Bijlage 1 - Notitie Middengroepen in Amsterdam.pdf
Tekst van het document
29
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
4.1 Baanzekerheid Na een krimp van 3,7% in 2020, is de Nederlandse en Amsterdamse economie weer groeiende. Het werkloosheidspercentage ligt landelijk met 3,3 procent historisch laag. In Amsterdam ligt het actuele werkloosheidcijfer op 4.9% (Q2, 2021). Figuur 4.1. Actuele werkloosheidcijfer Amsterdam lager dan in 2017 7 6 5 4 3 2 1 0
6,5
5,9
4,9 3,7
1e kw
2e kw
3e kw
2017
4e kw
1e kw
2e kw
3e kw
2018
4e kw
1e kw
2e kw
3e kw
4e kw
1e kw
2019
2e kw
3e kw
2020
4e kw
1e kw
2e kw
2021
Bron: OIS 2021 - Ontwikkeling werkloosheid in Amsterdam Ondanks het herstel heeft de coronacrisis een aantal gevoelige punten op de arbeidsmarkt zichtbaar gemaakt en problemen die al voor de crisis speelden nog duidelijker voor het voetlicht gebracht. Tijdens de coronacrisis steeg de werkeloosheid vooral onder laag- en middelbaaropgeleiden. Dit hangt samen met deze ontwikkelingen op de arbeidsmarkt: a. Flexibilisering b. Verdwijn- en verschijnwerk c. Diplomadevaluatie d. Risico op sociale daling Flexibilisering De economische conjunctuur heeft impact op het aantal werklozen maar lijkt nauwelijks invloed te hebben op de groei van het aantal zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers). Het aandeel flexibel werkenden (tijdelijk werk, wisselend aantal uren per week of zelfstandige) onder middelbaar opgeleiden in Nederland tussen 2003 en 2015 is gestegen van 25% naar 37%. In Amsterdam heeft bijna 1 op de 4 middeninkomens een flexibel dienstverband. De Amsterdamse economie leunt sterk op flexibele arbeidskrachten en vooral onder jongeren is dit een structurele trend. Een bijna even groot deel werkt als zelfstandige zonder personeel. Zelfstandigen zonder personeel zijn in Amsterdam vooral werkzaam in de zakelijke dienstverlening, de cultuursector en de IT.
30
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 4.2. Aandeel Amsterdamse werknemers met flexibel dienstverband hoogst onder lage inkomens
Bron: OIS bewerking CBS 2019 - Aandeel Amsterdamse werknemers met flexibel dienstverband naar inkomen Figuur 4.3. Aandeel Amsterdamse ZZP’ers hoogst onder lage inkomens
Bron: OIS bewerking CBS 2019 - Aandeel Amsterdamse ZZP’ers naar inkomen In laagconjunctuur leveren zzp’ers inkomen in terwijl hun inkomen groeit tijdens hoogconjunctuur. Daarmee vangen zzp’ers conjuncturele schokken op. Dat maakt de economie weerbaar, maar de ZZP’er kwetsbaar. Vooral werknemers met een flexibel contract, veelal jongeren, verloren tijdens de coronacrisis hun baan. Vooral daalde de participatie van laag- en middelbaar opgeleide werkenden. Hier staat tegenover dat de Amsterdamse economie ná de grote coronaklap van 2020 weer relatief snel opveerde. Dit is deels te danken aan de flexwerkers. Hoewel de arbeidsmarkt flink is aangetrokken sinds het uitbreken van de coronacrisis blijven de cultuursector en de bezoekerseconomie achter. Met name in de cultuursector zien we dat veel mensen met een flexibel contract werken.
31
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Het effect van de groeiende groep ZZP’ers is dat middeninkomens steeds vaker te maken met flexibiliteit en tijdelijkheid van werk. Middeninkomens moeten hierdoor harder werken in meer onzekere omstandigheden. Flexibiliteit brengt meer risico’s met zich mee voor medewerkers: het zorgt voor een grotere kans op werkloosheid. Het inkomensniveau en inkomenszekerheid is lager; flexibele medewerkers maken een drie keer zo hoge kans op armoede dan medewerkers met een vast contract. Daarnaast is er voor flexwerkers minder goede kans op scholing en ontwikkeling en is de duurzame inzetbaarheid minder geborgd, ook omdat zij vaker gevaarlijk werk doen en minder toegang hebben tot een bedrijfsarts. Verdwijn- en verschijnwerk Volgens de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) is technologisering een bedreigende ontwikkeling doordat bepaalde beroepen verdwijnen of al verdwenen zijn. Experts als econoom Robert Went nuanceren de impact van technologisering doordat zij verwachten dat tegenover het banenverlies er nieuwe banen terugkomen. Volgens onderzoek van McKinsey (2018) heeft naar schatting 1 op de 4 werknemers in Amsterdam een baan met een hoog automatiseringsrisico. Voor de MRA geldt dat bijna de helft van de werknemers een hoog risico heeft.
De verandering van werk door technologisering raakt alle opleidingsniveaus, maar experts zijn het erover eens dat vooral praktisch en middelbaaropgeleiden tot en met mbo-niveau 2 het grootste automatiseringsrisico lopen. In de MRA is door technologisering al een groot deel van de administratieve en financiële banen veranderd of zelfs verdwenen. Een kwart van het Amsterdamse WW bestand bestaat uit mensen die eerder werkzaam waren in de administratieve sector.
Figuur 4.4. Praktisch en middelbaaropgeleiden lopen grootste automatiseringsrisico
Bron: Stedelijk Strategieteam 2018 - Aantal banen met een hoog automatiseringsrisico, opgedeeld naar opleidingsniveau
32
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Accountantskantoor PwC voorspelt dat de komende jaren zo’n 1,6 miljoen banen dreigen te verdwijnen in Nederland, waarvan een aanzienlijk deel in Amsterdam (bron: PWC: how to make vulnerable jobs ready fort he future, 2021). Redenen hiervoor zijn een verdere verschuiving van maakindustrie naar een diensteneconomie en verandering in inhoud van het werk. Het gaat dan met name om beroepen die vatbaar zijn voor digitaliserig en automatisering, zoals receptionisten, callcenter medewerkers, boekhoudkundigen en kassamedewerkers. Ook hier is de nuancering dat het verdwijnen van deze banen niet betekent dat er 1,6 miljoen extra werklozen te verwachten zijn. Deze mensen kunnen instromen in nieuwe of andersoortige banen, waarvoor zij de skills al in huis hebben of kunnen bijleren. Volgens het rapport zijn mensen die werken in het onderwijs, zorg en de techniek op termijn juist zeer gewild. Een deel van deze arbeidsplaatsen (kunnen) worden ingevuld door mensen met een middelbare opleiding. Diplomadevaluatie Onder lage inkomens neemt het aandeel middelbaar en hoog opgeleiden toe. Onder hoge middeninkomens en de hoge inkomens, neemt het percentage middelbaar opgeleiden af. Van de lage inkomensklasse in Amsterdam had in 2019 41% een middelbare opleiding ten opzichte van 29% met een lage opleiding en 30% met een hoge opleiding.
De trend laat zien dat het segment met een middelbare opleiding binnen de lage inkomensklasse groeit en binnen de middeninkomen en hoge inkomensklassen daalt. Redenen hiervoor zijn dat je voor je diploma steeds een stukje minder beroep krijgt. Dit noemen we diplomadevaluatie. Bovendien heb je voor de hoogste beroepen net zo veel opleiding nodig als vroeger, maar voor de laagste beroepen nemen de ‘opleidingseisen’ juist toe. Kort gezegd: een middelbare opleiding is steeds minder een garantie op een middelbaar inkomen. Risico op sociale daling Door flexibel werk, verdwijnbanen en diplomadeflatie zijn middengroepen met een baan in sommige sectoren (cultuur- en bezoekerseconomie, administratief werk), met een middelbare opleiding of een instabiel middeninkomen financieel kwetsbaar. Zodra inkomsten wegvallen of kosten stijgen is sociale daling al snel een realiteit. Zes op de tien gezinnen met een middeninkomen hadden in 2019 moeite met rondkomen. Overigens is het merendeel van de Amsterdamse middeninkomens niet kwetsbaar voor sociale daling. Dit zijn veelal alleenstaanden of stellen die starten op de arbeidsmarkt en veel perspectief hebben voor de toekomst. Zij hebben nu misschien nog een middeninkomen, maar je kunt redelijkerwijs verwachten dat het inkomen snel zal stijgen. Dit geldt bijvoorbeeld voor hoogopgeleide starters, tweeverdieners en jonge gezinnen.
33
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
4.2 Cruciale beroepen Een maatschappelijke ontwikkeling die veelal ook met de middenklasse of middengroepen wordt geassocieerd zijn de personeelstekorten in cruciale en belangrijke sectoren. Onder cruciale beroepen verstaan we in deze notitie beroepen in het onderwijs, zorg, kinderopvang en veiligheid. Daarnaast zijn er belangrijke beroepen in de techniek (inclusief banen in de bouw en in duurzaamheid) en ICT. Deze beroepen zijn belangrijk om ambities die Amsterdam heeft op het gebied van bijvoorbeeld woningbouw en klimaatadaptatie waar te maken. Waar we het in deze notitie over ‘cruciale beroepen’ hebben, bedoelen we daarmee ook de belangrijke beroepen. In het eerste hoofdstuk is uitgelegd waarom beroepsgroepen een lastig kader bieden om middengroepen mee te definiëren. Wat we wel kunnen stellen is dat cruciale beroepen belangrijk zijn om de stad draaiende te houden, nu en in de toekomst. En dat cruciale beroepen onder andere uitgevoerd worden door middelbaar opgeleiden en dat mensen daar een middelbaar inkomen mee kunnen verdienen (maar ook hoger of lager). Daarom kijken we in dit onderdeel naar de relatie tussen cruciale beroepen, middengroepen en de stad en zoomen we in op het vraagstuk van personeelstekorten. Toenemende vergrijzing leidt ertoe dat de beroepsbevolking in totaal kleiner wordt.
Daarnaast zien we een verschuiving van praktische en middelbaar opgeleiden naar meer hoger opgeleiden waardoor er een kleiner deel van de beroepsbevolking kwalificaties heeft voor praktische banen. Om deze twee redenen ontstaat er naar verwachting een flink tekort aan lager en middelbaar opgeleiden in Amsterdam om de banen die er zijn te vervullen. Dit effect wordt versterkt door de omstandigheden op de woningmarkt en arbeidsmarkt (zie voor deze trends ook hoofdstuk 3 over de woon-werk balans in de regio). In bijvoorbeeld ICT- en technische beroepen is er sprake van krapte en die krapte is in de regio Amsterdam groter dan gemiddeld in Nederland. In onderstaande grafiek is te zien in welke sectoren de krapte op de arbeidsmarkt het grootst is. Het getal op de horizontale as geeft weer hoeveel openstaande vacatures er zijn per 1000 banen. Krapte zien we met name in de ICT, horeca en bouwnijverheid, maar ook in de zorg en in het onderwijs is er sprake van krapte.
34
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 4.5. Personeelskrapte het grootst in de ICT, horeca, bouwnijverheid
Bron: CBS Statline, bewerking SEO Economisch Onderzoek2019- Krapte op de arbeidsmarkt: het aantal openstaande vacatures per 1000 banen per sector Ook het ROA (Research Centre for Education and the Labour Market), dat kijkt naar toekomstige verwachtingen rondom tekorten, stelt dat werkgevers moeite verwachten te hebben met het vullen van vacatures van technische en pedagogische beroepen en in de zorg en welzijn. Tekorten in de ICT en andere maatschappelijke sectoren zijn niet per se een ‘middengroepen probleem’. Voor al deze sectoren geldt dat mensen die hierin werken inkomens hebben die uiteenlopen. Onderstaande grafiek laat zien welke type inkomen wordt verdiend in de ‘problematische groepen’. De verwachting is dat de krapte de komende jaren aan blijft houden.
35
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 4.6. Inkomens 'probleem beroepen' lopen uiteen
Bron: OIS bewerking CBS 2020 - Beroepen naar inkomensgroepen: Aandeel Amsterdams huishoudens naar inkomensgroep Cruciale beroepen en stedelijke ambities Cruciale beroepen zoals pedagogische medewerkers, zorgverleners en handhavers en agenten zijn van belang om een basisniveau van dienstverlening aan burgers te kunnen bieden: goed onderwijs, goede zorg en veiligheid. Als er geen personeel is om deze cruciale beroepen te vervullen kan dat de kwaliteit van het onderwijs aantasten: zwakkere scholen in kwetsbare gebieden worden daardoor het hardst geraakt. In de kinderopvang zien we al dat groepen naar huis worden gestuurd doordat er te weinig personeel beschikbaar is. De kwaliteit van zorg kan aangetast worden, met impact op kwetsbare groepen zoals ouderen. Op het gebied van veiligheid wordt het lastiger om het basisniveau van veiligheid te garanderen. En is het moeilijker om ruimte vrij te maken om in te spelen op nieuwe, groeiende vormen van criminaliteit zoals cybercrime. Ook het realiseren van stedelijke ambities rondom verduurzaming of een grote bouwopgave vraagt om specifiek personeel dat nu (nog) niet voor handen is. Ook hierbij is het belangrijk te realiseren dat de beroepstekorten in de maatschappelijke sector en die gerelateerd zijn aan de stedelijke ambities, op basis van inkomen en opleiding niet uitsluitend aan de middengroepen te koppelen zijn.
Praktisch en hoogopgeleiden zijn evengoed nodig om de maatschappelijke sector draaiend te houden en de ambities van de stad te realiseren. Er is een nationale en internationale concurrentiestrijd om goed personeel aan te kunnen trekken en daarvoor zijn stedelijke voorzieningen belangrijk. Als stad staat Amsterdam onder druk om dit te kunnen blijven leveren aan een diverse groep van inwoners. Het schaalniveau waarop naar deze problematiek gekeken wordt en gehandeld wordt is steeds belangrijker. Het volgende hoofdstuk gaat in op de ontwikkelingen in de MRA.
36
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
5 Hoe ontwikkelt de woon-werk balans van praktisch en middelbaar opgeleiden in de MRA?
In dit onderdeel dat de woon-werk balans in de MRA beschrijft, kijken we naar middengroepen op basis van opleidingsniveau.
Door de stijgende woningprijzen in Amsterdam en andere (hoog) stedelijke gebieden in de MRA gaan praktische en middelbaar opgeleiden (die veelal een laag tot middeninkomen hebben) zich meer spreiden over de regio en wonen op betaalbaarder maar minder goed bereikbare plekken, op grotere afstand van o.a. Amsterdam en vervoersknooppunten. De banen, ook voor praktisch en middelbaar opgeleiden, concentreren juist meer in het economisch kerngebied Amsterdam en Amstelland Meerlanden.
Toenemende pendel en grotere druk op het mobiliteit systeem is het gevolg. Prognoses laten zien dat het mobiliteitssysteem in de MRA snel verzadigd zal raken, als deze trends ook na herstel van de coronacrisis doorzetten.
Een daarmee gepaard gaande ontwikkeling is groeiende vervoersongelijkheid. Dit gebeurt omdat praktisch en middelbaar opgeleiden ten opzichte van theoretische opgeleiden: o vaker banen hebben die fysieke aanwezigheid vragen; o minder goede reiskostenvergoedingen hebben; o vaker op locaties werken of op tijden werken waardoor alleen autovervoer mogelijk is en daardoor relatief meer moeten investeren (tijd, geld en moeite) in woon-werk verplaatsingen.
Door deze ontwikkelingen is er een risico dat met name hoogstedelijke kerngebieden zoals Amsterdam te maken krijgen met verder toenemende personeelstekorten onder praktisch en middelbaar opgeleiden. Afhankelijk van de sector waarin zij werken kunnen deze groepen door schaarste in vaak ook kiezen voor banen dichter bij huis.
Dit onderdeel van de notitie focust zich op onderzoek dat in het kader van de sociaal maatschappelijke agenda in de Verstedelijkingsstrategie van de MRA is gedaan is door de gemeente Amsterdam naar woon-werk balans voor praktisch en middelbaar opgeleiden in de MRA. Er speelt een aantal factoren een grote rol in woon-werk verkeer: De ontwikkelingen op de woningmarkt en daarmee de spreiding van verschillende groepen werkenden over de regio; Ontwikkelingen op het gebied van werk en bedrijfsvestiging waar toenemende concentratie zichtbaar is; Ontwikkelingen in het steeds drukker wordende mobiliteitssysteem.
37
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
In de samenhang tussen deze factoren bevindt zich de ontwikkeling van bereikbaarheid van werk voor praktisch- en middelbaar opgeleiden, die vaak een baan hebben met een lager tot middeninkomen. Dit hoofdstuk gaat kort in op deze ontwikkelingen en op de gevolgen die ze hebben voor specifiek deze lager en middelbaar opgeleiden. In het verlengde daarvan wordt ook stilgestaan bij de andere kant van deze problematiek, namelijk de bereikbaarheid voor werknemers in sectoren waar arbeidstekorten zijn of dreigen te ontstaan.
5.1 Wonen in de MRA In hoofdstuk 2 is uitgebreid ingegaan op de woningmarkt in Amsterdam. In dit hoofdstuk wordt ook gekeken naar de ontwikkeling op het gebied van wonen in de MRA en specifiek naar de positie van inwoners met een praktische en/ of middelbare opleiding en een laag en/of middeninkomen. De historische ontwikkeling van de MRA kent trends van verstedelijking (urbanisatie) en suburbanisatie. Momenteel is er een verstedelijkingsbeweging zichtbaar waarin meer mensen in de hoog stedelijke gebieden van de regio willen wonen. Deze toenemende vraag in combinatie met ontwikkelingen zoals meer beleggingen in de woningmarkt en een lagere bezetting per woning zorgen voor schaarste en prijsstijgingen. De helft van de inwoners van de MRA (check met of zonder Amsterdam) is praktisch of middelbaar opgeleid, een groot deel heeft een laag of middeninkomen en de helft van hen woont in een sociale huurwoning. De woningmarkt in de rest van de MRA laat paralellen zien met de woningmarkt in Amsterdam. Door de woningmarktsituatie zijn starters zonder vermogen (vaak praktisch en middelbaar opgeleiden) vrijwel volledig aangewezen op sociale huursector. Nog relatief veel praktisch en middelbaar opgeleiden wonen in de MRA in een koopwoning; van de middelbaar opgeleiden is dit 53% en van de praktische opgeleiden 34%.
Ook in de MRA zijn er forse prijsstijgingen op de koopmarkt waardoor laag of middeninkomens steeds moeilijker een huis kunnen kopen. Ook in gemeenten waar dat voorheen nog goed kon (zoals Zaanstad, Purmerend en Lelystad) wordt dat moeilijker. Het alternatief is beperkt: voor middeldure huur gelden vaak inkomenszekerheidseisen die fors zijn en sociale huur kent lange wachtlijsten en met passend toewijzen is dit alleen toegankelijk voor lage inkomens en niet meer voor de groep daar net boven.
38
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 5.1. Schaarste beschikbaar woningaanbod het grootst voor starters en doorstromers in de goedkope en middensegment en middeldure huur
Bron: WiMRA 2019 - Woonwensen ten opzichte van beschikbaar woonsegment aanbod Een gevolg van deze dynamiek is ruimtelijke uitsortering waarbij er buurten en wijken ontstaan waar bovengemiddeld veel inwoners met lagere inkomens wonen (daar waar veel sociale huurwoningen zijn) en buurten en wijken met een hoge concentratie van hogere inkomens (daar waar veel koopwoningen en vrije huursector woningen zijn). Onderstaande kaart laat deze clustering in de MRA zien.
39
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 5.2. Ruimtelijke uitsortering: lage en hoge inkomens clusteren in de MRA
Bron: Verstedelijkingsconcept MRA 2021 - Clustering huishoudens naar inkomen in de MRA Door de historische samenstelling en locatie van de woningvoorraad, nieuwbouwprojecten, prijsstijgingen en verhuizingen wordt het moeilijker om op goed bereikbare plekken en kernen in de regio een betaalbare woning te kopen of huren. Praktisch en middelbaar opgeleiden kunnen vooral in nieuwbouw terecht op plekken waar relatief weinig werk is. Vanaf plekken die wel betaalbaar zijn is het verder reizen naar werk, wat zorgt voor hogere vervoerskosten. Op plekken met hogere druk zijn de woningen vaak duur en klein. Dit zijn de plekken die het best bereikbaar zijn met OV. Er is een groot verschil in betaalbaarheid tussen oude en nieuwe bewoners (starters).
5.2 Werk in de MRA De MRA is een economische topregio dankzij een aantrekkelijk vestigingsklimaat en een goed opgeleide beroepsbevolking. De MRA is een polycentrische regio qua wonen (zoals hierboven toegelicht) en heeft een monocentrische economische dynamiek: veel banen bevinden zich in het Amsterdam en in Amstelland Meerlanden. Dit wordt, zonder aanvullend beleid, sterker naar de toekomst toe. De werkgelegenheid in Amsterdam en rond Schiphol groeit al geruime tijd harder dan in de andere regio’s van de MRA (tot Corona). Economische groei in Zuid-Kennemerland en IJmond blijft achter op de rest. In de MRA zijn relatief veel banen in financiële diensten, informatie en communicatie, cultuur, recreatie en sport, horeca, specialistische zakelijke diensten, vervoer en opslag, overige zakelijke diensten en groothandel. Groei is er vooral in horeca en informatie en communicatie. Toekomstige
40
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
groei wordt verwacht in zorg en welzijn, techniek en ICT en in het onderwijs. Werken op bedrijventerreinen verschuift meer naar randen van steden en rest van regio doordat stedelijke bedrijventerreinen vaker worden getransformeerd naar woningbouw. Het werken op kantoorlocaties kent een grote concentratie en planvoorraad in Amsterdam en Amstelland – Meerlanden op internationale milieus (o.a. Zuidas). Er zijn drie relevante ontwikkelingen gaande rondom de beroepsbevolking van de MRA met betrekking tot praktische en middelbaar opgeleiden: 1. toenemende vergrijzing zorgt voor een afnemende beroepsbevolking en toekomstige krapte; 2. een steeds groter wordende groep theoretisch opgeleiden ten opzichte van praktisch en middelbaar opgeleiden; 3. een grotere geografische spreiding van praktische en middelbaar opgeleiden binnen de MRA. Door deze veranderingen in de (locatie van de) beroepsbevolking ontstaan er op lokaal niveau tekorten aan praktisch en middelbaar opgeleiden in de kerngebieden, vooral in Amsterdam. Er is sprake van disbalans tussen de woon- en werklocaties van werknemers in de MRA, en deze disbalans wordt groter. Werk is geconcentreerd in Amsterdam en Amstelland Meerlanden en werknemers zijn zoals eerder werd aangegeven ongelijk gespreid over de MRA. De volgende ontwikkelingen komen uit nadere analyse: Een groeiend surplus aan theoretisch opgeleide inwoners.
Rond de eeuwwisseling woonden er in alle deelregio’s, behalve Amstelland Meerlanden iets meer theoretisch opgeleide werknemers in de MRA dan er banen voor hen waren. Dit verschil groeide licht tot 2018, en zal naar verwachting versterken richting 2040. Een groeiend tekort aan middelbaar opgeleide werknemers, en een groeiende geografische disbalans. Rond de eeuwwisseling woonden in de MRA aanzienlijk meer middelbaar opgeleiden dan er banen op dat niveau waren. De tekorten aan middelbaar geschoolden in deelregio’s Amsterdam en Amstelland Meerlanden werden ruimschoots gecompenseerd in de andere deelregio’s. In 2018 is de lokale disbalans in de deelregio’s Amsterdam en Amstelland Meerlanden sterk gegroeid doordat vooral hier het aantal middenbanen in de tussenliggende periode sterk groeide. Deze groei is niet gecompenseerd door de groei van het aantal middelbaar opgeleide werknemers in deze deelregio’s, en ook niet in de MRA als geheel, waardoor het totale surplus aan werknemers op middelbaar niveau is omgeslagen in een tekort in 2018. Een tendens die zich naar verwachting zal voortzetten in de toekomst. Een nijpend tekort aan praktisch opgeleiden: In 2003 was ongeveer een kwart van de actieve beroepsbevolking praktisch opgeleid, terwijl maar rond de 20% van de banen een praktische opleiding nodig was.
In 2018 was dat surplus omgeslagen naar een klein tekort, waarbij ook een geografische disbalans was ontstaan: een flink tekort in Amsterdam en Amstelland Meerlanden werd gecompenseerd door een licht surplus in elke deelregio. Naar 2040 is de verwachting dat dit lichte surplus in alle deelregio’s is omgeslagen in een tekort. In onderstaande afbeelding staat de geografische disbalans weergegeven. In de blauwe gebieden is een concentratie van banen voor praktische en middelbaar opgeleiden. In de rode gebieden een concentratie van praktisch en middelbaar opgeleide beroepsbevolking.
41
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 5.3 Geografische disbalans in banen (blauwe ringen) en woonlocaties (rode ringen) praktisch en middelbaar opgeleiden binnen de MRA
Bron: Verstedelijkingsconcept MRA 2021 - Concentratie van banen in de MRA naar opleidingsniveau Door de boven genoemde tendensen zijn werkgevers in Amsterdam en Amstelland Meerlanden steeds meer afhankelijkheid van praktisch en middelbaar opgeleiden die in of buiten de regio wonen, en die bereid zijn om een grotere woon-werk afstand af te leggen. Het probleem hierbij is echter dat praktisch en middelbaar opgeleiden minder dan theoretisch opgeleiden bereid of in staat zijn deze grote woonwerkafstanden af te leggen en dat dit hen ook in een lastiger positie brengt dan theoretisch opgeleiden. Daarnaast is het huidige mobiliteitssysteem niet in staat deze groeiende mobiliteitsbehoefte te bedienen.
5.3 Bereikbaarheid en mobiliteit in de MRA Het Daily Urban System van Amsterdam (het gebied waarin de belangrijkste dagelijkse verplaatsingen (woon-werk, studie, sport etc. plaatsvinden) is de afgelopen decennia flink gegroeid en is inmiddels groter dan het territorium van de MRA. Dat komt door de toenemende doordat het aantal banen in de regio sneller groeit dan de beroepsbevolking, maar ook door verbeteringen in de bereikbaarheid, groeiende mogelijkheden om deels thuis te werken waardoor het voor met name hoog opgeleiden mogelijk is om verder van het werk te gaan wonen of om verder van het wonen te gaan werken. Historisch gezien zijn mensen met een praktische of middelbare opleiding minder bereid en/of in staat om grotere afstanden tot werk af te leggen.
42
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 5.4 Gemiddelde woonwerkafstand van praktisch en middelbaar opgeleiden lager dan van theoretisch opgeleiden
Bron: CBS, ODIN - Gemiddelde woonwerkafstand naar opleidingsniveau De laatste decennia is er veel geïnvesteerd in de uitbreiding van de wegcapaciteit in de MRA en (beperkter) in de IC-treinverbindingen (zie bijvoorbeeld het spoorboekloos rijden tussen Amsterdam – Utrecht en Eindhoven). Hiermee is deze dagelijkse pendel over langere afstanden ook bevorderd. Een verdere uitbreiding van deze nationale infrastructuur is kostbaar, kost veel tijd en is ook steeds meer omstreden vanwege de aantasting van het landschap die dat met zich meebrengt. Volgens het college van Rijksadviseurs is verdere groei van het DUS niet wenselijk omdat dit nog meer pendel betekent en daarmee nog meer congestie en druk op de infrastructuur. De fijnmazige regionale en lokale netwerkstructuur is veel minder uitgebreid. Voor uitbreiding van weginfrastructuur is geen ruimte en draagvlak en voor de ov-infrastructuur is beschikbaarheid van financiële middelen vaak de beperkende factor. De belangrijkste bron daarvoor is de Brede DoelUitkering (BDU) van het Rijk die al vele jaren niet meer meegroeit met de groei van de bevolking en hat aantal banen in de MRA.
Om toch de groei van de reizigersstromen te kunnen faciliteren is in het lokale en regionale ov vaak ingezet op het efficiënter maken van de netwerkstructuur: meer inzet op snelle rechtstreeks verbindende R-netlijnen (hoogwaardige regionale buslijnen met hoge frequenties, relatief weinig haltes en deels vrije banen) in spitsperiodes en minder op ontsluitende lijnen, wat meer kronkelende lijnen, die zeker in de dalperiodes duur zijn in exploitatie. Dat heeft voor veel reizigers geleid tot snellere ov-verbindingen, maar voor ander deel van de reizigers tot een versobering van het ov-aanbod door langere loopafstanden en vaker overstappen. Ook zijn de kosten van het ov-gebruik de afgelopen 10 jaar sterker gestegen dan die van het autogebruik, onder meer door verhoging van het lage BTW-tarief (OV+30%; Auto+25%). Voor mensen met een hoger inkomen zijn de vergoedingen voor woon-werkverkeer vaak hoger dan voor lagere inkomensgroepen. Voor praktisch en middelbaar opgeleiden in laag stedelijke gebieden met een beperkter en steeds duurder ov-aanbod is de auto steeds vaker een beter alternatief dan het ov, zeker als een
43
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
fietsalternatief door te lange afstanden geen optie is. Alleen al binnen Amsterdam leidt de ligging van het woongebied binnen of buiten de ring tot grote verschillen in bereikbaarheid van banen. Figuur 5.5. Relatief grote verschillen in bereikbaarheid van banen praktisch geschoolden binnen en buiten de ring
Bron: Rapport Mobiliteit op Strandeiland, Bureau Overmorgen 2020 – Aantal werkplekken met praktisch geschoold werk bereikbaar in een half uur met OV Praktisch en middelbaar opgeleiden reizen dan ook vaker met de auto dan theoretisch opgeleiden. Behalve met de locatie van hun werkplekken speelt hier ook mee dat ze vaak werktijden kunnen hebben waarin het ov-aanbod afwezig of veel geringer is. Voorbeelden zijn nachtdiensten voor verplegend personeel, maar ook 24-uursshifts bij productiewerk en logistiek werk op Schiphol in de Havens en in distributiecentra. Thuiswerken, wat altijd al veel voorkwam in bepaalde beroepsgroepen en door de coronacrisis een enorme toename heeft gehad, is vaak voor praktisch en middelbaar opgeleiden minder goed mogelijk. Figuur 5.6. Thuiswerken onder praktisch en middelbaar opgeleiden minder gebruikelijk
Bron: Tilburg University 2020 – Aantal uren werk verdeeld tussen thuis en op de werkplaats naar opleidingsniveau, voor Covid-19 en maart 2020
44
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Overige uitdagingen voor de nabije toekomst zijn dat de ruimte voor parkeren schaarser en daarmee ook duurder zal worden in nieuwe woonwijken met een hoge dichtheid. Voor de variabele autokosten wordt verwacht dat die zullen afnemen met de komst van de elektrische auto’s, maar de aanschafprijzen zijn vooralsnog hoog. Daardoor kan de scheefheid in betaalbaarheid tussen hoger inkomensgroepen met een goede reiskostenvergoeding en de lagere inkomensgroepen met een beperktere reiskostenvergoeding groter worden (met gelijkblijvende regelgeving hieromtrent).
45
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
6 In hoeverre worden middeninkomens financieel geraakt door gemeentelijke lasten en de energietransitie?
Bij de beschrijving van de effecten van gemeentelijke lasten en de lasten van de energietransitie kijken we naar middengroepen op basis van inkomen.
Middeninkomens hebben minder toegang tot overheidssteun ten opzichte van lage inkomens, terwijl hun lasten een groter aandeel van het inkomen vragen dan van hogere inkomens. Middengroepen hebben daardoor soms niet (veel) meer te besteden dan lage inkomens. Deze marginale druk komt met name door het voorzieningen en lasten systeem op landelijk niveau en geldt in mindere mate op gemeentelijk niveau.
Amsterdamse middeninkomens kunnen gebruik maken van generieke regelingen die de gemeente Amsterdam aanbiedt om tot andere energievoorzieningen-en besparing te komen. Specifieke regelingen voor middeninkomens ontbreken waar die wel specifiek voor lage inkomens gelden.
Middeninkomens worden net als andere inkomensgroepen door het Rijk gecompenseerd in hun energielasten (de energierekening) die door de hogere energieprijzen toenemen. Lage inkomens krijgen hiernaast nog extra compensatie.
Middeninkomens met een eigen woning in Amsterdam betalen OZB, rioolheffing en afvalstofheffing. Middeninkomens met een huurwoning betalen direct voor afvalstofheffing, andere lasten zitten indirect in de huurprijs verwerkt. Bij het bepalen van de gemeentelijke lasten wordt geen rekening wordt gehouden met de huishoudinkomens. Wel kunnen huishoudens met een inkomen op of rond bijstandsniveau en weinig spaargeld kwijtschelding van de gemeentelijke lasten aanvragen.
De WRR concludeert in het rapport ‘De val van de middenklasse’ dat het in absolute zin financieel niet slechter gaat met de middeninkomens, maar dat er meer gewerkt moet worden door de leden van het middeninkomen huishouden om op dat niveau te blijven en hun koopkracht te behouden. Volgens Hoogleraar Housing systems Technische Universiteit Delft- Peter Boelhouwer is meer specifiek de positie van gezinnen met een middeninkomen precair. Dit komt omdat voor deze groep vrijwel alle toeslagen vervallen waardoor de marginale druk voor hen zeer hoog is. Hierdoor hebben bijvoorbeeld gezinnen met een inkomen van 38.000 slechts ongeveer 160 euro meer te besteden dan gezinnen met het minimumloon. Maar ook middeninkomens zonder kinderen zouden te maken hebben met een hogere marginale druk. De marginale druk is het deel van de stijging van het bruto-inkomen dat niet resulteert in een
46
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
toename van het besteedbare inkomen. Als gevolg van een stijging van het bruto-inkomen moet bijvoorbeeld meer belasting worden betaald en/of daalt het recht op toeslagen. Tegelijkertijd blijven de lasten voor het huishouden vaak wel gelijk en wordt het besteedbaar inkomen daarmee niet groter. Middengroepen hebben dan soms niet (veel) meer te besteden dan lage inkomens. Deze lasten raken middeninkomens relatief harder dan hogere inkomens omdat zij moeilijker in staat zijn makkelijker in staat zijn om financiële tegenvallers zelf op te vangen. En omdat de lage inkomens gesteund worden draagt dit volgens de WRR onder middengroepen bij aan maatschappelijk onbehagen. Het huishoudboekje is een relflectie van een heel persoonlijke situatie. Gezien de brede en diverse kenmerken van de middengroepen is het niet mogelijk om een gemiddeld huishoudboekje van een Amsterdams huishouden in de middengroepen te presenteren. De belangrijkste bouwstenen van het huishoudboekje die voor ieder huishouden van invloed zijn naast inkomen de kosten voor de huur/ hypotheek en de energie en zorgkosten. Daar bovenop komen de landelijke en gemeentelijke lasten. Circa één op de drie Amsterdamse middeninkomens had in 2018 moeite met rondkomen. Met name middeninkomen gezinnen ervaren dit als moeilijk; zes op de tien middeninkomen gezinnen hebben moeite met rondkomen. Figuur 6.1.
Meer dan de helft van de middeninkomen gezinnen heeft moeite met rondkomen
Bron: bewerking van data OIS Staat van de Stad X 2018 - Ervaren moeite met rondkomen Inkomen en vermogen zijn de belangrijkste indicatoren voor de financiële positie van middengroepen. In dit onderdeel van de notitie gaan we uit van het huishoudinkomen als basis voor het betalen van de dagelijkse kosten. Enerzijds zijn er zorgen om financiële kwetsbaarheid vanwege het risico op daling van het inkomen door flexibilisering en technologisering van de arbeidsmarkt (zie hoofdstuk 3 arbeidsmarkt), anderzijds gaat het om de financiële draagkracht en koopkracht door stijgende lasten. Deze lastenverzwaring kan het gevolg zijn van hogere woonprijzen (zie ook hoofdstuk 2 woningmarkt), maar ook door toename van vaste lasten zoals de energielasten en (in mindere mate) de gemeentelijke belastingen. In dit hoofdstuk van de notitie wordt gekeken naar lasten die gepaard gaan met de energietransitie en de gemeentelijke lasten. Voor de energietransitie wordt ook stilgestaan bij de rol van het Rijk. Verder biedt de afbakening van deze notitie niet de ruimte voor een uitgebreide analyse van alle landelijke belastingen, toeslagen en voorzieningen voor middeninkomens te maken. Een recente maatregel zoals een compensatie voor gestegen energielasten, evenals aangekondigde maatregelen in het Regeerakkoord zoals de verhoging van de vergoeding voor kinderopvang, zijn
47
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
in dit stuk niet meegenomen – maar kunnen wel impact hebben op de lasten en financiële situatie van middengroepen.
6.1 Energie (transitie) lasten De energielasten (de energierekening) kan voor huishoudens een grote kostenpost zijn. Het verduurzamen van woningen kan leiden tot een lagere energierekening, maar gaat ook gepaard met investeringskosten. Dit zijn de lasten als gevolg van de energietransitie. Energielasten Uit onderzoek Energiearmoede in Amsterdam van OIS (2020) blijkt dat de energielasten voor middeninkomens gemiddeld genomen 4 tot 5 % van het totale inkomen innemen. Voor 3% van de lage middeninkomens is sprake is van energiearmoede. Er is sprake van energiearmoede wanneer de energierekening 10% of meer van het totale inkomen beslaat. De energielasten zijn relatief gezien het hoogst voor huishoudens met een laag inkomen; 37%. Figuur 6.2. Energielasten middeninkomens nemen 4 tot 5% van het totale inkomen in
Bron: Energiearmoede in Amsterdam OIS 2020 - Energiequote, huishoudens met energiearmoede en gemiddelde energierekening Er is geen gemeentelijke compensatieregeling voor energielasten, wel een landelijke. Het Rijk heeft geen directe invloed op de leveringstarieven (dit is aan de markt), maar kan wel via belastingen compenseren. Het Rijk voert naar aanleiding van de huidige hoge gas-en elektriciteitsprijzen twee aanpassingen door in de belastingen voor 2022 om huishoudens te compenseren voor de hogere energierekeningen: Belastingvermindering van €230,- om tegemoet te komen aan de hogere energierekening door de stijgende gasprijzen. Deze belastingvermindering is een vaste korting op het belastingdeel van de energierekening en geldt voor iedereen. De hoogte van de belastingvermindering energiebelasting varieert per jaar en is sinds 2020 verhoogd. Verlaging van de energiebelasting; een tegemoetkoming in het energiegebruik. Dit wordt verrekend in het verbruik. Aanvullend op deze aanpassingen krijgen huishoudens met een laag inkomen via de gemeente €200,- extra voor het betalen van de energierekening.
48
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Lasten als gevolg van de energietransitie De lasten die gepaard gaan met de energietransitie vormen vooral de investeringen die gedaan moeten worden om tot andere energievoorzieningen en -besparing te komen. Wanneer een huishouden eenmaal een individuele duurzame energievoorziening heeft en/of de woning heeft geïsoleerd dan leidt dit tot lagere energiekosten. Collectieve energievoorzieningen daartegenover leiden nu (nog) niet tot een lagere energierekening voor huishouders die hieraan meedoen. Dit is omdat de tarieven van de leveranciers van collectieve energievoorzieningen zijn gekoppeld aan de gasprijzen. Met andere woorden: men betaalt bij collectieve energievoorzieningen dezelfde prijs als dat er betaald zou moeten worden bij gebruik van aardgas. In de nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening wordt deze relatie ontkoppeld. Wanneer deze wordt vastgesteld is onzeker. Dat kan over een jaar, maar het kan ook nog enkele jaren duren. Amsterdam heeft de ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn. Dit betekent dat woningen moeten worden aangesloten op stadswarmte of alternatieven. Voor een deel van de woningen is de collectieve energievoorziening van het warmtenet het alternatief voor aardgas met de laagste maatschappelijke kosten voor de transitie.
Omdat het warmtenet een collectieve energievoorziening is betalen huishoudens op dit moment evenveel voor hun energierekening als zij betaalden voor het gebruik van aardgas. Bewoners kunnen niet gedwongen worden om van het aardgas af te gaan of op andere manieren te verduurzamen. Het gaat dan ook om een vrijwillige keuze en vrijwillige investeringskosten. Vanuit het Rijk wordt geld beschikbaar gesteld voor gemeenten om kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening en/of een slecht geïsoleerde woning te ondersteunen in het verduurzamen van hun (huur)woning. En ook door de gemeente Amsterdam zijn er maatregelen getroffen die huishoudens in de transitie moeten ondersteunen zoals de subsidies aardgasvrij en vouchers bij energiearmoede. Deze maatregelen zijn of gericht op lage inkomens* (bijvoorbeeld de aankomende witgoedregeling minima) of generiek toegankelijk (zoals de collectieve inkoop van zonnepanelen en isolatie). Er zijn geen maatregelen die specifiek gericht zijn op de middeninkomens.[i] Recent onderzoek van de Rekenkamer (november 2021) concludeert dan ook dat in het beleid van Amsterdam voor het realiseren van de energietransitie maatregelen voor middeninkomens ontbreken.
6.2 Gemeentelijke voorzieningen en lasten Voor inwoners van de gemeente Amsterdam geldt dat zij mogelijk in hun lasten worden verlicht wanneer zij gebruik maken van de diverse voorzieningen die de gemeente (ter compensatie) aanbiedt. Gemeentelijke voorzieningen De gemeente Amsterdam biedt onder andere de volgende voorzieningen aan om lasten te verlichten: de stadspas, sportvergoeding, scholingsvoucher, individuele inkomenstoeslag, collectieve zorgverzekering, gratis dierenarts, gratis identiteitskaart, gratis openbaar vervoer voor ouderen, gratis laptop middelbare school, gratis laptop of tablet basisschool, individuele inkomenstoeslag, kindbonnen, OV-vergoeding voor mantelzorgers, regeling tegemoetkoming
49
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
meerkosten, reiskostenvergoeding voor scholieren, scholierenvergoedingen, tegemoetkoming aanvullend openbaar vervoer en de regeling tegemoetkoming meerkosten (RTM). Deze gemeentelijke voorzieningen gelden alleen voor minima huishoudens (120% wettelijk sociaal minimum). De grens voor een gezin met kind(eren) jonger dan 18 jaar is € 25.741 (2021). Zelfs met de ambitie om dit te verruimen naar 130%, ligt het jaarinkomen van €27,556 (2021) onder de inkomensgrens voor lage middeninkomens (huurtoeslag grens). Deze voorzieningen zijn daarmee gericht op de lage inkomensgroepen. Middeninkomens kunnen hier geen gebruik van maken. Naast de gemeentelijke voorzieningen kunnen bewoners via maatschappelijke initiatieven met partners tegemoet gekomen worden. Dit zijn geen directe voorzieningen van de gemeente zelf maar voorzieningen die via partners worden aangeboden. In sommige gevallen worden voor deze initiatieven ruimere inkomensgrenzen gehanteerd (tot circa 150% wettelijk sociaal minimum). Tenslotte zijn er in de stad voedselinitiatieven (anders dan de Voedselbank) waar bewoners ongeacht hun inkomen gebruik van kunnen maken. Dit zijn veelal initiatieven die door de Coronacrisis zijn ontstaan. Gemeentelijke lasten De belangrijkste lasten vanuit de gemeente die gelden voor alle middeninkomens in Amsterdam zijn de gemeentelijke belastingen.
Afhankelijk van de woning en het bezit van een auto kunnen daar nog kosten voor erfpacht en parkeervergunningen bijkomen. Met de Gemeentewet is bepaald welke belastingen gemeenten mogen heffen. Middeninkomens met een eigen koopwoningen in Amsterdam hebben te maken met de onroerendezaakbelasting (OZB). De hoogte van deze belasting is afhankelijk van de waarde van de woning. Eigenaren van woningen moeten daarnaast nog rioolheffing (voor de aansluiting op het riool) betalen. Middeninkomens met een huurwoning betalen alleen afvalstofheffing (die ook voor woningeigenaren geldt) voor het ophalen en verwerken van huisvuil. De hoogte hiervan is afhankelijk van de grootte van het huishouden. De Gemeentewet verbiedt belastingheffing naar winst, draagkracht of vermogen (dat is voorbehouden aan het Rijk). Gekeken naar inkomen en vermogen is er wel een kwijtscheldingsregeling voor huishoudens die niet in staat zijn hun belastingen te betalen. Huishoudens met een inkomen op of rond bijstandsniveau (120% wettelijk sociaal minimum) na aftrek van woonlasten en ziektekostenpremie en weinig vermogen/spaargeld komen in aanmerking voor de kwijtschelding. De hoogte van de belastingen verschillen per gemeente. In de Atlas van de lokale lasten (2021) van de Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) staan de lasten van alle gemeenten van Nederland beschreven.
Volgens het COELO betaalden Nederlandse huishoudens met een eigen woning in 2021 gemiddeld €811,- per jaar aan gemeentelijke lasten. En huurders €411,-. Dit bedrag is lager voor huurders omdat zij geen onroerendezaakbelasting betalen. In Amsterdam betaalt een tweepersoonshuishouden in 2021 met een eigen woning €761,- aan gemeentelijke lasten. Dit is meer dan in de gemeente Den Haag (€700,-), maar minder dan in
50
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Utrecht (€882,-), Rotterdam (€903,-) en het landelijk gemiddelde (€811,-). Naast deze lasten betaalt een groot deel van de huishoudens met een eigen woning in Amsterdam erfpacht. Anders dan in de meeste andere gemeenten komen deze lasten nog bovenop de gemeentelijke belastingen die middeninkomens moeten betalen. De hoogte van de erfpacht is afhankelijk van de resterende tijd van de canon. Figuur 6.3. Gemiddelde lokale lasten voor tweepersoonshuishouden met eigen woning in Amsterdam lager dan in Rotterdam
Bron: Lokale lasten calculator COELO 2021 - Gemiddelde lokale lasten 2021 tweepersoonshuishouden met eigen woning Een tweepersoonshuishouden met een huurwoning betaalde in Amsterdam in 2021 €435,- per jaar aan gemeentelijke lasten. Dit is meer dan het landelijk gemiddelde (€411,-) en in de gemeenten Utrecht (€345,-), Rotterdam (€348,-) en Den haag (€330,-). Dit verschil heeft te maken met de relatief hoge afvalstoffenheffing. Het college heeft ervoor gekozen om de heffing kostendekkend in te richten. Figuur 6.4. Gemiddelde lokale lasten voor een tweepersoonshuishouden met huurwoning in Amsterdam hoger dan in Rotterdam
Bron: Lokale lasten calculator COELO tweepersoonshuishouden met huurwoning
2021
-
Gemiddelde
lokale
lasten
2021
Tenslotte hebben de meeste Amsterdamse huishoudens die in het bezit zijn van een auto naast de gemeentelijke belastingen te maken met de kosten voor hun parkeervergunning. De hoogte van de parkeervergunningen is afhankelijk van het stadsdeel waar het huishouden woont. Dit geldt ook voor de parkeerkosten (parkeertarieven voor parkeren zonder vergunningen).
51
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
7 Welke rol spelen middengroepen in het sociale weefstel van de stad?
Bij het beschrijven van het sociale weefsel in de stad en welke rol middengroepen daarin spelen kijken we naar inkomen , beroepen en huishoudsamenstelling .
Amsterdamse middeninkomens hebben niet meer dan andere inkomensgroepen een ‘cement functie’ in de stedelijke samenleving. Ze hebben niet meer dan andere inkomensgroepen contact met buren en/of andere bevolkingsgroepen. Het effect van middeninkomens op kansengelijkheid lijkt ook beperkt. Het grootste middenklasse-effect is de verbetering van het imago en de (ervaren) veiligheid van een buurt.
Er zijn aanwijzingen dat het sociaal weefsel van de stad positief wordt beïnvloed door gezinnen, mensen in maatschappelijke of creatieve beroepen of lang verblijvers, ongeacht de inkomensgroep waar zij toe behoren. Verdere analyse is hierop nodig om sterkere conclusies te kunnen trekken.
Het aandeel gezinnen neemt in Amsterdam in zijn totaliteit (nog) niet af. Het aandeel jonge gezinnen neemt wel af waardoor op de langere termijn het aandeel gezinnen kan afnemen. Dit lijkt te worden beïnvloed door de woonsituatie voor gezinnen in de stad waardoor met name middeninkomen en hoge inkomen gezinnen uit de stad vertrekken. Lage inkomen gezinnen hebben vaker te maken met te krappe behuizing.
Naar de middengroepen wordt vaak gerefereerd als het ‘cement van de samenleving’. Verlies van middengroepen zou gepaard gaan met afname van sociale cohesie in de stad en in buurten omdat wordt aangenomen dat zij de ‘’schakel’’ zijn tussen de lage en hoge inkomens omdat zij met beide groepen contacten hebben. In dit hoofdstuk is gekeken naar de rol van middengroepen in het sociaal weefsel van de stad en of deze uitspraak op basis van literatuurstudies en interviews onderbouwd kan worden. Sociaal weefsel wordt in deze notitie vertaald in sociale cohesie, kansengelijkheid en leefbaarheid. Daarnaast is specifiek gekeken naar de rol van gezinnen in de stad.
7.1 Sociale cohesie, kansengelijkheid en leefbaarheid Sociale cohesie betreft de interne bindingskracht van een sociaal systeem dat kan variëren van kleine groepen tot gehele samenlevingen. Het gaat om de binding die mensen met het sociaal systeem hebben en onderling met elkaar. En wordt onder andere gevormd door gedeelde gevoelens van saamhorigheid, frequent contact en participatie in het groepsleven (Verwey en Jonker, 2008). De zorgen rondom afname van sociale cohesie gaan gepaard met de gevolgen die dit kan hebben voor de leefbaarheid en kansengelijkheid.
52
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Volgens literatuurstudie van Verwey & Jonker (2008) blijkt dat minder sociale cohesie negatieve gevolgen kan hebben voor kansengelijkheid. Dit zou komen omdat bij mensen met beperkte sociale netwerken de kans groter is dat zij minder perspectief hebben om hoger op de ‘maatschappelijke ladder’ te komen. Omdat zij hierdoor minder kunnen profiteren van anderen waar ze zich aan op kunnen trekken. Dit geldt zowel voor de onderwijsloopbaan als voor de kansen op de arbeidsmarkt. De zorg is dat afname van middengroepen bijdraagt aan minder kansengelijkheid voor mensen met een lage SES omdat zij doorgaans minder sterke sociale netwerken hebben en zich dan minder kunnen optrekken. Tenslotte wordt gevreesd dat afname van sociale cohesie leidt tot een verminderde leefbaarheid van de stad. Uit de studie van Verwey & Jonker (2008) komt naar voren dat meerdere studies aantonen dat veiligheid en veiligheidsbeleving sterk samenhangen met aspecten van sociale cohesie in de buurten. Daarnaast kennen buurten met grotere sociale cohesie een grotere verbondenheid met de buurt en daaruit volgend een hogere vrijwillige bijdrage en participatie van inwoners om de leefbaarheid van deze buurten te verbeteren. Tenslotte zijn bewoners in buurten met veel sociale cohesie over het algemeen meer tevreden met hun woonomgeving en buurt.
Sociale cohesie Uit analyse op basis van de statistieken van de Staat van de Stad (2020) blijkt dat er een sterke correlatie is tussen de ervaren sociale cohesie in de buurt en de contacten in de buurt. Amsterdamse middeninkomens hebben niet meer dan andere inkomensgroepen contact hebben met hun buren of met andere bevolkingsgroepen. Ook participeren zij niet meer dan andere inkomensgroepen in activiteiten of verenigingen. Wel is hun politieke participatie (evenals hoge inkomens) relatief hoog. Figuur 7.1. Middeninkomens hebben nagenoeg evenveel contact met buren of andere bevolkingsgroepen als andere inkomensgroepen
Bron: bewerking data OIS Staat van de Stad X 2020 - Participatie en contact, percentage Amsterdammers naar inkomensniveau
53
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Uit ditzelfde onderzoek komt naar voren dat gekeken naar verschillende type huishoudens in Amsterdam de bewoners met kinderen het meeste contact hebben met buren, ongeacht de inkomensgroep.
Figuur 7.2. Stellen met kinderen hebben het meester contact met buren
Bron: bewerking data OIS Staat van de Stad X 2020 - Contact met buren, percentage Amsterdammers naar huishoudsamenstelling Dit wordt in het boek Stadskinderen (2004) van stadsgeograaf Lia Karsten (UvA) onderschreven. “Een meer kindvriendelijke leefomgeving is van belang voor de ontwikkeling van leefbare steden. Gezinnen onderhouden sociale netwerken. Ook economisch is er verlies; wanneer zij meer gaan verdienen verlaten zij de stad. Wanneer beleid gericht is op het behouden van de middenklassen zal er iets moeten gebeuren voor de sociaal-ruimtelijke condities voor stedelijk gezinsleven. ” Figuur 7.3. Mate van contact met buren en overige buurtbewoners neemt in Amsterdam af
Bron: OIS Staat van de Stad XI 2021 - Mate van contact met buren en overige buurtbewoners
54
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Uit het onderzoek Staat van de Stad Amsterdam XI van OIS (2021) blijkt dat er in Amsterdam sprake is van een afname aan burencontact. Dat heeft volgens senior onderzoeker Hester Booi (OIS) waarschijnlijk te maken met internationalisering, groeiend aandeel 20’ers en 30’ers en kortere woonduur. ''Wanneer er minder gezinnen in de stad wonen, zal dit nog verder dalen.'' Uit analyse van Wonen in Amsterdam (WiA) (2019) komt naar voren dat gezinnen meer contact met buren hebben dan andere huishoudens. En dat dit verschil vooral groot is bij de huishoudens die ergens nog maar kort wonen. Daarnaast lijken gezinnen van belang voor de leefbaarheid van de stad. In het NRC stelt hoogleraar Zef Hemel dat jonge gezinnen ''de graadmeter voor leefbaarheid in de stad” omdat zij zich inzetten voor een omgeving die schoon, veilig en kindvriendelijk is. Gezien de bijdrage die gezinnen hebben aan de sociale cohesie en leefbaarheid wordt in de volgende paragraaf dieper ingegaan op gezinnen in de stad. Kansengelijkheid Volgens onderzoek van Driessen (‘Peer group’ effecten op onderwijsprestaties, 2007) gaan hogere of lagere schoolprestaties maar in beperkte mate samen met de sociaal-milieu samenstelling van de leerlingenpopulatie van een klas.
'' Kenmerken op het individuele leerling niveau, zoals het sociaal milieu en etnische migratieachtergrond zijn veel belangrijker en bepalender voor de schoolpresentaties dan die op het klas-en schoolniveau’’. Onderzoek van het CPB (Verschillen in leerresultaten basisscholen, 2019) daarentegen toont aan dat het voor leerprestaties van kinderen wel degelijk uitmaakt wie de medeleerlingen zijn en hoe zij presteren. In dit onderzoek wordt echter geen specifieke uitspraak gedaan over de rol van middeninkomens. Meer medeleerlingen met ouders met hoge SES heeft volgens het CPB een positief effect op de leerresultaten. Wanneer de verschillen tussen de leerresultaten te groot zijn, heeft dit een negatief effect op de leerprestaties van leerlingen. Er wordt aangenomen dat middengroepen in buurten bijdragen aan sterkere netwerken en sociaal kapitaal voor bewoners met een lage SES en dat dit hen zou helpen betere kansen op de arbeidsmarkt. Volgens onderzoek van het CPB is het effect van middengroepen in de buurt gering. “Gemengde buurten kunnen (gevoelens van) veiligheid en geestelijke gezondheid van bewoners bevorderen. Dit draagt echter niet bij aan een verbetering van hun sociaaleconomische positie” – CPB, ‘Buurteffecten in perspectief’. En ook professor Stedelijke geografie Maarten van Ham (TU Delft) benadrukt in het NRC dat buurteffecten in Nederland heel klein zijn.
Leefbaarheid Uit analyse op basis van de statistieken van de Staat van de Stad (2020) blijkt dat inzet voor de buurt en stad ook samen hangt met sociale cohesie, maar in mindere mate. Amsterdamse middeninkomens zich niet vaker dan andere inkomensgroepen inzetten voor hun buurt of voor de stad. Amsterdamse middeninkomens lijken wel iets vaker vrijwilligerswerk te verlenen en naasten te helpen dan andere inkomensgroepen. Dit verschil is echter klein.
55
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 7.4. Middeninkomens verlenen iets meer vrijwilligerswerk, maar zetten zich minder in voor buurt of stad
Bron: bewerking data OIS Staat van de Stad X 2020 - Betrokkenheid, percentage Amsterdammers naar inkomensniveau Uit het onderzoek van lector Stedelijk Sociaal Werken Lex Veldboer (Helpt de middenklasse?, 2008) komt naar voren dat niet alle middenklasse bewoners, maar alleen die met bepaalde beroepen bijdragen aan de leefbaarheid. Met name de creatieve klasse en onderwijzers zetten zich relatief vaak in voor de wijken waar zij wonen. ‘’ In Amsterdam zet een bepaald deel van de creatieve klasse [wetenschappers, ontwerpers, kunstenaars en andere hoogopgeleide creatieven] zich in voor de achterstandswijk waar ze wonen. Onderwijzers in achterstandswijken zijn relatief sterk geneigd om zich ook in hun vrije tijd in te zetten voor mensen met sociale problemen. Of dit effect even sterk optreedt bij de andere sociale professionals (politieagenten en verpleegkundigen) valt nog niet vast te stellen.’’ Zoals beschreven in de inleiding blijkt uit literatuurstudie dat bewoners met een grotere verbondenheid met de buurt een hogere vrijwillige bijdrage en participatie kennen om de leefbaarheid van deze buurten te verbeteren. Uit de Amsterdamse Burgermonitor van OIS (2017) blijkt dat langdurige bewoners zich veel sterker met Amsterdam verbonden voelen dan kortverblijvers (korter dan 5 jaar woonachtig in Amsterdam).
Internationals zijn over het algemeen kortverblijvers; gemiddeld genomen verhuist circa 70% van de internationals binnen 5 jaar weer door naar een nieuwe verblijfplaats.
56
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 7.5. Betrokkenheid bij Amsterdam het laagst onder bewoners die minder dan 5 jaar in Amsterdam wonen
Bron: bewerking data Amsterdamse Burgermonitor 2017 - Betrokkenheid, percentage Amsterdammers naar geboorteplaats en verblijfsduur Veiligheid en de veiligheidsbeleving zijn belangrijke aspecten van de leefbaarheid van een buurt. Uit literatuurstudie van Verwey & Jonker (2008) blijkt dat deze hangen sterk samenhangen met aspecten van sociale cohesie in de buurten. En ook het CPB stelt in het onderzoek 'Buurteffecten in perspectief dat gemengde buurten kunnen bijdragen aan gevoelens van veiligheid en daarmee de geestelijke gezondheid van bewoners bevorderen'. Volgens lector Stedelijk Sociaal Werken Lex Veldboer is het kansrijkste middenklasse-effect de verbetering van de veiligheid, de voorzieningen, het buurtvertrouwen en imago van een gebied.
7.2 Gezinnen in de stad In de vorige paragraaf werd de bijdrage van gezinnen aan de sociale cohesie beschreven. In deze paragraaf staan we stil bij de ontwikkelingen van gezinnen in Amsterdam. Amsterdam telt 74.000 stellen met kinderen, 16% van alle huishoudens in de stad. Dit aantal en aandeel is tussen 2017 en 2o19 nagenoeg gelijk gebleven. Dit is het gevolg van de bevolkingsgroei en de ontwikkeling dat kinderen langer thuis blijven wonen. De instroom van gezinnen naar de stad is klein.
57
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Figuur 7.6. Aandeel jonge gezinnen neemt af
Bron: CBS/bewerking OIS 2019 - Aandeel gezinnen in Amsterdam naar soort gezin. Indeling op basis van de leeftijd van het oudste kind Hoewel het aandeel gezinnen gelijk is gebleven en vertrek van gezinnen van alle tijden is, zijn er drie ontwikkelingen die relevant zijn in het kader van het sociaal weefsel van de stad. Ten eerste neemt het aandeel jonge gezinnen (0-3 jaar) af. Dit komt omdat in deze groep in toenemende mate meer gezinnen de stad verlaten dan dat er nieuwe gezinnen worden gevormd. Het jaarlijks vertrekpercentage van jonge gezinnen lag in de jaren ’90 op 6%, in 2019 was dit toegenomen tot 10%. Figuur 7.7. Vertrek van jonge gezinnen is toegenomen
Bron: CBS/bewerking OIS 2019 - Vertrek van gezinnen in Amsterdam naar soort gezin
58
Gemeente Amsterdam Notitie Middengroepen in Amsterdam
18 januari 2022
Daarnaast hebben jonge gezinnen die in de stad gevormd worden in toenemende mate een hoog inkomen. En hoe hoger het inkomen, hoe groter de kans dat een gezin uit de stad vertrekt omdat er voor hen meer keus is op de woningmarkt buiten Amsterdam. Dit betekent dat het aandeel jonge gezinnen met een laag of middensegment middeninkomen afneemt. Het vertrek van gezinnen uit de stad hangt samen met de woningprijzen en de beschikbaarheid van (koop)woningen die groot genoeg zijn. Een groot deel van de Amsterdamse woningvoorraad, en dan met name het deel dat vrijkomt voor nieuwe bewoners, is niet geschikt voor gezinnen omdat deze bestaat uit kleine woningen en particuliere huurwoningen, terwijl gezinnen vaak op zoek zijn naar grotere koopwoningen. Een laatste ontwikkeling die Amsterdamse gezinnen steeds meer kenmerkt is dat gezinnen steeds vaker een internationale migratieachtergrond hebben doordat zij instromen uit veelal westerse migratielanden (internationals). Wonen voor gezinnen in de stad De Amsterdamse woningvoorraad wordt gekenmerkt door veel kleine woningen. Ongeveer de helft van de woningen is kleiner dan 70 m² gebruiksoppervlak. Uitgesplitst naar segment wordt zichtbaar dat er vooral veel kleine woningen te vinden zijn in de sociale huursector.
Sociale huurwoningen groter dan 61 m² woonoppervlak en met 3 of meer kamers worden op basis van de Huisvestingsverordening met voorrang toegewezen aan een gezin met één of meer kinderen. Woningen groter dan 70 m² woonoppervlak en met 4 of meer kamers worden op basis van de Huisvestingsverordening met voorrang toegewezen aan een gezin met drie of meer kinderen.2 Volgens deze systematiek is er dus altijd één slaapkamer voor de ouder(s)/verzorger(s) en één slaapkamer voor twee kinderen beschikbaar. Daarnaast een woonkamer voor het hele gezin. Door de marktontwikkelingen zijn ook de nieuwgebouwde woningen de afgelopen jaren gemiddeld kleiner geworden. Dit komt voornamelijk omdat de nieuwe koopwoningen kleiner zijn geworden. Daarnaast heeft de ontwikkeling van buy-to-let en verkamering bijgedragen aan de trend van meer kleine woningen. Door het opkopen van woningen en deze in kleine kamers te verdelen voor verhuur aan studenten of buitenlandse werknemers zijn deze woningen niet meer beschikbaar als gezinswoning.