CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Plan Biodiversiteit voor parken en natuurgebieden 2025-2030 DEFINITIEF.pdf

RAAD 8 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het Plan Biodiversiteit: parken en natuurgebieden (VN2025-012571)37.632 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van bloemrijk grasland wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Bloemrijkdom uitgedrukt in graslandfase. Het doel is dat in het grasland verspreid over het oppervlak veel verschillende bloeiende planten voorkomen die kenmerkend zijn voor bloemrijk grasland. Bij de ontwik­kelingen van graslanden naar bloemrijke graslanden zijn verschillende fases te onderscheiden. Deze worden toegelicht n de gids Ontwik­ kelen van kruidenrijk grasland (Schippers, 2021, zie bijlage 7). Het doel is minimaal fase 3 (kruidenrijk grasland) of 4 (bloemrijk grasland) te bereiken. B. Beperkte verruiging. Het grasland wordt vaak genoegd gemaaid, zodat er niet veel verruiging is met ongewenste soorten als brandnetel, akkerdistel, braam, riet en grassen als witbol. C. Gefaseerd beheer. Om de gewenste graslandfase te bereiken en verruiging te voorkomen dient voldoende vaak gemaaid te worden (twee of drie keer per jaar). Het

is echter niet de bedoeling dat het hele oppervlak gemaaid wordt. Door tussen de 15-30% van het gras te laten staan, kunnen eitjes van bijen en vlinders zich ontwikkelen en komen deze na de winter uit. Ook vinden dieren hier een plek om te schuilen. Dit is gefaseerd beheer. De Vlinderstichting heeft ‘sinusbeheer’ ontwikkeld. Deze methode kan worden toegepast (hoeft niet). Per maaibeurt blijft ca. 40% van de vegetatie staan en er wordt gewerkt met een slingerende maaipaden, zogenaamde sinuspaden. Deze variëren in ruimte en tijd. Als resultaat ontstaat heel veel variatie, wat gunstig is voor de biodiversiteit. D. Nesteplekken voor wilde bijen. In (de nabijheid van) het bloemrijk grasland zijn er nestplekken voor wilde bijen in de vorm van dood hout, overjarig riet of kale grond; E. Schaduw voor dagvlinders. In de nabijheid van het bloemrijk grasland zijn er koele plekken voor dagvlinders zoals struweel of bomen;

Huidige kwaliteit Op dit moment bestaat 22% van het groen in Amsterdam uit het natuurbeheertype bloemrijk grasland. Op veel graslanden komen de beoogde graslandsoorten voor. Dit is bijvoor­ beeld te zien in het Diemerpark, Volgermeer­ polder, het Westerpark (waternatuurtuinen), ’t Kleine Loopveld en het Gijsbrecht van Aemstelpark. Door deze diversiteit aan planten zien we ook een hoge diversiteit aan insecten, zoals wilde bijen (zie hoofdstuk 4.8). Bloemrijkdom uitgedrukt in graslandfase. De graslandfase is niet overal op orde. Een deel zit nog in de lage fase (fase 0,1 of 2) en zijn dus nog weinig bloemrijk. Om hoeveel% het op dit moment gaat is nog onduidelijk. Nader (bodem)onderzoek is hier nodig om te duiden wat precies de oorzaak is van deze achterstand. Dit kan een (zeer) voedselrijke

Deel II: Analyse

bodem zijn of verkeerd maaibeheer. Ook de neerslag van stikstof uit de lucht draagt bij aan voedselrijke bodems. Mogelijke maat­ regelen op deze stukken is het afplaggen, uitmijnen (zie definities) of maaien en afvoeren. Ook overwogen kan worden dit natuurbeheer­ type om te vormen naar een ander natuur­ beheertype. De best toe te passen methode zal nader worden onderzocht.

dat er sprake is van verruiging. Dit is een teken dat er te weinig gemaaid is of dat de bodem te voedselrijk is, bijvoorbeeld door bladval van bomen of verstoring van de bodem. Door verruiging breiden concurrentiekrachtige soorten zich uit ten koste van de kwetsbare graslandsoorten. Voor de biodiversiteit van bloemrijke graslanden is het daarom belangrijk de verruiging te beperken.

Bij een groot deel van de graslanden is een goede ontwikkeling te zien (fase 3), maar hier is nog wel verschralingsbeheer nodig. Het beheer van twee maal per jaar maaien en afvoeren kan hier worden voortgezet. Een klein deel van de graslanden is op het doelniveau, hier is sprake van ‘bloemrijk grasland’ (fase 4). Hier kan het huidige maairegime worden voort­ gezet. Toezicht op verruiging blijft hierbij nood­zakelijk. De balans kan bij te weinig maaien in één of twee jaar kantelen richting een voorgaande fase.

Gefaseerd beheer. Het gefaseerd beheer gaat nog niet overal goed, zoals te zien is in figuur 42. Het percentage graslanden dat aan dit vereiste voldoet is nog niet te noemen. Dit wordt vanuit het programma Ecologische monitoring en inspecties jaarlijks in beeld gebracht.

Beperken verruiging. Los van de graslandfase zien we in het grootste deel van de graslanden

67

Natuur in de stad

Nestplekken voor wilde bijen. Hiervoor verwijzen we u naar hoofdstuk 4.3 betreffende bijen. Schaduw voor graslandvlinders. Over het algemeen is er voldoende schaduw te vinden nabij de bloemrijke graslanden.

Figuur 41: Mate van verruiging van de vegetatie in het Westerpark.

› Kruidenrijk grasland op Schinkeleilanden. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Figuur 42: Voorbeeld van een plek waar te weinig gefaseerd gemaaid is (links) en waar dat goed gaat (rechts). Hier kunnen de eitjes van vlinders en bijen overwinteren.

Deel II: Analyse

68

Natuur in de stad

6.7 Extensief gazon Voorkomen Extensief gazon is kort gras dat niet zo vaak gemaaid wordt als intensief gazon. Hierdoor bloeien er in het voorjaar en in de zomer planten die nectar en stuifmeel geven voor insecten. Soorten als paardenbloem, pinksterbloem en rode klaver kunnen in deze gazons in bloei moeten komen. Extensief gazon biedt niet alleen voedsel voor insecten, ook de bodem­biodiversiteit neemt toe. Hierdoor neemt het bodemleven toe en de regenwormen trekken weer soorten als de merel en de mol aan. Hoewel de molshopen vervelend kunnen zijn, is het wel een teken van een goede bodem­biodiversiteit. Extensief gazon blijft, in tegenstelling tot bloemrijk grasland, nog wel geschikt voor recreatie, zoals om op te picknicken en te spelen. Bij zeer intensieve recreatie zullen de planten dit niet overleven en is intensief gazon geschikter.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van extensief gazon wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): Bloeiende planten. In het gazon komen verschil­lende soorten (laagblijvende) bloeien­de planten voor, verspreid over het jaar: Gefaseerd beheer. Het gazon wordt niet helemaal gemaaid, zodat na iedere maaibeurt er nectar voor bestuivers overblijft; Open plekken. In het gazon zijn kale plekken in de grond aanwezig voor grondnestelende bijen. De mol wordt in principe niet actief bestreden (zie voor meer informatie Amsterdamse gedrags­code Flora en Fauna, 2023). Hoewel de mol niet altijd gewaardeerd wordt, vanwege de vele kuilen die hij maakt, is het wel een indicator­soort voor een goede bodemkwaliteit. De mol eet grote hoeveel­ heden bodemdieren. De aanwezigheid van de mol zegt ons dus iets over de bodemkwaliteit.

Huidige kwaliteit Op dit moment bestaat 29% van het groen van Amsterdam uit gazon. Het is het groentype met het grootste oppervlak. Hier valt zowel intensief als extensief gazon onder. Daarboven is 5% van het groen benoemd als ‘gazon evenementen’. Dit is het intensieve gazon. Op dit moment wordt het gazon nog niet beheerd met als doel om hier meer bloemrijkheid te ontwikkelen. Hiervoor starten we de komende jaren een pilot. Pilot. Het beheren van extensief gazon is niet gemakkelijk. Als er teveel gemaaid wordt, komen de planten niet in bloei. Als er te weinig gemaaid wordt, ontstaan er hoopjes maaisel dat de gazonmat verstikt. Tot hoever kan het aantal maaibeurten zakken? En wat is het effect op de bloemrijkdom en insecten­ rijkdom? Wat zijn de gewijzigde kosten? In verschillende gemeenten in Zeeland is hiermee geëxperimenteerd2. Van de opzet van dat experiment kunnen wij als gemeente leren en in de komende jaren een pilot uitrollen. We beginnen in 2025-2026 met de nulmeting. In 2026 zullen de eerste pilots worden uitgevoerd. Na evaluatie van de pilots kan de nieuwe werkwijze vanaf 2027 uitgerold worden over de stad, onder voorbehoud van financiering. Omvormen. Omdat gazon zo’n groot aandeel betreft van het Amsterdamse groen, liggen hier veel kansen voor omvorming naar een ecologisch waardevoller groentype, zoals bloemrijk grasland, ruigte of struweel.

Bij de beantwoording van motie 656.23 van de leden van Pijpen, Bakker, Norbruis, Noordzij en Bobeldijk inzake ‘Versterk ecologische inrichting, beheer en onderhoud van openbaar groen” zijn opties voor omvormingen in beeld gebracht. Afhankelijk van het beschikbare budget kunnen deze omvormingen uitgevoerd worden. 2  Ecologisch gazonbeheer | Stichting landschapsbeheer Zeeland

Deel II: Analyse

69

Natuur in de stad

6.8 Natuurvriendelijke oevers Voorkomen Bij natuurvriendelijke oevers wordt nadrukkelijk rekening gehouden met natuur en landschap (definitie OTL). Een natuurvriendelijke oever is minder steil en heeft een natuurlijke overgang van nat naar droog met planten boven en onder water. De natuurvriendelijke oever is zowel voor de waterkwaliteit als de biodiversiteit van groot belang. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) benoemt voor de natuurvriendelijke oever drie ecologische zones: • Terrestrische zone: zone net boven de hoogwaterlijn die nog wel onder invloed van het grondwater staat. Hier groeit vochtig bloemrijk grasland met soorten als echte koekoeksbloem en egelboterbloem. Vooral belangrijk voor wilde bijen,

zweefvliegen, dagvlinders en zoogdieren als de hermelijn. • Amfibische zone: zone net onder de hoog­ waterlijn. Dit is een drassige, droogvallende of zeer ondiepe zone met oeverplanten (helofyten) die net wel of net niet met de voeten in het water staan. Een andere term is de plasdraszone, waarbij de draszone ligt tussen 10 cm boven en 10 cm onder de hoogwaterlijn en de plaszone tussen 10 cm en 40 cm onder de hoogwater­lijn. Hier groeien soorten als lisdodde en gele lis. Dit vegetatietype heet ook wel ‘natte ruigte’ en is belangrijk als schuilplaats voor vissen en de plek waar libellen uitsluipen. Ook kunnen hier moerasvogels broeden. • Aquatische zone: zone onder de laagwater­ lijn. Deze zone staat permanent onder water. Hier groeien zowel ondergedoken water­planten als drijfbladplanten met soorten als gele plomp, kikkerbeet en watergentiaan. Dit is de belangrijkste zone

Figuur 43: Indeling van de oever in een terrestrische, amfibische en aquatische zone.

Hoogwaterlijn

Laagwaterlijn

Aquatische zone

Bron:Van Vossen en en Verhagen, 2009).

Amfibische zone

Terrestrische zone

Deel II: Analyse

voor de water­kwaliteit omdat ondergedoken waterplanten zuurstof toevoegen aan het water. Aanleg kan op verschillende manieren, afhankelijk van de ruimte (zie verder ook Programma van Eisen Natuurvriendelijke oevers, bijlage 7): • Flauw talud. Met een breedte van ongeveer 8 meter en een hellingshoek van minimaal 1:5 biedt deze oever voldoende ruimte voor zowel de aquatische, amfibische als de terrestrische oeverzone. • Plasberm. Bij ruimtegebrek is een plasberm en/of drasberm een alternatief. Een plasberm is een natte oeverstrook met een diepte van zo’n 10 tot 50 centimeter onder het gemiddelde waterpeil. • Drasberm. Deze natte oeverstrook ligt in de zone tussen 0,1 boven en 0,1 onder de waterlijn, waarbij het gemiddelde op de waterlijn (0.0 m) ligt. • Onderwaterbanket. Deze natuurvriendelijke oever heeft een accent op de aquatische zone. Het betreft een vlakke of schuin aflopende strook in de aquatische zone van de natuurvriendelijke oever. Het onderwater­ banket bevindt zich tot 0,5 tot 1,0 meter onder de gemiddelde waterstand en ligt daardoor permanent onder water.

70

Natuur in de stad

• Riet of bloemrijk. Waar de inrichting bepalend is voor de ecologische potentie van de oever, is het beheer bepalend voor welke vegetatie er daadwerkelijk gaat groeien. Als er weinig gemaaid wordt (niet jaarlijks), dan zal riet de overhand krijgen. Rietkragen kunnen voor diverse rietvogels een leefgebied vormen, zoals voor de kleine karekiet en de rietzanger. Op oevers waar de grond en het water wat voedselarmer is, zijn bloemrijke oevers kansrijk. Bloemrijke oevers bestaan uit diverse bloeiende oeverplanten. Riet kan wel aanwezig zijn, maar is dan niet dominant. Bloemrijke oevers moeten jaarlijks worden gemaaid. Daarbij wordt wel altijd een stukje overgeslagen, zodat er ook in de bloemrijke oevers een plek overblijft voor dieren om te schuilen of in te nestelen.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van natuurvriendelijke oevers wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Flauwe hellingsgraad: hoe flauwer het talud, des te meer variatie en hoger de biodiversiteit. De voorkeur ligt op een hellingsgraad van 1:5 of flauwer.

Figuur 44: Doorsnede van een plasberm en een drasberm. Bron: Van Breukelen et al, 2003

B. Breedte van de oever: hoe breder de oeverzone, hoe meer variatie mogelijk is. Er is echter een maximum breedte dat nog beheerd kan worden. C. Aantal oeverzones. Ideaal is als er sprake is van zowel een terrestrische, amfibische of aquatische zone. Dit is het geval bij het flauwe talud. Bij de plasberm en drasberm is alleen sprake van een amfibische zone en bij het onderwaterbanket alleen een aquatische zone. D. Aantal plantensoorten. Met name het aantal plantensoorten onder water is van belang voor de waterkwaliteit en biodiversiteit, maar ook drijvende planten en oeverplanten zijn belangrijk. E. Beperkte verruiging. De oever wordt vaak genoeg gemaaid, zodat er geen verruiging op treedt (soorten als gewone berenklauw, haagwinde en heermoes) en er geen boomvormers ontstaan; F. Beperkte verbossing. Er staan niet te veel bomen op de oever, waardoor zowel de oever als het water verstikt. G. Beperkte verlanding. Na verloop van tijd verlanden oevers doordat plantenresten zich ophogen. Hierdoor neemt de water­ diepte af en verdroogt de vegetatie en verdwijnt het leefgebied voor water­ organismen. Dit is een natuurlijk proces dat zo nu en dan teruggezet moet worden. H. Gefaseerd beheer. Door in het najaar niet alle vegetatie op de oever te maaien, maar een deel te laten staan, blijft er winter­ leefgebied voor dieren.

Zoogdieren kunnen zich erin verstoppen, de eitjes van bijen kunnen hierin overwinteren en het riet is in het voorjaar sterk genoeg voor vogels om in te broeden. Hetzelfde geldt voor de oevervegetatie in het water. Dit is het leef­ gebied voor larven van libellen, van water­ slakken, amfibieën en vissen. Ook hier is het goed om jaarlijks een deel te laten staan.

I. Beperkte verstoring. De oever wordt beperkt verstoord door mensen en honden, zodat het water niet troebel wordt en moerasdieren niet opgeschrikt worden.

Huidige kwaliteit Gemeente Amsterdam heeft 355 km oevers met lichte oeverconstructies en 259 km met zware oeverconstructies in beheer. Bij de lichte oeverconstructies zijn paaltjes (beschoeiing) aangebracht om afkalving van de oever te voorkomen. Bij de zware oeverconstructies voorkomt een kademuur of steenglooiing afkalving door sterke golfslag. Beide typen zijn niet of beperkt natuurvriendelijk. Het aantal kilometers natuurvriendelijke oevers staat helaas nog niet volledig in het beheer­ systeem, waardoor(nog) niet te zeggen is om hoeveel kilometer het gaat. Momenteel wordt dit areaal in kaart gebracht. Aanleggen natuurvriendelijke oevers. In de stad liggen enorm veel kansen om het areaal natuurvriendelijke oevers uit te breiden. Hiermee krijgt de biodiversiteit in het om het water een sterke impuls. Dit is ook maatregel die bijdraagt aan het behalen van de wettelijke KRW doelen voor waterkwaliteit en voor meer waterberging zorgt. Bij alle lichte en zware oeverconstructies is onderzocht of deze kunnen worden omgevormd naar natuurvriendelijke oevers. Dit blijkt in veel gevallen het geval te zijn, zoals weergegeven in Figuur 46. De oranje oevers geven zware constructies aan die mogelijk omgevormd kunnen worden naar natuurvriendelijke oevers. De blauwe oevers geven oevers met beschoeiingen aan, die mogelijk omgevormd kunnen worden naar natuurvriendelijke oevers.

Nader onderzoek zal zich richten op de technische haalbaarheid en wenselijkheid ten aanzien van effecten op andere typen watergebruikers.

Deel II: Analyse

71

Natuur in de stad

Werkwijze Bij het aanleggen van natuurvriendelijke oevers wordt een­zelfde werkwijze voorgesteld als bij het aanleggen van faunapassages. Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers is het meest (kosten) efficiënt als het onderdeel is van een groter ruimtelijk project in de omgeving. Daarom dient het aanleggen van natuurvriendelijke oevers (ook budgettair) te worden meegenomen bij ruimtelijke projecten op de locatie. Om mede­financiering te bieden en om oevers aan te kunnen pakken die buiten ruimtelijke plannen vallen, is het aan te bevelen om jaarlijks een bedrag vanuit de gemeentebegroting ter beschikking te stellen.

Aanleggen vooroevers bij kademuren. Bij veel zware oeverconstructies is het omvormen naar natuurvriendelijke oever geen realistische (te dure) optie. In deze gevallen kan een vooroever een goede oplossing bieden. Hier wordt een palenrij in de watergang aangelegd, waarachter het water verondiept wordt. Hier kunnen waterplanten en oeverplanten groeien. Er ontstaat een levendige waternatuur tussen de kademuur en de vooroever. Niet in alle watergangen is er voldoende ruimte om een vooroever te realiseren. Dit hangt af van de uitgangspunten die het Waterschap heeft geformuleerd (‘de legger’). In figuur 46 worden de zware oevers in rood aangegeven waar een vooroever een optie kan zijn die nader onderzocht zal worden (zie hoofdstuk 8). Natuurinclusief onderhoud van kademuren en steenglooiingen. Steenglooiingen in de ecologische gebieden en verbindingszones moeten natuurinclusief worden onderhouden door zeldzame ruigtekruiden, zoals steen­ havikskruid, ijzerhard, zandwolfsmelk die hierop groeien te behouden. Ze bieden tevens overwinteringsplekken voor de ringslang. Kademuren kunnen tevens natuurinclusief onderhouden worden door muurflora te behouden, zoals schubvaren, steenbreekvaren en groensteel. De muren en steenglooiingen waar momenteel beschermde flora voorkomen worden onderhouden conform de

Amsterdamse Gedragscode Flora en Fauna (zie bijlage 7). Aanleggen fauna uittreedplaatsen. Op veel plekken is de oeververdediging (beschoeiing, kademuur of damwand) zo hoog dat dieren niet het water uit kunnen komen. Hier zijn fauna uittreedplaatsen (FUP’s) wenselijk om verdrinking te voorkomen. Om in de toekomst nieuwe knelpunten te voorkomen is het belangrijk dat nieuwe oeververdedigingen op iedere 50 meter worden voorzien van een fauna-uittreedplaats. Dit geldt ook voor het vervangen van oeververdediding. Fauna uittreedplaats langs de Weespertrekvaart in Oost. Dit uitgangspunt kan ook bij beschoeiing worden toegepast.

> Natuurinclusieve steen­glooiing langs de Amstel. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Figuur 45: Voorlopig ontwerp vooroevers voor kademuur langs de Osdorpergracht, Nieuw-West.

Deel II: Analyse

Figuur 46: Kansenkaart oevers in de ecologische kerngebieden en verbindingszones. De groene oevers zijn de huidige natuurvriendelijke oevers. De inventarisatie van het bestaande areaal wordt in 2025 nog aangevuld.

Natuur in de stad

72

Deel II: Analyse

Geen nieuwe harde constructies. In de ecologische kerngebieden en verbindings­ zones zijn nieuwe harde constructies niet wenselijk, als dat vanuit civieltechnisch oogpunt niet nodig is. Om te voorkomen dat er nieuwe constructies worden aangelegd in deze groengebieden stellen we voor om een beleidsregel op te nemen in de omgevings­ programma’s. Het gaat hierbij niet om het vervangen van bestaande monumentale kade­ muren, maar om het voorkomen van nieuwe.

tot aan de waterlijn liggen. De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt negatief beïnvloed door schaduwwerking en bladval. Dit heeft tevens een negatieve invloed op de aquatische biodiversiteit. Dat komt enerzijds doordat waterplanten zonlicht nodig hebben en niet in de schaduw van bomen kunnen groeien. Anderzijds doordat het blad in de watergang een rottingsproces op gang brengt, waardoor zuurstoftekort ontstaat voor vissen en andere aquatische dieren. Daarnaast kunnen veel soorten waterplanten niet groeien op een rottende baggerlaag. Ook voor het behalen van de doelen vanuit de Kaderrichtlijn Water is dit problematisch.

Voor heel Amsterdam gaat het om vele duizenden bomen die een negatieve invloed kunnen hebben op de aquatische biodiversiteit en waterkwaliteit. Tegelijkertijd kunnen deze bomen andere waarden hebben: • Bomen(rijen) kunnen migratieroutes voor vleermuizen vormen; • Sommige bomen zijn monumentale bomen; • Bomen kunnen onderdeel zijn van de hoofdbomenstructuur; • Bomen kunnen een landschappelijke waarde hebben (bijvoorbeeld bij een monumentaal parkontwerp); • Bomen kunnen emotionele waarde hebben (voor buurtbewoners, maar soms ook als herdenkingsboom).

Figuur 47: Bomen op de oevers van natte ecologische verbindingszones in stadsdeel Nieuw-West (voorbeeld).

Om alle belangen te wegen is een beheerplan voor de oevers nodig. Hierin moeten alle belangen in kaart gebracht worden en dient een aanpak voor de korte én lange termijn worden vastgesteld die recht doet aan deze waarden. Op korte termijn kan, vanuit een vastgesteld beheerplan, begonnen worden met het dunnen van de minst problematische bomen. Dat zijn bomen die niet vallen onder bovenstaande categorieën. Dit gaat bijvoor­ beeld om bomen die op oevers staan die te weinig zijn gemaaid, waardoor boomvormers zijn ontstaan. Hierbij is zorgvuldige communicatie met de buurt van groot belang om voor draagvlak te zorgen. Projecten van herinrichting in een gebied sluiten aan op de beheerplannen.

Verbossing. Op veel oevers in de ecologische structuur staan veel bomen. Dat varieert van enkele bomen tot hele bosplantsoenen die

73

Natuur in de stad

Bomenverordening. Voor iedere gekapte boom moet conform de Bomenverordening een boom herplant worden. Het gaat in veel gevallen echter niet om aangeplante bomen, maar om bomen die gegroeid zijn in de oevers door achterstallig onderhoud, zoals in figuur 48 is te zien. Deze bomen kunnen pas gekapt worden zodra er ruimte voor herplant gevonden is. Dit wordt steeds moeilijker. Gezien de grote

opgave op gebied van aquatische biodiversiteit en waterkwaliteit kan overwogen worden de Bomenverordening aan te passen en voor biodiversiteit en waterkwaliteit een uitzonderingsclausule op te nemen. Verruiging. Op eenderde van de in totaal 71 geïnspecteerde oevers is sprake van sterke verruiging (>20% van oppervlak), op een derde is er sprake van verruiging (10-20%) en op een derde deel is er weinig sprake van verruiging (<10%). Dit is ook te zien aan soorten als brandnetel, gewone berenklauw en haagwinde. Deze verruiging kan zijn ver­ oorzaakt door de bladval van grote bomen, onvoldoende afvoeren van maaisel of permanent verspreiden en laten liggen van bagger of maaisel van de waterkant op de kant. De brandnetelhaarden die daar ontstaan leiden tot verlies aan biodiversiteit en tot een ruig beeld dat weinig bewoners kan bekoren. Er dient daarom scherper te worden toegezien op het maaibeleid. Verlanding. Van de 71 geïnspecteerde oevers zijn 13 oevers te ondiep geworden. Deze moeten worden uitgekrabd en op diepte worden gebracht.

Figuur 48: Oever waar niet gemaaid is, waardoor boomvormers zijn ontstaan.

Deel II: Analyse

Gefaseerd beheer. Dit gaat in veel gevallen goed, maar op ongeveer de helft van de oevers kan hier scherper op worden gestuurd. Door ieder jaar een ander deel over te laten staan, wordt voorkomen dat hier boomvormers ontstaan.

Figuur 49: Percentage van geïnventariseerde oevers (N=71) waar er sprake is van een hoge kwaliteit (<10% verruiging), gemiddelde kwaliteit (10-20% verruiging) of lage kwaliteit (>20% verruiging). Verruiging van oevers

Amerikaanse rivierkreeft en karpers. De Amerikaanse rivierkreeft komt in bijna alle wateren van Amsterdam voor. Deze invasieve exoot brengt veel schade aan door vraat aan water- en oeverplanten. Ook graven ze water­ kanten kapot. Hierdoor raakt het ecologisch evenwicht verstoord. Er zijn echter weinig middelen voorhanden om deze invasieve soort te bestrijden. Gelukkig leren natuurlijke predatoren als reigers en futen steeds beter om te gaan met de geharnaste maaltijd.

30%

33%

37%

Hoge kwaliteit

Karpers en ook brasems zijn bodem woelende vissen die troebel water veroorzaken en oevers aantasten. In verschillende stadswateren komen veel karpers voor waardoor natuur­ vriendelijke oevers niet tot ontwikkeling komen. Inventarisatie naar de hoeveelheid karpers en goede afspraken met de hengel­ sport­vereniging zijn noodzakelijk om dit probleem aan te pakken.

74

Natuur in de stad

Gemiddelde kwaliteit

Lage kwaliteit

Figuur 50: Percentage van geïnventariseerde oevers (N=71) waarbij de diepte gemeten is en onderscheid is gemaakt in hoge kwaliteit (25-40 cm diep), gemiddelde kwaliteit (10-25 cm diep) en lage kwaliteit (0-10 cm diep). Verlanding van oevers

20% 39%

41%

Hoge kwaliteit Lage kwaliteit

Gemiddelde kwaliteit

> Broeihoop Volgermeerpolder. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

75

Natuur in de stad

6.9 Moeras Voorkomen Op plekken waar de oever overgaat in ondiep stilstaand water (zoals bij een plas of meer) kan het natuurbeheertype ‘moeras’ voorkomen. Het water is zoet, vrij voedselrijk en er is weinig dynamiek in de vorm van golfslag. De grondwaterstand varieert tussen 0 en -20 cm. Hier groeit dan riet, begeleid met soorten als grote en kleine lisdodde en gele lis. Moeras is een ander woord voor ‘nat rietland’ of ‘waterriet’. We noemen hier niet de term ‘rietland’ omdat rietland suggereert dat je er kunt lopen. In moerassen geldt het gezegde ‘de vis kan er niet zwemmen en de koe niet lopen’. Moeras gaat na verloop van tijd over op ‘ruigte’ doordat de strooisellaag dikker wordt, de waterdieper lager en daardoor geschikter wordt voor ruigtesoorten als harig wilgenroosje. De term ‘natte ruigte’ geeft dit volgende successiestadium weer. Moerassen bieden een broed- en foerageerplek voor moerasvogels (o.a. baardmannetje, roerdomp, waterral en snor), reptielen (ringslang) en landzoogdieren (waterspitsmuis, marters, noordse woelmuis). Voor moerasvogels biedt dicht riet in het water een goede broedplek, omdat predatoren als de vos hier niet komen. In een ideale situatie is er sprake van een mozaïek van droge rietvegetaties, waterriet, plaatselijk ondiep open water en overgangen hiertussen. Moerassen zijn niet alleen belangrijk voor de biodiversiteit.

Ook vanuit oogpunt van klimaatverandering is het verstandig om te investeren in het aanleggen van nieuwe moerassen. Moerassen slaan per vierkante meter vijf keer meer CO2 op dan bossen (KNW, 2022).

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van moeras wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Oppervlak. Het moeras is groot genoeg voor moerasvogels met waterriet, open water en een lange moerasrand om langs te foerageren; B. Diepte. Het moeras is diep genoeg, zodat het niet verdroogt in de zomer; C. Beperkte verbossing. Het moeras wordt vaak genoeg gemaaid, zodat er geen boomvormers en bomen ontstaan; D. Beperkte verzuring. Verzuring speelt een rol in de veenmosrietlanden. Verzuring is een natuurlijk proces dat hoort bij de successie van veenmosrietlanden, maar voor behoud van veenmosrietland kan sterke verzuring negatief uitpakken. E. Gefaseerd beheer. Het moeras wordt niet teveel gemaaid, zodat een deel van de vegetatie blijft staan als voedsel- en vluchtplek voor dieren en om nestplekken voor moerasvogels te behouden. F. Verstoring. Het moeras is vrij van verstoring door mensen en honden, zodat moerasvogels en andere dieren niet opgeschrikt worden.

Huidige kwaliteit Ongeveer 3% van het groen in Amsterdam staat in het beheersysteem als moeras of rietvegetatie. Mogelijk is het werkelijke percentage wat hoger, omdat sommige moerassen abusievelijk onder ‘ruigte’ staan vermeld. Feit blijft dat het aandeel moeras in de stad erg laag is. De grote moerassen liggen o.a. in de Brettenzone, de Volgermeerpolder, de Oeverlanden en de Lutkemeerpolder. Daarnaast zijn er nog wat kleine moerasgebiedjes, waaronder in de Nieuwe Gouw, Diemerpark, Vrije Geer en ’t Kleine Loopveld. Zie voor meer informatie over flora in rietlanden hoofdstuk 4.6.

Deel II: Analyse

Biodiversiteitshotspots. Met name de grote moerassen zijn ware hotspots van biodiversiteit. De Volgermeerpolder is van uitzonderlijke betekenis vanwege de kenmerkende soorten van moeras die daar leven. Alle doelsoorten komen hier voor: van roerdomp tot bruine kiekendief, van woudaapje tot baardmannetje. Ook de ringslang heeft zich hier recentelijk gevestigd en de landelijk zeldzame moshommel heeft hier een populatie. Hier zijn ideale condities te vinden van sawa’s (soort poelen) en bloemrijke graslanden die rijk zijn aan voedsel en de overjarige rietlanden die een geschikte broedplek vormen. Ook in de Brettenzone, Lutkemeerpolder en de Oeverlanden komt vergelijkbare moerasfauna voor. In het Diemerpark en de Brettenzone komt bovendien de zeldzame waterspitsmuis voor en in de Nieuwe Gouw de endemische Noordse woelmuis. De moeraszones langs de Diemerzeedijk en op het Zeeburgereiland zijn bovendien essentiële leefgebieden van de ringslang. Verdroging. Het is erg belangrijk om te voorkomen dat de moerassen verdrogen. Niet alleen om de biodiversiteit op peil te houden. Ook stoten opdrogende moerassen grote hoeveelheden broeikasgassen uit, waardoor het beschermen van de moerassen ook uit oogpunt van klimaatverandering nodig is. We zien echter dat meer dan een kwart van het geïnspecteerde oppervlak moeras verbost is (26 ha), zie Figuur 51. Dit is een sterke indicatie van verdroging.

Het gaat hierbij om de moerasgebieden in de Brettenzone, Lutkemeerpolder en Diemerpark. Een deel is nog niet geïnspecteerd (36 ha). De rietlanden van de zuidelijke oeverlanden De Nieuwe Meer (onderdeel van het Amsterdamse bos) worden afgeplagd en het waterpeil verhoogd. Voor de andere moerassen moet nader onderzocht worden hoe verdere verdroging kan worden voorkomen.

76

Natuur in de stad

Figuur 51: Percentage van geïnspecteerd oppervlak moeras (N=140 ha) waar meer dan 10% bomen staan (lage kwaliteit) of minder dan 10% (hoge kwaliteit. Verbossing moeras

19%

N=140 81% > Hondenverbodszone op de Volgermeerpolder

Hoge kwaliteit

Lage kwaliteit

Verzuring. In de veenmosrietlanden groeit een aantal indicatorsoorten voor zure bodems (hennegras, moerasvaren, zwarte zegge), maar hun aantallen zijn relatief laag. Vooralsnog lijkt er geen reden tot zorg, maar monitoring is hier belangrijk. De monitoring dient hier te worden uitgebreid naar de monitoring van de waterkwaliteit. Verstoring. Alle moerasvogels zijn bijzonder gevoelig voor verstoring. Een soort als de roerdomp heeft een bufferzone van 150 meter nodig om te kunnen broeden en te foerageren (zie hoofdstuk 4.4). Bij het plaatsen van faciliteiten die mensen aantrekken (paden, steigers etc) is het belangrijk om ook luwe plekken te behouden, waar deze moerasvogels ongestoord kunnen leven. Honden zorgen voor een nog grotere mate van verstoring. In de Volgermeerpolder is een groot verbodsgebied tijdens het broedseizoen ingesteld. Toch wordt dit gebied frequent betreden door mensen en hun honden.

Aanleggen nieuwe moerassen. Het areaal moeras is in Amsterdam relatief laag. Om de biodiversiteit te vergroten kunnen nieuwe moerassen aangelegd worden. Mogelijke locaties kunnen worden gezocht in de Lutkemeerpolder, Noorderlijke oeverlanden, de Sloterplas, Gaasperplas en Noorder IJplas. Langs de Diemerzeedijk zijn in het verleden moerassen aangelegd, de niet zijn aangeslagen. Deze worden opnieuw aangelegd. Een vervolgonderzoek naar mogelijke locaties wordt aanbevolen. Voor het aanleggen van moerassen ten behoefte van de ringslang, zie hoofdstuk 4.8.

Waterspitsmuis. De vrij zeldzame waterspits­ muis heeft een klein gebied nodig (5 ha). In het Diemerpark komt de waterspitsmuis voor. Dit gebied is met 3,5 hectare wat aan de kleine kant. Om het leefgebied van de waterspitsmuis te verbeteren is het wenselijk dat het noordelijke water geschikt wordt voor de waterspitsmuis en dat er een verbinding komt voor de waterspitsmuis.

Moerassen slaan per vierkante meter vijf keer meer CO2 op dan bossen. Het behoud van bestaande moerassen en het laten ontstaan van nieuwe moerassen is daarom een belangrijk instrument om de uitstoot van CO2 te beperken.

Deel II: Analyse

77

Natuur in de stad

6.10 Natuurlijk stadswater Voorkomen Stadswater is een verzameling van diverse watertypen zoals grachten, stadsvijvers en vaarten die met elkaar gemeen hebben dat ze binnen de bebouwde kom liggen. Naast de functie van opvang en afvoer van overtallig regenwater heeft stadswater een functie voor de natuur, recreatie, varen en wonen. Deze combinaties van functies maakt dat het soms lastig is voor het aquatische leven om te kunnen overleven. In het natuurlijke stadswater wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatie met een aanzienlijke bedekking van ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en oeverplanten. Voor de waterkwaliteit en biodiversiteit zijn onderwater gedoken planten van groot belang. Zij zorgen voor zuurstof in het water en bieden een habitat voor amfibieën, vissen, libellen (larven) en ongewervelden. Zonder deze waterplanten is de biodiversiteit en waterkwaliteit veel lager. Onderwatergedoken planten hebben hun wortels in de waterbodem. Anders dan bij drijfbladplanten, die met hun wortels in het water hun voedsel op kunnen nemen. Onderwaterplanten groeien op een diepte van 40 tot 80 meter, afhankelijk van het doorzicht. De waterschappen zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van het water. De gemeente bepaalt echter veel randvoorwaarden die van invloed zijn op de waterkwaliteit en de biodiversiteit in het water.

Of er gevaren mag worden, gerecreëerd, gewoond, zijn zaken die de gemeente bepaalt. Dit zijn factoren die van invloed zijn op de biodiversiteit in het water.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van natuurlijk stadswater wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Helder water. Het water is helder en niet bedekt met algen en of kroos. B. Variatie aan planten. Er komen verschillende soorten planten onder water voor en enkele soorten drijfbladplanten. C. Beperkte invasieve exoten. Er zijn geen invasieve waterplanten; D. Beperkte sliblaag. De sliblaag is niet zo dik dat waterplanten er niet meer kunnen wortelen; E. Beperkte schaduw. Er is weinig schaduw op het water, zodat waterplanten er kunnen groeien. F. Diepte. Het water is niet te diep, zodat waterplanten er kunnen groeien. G. Natuurvriendelijke oever. De oever is natuur­ vriendelijk met een flauw aflopend talud. H. Beperkte verstoring. Er is geen verstoring door pleziervaart, waterrecreatie of honden.

Huidige kwaliteit Afgelopen jaren is de waterkwaliteit van de Amsterdamse wateren sterk verbeterd. Belangrijke stappen hierin zijn geweest het verplaatsen van de rioolwaterzuivering van de Amstel naar het Westelijk Havengebied in 2006 en het aansluiten van de laatste woonboten op het riool in 2018. We zien alleen dat het onderwaterleven achterblijft. De biologische waterkwaliteit, dat de mate van leven in het water uitdrukt, is overal onvoldoende. Nergens worden de Europese doelen van de Kaderrichtlijn Water in 2027 gehaald. Recreatie op het water. In de Watervisie Amsterdam 20240 wordt ingezet op het toegankelijk en beleefbaar maken van het water en spreiding van recreatie. De watervisie heeft geen doelen opgenomen ten aanzien

Deel II: Analyse

van de waternatuur. De druk op de openbare ruimte neemt met de groei van de stad toe, óók op het water. Hierdoor komt de waternatuur en waterkwaliteit in de knel. Een voorbeeld betreft het stadsdeel NieuwWest. Hier ligt een uitgebreid netwerk van watergangen. Een groot aantal daarvan zijn onderdeel van de landelijke Natuur Netwerk Nederland en hebben Provinciale natuur­ doelstellingen. Hier liggen echter ook verschil­ lende voorzieningen voor waterrecreatie, die bovendien vanuit de Watervisie verder ontwikkeld worden. Dit is weergegeven in figuur 53. Deze twee doelen -recreatie en natuur- gaan niet altijd met elkaar samen. Zoals we in hoofdstuk 4.4 hebben beschreven,

78

Natuur in de stad

zijn verschillende vormen van waterrecreatie erg verstorend voor broedvogels in de oevers. Afhankelijk van de frequentie kan zelfs een rustige vorm van watersport als kanoën leiden tot een lager broedsucces van moerasvogels. Om dit te voorkomen dient waternatuur en waterkwaliteit meegenomen te worden in de ruimtelijke ordening van het water. Dat kan bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een Hoofdwaterstructuur, in navolging van de Hoofdgroenstructuur. Varen. Dat varen een grote invloed heeft op de waterkwaliteit liet de Coronatijd ons zien. Er werd niet meer gevaren en het water werd helder. Er konden zelfs weer waterplanten – de zuurstofleveranciers in het

Figuur 52: Huidige biologische toestand van de waterlichamen in Amsterdam. Bron: Actualisatie KRWwaterlichamen AGV maatregelenprogramma 2022-2027 (2020)

water- groeien. We zagen kleine visjes door het water zwemmen. Nu is de plezier- en passagiers­vaart een belangrijke functie op het water. Maar niet overal is pleziervaart echt nodig. Omdat deze nu wel vrijwel overal mogelijk is zien we watervegetatie achteruit­ gaan. Wij adviseren om vaarten die nu nog niet of nauwelijks bevaren worden in de Ecologische kerngebieden of verbindings­ zones af te sluiten voor vaarverkeer, zodat deze in de toekomst ook rustig blijven. > Natuurlijk stadswater met witte waterlelie. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Figuur 53: Watergangen in Nieuw-West die onderdeel zijn van de NNN en/of Ecologische structuur waar ook waterrecreatie (watersporten, recreatiestranden) plaats vindt.

Deel II: Analyse

79

Natuur in de stad

6.11 Poelen Voorkomen Poelen zijn geïsoleerde en stilstaande wateren, gevoed door grondwater en/of regenwater. Poelen worden aangelegd als kraamkamers voor amfibieën. Ook voor libellen kunnen poelen belangrijke voortplantingswateren zijn. Poelen brengen variatie in een gebied en zijn daardoor voor een groot aantal diersoorten van belang, bijvoorbeeld als plek om te drinken of op te warmen op de zonnige noordelijke oever. De rugstreeppad heeft een afwijkende voort­ plantingsplek ten opzichte van de andere amfibieën. Het verkiest ondiepe, kale, snel opwarmende plasjes. Dat kunnen tijdelijke poeltjes en plasjes zijn na een stevige regenbui of poeltjes die voor langere tijd water bevatten. In Amsterdam zijn op verschillende plekken poelen voor de rugstreeppad aangelegd, vaak als wettelijke compensatie binnen een project. De rugstreeppad komt geregeld op bouwplaatsen voor. Daarnaast komen ze ook voor op laag begroeide, zonnige plekken met water en vorstvrije plekken om onder te overwinteren.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van poelen wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Juiste diepte. De poel is diep genoeg, maar niet te diep zodat er geen vissen kunnen voorkomen; B. Juiste grootte. De poel is groot genoeg, zodat het niet te snel onderhouden moet worden, maar ook niet te groot zodat er geen vissen kunnen voorkomen; C. Flauw talud. De poel heeft een flauw talud, zodat amfibieën de kant op kunnen komen; D. Waterplanten. In de poel zijn waterplanten aanwezig, maar niet te veel.

> Heikikker komt alleen in Weesp voor. Foto: Mark Zekhuis, Saxifraga

E. Gefaseerd beheer. De vegetatie op de oever wordt niet te veel gemaaid, zodat er een veilige oeverzone voor amfibieën en libellen aanwezig is; F. Beperkte verbossing. De vegetatie op de oever wordt niet te weinig gemaaid, zodat er geen boomvormers of bomen op de oever voorkomen; G. Winterbiotoop. In de nabijheid van de poel ligt een winterbiotoop; H. Beperkte verstoring. De poelen zijn vrij van verstoring door mensen en honden. In geval van een poel voor de rugstreeppad moet deze voldoen aan de volgende criteria: • Er staat voldoende water in de poel, zodat er eitjes afgezet kunnen worden; • Er is niet te veel water in de poel, waardoor de poel aantrekkelijk wordt voor andere amfibieën; • Er is geen vegetatie aanwezig in de poel; • In de nabijheid van de poel ligt een winterbiotoop; • De technische constructie heeft geen gebreken. • De poelen zijn vrij van verstoring door mensen en honden.

Deel II: Analyse

80

Natuur in de stad

Huidige kwaliteit Op dit moment heeft Amsterdam zo’n 34 poelen. Met uitzondering van stadsdeel Centrum liggen in alle stadsdelen poelen, zie X. Omdat het slecht gaat met de amfibieën (zie hoofdstuk 4.2) en poelen bijzonder belangrijk zijn voor de voortplanting, is het wenselijk om het aantal poelen uit te breiden. Op plekken waar één of twee poelen liggen kan worden gezocht naar een locatie voor een derde poel. Een cluster van poelen binnen een afstand van 300-500 meter van elkaar leidt tot een sterkere populatie dan in een geïsoleerde poel. Ook zien we gebieden waar nog helemaal geen poelen liggen. Hier zoeken we ook naar locaties. Ten slotte is het belangrijk om in de potentiegebieden van de ringslang (zie hoofdstuk 3.8) genoeg poelen te hebben. Groot onderhoud. Het (groot) onderhoud van de poelen is over het algemeen van lage kwaliteit. Er zijn 32 poelen die een lage kwaliteit hebben. Deze zijn te klein (31), hebben geen flauwe oever (8), hebben een

te dikke baggerlaag (25) of er ontbreekt een winterbiotoop (10). In het Amsterdamse bos gaat het om 14 poelen die te klein zijn, 3 poelen hebben een te steile oever en bij 13 poelen ontbreekt een winterbiotoop. Dagelijks onderhoud. Ook het dagelijks onder­houd van de poelen vertoont gebreken. Diverse poelen zijn dichtgegroeid met struiken en boomvormers. Hier wordt te weinig gemaaid. In anderen poelen worden de oevers weer te veel gemaaid, want hier ontbreekt de bufferzone rondom de poel. In 2022-2023 is veel achterstallig onderhoud ingelopen in een groot aantal poelen. Belangrijk is om nieuw achterstallig onderhoud te voorkomen.

Verstoring door honden. Verstoring van poelen dient voorkomen te worden, omdat honden het water troebel maken waardoor amfibieën larven hun voedsel niet meer kunnen zien (zie hoofdstuk 4.2). Tien poelen liggen in een gebied waar honden los mogen lopen, zie Figuur 55: Poelen gelegen in gebieden waar honden los mogen lopen. Dit vormt een ecologisch knelpunt. Dit kan worden opgelost door ofwel de honden­ losloop kaart aan te passen ofwel de poel voor honden ontoegankelijk te maken door het aanleggen van hagen of takkenrillen.

Figuur 55: Poelen gelegen in gebieden waar honden los mogen lopen.

Figuur 54: Percentage van poelen (N=47) met hoge kwaliteit, gemiddelde kwaliteit en lage kwaliteit. Verlanding van oevers

11%

N=47

21%

68%

Hoge kwaliteit Lage kwaliteit

Gemiddelde kwaliteit

> Natuurvriendelijke oever. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

7. Amsterdammers en biodiversiteit 7.1 Wat kunnen bewoners doen aan de biodiversiteit? Ook Amsterdammers doen veel om de biodiversiteit in te vergroten. Van kleine aanpassingen in achtertuin, daktuin, geveltuin of balkon tot actief bijdragen aan groene initiatieven. Er is veel mogelijk. Els de Vos, zelf actief op allerlei fronten om de natuur in Amsterdam te helpen, geeft de volgende tips. 1. Minder doen en meer genieten “Amsterdammers kunnen meer doen voor meer biodiversiteit door meer te genieten van het groen: minder maaien, vegen, bestraten, snoeien en ook minder ‘groen plannen’. Laat eens dingen gebeuren en geniet daar van. Het hoeft niet allemaal binnen een hokje te passen, als in jouw tuin alleen maar paardenbloemen staan dan heb je een geweldige tuin in de ogen van een hommel of vlinder. Prachtig! Kopje thee erbij en genieten maar.”

2. Help groen schoonhouden “Zie je een stuk plantsoen met veel afval op je dagelijkse rondje? Neem een plastic zak mee, trek handschoenen aan en ruim het op al is het niet van jou. Maak het van jou en gooi het weg!”

81

Amsterdammers en biodiversiteit

3. Denk als een vogel “Verplaats je eens in de ogen van een vogel: je net uitgekomen jonkies willen insecten. Maar waar vind je die? In de buurt van water, inheemse bloemen en planten. Maar je hebt ook plekjes nodig waar je kunt schuilen, nestelen. Zorg voor een compleet thuis.”

4. Voor beginners: start klein “Beginners: ga eerst kijken op Buurtgroen020 naar de Weergroencoaches. Zij kunnen je altijd gratis helpen met tips hoe te beginnen. Kijk rond bij lokale groene initiatieven en vaak kun je dan stekjes, zaden, planten en heel veel advies krijgen: gratis, soms tegen kleine vergoeding. Ga in ieder geval niet met een volle portemonnee en lege tas naar een tuincentrum of bouwmarkt om van die eenjarige volgroeide plantjes te kopen. En insectenhotels kun je daar ook beter laten liggen. Investeer wel in een fijn klein schepje en een bollenplanter: daar ga je lol van hebben. Denk ook eens aan IVN, de Vogelbescherming en de Vlinderstichting - zij verkopen ook kant en klare inheemse plantenpakketten om een natuurvriendelijke tuin aan te leggen.”

5. Heb je een balkon? Geen probleem! “Alle genoemde tips hierboven gelden ook voor mensen met een balkon. Want ook op een klein balkon kun je vergroenen. Zet potten met inheemse bloemen neer en laat de bloemen overhangen zodat vlinders ze makkelijker kunnen vinden. Want ja: ook vlinders weten balkons op hogere verdiep­ ingen te vinden. Vergeet geen drinkplek

voor dorstige hommels en bijen. Zie verder ook de website van de Vlinderstichting voor tips over planten en kies altijd biologisch.”

6. Voor gevorderden: denk aan water “Heb je al een vijver? Desnoods een speciekuip met een kikker/egeltrapje erin? Water in je tuin, hoe klein dan ook is zo belangrijk voor alle diertjes. In je vijver is het binnen de kortste keren een leven van belang: kikkers, salamanders, libellen alles dat houdt van water. Pak geen slootwater want dan neem je misschien visseneitjes of eitjes van Amerikaanse rivierkreeft mee en die wil je niet in een vijver. Tot slot heeft water verkoeling aan de stad en ook aan jouw tuin.”

7. Word burgerwetenschapper “Weet je iets van beestjes of wil je eigenlijk meer weten: er zijn diverse mogelijkheden om als burgerwetenschapper bezig te zijn: (nacht)vlinders, bodemdieren, hommels, libellen, planten, vleermuizen, bomen- je kunt het zo gek niet bedenken of er wordt geteld. Je op deze manier meer leren en bijdragen aan natuuronderzoek.”

8. Vrijwilligerswerk: samen vergroenen “Er zijn veel groene initiatieven waar je vrijblijvend aan mee kunt doen, zoals NLDoet, Burendag, Landelijke Natuur­ werkdag. Zo ontmoet je weer mensen, en die kunnen een bron van inspiratie zijn als je meer wilt weten of als je gewoon eens nuttig bezig wilt zijn zonder je te binden. Gewoon doen! Meld je bijvoorbeeld aan voor de nieuwsbrief van Buurtgroen020 waarin dit soort dingen gedeeld worden.” > Els de Vos is een vrijwilligers met natuur­ passie, onder meer bij Natuur je Beste Buur, als vlinderteller en nachtvlindermonitor. Daarnaast ook werkzaam bij Buurtgroen020.

Deel II: Analyse

82

Amsterdammers en biodiversiteit

Gifvrij tuinieren Of het nu in de achtertuin, geveltuin, daktuin of balkon is, Amsterdammers houden van tuinieren. Bloemen en planten vrolijken de buurt op, verkoelen gebouwen en met een aantal tips dragen ze ook bij aan de biodiversiteit: • Koop gifvrije planten. Het eko-keurmerk geeft aan dat er zo min mogelijk chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegepast. Zelf (biologische) zaden opkweken en ruilen met buurtgenoten is goedkoper en er zijn ook lokale gifvrije kwekers; • Gebruik geen gif in de tuin om bijvoorbeeld mieren te lokken of slakken te doden. Egels kunnen hier ook mee in aanraking komen en daaraan dood gaan. Als u de egel een handje helpt, door water en een overwinterings­plek te bieden, helpt de egel u. Hij is namelijk verzot op slakken en kan er wel 40 in een nacht op! • Gebruik voor de hond en kat als anti-vlooienmiddel een natuurlijk middel. De haren van huisdieren worden door koolmezen in nesten verwerkt. Als daar chemische antivlooienmiddelen inzitten, kan het nestje verloren gaan;

7.2 Ecologisch medebeheer en groene initiatieven Ecologisch medebeheer. Onder ecologisch medebeheer verstaan we het gezamenlijk werken aan en in de stadsnatuur. In verschil­ lende parken begeleiden de eco-groen­ medewerkers van gemeente Amsterdam vrijwilligers in het ecologisch beheer van een park, zoals in het Vondelpark, het Sloterpark en in de Bijlmerweide. Deze vorm van samenwerking wordt door beide partijen erg gewaardeerd, zoals werd uitgesproken tijdens de bewonersraadpleging voor dit plan. Samen werken aan en in de natuur leidt niet alleen tot een hogere biodiversiteit, maar ook tot een beter contact tussen bewoners en gemeente. De gemeente krijgt een gezicht in de vorm van de eco-groenmedewerker of stadsecoloog. Bovendien leidt samenwerken in de natuur tot allerlei sociale neveneffecten, zoals meer binding met de buurt en meer sociale contacten.

Het programma ‘Betrekken bij groen’ is geen gezamenlijk programma van terreinbeherende organisaties om de actieve betrokkenheid van mensen bij groen te vergroten. Dit programma wordt gecoördineerd door Landschap NoordHolland. Vanuit dit programma worden ook veel initiatieven in Amsterdam ondersteund, zoals op de volgende pagina is weergegeven. Op de bewonersavond werd vaak genoemd dat de gemeente zich meer kan verbinden met actieve bewoners in het groen. Om aan deze oproep tegemoet te kunnen komen is eerst meer informatie nodig wat precies gemist wordt of waar het netwerk aan actieve bewoners in de stadsnatuur kan worden verwerkt. Om aan deze oproep tegemoet te komen wordt voorgesteld om budget te reserveren voor het ondersteunen van ecologisch medebeheer/ bewoners­initiatieven voor biodiversiteit.

Wilgen knotten in het Vondelpark. Foto: groene buurten.

Deel II: Analyse

Ecologisch medebeheergroepen

83

Amsterdammers en biodiversiteit

Type activiteiten

Ecologisch medebeheer Iedere woensdag werken vrijwilligers van Groenebuurten en eco-groenmedewerkers Vondelpark van de gemeente samen aan de biodiversiteit in het Vondelpark. Knotten, wieden, hooien, amfibieën poelen onderhouden etc. Werkgroep Bijlmerweide

Vrijwilligers helpen maandelijks met het ecologisch beheer van de Bijlmerweide. Broeihopen aanleggen, knotten, wieden, hooien, amfibieën poelen onderhouden etc.

IJsvogelwerkgroep Amsterdam

Vrijwilligers maken jaarlijks samen met stadsecologen en groenmedewerkers nieuwe ijsvogelwanden en onderhouden bestaande wanden en monitoren broedgevallen.

Heemtuinen

Vrijwilligers van heemtuin Sloterpark helpen eco-groenmedewerkers van de gemeente met ecologisch onderhoud.

Ringslang werkgroep Amsterdam

Vrijwilligers maken samen met stadsecologen en groenmedewerkers broeihopen voor ringslangen en tellen uitgekomen eieren.

Vrijwilligersgroepen Betrekken bij groen (Landschap Noord-Holland)

Diverse vrijwilligersgroepen die ondersteund door Landschap Noord-Holland ecologisch onderhoud uitvoeren. Te noemen zijn o.a. vrijwilligersgroep Amstelglorie, Bijlmerweide, Rust en Vreugd, de Gouwe plek, de Groene Staart, Heemlandje Buiksloot, Heemtuin ruige riet, Joodse begraafplaats, Nieuw en Meer, Oeverlanden blijven!, de Ruige Hof, Tuinpark de Grote Braak, de Verde Kwakel, Vrije geer, weidevogel­bescherming Wilmkebreekpolder, werkgroep Brasa e.a.

Groene initiatieven. Naast deze vorm van samenwerking in het ecologisch onderhoud, is Amsterdam ook rijk aan groene bewoners­ initiatieven. Deze initiatieven dragen bij aan

Groene initiatieven in de stadsnatuur

de biodiversiteit en hebben tevens gunstige sociale effecten. Hieronder een kleine greep uit de vele groene initiatieven in Amsterdam. Zie voor meer informatie buurtgroen020.nl.

Type activiteiten

Natuur je beste buur

Vrijwilligers beheren randen sportpark Middenmeer op ecologische wijze: vlinderidylle, broeihopen, ijsvogelwanden, cursussen, voorlichting

Werkgroep stadsnatuurbeheer KNNV

Werkgroep Spoorzicht Diemen beheert stuk groen en wisselt tips en advies uit met andere beheergroepen.

Vlindertuinen

Diverse vlindertuinen waar vrijwilligers een vlindervriendelijke plantentuin onderhouden (Vlindertuin Mot in Mokum, Van der Pekplein).

Groen gemaal Sarphatipark

Een van de oudste vrijwilligersprojecten, ruilen van planten en zaden, hulp en advies o.g.v. groen en duurzaamheid.

Gierzwaluwwerkgroep Amsterdam

Stimuleert ophangen nestkasten voor gierzwaluwen.

Anna’s tuin en Ruigte

Vrijwilligers beheren ruigtegebied bij Sciencepark.

Stadsgriend Oost

Vrijwilligers onderhouden wilgengriend.

> Huismus. Foto: Bart Vastenhouw, Saxifraga

Groene initiatieven in de stadsnatuur

Type activiteiten

Twikkel bloeit

Vrijwilligers voeren op eigen initiatief ecologisch onderhoud in parkdeel Twikkel, Gijsbrecht van Aemstelpark.

Vele ecologische buurtmoestuinen, voedselbossen en stadslandbouw

Vele initiatieven op gebied van buurtmoestuinen, voedselbossen en stadslandbouw, waarbij tevens een leefomgeving voor dieren wordt gemaakt.

Ecologische monitoring. Amsterdam kent momenteel 16.000 waarnemers die waarnemingen van planten, dieren, padden­ stoelen en andere organismen invoeren in de app van waarneming.nl (bron: waarneming. nl). Daarnaast zijn er vele vrijwilligers die monitoringroutes voor vlinders en libellen lopen, vogels karteren of planten inventariseren. Ook werken vrijwilligers mee aan de monitoring van vleermuizen, door op zomeravonden transecten te fietsen met een batdetector die geluiden van vleermuizen opneemt.

Gemeente Amsterdam maakt dankbaar gebruik van de data die door deze vrijwilligers wordt ingezameld. Hier is ook voor dit plan veel gebruik van gemaakt. Tijdens de expertsessie en bewonersavond werd genoemd dat men behoefte heeft aan een nauwere samenwerking.

Deel II: Analyse

Amsterdammers en biodiversiteit

Ecologische monitoring door vrijwilligers

7.3 Ondernemers

Type activiteiten

KNNV

Braakballen onderzoek, muurplantenwerkgroep, nachtvlinderwerkgroep, mossenwerkgroep, werkgroep vissen, amfibieën, reptielen, planten werkgroep, paddenstoelenwerkgroep, insectenwerkgroep

Vlinders

Vrijwilligers lopen vlinder routes voor de Vlinderstichting

Libellen

Vrijwilligers lopen libellen routes voor de Vlinderstichting

Nachtvlinders

Nachtvlinder onderzoek vanuit Nachtvlinderkaravaan

Vleermuizen

Vrijwilligers fietsen transecten vleermuizen voor gemeente Amsterdam

Vissen

Amsterdamse Hengelsportvereniging monitort vissen in diverse wateren van Amsterdam, waaronder in een aantal parken.

Versterking van de samenwerking. De samen­­ werking tussen al deze actieve groene vrijwilligers en gemeente Amsterdam kan worden vesterkt. Door vrijwilligers te betrekken bij het ecologische monitoringsprogramma kan het oppervlak en/of aantal soorten dat gemonitord wordt, worden vergroot. Ook kunnen we informatie van vrijwilligers en ingehuurde ecologen met elkaar verbinden, waardoor betere conclusies mogelijk zijn. Zo is de nachtvlinderkaravaan echt van meerwaarde, omdat gemeente Amsterdam zelf geen nachtvlinders monitort. Een samenwerking tussen vrijwilligers en ecologisch monitoringsprogramma van gemeente Amsterdam is momenteel niet in

Thema

voorzien. Om voldoende capaciteit hiervoor te hebben, stellen we voor om budget voor dit thema vrij te maken. Het ecologisch medebeheer kan sterker worden geborgd in de organisatie, zodat dit niet te veel afhankelijk is van individuele medewerkers. Op de bewonersavond werd aangegeven dat er behoefte is aan een uitbreiding van dit type ecologisch medebeheer. Ook gaf men aan dat meer contact tussen gemeente en actieve groen­ bewoners gewenst wordt. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is wat precies de vraag en het mogelijke aanbod is, stellen we voor eerst een nadere behoefte scan te doen.

Maatregel

Resultaat

Versterken actieve Inventariseren wat de behoefte bij bewonersgroepen bewonersgroepen in de stadsnatuur is voor in de stadsnatuur meer verbinding en hoe deze groepen versterkt kunnen worden.

Inventarisatie behoeften en kansen versterken actieve bewonersgroepen in stadsnatuur

Ecologisch medebeheer

Faciliteren van ecologisch medebeheer (samen werken in de natuur) wordt in budget, functieprofiel en organisatie geborgd.

Ecologisch medebeheer geborgd in de gemeentelijke organisatie.

Citizen science

Begeleiding vrijwilligers van ecologische monitoring (o.a. vleermuisroutes, libellen/ vlinderroutes) en opzetten structurele samenwerking tussen EM&I en vrijwilligers.

Aanvraag in de voorjaarsnota voor uitbreiding van de capaciteit voor een grotere samenwerking met vrijwilligers.

Naast bewoners kunnen ook ondernemers een bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Veel economische sectoren zijn afhankelijk van de wereldwijde biodiversiteit. Verlies aan biodiversiteit kan leiden tot verstoringen in toeleveringsketens, stijgende grondstofprijzen en grotere risico’s op natuurrampen. De Nederlandse bank geeft daarbij aan dat het verlies van biodiversiteit €1,7 tot €3,9 biljoen euro per jaar aan kosten met zich mee kan brengen1. In de financiële sector en het bedrijfs­leven groeit daarom het besef dat snelle actie voor behoud en herstel van de biodiversiteit nodig is. Het type actie dat nodig is, is per bedrijfstak natuurlijk verschillend. In het algemeen kunnen de volgende acties genoemd worden: • Neem biodiversiteit op in het beleid van de onderneming; • Werk meetbare biodiversiteitsdoelen en KPI’s uit; • Verduurzaam de toeleveringsketen door een duidelijke visie waarin biodiversiteit een expliciete rol speelt; • Inventariseer de mogelijkheden om natuur­ inclusief bouwen of -renoveren in het bedrijfspand door te voeren. Bij de nieuwbouw van bedrijfspanden kan gebruik worden gemaakt van het Handboek Natuurinclusief bouwen en het Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen. Ondernemers kunnen een ecologisch adviesbureau in de hand nemen om te komen tot een pakket maatregelen dat vanuit de onderneming de biodiversiteit kan versterken.

1 Werkgroep Biodiversiteit | De Nederlandsche Bank

84

Plan Biodiversiteit fase 1

Bijlagen

85

Bijlagen

Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten

Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten 1.1 Gidssoorten per gebied In 2025 zetten we alle kwalificerende soorten en gidssoorten per gebied op kaart. Deze informatie in het najaar van 2025 te downloaden via www.amsterdam.nl/ biodiversiteit en/of openresearch.amsterdam.

1.2 Informatiebladen gidssoorten In informatiebladen zijn de habitateisen van de gidssoorten uitgewerkt. Deze informatiebladen zijn bedoeld als praktisch handvat voor beheerders, ontwerpers en andere geïnteresseerden. Deze volgen op de volgende pagina’s. Ze worden geactualiseerd en zijn dan te downloaden via www.amsterdam.nl/biodiversiteit en/ of openresearch.amsterdam.

86

Bijlagen

87

Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten

Habitateisen

Eekhoorn Meeliftende soorten: Bosuil, boomklever, spechten, rosse vleermuis, vos, boommarter, bunzing, eikenpage, citroenvlinder, bont zandoogje. Paddenstoelen, bosflora.

Habitat: Gemengd loof-naaldbos en in lommerrijke parken met onderbegroeiing, struiken en veel dode bomen. Voorkeur voor ouder bos(plantsoen) met inheemse bomen.

Oppervlak:   

Kerngebied: 2,5 ha naaldbos of 10 ha loofbos Stapsteen: Verbindingszone: boomkronenroute van 25 meter breed en maximaal 200 meter lang.

Bijlagen

88

Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten

Voedsel:

Eekhoorn

Zoekt voedsel in bomen en op grond: boomzaden (eikels, noten, kegels), knoppen, bladeren, schors, paddenstoelen, vogeleieren.  Ontwikkel gevarieerd gemengd bos met (6):  vruchtdragende struiken  inheemse bomen, zowel loofbomen als naaldbomen (3). Zaden van uitheemse bomen hebben teveel looistoffen en worden niet gegeten.

Verblijfplaatsen en voortplanting:

Structuur in bos

Voortplanting december-februari en mei-juni. Bouwt 5-6 bolvormige nesten (doorsnede 30-50 cm) op minstens 5 meter hoogte. Vaak in klimop of naaldbomen (wintergroen). Gebruikt ook nestkasten voor bosuil.  Plaatsen nestkasten optioneel;  Behoud klimop in bomen ;  Aanplanten naaldbomen.

Veiligheid: 

Verkeer: rolt op bij gevaar: aanleggen eekhoornbruggen boven wegen. Predatie door boommarter, havik, vos: zorg voor dekking. Verstoring door honden bij foerageren : beperk toegang honden. Verdringing door uitheemse eekhoorn. Meldt uitheemse eekhoorns in waarneming.nl.

Beheer: 

 

Sturen op gelaagdheid bos met mossen, kruiden, struiken en bomen (dekking en voedsel) (2 en 4). Bevorderen dood hout (paddenstoelen) (1). Aanplanten inheemse struik- en boomsoorten (voedsel) (3). Bomen niet in voortplantingsperiode kappen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16033003/1