CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 NvB NRD.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 28 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Nota van Beantwoording (NvB) van zienswijzen en adviezen over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het ‘PlanMER Programma Windenergie Amsterdam.’ (VN2023-019709)34.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Nota van beantwoording Notitie Reikwijdte en Detailniveau – Plan-MER Programma Windenergie Amsterdam Datum 12 juli 2023

1

Inhoudsopgave Inleiding ................................................................................................................................................... 4 Leeswijzer ............................................................................................................................................ 4 Nut en noodzaak ..................................................................................................................................... 5 Doelstelling .......................................................................................................................................... 8 Energieopbrengst & vermeden emissies............................................................................................. 9 Alternatieven en Locaties ...................................................................................................................... 11 Effecten op de leefomgeving................................................................................................................. 15 Geluid ............................................................................................................................................ 16 Algemene inleiding geluid .........................................................................................................

16 Rekenwijze................................................................................................................................. 16 Cumulatie .................................................................................................................................. 21 Mitigerende maatregelen ......................................................................................................... 22 Geluidshinder ............................................................................................................................ 23 Contouren.................................................................................................................................. 23 Gezondheid ................................................................................................................................... 24 Algemene inleiding gezondheid ................................................................................................ 24 Lokale normen ............................................................................................................................... 28 Algemene inleiding lokale normen............................................................................................

28 Natuur ............................................................................................................................................... 31 Insectensterfte .............................................................................................................................. 33 Landschap en Recreatie..................................................................................................................... 43 Algemene inleiding ........................................................................................................................ 43 Veiligheid ........................................................................................................................................... 48 Algemeen....................................................................................................................................... 49 Interne veiligheid........................................................................................................................... 49 Externe veiligheid .......................................................................................................................... 50 Veiligheid in/ nabij recreatiegebieden ..........................................................................................

50 Verkeersveiligheid & luchtvaart .................................................................................................... 50 Veiligheid overig ............................................................................................................................ 51 Stadsontwikkelingen ......................................................................................................................... 51 Sociale effecten ................................................................................................................................. 53 Participatie ........................................................................................................................................ 54 Inhoud programma ........................................................................................................................... 59 Diversen ............................................................................................................................................. 60 2

Adviezen ................................................................................................................................................ 67 Advies Commissie m.e.r. ................................................................................................................... 67 Advies Rijkswaterstaat (0403-001):................................................................................................... 69 Advies TenneT (0403-003):................................................................................................................ 70 Advies ODNZKG (0604-001): ............................................................................................................. 71

3

Inleiding In de periode van 22 februari 2023 t/m 4 april 2023 heeft de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het ‘PlanMER Programma Windenergie Amsterdam’ ter inzage gelegen. Het indienen van een zienswijze kon zowel fysiek als digitaal en daarom zijn alle zienswijzen die t/m 11 april 2023 zijn ontvangen volledigheidshalve meegenomen. Tijdens deze periode van 7 weken zijn er in totaal 100 zienswijzen ingediend. Tevens zijn adviezen over de NRD ingewonnen bij de (wettelijke) adviseurs. Het college heeft zonder wettelijke verplichting advies gevraagd aan de Commissie m.e.r. De ingediende zienswijzen zijn betrokken bij het advies van de Commissie m.e.r. Het college benut op die manier het instrument mer ten volle, hetgeen bijdraagt aan betere besluitvorming over het PWA. In deze Nota van Beantwoording (NvB) vindt u een overzicht van de zienswijzen en de adviezen over de NRD, en de reactie van het college daarop. Op een aantal punten hebben de zienswijzen en/of adviezen geleid tot aanvullingen/wijzigingen van de in de NRD voorgestelde inhoud van het planMER. Het college wil een woord van dank uitspreken aan alle indieners voor de tijd en moeite die is genomen om mee te denken, om zorgen te uiten en suggesties te doen voor de inhoud van het planMER.

Leeswijzer Veel indieners hebben dezelfde of vergelijkbare zienswijzen over bepaalde thema's ingebracht en daarom is gekozen voor een thematische samenvatting en beantwoording. Per hoofdthema is globaal met behulp van unieke codes aangegeven welke zienswijzen het betreffende thema aan hebben gehaald. Sommige codes zijn bij meerdere thema's vermeld. Deze nota bevat dus geen letterlijke weergave van de ingediende zienswijzen en adviezen. Bij een aantal thema's is eerst een algemene reactie van het college in een kader geformuleerd en is vervolgens op specifieke zienswijzen inhoudelijk ingegaan, voorzover nodig voor een volledige beantwoording. In enkele gevallen zijn er zienswijzen die overeenkomen met aspecten die reeds in hoofdstuk 4 van de NRD zijn behandeld (reactie op Signalen uit de Stad). Deze aspecten zijn niet opnieuw van een antwoord voorzien, maar hiervoor verwijzen wij naar de tabellen op pagina 48 t/m 59 van de NRD. Gebruikte afkortingen: Het PWA : het Programma Windenergie Amsterdam Het MER: het milieueffectrapport Het plan-MER: het milieueffectrapport voor een plan of programma Het project-MER: het milieueffectrapport voor een project De plan-mer: het milieueffectrapport en de procedure daarvoor De Commissie m.e.r. : de Commissie voor de milieueffectrapportage Colofon Ruimte & Duurzaamheid Programma Windenergie Amsterdam resamsterdam@amsterdam.nl 4

Nut en noodzaak (zienswijzen nr. 0311-001, 0327-001, 0328-004, 0401-002, 0402-002, 0403-007, 0403-009, 0403-010, 0404-001, 0404-002, 0404-003, 0404-005, 0404-007, 9209-9542, 9275-1845, 6915-6740, 3063-8870, 5621-4236, 7968-7367, 3298-1377, 9623-9139, 6231-4229, 2917-8217, 9568-5770, 5189-5673, 33902132, 3050-7522, 5385-1735, 1019-2050, 9908-7099, 7193-9153, 4044-5442, 0704-2880, 5038-5583) Doelstelling In een zienswijze wordt gevraagd om de ambitie van 52 MW toe te lichten/te corrigeren (hoe verhoudt zich dat tot 127MW in de RES1.0 en Omgevingsvisie 2050? En tot de 400 MW in de Structuurvisie Amsterdam 2040?). Ook wordt een toelichting gevraagd over de verhouding van genoemde 10MW extra in het Havengebied tot eerdere afspraken met rijk en provincie voor 265 MW in het Noordzeekanaalgebied (zie brief uit 2013 van Amsterdam, Zaanstad en Velsen; 10MW voor de Haven is dus niet ambitieus, dit was 123MW extra op korte termijn en 35MW op langere termijn). Een groot aantal indieners is in zijn algemeenheid (fel) tegen wind op land (in de gemeente)).

Diverse indieners vinden dat de nadelen van windturbines groter zijn dan de voordelen (er ontstaat schade aan natuur, geluidsoverlast, gezondheid, lekken van smeer en sf gas, en voor het onderhoud zijn chemicaliën nodig, brandgevaar) en het rendement veel lager is dan ingeschat (schade door bouw, onderhoud, vervoer, steeds onstuimiger weer, roesten, beperkte levensduur van 19 jaar). Subsidie voor windturbines is volgens een indiener groen bedrog. Een indiener meent dat de klimaatcrisis verzonnen is en dat er genoeg stroom is voor bewoners. De stroom die met wind opgewekt wordt komt volgens hem niet ten goede aan bewoners. Ook zouden regels aangepast worden om het doel voor windenergie te bereiken. Een andere indiener meent dat de grote industrie achter de plannen zit. De gemeente zou meer rekening moeten houden met de belangen en wensen van de bewoners over een mooie, gezonde en veilige leefomgeving in de stad. In meerdere zienswijzen wordt aangegeven dat in Amsterdam-Zuidoost en Amsterdam-Noord geen turbines mogen komen, omdat die gebieden al overbelast zijn. De gemeente zou volgens een indiener heldere keuzes moeten maken over waar economische ontwikkelingen plaats kunnen vinden en waar leefbare gebieden zijn, anders zijn de bewoners de dupe. De keuze voor windturbines kan niet gemaakt worden omdat er enerzijds genoeg alternatieven en anderzijds gezondheidsrisico's zijn.

Een andere indiener vindt het onduidelijk waarom de gemeente meer zou willen doen dan in het klimaatakkoord is afgesproken. Meer wind op land om klimaatdoelen te halen is niet nodig volgens het recente rapport van CE-Delft, zeker als voorbij 2030 gekeken zou worden komt veel wind op zee beschikbaar en is de NRD achterhaald. Ook andere steden zoals München en Kopenhagen lukt het om klimaatdoelen te halen. Op zee zou 50 MW met 4-5 turbines opgewekt kunnen worden, in plaats van de 17 die nu nodig zijn. Marianne Minnesma van Urgenda zegt volgens indiener ook dat nieuwe turbines op land niet nodig is, als 80% van hetgeen vergund en gesubsidieerd is doorgang vindt en op energie bezuinigd wordt. Omdat Amsterdam al jaren weigert het debat over nut en noodzaak aan te gaan wordt polarisatie in de hand gewerkt, dit debat moet gevoerd worden. Een andere indiener pleit voor een maatschappelijke kosten batenanalyse (MKBA). Dan wordt inzichtelijk voor wie (slechts 13,9% van de huishoudens) wat het de maatschappij kost; (aantal gehinderden x gem. Zorgkosten) + wachtlijsten is gemakkelijk te achterhalen. Ook moeten daarin de risico's op ongevallen voor trillingsgevoelige apparatuur op Science Park, op het knooppunt Watergraafsmeer en een dichtbevolkt gebied afgewogen worden.

5

Er zijn ook een aantal indieners erg vóór wind op land. Zo zouden windturbines ondanks de nadelen belangrijk voor de stad zijn. Een indiener is blij dat Amsterdam inzet op windenergie. Volgens een andere zienswijze is het klimaatprobleem dusdanig urgent dat diverse bewoners van Landelijk Noord bereid zijn in het belang van toekomstige generaties enkele windturbines toe te staan in hun woongebied, mits deze zorgvuldig en in overleg ingepast worden. Een groep bewoners is grote voorstander van de opwekking van duurzame energie (wel zijn er zorgen/opmerkingen, deze zijn hierna verwerkt onder Alternatieven, Gezondheid, Bodem, Participatie). Ook een andere indiener vindt energietransitie nodig voor mens, natuur en klimaat en dat tegenstanders van windenergie geen goed alternatief hebben. Nog een andere indiener meent dat de NRD niet in balans is voor wat betreft de directe lokale en korte-termijn effecten, ten opzichte van de indirecte, globale en lange-termijn effecten op Gezondheid, Welbevinden, Natuur, Milieu, en Economie (zie ook hieronder bij Vermeden emissies, en onder Gezondheid, Natuur en Sociale effecten). De positieve gevolgen van windturbines moeten namelijk ook meegewogen worden, aldus indiener. Er zijn ook indieners die in beginsel niet tegen grootschalige windenergie zijn, maar willen dat niet dichtbij de stad/dichtbevolkte gebieden (zoals bijvoorbeeld Science Park).

Keuze voor andere technieken dan windturbines Diverse indieners spreken de voorkeur uit voor het benutten van andere technieken in plaats van grootschalige opwekking van windenergie, zoals:  een concrete opgave tot energiebesparing op gemeentelijk/regionaal/provinciaal niveau met afrekenbare doelstellingen en het voorkomen van wegvloeien van energie naar nieuwe grootverbruikers (bv. in dit verband ook: de opkomst van de elektrische fiets, terrassen hebben nog steeds verwarming, dit staat haaks op strenger beleid voor duurzaam bouwen (BENG-eisen); de gemeente doet te weinig aan het verduurzamen van sociale woningen);  kernenergie (de bezwaren daartegen zijn volgens indiener achterhaald);  een waterkrachtcentrale aan de Amstel of het IJ (deze zou vergelijkbaar zijn met de opbrengst van 6 windturbines);  wind op zee (een indiener oppert eventueel met andere gemeenten deel te nemen en een optie voor bewoners om mede te investeren/energiecontract af te sluiten);  het toepassen van verticale windturbines zonder wieken/ flower turbines;  windenergie op individueel niveau en/of op hoogbouw (dan zijn windturbines niet nodig);  alleen/met voorrang zon (op-dak), in een zienswijze al dan niet in combinatie met energiebesparing en voorlichting (een andere indiener wijst erop dat veel woningeigenaren de noodzaak voelen voor energietransitie en hebben zelf al zonnepanelen en isolatie

toegepast). In een tweetal zienswijzen wordt verzocht om het transparant maken van de berekening waaruit blijkt hoeveel zon op dak/geluidschermen er is en nog kan, en waaruit blijkt dat 52 MW windenergie nodig is (zie ook antwoord S68 NRD)?  als de gemeente zelf, en bedrijven en bewoners naast zon op dak meer inzetten op energiebesparing, zijn windturbines nabij de stad niet nodig.  het plaatsen van zonnecollectoren op het overheidsvastgoed (Rijk en gemeenten) en gezondheidsinstellingen  net als in de gemeenten Stichtse Vecht en Ronde Venen inzetten op zonnepanelenvelden, en zonnepanelen op grote en kleine daken

6

Energieopbrengst & Vermeden emissies In de energieopbrengst en vermeden emissies moeten volgens indiener ook de productie (in zwaar vervuilend China), transport, bouw (zoals de betonnen fundering, deze is duur en vervuilend) en aanleggen van voorzieningen in de berekeningen meegenomen worden. Is in par. 3.11.1 NRD rekening gehouden met CO2-emissies tijdens productie, vervoer van materialen, onderhoud? In de relatieve beoordeling (bl. 26 NRD) wordt het aantal woningen gedeeld door de energieopbrengst. Dit zou volgens een andere indiener moeten zijn: het aantal gehinderden, inclusief tuinders, gedeeld door de energieopbrengst. Een andere indiener spreekt de teleurstelling uit over paragraaf 3.11 NRD. Hierin zou ontbreken: -

-

-

een toetsingskader voor het Economisch Rendement van verschillende types windmolens; een gedetailleerde en gedegen modelstudie die inzicht geeft in de invloed van de locatieomstandigheden in de zoekgebieden op het te behalen rendement. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de vraag of de opbrengst van windmolens evenredig is met de derde-macht van de windsnelheid (deze is hoger, naarmate een windturbine hoger kan zijn gelet op het beperkingengebied van Schiphol, en een grotere afstand heeft tot hoge bebouwing en begroeiing bij de meest voorkomende windrichting); een nadere berekening van het financieel voordeel, dat bewoners zullen ondervinden, indien het windmolenpark via een energiecoöperatie in lokaal eigendom zou worden gebracht, bij verschillende scenario’s wat betreft de prijsontwikkeling op de internationale energiemarkten. aandacht voor de leveringszekerheid van elektriciteit door wind; deze is groter bij lokale opwekking (denk bijvoorbeeld aan mogelijke sabotage van onderzeese leidingen), heeft een betaalbare en constante prijs (nu Wind op Land inmiddels de allergoedkoopste manier is om elektriciteit op te wekken), en fluctuaties in zon- en windenergie kunnen opgevangen worden in inmiddels ook economisch haalbare grote buurtbatterijen (groene waterstof, geproduceerd op zee, is voorlopig nog veel te duur, en zeker niet realiseerbaar voor het jaar 2030).

Ook volgens een andere indiener is sprake van een gunstige opbrengst. Windenergie is volgens hem een van de goedkoopste manieren van elektriciteitsopwekking; en coöperaties hoeven geen winst te maken, winst kan in de lokale gemeenschap blijven (voorbeelden -ook van een andere indiener- zijn aanleg lokaal glasvezelnet, voedselbos, oprichten duurzaamheidsfonds, zonnepanelen bij voetbalclub) en de coöperaties gaan gemakkelijker het gesprek aan met de buurt. Het is niet afhankelijk van grote bedrijven. Windenergie draagt volgens indiener bij aan een betere energiebalans op het net (met zonneenergie) en leveringszekerheid. De windturbines kunnen na 20-25 jaar gerecycled worden of verkocht worden als een betere vorm van energieopwekking beschikbaar komt of de grond anders benut moet worden. Volgens indiener moet het MER ook de energieopbrengst na mitigatie laten zien.

7

Reactie college:

Doelstelling De landelijke doelstelling voor wind op land in 2030 is nog niet gehaald. De perceptie dat dit wel het geval zou zijn, is niet juist. Eind 2022 is de doelstelling voor 6.000 MW opgesteld vermogen wind op land in 2020 uit het Energieakkoord van 2013 gehaald. Het Klimaatakkoord verving in 2019 het Energieakkoord uit 2013. In het Klimaatakkoord zijn Europese afspraken om de uitstoot van broeikasgas te verminderen. Dit zal in Nederland door zowel zon, wind op land als wind op zee bereikt worden. In het Klimaatakkoord is onder meer afgesproken dat we in Nederland in 2030 op land minimaal 35 terrawattuur (TWh) aan duurzame elektriciteit opwekken met wind op land energieprojecten. De doelstelling van 6.000 MW windenergie op land uit het Energieakkoord maakt daar deel van uit. Met het windvermogen eind 2022 van 6.045 MW is het verwachte aandeel van windenergie op land 17,9 TWh aan energieproductie bij een gemiddeld windjaar.1 De monitor van het Planbureau voor de Leefomgeving laat dit ook zien2. Het landelijke Klimaatakkoord is per regio uitgewerkt in de Regionale Energie Strategie 1.0 (RES 1.0). Dit is ook in Amsterdam gebeurd.

In de RES1.0 is hierover vermeld: “Door de afspraken in het Amsterdamse coalitieakkoord “Een nieuwe lente een nieuw geluid” (2018), het landelijk Klimaatakkoord (2019) en de door de gemeenteraad vastgestelde concept-RES Amsterdam (2020) en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (2020) is windenergie in een versnelling gekomen. In de concept-RES en de Routekaart is de ambitie vastgelegd om tenminste 127 MW opgesteld vermogen windenergie te realiseren voor 2030 (huidig vermogen in Q1 2021 is 75 MW).”Het college is daarnaast van mening dat ook na het behalen van de 35TWh de inzet voor het beperken van de klimaatcrisis onverminderd moet doorgaan. De afspraken uit de RES 1.0 voor Amsterdam en de zoekgebieden zijn beleidsmatig vastgelegd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 heeft doelstellingen voor zowel wind op land als voor zon. Het realiseren van zonnepanelen op dak wordt weliswaar gestimuleerd, maar gebeurt bij particulieren volledig op basis van vrijwilligheid. Het rapport van CE Delft is waardevol en onderzoekt aan de hand van drie scenario's hoe de verwachte energievraag in Nederland van ongeveer 650 TWh in 2050 opgewekt kan worden, en of dat zonder extra wind op land kan.

Het rapport gaat daarbij uit van de aanname dat de 35 TWh voor 2030 uit het Klimaatakkoord en RES1.0 reeds gerealiseerd is (hetgeen voor nu ongeveer voor de helft het geval is zoals hierboven uiteengezet).3 De doelstellingen voor energie opwek van wind (en zon) binnen de gemeentegrenzen is een politieke keuze om als hoofdstad verantwoordelijkheid te nemen en op lokaal niveau bij te dragen aan het tegengaan van de klimaatcrisis en het beperken van de opwarming van de aarde. Ook is nu reeds sprake van een toenemende vraag naar elektriciteit in Amsterdam, waardoor de netbeheerder in sommige gebieden aangekondigd heeft geen nieuwe aansluitingen voor grootverbruikers van elektriciteit zoals supermarkten, kantoren, bedrijven en grootschalige horeca te kunnen verlenen. Amsterdam werkt daarom gelijktijdig aan de realisatie van wind op land aan het verzwaren van het elektriciteitsnet.

1

Bron: https://www.rvo.nl/nieuws/doelstelling-energieakkoord-gehaald Monitor RES 2022. Een voortgangsanalyse van de Regionale Energie Strategieën (pbl.nl) 3 Zie ook de reactie van het college op het rapport van CE Delft in de raadsinformatiebrief van 5 juni 2023. 2

8

Windenergie is een zeer belangrijk en bewezen onderdeel van de energietransitie, waarin de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afgebouwd wordt en zo de ergste gevolgen van de klimaatcrisis een halt toe wordt geroepen. Deze energietransitie is mede van belang om Amsterdam minder afhankelijk te maken van de externe omgeving. Deze afhankelijkheid is goed duidelijk geworden sinds de oorlog in Oekraïne met de hoge energieprijzen als gevolg. De energietransitie biedt ook een kans om naast de lasten ook de opbrengsten lokaal te laten terugvloeien. Door in te zetten op wind op land bouwt Amsterdam verder op bestaande en bewezen kennis en techniek. Het leeuwendeel van de huidige windturbines (73 MW) staat reeds in het havengebied van Amsterdam. De Haven van Amsterdam heeft daarnaast als eigen beleidsdoelstelling aangegeven nog 10 MW extra opgesteld vermogen te willen realiseren, ondanks de relatief ongunstig ligging ten opzichte van de hoogtebeperkingen rondom de luchthaven Schiphol. De duurzaamheidsambitie in dit gebied is overigens veel breder dan enkel de realisatie van windturbines. Amsterdam zet zich in op het benutten van het potentieel aan windenergie waar dat mogelijk is zonder dat het volgens het college onaanvaardbare risico’s voor gezondheid of natuur oplevert.

Om inzicht te krijgen in de milieueffecten is besloten om dit MER voor de zoekgebieden voor windenergie in Amsterdam op te stellen. In het MER wordt duidelijk welke milieugevolgen verschillende keuzes over windenergie hebben. Het gaat dan om milieugevolgen in brede zin, zoals onder meer menselijke gezondheid, natuur, landschap en cultuurhistorie. De milieugevolgen worden in het MER afgezet tegen de energieopbrengst. Deze inzichten leiden uiteindelijk mede tot een zorgvuldig voorbereid besluit, waarin op basis van alle informatie een weloverwogen besluit kan worden genomen. Het plan-MER geeft inzicht in de verschillen tussen gebieden. In de volgende fase wordt verder locatiespecifiek onderzoek gedaan. In een aantal zienswijzen wordt ook de wens uitgesproken om sociale effecten in beeld te brengen in het MER. Het college heeft daarover eerder aangegeven (in reactie op het advies van SARA4) dat die effecten een plaats krijgen in het PWA. Daarmee worden deze meegewogen in het uiteindelijk beleid dat voor windturbines wordt opgesteld. Ook de positieve gevolgen van windturbines, zoals kansen voor financiële participatie, zijn op die manier onderdeel van het PWA. De ingediende zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Keuze voor andere technieken dan windturbines Diverse indieners spreken de voorkeur uit voor andere technieken van grootschalige windenergie en het inzetten op het besparen van energie. Het college benadrukt dat in een breder perspectief gewerkt wordt aan de energietransitie in Amsterdam en ook wordt ingezet op het besparen van energie. Dit is vastgelegd in de Routekaart Amsterdam klimaatneutraal:5 verduurzaming van de bebouwde omgeving, mobiliteit, elektriciteit (zon, wind, netwerk) en haven & industrie. Mogelijk ontstaan op langere termijn innovatieve, andere wijzen van energieopwekking, die dan tot een beleidswijziging leiden. De ingediende zienswijzen worden op dit thema niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Energieopbrengst & vermeden emissies In Nederland is windenergie met de huidige stand van techniek één van de goedkoopste manieren om duurzame energie op te wekken. Bij windenergie door middel van windturbines behoren de kosten

4 5

09012f9780b8da0b (raadsinformatie.nl) https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/volg-beleid/duurzaamheid/klimaatneutraal/

9

per opgewekte kWh tot de laagste van alle duurzame opwekkingsvormen.6 Om aan de ambitieuze doelstelling voor hernieuwbare energie op land te voldoen zal windenergie komende jaren één van de meest kosteneffectieve wijzen om hernieuwbare energie te produceren zijn. In vergelijking met veel andere Europese landen heeft Nederland een zeer gunstig windaanbod. De figuur hieronder illustreert dit. Juist door het goede windaanbod in Nederland is windenergie een kostenefficiënte manier van opwekking van duurzame energie.

Daarnaast is het Nederlandse subsidieregime zo ingericht, dat in landsdelen waar het harder waait minder en waar het minder waait meer subsidie per opgewekte kWh wordt toegekend.7 De bouw van windturbines geschiedt niet CO2-neutraal. Ook bij de fabricage komt CO2 vrij. Uit meerdere studies op basis van de ISO 14040 LCA-methode blijkt echter wel dat de milieueffecten van een windturbine binnen 5 tot 12 maanden exploitatie positief is. De uiteindelijke besparing van CO2uitstoot ligt dan ook vele malen hoger dan de initiële bijdrage daaraan. Per locatiealternatief wordt een inschatting gemaakt van de energieopbrengst en opbrengstverlies als gevolg van maatregelen. Per opgewekte GWh wordt in Nederland gemiddeld 526 g CO2 uitgestoten Deze emissies worden verminderd door de opbrengst van energie opgewekt door onder meer de windturbines. In het MER zal worden beschreven wat de bijdrage is van de windturbines aan het doelbereik van de gemeente Amsterdam. Van de optimalisatiealternatieven worden ook de milieugevolgen na mitigatie afgezet tegen de energieopbrengst. Naast deze absolute beoordeling zal het MER ook een relatieve beoordeling bevatten. Hierbij wordt het absolute resultaat van kwantitatieve beoordelingscriteria gedeeld door de energieproductie van het alternatief. Dat is waardevolle informatie voor het uiteindelijk te kiezen alternatief.

De effecten van windenergie op volkstuinen worden onderzocht op een niveau dat past binnen het beschreven detailniveau in de NRD. Hierop gaat deze nota van beantwoording verder uitgebreid in. In het plan-MER worden de effecten van windturbines van mogelijke voorbeeldopstellingen in de zoekgebieden onderzocht. In een vervolgfase is meer detailinformatie nodig en worden binnen 6

Voor inzicht in de kosten van duurzame energie verwijst het college naar het Eindadvies basisbedragen SDE++ 2023, van het PBL van 10 februari 2023. 7 Zie voor meer informatie de website van RVO, www.RVO.nl

10

aangewezen zoekgebieden meerdere mogelijke opstellingen met elkaar vergeleken. Ook een gedetailleerde modelstudie op basis van locatieomstandigheden en berekening van financieel voordeel bij verschillende scenario’s voor bewoners past niet binnen het beschreven detailniveau in de NRD. In het plan-MER zullen de de alternatieven beoordeeld worden op energieopbrengst en vermeden emissies (zie par. 3.11 NRD). Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen over dit thema en het advies van de Commissie m.e.r. (zie later in deze NvB) zal, naast de in de NRD genoemde alternatieven, in het plan-MER het alternatief Energieopbrengst onderzocht worden, waarin de nadruk ligt op het zo efficiënt mogelijk opwekken van elektriciteit (binnen de gemeentelijke doelstelling). De overige zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvulingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Alternatieven en Locaties (zienswijzen 0324-001, 0327-001, 0330-001, 0401-001, 0401-002, 0402-002, 0403-004, 0403-005, 0403-006, 0403-007, 0403-008, 0404-001, 0404-002, 0404-005, 0404-007, 5184-1089, 9568-5770, 9908-7099, 3346-9205) Sommige indieners spreken waardering uit dat alle locaties goed onderzocht worden, omdat deze allemaal even belangrijk zijn en wind een onderdeel is van de energiemix van de toekomst. Sommige indieners vinden het goed dat een plan-MER wordt opgesteld om de zoekgebieden te vergelijken. Het is volgens hen ook goed dat over de gemeentegrens gekeken wordt zodat inzicht ontstaat met aangrenzende of overlappende zoekgebieden uit andere gemeenten. Sommige menen dat de alternatieven niet alleen betrekking moeten hebben op de zoekgebieden van Amsterdam, maar op alle zoekgebieden in de RES- regio Noord-Holland-Zuid. Een indiener verzoekt rekening te houden met de effecten van gezamenlijke zoekgebieden met aangrenzende gemeenten en ook op toekomstige woningbouwlocatie. Reactie college: Gemeentegrensoverschrijdende milieueffecten van de Amsterdamse windturbines worden meegenomen in het planMER, omdat milieugevolgen niet beperkt worden door (gemeente)grenzen. Het onderzoeksgebied kan in het plan-MER per milieugevolg verschillen.

Aangezien buurgemeenten zelf ook RES1.0 windenergie-zoekgebieden hebben nabij de gemeente Amsterdam, onderhoudt de gemeente van Amsterdam nauw contact. Daarnaast worden voorzienbare ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor reeds concrete informatie voorhanden is, als autonome ontwikkeling meegenomen in de referentiesituatie. De milieugevolgen worden cumulatief in beeld gebracht. Het gaat hierbij zowel om ontwikkelingen binnen de gemeente Amsterdam als om ontwikkelingen in omliggende buurgemeenten. Toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouwlocaties, waar nog geen concrete besluitvorming over heeft plaatsgevonden, worden in het plan-MER als 'stadsontwikkelingen’ meegenomen. In het plan-MER zal in navolging van het advies van de Commissie m.e.r. ook op het ruimtelijke beleid van relevante omliggende gemeenten ingegaan worden. Het college komt met de NRD en het op te stellen plan-MER daarmee tegemoet aan deze zienswijzen. Uit de NRD blijkt volgens een indiener niet welke uitkomsten van een plan-MER richtinggevend dan wel kaderstellend zijn voor een projectMER. Volgens deze indiener is in de voorliggende NRD geen ruimte voor een strategische keuze; slechts binnen locatiealternatieven kan rekening worden 11

gehouden met effecten op gezondheid, leefkwaliteit en natuur en landschap afgezet tegen tijdpad en kosten/opbrengsten. Locatiealternatieven zijn te beperkt omdat toetsing aan hoe hetzelfde doel bereikt kan worden op een andere manier dan ontbreekt. Het ontbreken van alternatieven is in strijd met de Smb-richtlijn, artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit en is een omissie. Reactie college: Het plan-MER onderzoekt voor de hele gemeente Amsterdam de verschillende mogelijkheden voor het bereiken van de doelstelling voor grootschalige opwek van duurzame energie door wind. Dat zijn de alternatieven zoals bedoeld in de Smb-richtlijn en het Omgevingsbesluit. De alternatieven laten zien op welke verschillende manieren de doelstelling bereikt kan worden. De scope van het onderzoek is daarmee inderdaad niet over de strategische keuze voor andere vormen van duurzame energieopwekking dan wind. In het PWA zal wel ingegaan worden op de relatie met andere gemeentelijke beleidsterreinen voor het opwekken van hernieuwbare energie, zoals zon. Het plan-MER vormt een onderbouwing voor het op te stellen gemeentelijke windenergiebeleid (het PWA). Dit beleid is dan kaderstellend voor de mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. De uitkomsten van het plan-MER zelf zijn niet kaderstellend, daar wordt over besloten in het PWA.

De mogelijkheden voor windturbines worden ruimtelijk beperkt doordat op basis van wet- en regelgeving afstand tot verschillende belemmeringen moeten worden aangehouden. Voor het MER wordt een belemmeringsanalyse uitgevoerd, waardoor inzichtelijk wordt gemaakt op welke locaties windturbines met zekerheid zijn uit te sluiten. Op die manier geeft deze kaart ook inzicht in welke locaties voor windturbines resteren. Op basis van deze belemmeringsanalyse en de zoekgebieden uit de RES1.0 worden de locatiealternatieven bepaald. Binnen de zoekgebieden worden indicatieve windparken ingetekend met concrete windturbineposities. Elke indicatieve opstelling binnen een zoekgebied geldt als een locatiealternatief. Aangezien een plan-MER alleen alternatieven onderzoekt waarmee de doelstelling bereikt kan worden, worden alternatieve opwekvormen in het plan-MER niet beschouwd. De keuze voor wind op land is in eerdere besluiten gemaakt (zie ook hetgeen hierboven onder ‘doelstelling’ en ‘keuze voor andere technieken’ is vermeld). De ingediende zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Indieners stellen dat de Haven maximaal onderzocht moet worden om het potentieel voor 52 MW uit de RES1.0 in kaart te brengen (blz.

14 NRD lijkt zoekgebieden 1a en 1b te beperken, terwijl de gemeente in 2016 ruimte zag voor 25 MW in de hele haven). Dit gebied is al volledig geïndustrialiseerd en daar bestaan volgens indieners geen bezwaren vanwege natuur en groen/recreatie-oogpunt. Oplossingen voor belemmeringen moeten betrokken worden in het onderzoek (zie ook de raadsinformatiebrief van april 2021 dat ruimtelijke en financiële barrières daar opgelost zullen worden). In een andere zienswijzen wordt ervan uitgegaan dat een minimale afstand van 1 km tot woningen haalbaar is voor het havengebied. In nog andere zienswijzen wordt verzocht het alternatief Haven als eerste te onderzoeken, en de bestaande windturbines op te schalen. Reactie college: Op het eerste gezicht lijken er veel voordelen te zijn aan het concentreren van windenergie in het havengebied. Immers, het leeuwendeel van de huidige windturbines binnen de gemeentelijke grenzen staan al in het havengebied. De praktijk leert echter dat de mogelijkheden voor het plaatsen van extra turbines in het havengebied beperkt zijn. Ten eerste levert de aanvliegroute van Schiphol grote beperkingen op voor de hoogte van de windturbines. Dit terwijl de beschikbaarheid van turbines met een hoogte die nu in het havengebied staan, kleiner wordt. Producenten neigen naar 12

grotere turbines, met name op zee, maar ook op land. Ten tweede is in het havengebied sprake van allerlei andere beperkingen, zoals spoor, bestaande en toekomstige ondergrondse leidingen (elektra, CO2, waterstof), stoomleidingen, opslagtanks, industrie, aanvliegroute helihaven etc. Ten derde is de plaatsing van nieuwe turbines - gegeven voornoemde beperkingen - afhankelijk van de medewerking van bestaande bedrijven in het havengebied. De turbines leveren dikwijls beperkingen op voor bestaande en toekomstige activiteiten van die bedrijven. Port of Amsterdam heeft in kaart gebracht waar de mogelijkheden liggen voor het eventueel plaatsen van nieuwe turbines, en heeft daarbij een ambitie uitgesproken om 10 MW aan extra opgesteld vermogen te realiseren. Gegeven het tijdspad van de gemeentelijke doelstelling (2030) is het niet logisch om op dit moment ook opschaling van bestaande windturbines in de haven mee te nemen in het onderzoek. Een heel aantal windturbines in de haven zijn van een vrij recente datum waardoor vervanging op korte termijn nog niet aan de orde is. Ook gelden in het havengebied strengere hoogtebeperkingen vanwege Schiphol, waardoor opschaling niet realistisch is. Bovendien brengen hogere turbines grotere contouren met zich mee, die gegeven de bestaande situatie (industrie, spoor, opslagtanks, heliroute, leidingen e.d.) niet goed inpasbaar zijn.

De ingediende zienswijzen worden op dit thema niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener is voorstander van het meest vogel- en natuurvriendelijke alternatief, bestaande uit: - zoveel mogelijk energieopwekking via zonnepanelen op dak (zie ook tabel 17568 blz. 51 NRD; de gemeente zou zon op dak moeten stimuleren/subsidiëren); - energieopwekking in bestaand bebouwd gebied (zoals industrieterreinen), het vermijden van gebieden met natuurwaarden (Natura2000-gebied, NNN, weidevogelgebieden, vlieg- en trekroutes van vogels en vleermuizen, aanwezige natuurcompensatielocaties); - het inzetten op mitigerende maatregelen (zoals bufferafstanden, radarinstallaties), en; - een volledige cumulatieve toetsing (met overige extra infrastructuur voor energietransport –vgl. blz. 20 en par. 3.12 blz. 43 NRD- en de effecten van al bestaande windturbines- vgl. tabel 20 N17 en tabel 19 N17N27 blz. 19 NRD). Een andere indiener wil graag het optimalisatiealternatief Zon en Wind RES1.0 toevoegen. Dit alternatief zou volgens indiener eerst onderzocht moeten worden, gelet op de beperkte restopgave MW en de hoeveelheid werk en de impact op zoekgebieden zoals nu het geval.

Gepleit wordt om daarbij het volledige potentieel zon te benutten (zie ook de Zonneladder), zoals bijvoorbeeld op de geluidsschermen langs de A10 (zie ook het ongevraagde advies van stadsdeel noord van 16 maart 2023). In een andere zienswijze wordt ook gepleit voor meer windturbines en zonnepanelen langs de snelweg (en het verbieden van grazend vee op die locaties). Meerdere indieners willen graag andere opwekvormen dan windenergie in het plan-MER onderzocht zien. Reactie college: Ook zon op dak is een kansrijke technologie waar de gemeente op inzet. De gemeente zet, zoals hierboven ook aangegeven, daarom ook in op zon (zie in dit verband ook voetnoot 5). Daarnaast is windenergie echter onmisbaar. De effecten van windturbines op ecologische soorten en gebieden komt in het optimalisatiealternatief Natuur in het plan-MER (en latere projecten en vergunningprocedures) uitgebreid aan bod. Hierbij wordt gebruik gemaakt van beschikbare kennis en 13

(onderzoeks)methoden die een optimale ecologische afweging mogelijk maakt. In het PWA zal wel ingegaan worden op de relatie met andere gemeentelijke beleidsterreinen voor het opwekken van hernieuwbare energie, zoals zon. Zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener stelt voor om het optimalisatiealternatief Natuur aan te passen in optimalisatiealternatief Natuur, landschap en speciaal beschermde gebieden. Met name in Landelijk Noord ontstaat dan een gestapeld overzicht van alle drie die waarden. Reactie college: Ten behoeve van het ‘Optimalisatiealternatief Natuur’ wordt per locatiealternatief gekeken welke maatregelen kunnen worden toegepast om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de expertgroep Windturbines en natuur. In het advies van de expertgroep Windturbines en Natuur van 5 april 2022 zijn toetsingscriteria opgenomen voor de effecten op beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland. Mede naar aanleiding van deze zienswijze en het advies van de Commissie m.e.r (zie ook reactie op advies Cie. m.e.r.

en bijlage bij deze NvB) zal het plan-MER, in aanvulling op de NRD, naast de optimalisatiealternatieven Gezondheid en Natuur ook een optimalisatiealternatief bevatten met betrekking tot Landschap en een optimalisatiealternatief Energie. Op die manier kunnen de genoemde verschillende aspecten in een bepaald gebied goed inzichtelijk gemaakt en in een overzicht weergegeven worden. De alternatieven geven daarmee inzicht in het totale spectrum van mogelijke milieugevolgen. Het college vertrouwt erop hiermee aan de zienswijzen over dit thema tegemoet te komen. Een indiener is voor het verbeteren/vergroten van parken en grote natuur- en recreatiegebieden (geen windturbines in het groen -waaronder Landelijk Noord-, de natuur en op veengrond) Reactie college: Het college is zich bewust van het belang van recreatie om en nabij de stad. De ontwikkeling van parken en andere natuur- en recreatiegebieden valt echter buiten de reikwijdte van dit plan-MER. Effecten van windturbines op natuur- en recreatiegebieden worden wel in beeld gebracht. In het PWA is dit een van de belangen die zal worden afgewogen. De zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Een indiener wil dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe het voorkeursalternatief tot stand komt (wie doet de weging en ranking van onderliggende beoordelingscriteria). Reactie college: In het plan-MER worden een basisalternatief en vier optimalisatiealternatieven, namelijk voor Natuur, Gezondheid, Landschap en Energie beoordeeld op milieueffecten. De effectbeoordeling van de alternatieven wordt uitgevoerd door het adviesbureau dat het plan-MER opstelt. Daarbij wordt geen weging of ranking aangebracht, wel worden beoordelingscriteria toegelicht in het plan-MER. Een weging veronderstelt een belangenafweging tussen verschillende milieuthema’s die uiteindelijk door het bevoegd gezag moet worden gemaakt. De resultaten van de effectbeoordeling van het basisalternatief en de vier optimalisatiealternatieven vormen mede de basis van het proces om te komen tot het PWA. De SARA brengt daarbij advies uit over het plan-MER en het concept-PWA. De 14

zienswijzen over dit thema woden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een zienswijze stelt dat de zoekgebieden moeten vergeleken worden op al hun effecten op de leefbaarheid, sociale effecten, recreatie, gezondheid, natuur en externe veiligheid (de NRD noemt ten onrechte alleen de harde belemmeringen) aan de hand van een van tevoren met burgers en participanten opgesteld afwegingskader.

Reactie college: De NRD noemt de harde belemmeringen alleen bij de totstandkoming van de onderzoeksopstellingen binnen de zoekgebieden. Het gaat daarbij om belemmeringen waarvan duidelijk is dat deze de zoekgebieden beperken. De alternatieven worden beoordeeld conform het kader in hoofdstuk 3 van de NRD. Milieueffecten op de fysieke leefomgeving, zoals gezondheid, natuur en externe veiligheid komen dus aan bod. Ook de effecten op recreatie worden afzonderlijk in beeld gebracht. Sociale effecten vallen buiten de reikwijdte van het plan-MER, maar worden wel betrokken in het PWA. Het plan-MER is daarmee de onderbouwing van het PWA voor wat betreft de milieuaspecten (onder milieu wordt ook de menselijke gezondheid verstaan). Voor een weloverwogen afwegingskader is eerst objectief onderzoek nodig. De zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener ziet graag andere optimalisatiealternatieven zoals met de inzichten van bijvoorbeeld Jan de Laat van Universiteit v. Leiden. Dat kan helpen bij het maken van keuzes in het PWA, omdat dan bijvoorbeeld antwoord op de vraag komt hoeveel MW mogelijk is als aan 42 dB Lden wordt voldaan.

Reactie college: De alternatieven zullen in het plan-MER worden beoordeeld op basis van het aantal gevoelige objecten binnen enkele onderbouwd gekozen contouren. Vervolgens wordt in het optimalisatiealternatief Gezondheid gekeken hoeveel MW er overblijft bij toepassing van de door de expertgroep voorgeschreven norm. Als blijkt dat daarmee nog steeds (veel) meer dan de gemeentelijke doelstelling mogelijk is kan ook een nog scherpere norm onderzocht worden (bijvoorbeeld de standaardwaarde van 42 dB Lden). De zienswijzen over dit thema worden niet overgenomen door het college en leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Effecten op de leefomgeving (zienswijzen nr. 0313-001, 0324-001, 0325-001, 0327-001, 0328-002, 0328-003, 0328-004, 0401-002, 0402-002, 0402-003, 0403-005, 0403-008, 0403-009, 0403-010, 0403-011, 0404-001, 0404-002, 0404-003, 0404-006, 4958-0206, 1674-5938, 3063-8870, 1114-2396, 7968-7367, 3298-1377, 60766174, 2917-8217, 5427-3979, 3390-2132, 6884-5361, 1019-2050, 9908-7099, 2382-1349, 7193-9153, 6443-4870, 8254-6541, 1641-2346, 5785-0124, 9255-4276, 8382-9631, 2897-8228, 5570-6957, 06807327, 6488-3431, 6239-2089, 0349-7501, 1367-7071, 4078-0004, 1768-3637, 2897-8228, 6495-6268, 0704-2880, 6474-6185, 4515-6876)

15

Geluid Algemene inleiding geluid Het plan-MER berekent geluidseffecten op basis van het Reken- en Meetvoorschrift Windturbines. Het onderzoek naar de geluidseffecten van windturbines zal passen binnen het beschreven detailniveau in de NRD. Cumulatie met andere bestaande en vergunde geluidsbronnen is onderdeel van het planMER. Geluid van windturbines (en dus ook het cumulatieve geluid) wordt uitgedrukt in dB Lden (‘den’ staat voor Day Evening Night). Dit is de jaargemiddelde geluidsbelasting waarbij geluid in de avond en de nacht zwaarder meeweegt (met straffactoren van +5 dB in de avond en +10 dB in de nacht). Het aantal gevoelige objecten binnen de 42, 45 en 47 dB Lden geluidscontouren, en aantal overige objecten binnen 42, 45 en 47 dB Lden geluidcontouren zijn onderdeel van de beoordelingscriteria (volgens hoofdstuk 3.3.4 van de NRD). Het detailniveau van de onderzoeken in een plan-MER is passend bij het detailniveau van het te nemen besluit, in dit geval het PWA. Inzicht in de gevolgen van geluid wordt verkregen met behulp van voorbeeldberekeningen. In aanvulling daarop wordt onderzocht of de geluidbelasting voor grotere hoogten relevant verschilt van de standaard beoordelingshoogte die gehanteerd wordt om geluidbelasting te berekenen (zie in dit verband par. 4.3.1 van het advies van de Commissie m.e.r.; het college gaat hier verder in deze nota over dit thema op in).

De resultaten van deze berekeningen (bijvoorbeeld op het gebied van piekbelasting, laagfrequent geluid, hoogbouw, afstand en afmetingen van windturbines) kunnen input zijn voor het PWA, bijvoorbeeld in de vorm van een verdere onderzoeksverplichting voor concrete projecten. Het geluid van verschillende bronnen heeft een verschillende mate van hinder: windturbinegeluid wordt bijvoorbeeld als hinderlijker ervaren dan wegverkeerslawaai. Om recht te doen aan dit verschil in hinderlijkheid zijn er rekenregels vastgelegd om geluid van wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en industrie op te kunnen tellen. In het Reken- en meetvoorschrift Windturbines’ is hier een rekenregel voor windturbinegeluid aan toegevoegd. Rekenregels voor cumulatie van verschillende geluidsbronnen, inclusief windturbinegeluid, staan in hoofdstuk 4 van bijlage 4 bij de Activiteitenregeling milieubeheer. De cumulatieve (d.w.z. opgetelde) geluidsbelasting kan op eenzelfde manier worden weergegeven als de individuele geluidsbronnen hierboven. De cumulatieberekening houdt dus rekening met het verschil in hinderlijkheid van verschillende geluidsbronnen: een geluidsbelasting als gevolg van windturbinegeluid van 42 dB Lden telt bijvoorbeeld net zo zwaar mee als een geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai van 49 dB Lden.

Rekenwijze Indieners vragen zich af hoe rekening wordt gehouden met windkracht en windrichting in de geluidberekeningen? Ook moet onderzocht worden of het Amsterdams Rijnkanaal een versterkend effect heeft op geluid (zowel gewoon als laagfrequent) als een of meer windturbines in of rond dat gebied geplaatst worden. Reactie college: Windkracht (of beter gezegd de windsnelheidsverdeling) is onderdeel van de geluidsberekening (zie reken- en meetvoorschrift windturbines). Ook het effect van een overheersende windrichting zit verwerkt in de rekenmethode geluid (en ook in het softwarepakket GeoMilieu). Dit effect wordt echter pas meegenomen bij een afstand groter dan 10x (ashoogte + ontvangerhoogte). Reden dat de windrichting pas op grote afstand is meegenomen is dat geluid logaritmisch gemiddeld wordt. Hierdoor vallen de verschillen als gevolg van de windrichting (die op een gegeven moment aanzienlijk kunnen zijn) weg in het jaargemiddelde. Voor ontvangerpunten gelegen binnen de afstand 10x 16

(ashoogte + ontvangerhoogte) gaat de rekenmethode voor windturbines van de Reken- en meetvoorschrift Windturbines uit van meewindcondities in iedere richting. De immissiewaarden worden berekend als ware in alle richtingen rondom het windpark sprake van meewindcondities (met een windrichting van het windpark naar de woningen). Naast windkracht en windrichting is de mate van reflectie van verschillende bodemsoorten ook verwerkt in de rekenmethode, inclusief oppervlaktewater en vaarwegen zoals het Amsterdam-Rijnkanaal. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. In een aantal zienswijzen wordt verzocht effecten op kwetsbare groepen afzonderlijk in beeld te brengen. Er is volgens indieners wetenschappelijk onderzoek bekend. Mogelijk leidt dat tot een andere geluidsnorm. Er is een bewezen verband tussen blootstelling aan lawaai-, licht en andere uitstoot en een lager IQ. Daardoor zijn kinderen beïnvloedbaarder voor criminaliteit en het ontwikkelen van gedragsstoornissen, aldus indiener. Slecht slapen door laagfrequent geluid leidt volgens indiener voor ouders en kinderen tot mindere school-, werk- en studieprestaties, en minder energie voor een gezonde levensstijl.

Ook is volgens indiener ten onrechte geen rekening gehouden met kwetsbare bewoners/gebruikers van het AMC-terrein (Domus gezinsvervangend wonen, daar wonen en werken ca. 100 mensen; Altra College Bleichrodt, de enige prikkelarme omgeving voor voortgezet onderwijs; Jeroen Pitshuis, residentieel behandelcentrum voor gezinnen met een ernstig ziek kind; de Kinderkeet, een KDV voor 0-4 jaar; High Intensieve Care Psychiatrie; grote somatische afdelingen van het AMC en de Bergman Klinieken; college- en examenzalen van UvA en HvA, medische labotaria en andere onderzoeksgebouwen).

Reactie college: In eerdere richtlijnen van de WHO (2000) werden kinderen als kwetsbare groep voor geluidbelasting beschreven. Voor geluid van luchtverkeer is uit onderzoek van het RIVM (2005) gebleken dat er samenhang is tussen hoge geluidniveaus van vliegverkeer en cognitieve functies bij kinderen. Voor wegverkeer is die samenhang niet aangetoond. De richtlijnwaarden van de WHO voor omgevingen waar kinderen verblijven, uitgedrukt in Laeq (dB), zijn echter zodanig dat geluidniveaus van windturbines, bij een grenswaarde van 45 of 42 dB Lden, ruimschoots aan deze richtlijnwaarden voldoen. Dat geldt zowel voor de richtlijnwaarden voor binnen (scholen, slaapkamers) als voor buiten (school, speelplaats). Daarbij komt dat zicht op de demografische samenstelling van de omgeving niet leidt tot een beter inzicht in de milieueffecten en daarom geen onderdeel is van het plan-MER. De dosis-effectrelatie die ten grondslag ligt aan de hinderberekening in het plan-MER kent geen onderscheid tussen verschillende soorten omwonenden. Dat valt ook buiten het detailniveau van dit plan-MER. Het MER gaat uit van de geldende wetenschappelijke inzichten. De zorg van indiener is begrijpelijk maar het MER gaat uit van objectief onderzoek, waarna de gemeente keuzes kan maken.

Naast de effectbeoordeling op het gebied van (geluids)hinder kunnen bij de uiteindelijke keuze voor windzoekgebieden in het Programma Windenergie Amsterdam ook andere factoren dan de in het MER onderzochte milieueffecten worden meegenomen. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Paragraaf 3.2.1. vermeldt volgens indiener ten onrechte, net als in het Addendum plan-MER van de Provincie Noord-Holland, slechts 9 gehinderden. 17

Reactie college: Paragraaf 3.2.1 van de NRD gaat niet over het aantal (ernstig) gehinderden. De ingediende zienswijzen op dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. De geluidseffecten op hoger gelegen appartementen (zoals verzorgingsflat Het Korthagenhuis en de flats bij de Molenwijk) moeten volgens een indiener afzonderlijk in beeld gebracht worden omdat die effecten anders zijn dan op lagergelegen woningen. Voor gebieden waar veel hoogbouw is, is dit onderscheidend. Ook een andere indiener meent dat berekenen ten opzichte van een voorbeeldwoning (blz. 27 NRD) zinloos is en niet representatief, gelet op de grote verschillen in woningen (hoog/laag, nieuwbouw/oude bouw, vrijstaand/rijtje, div. bouwstijlen). Reactie college: Mede naar aanleiding van zienswijzen en het advies van de Commissie m.e.r. zal het plan-MER in aanvulling op de NRD, een uitgebreide voorbeeldberekening bevatten waarin verschillende (geluids)effecten -die eigenlijk buiten het detailniveau van een plan-MER liggen- inzichtelijk worden gemaakt. Het gaat dan onder andere om laagfrequent geluid, het effect van windturbine-afmetingen op de geluidsbelasting en ook de immissie op verschillende hoogtes. Als uit deze berekening een aanzienlijk effect blijkt kan dit leiden tot een voorwaarde in het PWA voor vervolgonderzoek in de volgende (project)fase.

Deze zienswijze leidt tot een aanvulling ten opzichte van de NRD. Het hanteren van een jaargemiddelde heeft tot gevolg dat metingen gedurende een aantal jaren moeten plaatsvinden en handhaving mogelijk uitblijft, zodat de kans op gezondheidsschade ernstig vergroot wordt. Gepleit wordt daarom voor normen waarin ook het niveau van piekbelasting en de verwachte duur daarvan worden meegenomen. In Amsterdam Noord-West is al sprake van elke twee minuten pieken van 75 dB en soms 90 dB door de Zwanenburgbaan, daar kan echt niet meer piekgeluid bij. Reactie college: Het maximale momentane geluidniveau van windturbines ligt ca. 3 dB lager dan de Lden-waarde. Dus wanneer een woning 45 dB Lden aan jaargemiddeld windturbinegeluid zou ondervinden, is de maximale geluidsbelasting van de betreffende windturbines ca. 42 dB(A). Dergelijke ‘pieken’ zijn niet te vergelijken met piekgeluid van bijvoorbeeld luchtvaartgeluid. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een jaargemiddelde berekening voor geluid (Lden) is volgens sommige indieners niet geschikt voor windturbines. Het gemiddelde wordt berekend en niet gemeten, zodat de feitelijke situatie onderbelicht wordt. Er is ook onderzoek nodig voor maximale/piekbelasting.

Het gemiddelde is volgens indiener bovendien niet handhaafbaar (dat blijkt ook uit een artikel van Zembla, waarin verwezen wordt naar een Inspectierapport VROM uit 2009). Ook wordt het geluid van een windturbine volgens indiener niet goed gekarakteriseerd door Lden, zodat de relatie tussen het geluid en gezondheid minder goed aangetoond kan worden (richtlijn WHO 2018, blz. 86). In de NRD wordt er volgens een andere indiener ten onrechte vanuit gegaan dat windturbines geen tonaal geluid veroorzaken. Daarbij zijn geluidsmetingen en slagschaduwmetingen lastig te controleren. Kan de gemeente aangeven hoe wordt omgegaan met het optreden van laagfrequent en/of tonaal geluid? Reactie college: 18

Het toepassen van de dosismaat Lden is algemeen geaccepteerd voor geluidsbronnen met een relatief constant karakter. Dit is recent opnieuw bevestigd in de einduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding van 12 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1433). De handhaafbaarheid van windturbinegeluid, inclusief de wijze van handhaving bij optreden van laagfrequent en/of tonaal geluid, valt buiten de reikwijdte van het planMER. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Het advies van de expertgroep gezondheid over laagfrequent geluid is volgens een indiener ten onrechte in de wind geslagen (blz. 27 NRD). De expertgroep adviseerde namelijk een LFG-norm vergelijkbaar met Denemarken. Waarom verwijst de NRD (blz. 26) alleen naar het rapport van het RIVM?, vraagt indiener zich af. En niet naar het onderzoek van Jan de Laat, expert op het gebied van geluid en gezondheid? De effectbeoordeling moet zijn het aantal woningen met meer dan 20 dB binnenshuis voor 10-160 Hz bij windsnelheden van 6-8 meter per seconde. De Vercammencurve is volgens indiener niet acceptabel. De effecten van infrasoon geluid moeten volgens een andere indiener als aandachtspunt meegenomen worden, er lijkt een relatie te zijn met gezondheidseffecten.

Reactie college: De Deense norm is een normstelling binnenshuis, en maakt daarbij een aanname over de mate van geluidsdemping van Deense woningen. Het is niet zonder meer zeker dat deze aanname ook voor Nederlandse huizen gebruikt kan worden. Uit diverse berekeningen voor andere windprojecten is gebleken dat de Deense norm (net) niet overschreden wordt bij toepassing van een norm van 47 dB Lden. Wanneer van een strengere geluidsnorm (zoals 45 dB Lden in het expertadvies) wordt uitgegaan is het dus vrijwel zeker dat er geen overschrijding van de Deense norm zal optreden. In het MER zal tevens ingegaan worden op hoe invulling wordt gegeven aan de aanbevelingen van de expertgroep gezondheid. Infrasoon geluid valt onder de beschouwing van laagfrequent geluid. Recente onderzoeken die effecten van infrasoon geluid op mensen onderzoeken gaan over veel hogere belastingen dan waarvan bij windparken sprake kan zijn. Het aanstaande onderzoek van dr. De Laat is nog niet door de collegiale toetsing (peer review), waardoor het enerzijds nog niet openbaar is, en anderzijds de gemeente dit onderzoek nog niet als ‘wetenschappelijk aanvaard’ beschouwt. Op het moment dat het onderzoek wel wetenschappelijk aanvaard is, wordt het in het kader van het plan-MER meegenomen.

De Vercammen-curve is een geschikte en breed toegepaste methode om de aanvaardbaarheid van laagfrequent geluid te beoordelen, ook volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de eerdergenoemde uitspraak van 12 april jl. over Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. De stelling dat deze curve niet acceptabel is mist een onderbouwing. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. De NRD refereert op pagina 24 aan het “Reken- en meetvoorschrift Windturbines”(15). Deze rekenregels horen bij het Activiteitenbesluit dat door de Raad van State buiten werking is gesteld en zouden volgens een indiener niet mogen worden gebruikt voor deze NRD. De NRD maakt hier overigens volgens dezelfde indiener een fout in de voorgestelde wijze van berekenen van aantallen (ernstig) gehinderden: de % in de TNO-studie uit 2009 zijn gevonden met ándere rekenregels dan die

19

in het genoemde Reken- en meetvoorschrift. In het MER-onderzoek moet volgens indiener dus worden gekozen: • ófwel er wordt gerekend met de % (ernstig) gehinderden uit TNO (2009), maar dan dienen bij de vaststelling van geluidscontouren ook de rekenregels worden gevolgd die in dát onderzoek werden aangehouden • ófwel er wordt gerekend volgens het Reken- en meetvoorschrift, maar dan dient bij de berekening van aantallen (ernstig) gehinderden worden uitgegaan van een onderzoek waarin geluidscontouren met diezelfde rekenregels zijn bepaald. Voor zover indieners weten is zulk onderzoek niet beschikbaar. Reactie college: De windturbinenormen zijn buiten toepassing verklaard door de Raad van State, maar dat zegt niets over de inhoudelijke toepasbaarheid van het Reken- en Meetvoorschrift. De combinatie van het Reken- en Meetvoorschrift Windturbines en de dosis-effectrelatie uit Janssen 2008 is op dit moment de breedst geaccepteerde wijze om (ernstige) hinder als gevolg van windturbinegeluid inzichtelijk te maken, zoals ook blijkt uit recente uitspraken van de Raad van State. Het ligt niet voor de hand om hiervan af te wijken. Het college volgt de stelling van indiener over een fout in de rekenmethode voor het aantal gehinderden niet. De cumulatie-rekenregels uit het Reken- en Meetvoorschrift baseren zich op de respectievelijke dosis-effectrelaties van de verschillende geluidsbronnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13143507/1