Bijlage 1 Plan Biodiversiteit voor parken en natuurgebieden 2025-2030 DEFINITIEF.pdf
Tekst van het document
Verplaatsen en verbinding: Dagelijkse afstand 200 meter (homerange). Jongen zoeken nieuwe gebieden tot ca 4 km van geboorteplaats (dispersie). Daarvoor zijn verbindingszones nodig: boomkronenroutes > 25m breed en max 200 m lang zonder onderbreking. Pas eekhoornbrug toe over wegen (7).
Dood hout
Eekhoornbrug Versie 1.0 Tekening; RO Visuals, eekhoorn: Bernard Stam
Bijlagen
89
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Habitateisen
Glassnijder Meeliftende soorten: Libellen van helder water, amfibieën, vissen, ringslang, moerasvogels, waterspitsmuis. Waterplanten zoals krabbenscheer, fonteinkruiden.
Habitat: Matig voedselrijke wateren met veel ondergedoken waterplanten, drijvende waterplanten, oeverplanten en in de nabijheid bloemrijke vegetatie en struweel of bomen.
Oppervlak:
Kerngebied: >10 ha Stapsteen: >0.5 ha Verbindingszone: n.v.t.
Bijlagen
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Glassnijder
Oevervegetatie
Voedsel:
Veiligheid:
De larven eten kleine waterdieren en zoöplankton. Het water moet daarom helder zijn om in te kunnen jagen. De volwassen dieren eten vliegende insecten in de omgeving. Aanleggen (zie infobladen natuurbeheertypen): Natuurvriendelijke oevers (1) Poelen (2) Bloemrijke vegetatie op het land (3)
Waterkwaliteit (helder water nodig); Verdroging poelen voorkomen; Vertroebeling water door honden, karpers, varen voorkomen; Vissen in poelen (eten larven) voorkomen; Gefaseerd schonen en baggeren (zie beheer); Hoge graasdruk oevers door Amerikaanse rivierkreeft en ganzen.
Amerikaanse rivierkreeft
Verblijfplaatsen en voortplanting:
Beheer:
Libellen verblijven onder water nabij waterplanten, klimmen via oeverplanten uit het water en foerageren in vegetatie nabij het water. Ontwikkelen watervegetatie door aanleggen natuurvriendelijke oevers met flauw talud in combinatie met poelen (3). Plant voor beschutting struweel aan nabij water of bomen op minimaal 5 meter afstand van het water (4). Ontwikkelen bloemrijk grasland of ruigte nabij water (5).
Gefaseerd schonen van wateren; In de juiste periode werken (septemberoktober) Gefaseerd schonen: 10-30% laten staan. Toepassen juist materiaal (maaikorf of ecoreiniger) Oevers gefaseerd maaien (jaarlijks maximaal 1/3) tussen half augustus en eind oktober. Voorkomen boomvormers en bomen langs water (schaduwwerking) door voldoende vaak maaien Gefaseerd afzetten heesters Maaisel afvoeren (oevers niet bemesten) Water laten verlanden en periodiek een deel opengraven. Werken conform gedragscode.
Verplaatsen en verbinding: Libellen zijn erg mobiel en kunnen grote afstanden overbruggen. De dagelijks afstand is circa 500 meter. In dispersie bereiken ze vele kilometers.
1-2 km.
Onderwaterplanten Versie 1.0 Tekening RO Visuals. Glassnijder: Vlinderstichting. Ruw kransblad: Peter Meinger Saxifraga
90
Bijlagen
91
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Habitateisen
Oranjetipje Meeliftende soorten: Bosrandvlinders (bont zandoogje, boomblauwtje, citroenblauwtje), bunzing, egel, vogels van struweel. Habitat: Bosranden van jonge (open) bossen met struweel en ruigtevegetatie of bosplantsoenen met ruigtevegetatie.
Oppervlak:
Kerngebied: >50 ha Stapsteen: >5.5 ha Verbindingszone: langs lijnvormige groenstructuren
Bijlagen
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Oranjetipje
Voedsel:
Veiligheid:
Ontwikkelen mantelzoom vegetaties langs bos(plantsoen) met waardplanten: Oranjetipje: look-zonder-look en pinsterbloem Citroenvlinder: sporkehout en wegedoorn Boomblauwtje. sporkehout, wegedoorn, klimop, kattenstaart, hulst
Zorg voor afwisseling tussen zonnige en schaduwrijke gebieden om oververhitting en afkoeling te voorkomen. Plant gifvrije inheemse planten aan.
voorkomen.
Verblijfplaatsen en voortplanting:
Beheer:
Open plekken om te zonnen; Struweel en dichte vegetatie voor beschutting; Overwintert als volwassen in struiken (citroenvlinder) of als pop in de strooisellaag of in boomspleten (boomblauwtje).
Maaien ruigte in zoom 1x per 3 jaar; Gefaseerd maaien: ca 75 % van zoom in winter laten staan; Struiken gefaseerd afzetten (oudere struiken worden giftiger); Behoud strooisellaag (niet maaien rondom boomvoet, niet verwijderen blad); Werken conform Gedragscode.
Verplaatsen en verbinding: Mantelzoom
Het oranjetipje is net als andere bosrandvlinders een mobiele soort. Trekt langs lijnvormige groenstructuren die beschutting bieden, zoals houtwallen, heggen en hagen, bosranden, slootkanten.
Waardplanten Versie 1.0 Tekening: RO Visuals, Oranjetipje: Joost Uitdenboogaart
92
Bijlagen
93
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Habitateisen
Ringslang Meeliftende soorten: Amfibieën, vissen, libellen, kleine marters, moerasvogels, waterspitsmuis. Habitat: Waterrijke gebieden met afwisseling van natuurvriendelijke oevers, moeras, broeihopen en winterhabitat.
Oppervlak:
Kerngebied: >300 ha Stapsteen: 30 ha (minimaal 15 ha) Verbindingszone: Indien afstand tussen voedselgebieden > 1 km: aanleggen verbindingszone >25 m breed
Bijlagen
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Ringslang
Broeihoop
Voedsel:
Veiligheid:
Vooral amfibieën, daarnaast ook muizen, visjes, naaktslakken en insectenlarven. Aanleggen foerageergebieden: natuurvriendelijke oevers (2), natuurlijk stadswater, poelen en moeras (3) (zie infosheets natuurbeheertypen)
In ringslang gebied plaatsen van schermen langs wegen i.c.m. faunapassages; Geen hondenlosloopgebieden; Let op bij fietspaden nabij oevers: deze afschermen en voor alternatieve zon-plek zorgen; Aanleggen fauna uittreedplaats (FUP) bij steile oever; Beperken vaarverkeer (ook kano).
Verblijfplaatsen en voortplanting: Aanleggen verblijfplaatsen voor zomer en winter binnen 500 m afstand van elkaar: Minimaal 1 broeihoop per 5 ha of 500 m1 oever. Afstand tussen elkaar max 500 m (4). Minimaal 1 poel per 5 ha of 500 m1 oever. Afstand poel-broeihoop maximaal 300 m (1). Minimaal 1 schuilplaats per 500 m1 voor de nacht (holtes onder stenen, wortelkluiten of houtblokken) nabij het water. Veilige en rustige plekken om op te warmen (6). Vorstvrij en droog winterverblijf, bijvoorbeeld in basaltdijk, spoordijk of berg stenen van minimaal 1 meter hoog (5).
Beheer: Aanleggen broeihopen; Gefaseerd schonen en maaien van watergangen (half juni-half dec); Gefaseerd maaien oevers (najaar), behoud dekking in de winter; Gefaseerd maaien dijken (juni-sept); Randen langs wegen kort maaien; Werken conform Gedragscode.
Verplaatsen en verbinding:
Fauna uittreedplaats
Dagelijkse afstand bedraagt ca 100 meter (homerange). Dispersie 1-2 km van geboorteplaats. Indien afstand tussen voedselgebieden > 1 km: aanleggen verbindingszone >25 m breed; Aanleggen faunapassage (tunnel) bij onderbreking met rijweg i.c.m. faunaschermen en faunageleiding (7). Aanleggen zie Handboek Groen. Versie 1.0 Tekening: RO Visual, Ringslang: Edo van Uchelen, Saxifagas
94
Bijlagen
95
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Habitateisen
Wilde bijen Meeliftende soorten: Graslandvlinders (icarusblauwtje, bruin blauwtje), kevers, zweefvliegen, nachtvlinders, veldmuis, wezel, konijn Habitat: Kleinschalige landschappen met mozaïek aan bloemrijke graslanden en -ruigten met in de nabijheid struweel, overjarig rietland en kale plekken op de zon.
Oppervlak:
Kerngebied: >10 ha Stapsteen: >0.5 ha Verbindingszone: stapstenen indien habitat >500m van elkaar ligt
Bijlagen
96
Bijlage 1 Informatiebladen gidssoorten
Voedsel:
Weidehommel
Ontwikkel voor alle bijen bij voorkeur een mozaïek van bloemrijke vegetatie (zie infosheets natuurbeheertypen), minimaal 2500 m2: Bloemrijk grasland (4 en 7) Ruigte Natuurvriendelijke oever (6) Voor specialistische bijen: Wilgensoorten (salix) (3) Klokjes (campanulae) Grote wederik (lysimachia vulgaris)
Verblijfplaatsen en voortplanting:
Overjarig riet
Binnen afstand van 100-200 meter van bloemrijke vegetatie minimaal 1 nestplek bij voorkeur 3 nestplekken: > 10 m2 kale zonnige grond, bij voorkeur op een helling (70% van de bijen) (5); > 1 dode boomstronk liggend of staand, in de zon, van minimaal 1 meter lang (1); > 100 m2 overjarig riet (2); > 100 m2 overjarige stengels van braam, vlier, schermbloemen (9).
Veiligheid:
Koop gifvrij inheems plant- en zaaigoed. Zaaimengsels zie handboek Groen; Geen honingbijenkasten in bijenkerngebied. Daarbuiten max 3 volken/km2; Geen snelweg tussen voedselgebied en nestplek.
Beheer:
Zie infosheets natuurbeheertypen; Gefaseerd maaien grasland: minimaal 15-30% per maaibeurt laten staan (eitjes); Laat voldoende riet in winter staan (> 100 m2), riet gefaseerd maaien; Laat voldoende struweel staan (>100 m2), struweel gefaseerd afzetten; Open houden grond, zodat kale plekken blijven; Knotwilgen gefaseerd knotten.
Verplaatsen en verbinding:
Bloemrijke vegetatie
Dagelijkse afstand 50-200 meter afhankelijk van de soort (homerange). Dispersie afstand is niet bekend. Stepping stone aanleggen indien afstand tussen bijengebieden >300 meter Versie 1.0. Tekening: RO visuals
Bijlagen
Bijlage 2 Informatiebladen natuurbeheertypen
Bijlage 2 Informatiebladen natuurbeheertypen 2.1 Natuurbeheertypen per gebied In het beheersysteem GISIB zijn voor alle gebieden de natuurbeheertypen opgenomen. Dit is te raadplegen via afdeling data bij V&OR. GISIB werkt met de terminologie uit de IMBOR. Deze terminologie sluit op dit moment nog niet volledig aan op ecologie en biodiversiteit. Daarom is hieronder een conversietabel opgenomen. We werken momenteel aan het integreren van Plan Biodiversiteit in GISIB. Conversietabel van natuurbeheertype naar IMBOR type Natuurbeheertype
Imbor groentype
Bos en bosplantsoen
Bosplantsoen exclusief struweel inclusief zoomvegetatie
Struweel Struweelhaag
Struweel Zeeuwse haag
Ruigte
Ruigte exclusief zoomvegetatie
Bloemrijk grasland
Bloemrijk grasland
Extensief gazon
Extensief gazon
Natuurvriendelijke oever
Nog geen IMBOR type
Moeras
Moeras inclusief Rietland
Natuurlijk stadswater
Nog geen IMBOR type
Poelen
Poel amfibieën algemeen Poel rugstreeppad
2.2 Informatiebladen natuurbeheertypen Voor alle natuurbeheertypen zijn informatiebladen opgesteld met de belangrijkste eisen voor de inrichting en het beheer van het natuurbeheertype. Deze informatie bladen zijn bedoeld als praktisch handvat voor beheerders, ontwerpers en andere geïnteresseerden. Een volledig overzicht van de kwaliteitseisen van natuurbeheer typen, die in contracten opgenomen wordt, is te vinden in bijlage 3. De informatie bladen worden geactualiseerd en zijn dan te downloaden via www.amsterdam.nl/ biodiversiteit en/of openresearch.amsterdam.
97
Bijlagen
Bijlage 2 Informatiebladen natuurbeheertypen
Inrichting en beheer
Struweel(haag) Gidssoorten:
Staartmees Egel
Biodiversiteit: Struweel bestaat uit struiken die twee tot vijf meter hoog worden, zoals meidoorn, sleedoorn, haagbeuk, vuilboom en Gelderse roos. Een bijzondere vorm is de struweelhaag of Zeeuwse haag. Dit is een vrij liggend lijnvormig landschapselement. In de struweel(haag) komen veel dieren voor: van typische struweelvogels (grasmus, nachtegaal en braamsluiper), padden in winterverblijf, schuilende egels en kleine marters tot foeragerende vlinders en bijen.
Doelen:
Gemengd inheems struweel of struweelhaag Toename aantal kwalificerende soorten van struweel.
98
Bijlagen
Bijlage 2 Informatiebladen natuurbeheertypen
Struweel
Struweelhaag
Inrichting:
Beheer:
Plant verschillende soorten inheemse heesters aan (m.u.v. wilgen/sleedoornstruweel, deze hoeven niet gemengd) (1); Koop inheems autochtoon en gifvrij plantgoed (2); Ontwikkel langs struweel een zoom van minimaal 5-7 meter (3). Aanplanten op plek met ruimte: haag kan >3 m breed worden (4) Bij voorkeur nabij bloemrijk grasland, bos(plantsoen) of ruigte.
Voldoende vaak dunnen/snoeien van struweel(haag) <10% boomopslag (5); Voldoende vaak maaien van de zoom: <10% boomopslag en <20% storingskruiden (6); Gefaseerd beheer zoom: ca 75% blijft in de winter staan (7);
Hagen:
Heesters:
Sortiment zie Handboek Groen. Gebruik inheemse soorten, bijvoorbeeld:
Sortiment zie Handboek Groen. Gebruik inheems soorten, bijvoorbeeld:
Haagbeuk (Carpinus betulus)
Bosroos (Rosa arvensis)
Hondsroos (Rosa canina)
Egelantier (Rosa rubiginosa)
Liguster (Ligustrum vulgare)
Gelderse roos (Viburnum opulus)
Meidoorn (Crataegus monogyna)
Gewone vlier (Sambucus nigra)
Taxus (Taxus baccata)
Hazelaar (Corylus avellana)
Veldesdoorn (Acer campestre)
Hulst (Ilex aquifolium) Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) Meidoorn (Crataegus monogyna) Rode kornoelje (Corus sanguinea) Sleedoorn (Prunus spinosa) Taxus (Taxus baccata) Veldesdoorn (Acer campestre) Vuilboom (Rhamnus frangula)
Zoom langs struweel
Versie 1.0. Tekening: RO Visuals
Vuurdoorn (Pyracantha coccinea) (niet inheems/ voor huismus)
99
Bijlagen
Bijlage 2 Informatiebladen natuurbeheertypen
Inrichting en beheer
Bloemrijk grasland Gidssoorten:
Wilde bijen Icarusblauwtje (graslandvlinders)
Biodiversiteit: In bloemrijke graslanden komen veel verschillende soorten planten voor (15-40 soorten). Dit is het leefgebied van diverse (bestuivende) insecten: van wilde bijen, dagvlinders tot zweefvliegen en kevers. Zoogdieren en amfibieën vinden hier dekking en voedsel.
Doelen:
Kruidenrijk grasland (fase 3) dan wel bloemrijk grasland (fase 4) afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem. Toename aantal soorten wilde bijen en aantal soorten graslandvlinders.
100