CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Een menselijke metropool.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 30 juni 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 ‘Een menselijke metropool’ (ZD74.997 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 8 van 9

Er zijn verschillende systemen: open warmte- en koudeopslagsystemen (WKO) in watervoerende lagen, gesloten bodemenergiesystemen (bodemwarmtewisselaars, GBES), aquathermie en geothermie. WKO Bodemenergie is de warmte- en koudewinning en -opslag in de ondergrond tot 500 meter. Een bodemenergiesysteem heeft een warme en koude bel van grondwater die reageert op de bovengrondse vraag (in de winter warmte en in de zomer koude). Een bodemenergiesysteem moet in balans blijven en wordt daardoor vaak geregenereerd door een bron. Amsterdam telt al honderden open WKO-systemen en gesloten

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

energiesystemen. De komende jaren verwachten wij een flinke groei in bodemenergiesystemen, vooral in nieuwe gebiedsontwikkelingen en transformatiegebieden. De potentie van de ondergrond willen we daarbij benutten, met een goede gemeentelijke regie, waarbij we eventuele negatieve effecten op de omgeving voorkomen. Daartoe zijn er binnen Amsterdam nu zeven interferentiegebieden vastgesteld; dit aantal zal worden uitgebreid. Geothermie Er is nog weinig bekend over de potentie van geothermie in de Amsterdamse regio. Seismisch onderzoek wijst naar verwachting eind 2021 uit of en waar de ondergrond geschikt is. Op basis van deze informatie zal worden bepaald waar op welke diepte aardwarmte kan worden gewonnen: < 500 m levert warmte tot 30 °C, 500 m – 4000 m tot 120 °C, of >4000 m meer dan 120 °C. Dit onderzoek bepaalt daarmee sterk de locatie en diepte van de ruimtelijke reservering in de ondergrond. Een aardwarmtebron kan het beste nabij een warmtenet liggen. Dit bespaart kosten en warmteverlies. Bovengrondse ruimtelijke reserveringen voor geothermie zullen dus voornamelijk aan de randen van de stad komen te liggen, nabij het warmtenet. De bovengrondse minimale benodigde ruimte voor geothermie in de gebouwde omgeving bedraagt een half tot één voetbalveld voor boring, opslagruimte, logistiek en veiligheidszone.

Als we in 2040 voor 20% van het warmteaanbod gebruik willen maken van geothermie, dan zullen er zo’n twintig boorlocaties van gemiddeld 10 MW ontwikkeld moeten worden. De komende jaren zullen er opsporingsvergunningen worden aangevraagd. Aquathermie Aquathermie is een bron die de gebouwde omgeving kan verwarmen via warmtenetten (70°, 40°). Daarnaast kan aquathermie nieuwbouw en utiliteitsector verwarmen én koelen via een bronnet (20°). Aquathermie bestaat uit drie typen: • Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO): warmte of koude uit oppervlaktewater zoals een meer of gracht wordt gebruikt voor het verwarmen of koelen van de gebouwde omgeving. • Thermische energie uit afvalwater (TEA): warmte uit persriolen of rioolwaterzuive-

Deel III | Wat

ringsinstallaties wordt gebruikt voor het verwarmen van de gebouwde omgeving. • Thermische energie uit drinkwater (TED): warmte of koude uit grote drinkwaterleidingen wordt gebruikt voor het verwarmen van de gebouwde omgeving. De potentie van aquathermie in Amsterdam is groot, vooral die uit oppervlaktewater. In de transitievisie warmte (TVW) is berekend dat voor 46 Amsterdamse wijken een bronnet het voorkeurssysteem is. Door de warmte van een aquathermie-bron op te waarderen wordt de warmte ook geschikt voor minder goed geïsoleerde woningen via een warmtenet (40° of 70°). Dit kost extra elektrische capaciteit bij de bron en is vooral bij de 40°-wijken een reële optie. Aquathermie door middel van een bronnet is lokaal zeer geschikt voor het verwarmen en koelen van nieuwbouwwoningen en utiliteit (kantoren hebben naast warmte- ook een koudevraag). Grootschalige nieuwbouw en transformatiegebieden zoals Haven-Stad, maar ook gebieden met veel kantoren, zijn zeer geschikt voor aquathermie-toepassingen. Bronnetten zijn lokaal, dus er zijn ruimteclaims te verwachten rondom de grote waterlopen en meren in de buurt van kantoorgebieden en gebiedsontwikkelingen (zie kaart hieronder). Een aquathermie-installatie bestaat uit een inlaat, uitlaat en een regelcentrale met apparatuur.

Klimaatbestendig Amsterdam en waterbeheer gaan al eeuwenlang samen. Vanaf het moment dat de dam in de Amstel werd gelegd, werden maatregelen genomen om wonen en werken in een moerasgebied mogelijk te maken: het graven van sloten en grachten, het aanleggen van dijken en polders, het ophogen van land. Klimaatverandering brengt nieuwe problemen met zich mee. De zeespiegel stijgt, het weer wordt onvoorspelbaarder, extremen worden extremer. Deze nieuwe uitdagingen zijn onderverdeeld in vier thema’s, met ieder een eigen doelstelling: 1. Wateroverlast. De laatste jaren is er een trend van steeds meer extreme buien. De regenwaterknelpuntenkaart laat zien op welke plekken in Amsterdam dat tot schade leidt. Het doel is om schade te voor-

173

2.

3.

4.

komen en tegelijkertijd regenwater te laten bijdragen aan een aantrekkelijke, comfortabele en leefbare stad. Overstromingen. Overstromingen kunnen nu in Amsterdam optreden vanuit de Noordzee (via IJmuiden), het Markermeer, de Lek en de regionale watersystemen. Voor het watersysteem komen de limieten in zicht. Het doel is om de kans op overstromingen te verkleinen en de gevolgen bij een eventuele overstroming te beperken. Hitte. Het huidige klimaat meet gemiddeld twintig zomerse dagen in de regio Amsterdam. Dit aantal gaat flink oplopen. Op tropische dagen is de stad een hitte-eiland, tot twaalf graden hoger dan het ommeland. Hittestress kan leiden tot tal van fysieke en geestelijke problemen bij de mens en kan maatschappelijk ontwrichtend zijn. Het doel is om Amsterdam beter bestand te maken tegen hitte. Droogte. Regenbuien nemen toe, maar de droogte tussen de buien door ook. Droogte

kan schade veroorzaken aan stedelijk groen en funderingen. Ook veroorzaakt het veenoxidatie, slechtere (zwem)waterkwaliteit, verzilting en bodemdaling en kan droogte het proces van verzakkingen met beschadigingen aan leidingen en netwerkkabels versnellen. Het doel is om Amsterdam beter bestand te maken tegen langdurige perioden van droogte en het voorkomen en beperken van schade aan gebouwen, groen, infrastructuur, water en dijken. Nieuwe richtingen De strategie klimaatadaptatie uit 2020 zet een stip op de horizon van 2050 voor een klimaatbestendige stad en wat daarvoor nodig is. In 2021 volgt een uitvoeringsagenda. Klimaatbestendigheid is de komende jaren een prioriteit bij ruimtelijke investeringen, beheer en onderhoud. In de MRA werken we samen in het programma klimaatadaptatie aan bovenregionale opgaven van klimaatbestendige nieuwbouw en gebiedsontwikkeling en

op de vitale en kwetsbare infrastructuur van de MRA. Vergroenen Veel klimaatadaptieve maatregelen houden verband met het vergroenen van de stad, omdat groen water vasthoudt en hittestress tegengaat. Niet voor niets is klimaatadaptatie een van de vier hoofdredenen om Amsterdam groener en natuurinclusiever te maken; zie ook de strategische keuze Rigoureus vergroenen in Deel I VISIE en de paragraaf Groen in het hoofdstuk Leefbare stad. Ook watermanagement vervult een sleutelrol bij klimaatadaptatie. Door goed lokaal gebruik van regenwater via onder meer infiltratie en berging, waarbij rekening wordt gehouden met het lokale grondwaterpeil, kan schade door wateroverlast, hitte én droogte worden verminderd. Zie met name de paragraaf Ondergrond in het hoofdstuk Compacte stad. Rainproof Amsterdam Rainproof is een netwerkaanpak van meer dan honderd partijen in de stad. Gezamenlijk doel: Amsterdam beter bestand maken tegen hoosbuien. Rainproof gaat over de hele stad: private en publieke ruimte. Daarvoor wordt hemelwater tijdens hoosbuien tijdelijk opgevangen en via de oppervlakte afgevoerd, dus bovengronds verwerkt, wegens betere effectiviteit en doelmatigheid dan bij volledige verwerking in de riolering Hemelwaterverordening De gemeente heeft wettelijk de zorg om afvloeiend hemelwater te verwerken.

Het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRPA) 2016-2021, vastgesteld in 2016, geeft hieraan invulling. Het GRPA formuleert de ambitie dat de stad, op zowel privaat als publiek terrein, een bui met een herhalingskans van 1 keer per 100 jaar (toen zijnde een bui van 60 mm in 1 uur) kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. Hiertoe is in de Hemelwaterverordening een verplichting ingesteld om bij nieuwe bouwwerken het hemelwater op eigen perceel te bergen. Voor alle fysieke projecten van de gemeente zelf is dit een bindende norm. De opvolger van de GRPA, het Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027, zal waar-

174

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

Deel III | Wat

schijnlijk op basis van de actuele kennis van klimaatsverandering een strengere norm bui introduceren waardoor rekening gehouden moet worden met een hogere norm aan hemelwateropvang (70mm) en met bijhorende ruimtelijke consequenties. Overstromingen De zorg voor veilige waterkeringen en zo laag mogelijke overstromingskansen ligt bij de waterbeherende partijen. De gemeente heeft hierbij de verantwoordelijkheid dat binnen ruimtelijke projecten de huidige primaire en regionale keringen niet doorsneden of verzwakt worden, en er voldoende ruimte blijft voor toekomstige versterkingen. Amsterdam maakt deel uit van een regionaal watersysteem. Het Noordzeekanaal-IJ-Amsterdam Rijnkanaal is onderdeel van het hoofdwatersysteem en is daarin de hoofdtransportas, met de gemalen IJmuiden en Zeeburg als spuimogelijkheden voor overtollig water. De boezemwatersystemen, zoals de Amstel en de Amsterdamse grachten, zijn hierop aangesloten. Aanvoerroutes naar genoemde gemalen, waaronder dus de grachten, dienen voldoende vrije ruimte te bieden voor berging en doorstroming van water. Zeespiegelstijging zet de afvoer binnen dit hele watersysteem onder druk. In de toekomst kan het nodig zijn om in het Noordzeekanaal, maar ook het IJmeer en het Markermeer, meer ruimte in verticale zin in te bouwen.

Het huidige streefpeil voor het Noordzeekanaal is -0,40 m NAP en het maximaal toelaatbare peil is nu 0,00 m NAP. In de toekomst is het verhogen van het maximaal toelaatbare peil naar +0,20 m NAP mogelijk nodig. Voor het IJmeer is na 2050 mogelijk een extra peilopzet van 30 cm ten opzichte van het huidige peilbesluit nodig. Het is wenselijk om hiermee rekening te houden bij de bepaling van maaiveldhoogtes en inrichting van de ondergrond in ruimtelijke ontwikkelingen langs de genoemde wateren. langs genoemde wateren en in de vrijwaringszones van primaire keringen rekening mee te houden. Ook werkt peilverhoging onder meer door in de doorvaarthoogten van de bruggen in de binnenstad, de Schellingwouderbrug en (in de toekomst) de bruggen over het IJ. Hier-

175

over zullen in de daarvoor bestemde trajecten nadere afspraken gemaakt moeten worden. We wapenen we ons de komende decennia op vier manieren tegen overstromingen:

1.

Handhaving huidige keringen. Enkele jaren geleden is prioriteit gelegd bij de primaire keringen langs de hoofdwateren voor Amsterdam: de Lekdijk, IJmuiden en de

2.

3.

4.

Markermeerdijk. Daarmee zijn de eisen aan de keringen langs het Amsterdam-Rijnkanaal en Noordzeekanaal minder streng geworden. Toch is het vanwege klimaatverandering belangrijk om ook deze keringen in de huidige staat te handhaven. Meer ruimte voor het watersysteem. Het Noordzeekanaal / IJ krijgt steeds meer water te verwerken. Oplossingen in het ruimtelijke domein zijn: het vasthouden van water in de veenpolders, het toevoegen van ruimte in watersysteem, droogmakerijen en stad, het mogelijk maken van een peilverhoging in het systeem, het extra bergen van water in bergingsgebieden en het afvoeren van water met extra pompen en gemalen. Gevolgbeperking. Overstromingsrisico’s zijn in Amsterdam niet overal gelijk. Daarom is op kaart gezet in welke categorie een gebied valt, en welke maatregelen kunnen worden genomen. De gebieden met een egale arcering kennen een grotere overstromingskans (meer dan eens in de 3.000 jaar). De gevolgen van een overstroming kunnen worden beperkt door aangepast bouwen, evacuatieroutes en shelters, en veilige locatiekeuzes voor vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen en installaties voor elektriciteit, data en ICT. Deze maatregelen zijn extra van belang in het licht van zeespiegelstijging op de lange termijn. Verdichtingslocaties.

Voor de verdichtingslocaties in Amsterdam is bekend welke maatregelen kunnen worden genomen voor waterveilige projecten. Ook aangrenzende gebieden in de bestaande stad kunnen daardoor veiliger worden.

Hitte en droogte Nederland, dus ook Amsterdam, heeft een lange geschiedenis met de klassieke watertaken. Wateroverlast en overstromingsrisico’s zijn daarbij als gevolg van klimaatverandering urgenter geworden. De thema’s hitte en droogte hebben een kortere historie. In de hiervoor genoemde strategie Klimaatadaptatie krijgen de thema’s hitte en droogte daarom nadrukkelijk een plek.

Overstromingen:

Voorbeelden van oplossingen zijn de bouw van blauw-groene daken en infiltratieriolen. Bij de aanleg van blauw-groene daken kunnen de thema’s hitte, droogte, wateroverlast en biodiversiteit in één integraal project worden meegenomen. Weer-, water-, dak- en gebruikersdata worden slim gecombineerd, zodat water op wijkniveau op basis van de weersvoorspellingen kan worden vastgehouden of geloosd. Door verschillende daken met elkaar te verbinden ontstaat een nieuwe vorm van watermanagement. Waterdoorlatende kademuren maken het mogelijk oppervlaktewater te gebruiken om het grondwater aan te vullen in tijden van droogte. Ruimtelijke principes Hittestress wordt verminderd door zonwering, verkoelende luchtstromen, evapotranspiratie van vegetatie en schaduw. Droogte treden we tegemoet met onder meer droogteresistente, zouttolerante en diverse beplanting. Op het schaalniveau van de agglomeratie heeft Amsterdam met zijn groene scheggen een groot voordeel in het tegengaan van hittestress. Door groene, schaduwrijke routes naar koele gebieden te maken, kunnen ventilatiecorridors naar gebieden met een stedelijk warmteeiland ontstaan. Voor (nieuwe) gebouwen zijn vele bouwregel-aanscherpingen denkbaar ten behoeve van een betere woningkwaliteit en meer bescherming tegen hitte. In het stedelijk ontwerp zijn schaduwrijke groene plekken nodig.

Sowieso is veel vergroening nodig tegen hittestress: in straten, op en langs gebouwen, langs grachten.

“Faciliteer ruimtes die experimenteren met circulaire economie, waar duurzaamheid toegankelijk en tastbaar wordt”

preventie en beperken

Tamara Streefland | Stadsdeel Centrum

gevolgen.

176

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

Deel III | Wat

177

Circulaire economie Amsterdam is in 2050 een circulaire stad. We willen de aarde niet langer uitputten. Want we gebruiken grondstoffen momenteel alsof ze oneindig voorradig zijn. Dat legt een te grote druk op het klimaat, gebieden, samenlevingen, maar ook op onze economie in de toekomst.

In een circulaire economie consumeren we minder en produceren we veel efficiënter. Ook zorgen we ervoor dat organische grondstoffen zoals voedsel en (drink)water terugvloeien in het ecosysteem. En we gebruiken materialen langer en telkens opnieuw, zodat hun waarde wordt behouden en afval wordt voorkomen.

•

Het donutmodel van Kate Raworth beschrijft de bandbreedte waar we als samenleving in moeten zien te komen. De ondergrens is de welvaart die nodig is voor een sociaal rechtvaardige, bloeiende samenleving. De buitenkant van de donut staat voor de ecologische grenzen van de planeet.

Als samenleving gaan we fundamenteel anders consumeren en produceren. De circulaire economie levert veel kansen op. Allereerst stelt het ons in staat om de waarde van schaarse grondstoffen en materialen op grote schaal te behouden. Dit vergroot de beschikbaarheid van producten die we nodig hebben voor onze welvaart en technologische vooruitgang, maar ook om de energietransitie kracht bij te zetten. Daarnaast gaat het hergebruik van materialen, grondstoffen en goederen zorgen voor meer lokale werkgelegenheid in de reparatie- en verwerkingssector. Met de strategie Amsterdam Circulair 2020-2025 zetten we concrete stappen richting een circulaire economie. Dit doen we in samenwerking met veel partijen in de stad en de metropoolregio. Hierbij geven we uitvoering aan de door het Rijk geformuleerde doelstellingen: • •

In 2030 gebruiken we in Amsterdam 50% minder nieuwe grondstoffen. In 2050 is onze stad 100% circulair.

2.

Samen met onze partners hebben we drie waardeketens geselecteerd waar wij als gemeente een positieve invloed op uitoefenen. Daarnaast bestaat er een branchegerichte aanpak voor maatschappelijke instellingen en het bedrijfsleven, en voor haven en industrie. Een aantal van deze organisaties werkt al aan de circulaire transitie. Voor belangrijke stappen richting de landelijke doelstellingen heeft de gemeentelijke organisatie zichzelf tussentijdse doelen opgelegd. De belangrijkste zijn: 3. •

•

178

In 2022 is 10% van de gemeentelijke inkoop circulair, en ten minste 50% in 2025. Vanaf 2022 zijn alle nieuwe ontwerpen voor gebiedsontwikkelingen (inclusief

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

gen, transformaties en openbare ruimte in Amsterdam gebaseerd op circulaire criteria. Daaronder verstaan we materiaalgebruik met weinig milieudruk en een lange levensduur, of adaptief en demontabel bouwen om wisselende functies te ondersteunen. Denk hierbij aan bouwen met hout en andere biobased materialen en bouwen met secundaire bouwmaterialen die vrijkomen bij sloop en renovatie. De ambitie om waarde te behouden, zowel materieel als immaterieel, draagt ook bij aan het behoud van bijzondere Amsterdamse plekken zoals pleinen, parken en wijken. We streven naar waarde-inventarisaties volgens de genoemde donutmethodiek, om op zowel stedelijk als gebiedsniveau te kunnen sturen. In de hoofdstukken Leefbare stad en Compacte stad komen veel van deze onderwerpen terug.

Waardeketens, ambities en branches 1.

Het belang van de circulaire economie komt terug in het donutmodel van de Britse econoom Kate Raworth. Zie figuur. Daarin wordt de bandbreedte beschreven waar we als samenleving in moeten zien te komen. De ondergrens is de welvaart die nodig is voor een sociaal rechtvaardige, bloeiende samenleving. De bandbreedte loopt door tot aan de buitenkant van de donutring, die staat voor de ecologische grenzen van de planeet. Denk aan klimaatverandering, stikstofverzadiging en verlies van biodiversiteit. Dit is het ecologische plafond, waarmee we rekening houden om mensen elders in de wereld dezelfde brede welvaart te gunnen.

transformatie) en openbare ruimte gebaseerd op circulaire criteria. In 2023 zijn alle uitvragen in de gebouwde omgeving vanuit de gemeente circulair.

Voedsel & organische reststromen. Bij deze waardeketen draait het om de voedselkringloop: het duurzaam lokaal verbouwen en maken van producten die worden geconsumeerd in de stad, waarbij organische reststromen zo hoogwaardig mogelijk worden verwerkt en terugkeren in de keten. Consumenten en bedrijven verminderen de voedselverspilling vóór 2030 met ten minste 50%. Amsterdam test nieuwe, innovatieve manieren om organisch afval in te zamelen en te verwerken. We stimuleren stadslandbouw om voedsel dichter bij de Amsterdammers te krijgen. De gemeente koopt regionaal geproduceerd voedsel in. We ondersteunen kringlooplandbouw en werken samen met duurzame ketenpartijen om productie en consumptie van regionaal en duurzaam voedsel te vergroten. Dit sluit aan bij de ambities voor voedsel en stadslandbouw zoals beschreven in het hoofdstuk Gezonde Stad. Consumptiegoederen. Hierbij draait het om ons koop-, gebruik- en afdankgedrag van producten, zoals elektronica, textiel en meubels. Hoe behouden we hun waarde langer, hoe voorkomen we dat de grondstoffen en materialen als afval worden verbrand en hoe zorgen we ervoor dat we meer gaan repareren en met elkaar gaan delen? In de paragraaf over economie in het hoofdstuk Vitale stad wordt de rol van reparatiebedrijven benoemd.

Als gemeente geven we het goede voorbeeld door vanaf 2030 alleen nog maar circulair in te kopen en willen we onze consumptie met ten minste 20% verminderen. Gebouwde omgeving. Hiermee verwijzen we naar het ontwerp, de bouw en de renovatie van woningen, gebouwen en alles in de openbare ruimte, inclusief de ondergrond. Vanaf 2022 zijn alle nieuwe ontwerpen voor gebiedsontwikkelin-

Deel III | Wat

4.

Branches. Binnen de branchegerichte aanpak is een tweedeling gemaakt. De eerste pijler richt zich op branches met een maatschappelijk nut, zoals musea, scholen, universiteiten en ziekenhuizen. De tweede pijler richt zich op de zakelijke markt: niet-industriële bedrijven in voornamelijk het midden- en kleinbedrijf, en grootzakelijke bedrijven. Voor de circulaire transitie kan Westpoort zich ontpoppen tot een circulair ecosysteem. Hier kunnen bedrijven reststromen van elkaar en van elders benutten. Daarnaast kunnen er circulaire innovaties opbloeien tot op industriële schaal. We richten ons op de productiezijde (van chemisch element tot materiaal) en op de verwerkingszijde (hoogwaardig hergebruik materialen, grondstoffen en reststromen). De rol van Westpoort bij de transitie naar een circulaire economie wordt verder beschreven in het hoofdstuk Vitale Stad.

De overgang naar een circulaire economie is ingrijpend, met gevolgen voor de logistiek in de stad en de gebouwde omgeving. De circulaire transitie is gekoppeld aan andere duurzaamheidsthema’s en sociaal-inclusieve thema’s. Ter ondersteuning is een circulaire monitor ontwikkeld met data over materiaalstromen die de stad binnenkomen, hier blijven en de stad - meestal als afval - weer verlaten.

179

Circulaire gebiedsontwikkeling Het raamwerk CGO (Circulaire Gebiedsontwikkeling) [zie afbeelding] geeft een overzicht van de belangrijkste onderdelen waarover beslissingen moeten worden genomen in de gebiedsontwikkeling. Door criteria te stellen, worden de nieuwe ontwerpen voor gebiedsontwikkeling en transformatie circulair gemaakt. Ook socialere aspecten zoals identiteit, aanwezigheid hechte gemeenschappen, specifieke functies, toegankelijkheid, samenwerkingspartners, leefbaarheid en deelmobiliteit worden in dat overzicht meegenomen. Opschalen van bouwen met hout De mogelijkheden van bouwen met hout zijn groot en krijgen wereldwijd steeds meer

momentum. Door nieuwe technische mogelijkheden en de positieve eigenschappen en prestaties willen we met het bouwen met hout opschalen. Hout slaat CO2 op en kent, uitgaande van duurzame bosbouw, een veel circulairder productie- en bewerkingsproces dan bijvoorbeeld beton. Houtbouw draagt daarmee bij aan het behalen van klimaatdoelstellingen en vermindert de behoefte aan primaire grondstoffen. Daarnaast is houtbouw flexibeler en levert het lokale werkgelegenheid op. Hout kan worden toegepast in de openbare ruimte en in veel gebouwen, tot hoogbouw aan toe. Specifiek voor woningen werken we in de Metropoolregio Amsterdam toe naar een Green Deal die ertoe leidt dat vanaf 2025 minimaal 20% van de woningproductie in hout wordt uitgevoerd. De komende tijd zal worden verkend wat dit voor Amsterdam gaat betekenen.

14 Vitale stad Amsterdam wil een economisch vitaal en goed bereikbaar onderdeel van de metropoolregio zijn. Belangrijke randvoorwaarden voor een vitale economie zijn een hoogwaardige kennisinfrastructuur, aantrekkelijke en diverse stedelijke milieus en werkmilieus, vrije ruimte (zie ook het hoofdstuk Inclusieve stad), een goed ondernemersklimaat, een goede relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt en goede infrastructuurnetwerken, ook onder de grond. Digitalisering heeft daarbij steeds verdergaande effecten op ons leven, economisch en sociaal. Vanzelfsprekend gaan circulaire economische activiteiten de komende jaren een steeds grotere rol spelen. Voor wat betreft mobiliteit en ruimte maakt Amsterdam in een verdichtende stad een keuze voor duurzaam en gezond bewegen. Minder ruimte voor onder andere de auto geeft de mogelijkheid efficiënter met de schaarse ruimte om te gaan. De stad biedt daarmee een gezondere, groenere leefomgeving en meer ruimte voor ontmoeting. Om de regionale en landelijke samenhang te versterken en om vervoersarmoede tegen te gaan, zijn daarvoor grote investeringen in de fiets en het openbaar vervoer nodig.

Economie

reparatiebedrijven of logistiek hebben een

Amsterdam wil zijn sterke positie in de

lokale, stadsverzorgende functie.

wereldeconomie behouden en de welvaartsgroei, groei in de werkgelegenheid en daling van werkloosheid in de laaggeschoolde sectoren

wikkeling van de afgelopen decennia in

bestendigen. Daarbij streven we wel naar brede

Amsterdam leidt niet automatisch tot sociale

welvaart, waarbij materiële rijkdom niet de

ongelijkheid en uitsortering. Ons ruimte-

enige maatstaf is voor een goed leven. Het gaat

lijk-economisch beleid is daarop mede van

bijvoorbeeld ook om welzijn, om voldoende

invloed. Ons beleid in Ruimte voor de Eco-

vrije tijd, om een goede gezondheid, een pret-

nomie van Morgen uit 2017 laat onder andere

tige leefomgeving en om ruimte voor persoon-

zien hoe we ongelijkheid en uitsortering voor-

lijke groei.

komen. We willen ingrijpen op de ongelijkma-

Amsterdam wil meer dan voorheen de eco-

180

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

De geconcentreerde economische ont-

tige economische ontwikkeling van Amster-

nomische dynamiek in de kennis- en innovatie-

dam en de rest van de regio door kansrijke

economie aanwenden om een betere stad te

vestigingsmilieus buiten het Amsterdamse

worden voor alle Amsterdammers. Dat betekent

centrum en in de regiokernen verder helpen

gelijke sociaal-economische kansen, tegen-

te ontwikkelen, uitgaande van lokale identi-

gaan van ruimtelijke segregatie en ruimte voor

teiten. Dat versterkt de economische kracht

persoonlijke ontwikkeling en ondernemer-

van de deelregio’s van de metropoolregio en

schap. Behoud en inpassing van bedrijvigheid

draagt bij aan een efficiënter gebruik van het

in nieuwe gemengde wijken is daarbij cruciaal,

vervoerssysteem. Amsterdam wil meewerken

juist ook voor praktisch geschoolde werkgele-

aan het opstellen van een regionale economi-

genheid. Veel bedrijfsfuncties zoals bakkerijen,

sche strategie waarbij mensen in de hele regio

Deel III | Wat

181

profiteren van de economische dynamiek.

dichtingsopgave. Doel is om in ontwikkelin-

dammers van alle opleidingsniveaus en willen

verstedelijking, zeker omdat we open landschap

Inclusie, innovatie, en interactie moeten daarin

gen ook kleinschalige werkruimte te realise-

we daarom stimuleren. Ze zorgen met creatief

zo veel mogelijk willen sparen. Dit moet wel

een centrale plek krijgen.

ren. Dat doel wordt vertaald naar realistische

en innovatief ondernemerschap voor een brede

op een verantwoorde manier gebeuren. Ver-

streefgetallen per gebiedsontwikkeling, op

en diverse economische basis, waarmee de stad

dringing van kwetsbare economische functies

basis van marktonderzoek en de koppeling

beter in staat is om golfbewegingen en schokken,

moet worden voorkomen. De omgevingsvisie

aan lokaal onderwijs en arbeidsaanbod.

zoals de coronacrisis, op te vangen. Bovendien is

bouwt wat dit betreft voort op bestaand beleid

Bedrijvigheid in de duurzame, circulaire en digitale sectoren gaat in belang toenemen.

We willen op allerlei manieren rekening

ruimte voor productieve bedrijvigheid cruciaal

dat recent is ingezet met de ‘Bedrijvenstrategie

onze energie van de toekomst opwekken en

houden met de ruimtelijke effecten van de

bij het verduurzamen en circulair maken van

2020-2030’ (2020) om bedrijfsruimte in de

verwerken, en om bedrijven die slim omgaan

opkomst van de zzp’er. Er wordt veel meer

Amsterdam: denk aan het aardgasvrij maken

stad te behouden en (her)ontwikkelen. Onder-

met de producten die we (her)gebruiken en met

vanuit huis gewerkt, digitalisering en ‘third

van gebouwen, zorgen voor emissievrij verkeer

deel hiervan zijn behoud of herontwikkeling

de wijze waarop we onze stad bouwen. Zie hier-

places’ (tussen huis en bedrijf/kantoor)

en het opwaarderen van reststromen tot nieuwe

van 500.000 m2 bedrijfsruimte in gemengde

voor ook het hoofdstuk Duurzame Stad.

voor zakelijk contact spelen een steeds gro-

producten. Tot slot is ruimte voor een goed

wijken, reservering van de laatste kavels voor uit

tere rol, en het onderscheid tussen woon-

georganiseerde stadslogistiek noodzakelijk om

transformatiegebieden verplaatsende bedrijven

Nieuwe richtingen

gebieden, werkgebieden en ontmoetings-

instellingen, bedrijven en huishoudens onder

en een bedrijvenloods die bedrijven helpt bij

Op het brede terrein van de economie

plekken vervaagt. De inzet op verdichting

elke omstandigheid te bevoorraden.

het vinden van een nieuwe geschikte ruimte.

moeten de volgende nieuwe richtingen worden

in gemengde milieus sluit hier naadloos op

genoemd:

aan. Zie verder in Deel II WAAR.

Het gaat hierbij om ruimte voor bedrijven die

•

•

nauwlettend gemonitord.

ruimte voor bedrijvigheid onder druk staat.

talrijke economische functies, zijn een

Amsterdam heeft met Koers 2025 en de ont-

meer in grote steden. Amsterdam zet, in

belangrijke drager voor nieuwe stedelijke

wikkelstrategie Haven-Stad de wens uitgespro-

Nieuwe richtingen

samenwerking met de Metropoolregio

kwaliteit. Steeds vaker ook buiten de Ring

ken om grootschalig woningen toe te voegen

Gezien het belang van bedrijven voor

Amsterdam, in op economische variëteit

A10 in de grote transformatiegebieden.

in bestaand stedelijk gebied, waardoor tot 2050

een inclusief Amsterdam zetten we in deze

en verstedelijking op regionaal niveau.

Ze bieden hier ook plek voor lokaal onder-

450 hectare bedrijven en haventerrein zal trans-

omgevingsvisie extra in op het tegengaan van

Amsterdam biedt meer ruimte aan inno-

nemerschap. Zie verder hoofdstuk 7 over

formeren. Dit, samen met een groeiende vraag

economische verdringing. De Bedrijvenstrategie

vatieve, kennisintensieve bedrijven die

het ruimtelijk-programmatisch kader in

naar bedrijfsruimte, leidt tot een oplopend

uit 2020 is voor de middellange termijn rich-

gedijen in een stedelijke omgeving. Die

Deel II WAAR.

Amsterdams tekort van minimaal 150 hectare

tinggevend voor de ontwikkelingen op bedrij-

•

Amsterdam wil bedrijfsfuncties behouden

bedrijventerrein in 2040. Hoewel nog met een

venterreinen en de integratie van bedrijvigheid

voor hoogopgeleiden, maar ook voor het

voor lager en praktisch geschoolden, zodat

grote onzekerheid omgeven, lijkt er in Amster-

in woon-werkwijken. Met de omgevingsvisie

middenkader en lager opgeleiden. Plek

ook banen voor praktisch opgeleiden in de

dam en omstreken vooral een flinke vraag naar

zetten we vol in op de realisatie van gemengde

hiervoor maken we vooral in stationskwar-

nabijheid van wijken voorhanden blijven.

bedrijfsruimte te ontstaan van bedrijven die

woon-werkwijken, zoals in Haven-Stad.

tieren, kenniskwartieren, gemengde stede-

•

We kijken ook samen met onze buurge-

vanwege hun grootte en milieuhinder niet in

Behoud van werkgelegenheid in de productieve

lijke milieus nabij de grotere NS-stations.

meenten naar plekken voor deze bedrijfs-

gemengd stedelijk gebied passen, maar ook

economie heeft daarbij onze speciale aandacht.

Zie verder in Deel II WAAR in de paragraaf

functies.

niet in of rond de haven. Dit gegeven vraagt om

Daarnaast spannen we ons in om het tekort aan

Aan het water beschermen we de ruimte

meer regionale sturing.

bedrijventerreinen richting 2050 niet verder

•

op te laten lopen. Uitgangspunt daarbij is dat

Naast welvaartsgroei ligt de nadruk op

voor watergebonden bedrijvigheid en de

het tegengaan van (kansen)ongelijkheid.

waterroutes ernaartoe, anders nemen de

Daarom werken we aan uitbreiding van

kansen voor transport over water af.

hangt af van het succes van integreren van

ductieve economie, waarbij de regio het niveau

Hoe groot de schaarste aan ruimte wordt,

Amsterdam ruimte blijft bieden aan de pro-

Voorrang voor circulaire bedrijvigheid.

bestaande en nieuwe lichte vormen van bedrij-

wordt voor ruimtelijke strategie en vestigings-

zodat meer Amsterdammers daarvan

Circulaire bedrijfsvoering zal steeds meer

vigheid (ambachten, kleinschalige productie,

vraagstukken. Daarom komen we met nieuw

kunnen profiteren. De drie stadsdeelcen-

worden gestimuleerd en afgedwongen. Zie

distributie en reparatiebedrijven) in de geplande

instrumentarium om de ruimtevraag in stad en

tra Buikslotermeerplein, Osdorpplein en

verder in het hoofdstuk Duurzame stad.

woon-werkwijken en het verdichten van

regio in goede banen te leiden.

bedrijventerreinen. Dit vergt een blijvende

•

hoogwaardige gemengde stadsmilieus,

•

Amsterdamse Poort ontwikkelen zich tot

182

gelegenheid in betrokken de gebieden worden

Stadsstraten, met daarlangs ruimte voor

Verkeer en vervoer.

•

De ontwikkeling van de bedrijvigheid en werkDe groei van Amsterdam maakt dat de

activiteiten concentreren zich steeds

Complexe economische en innovatieve

bedrijven genereren niet alleen banen

•

•

Amsterdam spant zich in om op basis van

stedelijke centra. Ze worden verdicht en

Bedrijven

inspanning. Al sinds de structuurvisie uit 2011

de regionale strategie voor bedrijventer-

gemengd met meer wonen en fijnmazige

Amsterdam doet zijn best om de produc-

sturen wij hierin, maar de doelen worden daar-

reinen, tot regionale afspraken te komen

bedrijvigheid, ook in betaalbare catego-

tieve economie plaats te blijven bieden in de

bij slechts ten dele behaald, omdat autonome

en de regionale uitvoeringsorganisatie te

rieën. Zie ook de strategische keuze Meer-

stad. Voldoende ruimte voor dit type bedrijvig-

krachten sterk zijn. Het is een flinke uitdaging

versterken. Zodat er duidelijkheid komt

kernige Ontwikkeling in Deel I VISIE en

heid - daar waar goederen gemaakt, gerepareerd,

die mét de markt, ondernemers en betrokkenen

over beschikbare ruimte voor verhuizende

hoofdstuk 7 over het ruimtelijk-program-

op- of overgeslagen worden – in de stad is van

gerealiseerd moet worden.

bedrijven en deze ondernemers waar nodig

matisch kader in Deel II WAAR.

essentieel belang voor een inclusief, vitaal en

We scherpen ons beleid aan om kleinscha-

duurzaam Amsterdam in 2050. Ambachten,

lige bedrijvigheid te integreren in primair op

maakindustrie en logistieke ondernemingen zor-

dam onvermijdelijk dat ruimte-extensieve func-

Amstel III bedrijvenstrook. Bedrijven-

wonen gerichte stadsbuurten met een ver-

gen voor een divers werkaanbod voor Amster-

ties zoals bedrijventerreinen plaatsmaken voor

strook Amstel III biedt kansen voor groot-

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

begeleid worden naar nieuwe locaties; Het is in een snelgroeiende stad als Amster-

Deel III | Wat

•

Pilot grootschalige intensivering op

183

schalige intensivering met gestapelde

Kantoren

bedrijfsgebouwen, om zo meer bedrijven

Kantoorontwikkeling in Amsterdam is

een plek te bieden. Om de intensivering

gebonden aan het beleid zoals verwoord in

te stimuleren kan bij wijze van pilot en als

het ‘Kantorenplan 2019-2026’. Dit in 2019

gebiedsspecifieke oplossing een klein deel

vastgestelde beleid ging na jaren van leegstand

van het terrein (grenzend aan Arenapoort)

uit van meer krapte op de kantorenmarkt in de

op termijn doorontwikkelen naar een

komende jaren.

gemengd stedelijk gebied. Het toevoegen van wonen kan niet plaatsvinden zonder dat

•

er eerst een verdichting met bedrijfsruimte

Hoewel de coronacrisis de onzekerheid

op het bedrijventerrein plaatsvindt, waarbij

van kantoorontwikkelingen vergroot, is de

er per saldo meer bedrijfsruimte komt.

leegstand in Amsterdam eind 2020 historisch

We ontwikkelen een strategie om overige

laag. Met de voorspelde groei van de stad is het

bedrijventerreinen te verdichten en inten-

reëel uit te gaan van aanhoudende vraag naar

siever te gebruiken zodat er voldoende

kantoorruimte. Hierbij zullen we marktont-

plek blijft voor bedrijven en diensten die

wikkelingen nog scherper monitoren. Deze

gebonden zijn aan de stad. De dichtheid

omgevingsvisie noemt de belangrijkste ruimte-

van bedrijventerreinen moet structureel

lijke principes waarmee Amsterdamse kantoor-

omhoog als we de stad willen laten groeien

ontwikkelingen de komende jaren te maken

met behoud van het groene buitengebied.

hebben.Deze principes hebben zich bewezen in

Het is onmisbaar hier een realistische doel-

de praktijk en dragen bij aan veel andere doelen in deze omgevingsvisie: 1. Kantoren worden bij voorkeur op goed per openbaar vervoer bereikbare locaties gebouwd. Daarbij geldt: hoe beter de ov-ontsluiting, hoe groter de kantoorvolumes mogen zijn. Bij Zuidas of Sloterdijk zijn er dus grootschaliger kantoorontwikkelingen mogelijk dan bijvoorbeeld rondom een willekeurige metrohalte. Zie ook Stationskwartieren in Deel II WAAR. 2. Kantoren worden bij voorkeur toegevoegd in gemengde woon-werkmilieus. Monofunctionele kantorenparken worden niet meer gerealiseerd, en verschillende bestaande monofunctionele kantoorgebieden worden liefst getransformeerd naar gemengd gebruik. 3. In overleg met regiopartners wordt kantoorontwikkeling in gemengde stedelijke gebieden rondom regionale ov-knooppunten gestimuleerd. 4. Duurzaamheidsdoelstellingen in deze omgevingsvisie, zoals klimaatneutraliteit, klimaatbestendigheid, adaptief en demontabel bouwen en circulair materiaalgebruik, zijn ook van toepassing op nieuwe of te renoveren kantoren.

stelling en financiële onderbouwing voor te hebben. •

We ontwikkelen een plan voor naoorlogse wijken om in de stedelijke vernieuwing meer ruimte te krijgen voor verschillende vormen van bedrijvigheid. Hierbinnen onderzoeken we de haalbaarheid van bedrijfsverzamelgebouwen/makersdistricten gericht op ambacht en maakindustrie. Dit plan vervangt op termijn de richtlijn uit de vorige structuurvisie om in gebiedsontwikkelingen per nieuwe woning 5m2 kleinschalige bedrijfsruimte te ontwikkelen.

•

Met betrekking tot transformatiegebieden gaan we nadrukkelijker communiceren over het bedrijvenloket transformatie voor verplaatsende bedrijven, betrekken we ondernemersorganisaties meer bij onderzoek, pilotprojecten en monitoring van de totstandkoming van de productieve wijken. Daarnaast passen we de opgedane ervaring toe in toekomstige transformaties, zoals Haven-Stad.

•

Nieuwe richtingen

We verweven het ruimtelijke beleid voor bedrijven met arbeidsmarktbeleid, zodat er een zo veel mogelijk geïntegreerde aanpak ontstaat om praktische werkgelegenheid te behouden in de stad. De opzet van een netwerk tussen praktisch onderwijs, stagebedrijven en ruimteaanbieders voor startende bedrijvigheid kan hier een voorbeeld van zijn.

184

Kenniskwartieren In de visie ‘Ruimte voor de Economie van Morgen’ (2017) worden kenniskwartieren/

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

innovatiedistricten benoemd als belangrijke plekken voor de stedelijke economie. De gebieden zijn divers; de nadruk kan liggen op onderwijs en kennisdeling, wetenschap en onderzoek of ondernemerschap en startups. In alle gebieden ligt de focus ligt op het stimuleren van interactie en het ontwikkelen van kennis en ideeën. Verdere ontwikkelingen van deze gebieden vindt op drie manieren plaats. 1) Fysieke inrichting van het gebied moet interactie stimuleren. Functiemening, bereikbaarheid en de inrichting van de openbare ruimte met plek voor experimenten zijn daarbij van groot belang. 2) Ruimte bieden aan innovatieve bedrijven en instellingen die elkaar versterken. 3) Bouwen aan een netwerk tussen bedrijven en instellingen gericht op het ontwikkelen en uitwisselen van ideeën. Door de combinatie van de drie bovenstaande onderdelen ontstaan een innovatief ecosysteem. Nieuwe richtingen Gezien het belang van de kenniskwartieren voor de ontwikkeling van de stedelijke economie gaan we de komende jaren hier verder op inzetten. Dat doen we door de visie ‘Ruimte voor de Economie van Morgen’ (2017) specifiek voor het onderdeel kenniskwartieren/innovatiedistricten verder uit te werken. In die uitwerking nemen we naast de ruimtelijke component ook de niet-ruimtelijke componenten van die gebieden mee.

We brengen in beeld wat het economische belang van deze gebieden is voor de economie en hoe we dit kunnen vergroten. De belangrijkste locaties komen qua profiel en ambitie aan de orde en we kijken ook naar netwerken en governance. Daarnaast werken we de komende jaren verder aan de ontwikkeling van twee nieuwe kenniskwartieren in de stad: Riekerpolder/Nieuwe Meer en Marineterrein. Datacenters, small cells Wat betreft digitalisering spelen vooral datacenters een aanzienlijke rol in de sterke vraag naar energie. De uitrol van 5G zal dit nog eens versterken. Doordat deze vraag steeds meer gaat knellen, is er op middellange termijn nog beperkte groei van datacenters mogelijk, onder strenge voorwaarden. We verwijzen hierbij naar het ‘Vestigingsbeleid datacenters 2020 – 2030: Amsterdam Duurzaam Digitaal’. Binnen de Metropoolregio Amsterdam onderzoeken

Deel III | Wat

we wat regionaal de beste plek is voor nieuwe datacenters. Digitalisering betekent ook een toename van glasvezelnetwerken en ‘small cells’ (kleine antennes). Elke straat krijgt in de toekomst meerdere small cells; deze worden bij voorkeur geïntegreerd in bijvoorbeeld straatmeubilair. Detailhandel Voor de coronacrisis ging het goed in de meeste detailhandel in Amsterdam. Omzetten stegen, het aantal banen groeide, relatief weinig winkels stonden leeg en de huren ontwikkelden zich veelal marktconform. Veel wijkwinkelcentra zijn vernieuwd en profiteren van de bevolkingsgroei. Winkelen is nog steeds populair, maar wordt veelal gecombineerd met bezoek aan horeca, een museum of een kapper. Dat laat onverlet dat er ook problemen zijn in de detailhandel. Het gaat minder goed in enkele buurtwinkelstrips en in de stadsdeelcentra Buikslotermeerplein, Amsterdamse Poort en Osdorpplein. Ook sommige perifere winkelgebieden met bouwmarkten en woninginrichters staan onder druk. De gebieden zijn niet aantrekkelijk genoeg en kennen leegstand. De kern van het Amsterdamse ‘Detailhandelsbeleid 2018-2022’ betreft twee doelen. Ten eerste moeten inwoners op redelijke afstand van de woning dagelijkse boodschappen kunnen doen. Het tweede doel is meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad, waar je kunt winkelen voor producten die je niet elke dag koopt.

Deze twee hoofddoelen blijven de komende jaren overeind. Ze zijn uitgewerkt in richtlijnen, zoals bevordering van diversiteit van het winkelaanbod, clustering van winkels, extra winkels alleen bij groeiend draagvlak door woningbouw, transformatie van minder kansrijke winkelgebieden en verminderen van PDV-locaties. Amsterdam is een echte marktstad, met meer markten dan de andere vier grote steden samen. Daarmee zijn de markten naast de winkels een belangrijke pijler van de totale detailhandel. Markten vormen een belangrijke schakel in een diverse voedselvoorziening en hebben een belangrijke sociale ontmoetingsfunctie. Het gewenste toekomstige stelsel van markten is geschetst in de Marktvisie Amster-

185

dam 2018 – 2026. Bij gebiedsontwikkelingen wordt rekening gehouden met de voor markten benodigde ruimte. Nieuwe richtingen Deze omgevingsvisie legt voor de komende jaren enkele nieuwe accenten die raken aan detailhandel. Ten eerste zet de Omgevingswet in op een meer integrale benadering in het ruimtelijk domein. Detailhandel is een van de functies in centrumgebieden en stadsstraten en profiteert van de nabijheid van andere functies, zoals horeca, maatschappelijke voorzieningen en consumentgerichte dienstverlening en vice versa. Gemengde gebieden met een keur aan functies zijn aantrekkelijk. Door functies meer in samenhang te bezien, werken we toe naar toekomstbestendige gebieden. Het huidige detailhandelsbeleid biedt hiervoor al veel handvatten, maar we kijken in de omgevingsvisie verder vooruit. Zo beoogt onze strategische keuze voor meerkernige ontwikkeling de transformatie van stadsdeelcentra Buikslotermeerplein, Osdorpplein en Amsterdamse Poort ArenAPoort naar gemengde stedelijke centra. Door deze drie centra te verdichten met wonen en werken en beter te integreren in het omliggende weefsel van de stad hopen we de gebieden een nieuwe toekomst te bieden. Een vrijere menging en uitwisseling tussen detailhandel en overige functies is daarbij belangrijk, temeer daar de groei van internetwinkelen de toekomstige omvang van detailhandel extra onzeker maakt.

Ook andere delen van de stad kunnen baat hebben bij het vloeiender maken van het onderscheid tussen detailhandel en overige niet-woonfuncties, met name in (nieuwe) stadsstraten. Onze Agenda Samen stadmaken wil op verschillende, nader te bepalen plekken in buurten meer ruimte bieden aan lokaal ondernemerschap van velerlei aard; zie ook het betreffende hoofdstuk. Dat kunnen maakbedrijfjes zijn, culturele of dienstverlenende bedrijfjes, horeca, maar ook kleinschalige detailhandel, of mengvormen daarvan. Wij agenderen vernieuwing van ons detailhandelsbeleid op dit punt als uitwerkingsopgave voor de komende jaren. Het zou mooi zijn als detailhandel daarmee integraal onderdeel wordt van flexibelere en inclusievere mogelijkheden

186

voor lokaal ondernemerschap, zowel fysiek als juridisch. Dat draagt hopelijk ook bij aan een voorspoedig herstel van wijkeconomieën en detailhandel na de Coronapandemie en aan een door velen gewenst diverser winkelaanbod. Tot slot: onze stevige ambities bij Gezonde stad kunnen de komende jaren gevolgen hebben voor ons beleid voor sommige vormen van detailhandel. Vooral bij supermarkten prevaleert gemak op vele manieren boven gezondheid. Wij verwachten en wensen dat daar de komende jaren een kentering in komt. Toerisme en overnachtingsbeleid De afgelopen jaren is door de stormachtige groei van het toerisme de leefbaarheid en de balans tussen bewoners en bezoekers in delen van de stad onder druk komen te staan. Voor de komende jaren wensen wij een evenwichtiger stad met minder toeristendominantie in het centrum en een steviger positie van bewoners. De herpositionering van de binnenstad als plek waar bezoekers én Amsterdammers zich thuis moeten voelen, in plaats van waar bezoekers zich ten koste van Amsterdammers thuis voelen krijgt een stevige impuls met de Aanpak Binnenstad en het bijbehorende uitvoeringsprogramma. Het toerisme moet kwalitatief hoogwaardiger worden en zich meer verspreiden over stad en regio. Daarom willen we het aantal toeristenattracties in het centrum de komende jaren langzaam verminderen, en in wijken buiten de ring A10 en de regio juist vergroten.

Dat sluit goed aan op onze strategische keuze voor een meerkernige stad. Een van de maatregelen om de overlast van toerisme in de hand te houden is beperking van de groei van het aantal hotelkamers en aanscherping van regels voor vakantieverhuur van woningen. De huidige coronacrisis heeft veel impact op de hotelbranche en hoe zij uit de crisis zal komen is nog onzeker. Enkele hotels verkennen tijdelijk wonen in hotelkamers. Met de vaststelling van de Regionale Hotelstrategie 2016-2022 wordt al sinds 2013 niet meer ingezet op een algemene stimulering van hotelontwikkeling, maar regionaal ingezet op

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

hotelontwikkelingen die lokaal waarde toevoegen. In 2016 is het Amsterdamse deel van de regionale hotelstrategie herzien: ‘Van hotelbeleid naar overnachtingsbeleid’, met als doel om de groei van het aantal hotels af te remmen. Ondanks de huidige crisis is de verwachting dat op lange termijn de interesse voor hotelontwikkeling zal blijven bestaan. Het strenge overnachtingsbeleid blijft de komende jaren dan ook overeind. Nieuwe richtingen Een belangrijk doel van deze omgevingsvisie is een evenwichtiger verdeling van onder meer werkgelegenheid, voorzieningen en toeristen in de metropoolregio. Met de vaststelling van het MRA ontwikkelkader verblijfsaccommodaties in 2020 is hierop al ingezet. Amsterdam en de regiogemeenten hechten belang aan realisatie van hoogwaardige en gebiedsversterkende hotels in de regio. De komende jaren gaan we verkennen welke extra mogelijkheden de Omgevingswet biedt om de groei van het aantal hotels in Amsterdam te beperken. We zoeken daarbij aansluiting bij twee doelen van de Omgevingswet: beter inzicht in wat op bepaalde plekken wel en niet mag en meer samenhang in beleid, besluitvorming en regelgeving. De tijdelijke verhuur van reguliere woningen sluit op zich prima aan in de ambitie van ruimte geven aan burgerinitiatieven en samen stadmaken.

Via grootschalige internationale vakantieverhuurplatforms heeft deze activiteit in de jaren voorafgaand aan COVID-19 echter een zodanig hoge vlucht genomen dat beperkingen nodig waren. In drie Amsterdamse wijken is de toeristische draagkracht het meest in het geding gebleken: Burgwallen-Oude Zijde, Burgwallen-Nieuwe Zijde en Grachtengordel-Zuid. De overige wijken met relatief hoge toeristische druk bevinden zich in Centrum en Zuid. In de drie genoemde wijken is vakantieverhuur vanaf 2020 verboden er geldt er een vergunningplicht in de overige wijken. De vergunningplicht geldt ook voor bed-and-breakfastadressen. Vanaf 2021 treden er extra controlemogelijkheden in werking, zoals een registratieplicht van vakantieverhuurders. Het aangescherpte uitgangspunt dat woningen vooral zijn om in te wonen, wordt

Deel III | Wat

ook tot uitdrukking gebracht in de paragraaf Wonen in het hoofdstuk Inclusieve stad. Horeca Voorafgaand aan de coronapandemie werd de stad steeds drukker en was er grote vraag naar horeca, gebruik van openbare ruimte door terrassen en vervaging van de grenzen tussen horeca, detailhandel, cultuur en dienstverlening. Het vigerende horecabeleid bood onvoldoende mogelijkheden om hierin mee te gaan en tegelijk een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Na Corona blijft horeca belangrijk voor onze stad, voor ontmoeting, ontspanning en – steeds vaker – als werkplek. We zoeken daarom naar een evenwicht tussen ruimte voor horecaondernemers, gastvrijheid, en een prettig leefklimaat voor bewoners. Nieuwe richtingen In de loop van 2021 stellen we een nieuw beleidskader horeca vast, dat inspeelt op vernieuwingen in de markt en een relatie legt met aanpalende beleidsthema’s. Het bestaat uit drie pijlers: 1. Beperking van overlast voor bewoners. 2. Eenduidige regels met herleidbare afwegingen voor ondernemers. 3. Uniforme regulering voor de stad.

1.

2.

3.

We stellen de volgende wijzigingen voor ten opzichte van het oude beleid: Een nieuwe onderverdeling van horecacategorieën, beter toegepast op de hedendaagse praktijk, generiek toepasbaar voor heel Amsterdam. Een duidelijker keuze uit instrumenten ter regulering van horeca, zoals de APV, het omgevingsplan, algemene regels, meldingsplicht, vergunningsplicht enzovoorts. Een inhoudelijk kader dat antwoord geeft op de vraag waar welke vormen van horeca(-activiteiten) wel of niet gewenst zijn.

Daarnaast introduceert het stedelijk beleidskader handvatten om de stedelijke regels lokaal en maatwerkgericht toe te kunnen passen, met bijvoorbeeld gebiedstypologieën. Maatwerk vindt verder plaats in horeca-ambi-

187

tieplannen. Daarin wordt per gebied, buurt of wijk beschreven welke functies er thuishoren en welke relevante ontwikkelingen het gebied de komende jaren doormaakt. Met een dergelijke analyse wordt het mogelijk om passende keuzes te maken, zodat iedere horecavestiging op een positieve wijze bijdraagt aan de buurt. In het nieuwe beleidskader horeca komt ook aandacht voor een gezondere voedselomgeving in Amsterdam. Evenementen Evenementen horen bij de stad en brengen Amsterdammers een rijk en breed aanbod, verbinden mensen, bieden kansen voor nieuw talent en maken deel uit van de identiteit van Amsterdam. In veel gevallen vervullen evenementen ook een functie voor de regio en ver daarbuiten. Evenementen in de openbare ruimte kunnen ook overlast geven. Hoewel in de afgelopen jaren veel is geïnvesteerd in overlastbeperkende maatregelen, neemt in de openbare ruimte de spanning tussen behoefte aan rust en de overlast van evenementen eerder toe dan af. Dit is het gevolg van de verdere verdichting van de stad en daarmee toenemende concurrentie in het gebruik van de openbare ruimte. Dit maakt dat we voor evenementen de komende jaren een delicate middenkoers moeten bewandelen, met oog voor beide kanten van de zaak. Bij vernieuwing van het evenementenbeleid zal deels worden aangesloten op de strategische keuze voor meerkernige ontwikkeling in deze omgevingsvisie.

Dat wil zeggen dat vergunningverlening en spreiding van evenementen vaker op het niveau van de hele metropoolregio zal worden bezien.

Mobiliteit en ruimte Mobiliteit is een opgave op alle schaalniveaus, van internationale verbindingen tot aan de toegankelijkheid van de voordeur. Deel I VISIE van deze omgevingsvisie geeft met de strategische keuze voor duurzaam en gezond bewegen richting aan de inzet op een autoluwe stad, waar gezond bewegen vanzelfsprekend is. In deze beleidsagenda zijn belangrijke opmerkingen over verkeer ook te vinden in de paragrafen Klimaatneutraal, Haven, Schiphol, Openbare ruimte, Water, Luchtkwaliteit en Geluid. In

188

Deel II WAAR komen alle verkeersnetwerken aan bod, in kaarten met toelichtingen. In deze beleidsparagraaf beperken we ons daarom tot algemene uitgangspunten van beleid voor de komende jaren. Voor de meeste deelterreinen van mobiliteit is al vastgesteld beleid: • • • • • • • • • • • • •

Ruimte voor de voetganger Beleidskader Verkeersnetten Agenda Amsterdam Autoluw Nota Deelmobiliteit Agenda Autodelen Agenda Touringcar 2020-2025 Meerjarenplan Fiets Nota parkeernormen auto Nota parkeernormen fiets en scooter Meerjarenplan Verkeersveiligheid 2016-2021 Actieplan Schone Lucht Nota Varen II Actieplan Kademuren en bruggen

dankzij parkeernormen en -tarieven, aanleg van P+R-voorzieningen, investeringen in fiets en openbaar vervoer, herinrichtingen en circulatiemaatregelen met name het aantal korte autoritten (-60%) en autoritten van bezoekers (-50%) flink gedaald. Tegelijk zagen we vanwege de groei van de stad een stijging van bedrijfsmatig verkeer, vooral van het aantal taxiritten en logistieke ritten. Logistiek verkeer bedraagt nu zo’n 15% van alle verkeer in Amsterdam. Op dit moment gaat nog altijd bijna 60% van de woon-werkverplaatsingen door bewoners en bezoekers met de auto. Ondanks een laag autobezit van gemiddeld 0,4 per Amsterdams huishouden is de auto nog een grote ruimtegebruiker. In sommige delen van de stad nemen parkeerplaatsen tot 20% van de verharde openbare ruimte in. Van alle geparkeerde auto’s op straat in de avonduren zijn 9 van de 10 van een bewoner.

Nieuwe richtingen Sturen in de mobiliteitstransitie In onze verdichtende stad is het noodzakelijk om de druk van mobiliteit op de openbare ruimte te verlagen. We willen meer en fraaiere ruimte waarin kan worden geleefd en gespeeld, waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Met ruimte voor groen, beweging, klimaatadaptatie en allerlei noodzakelijke voorzieningen, zowel boven- als ondergronds. Een stad ook waarin iedereen mee kan doen: jong en oud, arm en rijk, goed en slecht ter been. Ook hebben we oog voor de kwetsbare historische infrastructuur van de stad. De mobiliteitstransitie betekent vooral een verschuiving van autogebruik naar andere manieren van vervoer. Daarbinnen zijn de belangrijkste ontwikkelingen: 1.

Al dit beleid blijft de komende jaren in principe van kracht. Voor details verwijzen we naar de betreffende documenten. Hier gaan we in op enkele hoofdlijnen en nieuwe richtingen. Metropoolvorming en mobiliteitsverschillen Tot 2050 maken we in deze omgevingsvisie ruimte voor minimaal 150.000 nieuwe woningen en 200.000 extra arbeidsplaatsen in Amsterdam. Aangezien ook de rest van de metropoolregio groeit, neemt de mobiliteit in de hele regio toe. Maar de onderlinge verschillen zijn groot. In de stedelijke en verdichtende delen van de regio, met name Amsterdam zelf, gaat het steeds vaker om voetgangers, fietsers, ov-reizigers en kleine vrachtbusjes. Andere delen van de regio blijven van de auto afhankelijk. Dat sluit niet vanzelfsprekend op elkaar aan. Omgaan met die verschillen door middel van overstappunten, hubs, regiolijnen, parkeermaatregelen en dergelijke is een belangrijk thema in het Amsterdamse en regionale mobiliteitsbeleid. Ondanks de groei van Amsterdam is het autoverkeer in de stad de afgelopen 20 jaar licht afgenomen. Amsterdam heeft consequent beleid gevoerd om de druk van de auto op de stad te verminderen. Sinds 2000 is mede

Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool

De toenemende druk op de stad en de autoluwmaatregelen hebben als risico dat de overlast van de auto zich verplaatst naar wijken buiten het centrum. Maar ook in die gebieden is de komende jaren ruimte nodig voor verdere verdichting en zetten we in op autoluwe kernen. Door de verdichting van centra in Zuidoost, Nieuw-West en Noord kunnen ook omliggende gemeenten meer last krijgen van ‘Amsterdamse’ parkeerders. Amsterdam is zich hiervan bewust en wil hier samen met de buurgemeenten mee aan de slag. Zonder extra maatregelen zal het aantal autoverplaatsingen van, naar en in Amsterdam tot 2050 naar verwachting met ruim 20% toenemen. Voor logistiek verkeer geldt dat ook. Het aantal ov-reizigers neemt naar verwachting toe met bijna 25% tot 2050, en het aantal fietsers met 15%. De grootste stijgingen zien we in Noord, Oost en Zuidoost, waar de grootste toename van inwoners en banen wordt verwacht. Als we geen groei van autoverkeer willen, dan moet het aantal fietsers en ov-reizigers veel sterker toenemen dan genoemde percentages. Dat vergt op allerlei manieren forse inspanningen om dat voor elkaar te krijgen, ook op regionaal niveau. Sowieso zijn er stevige investeringen in infrastructuur voor openbaar vervoer en fiets noodzakelijk.

Deel III | Wat

2.

3.

4.

Van fossiel naar uitstootvrij: de ambitie van Amsterdam is om in 2030 alleen nog uitstootvrije mobiliteit te hebben. Van groot naar klein: er komen steeds meer kleine voertuigen voor logistiek en personenvervoer. Van bezit naar gebruik: er wordt steeds meer deelmobiliteit aangeboden voor met name auto en fiets. Van unimodaal naar multimodaal: verplaatsingen gaan straks vaker met overstappen tussen verschillende vervoermiddelen.

De mobiliteitstransitie draagt bij aan een inclusieve, duurzame, vitale, gezonde, leefbare, en compacte stad en regio. Het zorgt voor minder CO2-uitstoot, minder geluidsoverlast en een betere luchtkwaliteit. Zie hiervoor ook de desbetreffende hoofdstukken. Ontwikkelen op basis van nabijheid Mobiliteit ontstaat doordat mensen functies en activiteiten zoeken. Hoe meer deze functies bij elkaar liggen, hoe groter de kans dat mensen kleinere afstanden afleggen op een manier die passend is bij de stad. Nabijheid is dus een belangrijke manier om de stad duurzaam, leefbaar en inclusief te houden. In nieuw te ontwikkelen gebieden komt daarom een goede mix van wonen, werken en voorzienin-

189

gen. Uitgangspunt is dat alle Amsterdammers zoveel mogelijk functies op loop- of fietsafstand van hun huis moeten hebben. Nabijheid betekent ook dat bevoorrading, (pakket)bezorging en afvalinzameling tot diep in de wijken doordringt. Door dat te concentreren in hubs, en verder kleinschalig te doen, blijven de wijken leefbaar. Mobiliteit voor iedereen Mobiliteit is voor iedereen in de stad belangrijk om mee te kunnen doen. Uitgangspunt is dat iedereen zich moet kunnen verplaatsen: mensen met een beperking, mensen met een kleine portemonnee, kinderen, ouderen. Dat uitgangspunt hoort bij een inclusieve stad, maar het levert soms ook dilemma’s op. Meer ruimte op de stoep betekent dat we minder ruimte geven aan een andere functie, vaak de auto. Maar dat kan weer betekenen dat mensen die afhankelijk zijn van de auto zich minder goed kunnen verplaatsen. Meer hoogwaardige ov-lijnen maken de regio beter bereikbaar, maar kan het openbaar vervoer in bepaalde wijken minder fijnmazig maken. Sommige keuzes veroorzaken ongewild vervoersarmoede bij mensen. Daarom formuleren we hier als uitgangspunt dat alle burgers tegen redelijke kosten - in termen van geld, tijd en moeite - de vervoersbewegingen moeten kunnen maken die nodig zijn voor volwaardig meedoen in de samenleving.

Naast aantrekkelijk openbaar vervoer helpt een goed, sociaal veilig ontwerp van de openbare ruimte hierbij, evenals aandacht voor betaalbaarheid. Belangrijk is verder dat verdichting – een van de belangrijkste doelstellingen van deze omgevingsvisie – in veel wijken buiten de Ring A10 het draagvlak voor fijnmazig openbaar vervoer verbetert. En dat is goed voor iedereen. Schone, veilige en slimme mobiliteit In Amsterdam krijgen efficiënte, schone en veilige vormen van vervoer prioriteit. We stellen eisen aan de voertuigen die onze stad binnenkomen. De milieuzones worden steeds groter en strenger, totdat in 2030 verbrandingsmotoren niet meer de bebouwde kom in mogen. Door voldoende alternatieven te bieden, zorgen we ervoor dat de inclusiviteit en de bevoorrading van de stad gewaarborgd blijven. Bij personenvervoer geven we voorrang aan actieve vormen van vervoer. Deelmobili-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10293551/1