Bijlage 1 MIRT-brief januari 2026
Tekst van het document
Kleine verbeteringen autonetwerk of doorstroming Met de MIRT-regio’s zijn afspraken gemaakt over het uitvoeren van kleine maatregelen, gericht op het verbeteren van het autonetwerk of de doorstroming op het nationale netwerk. Met de beschikbare Rijksbijdrage van € 280 miljoen worden 48 maatregelen, verdeeld over Nederland, gerealiseerd waar de weggebruiker positief effect van ervaart. Het gaat daarbij om maatregelen zoals het verbeteren van de afritten, het ongelijkvloers maken van enkele aansluitingen, het verbeteren van kruispunten/rotondes rond de snelwegen en het verbeteren van regionale verbindingswegen nabij de snelweg. Zo wordt onder meer in Oost Nederland voor € 16 miljoen de huidige aansluiting van de N35 met de Oostweg ongelijkvloers gemaakt, wat zorgt voor een verbeterde doorstroming en oplossing van een verkeersveiligheidsknelpunt. In Noordwest Nederland wordt voor € 25 miljoen een nieuwe verbindingsweg bij de A6 ten zuiden van Lelystad aangelegd, Kamerstuk 31 305, nr. 514 TZ202504-063 26 Kamerstuk 29 984, nr. 1143 27 Kamerstuk 29 984, nr. 1150 28 Kamerstuk 29 984, nr. 1176 29 Kamerstuk 31 305, nr. 483 24 25
Pagina 19 van 34
waarmee de doorstroming op delen van de A6 verbetert en er wordt bijgedragen aan de bereikbaarheid van gebiedsontwikkeling Zuiderhage. In Noord Nederland wordt € 17 miljoen bijgedragen aan de realisatie van een fly-over bij verkeersplein Gieten N34/N33. Afgesproken is dat de regionale partijen deze maatregelen in de periode tot 2030 zullen uitvoeren.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
1.7.3. Toekomstperspectief Hoofdwegennet Het Toekomstperspectief Hoofdwegennet is het langetermijnbeleidskader van IenW voor het beheren en ontwikkelen van het hoofdwegennet, in samenhang met de ruimtelijke ontwikkeling en met andere netwerken en vervoerswijzen, als onderdeel van de Mobiliteitsvisie en de Ontwerpnota Ruimte. Rijk en regio werken het Toekomstperspectief gebiedsgericht uit. Doel is in het BO MIRT 2026 een gezamenlijk beeld van de gewenste functie van de hoofdwegen vast te stellen en een eerste beeld van de belangrijkste opgaven (bereikbaarheid, betrouwbaarheid/robuustheid, veiligheid en leefomgeving) richting 2050 te bepalen. De werkzaamheden en resultaten worden ook benut voor de Rijk-regio inbreng in de Uitvoeringsagenda Nota Ruimte en de gezamenlijke programmering in de MIRT-gebiedsagenda’s. 1.7.4. Rapportage dodelijke ongevallen en letselongevallen op rijkswegen in 2023 SWOV heeft recent haar jaarlijkse analyse van dodelijke verkeersongevallen op rijkswegen opgeleverd.30 De Kamer wordt hierover normaal gesproken geïnformeerd via de verzamelbrief verkeersveiligheid, maar die verscheen hiervoor te vroeg. In aanvulling op voorgaande jaren onderzocht SWOV dit keer ook letselongevallen op rijkswegen uit 2023, waarbij minstens één persoon in het ziekenhuis belandde.
Het rapport geeft onder andere inzicht in hoeverre de infrastructuur een rol heeft gespeeld bij het ontstaan en de afloop van dodelijke ongevallen op rijkswegen. Op basis van de aanvullende informatie van de politie heeft het SWOV geconcludeerd dat er in 2023 in totaal 59 dodelijke verkeersongevallen op een rijksweg plaats vonden, waarbij 68 verkeersdeelnemers kwamen te overlijden.31 Van deze 59 dodelijke ongevallen zijn kop-staartaanrijdingen het meest voorkomende type, gevolgd door obstakelongevallen en frontale ongevallen. Het aantal (en aandeel) obstakelongevallen was niet eerder zo laag als in 2023, terwijl het aandeel frontale aanrijdingen relatief hoog lag. Net als in voorgaande jaren ontstonden de meeste dodelijke ongevallen door een combinatie van onoplettendheid of (bewust) risicogedrag van de weggebruiker en een weginrichting die weinig ruimte laat voor menselijke fouten. Infrastructurele aspecten die in 2023 het meest een rol speelden bij het ontstaan van ongevallen op rijkswegen waren een te smalle vluchtzone, het ontbreken van een fysieke rijrichtingscheiding op enkelbaanswegen en het ontbreken van openbare verlichting. De ernst van de afloop werd voor een belangrijk deel bepaald door de
SWOV (2025), Dodelijke ongevallen en letselongevallen op rijkswegen in 2023. Volgens het Bestand geRegistreerde Ongevallen Nederland (BRON) vonden er in 2023 op rijkswegen 61 dodelijke verkeersongevallen plaats, waarbij 70 verkeersdeelnemers zijn overleden. Na correctie met RWS-data en het uitsluiten van ongevallen door suïcide, onwelwording of een ongeval dat niet op een rijksweg plaatsvond, concludeert SWOV dat in 2023 in totaal 59 dodelijke ongevallen waren op rijkswegen met 68 slachtoffers. 30 31
Pagina 20 van 34
inrichting van de berm en het niet (correct) gebruik of functioneren van beveiligingsmiddelen zoals een motorhelm, airbags en gordels. Bij de vergelijking met de bestudeerde letselongevallen valt op dat de letselongevallen vaker kop-staart of eenzijdige aanrijdingen zijn dan bij dodelijke ongevallen. Frontale ongevallen kwamen minder vaak voor bij de letselongevallen. De rol van de infrastructuur bij het ontstaan van de letselongevallen is vergelijkbaar met die bij de dodelijke verkeersongevallen.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
1.7.5. Verkeersveiligheid Rijks-N-wegen Er is binnen het MF € 200 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van de verkeersveiligheid van Rijks-N-wegen. Hiermee worden maatregelen getroffen in twee verschillende tranches.32 De Kamer wordt hierover jaarlijks geïnformeerd en in juni jl. is de Kamer geïnformeerd over de voortgang.33 Enkele maatregelen uit de eerste tranche die afgelopen najaar zijn uitgevoerd, zijn de verkeersveiligheidsmaatregelen op de N57, N59 (in oktober), N33 (in oktober/november) en N99 (in november). Als onderdeel van tranche twee zijn ook maatregelen op de N44 voorzien. Onlangs is duidelijk geworden dat de oorspronkelijke scope (het aanleggen van een parallelbaan tussen de kruising bij Houtweg/Raaphorstlaan naar de Eikenlaan) niet haalbaar is gezien de beperkte fysieke ruimte en de wens om daar in het kader van het Meerjarenprogramma Geluidsanering geluidsschermen te plaatsen. Momenteel wordt verkend welke andere maatregelen een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de verkeersveiligheid op de N44. Hierbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld maatregelen bij kruispunten om de gereden snelheid omlaag te brengen inclusief gedragsbeïnvloeding en mogelijk handhaving. 1.7.6. Spoorcapaciteit 2030 In de afgelopen periode is in het kader van het programma Spoorcapaciteit 2030 voortgang geboekt.
Zo zijn maatregelen genomen om langere treinen in te kunnen zetten (zoals tussen Hoorn en Amsterdam) en de inzet van meer Intercity’s Nieuwe Generatie (ICNG) mogelijk te maken in de dienstregeling 2026 . Zo wordt de ICNG nu ingezet op Den Haag - Eindhoven, Breda -HSL-Amsterdam Zuid - Amersfoort Schothorst en als tweede IC Brussel met doorkoppeling over de HSL naar Amsterdam Zuid en Lelystad. Bovendien is op de trajecten Den Haag Eindhoven en Rotterdam - Lelystad (over de HSL) op basis van monitoring mogelijk gemaakt dat de ICNG met 16 rijtuigen kan rijden, in tegenstelling tot de eerdere maximale hoeveelheid van 13. Dit biedt een verhoogde zitplaatskans op deze trajecten. Vanuit het programma Spoorcapaciteit 2030 zijn bovendien maatregelen aan de HSL verricht om de hogere frequenties met 200 km/u te rijden (de daadwerkelijke implementatie daarvan hangt af van het opheffen van de tijdelijke snelheidsbeperking op de HSL). Het is ook de bedoeling dat het ICNGmaterieel in de toekomst verder doorrijdt naar het noorden en oosten van Nederland. 1.7.7. Behandelen & Opstellen Het MIRT-programma Behandelen & Opstellen, bedoeld om emplacementscapaciteit te vergroten op meerdere locaties in Nederland, kent een 32 33
Kamerstuk 29 398, nr. 1014 Kamerstuk 36 600 A, nr.63 Pagina 21 van 34
taakstellend budget. Bij kostenoverschrijdingen betekent dit dat het programma in beginsel moet versoberen op de scope van de onderliggende projecten. Dit is in het verleden ook meermaals gebeurd, waarbij projecten uiteindelijk in hun totaliteit geschrapt zijn om het programmabudget weer sluitend te krijgen. Er zijn momenteel nog twee projecten die (definitief) over moeten naar realisatiefase, te weten Roosendaal en Rotterdam Noord Goederen. Vanwege het taakstellende budget en genoemde versoberingsexercities uit het verleden is de scope van deze projecten al zeer sober.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
Het programma loopt momenteel aan tegen een budgetspanning van € 2,3 miljoen. Er wordt onderzocht of deze twee projecten nog verder versoberd kunnen worden, maar vanwege de voorgeschiedenis wordt dit een zeer lastige klus; er dient wel een werkbare scope over te blijven. Het integraal schrappen van één van de projecten is vanuit het spoorsysteem en de gewenste productstappen op het hoofdrailnet namelijk zeer onwenselijk. De prognose eindstand van het programma Behandelen & Opstellen is daarom nu niet sluitend. 1.7.8. Spoortrillingen Zoals eerder met de Kamer gedeeld werkt IenW aan het in beeld brengen van mogelijkheden voor een landelijke aanpak van spoortrillingen.34 In dat kader zal de Gezondheidsraad in 2026 op verzoek van het ministerie advies uitbrengen over een gezondheidskundige advieswaarde voor spoortrillingen. Ook zullen in een plan-mer-procedure de milieueffecten van verschillende mogelijkheden nader worden onderzocht. De resultaten van beide trajecten zullen worden betrokken in de afweging over een landelijke aanpak. 1.7.9.
Plan van Aanpak Regionale Bereikbaarheidsanalyses en -profielen In het kader van ‘Bereikbaarheid op Peil’ hebben Rijk en regio’s de afspraak gemaakt dat de regio’s komende periode regionale bereikbaarheidsanalyses gaan uitwerken.35 Het doel hiervan is het centraal stellen van de bereikbaarheidsopgave in de onderlinge samenwerking tussen het Rijk en de regio’s. Het nationale bereikbaarheidspeil en de nulmeting die daarvoor is gemaakt dienen als het referentiekader voor de analyses. Met de ontwikkeling van dat referentiekader is al inzichtelijk geworden dat voorzieningenbeleid en ruimtelijke ordening (nabijheid) naast mobiliteit cruciaal zijn bij het werken aan bereikbaarheidsopgaven. In het Plan van Aanpak, dat de onderlegger is van deze afspraak, is ook specifiek aandacht voor het meenemen van de belemmeringen die mensen ervaren om mobiel te zijn en dus bereikbaarheid te genieten.
Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie van het lid Pierik die de regering verzoekt om bij verdere uitwerking van de regionale ontwikkelstrategieën en MIRT-investeringen structureel rekening te houden met bereikbaarheidsongelijkheid.36 Het Plan van Aanpak is als bijlage bij deze brief meegestuurd, zoals toegezegd aan het lid Van Dijk.37 Op basis van het werken aan de regionale bereikbaarheidsanalyses zal komend jaar door Rijk en regio’s samen een voorstel worden uitgewerkt over de invulling van de vervolgstap, waarin de analyse wordt omgezet in een handelingsperspectief.
Kamerstuk 29 984, nr. 1130 Kamerstuk 31 305, nr. 489 36 Kamerstuk 31 305, nr. 494 37 TZ202507-083 34 35
Pagina 22 van 34
1.7.10. Prijsindexatie MIRT-overzicht De Kamer heeft in september jl. het MIRT-overzicht 2026 ontvangen. Het MIRToverzicht geeft inzicht in de achtergrond, de voortgang en de planning van de Rijksprojecten en Rijksprogramma’s uit het MIRT. In de financiële tabellen van de eerdere versie van dit overzicht is bij enkele projecten de laatste prijsindexatie nog niet helemaal correct verwerkt. Op www.mirtoverzicht.nl zijn de meest recente cijfers te vinden.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
2. Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT 2.1. Instandhouding in het MIRT Waar er vernieuwingswerkzaamheden worden uitgevoerd, is weergegeven in het jaarlijkse MIRT overzicht dat in september naar de Kamer wordt gestuurd. Ook wordt ieder jaar de Staat van de Infrastructuur met de Kamer gedeeld waarmee zichtbaar is waar RWS aan de slag gaat en/of waar hinder voorzien is, hetzij door werkzaamheden hetzij door gebruiksbeperkingen.38 Daarnaast beschrijft het Meerjarenplan Instandhouding voor de infrastructuur, in beheer bij RWS, het plan van aanpak en de urgentie voor de instandhoudingsopgave. Dit plan is voor de zomer met de Kamer gedeeld.39 De omvang en impact van de instandhoudingsopgave neemt toe. Ook wordt een belangrijk deel van de middelen uit het mobiliteits- en deltafonds hieraan besteed. Borging van de rol en inspraak van regionale partners bij de instandhouding van de infrastructuur is daarom van belang. In dit licht verzoekt de motie Krul en Van der Graaf het kabinet de instandhoudingsopgave te integreren in de MIRT-cyclus.40 Over de uitvoering van de motie is de Kamer eerder geïnformeerd.41 RWS heeft de aanpak verder doorontwikkeld. De bespreking van de programmering met de decentrale overheden is hierbij geïntegreerd in de relevante bestaande overlegstructuren, zoals de gebiedstafels.
Ook de hinderaanpak wordt daarin tot op detailniveau besproken, inclusief de afstemming met ProRail. Waar nodig kunnen de onderwerpen vervolgens worden ingebracht in de reguliere directeuren- en bestuurlijke MIRT-overleggen. 2.2. Beheersing Programma Woningbouw en Mobiliteit De investeringsruimte voor goede ontsluiting van woningbouwlocaties is beperkt. Dit maakt dat Rijk en regio zich maximaal inspannen om de gemaakte afspraken over de inzet van € 2,5 miljard voor infrastructurele maatregelen ten behoeve van woningbouw goed te monitoren en gezamenlijk te sturen op resultaat. Voor de afspraken voor het ontsluiten en goed bereikbaar maken van nieuwe woningen vormt de reguliere verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheden de basis. De financiële risico’s voor de uitvoering van maatregelen die via de SPUK-regeling worden uitgekeerd, liggen bij de decentrale overheden. Hierbij zijn de bedragen vastgesteld op prijspeil 2025 incl. btw, tenzij anders is aangegeven. Tot aan het moment van uitkeren wordt de Rijksbijdrage jaarlijks geïndexeerd met het door het ministerie van Financiën uitgekeerde IBOI-percentage. Het btw-compensabele deel van de Rijksbijdrage wordt uitgekeerd aan het btw-compensatiefonds. Kamerstuk 36 800-A, nr. 9 Kamerstuk 29 385 nr. 143 40 Kamerstuk 29 385, nr. 131 41 Kamerstuk 36 600-A, nr. 16 38 39
Pagina 23 van 34
De voortgang van de gemaakte afspraken voor zowel de eerder verdeelde € 7,5 miljard als de nieuw gemaakte afspraken voor de € 2,5 miljard aan woningbouw en mobiliteit, worden beheerst en gemonitord volgens de kaders van het Plan van Aanpak Beheersing Woningbouw en Mobiliteit. De voortgang van de nieuwe afspraken wordt separaat inzichtelijk gemaakt en toegevoegd aan de jaarlijkse voortgangsrapportage Woningbouw en Mobiliteit. Deze wordt jaarlijks met de Tweede Kamer gedeeld, zoals bij de voortgangsrapportage over 2024 is onlangs is gebeurd.42 De bestaande programmabeheersing is ook van toepassing op de nieuwe afspraken die onderdeel uitmaken van de € 2,5 miljard Dit betekent dat de Rijksbijdrage taakstellend is en dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de infrastructurele maatregelen en de realisatie van de woningbouwaantallen. Het plan van aanpak beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit is geactualiseerd met de toevoeging van de € 2,5 miljard en is als bijlage toegevoegd aan deze MIRT-brief. Ook voor de nieuwe afspraken worden er periodiek voortgangsgesprekken gevoerd met de betrokken gemeenten en projectorganisaties, over de uitvoering van de mobiliteitsmaatregelen en de voortgang van de woningbouw. Tijdens deze gesprekken is er aandacht voor het mitigeren van risico’s en het benutten van kansen.
Op specifieke thema’s, zoals mobiliteitshubs, kunnen experts worden ingezet om andere inzichten en oplossingsrichtingen te verkennen en eventuele knelpunten te verhelpen.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
2.3. Evaluatierapport ‘Vinger aan de pols’ werkwijze programma Woningbouw en Mobiliteit Het eerste externe evaluatierapport ‘Vinger aan de pols programma Woningbouw en Mobiliteit’ is met grote waardering ontvangen. De partijen Arcadis en Berenschot hebben in opdracht van IenW de werkwijze en werking van het programma WoMo geëvalueerd. Het doel hiervan is om te leren als organisatie en verbeteringen aan te brengen in de uitvoering van het meerjarige programma. De bevindingen en conclusies die in het evaluatierapport zijn opgenomen, worden door het programmateam herkend en sluiten aan op de ervaringen in de samenwerking tussen Rijk en regio. Gedurende de evaluatie zijn belangrijke leerpunten doorgevoerd in het recente proces van het beoordelen van nieuwe proposities die onderdeel uitmaken van de € 2,5 miljard voor de ontsluiting van nieuwe woningen. Voorbeelden hiervan zijn het vroegtijdig betrekken van provincies en gemeenten bij de vastgestelde criteria en afweegkaders, het toetsen van de uitvoerbaarheid van plannen door RWS en ProRail en door te werken aan meer flexibiliteit in de programmabeheersing. Zoals toegezegd aan de rapporteur Woningbouw en mobiliteit43 zal IenW op basis van de aanbevelingen van het evaluatierapport de komende jaren verder investeren in de samenwerking met andere ministeries en regiopartners om het doelbereik van het programma WoMo te vergroten.
Het programmateam zal de werkwijze periodiek blijven evalueren, om zo effectief mogelijk te kunnen sturen op de realisatie van infrastructurele maatregelen ten behoeve van goed bereikbare woningen. Het evaluatierapport is als bijlage toegevoegd aan deze MIRT-brief. 2.4. Restbudgetten gepauzeerde WoMo-projecten 42 43
Kamerstuk 3284, nr. 1399 TZ202501-051 Pagina 24 van 34
Aan het lid Veltman is toegezegd, voor het notaoverleg MIRT, verder in te gaan op de vijf extra gepauzeerde wegenprojecten.44 IenW heeft deze projecten toegevoegd aan de aanpak herstart. Deze projecten kennen hiermee dezelfde herstartvoorwaarden als de zeventien in 2023 gepauzeerde projecten. Op 22 mei jl. is de Kamer geïnformeerd dat nog € 357 miljoen aan middelen vanuit de vijf gepauzeerde wegenprojecten resteert.45 Deze middelen zijn afkomstig uit de € 7,5 miljard voor Woningbouw en Mobiliteit van het kabinet Rutte IV. De resterende € 357 miljoen is herbestemd, evenals een eerdere WoMo-reservering van € 17 miljoen. • Ten eerste wordt een deel van de middelen ingezet om tekorten binnen het bestaande WoMo-programma op te vangen, bij de projecten OV-knoop Haarlem Nieuw-Zuid (€ 14 miljoen) en gebiedsontwikkeling Maasterras (€ 25 miljoen). Bij de BO’s Leefomgeving 2025 zijn hier al afspraken over gemaakt door Rijk en regio.46 • Ten tweede heeft het kabinet in 2025 besloten om de helft van de prijsbijstelling uit te keren en het resterende deel in te zetten voor Rijksbrede problematiek. Hierdoor heeft IenW € 2,1 miljard minder aan prijsbijstelling ontvangen voor de projecten en programma’s in het MF. Ook is er in het Regeerprogramma een budgetkorting van 10 procent op specifieke uitkeringen (SPUK’s) opgenomen.
Hierdoor is er op het bestaande WoMo-programma budgetspanning ontstaan: € 77 miljoen (inhouden prijsbijstelling tranche 2025) en € 53 miljoen (SPUKtaakstelling). Deze spanning diende opgelost te worden om uitvoering te kunnen geven aan afspraken met regionale partijen. • Ten derde reserveert het Rijk € 131 miljoen vanuit de resterende WoMomiddelen voor een toekomstige herstart van het in 2025 gepauzeerde project A6 Almere Oostvaarders-Lelystad, mede met het oog op de ontwikkeling van woningbouw in Lelystad. In combinatie met de nog bij RWS aanwezige middelen is een taakstellend, planflexibel budget van € 152,8 miljoen voor het project A6 beschikbaar. Rijk en regio zijn in overleg over de stikstofopgave en benodigde personele capaciteit. • Tot slot wordt een bedrag van € 59 miljoen toegevoegd aan het budget voor woningbouw en mobiliteit om het mogelijk te maken dat rekening houdend met programmakosten nog steeds € 2,5 miljard geïnvesteerd kan worden in de realisatie van bereikbare nieuwe woningen. • De resterende € 15 miljoen komt weer beschikbaar voor het programma Woningbouw en Mobiliteit. De toezegging aan het lid Veltman is hiermee uitgevoerd.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
2.5. Verkeersveiligheidsmaatregelen N36 en N50 De motie van het lid Pierik verzoekt de regering te onderzoeken hoe en op welke manier op de gehele N50 (Kampen - Ramspol) en de gehele N36 (Wierden Ommen) de rijbanen veiliger gemaakt kunnen worden, en hiervoor concrete plannen en ook een tijdspad op te stellen.47 RWS beziet op dit moment of het met versoberingen mogelijk is om de rijbanen op de N50 Kampen - Ramspol en de gehele N36 veiliger te maken. Ook de € 115 miljoen die voor de N36 (Almelo/Wierden – Ommen) extra beschikbaar is gekomen met de Voorjaarsnota TZ202507-065 Kamerstuk 36 725 A, nr. 4 46 Kamerstuk 36 600-A, nr. 63 47 Kamerstuk 29 398, nr. 1164 44 45
Pagina 25 van 34
2025 is namelijk niet volledig toereikend om de hele N36 volgens de richtlijnen in te richten. Daarom zal naast de gedeeltelijke aanpak van de N36 (volgens de huidige plannen) ook gekeken worden naar manieren om het project goedkoper te maken zonder substantieel in te leveren op de verkeersveiligheid, door op delen van de N36 te werken met fysieke rijbaanscheidingen die niet voldoen aan de RWS-richtlijnen, maar wel frontale ongevallen voorkomen. Ook voor de N50 geldt dat het beschikbare budget van € 21 miljoen onvoldoende is om dit gehele wegvak te voorzien van fysieke rijbaanscheiding. Daarom wordt ook daar gekeken naar mogelijkheden om te versoberen. Wanneer de resultaten van deze versoberingsonderzoeken beschikbaar zijn, zal IenW in overleg treden met de regionale partijen.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
De motie van het lid Veltman c.s. verzoekt de regering om in overleg met de regio het perspectief voor de verbetering van de verkeersveiligheid van de gehele N36 uit te werken met een beschrijving van concrete vervolgstappen en dit nadrukkelijk mee te nemen in de bredere afweging binnen het Mobiliteitsfonds.48 Met de bij Voorjaarsnota 2025 extra beschikbaar gekomen € 115 miljoen voor de aanpak van de N36, is nu in totaal € 240 miljoen beschikbaar. In overeenstemming met de motie van het lid Pierik49 zal worden bekeken op welke manier de gehele N36 verkeersveiliger gemaakt kan worden met dit budget. Dit betekent dat niet overal rijbaanscheiding volgens richtlijnen toegepast zal gaan worden. De resultaten van dit nadere onderzoek maken onderdeel uit van het toekomstperspectief op de N36. Eind mei is met de regionale bestuurders gesproken over de aanpak van de N36 en ook in het vervolg zijn we blijvend in overleg met de regionale bestuurders. Medio 2026 zal naar verwachting een besluit worden genomen over de definitieve aanpak van de N36. De Kamer zal hier per brief over worden geïnformeerd. Aan het lid Veltman is toegezegd om in gesprek te gaan met de regio over mogelijkheden voor een realistische variant van het aanpakken van de N36 en de Kamer hierover te informeren voor het NO MIRT.50 IenW is blijvend in overleg met de regionale partijen over de aanpak van de N36.
De regio zal ook betrokken worden bij de uitwerking van het onderzoek naar versoberingen voor de N36, dat op dit moment uitgevoerd wordt. Medio 2026 verwacht IenW hierover – in overleg met de regionale partijen – een besluit te nemen. 2.6. Bodegravenboog De motie van het lid Veltman c.s. verzoekt de regering met de regio in overleg te treden over de optie van een korte lus voor de verbinding van de A12 naar de N11, en dit te betrekken bij de gesprekken over kleinere maatregelen in het kader van de inzet van restbudgetten (zie ook paragraaf 1.7.2).51 De regio zuidwest heeft de zogenoemde ‘korte lus voor de verbinding van de A12 naar de N11’ niet ingediend als maatregel voor de besteding van het restbudget van € 280 miljoen voor kleine verbeteringen aan het autonetwerk. De regio heeft prioriteit gegeven aan onder meer de Deltaweg in Zeeland en de N57 ten zuiden van de A15. Hiermee wordt de motie als afgehandeld beschouwd.
Kamerstuk 36 600-A, nr. 30 Kamerstuk 29 398, nr. 1168 50 TZ202507-091 51 Kamerstuk 36 600-A, nr. 32 48 49
Pagina 26 van 34
Aan het lid Vedder is toegezegd om langs te gaan bij het project Bodegravenboog en de Kamer te informeren over de uitkomsten van die gesprekken.52 Op verzoek van de Kamer, is de regio bezocht en de problematiek besproken met de provincie Zuid-Holland en gemeente Bodegraven - Reeuwijk. Er is geconcludeerd dat er op dit moment geen budget, personele capaciteit en stikstofruimte beschikbaar is om de Bodegravenboog aan te leggen. Hiermee wordt de toezegging als afgehandeld beschouwd.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
2.7. Hoevelaken De Kamer heeft via meerdere moties de regering verzocht om Knooppunt Hoevelaken onverkort en met urgentie uit te voeren en een plan van aanpak op te stellen voor een mogelijk gefaseerde aanpak.53 In lijn met deze moties en in vervolg op de afspraken uit de BO’s Leefomgeving van juni 2025 heeft het Rijk, in afstemming met de regio, een plan van aanpak opgesteld. Hierin zijn de vervolgstappen opgenomen om de A1/A28 Knooppunt Hoevelaken-variant 4 uit te werken naar een projectbesluit. Daarbij dient zicht gehouden te worden op realisatie van het gehele MIRT-project A1/A28 knooppunt Hoevelaken. Rijk en regio onderkennen nogmaals dat de urgentie van de realisatie van het MIRT-project A1/A28 Knooppunt Hoevelaken onverminderd groot blijft voor de (nationale) opgaven rondom woningbouw, werkgelegenheid, bereikbaarheid, verkeersveiligheid, leefbaarheid en ontwikkelingen van defensie in de regio. Voor het starten van een projectprocedure moet voldoende perspectief zijn op de randvoorwaarden stikstofruimte, financiën en maakcapaciteit. Dit perspectief ontbreekt echter, waardoor de breed gedeelde ambitie om Knooppunt Hoevelaken versneld (gefaseerd) aan te pakken, niet gehaald wordt. De huidige moties zijn daarmee op dit moment niet volledig uitvoerbaar, maar blijven het uitgangspunt voor het vervolg.
Actieve inspanning is nodig om alle randvoorwaarden op orde te brengen, om te komen tot (gefaseerde) herstart van het project. Gezien de urgentie van dit project en de wil van Rijk en regio om er de schouders onder te zetten, worden gezamenlijk de mogelijkheden in de aanpak van de stikstofopgave verkend. Daarbij worden de voor de opgave benodigde provincies betrokken. Vooruitlopend op een herstart, zal het Rijk ook verkennen welke ontwerpstappen voor variant 4 mogelijk zijn, zodat er tijdig een ontwerp ligt dat als basis kan dienen voor het vervolg. 2.8. Gepauzeerde projecten In 2023 en 2025 heeft IenW besloten om respectievelijk zeventien en vijf MIRTprojecten te pauzeren, omdat er geen oplossing in beeld is voor de stikstofopgave, gebrek aan maakcapaciteit en grote budgetspanning op het MF.54 Conform de motie van het lid Krul wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de stand van zaken.55 Onlangs heeft de Kamer een aanpak herstart zeventien gepauzeerde MIRTprojecten ontvangen.56 Voor de mogelijkheden van een herstart kijkt IenW naar de kansen die er zijn ten aanzien van de randvoorwaarden stikstof, financiën en TZ202507-095 Kamerstukken 36 410-XII, nr. 58; 36 600-A, nr. 31; 31 305, nr. 493 54 Op dit moment zijn hiervan nog veertien projecten gepauzeerd. 55 Kamerstuk 29 385, nr. 132 56 Bijlage bij Kamerstuk 36 600, nr. 63 52 53
Pagina 27 van 34
maakcapaciteit. In het licht van de beperkingen is het de ambitie van IenW ieder jaar één gepauzeerd project op te starten, mits voldaan kan worden aan deze randvoorwaarden. Het streven is om in het voorjaar van 2026 de kennisgeving van de verkenning A27 Zeewolde – Eemnes te publiceren waarna gestart kan worden met de verkenning en daarvoor de gereserveerde € 200 miljoen vanuit de restbudgetten van de in 2023 gepauzeerde wegprojecten in te zetten.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
In lijn met de motie van de leden Grinwis en Vedder57 en de toezegging aan het lid Pierik58 verkent IenW de mogelijkheid om projecten gefaseerd op te pakken. Voor de A1/A28 Knooppunt Hoevelaken is een Plan van Aanpak opgeleverd (zie paragraaf 2.7). Voor de A2 Deil-Vught is IenW samen met de regio een onderzoek gestart naar alternatieve oplossingsrichtingen voor de wegverbreding. De resultaten hiervan worden volgend voorjaar verwacht. 2.9. Ring Utrecht Aan het lid Bamenga is toegezegd dat de minister van IenW zich zal verdiepen in het alternatief voor Amelisweerd en in gesprek zal gaan met de regionale bestuurders,59 en aan de leden Van Dijk, Bamenga en Kostiç om nogmaals met de provincie Utrecht in gesprek te gaan over het alternatief voor de A27 en daarbij specifiek aandacht te besteden aan de verkeersveiligheid, de capaciteit van het onderliggend wegennet, het onderzoek van Arcadis, financiën, impact, gezondheid en draagvlak.60 Tussen IenW en de regio is gesproken over het regio-alternatief en de kabinetsreactie hierop. Het Tracébesluit ligt bij de rechter. Het is nu aan de rechter om tot een oordeel te komen. Op verzoek van de Raad van State heeft IenW een nadere motivatie van het Tracébesluit gegeven. Na een positief besluit van de Raad van State gaat de schop nog niet in de grond. De voorbereiding kost naar verwachting minimaal 2 jaar.
Op verzoek van de Kamer wordt de Kamer n.a.v. de nog op te stellen hernieuwde raming geïnformeerd. Over de bredere mobiliteitsopgaven blijven Rijk, provincie en gemeente met elkaar in gesprek. Gelet op de grote gezamenlijke opgave op het gebied van onder andere woningbouw en bereikbaarheid hebben de bestuurders gezamenlijk geconcludeerd dat nauwe onderlinge samenwerking nodig blijft. Hiermee is uitvoering gegeven aan beide toezeggingen. 2.10. Afsluitdijk Het werk op en aan de Afsluitdijk gaat onverminderd door de komende jaren, waaronder vernieuwing van de draaibruggen, de aanleg van de nieuwe spuimiddelen en onderhoud aan de bestaande spuimiddelen. Tijdelijke fietsbruggen De motie van de leden Grinwis c.s. verzoekt de regering om de Kamer te informeren over de mogelijkheid tot aanleg van tijdelijke fietsbruggen als
Kamerstuk 31 305, nr. 492 In de toezegging aan het lid Pierik (TZ202507-084) zijn ook de projecten Amelisweerd/A27 en N50 benoemd. Dit zijn echter geen gepauzeerde MIRT-projecten. Zie paragraaf 2.5 en 2.9 voor meer informatie over deze projecten. 59 TZ202507-089 60 TZ202501-059 57 58
Pagina 28 van 34
alternatief voor de huidige fietsbussen.61 Dit onderzoek is uitgevoerd en hieruit volgt dat het realiseren van tijdelijke fietsbruggen complex maar technisch mogelijk is. Het gaat om het plaatsen van wegneembare brugdelen op een stalen constructie. Deze brugdelen moeten bij een grote storm worden weggenomen. Realisatie van deze tijdelijke bruggen is op zijn vroegst mogelijk in 2027, omdat eerst de werkzaamheden aan de nieuwe spuimiddelen en pompgemalen in Den Oever afgerond moeten zijn. Ook moeten de pijlers van de bestaande spuimiddelen in Kornwerderzand worden versterkt, aangezien deze nu niet geschikt zijn voor het dragen van tijdelijke fietsbruggen. De kosten voor het aanleggen van tijdelijke fietsbruggen tot 2035 zijn lager (huidige raming ca. € 5 miljoen) dan het blijven financieren van een fietsbus (€ 14 miljoen tot en met 2035).
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
Daarom is besloten tot de aanleg van de tijdelijke fietsbruggen vanaf 2027. Vanaf dan kan na jaren weer gefietst worden over de volledige 32 kilometer van de Afsluitdijk. Tegelijk worden er de komende jaren nog veel werkzaamheden aan de Afsluitdijk verricht. Om de veiligheid van zowel de werknemers als de fietsers te garanderen tijdens deze werkzaamheden worden verkeersmaatregelen getroffen, zoals het plaatsen van verkeerslichten en inzet van verkeersregelaars. Bestaande spuimiddelen Afsluitdijk In mei 2022 is de Kamer geïnformeerd over het feit dat de renovatie en versterking van de bestaande spuimiddelen (BSM) uit de DBFM-overeenkomst met bouwconsortium LEVVEL is gehaald. Er is door RWS vervolgens nader onderzoek gedaan naar de bestaande spuimiddelen. Tijdens deze nadere uitwerking van de renovatieopgave is gebleken dat de uitvoeringsrisico’s groot zijn. Ook zal renoveren niet leiden tot een toekomstbestendige oplossing als gevolg van klimaatverandering en zeespiegelstijging. Dit terwijl de kostenraming voor de renovatie verder toeneemt. Op dit moment wordt levensduur-verlengend onderhoud uitgevoerd aan de bestaande spuimiddelen en gelijktijdig wordt gekeken naar een passend vervolgtraject, ook in het licht van de extra afvoercapaciteit die in de toekomst nodig is.
Daarbij wordt rekening gehouden met de samenhang met andere opgaven, effecten en keuzes elders in het watersysteem, zoals in de afvoerverdeling Rijntakken en het peilbeheer van het IJsselmeer en Markermeer. 2.11.
OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer
Aan het lid Bamenga is toegezegd de Kamer voor het Notaoverleg MIRT te informeren over hoe er budgettair zal worden omgegaan met het project Noord/Zuidlijn.62 In de Miljoenennota is aan de Kamer gemeld dat er structureel € 200 miljoen wordt toegevoegd aan de reservering van de Verkenning OVverbinding Amsterdam-Haarlemmermeer (OVAH) middels extrapolatie. Deze toevoeging is een eerste stap om de financierbaarheid van het project OVAH rond te krijgen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de toezegging. 2.12.
Spoorinfrastructuur Meppel
Kamerstuk 36 600-A, nr. 43. Er is ook een toezegging aan het lid Grinwis gedaan (TZ202507-086) om de Kamer hierover te informeren. 62 TZ202507-094 61
Pagina 29 van 34
Aan de leden Grinwis en Vedder is toegezegd een overzicht te geven over de benutting van de financiële middelen voor spoorknooppunt Zwolle - Meppel.63 Via twee amendementen64 is in totaal € 75 miljoen beschikbaar gemaakt voor het verbeteren van de robuustheid en de spoor- en perroncapaciteit. Naar aanleiding hiervan heeft ProRail in een brede pre-verkenning concrete verbetermaatregelen voor korte-, middellange- en lange termijn onderzocht. Tijdens het BO MIRT in het najaar van 2024 zijn afspraken gemaakt over de maatregelen voor de korte en middellange termijn. De verdere uitwerking van deze maatregelen loopt. Er wordt zo snel als verantwoord mogelijk gestart met de uitvoering van de maatregelen.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
Hiernaast onderzoekt ProRail wat nodig is voor meer treinen op de trajecten Zwolle – Groningen en Zwolle - Leeuwarden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de toezegging aan het lid Veltman om de mogelijkheid van open toegang voor andere vervoerders in de spoorinfrastructuur op en rond Meppel te bekijken en de Kamer hierover te informeren.65 De resultaten worden begin 2026 verwacht en zullen dan met de regio worden besproken. Dan zal er ook besluitvorming kunnen plaatsvinden over het aanvullende budget van € 100 miljoen dat beschikbaar is gesteld bij de Voorjaarsnota 2025.66 2.13. Internationale spoorverbinding Zwolle – Enschede - Münster In 2022 heeft de Kamer verzocht in gesprek te treden met de deelstaat NoordrijnWestfalen en te onderzoeken of de internationale spoorverbinding Zwolle – Enschede - Münster toegevoegd kan worden aan de lijst van projectvoorstellen die mogelijk in de periode 2021–2023 voor medefinanciering vanuit de CEF in aanmerking komen. Daarbij is ook verzocht om tijdens het BO MIRT 2022 terug te koppelen of en op welke termijn elektrificatie van de lijn tussen Enschede en Gronau gerealiseerd kan worden.67 In verschillende brieven over het MIRT en over internationaal spoor is de Kamer op de hoogte gehouden over de elektrificatie van deze lijn.
Met het vrijkomen van Rijksmiddelen voor dit project eind 2022 is met de provincie Overijssel aan ProRail opdracht gegeven om zowel de elektrificatie als een eventuele doorkoppeling verder Nederland in te onderzoeken in een verkenning. Deze verkenning loopt momenteel, uitkomsten worden richting de zomer van 2026 verwacht. Daarbij wordt, in de contacten met NoordrijnWestfalen, deze verbinding en de voortgang hierop regelmatig besproken. Helaas is het niet interessant gebleken om voor deze verkenning CEF-subsidie aan te vragen voor de genoemde periode. De kans op een beperkte bijdrage aan de verkenning zou niet in verhouding staan tot het vele werk dat hiervoor nodig is. Uiteraard zullen we gedurende de looptijd van dit project onze ogen openhouden voor eventuele nieuwe mogelijkheden bijvoorbeeld voor EU-subsidiering van eventuele realisatie van maatregelen. Hiermee wordt de motie beschouwd als afgedaan. 2.14.
Potentiële knelpunten HRN-concessie
TZ202505-054 Kamerstuk 36 200-A, nr. 49; 36 410-A. nr. 43 65 TZ202507-088 66 Kamerstuk 36 725-A, nr. 4 67 Kamerstuk 35 925-A, nr. 48 63 64
Pagina 30 van 34
In het CD Spoor van 18 december 2025 is aan de Kamer toegezegd een eerste beeld te schetsen van potentiële knelpunten voor het uitvoeren van de HRNconcessie, onder andere vanwege de aanpak van het spoorknooppunt Haarlem. Binnen het programma Spoorcapaciteit 2030 worden diverse frequentieverhogingen mogelijk gemaakt door investeringen aan de infrastructuur. Hiervoor is bij de BO’s MIRT van november 2022 incidenteel € 585 miljoen beschikbaar gesteld68 en inmiddels grotendeels gealloceerd. Denk hierbij onder meer aan het verbeteren van de baanstabiliteit, het verzwaren van de tractieenergievoorziening en het plaatsen van geluidsschermen. De Kamer is geïnformeerd over de voortgang van Spoorcapaciteit 2030 bij de vaststelling van de begrotingsstaat van het MF voor 2025.69
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
Binnen de beschikbare middelen van Spoorcapaciteit 2030 worden ook frequentieverhogingen zoals beoogd in de HRN-concessie gefaciliteerd. Vanwege de schaarse middelen moeten keuzes gemaakt worden. Wat er nodig is om de tot nu toe ongedekte frequentieverhogingen mogelijk te maken, wordt de komende maanden met ProRail en vervoerders verder uitgewerkt. Onderdeel van deze afweging zijn de volumeontwikkelingen na 2033 (einde looptijd huidige HRNconcessie), waarvoor investeringsbeslissingen ook al aan de orde zijn om knelpunten te voorkomen. Een dergelijk pakket zal een mix van investeringen bevatten die met gerichte ingrepen spoornetwerk (waar nodig ook buiten het HRN) naar een hoger capaciteitsniveau kunnen tillen en onze spoorinfra qua capaciteit en robuustheid gereed maakt voor het volgende decennium (tijdshorizon 2040). Dit legt ook de basis voor verdere doorgroei van het spoornetwerk richting het Toekomstbeeld OV. De exacte aard, omvang en fasering van de maatregelen zal ook bepaald worden door de financiële (on)mogelijkheden van het nieuwe kabinet; zoals aangegeven in bovengenoemd CD Spoor zijn er nu geen financiële mogelijkheden hiertoe binnen het MF. Ook de maakbaarheid zal met ProRail worden besproken, waaronder de inpasbaarheid in de totale projectenportefeuille en de beschikbaarheid van mensen en (technische) middelen. 2.15.
Bus Rapid Transit (BRT) De motie van de leden Bamenga en Vedder verzoekt de regering om in kaart te brengen tussen welke locaties BRT-potentie hebben.70 In de actie-agenda BRT van 2023 zijn twaalf kansrijke verbindingen benoemd die via de betrokken overheden en vervoerders als kansrijk worden gezien.71 Daarnaast zijn in het BO MIRT 2024 en ook dit jaar weer afspraken gemaakt over (maatregelen voor) BRTverbindingen, bijvoorbeeld de verbindingen Breda – Gorinchem - Utrecht en Haarlem – Schiphol - Amsterdam. Bovendien wordt er dit najaar een onderzoek opgestart waarin via een brede analyse van beschikbare data (van onder andere bevolkingsgroei, woningbouw, arbeidsplaatsen en beleidsplannen) en modellering daarvan aanvullende BRT-verbindingen in kaart worden gebracht en de huidige kansrijke BRT-verbindingen worden getoetst. De verwachting is de resultaten van dit onderzoek komend voorjaar met de Kamer te kunnen delen.
Kamerstuk 36 200 A, nr. 9 Kamerstuk 36 600 A, nr. 16 70 Kamerstuk 23 645, nr. 825 71 Kamerstuk 23 645, nr. 817 68 69
Pagina 31 van 34
2.16. Plan Emissievrij Reizigerstreinvervoer Noord- en Oost-Nederland Ter uitvoering van motie Pierik en De Hoop72 en een toezegging aan de leden Pierik en Grinwis73 wordt bijgevoegd Plan Emissievrij Reizigerstreinvervoer met de Kamer gedeeld. Dit Plan is in opdracht van IenW door ProRail met de relevante provincies en in overleg met vervoerders opgesteld. Bij het opstellen van het Plan heeft IenW de (co)financieringsmogelijkheden in beeld gebracht, die als bijlage bij het plan zijn gevoegd. Op basis van dit Plan wordt komend jaar de integrale aanpak van verduurzaming van het spoor onderzocht, onder meer in relatie tot goederenvervoer, militaire mobiliteit, de uitrol van het European Rail Traffic Management System (ERTMS) en de verplichtingen vanuit het EU Trans Europees Netwerk voor Transport (TEN-T).
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
2.17. Basiskwaliteitsniveau Fiets De Kamer is per brief toegezegd op de hoogte te worden gehouden over de voortgang van het basiskwaliteitsniveau fiets.74 De uitwerking hiervan is momenteel in volle gang, maar vraagt meer tijd dan eerder gedacht. Het dossier is complex vanwege de versnippering van fietstoegankelijke infrastructuur binnen het IenW-areaal. In het voorjaar van 2026 ontvangt de Kamer een nieuwe update over de stand van zaken. 2.18. Ontwerprichtlijnen doorfietsroutes De motie van het lid van Ginneken verzoekt de regering opdracht te geven aan het CROW om ontwerpprincipes vast te stellen voor doorfietsroutes en daarbij voorzieningen zoals laad- en pomppunten, straatmeubilair en toiletten mee te nemen in het ontwerp.75 Mede naar aanleiding van deze motie is een update gemaakt van het Inspiratieboek Snelle Fietsroutes.76 Dit nieuwe handboek ‘Door met doorfietsroutes’ dat is uitgekomen op 13 oktober 2025, voor de realisatie van doorfietsroutes, bevat zowel procesaanbevelingen voor de totstandkoming van doorfietsroutes als ontwerpaanbevelingen. Hierbij is ook aandacht voor het realiseren van voorzieningen. Rustpunten met voorzieningen zijn vooral relevant voor routes die in sterke mate recreatief gebruikt worden. Forenzen en scholieren, die meestal korte afstanden afleggen, geven aan geen behoefte te hebben aan voorzieningen op doorfietsroutes.
In 2026 zal ook een nieuwe CROW Ontwerpwijzer Fietsverkeer uitkomen. Ook hierin zal uitgebreid aandacht besteed worden aan de ontwerprichtlijnen voor doorfietsroutes. Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie. 2.19. Dieraanrijdingen De motie van de leden Kostic en Eerdmans verzoekt de regering om in gesprek te gaan met o.a. de Dierenbescherming, Stichting DierenLot en SoortenNL om te verkennen of en hoe een werkbaar landelijk registratiesysteem kan worden opgezet van aanrijdingen met dieren en de getroffen preventieve maatregelen.77 Ter uitvoering van de motie is de afgelopen tijd een inventarisatie gedaan van de bestaande registratiesystemen en heeft een gesprek plaatsgevonden met de genoemde organisaties. Hieruit bleek dat verschillende instanties in Nederland Kamerstuk 29 984, nr. 1248 TZ202505-081 74 Kamerstuk 36 410-A, nr. 49 75 Kamerstuk 31 305, nr. 389 76 Te raadplegen op https://www.crow.nl/kennisproducten/inspiratieboek-snelle-fietsroutes/ 77 Kamerstuk 36 600-A, nr. 38 72 73
Pagina 32 van 34
data verzamelen waarin dieraanrijdingen zijn geregistreerd. Meestal is het registreren van dieraanrijdingen evenwel niet het primaire doel, zodat niet alle aanrijdingen worden geregistreerd en per bron de verzamelde data verschillen. Om een beeld te geven: • RWS beheert het Uniform Droog Logging Systeem (UDLS) voor incidentenregistratie door wegverkeersleiders, en het Bestand geRegistreerde Ongevallen in Nederland (BRON) met daarin geregistreerde verkeersongevallen. • De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bundelt natuurwaarnemingen en is in beheer bij de gelijknamige stichting in opdracht van BIJ12 (provincies). • De Stichting Wildaanrijdingen Nederland (SWN) voert een eigen dataset waarin de aanrijdingen zijn geregistreerd die zijn afgehandeld door de faunabeheereenheden aangesloten bij de SWN. • Tenslotte beheert het Verbond van Verzekeraars een dataset met schadeclaims vanwege dieraanrijdingen. Kortom, er vindt op diverse plaatsen registratie plaats van dieraanrijdingen, maar de data worden niet centraal verzameld, noch geanalyseerd.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
Uit de gesprekken die hebben plaatsgevonden is gebleken dat er veel (en eveneens verschillende) ideeën zijn over de mogelijkheden om een centrale registratie op te zetten. Tegelijk is het opzetten van een systeem waarin het totale wegenbestand wordt opgenomen, geen sinecure. Volgens het CBS beslaat het wegenbestand 148.996 km, waarvan 5.594 km Rijkswegen, 8.065 km provinciale wegen, 129.427 km gemeentelijke wegen, en 5.910 km waterschapswegen. Geen van de geraadpleegde partijen voelt op dit moment dan ook de urgentie of heeft de middelen om de ideeën daadwerkelijk tot uitvoering te brengen. Op 17 maart 2023 heeft de Kamer een brief over het basiskwaliteitsniveau RWSnetwerken ontvangen, waarin de keuzes zijn toegelicht die nodig waren om budget en prestaties rond onder meer het Hoofdwegennetmeer in evenwicht te brengen.78 De omstandigheden uit die brief zijn niet wezenlijk veranderd. Dit brengt met zich mee dat IenW niet in de positie is om een landelijk registratiesysteem dieraanrijdingen in te richten. 2.20. Herplantplicht RWS en ProRail Indien als gevolg van infrastructurele werken bomen dienen te worden gekapt, geldt een herplantplicht op grond van de Omgevingswet (voorheen op grond van de Wet natuurbescherming). Sinds 2021 wordt hierover jaarlijks gerapporteerd in de MIRT brief.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Schonis.79 In deze MIRT-brief wordt over de stand van zaken over het jaar 2024 gerapporteerd. Het kappen van bomen wordt gemeld bij het bevoegd gezag; dit is veelal de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De compensatieopgave die volgt uit de herplantplicht wordt vervolgens berekend en uitgedrukt in hectaren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de herbeplantingsopgave die volgt uit de Omgevingswet en ‘extra herplant’, die niet verplicht is, maar aanvullend is overeengekomen tussen partijen.
78 79
Kamerstuk 29 385-119 Kamerstuk 35 300-A, nr. 43 Pagina 33 van 34
Het afgelopen jaar is de registratie geactualiseerd en afgestemd met de RVO. De gerapporteerde omvang is daardoor en als gevolg van uitgevoerde herbeplanting en nieuwe projecten gewijzigd ten opzichte van de vorige opgave. De herbeplantingsopgave zag er per 1 januari 2025 als volgt uit: Voor RWS bedraagt deze opgave 518 hectare. Voor circa 436 hectare is de wettelijke termijn voor herbeplanting verstreken. Daarnaast is er sprake van 524 hectare onverplicht (extra) aangeplante bomen. RWS is in overleg met het ministerie van LVVN in hoeverre deze als invulling van de herplantplicht kan worden gezien. Voor ProRail bedraagt de herbeplantingsopgave 5,5 hectare. In 2024 is 0,9 hectare herbeplant. Voor 3,0 hectare is de wettelijke termijn voor herbeplanting verstreken, maar deze zal in 2025 alsnog worden uitgevoerd. Daarnaast is sprake van 0,2 hectare onverplicht (extra) aangeplante bomen.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Ons kenmerk IENW/BSK-2025/277764
3. Slot Met de hierboven genoemde stappen blijven we – ondanks alle beperkingen op het gebied van financiën, stikstofruimte en maakcapaciteit – werken aan de bereikbaarheid, veiligheid, het verdienvermogen en de weerbaarheid van Nederland. Dit bespreken we graag met de Kamer tijdens het jaarlijkse Notaoverleg MIRT. In het voorjaar van 2026 wordt de Kamer zoals gebruikelijk per brief geïnformeerd over de voortgang van het MIRT, in aanloop naar het volgende Commissiedebat MIRT. Waar relevant worden daarbij ook de uitkomsten van de BO’s Leefomgeving in meegenomen.
Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
ing. R. (Robert) Tieman
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT - OPENBAAR VERVOER EN MILIEU,
A.A. (Thierry) Aartsen
Pagina 34 van 34