Bijlage 1 Beleidskader Hoofdgroenstructuur_correcte versie.pdf
Tekst van het document
Verbijzonderingen Stadslandbouw Het gaat om initiatieven tot stadslandbouw en/of voedselproductie in en rond de stad met verwante nevenactiviteiten als educatie, participatie, bewustwording, verkoop, horeca, zorg e.d. De omvang en verschijningsvorm zijn divers en afhankelijk van de ruimtelijke context. Aansluiting bij de prioritaire waarden is randvoorwaardelijk voor de inpasbaarheid hiervan in het landschap. In stadsnatuurgebiedenen verbindingen zijn initiatieven voor stadslandbouw in principe niet inpasbaar. Voedselbossen zijn mogelijk als onderdeel van het landschap in zones waar de openheid niet wordt aangetast. Tuinbouw in de vorm van pluktuin of community supported agriculture is in beperkte omvang (max 1 hectare) mogelijk.
Beperkt gebouwd programma (waaronder koepelkassen) is mogelijk (bij voorkeur in bestaande gebouwen) evenals beperkte (half) verharding in de entreezone. De verkeersaantrekkende werking blijft beperkt. Parkeren wordt beperkt tot een minimum en gebeurt op eigen erf. Toevoeging parkeren in de openbare ruimte is niet aan de orde. Stadsboerderij/-project waar meerdere verschijningsvormen van stadslandbouw (functioneel en/of organisatorisch) bij elkaar komen op één locatie. Bebouwing en verharding worden als geheel, in samenhang met de aanwezige functies ontworpen.
Beheerwijze Het beheer van het landschap (groen en water) ondersteunt de waarden en het gewenste gebruik. Binnen de randvoorwaarden van het recreatieve gebruik moet het beheer erop gericht zijn dat het landschap zoveel mogelijk verschillende soorten planten en dieren herbergt en instandhouding daarvan uitgangspunt is. Naast agrarisch natuurbeheer heeft het beheer een extensief karakter op percelen en is deze gericht op het verhogen van de natuurwaarde. Het beheer is intensief op routes, gericht op veilig en comfortabel gebruik. Het gebied wordt duurzaam en ecologisch beheerd volgens een beheerplan voor het landschap. Waterpartijen hebben op daarvoor aangewezen plekken natuurlijke oevers (geleidelijk talud), naast de meer op recreatie gerichte oevers. Voor vrijwilligers en ondernemers is het mogelijk een deel van een landschap te onderhouden in samenwerking en afstemming met de gemeente of beheerder.
65
Groene verbinding een groene verbinding een eigen plek worden, soms ontstaan hierin kleinere parkjes. De bezoekersdruk varieert van laag tot gemiddeld, met uitzondering van populaire recreatieve fiets- en wandelroutes.
Waardenontwikkeling Als het stadsnatuur-label op een locatie ligt, dan geldt natuur als prioritaire waarde boven de hier genoemde waarden. Initiatieven mogen deze primaire waarde niet aantasten.
Voorbeelden
Kenschets
Spoortalud Tugelaweg, Oeverzone Ringvaart Haarlemmermeerpolder, snelwegtaluds A10-Noord, Hoekenesgracht
Groene verbindingen zijn langgerekte groenblauwe gebieden in de stad met een belangrijke verbindende functie. Groene verbindingen kunnen verschillende verschijningsvormen hebben: het kunnen parkachtige structuren zijn rondom buurten, groene omzomingen om gedenk-, tuin- of sportparken of groene bermen of taluds langs sporen en wegen. Groene verbindingen hebben vaak een belangrijke functie voor doorlopende vaar-, wandel- en fietsverbindingen en zijn vaak breed genoeg voor andere recreatieve voorzieningen. In brede vorm kan
66
Initiatieven en herinrichtingsvoorstellen in/van groene verbindingen zijn inpasbaar als deze niet ten koste gaan van onderstaande prioritaire en overige waarden en bijdragen aan de versterking van één of meer van deze prioritaire waarden. De recreatieve waarde van groene verbindingen is groot door het bieden van ruimte voor wandel-, fiets- en vaarroutes binnen de stad en van de stad naar het omliggende landschap. Daar waar een groene verbinding breed genoeg is, is er ook ruimte voor sport- en speelvoorzieningen en andere recreatieve functies.
Vanaf aantrekkelijk ingerichte fietsen wandelroutes is het groen goed zichtbaar. Dit draagt bij aan de beleving van groen in de stad. Groene verbindingen zijn belangrijk voor een prettig leefklimaat in de stad. Groene verbindingen dragen bij aan het dempen van hitte, zeker als er grote bomen staan. Ze geleiden luchtstromen tussen stad en het omringende landschap.
Overige waarden Sportieve en recreatieve routes en verbindingen naar ander groen nodigen uit tot bewegen en dragen op die manier bij aan de gezondheid van gebruikers Brede, overwegend onverharde groene verbindingen zijn belangrijk voor een duurzame waterhuishouding in de stad. Groene verbindingen hebben vanwege hun verbindende functie daarnaast natuurwaarde en zijn belangrijk voor de biodiversiteit. Dat geldt met name voor groene verbindingen die tevens als stadsnatuur op de toetskaart zijn aangeduid.
Mate van bebouwing en verharding Groene verbindingen ontlenen een groot deel van hun waarde aan continuïteit. Doorsnijdingen door infrastructuur (zoals bruggen) zijn mogelijk, mits het de belevings- of recreatieve waarde niet vermindert. Beide zijn daarom slechts in beperkte mate mogelijk en blijven ondergeschikt aan de groenfunctie. De positionering, de verschijningsvorm en de mate van bebouwing en verharding is afhankelijk van de mogelijkheden, het karakter, de omvang en de opzet van de groene verbinding en/of watergang. Bebouwing en verharding zijn zorgvuldig landschappelijk, natuurvriendelijk en duurzaam ingepast en bij voorkeur geclusterd rond entrees en/of een centrale zone. Eventuele nieuwe bebouwing, verharding of routing kan alleen als het uit functionaliteit is vereist, tenminste één van de prioritaire waarden versterkt en niet ten koste gaat van de overige prioritaire waarden.
Prioritaire waarden
Recreatie
Beleving
Leefklimaat
67
Groene verbinding Inpasbare voorzieningen
Beheerwijze
Als het initiatief/de planvorming niet ten koste gaat van de prioritaire en overige waarden en bijdraagt aan tenminste één van de prioritaire waarden, dan zijn inpasbaar: Bij voldoende maat is er ruimte voor wandel- en fietspaden, steigers langs het water, moestuinen, een fitnessparcours, speeltoestellen en andere sport- en speelaanleidingen. De inpasbaarheid van steigers en voorzieningen gericht op waterrecreatie zijn maatwerk per locatie. Voorzieningen dienen het openbare karakter te ondersteunen en een brede gebruikersgroep te bedienen. Kleinschalige recreatieve voorzieningen zijn mogelijk zoals picknicktafel, bankje, informatiebord, uitkijkplatform, vogelkijkscherm.
68
Het beheer van verbindingen (groen en water) ondersteunt de waarden en het gewenste gebruik. Binnen de randvoorwaarden van het recreatieve gebruik moet het beheer erop gericht zijn dat de verbinding zoveel mogelijk verschillende soorten planten en dieren herbergt en instandhouding daarvan uitgangspunt is. Het beheer heeft een extensief beheer, en is met name gericht op het verhogen van de natuurwaarde en belevingswaarde. Het gebied wordt duurzaam en ecologisch beheerd volgens een beheerplan voor de verbinding. Waterpartijen hebben op daarvoor aangewezen plekken natuurlijke oevers (geleidelijk talud), naast de meer op recreatie gerichte oevers. Voor vrijwilligers en ondernemers is het mogelijk een deel van een park te onderhouden in samenwerking en afstemming met de gemeente.
69
70
4 Bijzondere situaties De regels zoals beschreven in voorgaande hoofdstukken zijn van toepassing op de gehele Hoofdgroenstructuur. In lijn met de Omgevingsvisie 2050 is er aanvullend op een aantal plekken binnen de Hoofdgroenstructuur sprake van een bijzondere situatie. Op deze locaties geldt enige flexibiliteit ten aanzien van de toetsing, in ruil voor een overtuigend plan of ontwerp waarmee de Hoofdgroenstructuur wordt versterkt. Deze bijzondere situatie kan dus van invloed zijn op de boordeling of een initiatief wel of niet inpasbaar is. De bijzondere situaties die van toepassing zijn worden in dit hoofdstuk beschreven. Het gaat om: Gebiedsontwikkelingen Gebieden of plekken met een opgave Algemeen geldt dat de TAC voor deze locaties of gebieden waar sprake is van een gebiedsontwikkeling of een specifieke opgave niet toetst ‘of’ het kan worden ingepast, maar wel ‘hoe’ (in welke mate, met welke ruimtelijke structuur en met welke inrichting/vormgeving).
4.1 Gebiedsontwikkelingen: flexibiliteit in ruil voor versterking De stad is niet statisch. Er zijn gebieden die de komende jaren aanzienlijk transformeren (zie kaart 3). Vooral bij transformatie naar gemengd stedelijk gebied met woningbouw en andere functies hoort de realisatie van de daarbij behorende nieuwe parken en groenverbindingen. De opgavenkaart Hoofdgroenstructuur speelt een belangrijke rol in het definiëren van de gewenste kwantitatieve en kwalitatieve verbeteringen op weg naar het in de Omgevingsvisie beschreven en gevisualiseerde wensbeeld van
een grotere en beter verbonden Hoofdgroenstructuur in 2050. Vooral binnen gebiedsontwikkelingen liggen hier kansen voor. Daarbij is het onvermijdelijk dat er binnen gebiedsontwikkelingen verschuivingen optreden in de ligging of typering van gebieden en verbindingen die nu in de Hoofdgroenstructuur toetskaart zijn opgenomen. Hiervoor bieden we enige ruimte, onder één harde voorwaarde: na de transformatie van het gebied is de Hoofdgroenstructuur aantoonbaar beter geworden en bestaande groengebieden of –verbindingen binnen het projectgebied die onvervangbaar zijn vanwege monumentale, cultuurhistorische, landschaps-architectonische of ecologische waarden, zijn minimaal behouden gebleven. De TAC toetst in deze gevallen of dit het geval is. Om het Hoofdgroenstructuur-beleid binnen gebiedsontwikkelingen ‘werkbaar’ te maken, geven we hieronder een aantal spelregels mee. Het zijn processpelregels die het project passende flexibiliteit bieden bij de nadere invulling van de Hoofdgroenstructuur. Bij de projectleiders van gebiedsontwikkelingen ligt er een opgave en een verantwoordelijkheid om bij aanvang van het project te signaleren of er sprake is van ligging in de Hoofdgroenstructuur en deze te betrekken bij de opgave door in elk stadium van het plan- en besluitvormingsproces de Hoofdgroenstructuur te versterken waar dat kan.
Door in een vroeg stadium in de planvorming een totaalvisie op de versterking van het groen binnen de gebiedsontwikkeling voor te leggen aan de TAC, wordt voorkomen dat pas in de fase van het bestemmingsplan (binnenkort omgevingsplan) eventuele strij71
15
9
16
11 8 3
12
4
85 27
19 24
55
20
1
14
2 5
17 29
28 6 7
13 18
50
22
30
23
54 65
21 81
47 51
66 26
49 80
25 48
69 70 72 68 71
73 74
75
78
76 77
79
64
38
31
34 32 33
Kaart 3
Indicatie van lopende gebiedsontwikkelingen Weergave vanaf fase 2 plaberum Brongegevens: Grond en Ontwikkeling, d.d. 4 april 2022 Bewerkt door Ruimte en Duurzaamheid t.b.v. beleidskader Hoofdgroenstructuur Weergegeven begrenzingen zijn indicatief, meerdere gebiedsontwikkelingen zijn samengevoegd vanwege de leesbaarheid
Hoofdgroenstructuur
72
83
46
10
56 57 58
59 67 63
62
60
82
61
42 43 44
45
1
44 Marktplein Anton de Komplein
2
45 D-buurt projecten (Wof, N-Dstein,
Centrum Amsterdam Noord NDSM-werf Oost 3 NDSM-werf West 4 Klaprozenweg Noord 5 Buiksloterham 6 Overhoeks 7 Hamerkwartier 8 De Bongerd 9 Twiske (zuid) 10 Waterlandpleinbuurt 11 Banne Noord 12 Banne Centrum 13 Sixhaven 14 Klaprozenbuurt 15 Molenwijk 16 Cornelis Douwesterrein 17 Houthaven 18 Foodcenter Amsterdam 19 Sloterdijk 1 Zuid 20 Sloterdijk Centrum 21 Oosterbeer 22 Oosterdokseiland 23 Marineterrein 24 Spieringhorn 25 Havenstraatterrein 26 Archiefterrein 27 Bredius 28 IJ-oevers Barentszplein 29 Spaarndammerschool 30 Ringspoorzone Noord
- diverse projecten 48 Schinkelkwartier 49 Pieter Calandlaan 50 Geuzenveld / Slotermeer 51 Centrum Nieuw West
- diverse projecten 54 Nieuw-West overig 55 Stadsdeelprojecten Nieuw-West 56 ZBE-Sluisbuurt 57 ZBE-Sportheldenbuurt 58 ZBE-Baaibuurt 59 ZBE-Bedrijvenstrook 60 IJburg I 61 IJburg II- Centrumeiland 62 IJburg II- Strandeiland 63 IJburg II-Buiteneiland 64 Amstelkwartier e.o.
- diverse projecten 65 Cruquius 66 Oostpoort 67 Oostpunt 68 Verdi 69 Fred Roeskestraat 70 Parnas 71 Kenniskwartier
31 Amstel Business Park Zuid 32 De Nieuwe Kern
72 Strawinsky 73 Mahler
33 ArenA Poort 34 Bijlmer Centrum
74 Gershwin 75 Beethoven
35 H-buurt 36 Gaasperdam / Driemond
76 Ravel 77 Vivaldi
37 Stadsdeelprojecten Zuidoost 38 Samenwerking Ouder-Amstel
78 RAI 79 Kop Zuidas
39 Holendrecht
80 De Plantijn
40 Reigersbos
81 Lutkemeer III
41 K-midden
82 Sciencepark
42 E/G buurt
83 Amstel III- Bedrijventerrein
43 Randen Nelson Mandelapark
41
Jongerenhuisvesting)
46 Amstel III 47 Ringzone A10 e.o.
84 AMC Medical Business Park 85 Sloterdijk West
35
36
39 37 84
40
73
digheden worden gesignaleerd. Zie hiervoor verder hoofdstuk 5, waarin staat beschreven in welk stadium van het planproces welke actie richting TAC(secretariaat) vereist is. Binnen gebiedsontwikkelingen moet voldoende groen en natuur gerealiseerd worden volgens de Amsterdamse referentienorm voor groen en sport. Dit kan onder meer door het optimaliseren van de bestaande Hoofdgroenstructuur en/of het vergroten van de Hoofdgroenstructuur. Het aandeel waarin en de manier waarop zal verschillen en is afhankelijk van de locatiespecifieke mogelijkheden. Zoals beschreven in het Coalitieakkoord 2022-2026 zal de norm voor sport en groen komende jaren worden herijkt.
Optimaliseren van de bestaande Hoofdgroenstructuur De omvang van groen in het projectgebied dat volgens de toetskaart binnen de Hoofdgroenstructuur valt blijft minimaal gelijk. Als er een Hoofdgroenstructuur gebied of verbinding (gemotiveerd) verdwijnt moet er Hoofdgroenstructuur-waardig groen van minimaal dezelfde omvang en kwaliteit binnen de gebiedsontwikkeling worden gecompenseerd. Versnippering van het groen wordt hierbij voorkomen. Bestaande groengebieden of –verbindingen binnen het projectgebied die vanwege monumentale, cultuurhistorische, landschaps-architectonische of ecologische waarden onvervangbaar zijn blijven behouden. Bestaande groene verbindingen door het plangebied die aansluiten op Hoofdgroenstructuur verbindingen buiten het plangebied blijven behouden op dezelfde of een andere locatie binnen het
74
plangebied. De kwaliteit van deze verbindingen wordt verbeterd. De kwaliteit van bestaande (te handhaven) Hoofdgroenstructuurgebieden en verbindingen binnen het plangebied worden verbeterd door verhoging van meerdere waarden van het groen (zie 5.2 over toetsing aan waarden). Dat kan bijvoorbeeld door: herschikking van functies/ gebouwen/verharding; verbetering van de openbaarheid; verbetering van de toegankelijkheid (entrees, routes, etc); verbetering van de bruikbaarheid.
Vergroten van de Hoofdgroenstructuur Het vergroten van de omvang van de Hoofgroenstructuur (binnen of buiten de projectgrenzen) kan door een nieuw groengebied aan te leggen (zoals een nieuw stadspark) of door nieuwe groenverbindingen te realiseren (ecologische knelpunten oplossen, nieuwe groene recreatieve verbindingen maken, et cetera); Vanaf het begin van de planvorming wordt gekeken naar aansluiting op groenstructuren buiten het plangebied en mogelijke versterking daarvan vanuit een totaalvisie, zodat een samenhangend stedelijk groen-blauw netwerk kan ontstaan met Hoofdgroenstructuur versterking binnen het plangebied en haar omgeving. Met nieuwe Hoofdgroenstructuurgebieden of verkleuring van bestaande Hoofdgroenstructuurgebieden binnen het plangebied wordt bijgedragen aan de gewenste diversiteit aan groengebieden/groentypen in de stad. Het realiseren van programma binnen de groengebieden versterkt de waarden van het groen. Programma is ondersteunend aan het groen en is geen doel op zich.
Nieuwe groengebieden en groene verbindingen binnen het plangebied die voldoen aan de definitie van de Hoofdgroenstructuur worden ontworpen en aangelegd volgens de criteria en regels zoals beschreven in de groentype tabellen.
4.2 Gebieden of plekken met een opgave De toename van het aantal inwoners en veranderende wensen en behoeften ten aanzien van het groen brengen ruimteclaims met zich mee die ook gevolgen (kunnen) hebben voor de Hoofdgroenstructuur. Aan de ene kant is er meer dan ooit behoefte aan het beschermen van groen in de stad. Om die reden zijn voor eerst ‘stadsnatuurgebieden en verbindingen’ aangewezen als onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Deze gebieden hebben een hoge ecologische waarde: rust en extensief gebruik staat hier voorop. Aan de andere kant is er door de groei van het aantal inwoners meer behoefte aan ruimte voor recreatieve of maatschappelijke voorzieningen, zoals sportvelden. Hierbij is het de uitdaging om bij de realisatie ervan zoveel mogelijk andere groenwaarden te versterken. In de Omgevingsvisie 2050 staan de belangrijkste opgaven ten aanzien van het gebruik van het groen beschreven en gevisualiseerd (zie Hoofdstuk 7 Omgevingsvisie 2050 en de kaart op pagina 92). Deze opgaven gaan soms gepaard met extra bebouwing en verharding in de Hoofdgroenstructuur. Dat is maatwerk en vraagt om een zorgvuldige inpassing. De TAC zal bij deze opgaven niet toetsen op de vraag ‘of’ het kan worden ingepast, maar wel ‘hoe’ (in welke mate, met welke ruimtelijke structuur en met welke inrichting/vormgeving). Daarbij worden geen concessies aan de omvang en de kwaliteit van de
Hoofdgroenstructuur. De belangrijkste opgaven zijn (zie kaart 4): Begraafplaatsen, volkstuinparken en sportparken openbaarder en toegankelijker Potentie groen-blauwe hotspot Opgave sportlandschap
Begraafplaatsen, volkstuinparken en sportparken openbaarder en toegankelijker Een aantal typen parken zullen de komende jaren, gestimuleerd door de groei van de stad, stapsgewijs een transformatie doormaken (zie kaart 4). Sportparken, begraafplaatsen (gedenkparken), volkstuinparken en schoolwerktuinen zullen in de eerste plaats hun oorspronkelijke rol blijven vervullen, maar tevens hun deuren open te stellen voor bezoekers op zoek naar rust, ontspanning of een aantrekkelijke wandeling of fietstocht via de extra groene routes door de stad. Begraafplaatsen zijn uitnodigender voor rustzoekende recreanten en stiltezoekers. In het geval van sport- en volkstuinparken gaat het tevens om ruimtelijke aanpassingen, zodat meer mensen ervan kunnen genieten en gebruik kunnen maken van de voorzieningen, bijvoorbeeld door aantrekkelijke en ruimere entreegebieden. Voor de volkstuinparken hebben burgemeester en wethouders in november 2021 de ‘Gezamenlijke Uitgangspunten’ vastgesteld, tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de volkstuinverenigingen. Hiermee wordt bestaanszekerheid voor alle tuinparken op Amsterdams grondgebied geboden en zijn ambities en afspraken opgenomen over beheer en onderhoud en over het verbeteren van de toegankelijkheid en het verbreden van gebruiksmogelijkheden.
Bij het investeren in deze parken kunnen tegelijk ook andere stedelijke opgaven worden betrokken, zoals klimaatadaptatie, ecologie, of het vergroten van de verblijfsfunctie voor de buurt.
75
Kaart 4
Belangrijkste opgaven Hoofdgroenstructuur volgens Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Vergroten openbare toegankelijkheid van sportparken, tuinparken en gedenkparken Ontwikkelen van sportlandschappen Ontwikkelen van groen-blauwe hotspots
Hoofdgroenstructuur
76
Potentie groen-blauwe hotspots In de Omgevingsvisie 2050 zijn een aantal locaties aangewezen als groenblauwe hotspot (zie kaart 4). Binnen een gebied waar op basis van een bestuurlijke opdracht realisatie hiervan gewenst is, gelden de volgende regels: Op deze plekken waar stad, groen en water elkaar raken, komen mensen vanuit de hele stad naartoe om groen, ruimte en water te beleven. De inzet op deze plekken is om, gebruikmakend van hun landschappelijke kwaliteit, hun stedelijke betekenis te vergroten. De nadruk ligt daarbij op buitenactiviteiten. Op deze plekken kan dus wat meer dan normaliter binnen het groentype waarin de opgave is gelegen is toegestaan. Dat geldt niet voor zoeklocaties waar ‘stadsnatuur’ van toepassing is. De natuurwaarde is hier prioritair en medebepalend voor wat hier programmatisch mogelijk is. Herlocalisering van de zoeklocatie buiten de begrenzing van de ‘stadsnatuur’ is hierbij, afhankelijk van de lokale situatie, denkbaar. Centraal staat de beleving van de groen-blauwe ruimte. Inpassing leidt tot versterking van de prioritaire waarden van het betreffende groentype van de Hoofdgroenstructuur en tast de kernkwaliteiten ervan niet aan. Dit betreft maatwerk per locatie. De nadruk ligt op buitenactiviteiten, bij het groentype en de plek aansluitende programmering en inrichting van de openbare ruimte.
Eventueel hoort daar beperkt gebouwd programma, maar altijd zorgvuldig in het groen en water ingepast, aansluitend bij het karakter, de omvang en de opzet van het park. Voor een breed publiek toegankelijke vrijetijdsfuncties als bijvoorbeeld strandjes en waterrecreatie, buitentheaters en culturele voor-
zieningen (zoals een beeldentuin of (buiten)atelier) kunnen hier een plek krijgen, afhankelijk van de mogelijkheden, het karakter, de omvang en de opzet van het park. De woon- en/of verblijfsfunctie is hier uitgesloten, evenals initiatieven die het groen en water te vergaand privatiseren, c.q. de openbare toegankelijkheid te veel beperken.
Opgave sportlandschap Om bij te dragen aan de stadsbrede sportopgave is in de Omgevingsvisie 2050 een zestal zoekgebieden aangewezen als opgave ‘sportlandschap’ (zie kaart 4). De zoekgebieden zijn in eerste instantie bedoeld om het huidige aanbod van sport in bestaande en nieuwe wijken te verrijken met extensieve vormen van georganiseerde buitensport en ongeorganiseerde, individuele sporten, zorgvuldig ingepast in een landschappelijke omgeving. Eventuele sportterreinen, faciliteiten en sportvelden hebben een groene en zo openbaar en toegankelijk mogelijke inrichting. Inpassing dient zorgvuldig te gebeuren en vraagt om maatwerk. Deze locaties zijn nauwkeurig geselecteerd op basis van prognoses van de behoefte aan georganiseerde buitensport- en beweegmogelijkheden binnen de komende 10 jaar. De TAC zal bij deze opgaven niet toetsen op de vraag ‘of’ het kan worden ingepast, maar wel ‘hoe’ (in welke mate, met welke ruimtelijke structuur en met welke inrichting/vormgeving). Voor sportlandschappen gelden de volgende regels: Ze leveren een positieve bijdrage aan de beleving van het groengebied. De nadruk ligt op buitenactiviteiten en de programmering van de openbaar toegankelijke ruimte. De bezoekersdruk ligt hier lager dan op doorsnee sportparken. Ze worden landschappelijk, ecologisch en duurzaam zorgvuldig 77
ingepast en het landschappelijke karakter van het groengebied wordt maximaal gerespecteerd. Ze zijn maatwerk per locatie. Ze zijn niet eenduidig van vorm, maar de opzet maakt een dooradering van recreatieve routes, ander recreatief gebruik en een natuurvriendelijke inpassing mogelijk. Primair gaat het om de meer extensieve vormen van georganiseerde buitensport. Deze gaan samen met ongeorganiseerde, individuele buitensporten (waaronder fietsen, skaten, frisbee, bootcamp etc.) in de openbare ruimte. Eventuele sportterreinen, faciliteiten en sportvelden hebben een groene en zo openbaar en toegankelijk mogelijke inrichting en zijn onderdeel van het ensemble binnen het betreffende groengebied. Daar waar sportvelden nodig zijn om bij te dragen aan de stadsbrede sportopgave zijn ze slechts toegestaan mits de complexen kleinschalig van opzet zijn (vergelijkbaar met maximaal drie hockey- of voetbalvelden), open van karakter en optimaal duurzaam en landschappelijk ingepast. De afweging of hier kunstgras nodig of wenselijk is, is locatie specifiek. De verharding blijft beperkt. Paden en parkeren zijn - voor zover noodzakelijk - grotendeels onverhard of in half-verharding uitgevoerd, met een beperkte basisstructuur van verharde paden en fietsparkeren, zodat de toegankelijkheid voor iedereen gewaarborgd is.
78
Voorzieningen worden bij voorkeur gerealiseerd in bestaande bebouwing. Eventueel nieuw gebouwd programma blijft beperkt, is ondersteunend aan de sportfunctie en is bruikbaar voor meerdere (maatschappelijke en publieks) functies. Verdichting is hier niet de opgave. Gebouwd programma is publieksgericht en zorgvuldig in het groen en water ingepast en geclusterd in de drukkere delen van het betreffende groentype.
Het gaat hierbij niet om realisatie van extra reguliere sportparken of doorgroei daarnaar op termijn. Een eventuele toekomstige omzetting van het betreffende groentype naar sporttype ‘sportpark’ wordt per locatie separaat aan de raad voorgelegd, zodat per geval/ gebied een zorgvuldige en transparante afweging mogelijk is (zie ook kader ‘Sporten in de Hoofdgroenstructuur’).
79
Uitwerkingen Omgevingsvisie In de Omgevingsvisie staan ook opgaven beschreven en gevisualiseerd die (nog) geen directe doorwerking hebben in het beleidskader Hoofdgroenstructuur. Deze opgaven moeten eerst uitgewerkt worden en hoeven niet rechtstreeks bij de toetsing van inpasbaarheid van initiatieven betrokken te worden. Wel kunnen ze op termijn consequenties hebben voor het Hoofdgroenstructuur beleid.
Landschapsparken Onder de naam ‘landschapsparken’ wil Amsterdam de bestaande structuur van groene scheggen versterken. Landschapsparken zijn te ontwikkelen grote en samenhangende ensembles van parken en landschap op de grens van stad en land, bestaande uit (stads) landbouwgrond, stadsnatuur, recreatiegebieden, stadsparken, verbonden door recreatieve routes. Het gebied van het huidige Amsterdamse Bos en de Nieuwe Meer is hiervan een goed voorbeeld. In deze gebieden is de vraag naar ruimte voor sport, spel, recreatieve voorzieningen of stadslandbouw hoog als gevolg van de groei van de stad en de agglomeratie hoog. Landschapsparken vormen een bestemming en hebben elk een eigen identiteit. In landschapsparken wordt, samen met buurgemeenten, provincie en organisaties, gezocht naar mogelijkheden om de recreatieve toegankelijkheid en gebruiksmogelijkheden te vergroten. Dit is maatwerk, geen landschapspark is hetzelfde. Een landschappelijke inpassing, natuurlijkvriendelijke inrichting en zorgvuldige inpassing van voorzieningen voor sport, spel, recreatie en stadslandbouw, met een duidelijke zonering van drukkere en rustigere gebieden, is het uitgangspunt.
Binnen de kaders van wetgeving en provinciaal en nationaal beleid is de opgave voor de landschapsparken onder andere: realiseren van meerdere uitnodigende entrees; versterken van de wandel- en recreatieve fietsverbindingen binnen het landschapspark, met de stad en naar het landschap en agglomeratie; verbetering van de ontsluiting met het openbaar vervoer; versterken van het aanbod van diverse rustige en actieve vormen van recreatief en sportief gebruik op het land en op het water; verbeteren van het zicht op en recreatief gebruik van oevers en water (gericht op zwemmen, kanoën, roeien en schaatsen); meer mogelijkheden voor natuurbeleving; realiseren van aantrekkelijke en veilige overgangen tussen bebouwd stedelijk gebied en het landschapspark.
80
De nadruk in deze gebieden ligt op buitenactiviteiten en de programmering van de openbaar toegankelijke ruimte en bestaande bebouwing. Eventueel hoort daar beperkt gebouwd programma bij dat gebruikt kan worden voor meerdere functies en activiteiten, echter verdichting is niet de opgave. Wel hoort er binnen elk landschapspark een basisstructuur te zijn van goed toegankelijke verharde fiets- en wandelvoorzieningen, zodat alle Amsterdammers hiervan gebruik kunnen maken, ook als ze bijvoorbeeld minder goed ter been zijn.
Groene linten Groene linten worden in de Omgevingsvisie 2050 omschreven als groene straten, lanen en fiets-/ wandelroutes, die veel groene elementen bevatten, zoals bomenrijen en geveltuinen. Groene linten dragen in grote mate bij aan de beleving van groen in de stad, het versterken van de ecologische, cultuurhistorische en/of monumentale waarde en de mogelijkheid om op een comfortabele en hittebestendige manier door de stad te wandelen of fietsen. Met name straten met grote bomen zijn om die reden belangrijk. Daarom heeft het stadsbestuur in de Omgevingsvisie de ambitie uitgesproken om delen van de Amsterdamse Hoofdbomenstructuur te integreren in de Hoofdgroenstructuur. Groene linten kenmerken zich door het gecombineerde gebruik van de ruimte. Naast groen is het namelijk ook ruimte die gebruikt wordt voor verkeersen verblijfsfuncties. Sectorale toetsing aan alleen de groenfunctie van ‘groene linten’ doet geen recht aan het gedeelde gebruik van deze ruimten. Groene linten, zoals in de Omgevingsvisie gedefinieerd, maken nu nog geen deel uit van dit beleidskader. Daarvoor moeten eerst een aantal stappen worden doorlopen:
onderzoeken op welke wijze integrale toetsing aan ‘groene linten’ kan worden georganiseerd;
actualisatie naar een meer gedetailleerde Hoofdbomenstructuur met een onderscheid in bestaand en wenselijke uitbreiding; selectie welke structuren uit de Hoofd bomen structuur als ‘groene linten’ eventueel onderdeel kunnen gaan uitmaken van de Hoofdgroenstructuur.
Het actualiseren van de Hoofdbomenstructuur zal worden betrokken bij de actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode, waar de Hoofdbomenstructuur deel van uitmaakt. De actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode is naar verwachting eind 2023 gereed voor vaststelling door de gemeenteraad.
Sporten in de Hoofdgroenstructuur Een belangrijke opgave in de stad is om deze zo in te richten dat het Amsterdammers uitnodigt tot bewegen, spelen en sporten. Het groen in en rond de stad speelt hierin een belangrijke rol: het biedt Amsterdammers de mogelijkheid te sporten en bewegen in een natuurlijke en gezonde omgeving. Veel sportbeoefening vindt van oudsher plaats in de buitenlucht en weer een groot deel daarvan op sportparken, die veelal gelegen zijn in de Hoofgroenstructuur. Sportparken vormen belangrijke schakels in de stedelijke groenstructuur en de grotere recreatieve en natuurlijke verbindingen. Sportparken horen dus bij de Hoofdgroenstructuur. Voor een groene functie brengen sportparken vaak wel relatief veel verharding en objecten (parkeren, paden, hekken, masten) en bebouwing (clubhuizen) met zich mee. Verder bestaan ze grotendeels uit kunstgrasvelden zonder echte groenwaarde. In diverse inspraakreacties op dit beleidskader is geopperd om sportparken om die reden uit de Hoofdgroenstructuur te halen. Kunstgras sportvelden zijn echter belangrijk voor een optimaal gebruik van de beschikbare sportruimte; ze kunnen tot vijf keer intensiever bespeeld worden als een grasveld en bieden bovendien aan meerdere sporten en de individuele sporter een plek. De randen van sportparken hebben wel vaak hoge groenwaarden.
Om deze te behouden en te versterken hebben ze op een aantal prominente plekken in de Hoofdgroenstructuur het groentype ‘groene verbinding’ meegekregen. Het groenbeleid zoals beschreven in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 richt zich op het beperkt toelaten van nieuwe sportparken in de Hoofdgroenstructuur. Daarvoor wordt het principe van drie stappen aangehouden: Stap 1: Bij de ontwikkeling van nieuwe buurten groter dan 1.000 woningen wordt ten minste de helft van de georganiseerde buitensportopgave (conform de sportnorm) gerealiseerd binnen de buurten. Met die notie dat de in het coalitieakkoord 2022-2026 aangekondigde herijking van de referentienormen voor sport en groen tot bijstelling van genoemde getallen kan leiden. Stap 2: Het bestaande areaal aan sportterrein blijft behouden en het gebruik wordt geoptimaliseerd zodat meer Amsterdammers op verschillende manieren en verschillende tijdstippen gebruik kunnen maken van deze voorzieningen. Stap 3: Voor lokale sportopgaven waarvoor de eerste twee stappen niet voldoende oplossing bieden kunnen nieuwe sportparken worden gerealiseerd, zowel in een stedelijke setting als in een landschappelijke setting (in het laatste geval dus binnen de Hoofdgroenstructuur).
Hoewel er consensus is over de 3 stappenmethodiek uit de Omgevingsvisie, biedt deze nog onvoldoende duidelijkheid hoe en waar in de stad voldoende ruimte gevonden gaat worden voor sport en wat daarvan
de consequenties zijn voor de Hoofdgroenstructuur. Een besluit over een uitbreiding of eventuele nieuwe locatie voor sport in de Hoofdgroenstructuur, evenals de omzetting van een groentype naar een sportpark, wordt niet genomen in dit beleidskader Hoofdgroenstructuur. De uitwerking van de methodiek naar de benodigde sportruimte in de stad en de consequenties daarvan voor de Hoofdgroenstructuur gebeurt in het kader van (een uitwerking of actualisatie van) de Omgevingsvisie en de in het coalitieakkoord 2022-2026 aangekondigde herijking van de referentienormen voor sport en groen, omdat deze functies vaak samen komen. In het kader van de Omgevingsvisie wordt er aan de volgende acties gewerkt: Handelingsperspectief Sport in een Groeiende stad. De komende periode wordt inzicht gegeven in hoe de (herijkte) sportnorm gehaald wordt binnen de 1-2-3-methodiek en hoe dit ruimtelijk uitpakt. Actualisatie Referentienorm Maatschappelijke Voorzieningen en in het verlengde daarvan de in het coalitieakkoord aangekondigde actualisatie van de groen- en sportnorm. Er wordt toegewerkt naar een gecombineerde norm voor groen, sport en spelen in de openbare ruimte, waarbij wordt ingezet op het intensiveren van het gebruik van bestaande sportaccommodaties en er rekening wordt gehouden met het groen dat reeds aanwezig is in omliggende gebieden. Sport- en Beweegstructuur.
De ontwikkeling van een stedelijke structuur van sportaccommodaties, grote en kleinere sport- en beweegplekken, en routes in de stad, die Amsterdammers uitnodigt buiten te bewegen en te sporten. Onderdeel hiervan is het versterken van de recreatieve en gezonde waarde van groene ruimte en routes in de stad. Naar aanleiding van de ontvangen reacties op het concept beleidskader Hoofdgroenstructuur worden hier, in lijn met de uitvoering van de Omgevingsvisie, als acties aan toegevoegd: Gekoppeld aan de woningbouwopgave worden gebiedsspecifieke uitwerkingen van de zoeklocaties ‘sportlandschappen’ gemaakt. Er wordt onderzocht voor welke sportparken geldt dat de ligging van de parken in de Hoofdgroenstructuur beperkend werkt voor de groenfunctie en/of voor de recreatieve en sportieve functies in het gebied. Voor die sportparken wordt onderzocht of en onder welke voorwaarden deze sportparken nog onderdeel blijven uitmaken van de Hoofdgroenstructuur. Dit kan gekoppeld worden aan de uitwerking van de Sport- en Beweegstructuur. Het voeren van sociaal-ruimtelijke regie op de toepassing van de 1-2-3 methodiek over inpassing van de sportopgave in de stad.
81
82
5 Hoe werkt het? 5.1 De procedure Een initiatiefnemer of projectleider heeft met Hoofdgroenstructuurbeleid te maken als een plan of initiatief geheel of gedeeltelijk in de Hoofdgroenstructuur ligt, zoals weergegeven op de (digitale) toetskaart Hoofdgroenstructuur. Ook wanneer er twijfel bestaat over de begrenzing van de Hoofdgroenstructuur of als initiatieven of plangebieden de begrenzing doorkruisen, is het Hoofdgroenstructuurbeleid aan de orde.
Toetsing door een onafhankelijke commissie Plannen in de Hoofdgroenstructuur vragen om een afgewogen en onafhankelijk oordeel. De TAC adviseert het college van burgemeester en wethouders over de inpasbaarheid van initiatieven. Draagt een initiatief/ plan bij aan de versterking van de Hoofdgroenstructuur dan is deze inpasbaar. Als het een aantasting ervan inhoudt, dan zal de TAC negatief adviseren en moet het college van burgemeester en wethouders een beslissing nemen. De toewijzing van gebieden aan de Hoofdgroenstructuur, de begrenzing en de inkleuring van groentypen behoort niet tot de rol van de TAC. Dit is een bevoegdheid en een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. Evenals voorstellen om hier wijzigingen in aan te brengen. De TAC is samengesteld uit deskundigen op het gebied van landschap(sarchitectuur), cultuurhistorie, ecologie, sport & recreatie, stedenbouw en duurzaamheid. De werkwijze en taakstelling staan beschreven in de TAC-verordening (2019).
Waarom hebben we een onafhankelijke toetscommissie? Amsterdammers genieten volop van de vele parken die de stad rijk is. De betrokkenheid bij het groen is enorm. De meningen over wat goed of niet goed is lopen daarbij sterk uiteen. Waar de één zich sterk maakt voor meer natuur in de stad en een veel strengere bescherming van het stedelijk groen, wil de ander juist meer ruimte om te kunnen sporten, spelen of op een andere manier kunnen recreëren in het groen. Gelukkig zijn veel van deze wensen goed te combineren. Soms ook moeten er keuzes worden gemaakt en moet er worden afgewogen of een initiatief of plan een versterking of een aantasting van het groen is en ontstaat er discussie. Om die reden heeft Amsterdam de advisering aan het college belegd bij een onafhankelijke toetscommissie die tot taak heeft om het belang van de Hoofdgroenstructuur binnen het brede spectrum aan wensen te waarborgen. Ze voert deze taak in opdracht van het college sinds 2003 uit.
Wie kan een advies aanvragen? De TAC is als adviescommissie ingesteld om burgemeester en wethouders te adviseren over de inpasbaarheid van initiatieven in de Hoofdgroenstructuur. Om die reden richt ze haar advies primair aan burgemeester en wethouders. Een adviesaanvraag is een verzoek van het bevoegd gezag aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur om een (pre) advies uit te brengen over de inpasbaarheid van een initiatief of planvormingsproduct in de Hoofdgroenstructuur. Richting TAC wordt het bevoegd gezag aangemerkt als de initiatiefnemer. Veelal is dit het dagelijks bestuur van een stadsdeel, omdat het stadsdeelbestuur gemandateerd is om namens het college van burgemeester en wethouders omgevingsvergunningen in de Hoofdgroenstructuur af te geven als er geen sprake is van strijdigheid met het beleid. In sommige gevallen
83
is de initiatiefnemer het college van burgemeester en wethouders, zoals bij thematisch beleid en grootstedelijke projecten. Een behandelend ambtenaar, in de vorm van een projectleider, vergunningverlener of planologisch-jurist, zal vaak namens het bevoegd gezag een intern afgewogen adviesaanvraag indienen bij het secretariaat van de TAC. Derden, zoals de daadwerkelijke aanvrager van een omgevingsvergunning, ruimtelijk besluit of principeverzoek, kunnen niet rechtstreeks een advies bij de TAC inwinnen, tenzij de gemeente zelf de aanvrager is van de vergunning. De toetsing is immers onderdeel van de ruimtelijk planologische procedure van initiatieven en planvorming.
5.2 Wanneer is een TACadvies nodig? De TAC toetst alle ruimtelijke initiatieven en planvormingsproducten die betrekking hebben op de Hoofdgroenstructuur en die aan burgemeester en wethouders worden voorgelegd voor besluitvorming of advisering.
Voor welke initiatieven? Een TAC advies is nodig voor een initiatief dat afwijkt van wat het bestemmingsplan (binnenkort omgevingsplan) er toestaat en het bevoegd gezag desondanks overweegt haar medewerking te verlenen omdat het als een kwaliteitsimpuls van de Hoofdgroenstructuur wordt beschouwd. Als er behoefte is aan een TAC advies in het kader van een vroegtijdige interne afweging of een initiatief of plan wenselijk is in de Hoofdgroenstructuur kan voorafgaande aan een definitief advies een pre-advies worden ingewonnen. Ook wanneer er twijfel bestaat over de doorwerking van een aan de Hoofdgroenstructuur direct grenzend plan of waar een initiatief de begrenzing doorkruist is een TAC advies aan de orde. 84
Initiatieven zijn ruimtelijke plannen die in een gebied liggen of plaatsvinden die onderdeel zijn van de Hoofdgroenstructuur. Het kan hierbij zowel gaan om stedelijke als lokale, en zowel tijdelijke als permanente plannen in de Hoofdgroenstructuur. Het kan gaan om een plan voor een plek of planvorming (in verschillende stadia) voor een gebied, waarbij de impact (positief dan wel negatief) op de Hoofdgroenstructuur getoetst wordt. Een TAC advies is voor de volgende initiatieven met (gedeeltelijke) ligging in de Hoofdgroenstructuur noodzakelijk: (actualisatie van) bestemmingsplannen (binnenkort omgevingsplan) of een beheersverordening; wijzigings- en uitwerkingsplannen; (tijdelijke) afwijkingen van het bestemmingsplan (binnenkort omgevingsplan) via een omgevingsvergunning (op basis van artikel 2.12 Wabo). Aanvullend staat altijd de mogelijkheid open voor het bevoegd gezag om op vrijwillige basis een advies te vragen aan de TAC voor bijvoorbeeld tussenproducten, nieuwe beleidsthema’s, concept beleidskaders of of andere vormen van planvorming. Er is geen advies nodig voor evenementen of het vellen van houtopstanden in de Hoofdgroenstructuur, omdat daarvoor andere beleids- en toetsingskaders van toepassing zijn. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft een advies van de TAC noodzakelijk.
Bijvoorbeeld voor een wijziging van het omgevingsplan of een (tijdelijke) omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan.
In welk stadium van de planvorming? Er ligt een verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer om de TAC op tijd
te raadplegen, zodat burgemeester en wethouders dit advies bij de afweging kunnen betrekken. Soms vraagt dit om een TAC advies in verschillende stadia van de planvorming. Welk type advies (preadvies of advies) in welk stadium van de planvorming (Plaberum/ PBI) gewenst of vereist is, staat aangegeven in figuur 2. Dat betekent ook dat alle relevante voorgeschreven onderzoeken, zoals het TAC advies in relatie tot het Hoofdgroenstructuurbeleid, door de initiatiefnemer aan het plan moet zijn toegevoegd, voordat het ter besluitvorming aan het college voorgelegd kan worden voor de ter visie legging of vaststelling. Als niet voortijdig een advies is aangevraagd bij de TAC, kan dit tot vertraging in de procedure leiden. Het TAC advies wordt als bijlage bij de stukken gevoegd en de bestuurlijke voordacht is voorzien van een samenvatting van het TAC-advies en een uiteenzetting hoe met het TAC advies is om gegaan. Voor juridisch planologsiche plannen op grond van de Wet ruimtelijke ordening (binnenkort Omgevingswet), zoals (actualisaties van) bestemmingsplannen/omgevingsplan en uitwerkingsplannen geldt dat er een TAC advies wordt ingewonnen in het kader van het vooroverleg (ex art. 3.1.1. in geval van bestemmingsplan en ex art. 5.1.1. Besluit ruimtelijke ordening in geval van een omgevingsvergunning).
Voor projecten of planvormingsproducten met een ruimtelijke doorwerking (denk aan een verkenning, visie of voorlopig of definitief ontwerp) die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de Hoofdgroenstructuur ligt er de verantwoordelijkheid bij het project om dit vanaf de start inzichtelijk te maken in de besluitvormingsvoordracht. Voor fase 1 is het niet noodzakelijk om een TAC advies aan te vragen.
Wel geldt er een meldingsplicht door de projectorganisatie van het initiatief bij het secretariaat van de TAC (secretariaatTAC@amsterdam. nl). Facultatief kan er in fase 1 en/ of fase 2 een preadvies ingewonnen worden bij de TAC, om zo al vroegtijdig het advies en eventuele aandachtspunten bij de uitwerking van de planvorming te betrekken. Vanaf fase 3 is een TAC advies verplicht, voorafgaand aan besluitvorming door burgemeester en wethouders en de raad over een faseproduct. Het werken aan plannen en projecten gebeurt in Amsterdam in fasen volgens het Plaberum (Plan- en Besluitvormingsproces Ruimtelijke Maatregelen) of het PBI (Plan- en Besluitvormingsproces Infrastructuur). In beide plan- en besluitvormingsprocedures kunnen plannen uitgewerkt worden die betrekking hebben op de Hoofdgroenstructuur. In figuur 2 is te lezen welke acties en onderzoeken er met betrekking tot de Hoofdgroenstructuur in de verschillende fasen van het Plaberum en het PBI moeten worden ondernomen.
Waaraan moet een adviesverzoek aan de TAC voldoen? Een adviesaanvraag aan de TAC vraagt een zorgvuldige voorbereiding vanuit ruimtelijk planologisch perspectief. Het bijvoegen van een ruimtelijk afwegingsadvies verdient de voorkeur (binnen wat haalbaar is qua tijdspad in het geval van een vergunningsaanvraag procedure). Als ingangseisen voor het agenderen van initiatieven en planvormingsproducten voor een TAC-advies gelden: een motivatie waaruit blijkt dat het initiatief/de ingreep een kwaliteitsimpuls is vanuit een ruimtelijke totaalvisie op het groengebied en geen afbreuk doet aan bestaande groenwaarden; 85
Figuur 2
Advisering in de verschillende fasen van plannen en projecten
Planfase
Werkwijze
in Plaberum / PBI
Hoofdgroenstructuur
Fase 1
Verkenning / initiatief
Onderdeel besluit
TAC
Fase 2
Verken bestaande situatie: analyseer bestaande groenstructuur
In besluit moet worden opgenomen of HGS onderdeel is van het plan
Verplicht: melding initiatief bij secretariaat TAC Facultatief: pre-adviesaanvraag
Concretiseer de opgave voor de Hoofdgroenstructuur
In projectnota moet worden opgenomen of plan invloed heeft op HGS en hoe hier mee wordt omgegaan.
Facultatief: pre-adviesaanvraag
Investeringsbesluit / Uitvoerings- en kredietbesluit
Leg het ontwerp groen vast in een integraal ontwerp. Werk hierin de groenstructuur en de HGS groentypen verder uit.
In besluit dient concrete opgave / aanpassing voor de Hoofdgroenstructuur zijn uitgewerkt en in investeringsbesluit opgenomen en gedekt.
Verplicht: adviesaanvraag
Uitvoering / Contract & realisatie
Verwerk de wijzigingen in het omgevingsplan
In omgevingsplan moet Hoofdgroenstructuur worden opgenomen.
Verplicht: adviesaanvraag
Principe besluit
Haalbaarheid / Uitgangspunten & definitie Projectbesluit / Voorkeurs- & definitiebesluit
Fase 3
Ontwerp
Fase 4
Vaststelling Omgevingsplan / Overdrachtsbesluit
een motivatie waaruit blijkt dat het initiatief bijdraagt aan de primaire groenwaarden, zoals die gelden voor het betreffende groentype; een beschrijving hoe het initiatief zich verhoudt tot voor de Hoofdgroenstructuur relevant bovengemeentelijk beleid en regelgeving (zoals Natuur Netwerk Nederland, Bijzonder Provinciaal Landschap, Landelijk Gebied, Natura 2000, Wet Natuurbescherming, Scheepvaartverkeerswet, et cetera);
86
Adviesaanvraag
als op een locatie een ‘stadsnatuur-label’ geldt dan moet de adviesaanvraag voorzien zijn van een flora- en faunatoets waaruit de consequenties voor natuur blijken, tevens voorzien van een ambtelijk ecologisch advies van een stadsecoloog over inpasbaarheid;
Als niet is voldaan aan deze ingangseisen kan dit vanuit het secretariaat van de TAC reden zijn om agendering voor toetsing aan te houden.
5.3 Advisering in stappen Om tot een advies te komen doorlopen initiatiefnemer en TAC een aantal stappen (zie ook figuur 3). De initiatiefnemer checkt allereerst tijdig of een aanvraag moet worden ingediend en zo ja, aan welke voorwaarden deze moet voldoen (zie ook 5.2). Zo bestaat er de mogelijkheid om in een vroeg stadium van planvorming een preadvies aan de TAC te vragen. De TAC zal in haar preadvies een indicatie geven van inpasbaarheid en eventuele aandachtspunten richting verdere uitwerking van een initiatief of plan. Bij de (pre)advisering gebruikt de TAC primair dit beleidskader om te beoordelen of een initiatief of plan inpasbaar is. In stap 1 wordt bepaald of het plan of initiatief betrekking
heeft op één van de gebiedsspecifieke toetskaders waarvoor een uitzondering geldt (zie 4.1). De TAC heeft initiatieven en plannen primair aan deze kaders te toetsen. In stap 2 worden de regels zoals beschreven in hoofdstuk 2 en 3 toegepast. Als de locatie van het initiatief of het plan op de toetskaart is aangeduid als ‘stadsnatuur’ dan geldt dat natuur altijd de prioritaire waarde is boven de waarden van het onderliggende groentype. Het initiatief mag niet ten koste gaan van de natuurwaarde. Zie verder 2.3 voor de regels die gelden voor stadsnatuur. Als het initiatief of plan niet binnen ‘stadsnatuur’ valt dan wordt getoetst aan de regels van het betreffende groentype, zoals beschreven in hoofdstuk 3.
Figuur 3 Schematische voorstelling van de stappen die een initiatiefnemer en de TAC doorlopen om tot een advies te komen
Vooraf Initiatiefnemer: Checkt tijdig of toetsing aan de orde is Checkt de ingangseisen voor toetsaanvraag Levert tijdig aan voor toetsing
Toetsing van het initiatief, het ontwerp of beleidsplan door de TAC 1. Wat houdt het in? Geldt er een gebiedsspecifiek toetskader? 2. Wat is het groentype en is het tevens stadsnatuur? Toetsing aan richtlijnen, groentype en soms ook stadsnatuur
3. Is er sprake van gebiedsontwikkeling of opgave? Bijzondere situatie wordt betrokken in de afweging
4. TAC (pre)toets van het initiatief, het ontwerp of beleidsplan op schrift Positief, positief onder voorwaarden of negatief
Naderhand Initiatiefnemer betrekt het advies bij het vervolg van het plan- en besluitvormingsproces
87
In stap 3 bekijkt de TAC of er aanvullend sprake is van een bijzondere situatie (zie hiervoor hoofdstuk 4). Gaat het om een gebiedsontwikkeling (zoals indicatief aangegeven op de kaart op pag. 76) welke een meer flexibele toetsing mogelijk maakt in ruil voor een overtuigend versterkingsvoorstel van de Hoofdgroenstructuur? Ligt er een specifieke opgave om het groengebied openbaarder en toegankelijker te maken? Of heeft het plan of initiatief betrekking op een locatie die in de Omgevingsvisie staat aangeduid als groen-blauwe hotspot of sportlandschap? De TAC betrekt deze opgaven en de daarvoor in het beleidskader Hoofdgroenstructuur meegegeven criteria voor inpasbaarheid bij haar advies. Op basis van een motivatie sluit de TAC in stap 4 haar (pre-)advies af met de strekking: positief, negatief, positief onder voorwaarden en in uitzonderlijke gevallen neutraal.
De initiatiefnemer betrekt vervolgens het advies bij het plan- en besluitvormingsproces: bij een neutraal en positief advies kan een initiatiefnemer de planvorming/uitvoering doorzetten zonder verdere tussenkomst van burgemeester en wethouders voor het toetsingsonderdeel Hoofdgroenstructuur; bij een negatief advies wordt de initiatiefnemer gemeld dat het initiatief in de huidige vorm geringe kans op vergunningverlening maakt (met dus het advies om te heroverwegen of aan te passen); burgemeester en wethouders kunnen bij een negatief advies of positief advies onder voorwaarden overwegen om dit TAC-advies niet op te volgen en hier gemotiveerd van af te wijken als de raad hiermee instemt;
88
bij een negatief advies of positief advies onder voorwaarden heeft de initiatiefnemer de verantwoordelijkheid om binnen 3 maanden aan het secretariaat van de TAC te laten weten hoe ze met het advies is omgegaan. Over deze informatie rapporteert de TAC in haar jaarverslag;
De TAC heeft bij haar toetsing enige interpretatievrijheid en legt hierover verantwoording af in de vorm van een gemotiveerd advies. Als een initiatief of plan grote consequenties heeft voor de Hoofdgroenstructuur zal ze negatief adviseren en de verdere besluitvorming ligt dan bij burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. Dit geldt voor initiatieven/ plannen die gepaard gaan met een aanzienlijke: toename van de hoeveelheid bebouwing en/of verharding; functiewijziging; wijziging van groentype; precedentwerking. Burgemeester en wethouders nemen het advies van de TAC als een technisch gegeven mee in de afweging. Als burgemeester en wethouders vanuit een breder belang willen meewerken aan een initiatief dat de TAC als niet-inpasbaar heeft beoordeeld of waaraan ze voorwaarden heeft verbonden, geldt dat het initiatief – onafhankelijk van de mate van de afwijking – aan de gemeenteraad voorgelegd wordt. Alleen via instemming door de raad met een afwijkingsverzoek kan het college contrair gaan aan een TAC advies.
Colofon Beleidskader Hoofdgroenstructuur Vastgesteld door college van B&W op 25 oktober 2022 Bestuurlijk opdrachtgever Wethouder Reinier van Dantzig (Woningbouw en Stedelijke Ontwikkeling) Ambtelijke opdrachtnemer Directie Ruimte en Duurzaamheid, Gemeente Amsterdam Fotografie Beeldbank Amsterdam, medewerkers van R&D, tenzij anders vermeld Met dank aan: Alle Amsterdammers en medewerkers van gemeentelijke onderdelen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit Beleidskader Hoofdgroenstructuur
amsterdam.nl/hoofdgroenstructuur
89
90