CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Plan Biodiversiteit voor parken en natuurgebieden 2025-2030 DEFINITIEF.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 26 juni 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van Plan Biodiversiteit: parken en natuurgebieden, het uitvoeringsplan waarin wij toelichten hoe we de biodiversiteit van Amsterdam vergroten (VN2025-008058)37.632 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

› Platbuik. Foto: Rudmer Zwerver, Saxifraga

Veiligheid. De voornaamste bedreiging van libellen in de stad is een slechte waterkwaliteit. Kwetsbare libellen hebben helder water en onderwaterplanten nodig, dat in de stad niet overal te vinden is. Door verdroging kunnen poelen opdrogen, waardoor belangrijke voortplantingsplekken voor libellen verloren gaat. Ook honden zijn een bedreiging voor libellen als zij in het water (bijvoorbeeld in poelen) komen. Daardoor wordt de bodem omgewoeld waardoor het water troebel wordt en libellenlarven geen voedsel meer kunnen vinden. In poelen moet tevens voorkomen worden dat er vissen komen, die libellenlarven eten. Amerikaanse rivier­ kreeften eten lokaal alle watervegetatie op en vormen daardoor eveneens een bedreiging voor libellen.

Deel II: Analyse

45

Planten en dieren in de stad

Figuur 23: Metapopulatie ringslang met sub-populaties in de Diemerscheg en Amsterdamse bos.

› De ringslang leeft langs de ij oevers en in het Amsterdamse bos. Foto: Edo van Uchelen, Saxifraga

5.8 Reptielen Voorkomen in Amsterdam Van de zeven inheemse reptielen komt in Amsterdam alleen de ringslang voor. De zandhagedis wordt sinds 2002 niet meer in Amsterdam waargenomen. De ringslang is niet giftig en bijt zelfs niet als hij gevangen wordt.

Nederlandse trend De ringslang staat als kwetsbaar op de Rode Lijst (2024). Hij komt in Nederland in 281 atlas­blokken voor, wat de soort de status ‘vrij zeldzaam’ oplevert. Sinds 1950 is de landelijke verspreiding van het aantal ringslangen licht toegenomen, maar het aantal ringslangen is met 25% afgenomen (figuur 24).

Amsterdamse trend De Amsterdamse ringslangen behoren tot de Utrecht-Hollandse metapopulatie. Door ontwikkelingen (verstedelijking) in de Amstelscheg is de Amsterdamse populatie opgesplitst geraakt in een populatie in het Amsterdamse bos en in sub-populaties in de Diemerscheg (zie Figuur 25). Een goed beeld van het aantal ringslangen in Amsterdam geven de broeihopen die in samenwerking met vele vrijwilligers worden aangelegd. Een vrouwtje legt 20-30 eieren per jaar. Door het totaal aantal uitgekomen eieren te delen door 20 of 30 kan het aantal vrouwtjes geschat worden. Sinds de aanleg van de eerste broeihoop in 1994 is het aantal broeihopen dat wordt aangelegd snel gestegen. Hierdoor steeg het aantal getelde eieren van 300 in 1996 naar 3.886 in 2024 (zie figuur 25). Op basis van de broeihopen­monitoring kan daarom geschat worden dat er rond de 160 vrouwtjes leven in Amsterdam.

Bron: NDFF(2025)

Figuur 24: Trend in populatie en verspreiding van ringslang in Nederland. Bron: CBS/RAVON jun24 180 160 140 120 100 80 60 '94

'96

'98

'00

Populatietrend ringslang

Bron: CBS/RAVON jun24

'02

'04

'06

'08

Trend verspreiding ringslang

'10

'12

'14

'16

'18

'20

'22

Deel II: Analyse

8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000

Amsterdamse Bos

Waterland

Zuidoost

Diemen

Oost

Aalsmeer

2024

2023

2022

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

0 2004

Voortplanting en verblijfplaatsen. De ringslang heeft in haar levenscyclus de volgende verblijfplaatsen nodig: • Een broeihoop nabij het water om haar eitjes af te zetten. In natuurlijke riviersystemen legt

Veiligheid. Ringslangen zijn zelf ook prooi­ soorten van kleine marters en roofvogels. De reiger is een beduchte predator die in een broeihoop de ene na de andere jonge ringslang kan verorberen. Voldoende dekking in de vorm van hogere vegetatie, vooral in het voorjaar, is belangrijk.

Figuur 25: Aantal eieren gevonden in broeihopen in en rondom Amsterdam

2003

Voedsel. Het belangrijkste voedsel van de ringslang bestaat uit amfibieën, maar zo nu en dan worden ook muizen, visjes, naaktslakken en insectenlarven gegeten. De ringslang zoekt zijn voedsel door langs beschutte oevers te zwemmen. Hij waagt zich liever niet op open water, waar hij een makkelijke prooi voor reigers en aalscholvers vormt. In dispersie komt dat nog wel voor.

Verplaatsing. Een ringslang legt in het water per dag 100-500 meter af (homerange). Zowel de juvenielen als de vrouwtjes doen aan dispersie. De juvenielen kunnen dan grote afstanden afleggen (soms tot wel 10 kilometer), maar de meeste blijven binnen 1-2 km van de geboorteplek (Koopmans, 2014). De uitwisseling tussen sub-populaties is van groot belang voor de levensvatbaarheid van de metapopulatie als geheel.

2002

De ringslang is een slang die leeft in en om het water, met in de nabijheid poelen, graslanden, struwelen en rietoevers.

> Broeihopen monitoring met vrijwilligers in Amsterdam Noord. Foto: Fred Haaijen

2001

Eisen aan de leefomgeving

het vrouwtje haar eieren in hopen bij elkaar gespoeld organisch materiaal of in vermolmd hout van omgewaaide bomen. In de stad maakt ze graag gebruik van de aangelegde broeihopen van paardenmest en maaisel of bladafval. • Een schuilplaats voor de nacht, vaak holtes onder stenen, wortelkluiten of houtblokken nabij het water. • Veilige en rustige plekken om op te warmen. Aangezien ringslangen koudbloedig zijn moet het lichaam eerst opgewarmd worden om actief te kunnen zijn. Gekozen plekken zijn bijvoorbeeld basalttaluds, maar vaak worden ook fietspaden gebruikt (zie veiligheid). • Een vorstvrije en droge ruimte als winter­ verblijf. Deze zijn vaak hoger gelegen, waarin de ringslang een holte van ca 1 meter diep opzoekt (bijvoorbeeld een oud konijnen- of muizenhol). De ringslang vindt dit soort plekken in spoordijken, basaltdijken, in oude konijnenholen, stenenhopen of onder boomwortels of houthopen in bosjes.

2000

We zien echter dat er sinds 2019 sprake is van een forse afname: het aantal eieren in 2024 is bijna de helft van het aantal eieren dat in 2019 gevonden is. Er is wel sprake van een forse schommeling per jaar, zoals bijvoorbeeld goed te zien is aan de broeihopen in het Amsterdamse bos (zie figuur 25), maar dit geeft wel reden tot zorg. De oorzaak van deze afname is niet vastgesteld. Mogelijk kan de achteruitgang van de waterkwaliteit (zie verder hoofdstuk 5.5.3) en de kwaliteit van de poelen (zie hoofdstuk 5.5.4) hier debet aan zijn. Ook zijn er grootschalige werkzaamheden aan het spoortalud in Diemen en de zeedijken in Waterland uitgevoerd, die mogelijk een negatieve invloed hebben gehad op de ringslangenpopulatie. Verder is meer regelmaat in het aanleggen van de locaties en aantal broeihopen in het voordeel van een nauwkeurige monitoring. Nu schommelt het aantal broeihopen jaarlijks behoorlijk sterk en ook de locaties wijzigen ook.

46

Planten en dieren in de stad

Deel II: Analyse

47

Planten en dieren in de stad

Ook honden vormen een risico voor ringslangen, bijvoorbeeld wanneer zij ringslangen vestoren bij het opwarmen. Hierdoor kunnen ringslangen moeilijker op temperatuur komen, wat nodig is om te kunnen jagen. Als ringslangen fiets­ paden verkiezen om te zonnen, kunnen zij overreden worden. Een veilige zon-plek nabij het water kan dit voorkomen. Leefgebieden die door spoor- of verkeerswegen afgesneden worden, kunnen door het aanleggen van faunapassages weer bereikbaar worden.

Figuur 26: Habitat van de ringslang langs de Durgerdammerdijk met een plek voor voedsel (poel), een plek om eieren af te zetten (broeihoop) en een plek om te overwinteren (dijk).

› Poel. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

48

Planten en dieren in de stad

5.9 Zoogdieren Voorkomen in Amsterdam In Amsterdam komen 43 van de 71 Nederlandse zoogdieren voor, waaronder de mens. Dit is exclusief gezelschaps- en landbouwdieren. Onder de Amsterdamse zoogdieren behoren o.a. 16 muizen, 11 vleermuizen, 5 marter­ achtigen en 2 haasachtigen. In Amsterdam zijn in de laatste vijf jaar 4 exoten waargenomen, te weten de Amerikaanse rode eekhoorn, de beverrat, de muskusrat en de wasbeerhond.

Nederlandse trend Landelijk gaan de zoogdieren als groep vooruit. Bij 12 soorten was een afname te zien, bij 18 soorten een toename en vijf soorten een sterke toename. Sinds 2012 is er sprake van een stabilisatie. > Jagende vos. Foto: Martin Mollet, Saxifraga

Amsterdamse trend Voor Amsterdam zijn geen formele trend­ gegevens voorhanden. De stadsecologen gaan uit van een vergelijkbaar beeld voor Amsterdam als Nederland. We zien dat de stad steeds beter gevonden wordt door zoogdieren die in omliggende natuur­ gebieden leven. In 2021 is in het Diemerpark de otter voor het eerst waargenomen in Amsterdam en ook de ree klopt zo nu en dan op de Amsterdamse deur. Op dit moment leven er zo’n 60 paar vossen in 40-50 kilometer­ hokken. Dat waren er in de jaren ’90 nog maar enkele paren (Melchers, 1991). Het aantal waarnemingen van boom- en steenmarters is ook toegenomen. Was in 1987 de eerste waarneming van een boommarter in Amsterdam een verkeersslachtoffers, momenteel leeft er in de Diemervijfhoek een populatie met zo’n 5-10 paar (Timmermans, 2024).

Anderzijds zijn er zoogdieren die in de stad in de knel komen. Door de stadsverdichting zijn veel overhoekjes en greppels verdwenen. Het gaat daarom slecht met een soort als de bunzing. Uit braakballenonderzoek van de kerk­uil blijkt dat het aantal insecteneters (spitsmuizen en woelmuizen) eveneens afneemt (Timmermans, 2024). Een soort als de egel wordt op grote schaal doodgereden in het verkeer, zie hiervoor Figuur 27. Bewoners gaven tijdens de werksessie aan zorgen te maken om vleermuizen in de stad, ook in relatie tot de toegenomen verlichting. Momenteel doet Amsterdam onderzoek naar de populaties en verblijfplaatsen van vleermuizen vanuit het project Soortenmanagement Plan.

Figuur 25: Landelijke trend zoogdieren 1995-2022. 160 150 140 130 120 110 100 90 80 '96 '98 '00 Trend Waarneming

'02 '04 '06 Onzekerheid trend

Bron: Bron: NEM (Zoogdiervereniging, CBS).

'08

'10

'12

'14

'16

'18

'20

'22

Deel II: Analyse

Van de Amsterdamse zoogdieren staan zeven soorten op de Rode Lijst. Kwetsbaar zijn de bunzing, hermelijn, laatvlieger en noordse woelmuis. Dit zijn vrij zeldzame soorten met een (sterke) afname. Gevoelig zijn de haas, het konijn en de wezel. Dit zijn weliswaar algemene soorten, maar hebben landelijk een sterke afname. Zeven zoogdiersoorten zijn wel zeldzaam, maar niet bedreigd. Zie onderstaande matrix. Van de twintig soorten vleermuizen in Nederland komen er elf voor in Amsterdam. Vijf hiervan zijn algemeen, twee minder algemeen en de andere soorten worden sporadisch aangetroffen in de stad. De gewone dwergvleermuis komt het meest talrijk voor, gevolgd door de ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De meervleermuis wordt als de zeldzaamste soort in Europa beschouwd, waarbij het zwaartepunt van de populatie in

Nederland ligt. Hij komt in stadsdeel Noord voor. Ook de kleine dwergvleermuis is zeldzaam. Voor deze soorten heeft Amsterdam dus een bijzondere verantwoordelijkheid voor.

Eisen aan de leefomgeving Zoogdieren komen in alle biotooptypen voor. De grootte van het leefgebied van zoogdieren is zeer verschillend en afhankelijk van het voedselaanbod. Een kerngebied van de waterspitsmuis is gemiddeld 5 ha groot, die van de hermelijn 25 ha, de eekhoorn en Noordse woelmuis 50 ha en die van de boommarter is zelfs 3.000 ha groot. Voedsel. Vrijwel alle zoogdieren hebben een ruim dieet waarbij ze opportunistisch eten wat voorhanden is. Twee groepen eten insecten (vleermuizen en insecteneters), andere zijn planteneters (woelmuizen, haas en konijn), vleeseters (roofdieren) of alleseters (ratten en

Figuur 26: Indeling van de Amsterdamse zoogdieren conform de Rode Lijst. De Rode Lijst benoemd soorten als kwetsbaar (roze) of gevoelig (oranje). Trend/ zeldzaamheid Zeer zeldzaam

Zeldzaam

Vrij zeldzaam

Algemeen

Maximaal afgenomen Zeer sterk afgenomen Sterk afgenomen

Hermelijn

Matig afgenomen

Bunzing, Laatvlieger, Noordse woelmuis

Stabiel of toegenomen

49

Planten en dieren in de stad

Boommarter, Meervleermuis, Otter

Gewone grootoorvleermuis, Steenmarter, Waterspitsmuis, Watervleermuis

Haas, Konijn, Wezel

Bosmuis, Bruine rat, Dwergmuis, Eekhoorn, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone dwergvleermuis, Huismuis, Huisspitsmuis, Mol, Rosse woelmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Veldmuis, Vos, Woelrat

ware muizen). Roofdieren en vleermuizen richten zich op hoge prooidichtheden en hebben daardoor een dempende werking op plagen van muizen en insecten. • Eekhoorns zoeken voedsel in bomen en op de grond. Hun voedsel bestaat uit boomzaden (eikels, beukennoten, hazelnoten, kegels), met aanvullend bessen, paddenstoelen, vogeleieren en jonge vogels. De impact op vogelpopulaties is verwaarloosbaar. Eekhoorns eten geen uitheemse noten zoals de eikels van de Amerikaanse eik en de Moeras-eik. Deze bevatten veel looizuren die moeilijk te verteren zijn. • De kleine marterachtigen zijn roofdieren en jagen vooral op knaagdieren. “Zonder de kleine marters zouden we tot onze enkels in de muizen en ratten staan” (Edo van Uchelen in Vroege vogels). Bunzingen eten vooral amfibieën. • De waterspitsmuis eet bijna exclusief in het water levende ongewervelden. Ze eten per dag hun eigen gewicht aan voedsel. Hij kan over de waterbodem lopen en steentjes optillen met de voorpoten om te kijken of daaronder waterdiertjes leven. Het voedsel wordt op het land opgegeten. Voortplanting en verblijfplaatsen. Alle zoogdieren maken een nest of maken gebruik van een bestaand nest. Eekhoorns worden kaal en blind geboren in een bolvormig nest van mos en bladeren. Kleine marters hebben voortplantings- en rustplaatsen boven de grond (droog en vorstvrij) en onder de grond (uitgegraven konijnenholen).

De waterspitsmuis maakt een bolvormig nest van gras, wortels en mos in holten in de oeverzone. Onverharde steile oevers en stronken van bomen kunnen deze plekken bieden. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaats maken. Ze gebruiken bestaande holtes in bomen en in gebouwen. Er wordt onderscheid gemaakt in zomer- en

winterverblijven. In het winterverblijf houden vleermuizen een winterslaap, in de lente verhuizen ze naar de zomerverblijven. Bij de zomerverblijven kan weer onderscheid gemaakt worden in de kraamverblijven, waar de vrouw­ tjes hun jongen groot brengen, en de zomer­ verblijven voor de mannetjes. Verder zijn er tijdelijke- en paarverblijven waar vleermuizen kort verblijven. Alle verblijf­plaatsen genieten een strenge wettelijke bescherming. Verplaatsing. Veel zoogdieren zwerven in de juveniele periode uit (dispersie). Jonge eekhoorns worden door hun moeder uit het territorium verjaagd, waarna ze op zoek gaan naar nieuw leefgebied. Boommarters leggen enorme afstanden af (30 kilometer). Ook hermelijnen, bunzingen en wezels zwerven kilometers ver uit. De waterspitsmuis blijft binnen 1 kilometer van zijn geboorteplaats. Andere muizen blijven ook dichter bij huis. De homerange – de afstand dat een soort dagelijks aflegt- is bij de meeste zoogdieren veel kleiner. De waterspitsmuis legt dagelijks niet meer dan 30-160 meter af. Kleine marters lopen per dag ettelijke kilometers op zoek naar voedsel. De bunzing is ’s nachts actief en loopt dan gemiddeld 3 tot 4 kilometer. Doordat zoog­dieren zowel bij dispersie als in hun dagelijkse activiteiten veel kilometers afleggen, zijn ze extra kwetsbaar in gebieden met veel infrastructuur.

De afstand tussen winter- en zomerverblijf van vleermuizen kan heel groot zijn, tot honderden kilometers. Veel Amsterdamse vleermuizen verblijven in de winter in de groeven van Zuid-Limburg, in bunkers, ijskelders of boomholtes. Andere soorten trekken enkele tientallen kilometers tussen winter- en zomerverblijf. Vleermuizen keren ieder jaar terug naar hetzelfde verblijf. Bij de

Deel II: Analyse

migratie maken vleermuizen gebruik van (onverlichte) lijnvormige structuren. Veiligheid. Behalve de vos en bunzing hebben alle zoogdieren natuurlijke vijanden. Een vorm van dekking of beschutting is daarom voor alle zoogdieren belangrijk. Dit kan zijn in de vorm van hagen of bosschages, maar ook ongemaaid gras of riet biedt voor de kleine zoogdieren dekking. Landzoogdieren zijn bijzonder kwetsbaar in het verkeer en jaarlijks vallen dan ook veel verkeersslachtoffers (zie Figuur 27). Ook het water vormt een gevaar voor zoogdieren. Veel zoogdieren, zoals de egel, kunnen goed zwemmen, maar als ze een steile kant niet op kunnen klimmen, verdrinken ze door uitputting. Verstoring door mensen en honden is niet voor alle zoogdieren een probleem, omdat veel soorten vooral ’s nachts actief zijn. Anders is dat voor de eekhoorn die overdag foerageert, onder andere op de grond en voor het konijn. Die kunnen worden verstoord als er veel mensen lopen al dan niet met honden. Een veiligheidsaspect dat ook genoemd moet worden is verlichting. Met name vleermuizen zijn gevoelig voor verlichting. Soorten als de

50

Planten en dieren in de stad

watervleermuis en meervleermuis mijden verlichting, waardoor vliegroutes tussen voedsel- en verblijfplaatsen niet meer gebruikt worden. Zo verkleint verlichting het oppervlak leefgebied voor een aantal soorten vleermuizen.

Oplossen ecologische knelpunten In de afgelopen vijf jaar zijn er 157 verkeers­ slachtoffers gemeld, zie Figuur 27. Het werkelijke aantal ligt vele malen hoger. De meeste gemelde verkeersslachtoffers zijn egels (64) gevolgd door bruine rat (28), haas (28), marters (7) en konijn (6). Ook is een ree verkeersslachtoffer geworden. Voor soorten als de boommarter (5) is dit een substantieel deel van de populatie. Het betreft hier waarschijnlijk juvenielen die nieuw leefgebied zoeken. Deze ecologische knelpunten kunnen worden opgelost door het aanleggen van fauna­ passages. Deze passages zijn ook belangrijk voor het verbeteren van de verbindingszones, zodat soorten makkelijker van het ene gebied naar het andere kunnen trekken. Het is onmogelijk om alle ecologische knelpunten op te lossen. Wel zullen we in kaart brengen wat de belangrijkste zones zijn om aan te pakken en welke maatregelen daarbij horen.

Belang van duisternis Duisternis is belangrijk voor allerlei natuurlijke processen. Verlichting beïnvloed het gedrag van dieren door desoriëntatie, afstoting en aantrekking. Zo worden nachtvlinders aangetrokken tot een lichtbron. Zij zien de lichtbron als een maan aan de hand waarvan zij navigeren. Doordat zij zich steeds keren naar de lichtbron raken ze uitgeput. Sommigen verbranden door tegen de lichtbron aan te vliegen. Vogels worden door verlichting in hun natuurlijke ritme verstoord. Ze gaan bijvoorbeeld eerder nesten bouwen en eerder beginnen aan de trek. Dit beïnvloed de overlevingskansen van de soort. Egels kunnen door verlichting in hun winterslaap verstoord worden. Hierdoor neemt de kans op uitputting en sterfte toe. Ook planten kunnen nadeel ondervinden van licht. Enerzijds doordat zij door continue belichting minder goed groeien. Anderzijds doordat zij afhankelijk zijn van bestuiving door nachtvlinders, die door toename van licht afnemen. Ook in een stad als Amsterdam is het daarom belangrijk dat er in de parken donkere plekken blijven. Natuurlijk waar dat veilig kan.

› Waterspitsmuis. Foto: Rudmer Zwerver, Saxifraga

Figuur 27: Gemelde verkeersslachtoffers in de laatste vijf jaar, waaronder egel (64), bruine ratten (36), haas (28), konijn (6), boommarter (5), mol (5), vos (3), steenmarter (2), muizen (2), eekhoorn (1), ree (1), wezel (1) hermelijn (1), bunzing (1) en woelrat. Bron: NDFF.

Deel II: Analyse

6. Natuur in de stad 6.1 Inleiding Zoals we in hoofdstuk 1 hebben beschreven is biodiversiteit meer dan de som der soorten. Het omvat ook de ecosystemen, waarin er een complexe relatie is tussen bodem, water, planten en dieren. Het concept ecosysteem kan op verschillende schaalniveaus benaderd worden. Een stroomgebied of een woestijn is een ecosysteem, maar een boom of poel is ook een ecosysteem. In dit plan is ervoor gekozen om de Amsterdamse ecosystemen te vertalen in natuurbeheertypen .

“In bijlage 3 zijn de criteria voor natuurkwaliteit specifiek en meetbaar uitgewerk” Natuur­beheer­typen Een natuurbeheertype is bedoeld als sturings­ instrument. De indeling van de natuur in natuur­beheertypen is gebaseerd op abiotische natuurcondities (waterhuishouding en voedsel­ rijkdom), waarbinnen soorten voorkomen met een vergelijkbare leefomgeving. In de landelijke Index Natuur en Landschap1 die de Provincies en natuurbeherende organisaties hanteren, zijn natuurbeheertypen uitgewerkt voor natuurgebieden en agrarische gebieden, maar deze ontbreekt voor het stedelijk gebied. In dit hoofdstuk introduceren we een extra laag: de stedelijke natuurbeheertypen. We houden hierbij zoveel mogelijk de taal en methodiek van de Index aan, maar passen 1 Natuurtypen - BIJ12

51

Natuur in de stad

deze aan op de grootstedelijk werkelijkheid aan. We gebruiken deze natuurbeheertypen voor het maken van afspraken over het beheer en de inrichting van de stadsnatuur. Dit doen we door minimale kwaliteitseisen af te spreken en te monitoren. Zo ontstaat het helder kader voor de inrichting en het beheer van ecologisch groen. In dit hoofdstuk worden de kwaliteits­ eisen van de natuur­beheertypen voor de leesbaarheid globaal omschreven. In bijlage 3 zijn de eisen specifiek en meetbaar uitgewerkt.

De natuur ‘zijn gang laten gaan’ of beheren? Ecologisch beheer klinkt voor sommige mensen onnatuurlijk. “Kunnen we niet beter helemaal stoppen met het beheer om zo ‘de natuur zijn gang te laten gaan’? Dit klinkt logisch. Toch leidt dit in de stad niet tot de hoogste biodiversiteit. En wel vanwege het proces van successie. Successie is de spontane ontwikkeling van een vegetatie. Het zorgt ervoor dat een kale bodem eerst begroeit raakt met pioniersplanten. Al snel komen zaden van grassen en kruidachtige planten aanwaaien. Als het grasland onaan­ geroerd wordt komen de eerste struiken tot ontwikkeling. Tussen de struiken komen de eerste bomen op en na verloop van decennia heeft het bos de plek van de ooit kale bodem overgenomen. In de stad ontwikkelt alle vegetatie zich zonder beheer tot de climaxfase, het bos. Vanuit biodiversiteit is het belangrijk dat ook de andere biotooptypen met de kenmerkende soorten een plek krijgen. In grote natuurgebieden ontstaat deze variatie aan biotopen door natuurlijke dynamiek. Bosbranden zetten een stuk bos terug naar pioniersvegetatie. Overstromingen bedekken gebroeide oevers met een pakket sediment. En (semi) wilde grazers zoals paarden, runderen en konijnen houden de vegetatie op plekken kort. In de stad hebben we deze natuurlijk dynamiek niet.

Om ervoor te zorgen dat er variatie aan biotopen is, imiteren we deze natuurlijke dynamiek met beheermaatregelen.

› Eekhoorn. Foto: Bernard Stam

Met de kettingzaag imiteren we de tanden van de bever en met de maaimachine het grazen van konijnen, paarden en reeën. Door te beheren zetten we de successie dus terug. De frequentie van maaien heeft invloed op het vegetatietype dat kan ontstaan. Tweemaal per jaar maaien (en afvoeren van het maaisel) bevordert kruiden van bloemrijke graslanden. Doen we dat eenmaal per jaar of om het jaar, dan zullen de ruigtekruiden het van de grasland­ kruiden overnemen. Dit is bijvoorbeeld het geval in oevers en bosranden. Maaien we niet, dan ontstaat er struweel en bos.

Kwalificerende soorten Als de natuurkwaliteit hoog is, kunnen daar bijzondere planten- en diersoorten voorkomen. De biotische kwaliteit van de natuurbeheer­ typen wordt uitgedrukt in kwalificerende soorten die er voorkomen. Per natuurbeheer­ type hebben we een lijst van kwalificerende soorten opgesteld, die kenmerkend zijn voor het betreffende natuurbeheertype in de stad.

Deze soorten zijn gekozen omdat ze extra bescherming nodig hebben, doordat ze momenteel (vrij) zeldzaam zijn en/of in aantallen of verspreiding (sterk) achteruit zijn gegaan. Meer informatie over hoe we tot deze lijst zijn gekomen is opgenomen in bijlage 8. Het doel is dat het aantal kwalificerende soorten per gebied toeneemt. We monitoren niet specifiek één soort, maar het totaal aan kwalificerende soorten per gebied.

Gidssoorten Voor de beheerders en ontwerpers van de stadsnatuur is het praktisch niet te doen om alle kwalificerende soorten te kennen en hierop te sturen. Daarom hebben we gids­soorten benoemd. Gidssoorten zijn de ambassadeurs van de natuur. Ze zijn kenmerkend voor een specifiek natuur­beheer­type waar ook andere planten- en diersoorten in voorkomen. Het zijn in feite paraplu-soorten. Gaat het goed met deze soorten, dan zegt dat ook wat over andere soorten.

Deel II: Analyse

6.2 Ecologische kerngebieden en verbindingszones Inleiding Ecologische gebieden. In dit plan zijn de ecologische kerngebieden en verbindings­ zones in kaart gebracht die de scope vormen voor dit plan, zie figuur 29. Voor deze gebieden stellen we gebiedsdoelen op (bijlage 1), voeren we maatregelen uit (zie hoofdstuk 6) en monitoren we de voortang (zie hoofdstuk 8.3). Het gaat hier niet om een beleidswijziging ten opzichte van de huidige Ecologische structuur of de huidige Hoofdgroenstructuur. In 2012 heeft de gemeenteraad in de Ecologische visie de Amsterdamse ecologische structuur (AES) vastgelegd. Dit is het

52

Natuur in de stad

beleidskader voor toetsing van ruimtelijke initiatieven die in de ecologische structuur vallen. De ecologische structuur maakt onder­ deel uit van de ecologische kern­gebieden en verbindingszones in dit plan en deze is aangevuld met de stadsparken uit de Hoofd­ groenstructuur. De stadsparken functioneren als belangrijke gebieden voor de biodiversiteit, vanwege het grote oppervlak groen en/of verwevenheid met ecologische structuur. Andere groentypen uit de Hoofdgroenstructuur, zoals begraafplaatsen, sportparken en volks­ tuinen kunnen ook een belangrijke functie hebben voor de biodiversiteit. Hier worden ook volop ecologische maatregelen toegepast. In dit plan zijn deze gebieden, vanwege de focus op parken en natuurgebieden, niet meegenomen.

Figuur 28: Aansluiting van de Amsterdamse ecologische structuur en Hoofdgroenstructuur op de landelijke Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 gebieden.

“Gidssoorten zijn ‘paraplu-soorten’. Gaat het goed met deze soorten? Dan weten we dat andere soorten waarschijnlijk ook floreren.”

› Bosplantsoen. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

De ecologische kerngebieden en verbindings­ zones zijn dus niet hetzelfde als de Ecologische structuur. Indien in de toekomst de Hoofd­ groenstructuur geactualiseerd wordt, is het wenselijk om ook de Ecologische structuur hierin te integreren en de ecologische verbindings­ zones robuuster te maken. De kaart ecologische kerngebieden en verbindings­zones (zie figuur 29) kan daarbij een richting geven voor een uitbreiding van de ecologische structuur. Ecologische inrichting en beheer. In de ecologische kerngebieden wordt niet overal volledig ecologisch beheerd. In parken als het Vondelpark, Oosterpark en Noorderpark zijn grote delen van het park ingericht voor recreatie. Dit zal zo blijven. Toch zijn deze parken ook onderdeel van de ecologische

53

Natuur in de stad

kerngebieden. Een vogel maakt geen onder­ scheid, maar ziet het park als één leefgebied, waarbij er delen zijn die meer of minder aan zijn habitateisen voldoen. Door naar het park als geheel te kijken kunnen we beter het leefgebied van soorten in kaart brengen, monitoren en verbeteren. Met dit plan wijzigen we niet de functie van het park, maar worden maatregelen benoemd om de biodiversiteit te vergroten, zonder daarbij de andere waarden van het groen uit het oog te verliezen. In de verdere uitwerking van afzonderlijke maat­ regelen zal rekening worden gehouden met de recreatieve gebruiksfunctie van de parken en eventuele monumentale waarde van parken. In de ecologische verbindingszones en ecologische structuur wordt wel volledig ecologisch beheerd.

Ecologische gebieden versus ecologische structuur Ecologische kerngebieden en verbindingszones: Ecologische structuur: • Geen juridisch-planologische status • Juridisch planologische status • Soms volledig soms gedeeltelijk ecologisch ingericht (Ecologische visie 2012) en beheerd • Volledig ecologisch ingericht en beheerd • De scope waarbinnen maatregelen genomen worden • Gebiedsdoelen voor biodiversiteit • Kwaliteitseisen voor ecologische inrichting en beheer • Ecologische monitoring en inspecties • Maatregelenpakket

Kaart ecologische kerngebieden en verbindingszones De kaart ecologische kerngebieden en verbindingszones (figuur 29) vormt de scope van Plan biodiversiteit 2025-2030: parken en natuurgebieden. Dit vervangt niet de Hoofdgroen­ structuur of Ecologische structuur. Voor de ecologische kerngebieden en verbindingszones gelden doelen voor de biodiversiteit, worden maatregelen uitgevoerd en wordt de biodiversiteit en ecologische kwaliteit gemonitord. Het gaat in eerste instantie om gebieden in eigendom en beheer door gemeente Amsterdam. Dit is aangevuld met gebieden uit de Ecologische structuur die niet in ons eigendom of beheer vallen. Tevens zijn de parken toegevoegd. Het betreft geen statische kaart. Jaarlijks kunnen er gebieden bijkomen of afgaan, doordat de ecologische structuur kan wijzigen indien de gemeenteraad daarvoor kiest. Vanuit gebiedsontwikkelingen of omvormingen kan er ook areaal bijkomen. Ook administratieve fouten kunnen tussentijds worden bijgewerkt.

› IJsvogelwand. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

Natuur in de stad

Figuur 29: Ecologische kerngebieden en verbindingszones waarbinnen doelen en maatregelen voor de biodiversiteit gelden.

54

Deel II: Analyse

Ecologische kerngebieden Voorkomen. Een kerngebied is een gebied dat geschikt is voor permanente vestiging door een soort, waarbij een duurzame populatie opgebouwd kan worden. In dit plan verstaan we onder een ecologisch kerngebied een gebied dat vanwege zijn omvang en/of hoge ecologische kwaliteit aan een grote verschei­ den­heid van soorten een leefgebied biedt.

Zo komt er meer variatie aan milieufactoren (lucht, licht, water) waardoor er meer planten­ soorten voor kunnen komen. De kwaliteit van de afzonderlijke natuurbeheertypen wordt verder toegelicht in dit hoofdstuk.

Het is daarbij belangrijk dat de overgang tussen deze natuurbeheertypen niet abrupt of ‘strak’ is, maar geleidelijk. Een voorbeeld van horizontale overgangen betreft de geleidelijke overgang van bos via struweel en ruigte naar grasland. Daarnaast onderscheiden we verticale geleidelijke overgangen. Het perspectief is hier van bovenaf. Een bosrand loopt dan niet in een rechte lijn, maar in een golvende lijn.

Figuur 30: Onderverdeling van het openbare groen naar groentype met onderscheid in ecologisch beheer en regulier beheer. Regulier Bloemrijk gras

Strakke horizontale en verticale overgang.

% Eco

5.407.200

22%

100%

6.889.282

243.361

7.132.643

29%

3%

39.340

1.046

40.386

0%

3%

Gazon evenementen

1.198.784

0

1.198.784

5%

0%

Ruw gras

2.230.375

0

2.230.375

9%

0%

109.718

0

109.718

0%

0%

1.607.439

22.247

1.629.686

7%

1%

0

4.172.743

4.172.743

17%

100% 100%

Grasveld (in gisib grassportveld)

Houtachtige beplanting Bosplantsoen Loofbos

0

826.631

826.631

3%

371.155

0

371.155

1%

0%

Ruigte

0

982.081

982.081

4%

100%

Rietvegetatie

0

492.251

492.251

2%

100%

Moerasvegetatie

0

254.354

254.354

1%

100%

12.446.093

12.401.914

24.848.007

100%

49,9%

Kruidachtige beplanting totaal

Totaal

Figuur 31: Natuurwaardenkaart Amsterdam, 2016.

C. Verbinding met andere kerngebieden. Voor soorten met een groot minimum leefgebied is de stad vaak niet geschikt. Toch kunnen ook deze soorten in de stad voorkomen, als de ruimtelijk gescheiden gebieden onderling verbonden zijn. Deze gebieden tezamen vormen dan het leefgebied van de metapopulatie. Hierbij

% Van totaal

Totaal 5.407.200

Gazon met bollen

Geleidelijke horizontale en verticale overgang.

Eco 0

Gazon

Ecologische kwaliteit. De kwaliteit van een kerngebied wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Oppervlak van het kerngebied. Voor alle soorten geldt dat zij een bepaald minimum oppervlakte leefgebied nodig hebben. Dit minimum is nodig voor alle levensfasen van de soort (foerageren, rusten, voortplanten) en waarin een gezonde populatie opgebouwd kan worden. Hoe groter het oppervlak van het kerngebied des te meer soorten er hun leefgebied kunnen vinden en des te groter en sterker de populaties van deze soorten zijn. In bijlage 1.2 is voor een aantal soorten het benodigde oppervlak leefgebied opgenomen. B. Kwaliteit van het kerngebied. Binnen de ecologische kerngebieden komen bij voor­ keur meerdere natuurbeheertypen voor. Een kleinschalige mozaïek van verschil­­ lende natuurbeheertypen levert in de meeste gevallen de hoogste biodiversiteit op.

55

Natuur in de stad

Deel II: Analyse

geldt wel dat de totale oppervlakte leef­ gebied die nodig is voor een duurzame populatie in een versnipperd leefgebied groter is dan in een aaneengesloten gebied. Dit komt doordat in grotere gebieden de ‘randeffecten’ van verstoring kleiner zijn, waardoor de kwaliteit van het habitat hoger is.

Huidige kwaliteit A. Oppervlak. Het oppervlak van de verschil­ lende ecologische kerngebieden verschilt enorm: van het Siegerpark met een oppervlak van ongeveer 5 hectare tot het Amsterdamse bos met een oppervlak van ongeveer 1.000 hectare. Mogelijk kan er regulier groen omgevormd worden naar ecologisch beheerd groen in de nabijheid van de kleine kerngebieden. Deze verken­ ning kan worden gedaan vanuit ruimtelijke projecten, door in de fase van verkenning ook mee te nemen hoe het projectgebied kan aansluiten op de eco­logische kerngebieden en verbindings­zones in de directe omgeving van het plangebied. Het openbare groen in Amsterdam wordt momenteel voor 50% ecologisch beheerd. Dat is 57% inclusief het Amsterdamse bos. In de Groenvisie is opgenomen dat in 2030 het ecologisch beheer de norm is. Het percentage ecologisch beheer wordt daarom jaarlijks uitgebreid. In de volgende alinea (hoofdstuk 5.3 tot en met hoofdstuk 5.5) worden kansen benoemd waar het ecologisch beheer uitgebreid kan worden. B. Kwaliteit. De ecologische kwaliteit van de ecologische kerngebieden en verbindings­ zones is per gebied heel verschillend. Dit laat de natuurwaardenkaart van Amsterdam uit 2016 goed zien, zie Figuur 31. In de volgende hoofdstukken behandelen we per natuurbeheertype de huidige kwaliteit en de kansen voor verbeteringen.

56

Natuur in de stad

C. Verbinding. De onderlinge verbinding tussen kerngebieden bespreken we in de volgende alinea waar de ecologische verbindingszones worden behandeld.

Ecologische verbindingszones Voorkomen. De kerngebieden worden door verbindingszones met elkaar verbonden. Hierdoor is uitwisseling tussen soorten mogelijk en wordt het leefgebied van soorten vergroot. Dit levert niet alleen sterkere populaties op, het geeft de soort ook meer uitwijkmogelijk­ heden bij klimaatextremen. Verbindingszones worden daarom in toenemende mate belangrijk voor het overleven van soorten in de stad.

› Ruige oever met wilg, de Bijlmer, Zuidoost. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Er zijn drie type verbindingszones:

Stapstenen. Voor vogels en vliegende insecten kunnen stapstenen voldoende zijn. Stapstenen zijn kleine leefgebieden waar de soort langere tijd kan verblijven. Voor weinig mobiele soorten (dispersievermogen <1 km) moet ook voortplanting mogelijk zijn in de stapsteen. De afmeting van de stapsteen moet 10% van de minimale oppervlakte van de kernpopulatie zijn. Wanneer de afstand tussen kerngebieden groter is dan 25% van het dispersievermogen van de soort, moet een stapsteen worden aangebracht.

De corridor is vooral geschikt voor mobiele soorten (dispersievermogen >1 km). De corridor heeft een minimale breedte. Deze is per soort verschillend (zie bijlage 1.2).

Leefgebied-corridor. Voor weinig mobiele soorten (dispersievermogen <1 km) moet ook voortplanting mogelijk zijn in de corridor. Als in de corridor ook voortplanting mogelijk is, dan is er sprake van een leefgebied-corridor. De corridor heeft dezelfde kwaliteit als het leef­ gebied. Dit is bijvoorbeeld voor vissen nodig.

Ecologische kwaliteit Corridor. Voor zoogdieren, reptielen en amfibieën is het nodig om de stapstenen onderling te verbinden met een corridor. De corridor moet voedsel en beschutting bieden, zodat de soort hierlangs kan migreren. Het gaat in de corridor primair om de aanwezigheid van structuurelementen, hier hoeft geen voortplanting plaats te vinden.

De kwaliteit van een verbindingszone wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Breedte van de verbindingszone. Ideaal is de gecombineerde nat-droge verbindings­ zone van minimaal 40 meter breed. Voor de ringslang is een watergang met oever­zone van minimaal 25 m nodig. Voor vissen een watergang van minimaal 10 meter.

Voor kleine marters een droge of natte verbindings­zone van minimaal 25 m. Voor bijen en vlinders een bloemrijke berm van minimaal 20 meter. Boomkronen­verbinding voor de eekhoorn en boommarter: zijn minimaal 25 meter breed. B. Lengte van de verbindingszone. Een leefgebied corridor heeft geen maximale lengte, omdat soorten zich daar permanent kunnen vestigen. Een gewone corridor is niet langer dan 25% van de dispersie afstand van de gidssoort. C. Knelpunten en faunapassages in de verbindingszone. In de verbindingszones kunnen ecologische knelpunten voorkomen, zoals wegen die het groen doorsnijden of bruggen die de oevers doorkruizen. Hierdoor kunnen dieren zich niet (veilig) van het ene leefgebied naar het volgende verplaatsen. Om deze knelpunten weg te nemen kunnen faunapassages worden aangelegd. Dit kunnen o.a. faunatunneltjes in de weg zijn, faunarichels langs bruggen en duikers, stortstenen onder een viaduct of eekhoornbruggen en vleermuishop-overs bij boomkronen over wegen.

Deel II: Analyse

57

Natuur in de stad

› Eekhoornbruggen in het Gijsbrecht van Aemstelpark. Foto: Florinda Nieuwenhuis

D. De habitatkwaliteit binnen de verbindings­ zone. Wil een soort gebruik maken van de verbindingszone dan moet deze voldoen aan zijn habitateisen. Deze habitateisen zijn uiteengezet in hoofdstuk 4. Belangrijk is bovendien dat dieren rustig de verbindings­ zone kunnen gebruiken en niet verstoord worden door mensen en honden.

Huidige kwaliteit Op dit moment heeft Amsterdam een uitge­ breid netwerk van ecologische verbindings­ zones. Een aantal daarvan maakt onderdeel uit van de NNN-verbindingszones. Alle verbindingszones worden ecologisch beheerd.

A. Breedte. Niet alle verbindingszones voldoen aan de minimale breedte. Sommige zijn te smal, anderen zijn doodlopend voor de doelsoort. We maken een ontsnipperingsplan, waarin per verbindingszone benoemd wordt wat de doelsoort is en met welke maatregelen de verbindingszone kan worden verbeterd. Het is wenselijk dat bij ruimtelijke projecten onderzocht wordt hoe deze maatregelen ingepast kunnen worden. B. Lengte. Op dit moment is niet voor alle verbindingszones bepaald of zij voldoen aan de maximale lengte. Dit wordt meegenomen in het ontsnipperingsplan.

C. Knelpunten en faunapassages. Sinds 2012 heeft gemeente Amsterdam 172 fauna­ passages aangelegd en staan er 8 nog op de planning. Deze faunavoorzieningen worden door een veelvoud aan doelsoorten gebruikt. Op camerabeelden is te zien dat o.a. egels, wezels, vossen, ringslangen en muizen de verbindingszones gebruiken. Dit heeft geleid tot minder doden en een grotere verspreiding van soorten.

Verkeersslachtoffers voorkomen. Door het aanleggen van deze faunapassages zijn er veel verkeersslachtoffers voorkomen. Waar er in het verleden veel ringslangen dood werden gevonden op fietspaden in de Diemerscheg, komt dit nu veel minder voor (Timmermans, 2024). De stad is echter drukker geworden en door de intrede van de elektrische fiets is veel verkeer sneller geworden, waardoor het gevaar voor overstekende dieren onverminderd groot is. Het is daarom niet te zeggen of het aantal verkeersslachtoffers is afgenomen. Met de groei van de stad is het wenselijk ook het aantal faunapassages te laten meegroeien.

Deel II: Analyse

58

Natuur in de stad

Figuur 32: Verspreiding van de waarnemingen van de ringslang in twee periodes voor en na de aanleg van faunapassages.

Figuur 33: Percentage van aantal geïnspecteerde faunavoorzieningen (N=91) waarbij sprake is van een zeer hoog/ hoog/ gemiddeld/ laag/ zeer laag risico op uitval van functionaliteit. Faunapassages

29%

36%

11% 10%

Bron: NDFF

Betere verspreiding. Door het gebruik van deze faunapassages hebben populaties zich beter kunnen verspreiden over de stad, waardoor deze sterker zijn worden. Een mooi voorbeeld is te zien in de stadsdeel Zuidoost, waar door het aanleggen van faunapassages het leefgebied van de ringslang in de het Diemerbos verbonden is geraakt met het opkomende leefgebied van de ringslang in de Bijlmerweide. Gebreken bij bestaande faunapassages. Van de geïnspecteerde faunapassages vertonen er 37 ernstige gebreken en 13 matige gebreken. Hierdoor kunnen niet alle faunapassages meer gebruikt worden door dieren. De schade varieert van verstoppingen, verzakkingen tot beschadigingen of andere gebreken. Ook ontbreekt het vaak aan goede geleiding naar de faunapassage. Een goede geleiding zorgt ervoor dat dieren vanuit de omliggende omgeving de faunapasssage weten te vinden en niet in de nabijheid alsnog onder een auto komen. Onder veel viaducten mist dekking in de vorm van stortstenen met een faunageleiding naar de stenen toe.

Nieuwe ecologische knelpunten. In de Ecologische visie van 2012 zijn de toenmalige ecologische knelpunten in kaart gebracht. Bij de ontwikkeling van dit plan is opnieuw gekeken naar de ecologische knelpunten. Dat blijken er veel meer te zijn dan we redelijker­wijs kunnen mitigeren met fauna­ passages. Daarom is een vervolgstudie nodig. In een ontsnipperingsplan zal nader onderzocht worden wat de belangrijkste ecologische knelpunten zijn om op te lossen, waarbij het effect voor de fauna het grootst is. Voor het oplossen van de ecologische knelpunten stellen we de werkwijze voor zoals die in de Ecologische visie (2012) is vastgelegd (zie kader).

14%

Zeer hoog risico

Hoog risico

Gemiddeld risico

Laag risico

Zeer laag risico

Werkwijze Het oplossen van knelpunten is het meest (kosten) efficiënt als het onderdeel is van een voorgenomen aanpak in de omgeving. Daarom dient het oplossen van knelpunten (ook budgettair) te worden meegenomen bij ruimtelijke projecten op de locatie van het knelpunt. Om mede­financiering te bieden en om knelpunten aan te kunnen pakken die buiten ruimtelijke plannen vallen, is het aan te bevelen om jaarlijks een bedrag vanuit de gemeentebegroting ter beschikking te stellen.

D. Habitatkwaliteit. De habitatkwaliteit wordt beschreven in de volgende alinea waarin de kwaliteit van de natuurbeheertypen worden weergegeven. > Faunapassage onder de Buitenveldertselaan, Amsterdam Zuid. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Deel II: Analyse

59

Natuur in de stad

6.3 Bos en bosplantsoen Voorkomen In Amsterdam bestaat 27% van het openbare groen uit bos en bosplantsoen. Met 935 hectare is het Amstedamse bos het grootst. Hier komen zeldzame en bedreigde soorten voor. Van de 500 waargenomen soorten paddenstoelen in het Amsterdamse bos staan er 28 soorten op de Rode Lijst van zeldzame of bedreigde soorten (Bosplan 2020-2030). Het Vliegenbos is met 20 hectare een klein bos, maar wel het oudste bos van Amsterdam. Bovendien is het een bijzonder waardevol bos, omdat het een van de grootste iepenrijke loofbossen van Europa is. Door de iepziekte zijn deze bossen zeldzaam geworden. Onder ‘bosplantsoen’ verstaan we kleine bosvegetaties die zowel uit boomvormers als struikvormers bestaat. Het natuurlijke eindstadium van bosplantsoenen zijn loofbos, naaldbos of gemengd bos.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van een bos(plantsoen) wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Aanwezigheid mantelzoom. In de mantel­ zoomvegetatie langs bosranden staan struiken (mantel) en kruiden (zoom). Hier is de biodiversiteit het hoogst. De bosrand is niet strak, maar geleidelijk en in een golvende lijn, zodat veel variatie ontstaat. B. Beperkte verruiging en verbossing). Als er te weinig wordt gemaaid in de zoom en te weinig gesnoeid in de mantel ontstaan struiken in de zoom en bomen in de mantel. Hierdoor worden de kruiden en struiken overwoekerd. C. Gefaseerd beheer van de mantelzoom. De zoom moet niet in zijn geheel gemaaid worden, maar een gedeelte moet blijven saan als overwinteringsplek voor dieren.

Ook het dunnen van bomen dient niet te grootschalig te gebeuren, maar zo kleinschalig mogelijk, zodat het bos niet teveel verstoord wordt. D. Variatie aan inheemse soorten. Hoe groter de variatie aan boomsoorten, des te meer soorten schimmels, paddenstoelen en dieren er in het bos voorkomen. De biodiversiteit is bovendien het hoogst bij inheemse boomsoorten. Engels onderzoek laat zien dat de grootste diversiteit aan insecten te vinden is op inheemse boomsoorten (zie Figuur 34). Inheemse bomen zijn daardoor ook voor insecten etende vogels belangrijk. Zoogdieren als de eekhoorn vinden ook meer voedsel op inheemse planten. Zaden van uitheemse boomsoorten zijn voor de eekhoorn moeilijk te verteren. E. Open plekken in het bos. Open plekken in het bos dragen bij aan de variatie in vegetatiestructuur. Hier komen grazige vegetaties voor die bijvoorbeeld voor vlinders een belangrijke plek zijn om te drinken. F. Dikke bomen. Dikke oude bomen zijn de dragers van het bos. Ze stabiliseren het bosklimaat en communiceren via de schimmelnetwerken met andere bomen. Als bomen ouder worden ontstaat er bovendien holtes en kieren, waar soorten als vleermuizen en uilen in kunnen nestelen. G. Dode bomen. Dood hout is belangrijk voor een gezond bos. Op dode bomen vinden talrijke planten, dieren, paddenstoelen en bacteriën voedsel en een woonplaats.

Schimmels en andere organismen zetten het dode materiaal weer om tot voedingsstoffen voor bomen en planten. Ook bij dode bomen is variatie belangrijk, waarbij de dode bomen zowel staan als liggen, zowel dikke als dunne bomen, zowel naald- als loofbomen.

Deel II: Analyse

Figuur 34: Aantal soorten insecten op inheemse en uitheemse boomsoorten. Aantal soorten insecten en mijten

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Salix (5 soorten)

Wilg

450

Quercus robur & Q. petraea

Zomer en Winter eik

423

Betula pubescens & B. pendula

Zachte en Ruwe berk

334

Crataegus monogyna

Eénstijlige meidoorn

209

Populus (4 soorten)

Populier

189

Pinus sylvestris

Grove den

172

Prunus spinosa

Sleedoorn

153

Alnus glutinosa

Zwarte Els

141

Ulmus(2 soorten)

lep

124

Malus sylvestris

Wilde appel

118

Corylus avellana

Hazelaar

106

Fagus sylvatica

Beuk

98

Picea abies

Fijnspar

70

Fraxinus excelsior

Gewone es

68

Sorbus aucuparia

Wilde lijsterbes

58

Tilia (2 soorten)

Linde

57

Acer campestre

Veldesdoorn

51

Carpinus betulus

Haagbeuk

51

Acer pseudoplatanus'

Gewone esdoorn

43

Larix decidua*

Europese lariks

38

Juniperus communis

Jeneverbes

32

Quercus rubra*#

Amerikaanse eik

12

Castanea sativa*

Tamme kastanje

11

llex aquifolium

Scherpe hulst

10

Aesculus hippocastanum*

Paardenkastanje

9

Juglans regia*

Walnoot

7

Taxus baccata

Gewone taxus

6

Quercus ilex*

Steeneik

5

Robinia pseudoacacia

Robinia

2

* Uitheemse soort in Groot-Brittanië # Data voor Hongarije bron: Kennedy and Southwood, 1984

60

Natuur in de stad

H. Voldoende rust. Voor het ontwikkelen van een rijk bosleven is voldoende rust nodig. Enerzijds gaat het daarbij om het beperken van de aanwezigheid van mensen en honden, waardoor vogels en zoogdieren in hun dagelijkse ritme verstoord worden. Maar het gaat daarbij ook om het geven van rust aan de bodem, door ingrepen zoals grondbewerking, kappen, versnipperen en schoffelen te beperken.

Huidige kwaliteit De Amsterdamse bossen en bosplantsoenen zijn voor bos-begrippen relatief jong. Toch beginnen de bomen een aardige leeftijd en maat te krijgen. Met het ouder worden van het bos wordt de kwaliteit van het bos hoger.

Figuur 35: Kenmerkende bosplanten in het Vliegenbos

In veel bossen is er variatie aan structuur, in de vorm van bomen, struiken en kruiden. Inheemse boomsoorten zijn toonaangevend, hoewel uitheemse boomsoorten ook wijdverspreid zijn. In de meeste parken komen kenmerkende bosplanten voor, hoewel het aantal individuen soms laag is. Op dit moment zijn nog niet alle kwaliteits­ eisen van de bossen in kaart gebracht. Via het programma Ecologische Monitoring en Inspecties wordt dit de komende jaren aangevuld. Momenteel worden bosbeheerplannen opgesteld, waarin alle beheermaatregelen voor bos(plantsoen) worden vastgelegd. Deze

Deel II: Analyse

beheerplannen zijn een belangrijk instrument om de ecologische kwaliteit te vergroten. De beheerkaarten moeten daarbij geactualiseerd worden en in ingevoerd in het beheersysteem. Aanwezigheid mantelzoom. Op dit moment ontbreekt bij 74% van de geïnspecteerde bosplantsoenen de mantelzoomvegetatie, zie figuur 36. Mogelijk is dit een verklaring waarom de bosrandvlinders het minder goed in Amsterdam lijken te doen dan landelijk (zie hoofdstuk 4.5). Het aanleggen van mantelzoomvegetaties is daarom belangrijke maatregel om de biodiversiteit te vergroten. Het Amsterdamse bos heeft reeds locaties aangewezen waar er extra mantelzomen worden ontwikkeld, zie figuur 37. Verminderen verruiging en verbossing. Een verklaring voor de afwezigheid van veel mantelzoomvegetaties kan liggen in het feit dat hier in het verleden te weinig gemaaid en gedund is. Hierdoor zijn zoveel bomen gegroeid dat er geen ruimte meer is overgebleven voor struiken en kruiden. Bij het opstellen van bosbeheerplannen moet worden onderzocht of het bosplantsoen kan worden uitgebreid met een mantelzoom­vegetatie door gazon om te vormen. Dit heeft de voorkeur. Indien hiervoor geen ruimte is, kunnen jonge bomen in de mantelzone worden gedund. Door het maaibeheer aan te scherpen moet voorkomen worden dat de nieuwe mantelzoomvegetaties (opnieuw) verruigen en verbossen.

Hierdoor worden bramen en brandnetels in toom gehouden ten gunste van bloeiende kruiden zoals fluitenkruid en look-zonder-look. Gefaseerd beheer van de mantelzoom. Het gefaseerd maaien van de mantelzoom­ vegetatie vergt de nodige kennis. Te veel maaien is niet goed voor bijen en vlinders.

61

Natuur in de stad

Figuur 36: Percentage van het bosplantsoen (ha) met een mantelzoomvegetatie Aanwezigheid mantelzoom

19% 6% 53% 22%

Geen zoommantel

Alleen zoom

Alleen mantel

Zoom en mantel

Figuur 37: Locaties waar het Amsterdamse bos mantelzoom vegetaties ontwikkelt.

› Stammen die worden afgevoerd. Foto: Florinda Nieuwenhuis

Te weinig maaien zorgt voor verruiging. Het is daarom belangrijk om de kennis van de groen­ beheerders op peil te houden. Hiervoor worden cursussen aangeboden. Variatie en inheemse soorten. Hoewel veel van de bossen en bosplantsoenen in Amsterdam bestaan uit inheemse soorten als zomereik, linde en beuk, herbergen de Amsterdamse bossen ook veel uitheemse soorten. Te noemen zijn de Canadese populier, acacia en paarden­ kastanje. Vanuit oogpunt van biodiversiteit is het wenselijk het aandeel inheemse boom­ soorten te vergroten. Het is daarbij belangrijk een gedragen visie te ontwikkelen, waarbij ook het perspectief van klimaatverandering meegenomen wordt. Landelijk is er veel discussie over de vraag of vanwege klimaat­ verandering het nodig is om meer uitheemse boomsoorten toe te passen of dat de inheemse boomsoorten veerkrachtig genoeg zijn om zich aan te passen. Open plekken. Op dit moment ontbreekt het aan data over dit aspect. Data wordt jaarlijks

aangevuld vanuit het programma Ecologische monitoring en inspecties. Dikke bomen. Op dit moment ontbreekt het aan data over dit aspect. Data wordt jaarlijks aangevuld vanuit het programma Ecologische monitoring en inspecties. Dode bomen. De laatste jaren is het aandeel dood hout in de ecologische gebieden toegenomen, maar niet in alle parken. We zien dat veel bomen (en takken) nog onnodig afgevoerd worden. Door het contract onderhoud bomen aan te passen, kan het aandeel dood hout in de bos(plantsoenen) fors steigen. Rust. In een aantal gebieden liggen erg veel formele en informele paden. Die zijn mogelijk­ erwijs niet allemaal nodig voor de recreatie. Door de padenstructuur in de ecologische gebieden te heroverwegen, kunnen we vaststellen of er paden verwijderd kunnen worden om meer rustige zones te creëren.

Deel II: Analyse

62

Natuur in de stad

6.4 Struweel en struweelhaag

Figuur 38: Typen hagen in Amsterdam naar oppervlak.

A. Variatie aan inheemse struiken. Het struweel of de struweelhaag bestaat uit een variatie aan soorten struiken. Uitzondering hierop vormen sleedoorn- en wilgen­struwelen. De struiken die er staan zijn vooral inheems en ze komen uit deze regio. B. Beperkte verbossing. Het struweel of de struweelhaag wordt vaak genoeg gesnoeid, zodat er weinig bomen in het struweel voorkomen. Her en der een boom levert wel variatie op. C. Gefaseerd beheer. Het struweel of de struweelhaag wordt niet in één keer volledig gesnoeid, zodat er altijd voedsel en vlucht­ plek voor dieren overblijft. Ook de zoom wordt niet volledig gemaaid, maar wel vaak genoeg, zodat er geen verruiging optreedt. D. Aanwezigheid zoom. Aan de rand van het struweel of de struweelhaag is een zoom­ vegetatie. De overgang tussen struweel en ruigte is niet strak, maar geleidelijk en in een golvende lijn, zodat veel variatie ontstaat.

Type haag

Huidige kwaliteit

Voorkomen Struweel is een andere naam voor een groep struiken (of heesters). Dat kan in los verband voorkomen of er kan sprake zijn van een struweelhaag, zoals in de foto hierboven. Een struweelhaag is een haag van struiken die vrijuit mogen groeien en bloeien. Ze worden niet jaarlijks geschoren, maar eens in de 8-14 jaar gesnoeid. Deze hagen produceren voedsel in de vorm van stuifmeel en bessen en ze geven vlucht- en nestplek voor vogels en zoogdieren. Hagen zijn niet alleen goed voor de biodiversi­teit. In het boekje ‘Heg’ van Kenneth Rijsdijk zijn alle ‘ecosysteemdiensten’ van een haag te lezen. Het blijkt ook voor het opvangen van water en temperen van hitte een belangrijk landschapselement te zijn. In Amsterdam komen bijna geen struweelhagen voor.

Oppervlakte (ha)

Lijnvormige haag overig

3,8

Geschoren haag

3,2

Blokhaag

1,1

Losse haag

0,1

Zeeuwse haag Totaal

0 8,2

Struweel komt wel voor in Amsterdam, maar het oppervlak is niet duidelijk. Dit komt doordat struweel vaak als onderdeel van bos­ plantsoen in het beheersysteem is opgenomen. Voor het beheer is het nodig om dit beter in kaart te brengen.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van struweel wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking):

De ecologische kwaliteit van de struwelen is op dit moment nog niet volledig in beeld gebracht. Met het programma Ecologische Monitoring en Inspecties (EMI) wordt dit beeld jaarlijks aangevuld. Oppervlak. Opvallend is dat er in gemeente Amsterdam geen struweelhagen voorkomen. We zullen onderzoeken op welke plekken deze struweelhagen kunnen worden aangelegd. Mogelijk kunnen bestaande geschoren hagen worden vervangen voor struweelhagen, zoals op de volgende pagina is weergegeven. We betrekken bij de locatiekeuze tevens het aspect van sociale veiligheid. Variatie aan inheemse struiken. Uit de flora inventarisatie blijkt dat een aantal inheemse struikensoorten goed vertegenwoordigd is in Amsterdam waaronder de eenstijlige meidoorn,

Deel II: Analyse

63

Natuur in de stad

hazelaar, gewone vlier en rode kornoelje. Het sortiment kan echter nog wel wat gevarieerder. Zo worden de voor bosrandvlinders belangrijke waardplanten sporkehout en wegedoorn nauwelijks aangeplant. Ook het aandeel struikvormende wilgen (grauwe wilg, bittere wilg, geoorde wilg, boswilg, katwilg) en inheemse rozen (egelantier, hondsroos), die voor bestuivende insecten belangrijk zijn, mag in Amsterdam fors aangevuld worden. Verminderen verbossing. In álle vlakken die in het beheersysteem als ‘struweel’ zijn aangemerkt staan bomen. Sommige struwelen zijn daarom niet meer te herkennen als struweel. De verruiging van struwelen heeft er o.a. toe geleid dat het habitat van de nachtegaal in het Westelijk havengebied, Amsterdamse bos en Sloterpark verdwenen is (Groen van et al., 2022, p. 316). In struwelen mogen her en der bomen voorkomen, zeker waardevolle dikke bomen. Maar volledige verbossing dient voorkomen te worden. In de bosbeheerplannen zal het dunnen van struwelen daarom beter opgenomen moeten worden. Gefaseerd beheer. Op dit moment ontbreekt het aan data over dit aspect. Data wordt jaarlijks aangevuld vanuit het programma Ecologische monitoring en inspecties. Aanwezigheid zoom. Op dit moment ontbreekt het aan data over dit aspect. Data wordt jaarlijks aangevuld vanuit het programma Ecologische monitoring en inspecties.

>G  eschoren haag langs het Keerkringpark in Noord dat vervangen kan worden door een landschapshaag. Google street view

Deel II: Analyse

64

Natuur in de stad

6.5 Ruigte Voorkomen Ruigte is een natuurbeheertype dat bestaat uit overjarige kruidachtige planten. Onder het natuurtype ‘ruigte’ vallen de zonnige, veelal droge ruigten. Hier groeit bijvoorbeeld slangen­­kruid, middelste teunisbloem en kaasjeskruid voorkomen. Plaatselijk kan struweel voorkomen. Ruigtevegetaties zijn vaak heel rijk aan insecten. Vogelsoorten als de sprinkhaanzanger, spotvogel en nachtegaal vinden hier ook hun leefgebied. Op voedselrijke gronden bestaat ruigte uit soorten als brandnetel, echte guldenroede en boerenwormkruid. Waar deze langs bosranden voorkomen, behoort dit type ruigte onder de ‘zoom’ binnen het natuurtype ‘bos en bos­ plant­soen’. Op vochtige gronden bestaat deze uit o.a. moerasspirea, echte valeriaan en harig wilgenroosje. Dit type behoort tot het natuur­ type ‘bloemrijke natuurvriendelijke oevers’.

Ecologische kwaliteit De kwaliteit van ruigte wordt bepaald door de volgende criteria (zie bijlage 3 voor een specifieke en meetbare uitwerking): A. Variatie aan inheemse ruigtesoorten. De ruigte bestaat uit een variatie aan inheemse ruigtekruiden, die van nature

uit onze regio voorkomen. Het aantal (invasieve) exoten is laag. B. Beperkte verbossing. Her en der een struik en een boom zorgt voor variatie aan de ruigte, maar voorkomen moet worden dat struiken en bomen de ruigtekruiden verdrukken. C. Gefaseerd beheer. Bij het maaien van ruigte worden de regels van de Vlinderstichting toegepast.

Huidige kwaliteit Volgens het beheersysteem bestaat 4% van het groen in Amsterdam uit ruigte. Dat is al niet veel, maar daaronder vallen ook veel natte ruigten die langs oevers groeien. Deze vallen in dit plan onder ‘natuurvriendelijke oevers’. Variatie aan inheemse ruigtesoorten; Hoewel het groentype ruigte niet zo veel voorkomt in Amsterdam, zien we op een aantal plekken interessante flora ontstaan, zoals in het Diemerpark, zie Figuur 38. Voor wat betreft verdringing door uitheemse soorten is met name de Late guldenroede een soort die bestreden dient te worden. Deze komt lokaal veel voor. Verminderen verbossing. Ook in de ruigtes zien we dat er te veel struiken, bomen en boomvormers staan. Hierdoor ontstaat er

Regels gefaseerd maaien conform kleurkeur groen (vlinderstichting) Altijd maaien: • Ten minste de helft van de stukken die de vorige keer zijn blijven staan. • Zeer ruige vegetatie, met eventuele vorming van opslag. • Veel voorkomende soorten met een hoge bedekkingsgraad. Sparen: • 15-30% van de vegetatie per maaibeurt. • Opvallende bloemrijke delen. • Zeldzamere plantensoorten waar er in aantal weinig van zijn. • Een deel van de vegetatie langs opgaande struiken sparen, zodat het geen bos wordt. • Rijd niet (of zo min mogelijk) over de niet gemaaide delen.

Deel II: Analyse

65

Natuur in de stad

schaduw en een voedselrijke bodem. Planten van matig voedselarme en zonnige ruigten zullen verdwijnen. Dit leidt enerzijds tot een lagere biodiversiteit en anderzijds tot een ruig beeld met soorten als braam en brandnetel. Dit wordt door weinig bewoners gewaardeerd. Op deze plekken moeten struiken en boom­ vormers verwijderd worden en her en der bomen gedund. Belangrijk is om dit niet te rigoureus te doen. Gefaseerd beheer. Het gefaseerd maaien van ruigten gaat in veel gevallen goed. Voldoende toezicht op de uitvoering en het geven van informatie over waarom gefaseerd maaien belangrijk is blijft belangrijk, omdat mensen in de uitvoering (bij aannemers) vaak wisselen.

Figuur 39: Flora van ruigte in het Diemerpark

› IJsvogel. Foto: Bart Vastenhouw, Saxifraga

Figuur 40: Verbossing van de ruigte van de Bijlmerweide, waarbij in de rode vlakken meer dan 10% boom- of struikvormers in de ruigte voorkomt.

Deel II: Analyse

66

Natuur in de stad

6.6 Bloemrijk grasland Voorkomen Bloemrijk grasland betreft graslanden waar 15-40 soorten grassen en bloeiende planten voorkomen (Schippers et al., 2012). De grassen en bloemen zijn als een mozaïekpatroon goed verdeeld over het grasland. De kruiden die voorkomen zijn typerend voor de grondsoort en vochttoestand. Zo indiceert de echte koekoeksbloem vochtig grasland en de teunisbloem juist droog bloemrijk grasland. In bloemrijk grasland komen veel insecten­ soorten voor: van wilde bijen, zweefvliegen, roofwespen, lieveheersbeestjes, vlinders en libellen. Dit rijke insectenleven trekt ook andere soorten, van zangvogels tot amfibieën en zoogdieren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15668336/1