CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Plan Biodiversiteit voor parken en natuurgebieden 2025-2030 DEFINITIEF.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 4 september 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van Plan Biodiversiteit: parken en natuurgebieden, het uitvoeringsplan waarin wij toelichten hoe we de biodiversiteit van Amsterdam vergroten (VN2025-010313)37.632 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

X aantal interactieve informatieborden over (werken aan) biodiversiteit. Onder voorbehoud van financiering.

Website

Actualiseren website gemeente Amsterdam met informatie over biodiversiteit

In 2025 geactualiseerde website.

Beheerkalender (tip van bewoners)

Beheerkalender op maps.amsterdam.nl waarop bewoners kunnen zien wat het maaibeleid en beheerkalender in een gebied is.

Beheerkalender en maairegime op maps.amsterdam.nl uiterlijk in 2026. Onder voorbehoud van financiering.

Campagne honden en natuur

Campagne waarbij hondenbezitters worden gestimuleerd honden aan te lijnen in ecologische gebieden (o.a. Volgermeerpolder, Diemerpark).

Nader te bepalen.

Kennisuitwisseling (advies van experts)

Voortzetting academische werktafel, waarbij academische en praktische kennis o.g.v. ecologie en biodiversiteit wordt uitgewisseld met kennisinstellingen. Inventarisatie hoe kennis uitwisseling beter kan, mogelijkheden met citizen science hubs (uitkomst expert sessie).

Academische werktafel voortgezet Inventarisatie versterken academische samenwerking

3.3 Monitoring Scope monitoring De monitoring van dit plan verloopt via het programma Ecologische monitoring en Inspecties (EM&I). De onderzoeksmethoden die worden gebruikt voor het meten van de biodiversiteit en de ecologische kwaliteit kunnen in de volgende categorieën worden onderverdeeld: • Soortenkartering: hiermee wordt de aanwezigheid van flora- en faunasoorten aangetoond. • Vegetatiekartering: hiermee wordt de aanwezigheid van een vegetatie(sub)typen aangetoond. • Structuurkartering: hiermee wordt de aanwezigheid van structuur en daarmee de randvoorwaarden voor biodiversiteit aangetoond. Dit betreft de meting van de KPI’s voor ecologisch beheer, zoals deze in bijlage 3 zijn uitgewerkt. • Inspecties: hiermee wordt de staat van de faunavoorzieningen aangetoond.

Vanuit de soortenkartering worden de volgende soortgroepen gemonitord: • Amfibieën • Broedvogels • Bijen • Dagvlinders • Flora en vegetatie • Libellen • Reptielen • Vissen • Zoogdieren

22

Deel I: Actieplan

23

Uitvoering actieplan

Samenwerking met derden Vrijwilligers. Tijdens de werksessie met in het groen actieve bewoners werd aangeven dat een sterkere samenwerking wenselijk is tussen vrijwilligers en de ecologische monitoring door de gemeente. Op dit moment wordt wel de informatie die vrijwilligers opdoen gebruikt in het EM&I programma, maar is er geen actieve samenwerking. Zo’n actieve samenwerking heeft verschillende voordelen. Ten eerste kan zo het aantal soorten dat gemonitord wordt, worden uitgebreid. Zo is de nachtvlinderkaravaan die vrijwilligers in Noord uitvoeren echt van meerwaarde, omdat gemeente Amsterdam zelf geen nachtvlinders monitort. Ten tweede kan het oppervlak dat gemonitord wordt, worden vergroot. Niet overal worden alle soorten even intensief gemonitord. Geïnteresseerde bewoners kunnen ervoor zorgen dat er een completer beeld van de biodiversiteit in hun buurt komt, door onder begeleiding een soort of een traject te monitoren. De Amsterdamse Hengelsportvereniging monitort de visstand in diverse wateren in Amsterdam. Dit is een aanvulling op de locaties waar gemeente Amsterdam monitort.Ten derde ontstaat er meer wederzijds begrip als er meer afstemming plaats vindt met actieve vrijwilligers. Met name over de conclusies van de monitoring en het gevoerde beheer. Hierdoor ontstaat meer duidelijkheid waarom welke besluiten worden genomen.

Voor een sterkere samenwerking tussen vrijwilligers en het ecologisch monitoringsprogramma van gemeente Amsterdam is extra capaciteit nodig. Onderzoeksinstellingen. Tijdens de stakeholdersessie met externe deskundigen bleek dat de er diverse kansen zijn voor samenwerking met onderzoeksinstellingen (UvA, VU, Hogeschool Amsterdam) op gebied van monitoring van de biodiversiteit. De Amsterdamse Hengelsportvereniging monitort vissen in Amsterdamse wateren, waaronder in de parken. Ook hier liggen kansen om monitoring meer op elkaar af te stemmen. Thema

Maatregel

Resultaat

Citizen science

Begeleiding vrijwilligers van ecologische monitoring (o.a. vleermuisroutes, libellen/ vlinderroutes) en opzetten structurele samenwerking tussen EM&I en vrijwilligers.

Aanvraag in de voorjaarsnota voor uitbreiding van de capaciteit voor een grotere samenwerking met vrijwilligers.

Samenwerking bij ecologische monitoring

Inventariseren vanuit programma Nader te bepalen. EM&I hoe meer samengewerkt kan worden met andere partijen die biodiversiteit monitoren.

› Jong stadium van moeras. Foto: Florinda Nieuwenhuis

24

Plan Biodiversiteit fase 1

Deel II: Analyse

› Bloemrijke ruigte in het Diemerpark. Foto: Els Corporaal

Deel II: Analyse

4. Het belang van biodiversiteit in de stad Wat is biodiversiteit? Een egel die in de struiken scharrelt, een merel die luidkeels zingt of de paarden­bloemen in het gras. Ze behoren tot onze biodiversiteit. Maar biodiversiteit is meer dan de som van planten en dieren. Het gaat ook om de onderlinge relatie tussen planten en dieren, schimmels en bacteriën, bodem en water. Hierbij wordt vaak het woord ‘ecosysteem’ gebruikt.

“De biodiversiteit is mondiaal het grootst als landen de soorten, genen en ecosystemen beschermen die oorspronkelijk in het land voorkomen.” In het Nederlandse beleid wordt de internationaal geaccepteerde definitie van biodiversiteit van de Verenigde Naties gebruikt zoals vastgelegd is in de Conventie voor Biologische Diversiteit (CBD) in 1992. De CBD omschrijft biodiversiteit als: ‘de variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten (genen), tussen soorten en tussen ecosystemen.

25

Het belang van biodiversiteit in de stad

Internationaal is afgesproken dat landen de genen, soorten en ecosystemen beschermen die oorspronkelijk in dat land voorkomen. Op deze wijze is de mondiale biodiversiteit het grootst. Om die reden richt het gemeentelijke natuurbeleid zich op inheemse soorten, niet op uitheemse soorten. Uitheemse soorten genieten wel bescherming. Dit is o.a. uitgewerkt in de Omgevingswet en in de Agenda Dieren.

Waarom is biodiversiteit belangrijk? Op wereldniveau is biodiversiteit de essentie van ons leven. Zonder voldoende biodiversiteit kunnen ecosystemen niet goed functioneren. Dat heeft op allerlei manieren gevolgen voor mens en natuur. Het heeft negatieve gevolgen voor de voedselproductie, voor het produceren van bouwmaterialen zoals hout, voor het ont­ wikkelen van medicijnen en voor het zuiveren van water en bodem. De biodiversiteitscrisis kan in potentie een nóg grotere crisis veroorzaken dan de klimaatcrisis. Maar Amsterdam is geen tropisch regenwoud, mangrovenbos of de Veluwe. Waarom is het belangrijk om ook in de stad biodiversiteit te beschermen en vergroten? Op schaal van de stad is biodiversiteit belangrijk voor een leefbare stad om tal van redenen: • Een hoge biodiversiteit heeft een bewezen positief effect op de mentale gezondheid van bewoners van de stad (Marselle et al., 2019). Het horen zingen van een merel of zien vliegen van een prachtige vlinder zorgt voor ontspanning;

• Uit onderzoek is gebleken dat een toename van 10% groen in stedelijk gebied gemiddeld een verkoelend effect heeft van 0,5 graden (Steenveld et al., 2011). Bomen bieden bovendien schaduw op een hete dag. En als het water schoon genoeg is, is een verfrissende duik onweerstaanbaar; • Een hoge biodiversiteit in wateren draagt bij aan natuurlijke waterzuivering . Waterplanten kunnen bijvoorbeeld stoffen zoals nitraat en fosfaat opnemen uit het water en afbreken tot minder schadelijke stoffen (Vos et al., 2014); • Biodiversiteit is belangrijk als klimaatbuffer , door grote hoeveelheden water op te nemen bij overstromingen, of juist door water vast te houden bij droogte. Een rijk bodemleven draagt bij aan betere infiltratie van water (wat wateroverlast beperkt) en aan het langer vasthouden van water (wat droogte beperkt) (Fini, 2011); • Bij een hoge biodiversiteit worden plaag­ soorten onderdrukt. Zo komt de rups van de eikenprocessievlinder, die veel gezond­ heidsschade aan mensen kan brengen, veel minder voor in gebieden waar voldoende natuurlijke variatie is. Daar komen natuurlijke predatoren van de rups voor. Denk ook aan muggenplagen die worden getemperd door roofdieren als libellen en vleermuizen; • Bij een hoge diversiteit aan insecten vindt betere bestuiving van groenten en fruit plaats. In stedelijk gebied profiteren daktuinen, volkstuinen en stadslandbouw hiervan.

Bestuivende insecten zijn bovendien essentieel voor de voortplanting van onze wilde planten.

Hoe gaat het met de mondiale en landelijke biodiversiteit? De laatste jaren wordt het steeds duidelijker dat het (zeer) slecht gesteld is met de biodiversiteit wereldwijd. Onderzoek geeft aan dat sinds 1970 de Living Planet Index (het aantal individuen in populaties) wereldwijd met bijna 70% is afgenomen (zie Figuur 1) en dat de totale biomassa aan vliegende insecten in een land als Duitsland met 75% is afgenomen in de laatste 27 jaar (Hallman et al., 2017). Figuur 1: Afname van de biodiversiteit wereldwijd 125

Index (1970 = 100)

100

75

50

25 0 1970

1980

1990

2000

Trend Gewervelde dieren • Zoogdieren • Reptielen • Vogels • Amfibieën

Bron: Living planet index

2010

2020

Onzekerheid trend • Vissen

Deel II: Analyse

Ook in Nederland is deze achteruitgang goed zichtbaar. In mei 2024 verscheen op het NOS een artikel1 waarin duidelijk werd gemaakt dat Nederland ‘kampioen biodiversiteitsverlies’ is (NOS, 2024). Rond de eeuwwisseling was nog maar 15% van de oorspronkelijke biodiversiteit in Nederland over. In kwetsbare gebieden als duinen, heide en boerenland halveerde de aantallen sindsdien nog eens. In Noord-Holland laat dezelfde Living Planet Index eveneens een sterke achteruitgang zien sinds 1990 (Provincie Noord-Holland, 2021). Duinsystemen gaan in kwaliteit achteruit door verruiging veroorzaakt door een teveel aan stikstofneerslag en de huismus heeft steeds meer moeite met nestlocaties te vinden in de stad. Met sommige systemen en soorten gaat het beter dan voorheen. Zo gaan loofbossen in kwaliteit vooruit door veroudering en komen er steeds meer broedende kerkuilen voor. Hoe het gaat met de biodiversiteit in Amsterdam wordt in dit rapport nader beschreven.

Biodiversiteit en klimaatverandering Zorgen. Klimaatverandering is één van de drijvende krachten voor biodiversiteits­verlies (IPBES, 2019). Vooral de snelheid waarmee het gaat zorgt ervoor dat soorten zich niet of onvoldoende kunnen aanpassen aan de verandering. De komende jaren zullen lang­ durige droge periodes, natte (zachte) winters en warmere zomers in ons land steeds meer voorkomen. De winter van 2023/2024 was bijvoorbeeld extreem nat en de zomer van 2018 was de droogste zomer in Nederland ooit. Hierdoor komen natuurlijke systemen, juist in stedelijk gebied, steeds meer onder 1 Nederland kampioen biodiversiteitsverlies, 'de natuur staat er dramatisch voor'

26

Het belang van biodiversiteit in de stad

druk te staan. Stadsparken, bomenlanen en watersystemen zullen te lijden krijgen onder deze veranderende klimatologische omstandigheden. Daarnaast zullen in versteend stedelijk gebied steeds meer ‘hitte eilanden’ ontstaan. Dit kan ervoor zorgen dat het tijdens een hittegolf zo warm wordt onder daken dat de jongen van vogels als huismus en gierzwaluw dood gaan. Door de zachtere winters en vroegere voorjaar komen soorten als de gewone pad steeds eerder uit hun winterslaap. Dit kost energie, dat niet meteen aangevuld kan worden doordat nog niet alle insecten in actie zijn. Als laatste voorbeeld gedijen er steeds meer invasieve exoten in Nederland door het opwarmend klimaat. Dit kunnen bijvoorbeeld ook zuidelijke muggensoorten zijn die voorheen niet in ons land voorkwamen. Kansen. Zodoende oefent klimaatverandering grote druk uit op onze natuurlijke ecosystemen in stedelijk gebied, maar kunnen deze systemen ook een rol spelen in het beperken van de negatieve effecten. Om goed om te gaan met deze veranderingen (klimaatadaptatie) is het noodzakelijk om een robuuste, kwalitatief goede groenstructuur te realiseren die goed verbonden en verspreid is over de stad. Door bijvoorbeeld bloemrijke bermen te ontwikkelen, zijn de bermen door een uitgebreide wortelstructuur beter bestand tegen droogte.

Door ecologische verbindings­ zones te creëren en te verbinden met grote robuuste gevarieerde stadsparken neemt het hitte eiland effect af, wordt meer water opgenomen en kan fauna zich over de gehele stad verplaatsen in tijden van weersextremen waardoor populaties kunnen voortbestaan.

“Robuuste ecosystemen kunnen de effecten van klimaat­verandering zowel voor de mens als voor de natuur beperken.”

› Bosplantsoen. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

27

Planten en dieren in de stad

5. Planten en dieren in de stad 5.1 Inleiding In dit plan beschrijven we hoe het staat met de biodiversiteit in Amsterdam. We hebben ons daarbij gericht op acht soortgroepen waar de meeste informatie over beschikbaar is. Dit betekent dat we geen uitspraken kunnen doen over alle organismen die onderdeel zijn van de Amsterdamse biodiversiteit. Van het bodemleven bijvoorbeeld is weinig data beschikbaar. Ook van de biomasse, het totale gewicht aan organismen, is geen data. Toch kunnen we via de acht soortgroepen een redelijk beeld construeren van de biodiversiteit in Amsterdam, omdat soorten via complexe relaties afhankelijk van elkaar zijn. Als het goed gaat met het bodemleven, zullen de planten die daarop groeien meer nectar en stuifmeel geven, waardoor bestuivende insecten toenemen en het broedsucces van insectenetende vogels toeneemt. Bodem. De basis voor biodiversiteit is een gezonde bodem en gezond water. In een gezonde bodem leven bodemorganismen zoals bacteriën, schimmels, insecten en andere dieren. Deze organismen zijn zelf onderdeel van de biodiversiteit en bieden bovendien de randvoorwaarden voor andere organismen. Ze breken organisch materiaal af en maken deze beschikbaar voor planten.

Aantal waargenomen soorten in amsterdam

Aantal waarnemers in amsterdam

9.699 Bron: waarneming.nl, 14-02-2025

16.012

Planten kunnen daardoor goed groeien, die op hun beurt de basis van de voedselpiramide vormen. Een goede bodemstructuur helpt bij het vasthouden van water en voedingsstoffen in de bodem, wat extra belangrijk is bij lang­ durige periodes van droogte of juist hevige regenval. In dit plan zijn maatregelen opgenomen om de biodiversiteit in de bodem te beschermen, zoals het voorkomen van verdichting door toepassing van te zware machines en het behouden van voedingstoffen in het ecosysteem door het laten liggen van dood hout, bladeren en takken. Het bevorderen van een gezonde bodem is uitgewerkt in de Koersnota gezonde bodem (2023). Water. Naast een gezonde bodem is gezond water een belangrijke randvoorwaarde voor biodiversiteit. In gezond water groeien water­ planten die zuurstof in het water toevoegen. Hierdoor ontstaat een gezond ecosysteem waarin verschillende waterdieren kunnen leven, zoals libellen, vissen en ringslangen. Ook voor de mens is gezond water belangrijk. Vervuild oppervlaktewater kan leiden tot gezondheidsproblemen wanneer botulisme of blauwalg ontstaat. Ook is gezond water belangrijk voor de waterrecreatie, waaronder zwemwater. Het thema water is in hoofdstuk 6 verder uitgewerkt.

Aantal waarnemingen in amsterdam 1.569.508

› De schuwe roerdomp leeft in moerassen, onder andere in de Brettenzone. Foto: Henk Baptist, Saxifraga

Deel II: Analyse

5.2 Amfibieën

Voorplanting en verblijfplaatsen. De voort­ planting vindt plaats in het water. De eitjes worden afgezet op planten in het water van poelen, sloten of vijvers. Een poel is daarbij ideaal, omdat hier geen vissen aanwezig zijn die de larven opeten. In de poel moeten waterplanten voorkomen, die belangrijk zijn voor de jonge kikkervisjes om op watervlooien te jagen en om zich tussen te verstoppen. Na enkele weken verlaten de amfibieën het water en waaieren uit in de omgeving, in de buurt van het geboortewater. Hier verblijven ze op vochtige plekken in de oevervegetatie of in struweel. Voor de winter trekken de meeste amfibieën zich terug onder struiken, in boomholtes, onder steen­hopen of takkenrillen.

Voorkomen in Amsterdam Van de zestien Nederlandse amfibieën komen er in Amsterdam acht voor. De meeste amfibieën komen verspreid over Amsterdam voor, maar de poelkikker komt alleen in Noord voor en de heikikker alleen in Weesp.

Nederlandse trend De groep van kikkers, padden en salamanders toont landelijk een licht herstel na grote verliezen in de 20ste eeuw. Door het aanleggen van poelen, verbeteren van de waterkwaliteit en herstel van landhabitat zijn veel soorten amfibieën landelijk licht toegenomen. Hoewel de verspreiding van padden en kikkers stabiel is, zien we recentelijk echter een sterke afname in de aantallen gewone pad en bruine kikker die door de landeljike paddenwerkgroepen worden gerapporteerd, zie Figuur 2. Dat deze weinig kritische soorten afnemen is zorgelijk. Oorzaken van deze afname zullen liggen in een combinatie van factoren.

› Middelste groene kikker. Foto: Rudmer Zwerver, Saxifraga

Figuur 2: Sterke afname van de gewone pad kikker in Nederland.

Amsterdamse trend

120

Voor Amsterdam ontbreekt het aan cijfers om een trend te kunnen bepalen. De indruk van de stadsecologen is dat er de laatste twintig jaar minder amfibieën aanwezig zijn in Amsterdam. Ook vrijwilligers van overzetacties in paddenwerkgroepen signaleren een afnemende trend (o.a. de werkgroep Vondelpark). De stadsecologen verwachten ook een afname van het aantal rugstreep­ padden. Doordat de nieuwbouw momenteel hoog is, ligt er weinig braakliggende grond: de natuurlijke habitat van de rugstreeppad.

100 80

60 40 20 0 '08

'10 '12 Gewone pad

Bron RAVON, 2023

28

Planten en dieren in de stad

'14 '16 '18 Bruine kikker

'20

'22

'24

Eisen aan de leefomgeving Amfibieën komen voor in een kleinschalig gevarieerd landschap met helder water en

poelen met in de nabijheid structuurrijke vegetatie van graslanden, struiken en bomen. De rugstreeppad is hierop een uitzondering. Deze verkiest een kale zanderige omgeving met kleine poeltjes (plasjes). De heikikker is een soort van veengebieden. Voedsel. De larven van amfibieën eten algen en plankton in het water. Het water moet daarom voldoende voedselrijk zijn om algen en plankton te bevatten, maar ook niet zo voedselrijk dat het overwoekerd wordt door kroos. Volwassen amfibieën eten allerlei insecten zoals vliegen en muggen, maar ook regenwormen en slakken. In de omgeving van het water moet daarom ruigere vegetatie te vinden zijn, waar deze organismen voorkomen.

Verplaatsing. Amfibieën kunnen grote afstanden afleggen, maar door de vele wegen die de groengebieden doorkruizen is de afstand die zij dagelijks of jaarlijks afleggen beperkt. Om aanrijdingen te voorkomen dient het landhabitat direct te grenzen aan het voortplantingswater. Het beste is als er meerdere poelen binnen 100 meter afstand van elkaar liggen. Veiligheid. Wegen die tussen het winterhabitat en het voortplantingswater liggen, leveren veel verkeersslachtoffers op tijdens de paddentrek (eind februari- april). Een andere bron van gevaar zijn straatkolken. Padden lopen langs stoepranden en belanden via de straatkolk in de put, waar ze niet meer uit kunnen klimmen. Verlichting heeft een sterke aantrekkingskracht op padden en salamanders, wat het risico op aanrijdingen vergroot. Honden die in het water springen vormen eveneens een risico voor amfibieën. Honden zorgen voor omwoeling van de bodem, waardoor het water troebel wordt en larven hun voedsel niet meer kunnen vinden.

Deel II: Analyse

29

Planten en dieren in de stad

5.3 Bijen

Amsterdamse trend

Voorkomen in Amsterdam In Amsterdam komen 120 van de 350 Nederlandse bijensoorten voor. De bekendste is de honingbij. Deze komt niet zelfstandig in het wild voor, maar wordt door imkers gehouden. Onder de groep wilde bijen vallen ook de hommels.

Nederlandse trend In Nederland staat de helft van de bijen­ soorten op de Rode Lijst. Deze soorten zijn sterk bedreigd of zeldzaam. Daarvan zijn er 34 soorten reeds verdwenen uit Nederland. Bijen zijn daarmee één van de meest bedreigde soortgroepen van Nederland. De grootste afname in bijendiversiteit heeft plaatsgevonden in de periode 1970-1990. Na 1990 is de afname van de Nederlandse bijendiversiteit tot stilstand gekomen. Dit heeft onder andere te maken met een recente toename van soorten met een zuidelijke verspreiding: veel van deze soorten vertonen na 1990 een toename in Nederland, terwijl andere soorten juist overwegend afnemen. Figuur 3: Trend van alle Nederlandse bijensoorten (n=357) en alle Nederlandse hommelsoorten (n=29) vanaf 1990. Onder de hommels is het aandeel afgeno­ men soorten veel groter dan onder alle bijen samen. Alle bijen

Hommels

3%

35%

20%

24% 72%

45%

Toename

› Weidehommel. foto: Arie Koster

Stabiel

Afname

Bron: Peeters et al, 2012.

In Amsterdam is er sprake van een toename van het aantal bijensoorten sinds de jaren ’90. In de jaren ’60 tot en met ’80 van de vorige eeuw waren er nauwelijks wilde bijen in de stad (Koster, 2001). Er werd volop chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt en het groen­ beheer was gericht op netheid en ‘schoonheid’. Aan planten voor biodiversiteit werd nog niet gedacht. Vanaf de eeuwwisseling kwam hier verandering in toen het ecologisch beheer werd geïntroduceerd. Ook werd de toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen in de openbare ruimte afgeschaft. In 2000 werden voor het eerst grootschalig bijen in Amsterdam geïnventariseerd. Toen werden er 45 soorten wilde bijen gevonden (Koster, 2001). Dit onderzoek werd herhaald in 2014-2015 en werden in totaal 65 bijensoorten aangetroffen (Nieuwenhuis et al, 2015). Een toename van 45% ten opzichte van 2000. Vervolgens is in de periode 2019-2022 opnieuw een grootschalige inventarisatie naar wilde bijen uitgevoerd. In deze periode zijn er 120 bijensoorten geïnventariseerd in 51 gebieden in Amsterdam. De resultaten van de inventarisatie 2019-2022 kunnen echter niet met de eerdere inventarisaties vergeleken worden vanwege een aangepaste onderzoeksmethodiek. In Amsterdam komen momenteel 17 Rode Lijstsoorten voor, waarvan er drie de status ‘bedreigd’ hebben.

Een voorbeeld is de zeldzame moshommel, die landelijk in aantallen zeer sterk is afgenomen (75% sinds 1950), maar in de Volgermeerpolder een populatie heeft.

Deel II: Analyse

30

Planten en dieren in de stad

Figuur 4: Totaal aantal geïnventariseerde bijen per gebied, in de periode 2019-2024. Oranje is aantal rode lijstsoorten.

Figuur 5: Aanleggen stapstenen voor wilde bijen waar de afstand tussen gebieden te groot is, hier een voorbeeld in stadsdeel Zuidoost.

70 60 50 40 30 20 10

Somerlust

Erasmuspark

Nieuwe gouw

Keerkringpark

Jachthavengebied

Sarphatipark

Buikslotermeerdijk

Zwarte gouw

Bilderdijkpark

Westertochtpark

Oude Haagseweg

Nelson Mandelapark

Flevopark

Amsteldijk

Oosterpark

Lutkemeerpolder

Oeverbos

Park Frankendael

Baanakkerspark

Vrije geer

Volgermeerpolder

Kadoelerbreek

Siegerpark

Vliegenbos

Noorderpark

Schellingwoude

Martin Luther Kingpark

Rembrandtpark

Ringvaartdijk/haarlemmerdijk

Van der boechorststraat

Park de Kuil

Rietland Nieuwendam

Hoge dijk

Vondelpark

Sloterpark

Amstelpark

Gaasperpark

Diemerzeedijk

Vbz Gaasperpark/zoom

Ringdijk

’t Kleine Loopveld

Beatrixpark

Christoffel Planteijnpad

Schinkelgebied

Noorderlijke oeverlanden

De Bretten

Bijlmerweide

Diemerpark

Noorder IJplas

Westerpark

Gijsbrecht van Aemstelpark

Sciencepark

0

*Amsterdamse bos en Bretten is met afwijkende methodiek geïnventariseerd.

Eisen aan de leefomgeving Wilde bijen komen voor op allerlei zonnige en bloemrijke plekken. De meeste bijensoorten leven in bloemrijke graslanden en ruigtes langs bosranden of oevers. Omdat de meeste wilde bijen solitair leven, kan het leefgebied klein zijn. Een zonnige biotoop van een kwart hectare kan al een aardige verscheidenheid aan soorten opleveren. Voedsel. Wat betreft voedsel hebben wilde bijen stuifmeel (de eiwitbron voor de larven) en nectar (de energiebron) nodig. Qua bloem­ keuze zijn wilde bijen onder te verdelen in specialisten en generalisten. Specialisten verzamelen het stuifmeel op één plantensoort

of één plantenfamilie. In Amsterdam zijn dat de grote klokjesbij (klokjesbloemen), verschil­ lende zandbijen (wilgen) en de gewone slobkousbij (grote wederik). De generalisten maken gebruik van een breder spectrum aan plantensoorten. Voortplanting en verblijfplaatsen. Voor de voortplanting hebben wilde bijen een geschikte nestplaats nodig. De meeste bijen – circa 250 soorten- nestelen ondergronds in zonnige hellingen of open grasveldjes. Veertig soorten kunnen zowel boven als ondergronds nestelen. De overige 65 soorten nestelen bovengronds. Bovengrondse nesten worden gemaakt in oude kevergangen van

dood hout, holle stengels van riet, braam of vlier, maar ook in holtes van bermpalen of zelfs muren. Er zijn drie soorten die nestelen in slakkenhuizen en de rietmaskerbij nestelt in oude rietgallen van halmvliegen. Ongeveer 5% van de bijensoorten maakt gebruik van bijenhotels. Verplaatsing. Dagelijks vliegen wilde bijen tussen de 50 meter en 200 meter. Dit betekent dat de voedselplek en de nestplek op maximaal 50-200 meter afstand van elkaar mag liggen (de afstand is afhankelijk van de soort). Van solitaire bijen is het bekend dat een aantal soorten aan dispersie doet. Bij dispersie verplaatsen individuen zich van het

huidige leefgebied op zoek naar nieuwe gebieden. De dispersie afstand van bijen is echter onbekend. Veiligheid. Een belangrijk risico voor bijen zijn chemische bestrijdingsmiddelen, die toegepast worden in de landbouw en bij de teelt van niet-biologische planten. Deze stoffen kunnen de beweging van bijen en hun vermogen om nectar en pollen te verzamelen aantasten. Dit heeft grote effecten op de populatiegrootte van bijen. Een recent opgekomen veiligheids­ risico vormt de Aziatische hoornaar. Deze soort staat op de Unielijst voor invasieve exoten. Hij eet bijen, mieren, hommels, vlinders en rupsen. Als de Aziatische hoornaar zich in Amsterdam vestigt zijn populatie afnames van wilde bijen te verwachten. In 2024 zijn al zes nesten in Amsterdam door imkers verwijderd. De verwachting is dat deze soort zich sterk zal uitbreiden.

Deel II: Analyse

Het houden van bijen in de stad is te zien als een vorm van stadslandbouw. Daarnaast hebben imkers een educatieve rol. Op de schooltuinen krijgen jaarlijks duizenden kinderen les van imkers over hoe bijen zorgen voor bestuiving van planten. Hierbij leggen imkers ook de rol van wilde bijen in het ecosysteem uit. Het is echter belangrijk om te komen tot een balans waarbij het aantal honingbijen niet leidt tot voedselbeperking van de wilde bijen. In 2022 heeft EIS Kenniscentrum Insecten een gefundeerd advies gegeven aan gemeente Amsterdam over de vraag of er sprake is van concurrentie tussen wilde bijen en honingbijen in Amsterdam1. De conclusie was dat “alles overwegende verwacht mag worden dat de wilde bestuiversfauna in de stad sterk nadeel ondervindt van de huidige dichtheden honing­bijen”. Dit kan leiden tot een afname in 1  bestuivers.nl/Portals/5/Advies_honingbijen_ Amsterdam_2022_DEF2.pdf

populatiegrootte of tot het geheel afwezig zijn van een soort. Dit kan vervolgens weer leiden tot verminderde bestuiving van bepaalde plantensoorten. EIS geeft als aanbeveling te streven naar veilige maat van maximaal 3 honingbijvolken per vierkante kilometer en in tien gebieden zijn géén bijenkasten gewenst, omdat hier bijzonder kwetsbare bijensoorten leven. Het rapport van EIS heeft bij de Amsterdamse imkers veel los gemaakt. De aanbevolen maatregelen gingen voor velen te snel en de noodzaak werd niet door allen bevestigd. De AVBB heeft haar verantwoordelijkheid genomen en neemt in de cursussen het beschermen van wilde bijen op. Ook hebben zij stappen gezet in het structureel verminderen van het aantal kasten op het Nieuwe bijenpark. Gemeente Amsterdam juicht deze stappen toe en roept imkers op om hun werkveld te verbreden van honingbijen naar álle bijen (of bestuivers). Zo kan de rol van de imker verschuiven naar de rol van ambassadeur voor de biodiversiteit.

Figuur 6: Dichtheid van individuele honingbijen per meter in de 38 onderzochte Amsterdamse gebieden, aflopend. Het ‘omslagpunt’ van 0,05, aangeduid met de rode lijn, geeft de grens aan waarboven de dichtheid honingbijen voor wilde bijen waarschijnlijk onwenselijk is. Bron: EIS, 2022 0,3

0,25

0,2

0,15

0,1

0,05 0 Westerpark Boechorststraat Erasmuspark Oosterpark Noordelijke Oeverlanden Martin Luther Kingpark Rembrandtpark Verbindingszone Ringdijk Oude Haagse Weg Amsteldijk 't Kleine Loopveld Bilderdijkpark Huis te Vraag en Schinkelzone Science Park Christoffel Planteijnpad Gijsbrecht van Aemstelpark Amstelpark Sarphatipark Noorder IJ-plas Vondelpark Frankendael Sloterpark Rietland Nieuwendam Diemerpark Beatrixpark Schellingwoude Bijlmerweide Vliegenbos Gaasperpark Zwarte Gouw Volgermeerpolder Flevopark Somerlust Diemerzeedijk Noorderpark Nelson Mandelapark Jachthavengebied Nieuwe Gouw

Honingbijen

31

Planten en dieren in de stad

Bron: EIS, 2022

› Kasten voor de honingbij in Park Frankendael. Foto: Florinda Nieuwenhuis

In twaalf groengebieden van Amsterdam is het belangrijk om op korte termijn het aantal bijenkasten te verminderen. Dit zijn gebieden waar zeer concurrentiegevoelige soorten leven of de bijenbiodiversiteit bijzonder groot is (voor een nadere toelichting zie EIS, 2022). In deze kwetsbare gebieden zijn honing­ bijenkasten niet wenselijk. Omdat honingbijen een grote actieradius hebben is het nodig om ook een bufferzone van 1 kilometer om deze gebieden heen te trekken waar ook geen bijenkasten gewenst zijn. Uitzondering vormen de schooltuinen. Hier kunnen, met het doel van natuureducatie en afhankelijk van de

opleidingsintensiteit, 1-5 kasten staan. Ook voor de twee bijenparken wordt een uitzondering voorgesteld. Het is aan de bijen­ parken zelf om in hun reglementen te komen tot een vermindering van het aantal kasten. Gemeente Amsterdam roept de bijenparken op om hier verantwoordelijk mee om te gaan. Voor de rest van de stad geldt een richtlijn van 3 volken per vierkante kilometer.

Deel II: Analyse

32

Planten en dieren in de stad

Figuur 7: Gebieden waar bedreigde en concurrentiegevoelige wilde bijen leven (donkergroen). In deze gebieden en in een buffer van 1 kilometer rondom deze gebieden (lichtgroen) zijn geen honingbijenkasten gewenst. Daarbuiten geldt de richtlijn van maximaal 3 volken per vierkante kilometer.

› Aardhommel op kaardebol. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

33

Planten en dieren in de stad

5.4 Broedvogels

Eisen aan de leefomgeving Broedvogels komen in alle biotopen voor. Daarbinnen hebben vogels een eigen niche om voedselconcurrentie te voorkomen. Het benodigde oppervlak leefgebied verschilt per soort. Meer informatie hierover is opgenomen in bijlage 1.2.

Voorkomen in Amsterdam Van de circa 200 Nederlandse broedvogels komen er in Amsterdam 144 voor (Vogelatlas Amsterdam). De grootste groep vormen de vogels van bos (40), gevolgd door de water­ vogels (23), moerasvogels (21) en soorten van struweel (20). Minder vaak komen de vogels van bebouwing voor (14), de weidevogels (14) en de vogels van pioniersvegetaties (10). Amsterdam kent weliswaar veel soorten vogels, de dichtheid van algemene soorten is in vergelijking met andere Nederlandse steden erg laag (ibid). In Amsterdam leven 41 soorten vogels die op de Rode Lijst voorkomen.

Voedsel. Vogels hebben een heel gevarieerd voedselpatroon, dat afhankelijk is van de soort, het leefgebied en de manier van leven. Veel vogels voeden zich met eiwitrijke zaden, in verschillende vormen en maten. Andere vogels voeden zich met fruit, dat rijk is aan suikers (energiebron). Een andere belangrijke bron van voeding voor vogels is insecten. Deze zijn ook een goed bron van eiwitten. Inheemse planten zijn voor alle vogels belangrijk, omdat hier meer insecten op leven dan op uitheemse soorten. De laatste categorie voedsel betreft prooien die door roofvogels gevangen worden.

Nederlandse trend De Nederlandse populatietrend van broed­ vogels in steden is negatief. Middels het meetnet MUS worden 83 vogels gemonitord in de stedelijke gebieden. Hieruit blijkt dat er meer soorten achteruitgaan dan toenemen. Ook typische stadssoorten als de huismus, zwarte roodstaart en gierzwaluw gaan achter­ uit. De groep water- en moerasvogels neemt landelijk wel toe. Figuur 8: populatietrend van vogels in stedelijk gebied. 150

Index (trend 2007 = 100)

125 100 75 50 25 0

2010 Waarneming

2015 Trend

2020

2023

Onzekerheid trend

› Bosuilenjong in het Amsterdamse bos. Foto: Eugenie Rutten

Amsterdamse trend Het landelijke beeld zien we niet helemaal terug in Amsterdam. De Vogelatlas Amsterdam (Groen van et al., 2022) laat zien dat de verspreiding van het aantal watervogels in de laatste dertig jaar enorm is toegenomen net als de bosvogels. De vogels van struweel en moeras zijn licht toegenomen. De vogels van bebouwing zijn licht afgenomen, maar de echt grote verliezers zijn de weidevogels en pioniersvogels. De weidevogels zijn de laatste dertig jaar met bijna veertig% afgenomen en de pioniersvogels met vijf%. In totaal is de verspreiding van broedvogels in Amsterdam met 23% toegenomen.

Figuur 9: Het aantal unieke soort-kilometerhokcombinaties per vogelgroep per telperiode.

Groep

19851995

20202021

Verschil (%)

Watervogels

1400

2736

95

Vogels van bos

2972

4131

39

Moerasvogels

1099

1313

20

Vogels van struweel

2899

3260

13

Vogels van bebouwing

1753

1742

-1

Pioniervogels

151

144

-5

Weidevogels

1109

683

-38

Totaal

11383

14009

23

Bron: Groen van et al., 2022, p.67.

Voortplanting en verblijfplaatsen. Zoveel vogels, zoveel typen nesten. Deze variëren in vorm, materiaal en locatiekeuze. Aan de nestbouw wordt soms bijzonder veel aandacht gegeven, zoals bij de staartmezen die vakkundig hun nesten weven en het bekleden met fijn mos. Maar soms ook niet, zoals bij de kievit die simpelweg een kuiltje in het weiland gebruikt. Nesten worden gemaakt op de grond (weidevogels), in oevers (moeras­vogels, ijsvogel, oeverzwaluw), in heggen en struiken (zangvogels), in holten van bomen (uilen, boomklevers), onder dakpannen (huismussen) of in kieren in gevels (gierzwaluwen). Belangrijk voor vogels is naast een goede nestplek een plek om te schuilen tegen roofdieren of -in het geval van roofdieren- om zelf niet op te vallen. Goede schuilmogelijk­ heden vinden vogels in (doornige) struiken, overjarig riet of bosschages. Het is daarom

Deel II: Analyse

belangrijk om vegetatie gefaseerd te maaien of snoeien, zodat er altijd dekking mogelijk is. Verplaatsing. In vergelijking met zoogdieren of amfibieën kunnen vogels zich gemakkelijk verplaatsen. Toch zijn ook hier grote verschillen. Over het algemeen geldt dat de dispersie afstand van vogels van sterk veranderende (dynamische) milieus, zoals in pioniersvegetaties en graslanden, groter is dan in stabiele milieus, zoals in bos. Dit komt doordat in dynamische milieus ook de hoeveelheid voedsel sterk kan veranderen. Toch is de dispersie afstand van broedvogels in de stad geen belemmerende factor. Wel moet rekening gehouden worden met de homerange afstand, dus de afstand die de soort maximaal op een dag aflegt. Zo is de homerange van de huismus heel klein, zo’n 50 (tot maximaal 350) meter. Dit betekent dat alle habitateisen (nestplek, voedselplek, stofbad, schuilplek, water) binnen een straal van 50 meter moet liggen. Andere soorten hebben een (veel) grotere homerange. Vaan meeuwen is bekend dat die op Terschelling broeden en op de Albert Cuypmarkt een visje scoren. Veiligheid. Een bijzonder lastig op te lossen probleem is de hoeveelheid plastic in de natuur. Dit wordt door vogels als voedsel aangezien, wat de magen doet verstoppen. Hierdoor zijn in Amsterdam diverse ooievaarsnesten mislukt, waarbij de jongen zijn verhongerd (Parool, 20242).

Ook meeuwen en andere vogels verhongeren door de inname van plastic.

34

Planten en dieren in de stad

Verstoring Broedvogels zijn bijzonder gevoelig voor verstoring. Wij mensen hebben de effecten van verstoring niet meteen door. Een vogel blijft gewoon zitten of vliegt weg, zonder dat dit consequenties lijkt te hebben. Als dit vaak gebeurt zijn de gevolgen echter groot. De voedselopname wordt lager, terwijl het energieverbruik stijgt. Vogels verzwakken hierdoor, wat in het broedseizoen, tijdens de rui en voor de trek grote gevolgen kan hebben. Door stress kan het broedsucces lager worden. Als de mate van verstoring te hoog wordt, verlaat de vogel het gebied. Wandelaars met honden hebben een groter verstorend effect dan wandelaars zonder hond en ook groter dan andere vormen van recreatie. De effecten zijn het grootst voor grond­ broeders en watervogels. Maar ook langs wandelpaden in bossen is een afname van 40% van het aantal vogels te zien als honden toegestaan zijn (Krijgsveld et al, 2022).

“Wij mensen hebben de effecten van verstoring niet meteen door. Een broedende vogel kan gewoon blijven zitten, maar onderwijl zoveel stress hebben dat dit het broedsucces beïnvloedt.”

Hoofdstuk 5.

Verstoring per type recreatie

Figuur 10: Effecten van verstoring door recreatie op broedvogels, Krijgsveld K.L. 2022

Verstoring per type recreatie

Lucht: Grootste verstoringsafstanden, maar impact vaak beperkt door korte duur en infrequente voorkomen.

kite-zones en vaargeulen maken zaken voorspelbaar en verkleinen effecten

drones kunnen overal komen > regels volgen

veel lawaai en zichtbaar over grote afstand

snelheid en geluid betekenen veel verstoring, daarom in vaargeul blijven

Water: Zeer grote impact, door combinatie van grote verstoringsafstanden, lange verstoringsduren. Op veel wateren minder vogels door recreatie.

kano’s, vissers en suppen hebben in ondiepe delen veel effect

Land: Impact van wandelen en fietsen vooral hoog door de hoge intensiteit, en niet zozeer door de activiteit zelf. Loslopende honden hebben de grootste impact.

vrij wandelen/struinen heeft veel grotere effecten dan vaste paden

2  Ooievaars Ruud en Wilma hebben voor het derde jaar op rij dode kuikens. De reden? Elastiekjes | Het Parool Verstoring van vogels door recreatie

96

Deel II: Analyse

35

Planten en dieren in de stad

Bufferzones Om verstoring van vogels te voorkomen kunnen bufferzones ingesteld worden. Bufferzones bieden vogels een veilige afstand, zodat zij niet hoeven op te vliegen of stress onder­ vinden. In figuur 11 zijn de bufferzones van een aantal soorten weergegeven van de Vogelbescherming (Krijgsveld, 2022). De maat van de bufferzones kan helpen bij het bevorderen van rustige zones in het groen en op het water. Dit zal worden meegenomen bij het heroverwegen van honden losloop­ gebieden, padenstructuren in parken en vaargebieden. Figuur 11: Minimale bufferzones om verstoring van broedvogels te voorkomen. Deze maat houdt geen rekening met verschillen tussen habitats of verstorings­ bronnen, wat betekent dat de bufferzone nog altijd afhankelijk is van lokale omstandigheden. Bufferzone Op land (m)

Bufferzone Op water (m)

Biotooptype

Vogelsoort

Oud bos

Roofvogels, uilen

50

-

Jong bos

Staartmezen

25

-

Struweel

Nachtegaal

50

Rietoevers

Blauwborst

50

50

Rietoevers

Rietzangers

25

25

Oevers

Oeverzwaluw

100

100

Oevers

IJsvogel

50

50

Moeras

Roerdomp

100

150

Stad

Huismus

25

-

Bron: Uit: Krijgsveld K.L. 2022

› Grutto's gaan sterk achteruit in de weidevogelgebieden rondom Amsterdam. Foto: Jan Nijendijk, Saxifraga

Deel II: Analyse

36

Planten en dieren in de stad

Figuur 12: Landelijke verspreidingstrend dagvlinders 1990-2024. 150

Index (trend 1992 = 100)

125 100 75 50 25 0

› Icarusblauwtje. Foto: Jan van der Straaten, Saxifraga.

1995 Waarneming

2000 Trend

2005

2010

2015

2020

2023

Onzekerheid trend

Figuur 13: Landelijke populatietrend dagvlinders 1992-2023. 150

Index (trend 1990 = 100)

125

5.5 Dagvlinders Voorkomen in Amsterdam In Amsterdam komen 47 van de 53 Nederlands dagvlinders voor. Hieronder vallen 31 vlinders die jaarrond in ons land voorkomen (de standvlinders), de andere zijn trekvlinders of zwervers.

Nederlandse trend Sinds 1992 is de populatiegrootte dagvlinders gemiddeld met 53% afgenomen (zie figuur 13). En bijna 70% van de dagvlindersoorten staat op de Rode Lijst. Dit is waarschijnlijk nog een te rooskleurig beeld, omdat dagvlinders vooral in de natuurgebieden geteld worden, maar daarbuiten veel sneller achteruit zijn gegaan (Kleijn et al, 2018). Sinds 1992 gaan 26 soorten er in aantallen achteruit, 14 soorten vooruit en 11 soorten zijn stabiel. Opvallend is dat voorheen veel voorkomende soorten als kleine vos en groot koolwitje ook steeds minder

worden waargenomen. De verspreiding van dagvlinders is wel gestabiliseerd (zie figuur 12). Er komen dus nog wel verspreid vlinders voor, maar in veel kleinere aantallen.

100 75 50

Amsterdamse trend Voor Amsterdam zijn er geen formele trend­ gegevens beschikbaar over het aantal of verspreiding van de dagvlinders. Wel zien we dat de verspreiding van het aantal waar­ nemingen in de laatste twintig jaar van bijna geen enkele soort standvlinder in Amsterdam is afgenomen, voor 9 soorten stabiel is gebleven en voor 18 soorten is toegenomen. Uitzondering hierop is de bruine eikenpage die sinds 1998 niet meer is waargenomen. Voor deze positieve ontwikkeling zijn twee verklaringen mogelijk. Of het aantal dagvlinders is toegenomen. Of het aantal waarnemers is toegenomen. Er kan namelijk sprake zijn van een waarnemers-bias (zie kader).

25 0

1990 Waarneming

1995 Trend

2000

2005

2010

2015

2020

2023

Onzekerheid trend

Een waarnemers-bias kan als volgt optreden. Fanatieke tellers kunnen beginnen of stoppen met tellen en zo het beeld beïnvloeden. Ook zijn er momenteel meer mensen die de natuur volgen dan twintig jaar geleden. Handige apps waar de warnemingen snel ingevoerd kunnen worden bestonden twintig jaar geleden nog niet. Er kunnen daarom nu soorten gezien worden die vroeger gemist zijn. Dit kan het beeld van de trend kleuren.

Deel II: Analyse

37

Planten en dieren in de stad

› Bloemrijk gras. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Ten aanzien van de bosrandvlinders (bont zandoogje, citroenvlinder en oranjetipje) valt op dat deze landelijk gezien een sterke toename hebben, terwijl deze in Amsterdam licht toenemen.

Figuur 14: Aantal kilometerhokken waar dagvlinders in periode 1990-2023 zijn waargenomen in Amsterdam. 400 350 300 250 200 150 100 50

Zwartsprietdikkopje

Zilveren maan

Staartblauwtje

Scheefbloemwitje

Oranjetipje

Landkaartje

Koninginnenpage

Koevinkje

Kleine vuurvlinder

Kleine vos

Klein koolwitje

Klein geaderd witje

Iepenpage

Icarusblauwtje

Hooibeestje

Groot koolwitje

Groot dikkopje

Groentje

Gehakkelde aurelia

Geelsprietdikkopje

Kleine parelmoervlinder

2016-2023

Eikenpage

Dagpauwoog

Citroenvlinder

Bruine eikenpage

Bruin zandoogje

2005-2015

Grote weerschijnvlinder

1990-1998

Bron: NDFF.

Bruin blauwtje

Boomblauwtje

Bont zandoogje

0 Argusvlinder

We gaan ervan uit dat het aantal dagvlinders in Amsterdam de laatste 30 jaar is toegenomen. De biotopen van dagvlinders komen groten­ deels overeen met die van wilde bijen, een groep die in Amsterdam ook een positieve ontwikkeling kent. In de onderzoeksperiode 1990-1998 is intensief naar dagvlinders gezocht (Melchers, 1998). Het oranjetipje bijvoorbeeld was toen nog een zeldzaamheid in Amsterdam, maar komt nu in 159 kilometer­ hokken voor. De eikenpage werd in één kilometerhok waargenomen, momenteel in 78. Andere soorten zoals het icarusblauwtje en bruin blauwtje kwamen wel verspreid voor, maar in veel minder kilometerhokken dan in de periode 2019-2023. Maar ook hier geldt weer dat stevige conclusies niet mogelijk zijn, gezien het risico van een waarnemers-bias.

Deel II: Analyse

38

Planten en dieren in de stad

Figuur 15: Waarnemingen oranjetipje in periode 1990-1997 (rood) en 2019-2024 (groen).

› Oranjetipje. Foto: Joost Uittenbogaard

Dagvlinder

Waardplanten

Bosrandvlinders

Bron: NDFF.

Eisen aan de leefomgeving De meeste dagvlinders komen voor op de overgang tussen bloemrijke graslanden, ruigte en bos of struweel. Voedsel. De volwassen vlinders drinken nectar uit bloemen om in hun energiebehoefte te voldoen. Nectar kunnen ze meestal op allerlei bloemen vinden. De rupsen hebben eiwitten nodig, dat ze verkrijgen door veel eiwitrijke bladeren te eten. Vlinders verkiezen hiervoor een specifieke plantensoort als ‘waardplant’. Zo leeft de rups van de eikenpage op de eik, de rups van het boomblauwtje voedt zich met de bladeren van o.a. vuilboom, kornoelje en klimop en het oranjetipje eet vooral van de

pinksterbloem en judaspenning. Bijna alle waardplanten zijn inheemse planten. Voortplanting en verblijfplaatsen. Variatie in het landschap is nodig omdat dagvlinders voor hun lichaamstemperatuur afhankelijk zijn van de omgevingstemperatuur. Op koele dagen zijn warme en luwe plekken nodig om op te warmen. Om te kunnen vliegen moet de lichaamstemperatuur minstens 20 graden zijn, met een optimum van 30 tot 35 graden. Op hete dagen zijn koele beschaduwde plaatsen weer belangrijk om oververhitting en uitdroging te voorkomen. Om deze reden komen veel vlindersoorten voor op de overgang tussen graslanden (warm) en bosranden (koeler).

Bont zandoogje

Diverse grassen (kweek, kropaar)

Boomblauwtje

Sporkehout, klimop, heide, hulst, wegedoorn, vlinderstruik, kattenstaart

Citroenvlinder

Sporkehout en wegedoorn

Eikenpage

Eik

Gehakkelde aurelia

Grote brandnetel, hop, iep, aalbes

Grote vos

Iep, kers, populier, linde

Kleine parelmoervlinder

Viooltjes (bosviooltje, maarts viooltje, duinviooltje)

Koevinkje

Diverse grassen (kropaar, gladde witbol)

Landkaartje

Grote brandnetel

Oranjetipje

Look zonder look, pinksterbloem, judaspenning

Graslandvlinders Argusvlinder

Diverse grassen (kropaar, beemdgras, ruwe smele, kweek)

Bruin blauwtje

Geel zonneroosje, kleine ooievaarsbek, gewone reigersbek

Bruin zandoogje

Diverse grassen

Hooibeestje

Diverse zwenk- en beemdgrassen, kamgras, reukgras

Icarusblauwtje

Klavers (hopklaver, rolklaver, gewone rupsklaver)

Kleine vuurvlinder

Schapenzuring en veldzuring

Koninginnepage

Schermbloemigen (vooral peen)

Oranjetipje

Look zonder look, pinksterbloem, judaspenning

Sint-Jansvlinder

Gewone rolklever, moerasrolklaver

Zwartsprietdikkopje

Diverse grassen

Deel II: Analyse

In de winter verblijven vlinders op verschil­ lende plekken. Sommige soorten verblijven als imago (volwassene) in een (rommelige) schuur of in een heester. Anderen verblijven als pop in de strooisel-laag van de bosrand of in overjarig riet. Weer andere soorten over­ winteren als eitje op een tak. Om die reden is het belangrijk om bij het maaien en snoeien altijd een deel over te slaan. Hier kunnen immers eitjes of poppen van vlinder zitten. Verplaatsing. Wat betreft mobiliteit zijn dagvlinders onder te verdelen in honkvaste soorten, weinig mobiele soorten, mobiele soorten en zeer mobiele soorten. De meeste Amsterdamse dagvlinders zijn mobiel of zeer

39

Planten en dieren in de stad

mobiel. Deze vlinders kunnen onderbrekingen in verbindingszones vrij gemakkelijk overbrug­ gen. Om voor alle soorten te kunnen functio­ neren mogen verbindingszones maximaal 100-500 meter onderbroken worden. Veiligheid. Dagvlinders zijn bijzonder kwetsbaar voor weersextremen. Door droogte maken planten veel minder nectar aan, waar­ door bermen er weliswaar bloemrijk uitzien, maar er weinig nectar te vinden is voor dagvlinders. Snelwegen vormen voor dagvlinders vanwege de grote turbulentie een knelpunt en worden vermeden. Chemische bestrijdingsmiddelen vormen voor alle bestuivers een groot risico.

Figuur 16: Aantal bloeiende planten op de ecologische verbindingszone Van der Boechorststraat, stadsdeel Zuid, waarbij opvalt dat deze achterloopt op de omliggende kerngebieden.

› Maarts viooltje is waardplant voor de kleine parelmoervlinder, hier in Amsterdam Zuid. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

40

Planten en dieren in de stad

5.6 Flora Voorkomen in Amsterdam Ongeveer driekwart van de Nederlandse plantensoorten komt in Amsterdam voor. Amsterdam heeft dus een rijke en gevarieerde flora. Onder deze plantensoorten vallen 60 Rode Lijstsoorten, zoals blauw walstro, zandwolfsmelk en kalkraket. Uniek is de groei­plaats van het steenhavikskruid, de enige groeiplaats in heel Nederland.

Nederlandse trend In de Rode Lijst Vaatplanten 2012 (Sparrius et all, 2014) is aangegeven dat het “voorzichtig de goede kant op gaat met de vaatplanten in Nederland. Op deze lijst zijn 530 soorten als bedreigd opgenomen. Dit is 37% van de in totaal 1432 inheemse wilde plantensoorten die in ons land voorkomen. Planten hebben geprofiteerd van natuurherstelmaatregelen, natuurontwikkelingsprojecten en beheer­­maatregelen. Figuur 17: Aantal soorten per Rode Lijst categorie in 2000 en 2012 600

aantal soorten

500 400 300 200 100 0

2000 Gevoelig

2012 Kwetsbaar

Ernstig bedreigd

› Grote kattenstaart en grote wederik in het Beatrixpark. Foto: Florinda Nieuwenhuis

bron: Sparrius et all, 2012.

Bedreigd

Verdwenen

Hoewel er ten opzichte van 10 jaar terug verbeteringen zijn heeft de grote achteruitgang al eerder plaatsgevonden. De belangrijkste oorzaken van de achteruitgang in de afgelopen 60 jaar zijn verzuring, vermesting, verdroging en habitatverlies. Stikstof uit landbouw en verkeer heeft nog steeds grote invloed op de Nederlandse vegetaties, waardoor o.a. vergrassing op kan treden en bijzondere soorten worden verdrongen. In het buitengebied heeft zich een gestage achteruitgang van bloemrijke graslanden en wegbermen voltrokken. Hierdoor staan opvallende soorten zoals beemdkroon, kleine ratelaar en korenbloem op de Rode Lijst.”

Amsterdamse trend Er zijn geen gegevens van de trend van de Amsterdamse flora op basis van langjarige monitoring. Sinds 2020 monitort gemeente Amsterdam een aantal belangrijke planten­ soorten vanuit het programma Ecologische monitoring en Inspecties, maar dit is te kort om van een trend te kunnen spreken. Hieronder schetsen wij de huidige situatie en benoemen wij indien mogelijk een trend op basis van de ervaring van de stadsecologen. Bos en bosplantsoen. De diversiteit aan planten in bossen en bosplantsoenen in Amsterdam is gemiddeld, met uitzondering van het Amsterdamse bos en het Vliegenbos, waar zich een rijkere bosbiodiversiteit ontwikkelt. Het Amsterdamse bos ontwikkelt zich tot een soortenrijk essen-iepenbos. Het Vliegenbos wordt ook wel het grootste aaneengesloten iepenbos van West-Europa genoemd. Het is het oudste stadsbos van Amsterdam. De bosplantsoenen in de andere parken zijn nog relatief jong. De meeste parken hebben kenmerkende bosplanten, hoewel soms het aantal individuen nog laag is.

Deel II: Analyse

41

Planten en dieren in de stad

Figuur 18: Kenmerkende bosflora in het Vliegenbos

> Vochtig hooiland met adder­ wortel en bloemrijk rietland. 't Kleine Loopveld, Zuid. Foto: Florinda Nieuwenhuis Bron: Gemeente Amsterdam, Ecologische monitoring en inspecties 2020

Ruigte. Ruigtekruiden zijn te vinden in 1) ruderale terreinen zoals spooremplace­ menten, bouwterreinen en braakliggende terreinen, 2) langs bosranden en 3) langs water. Het laatste wordt bij natuurvriendelijke oevers behandeld. Door de stadsontwikkelingen zien we een afname van het aantal ruderale terreinen, waardoor er ook steeds minder bijzondere ruigtekruiden voorkomen. Door de toege­ nomen nieuwbouw liggen stukken grond steeds korter braak. De spoorwegtaluds en -emplacementen herbergen nog waardevolle ruigtevegetaties. In combinatie met de vaak open grond vormen dit toplocaties voor wilde

bijen. De ruigtes langs bosranden bestaan vooral uit voedselminnende (nitrofiele) ruigtes met bijvoorbeeld braam, akkerdistel en brandnetel. Dit zijn soortenarme vegetaties. Bloemrijk grasland. De bloemrijke graslanden komen in Amsterdam voor in parken, in bermen en op dijklichamen. Op een aantal plekken is de rijkdom aan bijzondere planten hoog. Toplocaties zijn het Diemerpark, de Noordelijke oeverlanden, ’t Kleine Loopveld en het Westerpark. Hier komen kenmerkende soorten van droog bloemrijk grasland voor (zoals gewone agrimonie, grote centaurie en bijenorchis) of vochtig bloemrijk grasland (zoals echte koekoeksbloem, rietorchis en

grote ratelaar). Bloemrijke bermen worden echter vaak verstoord door werkzaamheden, zoals door het leggen van kabels en leidingen of aanleggen van fietspaden of wegen. De bodem wordt dan zo sterk aangetast dat een teruggroei van soorten vaak niet meer mogelijk is. Het kalkrijke zanderige havengebied stond jarenlang vol met de orchideeën. Door de ontwikkelingen in het havengebied is dit gebied verkleind. Sommige oude dijken herbergen nog relicten van de oorspronkelijk aanwezige vegetatie met soorten als graslathyrus, beemdooievaarsbek, gevlekte rupsklaver en aardaker.

Natuurvriendelijke oevers. Het grootste deel van de natuurvriendelijke oevers bestaat uit ruigte van riet en algemene soorten als harig wilgenroosje en koninginnenkruid. Over de oorzaken van deze verruiging wordt meer informatie gegeven in hoofdstuk 5.5.1. Bloemrijke natuurvriendelijke oevers zijn op kleine schaal nog wel te vinden, met kenmerkende soorten als rietorchis, echte koekoeksbloem, gewone dotterbloem en moeraswolfsmelk. Deze vegetaties zijn o.a. te vinden in het Ruige Riet (Zuidoost), de Waternatuurtuin Westerpark (West), ’t Kleine Loopveld (Zuid), de Vrije Geer (Nieuw-West) en de Nieuwe gouw (Noord).

Deel II: Analyse

Bloemrijke moerassen. Bloemrijke moerassen en veenmosrietlanden zijn historisch gezien zeer kenmerkend voor het waterrijke veen­ landschap waarop Amsterdam gebouwd is. Van de ooit aanwezige veenmosrietlanden, met typische soorten als veenmos, veenpluis en ronde zonnedauw, is binnen het stedelijk groen weinig overgebleven. De grootste groeiplaats bevindt zich in de Amstelveense poel in het Amsterdamse bos. Dit veenmosrietland is goed ontwikkeld en soortenrijk, met onder andere diverse veenmossoorten, zwarte zegge, ronde zonnedauw, moeras- en koningsvaren. In de rietlanden van de zuidelijke oevers van de Nieuwe Meer is ook veenmosrietland aanwezig. In Amsterdam Noord, bij de Nieuwe Gouw is een klein veenmosrietland in ontwikkeling. Waterplanten. Het gaat op weinig plekken goed met de waterplanten in Amsterdam. In de Noorder IJplas en Gaasperplas komen waardevolle watervegetaties voor met verschil­ lende fonteinkruiden, stijve waterranonkel, waterdrieblad en waterviolier. Verder komen slechts op enkele plekken voldoende water­ planten voor conform de maatlat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), zoals in figuur 19 te zien is. Lees hierover meer in hoofdstuk 5.5.3. In de Sloterplas en Noorder IJ-plas is sinds 2006 wel een lichte vooruitgang te zien en grote delen van Nieuw-West zijn in kwaliteit gelijk gebleven.

Echter, in de andere delen van de stad is er sprake van een lichte of sterke achteruitgang, zoals te zien is in Figuur 20. Amsterdam is daarbij geen uitzondering in het beheergebied van waterschap Amstel Gooi en Vecht (AGV), zoals in figuur 20 te zien is. De landbouw is een belangrijke bron van voedselrijk water dat de stad instroomt. Maar ook de inrichting en het gebruik van het water draagt bij aan deze slechte scores. Hierover wordt meer toegelicht in hoofdstuk 5.

42

Planten en dieren in de stad

Figuur 19: Toestand van waterplanten in 2024, conform de KRW methodiek. Bron: AGV

Figuur 20: Verschil tussen de ecologische kwaliteit van waterplanten sinds de start van de KRW monitoring (2006-2013) en de meest recente meetjaren (2021-2023).

› Echte koekoeksbloem. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

43

Planten en dieren in de stad

› Grote roodoogjuffer. Foto: Ruud Lutterlof

5.7 Libellen

Amsterdamse trend

Voorkomen in Amsterdam In Amsterdam komen 39 van de 71 Nederlandse libellensoorten voor. Onder de groep libellen vallen de ‘echte libellen’ (kort ‘libellen’) en waterjuffers. Als we spreken over libellen hebben we het dus zowel over libellen als over waterjuffers.

Nederlandse trend

Deze positieve trend wordt ook herkend in Amsterdam. In de periode 1990-1998 is intensief naar libellen gezocht (Melchers et al, 1998). Er waren toen 32 soorten aangetroffen. De schoonwaterlibelle glassnijder kwam nog sporadisch voor (10 kilometerhokken). Index (trend 1991 100)houtpantserjuffer, Algemene libellen als= de 500 lantaarntje en paardenbijter kwamen wijdverspreid voor. 400

Figuur 21: Landelijke trend verspreiding van libellen per habitattype. Index (trend 1991 = 100)

500

400

300

Stromend water Waarneming Trend

200

Tussen 1991 en 2007 nam de verspreiding In de periode 2019-2025 kwamen 39 soorten Index (trend 1991 = 100) 100 van libellen in Nederland sterk toe. Sinds libellen voor in Amsterdam. Deze mogelijke 500 300 2008 is deze positieve trend gestabiliseerd. toename (let op het risico van een waarnemersDe libellen van moerassen en laagveen -de bias, zie hoofdstuk 4.5) is met name toe te 0 400 200 aan zuidelijke soorten die noordwaarts soorten die in Amsterdam voorkomen – schrijven 1995 hebben een geleidelijke positieve trend. optrekken. De verspreiding van libellen Daarbij isIndex te zien zuidelijke is mogelijk ook sterk toegenomen. Dat is (trend dat 1991 de = 100) 300 soorten het 100 Stromend water goed500 doen en er steeds meer zuidelijke soorten bijvoorbeeld goed te zien aan de verspreiding Waarneming komen, terwijl de noordelijke soorten afnemen. van de glassnijder, zie Figuur 22: Waarnemingen Trend 200 0 van de glassnijder in de periode 1990-1998 400 Onzekerheid trend 1995 2000 2005 2010 (rood) en 2019-2024 (geel). 100 300

Onzekerheid trend Stromend water Waarneming Trend Onzekerheid trend 2000 2005

overige wateren

overige wateren Waarneming Trend 2010 2015 Onzekerheid trend

Laagveen, moerassen en overige wateren

2015

Vennen en hoogveen

Waarneming

Waarneming

Trend

Trend

Onzekerheid 2020 trend2023

Onzekerheid trend

Bron: NEM (Vlinderstichting/CBS). Laagveen, moerassen en

Laagveen, moerassen en

Vennen en hoogveen Waarneming

2020

2023

Deel II: Analyse

Figuur 22: Waarnemingen van de glassnijder in de periode 1990-1998 (rood) en 2019-2024 (geel).

Voortplanting en verblijfplaatsen. Een geschikt leefgebied voor libellen bestaat uit een lappendeken van kleine biotopen. Ten eerste is oppervlaktewater nodig voor het afleggen van eitjes. Dat kan worden gevonden in watergangen, sloten of poelen. Sommige libellen zetten hun eitjes af op het water of in de modder. Maar de meer kwetsbare libellen­ soorten leggen eitjes af op ondergedoken waterplanten (zoals de glassnijder) of drijfblad­ planten (zoals de grote roodoogjuffer). Tussen de waterplanten kunnen de larven schuilen tegen predatoren en op kleine waterdieren jagen. Ook is er oevervegetatie, zoals riet of oever­ planten, nodig voor de larven om uit het water te kunnen komen, het ‘uitsluipen’. Libellen gebruiken de oevervegetatie tevens om te zonnen (opwarmen), uit te rusten en te schuilen tegen predatoren. Bovendien zijn oevers vanwege hun lijnvormige structuur belangrijk in de navigatie en oriëntatie.

Bron: NDFF.

Eisen aan de leefomgeving De libellen die we tegenkomen in de stad kunnen we onderverdelen in drie categorieën. In matig voedselrijk water komen kwetsbare soorten voor als de glassnijder, vroege glazen­ maker en bruine rombout. Dit water is vrij helder en heeft een goed ontwikkelde vegetatie van met name ondergedoken waterplanten. In vrij voedselrijk water stijgt de voedsel­ rijkdom, waardoor het aandeel drijvende waterplanten stijgt, zoals gele plomp en witte waterlelie. Ook komen ondergedoken water­ planten als smalle waterpest en aarvederkruid hier voor, maar de variatie aan ondergedoken waterplanten wordt minder. Dit is de voorkeurs­ biotoop van de grote roodoogjuffer en

44

Planten en dieren in de stad

variabele waterjuffer. In zeer voedselrijk water is het water troebel en komen vooral kroos­ soorten voor. Ondergedoken waterplanten zijn afwezig, maar op de oevers is een weelderige begroeiing te zien van ruigtekruiden als harig wilgenroosje, liesgras en moerasspirea. Libellen die we hier aantreffen zijn het lantaarn­ tje, kleine roodoogjuffer, grote keizerlibel en bloedrode heidelibel. Als aan de oever bomen en struiken staan kunnen ook de houtpantser­ juffer en blauwe glazenmaker voorkomen. Voedsel. Libellenlarven eten kleine water­ dieren, van watervlooien tot kleine visjes. De volwassen libellen jagen op vliegende insecten: muggen, vliegjes en motjes.

Ten derde hebben libellen in de omgeving struweel nodig. Hier zoeken juvenielen een plek om uit te kleuren en te rijpen, om een partner te vinden en te jagen op insecten. Struweel en bomen zijn ook van belang om af te koelen en oververhitting tegen te gaan. Als laatste hebben libellen open structuren, zoals graslanden, nodig om op te warmen na een regenbui. Verplaatsing. Libellen kunnen qua mobiliteit ingedeeld worden in honkvaste, redelijk mobiele tot zeer mobiele soorten. De libellen van Amsterdam vallen in de categorie redelijk tot zeer mobiel en kunnen zich over afstanden van tientallen kilometers verplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15875773/1