dat je mensen moet kennen bij broedplaatsen of bij de gemeente om kans te maken op een ruimte. De onzekerheid rond huurcontracten maakt plannen lastig: “We programmeren per seizoen, maar ons contract loopt per kwartaal.
Hoe boek je dan internationale gasten?” “We hebben ruimte nodig waar we kunnen oefenen, lesgeven en kleine shows doen. We zijn geen schilders die op een kleiner oppervlak hun werk kunnen doen.” Wat hebben we nodig? • • •
Middelgrote ruimtes (100-120 m²) die wél toegankelijk zijn voor theatermakers. Gemeentelijk beleid dat actieve kunstenaars ondersteunt, niet straft. Meer transparantie en doorstroom maar kom met alternatieven: “Meer rotatie is goed, maar wat is het alternatief voor wie hard werkt en produceert?”
Tot slot “We willen niet stil blijven staan. Maar het voelt alsof we altijd opnieuw moeten beginnen.” Hij spreekt liefde uit voor het vak, voor het maken, voor het publiek. Maar ook uitputting, door de continue zoektocht naar ruimte, erkenning en stabiliteit: “Soms voelt het alsof we in een stad leven die zegt ruimte te willen geven aan cultuur, maar vooral ruimte geeft aan wie je kent.”
29
Dit portret komt voort uit de verdiepende interviews, toegelicht in hoofdstuk 2: Methode.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
12
4. Kenmerken deelnemers enquête In dit hoofdstuk bespreken we de eerste resultaten van de verhuurders- en huurdersenquête. We schetsen een beeld van wie de enquête hebben ingevuld en wat hun antwoorden waren. Hierbij focussen we ons eerst op de verhuurdersenquête: wat voor broedplaatsen hebben er meegedaan en wat zijn hun kenmerken? Hierna bespreken we de uitkomsten van de enquête voor huurders, zoekers en voormalig huurders. We gaan eerst dieper in op hun profiel: hoe oud zijn ze, welke disciplines zijn er vertegenwoordigd? Daarna bespreken we de feitelijke kenmerken van de ruimtes, het gebruik en waardering, en behoeften en knelpunten.
4.1 Beschrijving broedplaatsen In totaal hebben er 21 verhuurders gereageerd in het verhuurdersonderzoek. Omdat er verhuurders zijn die meerdere broedplaatsen onder hun beheer hebben, vertegenwoordigen ze samen 49 broedplaatsen. Van alle deelnemers verhuurt 4 op de 5 een broedplaatsruimte. Een kwart verhuurt (ook) een andere creatieve, culturele, sociaal maatschappelijke ruimte in Amsterdam. Voor een volledig overzicht van ruimten, broedplaatsen en huurders per verhuurder van broedplaatsruimte, zie bijlage 3, tabel 3. Op basis van de gegeven antwoorden zijn dit de kenmerken van de broedplaatsen die de verhuurders gezamenlijk beheren: •
1.356 ruimtes
•
88.123 m² totaal oppervlak
•
1.899 huurders → Dit komt neer op gemiddeld 46,4 m² per huurder
Andere (niet-broedplaatsen) culturele ruimtes zijn in totaal: • •
538 ruimtes 26.249 m²
•
1.152 huurders → Gemiddeld 45,6 m² per huurder
De meeste locaties bieden een combinatie van werkruimten, individuele ateliers en in sommige gevallen zijn het woon/werkruimten. Uit het onderzoek blijkt dat contracten met de huurders regelmatig worden geëvalueerd, de mate waarin de einddatum definitief is verschilt per broedplaats, en er vindt regelmatig verlenging plaats die veelal samenhangt met verlenging van de levensduur van tijdelijke broedplaatsen. De fysieke kenmerken van broedplaatsen lopen uiteen. Sommige panden zijn verouderd, terwijl andere juist recent en duurzaam zijn gerenoveerd. Vooral voor disciplines waarbij geluidsproductie een rol speelt, zoals muziek en performancekunst, lijkt het aanbod van goed geïsoleerde ruimten beperkt.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
13
4.1
Huurders, zoekers en voormalig huurders
Profiel van de huurders (leeftijd, achtergrond, discipline) In totaal hebben 554 personen deelgenomen aan het onderzoek. De respondenten kregen in de enquête vragen die aansloten bij hun situatie. Er is onderscheid gemaakt tussen drie hoofdgroepen: 1. Huurders: personen die op het moment van invullen van de enquête een broedplaatsruimte, atelierwoning of kunstenaarswoning huren (66% van de respondenten, n=364). 2. Zoekenden: personen die momenteel geen ruimte huren, maar actief op zoek zijn naar een werkplek (23%, n=126). 3. Voormalig huurders: personen die eerder gebruikmaakten van een broedplaatsruimte, maar nu niet meer huren en ook niet actief zoeken (12%, n=64). Overigens gaven sommige voormalig huurders wel aan inmiddels opnieuw actief op zoek te zijn naar geschikte werkruimte. Van de huurders in het onderzoek gaf de meerderheid aan te huren in een broedplaats. Ongeveer 12% gaf aan een individueel atelier te huren buiten een broedplaats. Een klein aantal respondenten huurde meerdere typen ruimte tegelijkertijd. In het rapport noemen we vanaf hier de huurders, zoekers en voormalige huurders samenvattend ‘creatieven’, tenzij anders wordt aangegeven. Figuur 4.1 Welke situatie is op jou van toepassing? (meerdere antwoorden mogelijk) (n=554)
59%
25% 18%
6%
Ik ben huurder van Ik ben huurder van een atelier/ruimte in een atelierwoning een broedplaats in de regio Amsterdam
2% Ik ben huurder van Ik ben voormalig een huurder van een kunstenaarswoning atelier/ruimte in een broedplaats in de regio Amsterdam
3% Ik ben voormalig huurder van een atelierwoning
1% Ik ben voormalig huurder van een kunstenaarswoning
Ik ben op zoek naar atelierruimte in een broedplaats in de regio Amsterdam
Woon- en geboorteplaats De deelnemers aan het onderzoek wonen verspreid over de stad en regio. De meeste huurdersrespondenten zijn woonachtig in stadsdeel Oost (21%), gevolgd door Nieuw-West (16%), West (15%) en Noord (15%). Stadsdelen Zuid en Zuidoost zijn met elk 4% minder sterk vertegenwoordigd in de respons. Vijftien procent van de respondenten is geboren in Amsterdam zelf, 51% elders in Nederland, en 29% buiten Nederland. Leeftijd De leeftijd van de respondenten loopt uiteen, maar het valt op dat er niet veel jongeren zijn. Ruim de helft (48%) is tussen de 31 en de 50 jaar, terwijl 43% ouder is dan 50. Een kleinere groep van 9% is 70 jaar of ouder. Zie onderstaande figuur voor een exacte weergave.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
14
Figuur 4.2 – Wat is je leeftijd? (n=364) Antwoorden van huurders 30% 24%
23%
21%
20% 13% 10%
8%
6%
4% 1% 0% 18-30 jaar
31-40 jaar
41-50 jaar
51-60 jaar
61-70 jaar
71-80 jaar
Ouder dan 80 jaar
Wil ik niet zeggen
Studie achtergrond en discipline Een overgrote meerderheid van de respondenten heeft een kunstvakopleiding gevolgd (83%). Zeven procent gaf aan geen specifieke kunstopleiding te hebben gevolgd. Bij de open antwoorden in de categorie ‘anders’ werden onder meer opleidingen genoemd in landschapsarchitectuur, industrieel ontwerp, ambachten zoals meubelmakerij, en alternatieve richtingen zoals yoga of edelsmeden. Een aantal respondenten beschouwt zichzelf als autodidact30. Het grootste deel van de huurder-respondenten is actief als beeldend kunstenaar (67%). Andere veelvoorkomende disciplines zijn vormgeving (19%), film en audiovisuele kunst (15%), fotografie en muziek (beide 12%) en podiumkunsten (11%). Daarnaast werd bij ‘anders’ (17%) onder meer genoemd: mode, restauratie, theater en ambachtelijke disciplines zoals edelsmeden of houtbewerking. Men heeft soms meerdere disciplines opgegeven. Beroepsmatige activiteit Opvallend is dat een groot deel van de creatieven die de enquête hebben ingevuld, al lange tijd actief zijn in het vak. De helft van de huurders werkt al meer dan 20 jaar als zelfstandig kunstenaar. Ongeveer 30% is tussen de 10 en 20 jaar actief, en 7% is korter dan vijf jaar werkzaam in het vak. Deze cijfers schetsen het beeld dat veel huurders niet meer tot de startende groep behoren, maar eerder tot de meer ervaren beroepsgroep.
Ruimte waar een positieve CAWA-toets voor nodig is Van alle huurder-respondenten heeft 68% een CAWA-toets nodig gehad. Van de voormalige huurders huurde 40% een ruimte waarvoor een positieve CAWA-toets nodig was. Wat hier opvalt is dat degenen die een kunstopleiding hebben gevolgd, vaker in een CAWA-getoetste ruimte zitten. Duur van huur Op de vraag sinds wanneer men een ruimte huurt werden de volgende antwoorden gegeven door huurders:
Een autodidact is iemand die zelf nieuwe dingen leert, zonder hulp van een school of leraar. Deze persoon gebruikt boeken, internet of andere informatiebronnen om iets nieuws te leren. Autodidacten zijn vaak nieuwsgierig en vinden het leuk om zelf uit te zoeken hoe iets werkt. Ze leren in hun eigen tempo en kiezen zelf wat ze willen leren. Sommige mensen worden autodidact omdat ze geen toegang hebben tot onderwijs, anderen doen het omdat ze graag zelfstandig werken. 30
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
15
Figuur 4.3 – Sinds wanneer huurt u de ruimte? n=364 (huurders) 100% 80% 60% 38%
40% 20%
4%
3%
2%
5%
8%
6%
8%
7%
11%
7%
0%
Hier valt op dat er een deel vanaf 2016 of eerder aan het huren is: 42%. Dit betreft zowel CAWA- als niet-CAWA-huurders. Aan de voormalig huurders is ook gevraagd hoe lang ze er gemiddeld hebben gezeten. Hierbij geeft 10% aan minder dan een jaar gehuurd te hebben, een derde 1-3 jaar, en nog een derde 3-10 jaar. 25% heeft 10 jaar of langer een ruimte gehad (zie bijlage 3, tabel 6 voor een volledig overzicht).
4.2 •
Tussenbevindingen De enquête is ingevuld door 554 creatieven, afkomstig uit alle stadsdelen en diverse disciplines. Aan verhuurderszijde zijn 21 organisaties betrokken, die samen 49 broedplaatsen vertegenwoordigen.
•
De meeste huidige huurder-respondenten zijn 31 jaar of ouder. 43% is ouder dan 50 jaar. Bovendien werkt ruim de helft van de respondenten al meer dan 20 jaar als professioneel kunstenaar. Het merendeel heeft een kunstvakopleiding gevolgd. Daarmee zijn broedplaatsen
•
vooral gevuld met gevestigde creatieven. Het grootste aandeel van de respondenten is actief als beeldend kunstenaar (67%), gevolgd door vormgeving, film/audiovisueel en muziek. Andere disciplines zoals podiumkunsten, mode, ambacht en fotografie zijn ook aanwezig, wat het veld tot een diverse mix maakt. Kortom er is sprake van een discipline diversiteit.
•
•
Zo’n twee derde van de huidige huurders zit in een ruimte waarvoor een positieve CAWAtoets vereist is. Vooral creatieven met een afgeronde kunstopleiding blijken vaker in deze getoetste ateliers te zitten. Daarnaast zijn veel respondenten (huurders van CAWA- en niet-CAWA-getoetste ruimtes) al jaren aan hun plek gebonden: ruim 40% huurt sinds 2016 of eerder, wat erop duidt deze groep 10 jaar of langer op dezelfde locatie zit.
•
Een groot deel van de respondenten is geboren buiten Amsterdam (85%), waarvan 29% in het buitenland. Toch blijken creatieven met een internationale achtergrond gemiddeld korter actief en minder vaak langdurige huurders. Dit kan wijzen op drempels in netwerken, taal, selectieprocessen, toegang tot CAWA-getoetste ruimtes of dat ze teruggegaan zijn naar land van herkomst, maar hierover geen deze enquête geen uitsluitsel.
•
De meeste broedplaatsen combineren werkplekken, individuele ateliers en soms woon/werkunits.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
16
•
Ook specifiek voor disciplines die geluidsproductie vereisen – zoals muziek en performance – blijkt uit de open antwoorden van de enquête, het aanbod zeer beperkt.
•
De ruimten zijn qua aard en kwaliteit sterk uiteenlopend, van tijdelijk en verouderd tot recent gerenoveerd.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
17
Portret - huurder (>10 jaar werkzaam & hurend)31 “Als deze ruimte zou wegvallen, kunnen we niet in Amsterdam blijven wonen. Het atelier is essentieel.” De kunstenaar werkt in een ruim atelier in een voormalig schoolgebouw, onderdeel van de zogeheten 'IJzeren Voorraad'. Ze bouwde samen met haar partner een volledig interdisciplinair atelier op: video, analoge media, fotografie, metaalbewerking, archieven, installaties. De ruimte is zorgvuldig ingericht in werkstations en vormt het hart van hun artistieke praktijk én gezinsleven. “Deze ruimte is niet zomaar een plek. We hebben onze hele werkwijze eromheen gebouwd.” Een organisch gegroeide gemeenschap “We hebben elkaar niet gekozen, maar we zijn echt een gemeenschap geworden.” Het gebouw huisvest een diverse groep creatieven: jonge makers die via CAWA binnen zijn gekomen en een kleine groep bewoners van de eerste generatie — sommigen van hen zijn in de 80. De meeste gebruikers huren enkel werkruimte; slechts drie personen hebben een gecombineerd woon-werkcontract. Er is veel onderlinge uitwisseling: gezamenlijke tuinverzorging, samenwerkingen, ontmoetingsmomenten zoals eetevenementen. De mix van leeftijden en achtergronden (o.a. Nederlands, Maltees, Turks, Duits, Marokkaans, Canadees) maakt het gebouw levendig en open. “We vormen de wijk. We wonen en werken hier, we praten met buren, we nodigen mensen uit.
Dat is cultureel weefsel.” Ruimte moet beschikbaar blijven voor wie actief is “Ik geloof in de CAWA-toets: laat mensen aantonen dat ze actief bijdragen. Maar gooi geen gevestigde gemeenschappen zomaar overhoop.” De geïnterviewde heeft een ouder type contract, verlengbaar zolang ze actief blijft en via CAWA-toetsing aantoont dat ze bijdraagt aan het Nederlandse kunstlandschap. Ze ziet het belang van doorstroming, maar waarschuwt voor uniform beleid dat geen rekening houdt met levensfase of discipline. “Je kunt beginnende kunstenaars met een tijdelijk atelier niet op dezelfde manier behandelen als mensen die twintig jaar praktijk hebben opgebouwd.” Waarom Amsterdam? “Wij hebben geen familie hier. Onze gemeenschap, onze vrienden, de school van onze dochter — alles is lokaal opgebouwd. Dat geef je niet zomaar op.” Verhuizen buiten de stad is voor haar geen optie, zowel om sociale redenen als vanuit overtuiging: “Kunstenaars horen niet uit het centrum verdrongen te worden. We dragen bij aan de stad. We maken het culturele weefsel levend.”
Wat biedt deze ruimte? •
Daglicht, hoge plafonds, grote ramen.
•
Specifieke ruimtelijke kwaliteiten: magneetmuur, werkstations, testopstellingen.
•
Ruimte voor langdurige ontwikkeling van installaties en publicaties. “Ik werk niet op een laptop. Mijn processen zijn fysiek. Alles moet kunnen ademen.”
31
Dit portret komt voort uit de verdiepende interviews, toegelicht in hoofdstuk 2: Methode.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
18
Toekomstvisie “Je kunt geen gemeenschap afdwingen. Die moet kunnen groeien.” Ze pleit voor een beleid dat onderscheid maakt tussen broedplaatsen (voor starters) en ateliergebouwen. Tijdelijkheid is waardevol in sommige fases, maar funest in andere. “Als je iemand die net begint een tijdelijke plek geeft, prima. Maar wie al jaren actief is en investeert in een plek, moet daar niet zomaar uitgezet worden.” Leegstaande gebouwen benutten, meer ruimte beschikbaar stellen voor jonge makers, flexibele broedplaatsen én structurele atelierplekken — dat is de weg vooruit, volgens deze huurder.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
19
5. Aanbod en vraag Dit hoofdstuk gaat dieper in op de vragen hoe de huidige aanbod van en vraag naar broedplaatsen eruit ziet in Amsterdam. We beginnen met de aanbodkant, dit is gebaseerd op de verhuurders enquête en de interviews die gehouden zijn met de huurders en zoekers.
5.1
Aanbod32
Eisen aan huurders Uit de verhuurdersenquête blijkt dat het merendeel van de verhuurders eisen stelt aan potentiële huurders. Van de ondervraagde verhuurders hanteert de overgrote meerderheid de CAWA-toetsing als voorwaarde voor toewijzing van een ruimte. 33 Naast CAWA-toetsing worden er ook andere eisen gesteld: zo let 67% van de verhuurders op de samenstelling van de groep huurders op de disciplineverdeling binnen de broedplaats. Hiermee proberen zij een gebalanceerd geheel van creatieve gebruikers te creëren. Ook eist 62% van de verhuurders dat huurders actief bijdragen aan het functioneren van de broedplaats, bijvoorbeeld door deelname aan programmering, gezamenlijke initiatieven of beheeractiviteiten. 43% heeft specifieke eisen voor een bepaalde discipline. Figuur 5.1 Hanteert u eisen aan potentiële huurders? (meerdere antwoorden mogelijk) (n=21) Antwoorden van verhuurders 76% 67%
62%
43%
29%
29%
5% CAWA-toetsing
Samenstelling / Meewerken in de Eisen aan type diversiteit binnen broedplaats discipline huurdersbestand
Huurder is Eisen aan leeftijd buurtgebonden
5% Andere eisen
We hanteren geen specifieke eisen
Gemakkelijk huurders te vinden Uit het verhuurdersonderzoek blijkt dat de vraag naar ruimtes in broedplaatsen groot is. Gemiddeld ontvangen verhuurders jaarlijks ongeveer zeven aanmeldingen per tien bestaande huurders (zie bijlage 3, tabel 8). Dit wijst op een continue belangstelling vanuit de creatieve sector, wat aansluit bij de signalen van een structurele krapte op de atelierruimtemarkt. Een vrijgekomen ruimte blijkt (heel) makkelijk te vullen. Als een CAWA-toets nodig is, blijkt dit iets moeilijker, maar nog steeds (heel) makkelijk te lukken. In de figuur hieronder wordt dit weergeven:
15 van de 21 verhuurders hebben ingevuld in welke broedplaatsen ze verhuren. Verhuurders van onderstaande broedplaatsen hebben de enquête ingevuld. 11 verhuurders verhuren in 1 broedplaats, 2 in 2, 1 in 3 en 1 in 25. 33 Van de 21 ondervraagde verhuurders hanteert ongeveer 75% CAWA-toetsing als voorwaarde voor toewijzing. Als we kijken naar de 17 verhuurders die expliciet aangeven broedplaatsruimte te verhuren, gaat het zelfs om 14 verhuurders, oftewel 82%. 32
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
20
Figuur 5.2 Hoe moeilijk of makkelijk is het om over het algemeen nieuwe huurders te vinden wanneer er een ruimte vrij komt? (vraag over CAWA-getoetste ruimtes alleen gesteld aan degenen die die verhuren) Antwoorden van verhuurders
Voor een ruimte waar een positieve CAWA-toets voor nodig is (n=16)
13%
13%
Voor een ruimte waar geen positieve CAWA-toets voor 5%5% nodig is (n=21)
24%
0% Heel moeilijk
Moeilijk
Neutraal
38%
57%
25% Makkelijk
38%
50% Heel makkelijk
10%
75%
100%
Weet ik niet
Toch worden er ook enkele knelpunten genoemd door verhuurders in de zoektocht naar nieuwe huurders: •
Hogere huren (bij grotere of duurdere ruimten) maken het lastiger om geschikte kandidaten te
•
vinden. De CAWA-toets wordt door sommige verhuurders als drempel ervaren, met name wanneer er
•
‘lokaal talent’ wordt gezocht. Incidentele leegstand is vaak het gevolg van interne selectiecriteria, timing, of beperkte zichtbaarheid van het aanbod via officiële kanalen.
Werven van huurders Een ruime meerderheid van de verhuurders (76%) werft actief nieuwe huurders wanneer er ruimte beschikbaar komt. De meest gebruikte wervingskanalen zijn: • •
Via huidige huurders (57%). De eigen website van de verhuurder (52%).
• •
Sociale media (48%). De gemeentelijke site ateliers.amsterdam.nl (43%).
Opvallend is dat geen van de verhuurders aangeeft gebruik te maken van woningcorporaties voor de werving van nieuwe huurders. De nadruk ligt duidelijk op informele of specifieke netwerken binnen het culturele veld. Zo vertelt een verhuurder in de enquête: ‘’We werken niet met een wachtlijst, maar als er een ruimte vrijkomt, dan maken we in de Algemene Ledenvergadering een profiel aan, en dan kan iedere huurder 1 persoon/collectief voordragen die binnen het profiel past. Deze persoon staat in voor deze persoon en heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen dat deze begrijpt wat onze broedplaats inhoud als collectief en is ook aanspreekpunt in de eerste periode als zijn/haar kandidaat word uitgekozen. We hebben hierdoor altijd genoeg keuze en de behoefte aan fijne, betaalbare werkruimte is sowieso heel voelbaar.’’ Contractduur Wat betreft huurcontracten blijkt dat er sprake is van uiteenlopende looptijden. De helft (48%) van de huurders heeft een contract met een looptijd van vijf jaar of langer. Daarnaast zijn contracten met een vaste looptijd van vijf jaar (33%), drie jaar (19%) en één jaar (24%) het meest gebruikelijk. Slechts één verhuurder (5%) werkt met contracten van slechts zes maanden, wat dus uitzonderlijk is.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
21
Als het gaat om contractverlenging, is er doorgaans veel flexibiliteit: •
57% van de verhuurders biedt vrijwel altijd verlengingsmogelijkheden.
• 29% doet dit meestal. • Slechts 5% (één verhuurder) biedt nooit verlenging aan. Deze cijfers laten zien dat hoewel contracten vaak tijdelijk zijn, veel huurders uiteindelijk langer dan hun eerste contractduur in een ruimte kunnen blijven. Wachtlijst De mate waarin er met wachtlijsten wordt gewerkt, verschilt per verhuurder. De helft (48%) van de verhuurders hanteert geen wachtlijst. Een kleiner deel (29%) werkt met een algemene wachtlijst, terwijl de overige kwart (24%) een wachtlijst bijhoudt voor specifieke ruimten. Waar er gewerkt wordt met een wachtlijst is deze eigenlijk altijd goed tot zeer goed gevuld. Leegstand Leegstand is dan ook geen probleem volgens de verhuurders van de verhuurder enquête (zie bijlage 3, figuur 3 voor een volledige weergave). Twee derde (67%) van de verhuurders geeft aan geen structurele leegstand te kennen. In gevallen waarin er wél leegstand voorkomt, betreft het doorgaans incidentele of kortdurende situaties. Frictieleegstand noemt men dit soort tijdelijke leegstand in het vastgoed jargon. Bij enkele verhuurders wordt melding gemaakt van beperkte leegstand of gebruik van ruimte als opslag, maar er lijkt hier niet sprake te zijn van een structureel knelpunt binnen het totale beeld. Zo vertelt een verhuurder: ‘’Op zich is alle leegstand tijdelijk van aard, er zijn geen ruimtes die we structureel niet kunnen verhuren.
Maar de leegstand is in het afgelopen jaar hoger geweest dan andere jaren door: Afloop van broedplaatsen, vaste huurders vertrokken en het was lastig om ruimten voor enkele maanden te verhuren.’’
5.2 Vraag Na het uiteenzetten van de aanbodkant, richten we ons op de vraag: de creatieven die atelierruimte huren, zoeken of recent zijn verhuisd of gestopt. Door deze vraagzijde inzichtelijk te maken, ontstaat er een vollediger beeld van de dynamiek op de markt voor broedplaatsen. In dit stuk gaan we in op de zoekduur en zoekmethodes, de ruimtelijke wensen en de betaalbaarheid van atelierruimte, inclusief hun beleving van het aanbod. Zoekduur en zoekmethodes Voordat huurders hun huidige ruimte betrokken, bevond een aanzienlijk deel zich in een tijdelijke of onzekere werksituatie: 23% huurde eerder al in een andere broedplaats, terwijl eveneens 23% werkte zonder vaste werkruimte. Ook anti-kraak huren (14%) of juist in de vrije sector huren (14%) waren gekozen opties.
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
22
Figuur 5.3 – Welke situatie was van toepassing voordat je je huidige atelier- of broedplaatsruimte huurde? (meerdere antwoorden mogelijk) (huurders; n=364) Ik huurde ruimte in een andere broedplaats
23%
Ik was een kunstenaar / creatieve professional zonder eigen…
23%
Ik huurde anti-kraak
14%
Ik huurde een ruimte in de vrije sector
14%
Ik huurde ruimte in de broedplaats waar ik nu ook huur
10%
Ik was student
8%
Ik huurde ruimte buiten de regio Amsterdam
7%
Ik huurde een ruimte uit de ijzeren voorraad
3%
Ik was werkzaam in een ander beroep
3%
Anders
16% 0%
10%
20%
30%
De zoektocht naar een geschikte ruimte blijkt vaak langdurig: twee op de vijf huurders (40%) waren langer dan een jaar op zoek. Nog eens 17% zocht één jaar. Slechts 11% vond binnen een maand een passende ruimte, en 18% binnen één tot drie maanden. Figuur 5.4 – Hoe lang ben je op zoek geweest naar een ruimte voordat je deze vond?
Korter dan 1 maand
9%
1 tot 3 maanden
9%
3 tot 6 maanden
11%
Huurders Voormalig huurders
18% 14%
22% 17%
6 maanden tot 1 jaar
20%
1 tot 3 jaar
21%
16% 19%
Langer dan 3 jaar
23% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
Bij de groep zoekenden geldt dat de meeste respondenten zich oriënteren via meerdere kanalen tegelijk. De meest genoemde manier waarop huurders hun huidige ruimte vonden is via: • •
De site van gemeente Amsterdam: https://www.ateliers.amsterdam.nl/ (21%). Via huidige of voormalige huurders (18%).
•
Via via (17%).
• •
Via de website van de broedplaats (9%). Via directe benadering van de broedplaats/beheerder (9%).
• •
Via bemiddeling door de gemeente (6%). 17% noemt ‘andere methoden’, waaronder Marktplaats, Instagram, SWWK (de voorloper van CAWA), of betrokkenheid bij de oprichting van een broedplaats.
Het vertrouwen in het vinden van een nieuwe ruimte is zowel onder huurders als zoekers niet groot: in totaal heeft 78% weinig vertrouwen in het vinden van een nieuwe ruimte. Als toelichting hierbij stelden ze onder andere:
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
23
‘’Ik zie studio ruimtes steeds schaarser worden en verder verplaatsen naar buiten de stad. Als iemand zonder auto maakt dit geschikte studio plekken vinden moeilijk. Ook heb ik een laag inkomen en zijn de kosten hoog.’’ ‘’Spaces available through CAWA are scarce, and even though I have a Toptoets, it seems to be irrelevant because for years I have been applying and never got even nominated for anything.’’ Daarnaast worden de tijdelijke contracten zonder vervolgtraject ook genoemd: wanneer die zijn afgelopen dan ‘sta je op straat en zoekt het maar uit.’’ Belangrijk aan een ruimte Aan de huurders is gevraagd wat destijds de doorslaggevende redenen waren om voor de broedplaats te kiezen waar ze op dit moment in werkzaam zijn. Voldoende omvang wordt door 71% van de huurders geantwoord als meest belangrijk aan een atelierruimte, dit geldt ook voor 51% van de zoekers. Ruimtebehoefte verschilt waarschijnlijk per discipline, maar vanwege de lage aantallen per discipline is dit niet statistisch vast te stellen. Voldoende licht (70%) is voor veel creatieven ook een bepalende factor bij de keuze voor een ruimte. In mindere mate geldt dit voor uitstraling (49%), andere collega’s om mee samen te werken (48%) en ventilatie/temperatuur (45%). Opvallend, maar niet verassend, is dat zoekers wat minder kritisch lijken dan huurders.
Figuur 5.5 – Welke van deze aspecten zijn bepalend voor jouw keuze voor een ruimte? Dus waar zou je een ruimte mogelijk op afwijzen of kiezen?
Voldoende omvang
51%
Genoeg lichtinval
56%
Uitstraling van de ruimte
48%
33%
Ventilatie en temperatuur Mogelijkheid tot laden en lossen
21%
45% 44% 38% 36%
Ov-bereikbaarheid
70%
49%
34%
Andere collega’s in de buurt om mee samen…
71%
Huurders (n=364) Zoekers (n=126)
43%
33% 30% 31% 33%
Voldoende stroompunten Beveiliging van de ruimte 20% 19%
Akoestiek
38% 34%
Nog iets anders 1% 1%
Weet ik niet
0%
20%
40%
60%
80%
Daarnaast werden in open antwoorden praktische wensen genoemd, bijvoorbeeld dat de ruimte schoon en zelfstandig bruikbaar moet zijn, ook dat deze zich dichtbij huis moet bevinden en dat de prijs redelijk moet zijn. Daarnaast is voor een aantal disciplines, zoals voor muzikanten, theatermakers of dansgezelschappen, de geluidsisolatie een cruciaal punt. Een huurder stelt in een interview: ‘’Mijn ideale broedplaats is een plek waar je altijd kunt zitten zonder de hete adem te voelen van zoektochten en verhuizingen. Waar de kunstenaar sociaal met elkaar omgaan en zorg dragen voor het
DSP-groep
Doorstroming in Broedplaatsen, een onderzoek
24
gebouw waar ze in zitten. Diversiteit in leeftijden, culturele achtergronden, verschillende media waar de kunstenaars mee werken zorgen voor een dynamische sfeer en uitwisseling van makers. Een gezamenlijke presentatie /koffieruimte om elkaar te treffen is ook bevorderend voor een fijne werksfeer en natuurlijke uitwisseling.’’ Huurprijs en oppervlakte De maandelijkse huurprijzen van atelierruimtes lopen sterk uiteen. Sommige respondenten geven aan minder dan € 200 per maand te betalen (9%), terwijl anderen ruim boven de €1.200 uitkomen (3%). Het gemiddelde ligt rond de € 516 per maand (inclusief servicekosten, exclusief gas/water/elektra) of ca. € 12,50 p/m2. De huurprijs per maand voor CAWA-getoetste en niet-CAWAgetoetste huurders verschilt niet significant van elkaar 34. Uit de enquête blijkt dat er geen duidelijke verschillen zijn in prijs tussen mensen die een ruimte delen of individueel huren. Tussen stadsdelen lijken er wel verschillen te zijn, maar dit is niet statistisch vast te stellen. Respondenten met een positieve CAWA-toets en een ruimte geven vaker aan dat zij de huurprijs hoog vinden en dat zij niet in staat zouden zijn om meer te betalen. Figuur 5.6– Hoeveel ben je maandelijks kwijt voor huren van je ruimte? We bedoelen hiermee je huur, excl. losse kosten voor gas/water/elektra. (n=329) Antwoorden van huurders 100% 80% 60% 40% 20% 0%