CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. BEKENDMAKING Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam Slaapplaatsen hotels.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 15 april 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in verband met regels over slaapplaatsen in hotels (VN2026-002869)24.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het is wel noodzakelijk dat die verplichting wordt opgelegd en gelet op het bepaalde in artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving ook kenbaar is. Om die reden is de bepaling in het tweede lid opgenomen. Verder wordt in de artikelen 3.18 en 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat de regelonderdelen waarvan die artikelen het toepassingsbereik bepalen, niet van toepassing zijn op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. Die onderdelen zijn gericht tot de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, maar gelden dus niet daar waar een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is voorgeschreven. Specifieke aanduiding in het omgevingsplan maakt het voor de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen duidelijk voor welke gevels de standaardwaarden en grenswaarden niet gelden en dat bijvoorbeeld bij de verbreding van een weg voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk is welke gevels niet hoeven te worden getoetst. Door het aanwijzen in het omgevingsplan is dan geborgd dat de gevels blijven voldoen aan de eisen die in dit artikel zijn gesteld.

48

Wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 4.51, tweede lid, wordt echter niet voldaan aan de omschrijving van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. De betreffende gevel is dan weliswaar in een omgevingsvergunning voor binnenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig aangemerkt, maar daarmee wordt niet aan het vereiste dat de gevel in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Het aanmerken van een gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen kan gebeuren met artikel 4.1184.121, eerste lid, door het opnemen van de daar genoemde aanduiding. Dat vergt echter een wijziging van het omgevingsplan. Om vooruitlopend aan wijziging van het omgevingsplan toch te kunnen voldoen aan het vereiste zoals dat in de begripsbepaling is opgenomen, is in artikel 4.1184.121, tweede lid, bepaald dat als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens is aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het is voorschrift verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Daarmee wordt juridisch voldaan aan het vereiste dat de betreffende gevel in het omgevingsplan als zodanig is aangewezen.

Inhoudelijke doet het vergunningvoorschrift niet onder voor een geval waarin de gevel in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Uiteindelijk is het wel de bedoeling (net als bij de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit), dat de niet-geluidgevoelige gevel met een aanduiding als zodanig wordt aangemerkt. In artikel 4.1184.121, tweede lid, wordt dit duidelijk gemaakt het begin van de bepaling, waarin is aangegeven dat dit geldt totdat de in het tweede lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat artikel 4.49, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing zijn. RRR Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.864.89 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SSS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.874.90 Vergunningvoorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen TTT Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.884.91 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging UUU Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.894.92 Overgangsbepaling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg VVV

49

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.904.93 Overige gegevens en bescheiden WWW Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.914.94 Toepassingsbereik en oogmerk XXX Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.924.95 Uitgestelde toepassing YYY Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.934.96 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht ZZZ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.944.97 Uitzonderingen op de vergunningplicht AAAA Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.954.98 Beoordelingsregels BBBB Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.964.99 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam CCCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.974.100 Aanvraagvereisten In artikel 4.974.100 zijn de aanvraagvereisten opgenomen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op gegevens en bescheiden die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De aard en de omvang van de sloopactiviteit bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond

50

van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Onderdeel a: In onderdeel a is bepaald dat bij de vergunningaanvraag een cultuurhistorische waardebepaling wordt verstrekt van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname. Aan de hand van dat onderzoek kan worden bepaald wat de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan is en in hoeverre deze bijdraagt aan het karakter van het stads- of dorpsgezicht. Onderdeel b: Dit onderdeel komt in de plaats van de artikelen 22.296, eerste lid, zoals dat bij wijze van bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet tijdelijk onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud is ongewijzigd en houdt in dat als de aanvraag omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht betrekking heeft op het slopen van een geheel bouwwerk bij het oordeel wordt betrokken of op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Dit aanvraagvereiste heeft betrekking op de plannen voor de vervangende bebouwing en of deze voldoende rekening houdt met de ruimtelijke kwaliteit van het beschermde stads- of dorpsgezicht en een onevenredige aantasting van het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht voorkomen kan worden. DDDD Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.984.101 Vergunningvoorschriften EEEE Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1084.111 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit FFFF Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1094.112 Maatwerkvoorschriften GGGG Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1104.113 Toepassingsbereik HHHH Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1114.114 Begripsbepaling

51

IIII Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1124.115 Verbod op lozen zonder waterberging JJJJ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1134.116 Vereisten hemelwaterberging KKKK Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1144.117 Aanwijzing brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. LLLL Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1154.118 Aanwijzing explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving MMMM Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1164.119 Aanwijzing waarde gezamenlijk geluid NNNN De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1174.120 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving Artikel 5.78aa van het Besluit kwaliteit leefomgeving maakt het mogelijk dat bij wijziging van het omgevingsplan een geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten, waarbij het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat mag alleen als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, en geen andere dan de maatregelen, bedoeld in artikel 5.78z van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking komen om het geluid te laten voldoen aan de hiervoor bedoelde grenswaarde. Bij de toepassing van deze mogelijkheid wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel is. Dat houdt in dat de gevel als zodanig moet worden aangewezen. De consequentie van die aanwijzing is dat artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Dat houdt in dat bij het bepalen van de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied wordt uitgegaan van het gezamenlijke geluid op die gevel, verhoogd met 3 dB. De waarde van het gezamenlijk geluid kan worden bepaald met artikel 4.1164.119.

Artikel 4.1174.120 bepaalt wanneer een gevel is aangewezen als niet-geluidgevoelige gevel, zoals bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving..

52

Eerste tot en met derde lid: Het eerste lid bepaalt dat een gebouw ter plaatse van de aanduiding aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' een geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel is. Het tweede lid bepaalt dat de gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel’ een niet-geluidgevoelige gevel is, zoals bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarmee is artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing. Omdat het niet altijd de gehele gevel is die als niet-geluidgevoelige gevel aangewezen hoeft te worden, maakt het tweede lid het mogelijk dat alleen bepaalde bouwlagen als niet-geluidgevoelige gevel worden aangewezen. Vierde lid: Op grond van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, erin worden voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bepaalde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen.

In het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen kan worden aangewezen met toepassing van artikel 4.1184.121. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geldt echter ook als niet-geluidgevoelige gevel, zoals bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het derde lid maakt dit duidelijk. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen wordt dus niet ook nog als niet-geluidgevoelige gevel aangeduid. De woorden 'voor zover' in het derde lid maken duidelijk dat als toepassing is gegeven aan artikel 4.1184.121, derde lid, alleen die bouwlaag of bouwlagen als geluidgevoelige gevel zijn aan te merken die met dat vierde lid zijn aangewezen als geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. OOOO De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.764.121 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen In artikel 4.1184.121 is de aanwijzing van niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geregeld. Op grond van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, erin worden voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bepaalde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. De beoordeling dat een bepaalde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, kan worden gemaakt bij wijziging van het omgevingsplan waarmee een geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten. In dat geval dient de gevel als zodanig te worden aangewezen. Om dat te doen is artikel 4.1184.121 opgenomen. Het kan ook zijn dat de finale akoestische beoordeling wordt doorgeschoven naar het concrete bouwinitiatief. In dat geval wordt subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing gemaakt.

Binnen de daar opgenomen beoordelingssystematiek biedt artikel 4.51 de mogelijkheid om de grenswaarde te overschrijden onder voorwaarde dat de in het eerste lid genoemde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, in elk geval het voorschrift wordt verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Hiermee is nog niet voldaan aan het vereiste zoals opgenomen in artikel 5.78y, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat in het omgevingsplan wordt bepaald dat de betreffende gevel een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen is. Ook daarvoor dient dan artikel 4.1184.121.

53

Eerste lid: In het eerste lid wordt expliciet gemaakt dat de gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het aanwijzen van een gevel als nietgeluidgevoelige gevel betekent dat de in het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde standaardwaarden en grenswaarden na de initiële toelating ervan verder niet meer gelden voor die gevel. De technische gevolgen voor het bouwwerk van die aanwijzing worden geregeld in artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze aanduiding betekent onder meer dat het geluidgevoelige gebouw op grond van artikel 4.103b, eerste lid, Bbl 3 dB extra geluidwering krijgt. Hiermee is de geluidwering bestand tegen een toekomstige toename van het geluid. De geluidwering wordt in overeenstemming met regels van het Bbl bepaald voor de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouw, dus bijvoorbeeld inclusief het geluidwerende effect van de borstweringen van balkons. Overigens wordt de aanduiding in dit omgevingsplan voorafgegaan door een voorschrift dat aan de omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt verbonden. Daarmee is al wel geborgd dat de maatregelen worden getroffen, maar is nog niet de inzichtelijkheid voor de wegbeheerder gegeven. Daartoe dient dit artikel 4.1184.121.

Specifieke aanduiding in het omgevingsplan maakt het voor de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen duidelijk voor welke gevels de standaardwaarden en grenswaarden niet gelden en dat bijvoorbeeld bij de verbreding van een weg voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk is welke gevels niet hoeven te worden getoetst (zie toelichting bij artikel 4.51). Artikel 4.1184.121 dient dus ook dat doel. Tweede lid: Het tweede lid is van toepassing op situaties waarin subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing is. Wanneer de finale afweging wordt doorgeschoven naar het concrete initiatief, zal een specifieke aanduiding in het omgevingsplan dat een bepaalde gevel een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen, niet tegelijkertijd met het verlenen van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, kunnen gebeuren. In de omgevingsvergunning wordt op grond van artikel 4.51, tweede lid, wel het voorschrift gegeven dat de betreffende gevel als zodanig ket worden uitgevoerd. Daarmee is dit vereiste wel bekend bij de initiatiefnemer voor het geluidgevoelig gebouw, maar is dit nog niet kenbaar bij de wegbeheerder. Daarvoor zal eerst het omgevingsplan moeten worden gewijzigd. En hoewel dit een technische wijziging betreft die een reeds vergunde situatie consolideert, zal hierop de normale wijzigingsprocedure van toepassing zijn.

Om duidelijk te maken dat er ook sprake kan zijn van een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen zonder dat dit reeds specifiek in het omgevingsplan is aangeduid, is het tweede lid opgenomen. Daarin is bepaald dat totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, ook als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving, is aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Overigens geldt ook voor buitenplanse omgevingsvergunningen dat wanneer daarbij wordt voorzien in een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen, dat dit niet direct specifiek in het omgevingsplan is aangeduid. Daarvoor geldt dat het omgevingsplan binnen een termijn van vijf jaar in overeenstemming moet zijn gebracht moet die vergunning (artikel 4.17 van de Omgevingswet). In beide gevallen geldt dat hoe eerder het omgevingsplan is gewijzigd, hoe eerder voor wegbeheerders duidelijk is waar sprake is van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen. Dit neemt echter niet weg dat de wegbeheerder altijd verder zal moeten kijken dan het omgevingsplan, niet alleen vanwege de binnenplanse vergunningen, maar ook vanwege de buitenplanse.

Derde lid: Het derde lid voorziet erin dat de verplichte realisatie van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen alleen geldt voor die verdiepingen waar dat nodig is. Het bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Dat moet voorkomen dat er geveldelen worden uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, zonder dat dit nodig is. Tot slot: geen binnenplanse afwijkmogelijkheid:

54

Onder oud recht werd in bestemmingsplannen vaak voorzien in een globale regeling, waarbij een dove gevel werd voorgeschreven, maar waarvan met een binnenplanse afwijkvergunning van die verplichting kon worden afgeweken. Een dergelijke afwijkvergunning kon dan worden verleend wanneer vanwege bijvoorbeeld gewijzigde omstandigheden als nog aan een vastgestelde hogere waarde of aan de voorkeursgrenswaarde kon worden voldaan. Een dergelijke systematiek is niet langer gewenst, omdat wegbeheerders bij het vaststellen van geluidproductieplafonds geen rekening wordt gehouden met het geluid op die niet-geluidgevoelige gevels. Dat geldt ook als geluidproductieplafonds worden verhoogd en het geluid toeneemt. Ook bij wegverbreding geldt dat voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk dat aan die gevels niet hoeft te worden getoetst Om inzicht te krijgen in waar zich niet-geluidgevoelige gevels bevinden, zal de wegbeheerder naar verwachting eerst kijken in het omgevingsplan. Bij als zodanig aangegeven gevels, hoeft niet te worden getoetst (artikelen 3.18 en 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Wanneer binnenplanse kan worden afgeweken van de verplichting een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen ook daadwerkelijk als zodanig uit te voeren, dan zou de situatie zich kunnen voordoen dat bij het vaststellen of wijzigen van geluidproductieplafonds geen rekening wordt gehouden met geluid op een gevel die in het omgevingsplan weliswaar als niet-geluidgevoelig is aangemerkt, maar die niet als zodanig is uitgevoerd omdat ontheffing was verleend. Dat zou het ongewenste gevolg kunnen hebben dat op enig moment alsnog de grenswaarde wordt overschreden, echter zonder dat de negatieve gevolgen daarvan worden voorkomen door bronmaatregelen of bouwkundige maatregelen aan de gevel. Wanneer een gevel in het omgevingsplan is aangeduid als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, dan wordt ervan uitgegaan dat die gevel ook als zodanig is uitgevoerd. De verwachting is dat de behoefte aan een globale regeling, zoals in bestemmingsplannen veelal werd gehanteerd, minder groot zal zijn nu in het omgevingsplan is gekozen voor het doorschuiven van de definitieve afweging naar de omgevingsvergunning. Daarmee wordt immers direct op het niveau van de concrete bouwaanvraag beoordeeld of wel of geen niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen nodig is.

Dit neemt niet weg dat zich altijd de situatie kan voordoen dat vanwege gewijzigde omstandigheden een lagere geluidbelasting zal optreden dan de grenswaarde, waardoor een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen niet langer nodig is. Het als zodanig uitvoeren van de gevel zal dan in veel gevallen ook ongewenst zijn. Dit kan worden bereikt door het omgevingsplan op dat moment te wijzingen en de aanduiding te laten vervallen, of door middel van een buitenplanse omgevingsvergunning ontheffing te verlenen van de verplichting de gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen uit te voeren. Dit laatste is ongewenst, om dezelfde reden als waarom een binnenplanse afwijkmogelijkheid ongewenst is. Mocht daaraan desondanks toepassing worden gegeven dan is het zaak zo snel mogelijk nadat die vergunning is verleend het omgevingsplan alsnog te wijzingen, zodat voor wegbeheerders duidelijk is dat men wel rekening dient te houden met die gevel, waardoor de hiervoor geschetst situatie zich niet zal voordoen. PPPP Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.3679.371 Toepassingsbereik QQQQ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.3689.372 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalvondst RRRR Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

55

Artikel 9.3699.373 Toepassingsbereik SSSS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.3709.374 Bodem: omgaan met ernstige bodemverontreiniging bij uitvoeren activiteit

56

I Bijlage 1 Nota van wijzigingen Nota van wijzigingen (wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Slaapplaatsen hotels)

57

II Overzicht Documentenbijlagen Nota van wijzigingen (wijzigingsbesluit /join/id/pubdata/gm0363/2026/6f7809b4700248068ab63b19d19a818e/nld@2026-03-10;06503325 Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Slaapplaatsen hotels)

58

Toelichting 1 Artikel I: het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A van het Wijzigingsbesluit Artikel I voorziet erin het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te wijzigen, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A. Die bijlage A bevat in renvooiweergave de daadwerkelijke wijziging van het omgevingsplan. Die wijzigingen leiden tot een nieuwe versie van het omgevingsplan, die geconsolideerd wordt weergegeven in de landelijke voorzieningen. Na publicatie in de landelijke voorzieningen zal het wijzigingsbesluit en de consolidatie ervan raadpleegbaar zijn in de landelijke voorzieningen. In de Motivering wordt de wijziging juridisch onderbouwd.

2 Artikel II: inwerkingtredingsdatum Artikel 16.78, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een besluit tot wijziging van een omgevingsplan in werking treedt op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald. Er is geen aanleiding gebruik te maken van de mogelijkheid af te wijken van de hoofdregel. Artikel II van dit besluit bepaalt daarom dat dit besluit in werking treedt vier weken na bekendmaking ervan in werking treedt.

3 Artikel III: aanhaaltitel Niet alleen het omgevingsplan, maar ook elk afzonderlijk wijzigingsbesluit heeft een eigen aanhaaltitel. De aanhaaltitel voor voorliggend wijzigingsbesluit is Wijzigingsbesluit omgevingsplan Amsterdam: Slaapplaatsen hotels.

59

Motivering 1 Algemeen 1.1 Inleiding Met het voorbereidingsbesluit slaapplaatsen hotels van 26 november 2024 heeft het college beperkingen geïntroduceerd ten aanzien van nieuwe slaapplaatsen in hotels in Amsterdam. Hiermee is beoogd de groei van de overnachtingscapaciteit en het aantal toeristenovernachtingen in hotels af te remmen. Dit zorgt ervoor dat de druk op de leefbaarheid als gevolg van toeristenovernachtingen niet verder toeneemt. Op die manier draagt de regulering van het aantal slaapplaatsen in hotels bij aan de balans tussen leefbaarheid en toerisme in Amsterdam. De regulering van de overnachtingscapaciteit in hotels is met het voorbereidingsbesluit nog niet gereed. Het voorbereidingsbesluit vormt een tussenstap naar een definitieve regeling in het omgevingsplan. Daarmee was het mogelijk om meteen in te grijpen, maar een voorbereidingsbesluit heeft een tijdelijke werkingsduur. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in de definitieve voortzetting van de beddenstop. Alleen met toepassing van de nieuw-voor-oud-regeling is het nog mogelijk dat er slaapplaatsen bij kunnen komen.

1.2 Noodzaak van de regeling Amsterdam voert vanwege drukte en disbalans tussen wonen, werken en recreëren al jarenlang intensief beleid via diverse sporen om die balans en de beleving van drukte te verbeteren. De Amsterdammer vraagt hier ook om. Met name in de binnenstad en de ring rond het centrum wordt een nog steeds toenemende toeristische druk en overlast ervaren. Het is de wens van het stadsbestuur om tot op zekere hoogte bezoekers te verwelkomen, maar gelijktijdig de leefbaarheid voor de bewoners van Amsterdam te verbeteren. De leefbaarheid en daarmee ook het stedelijk milieu staat onder druk als gevolg van toeristenovernachtingen in hotels. De afgelopen jaren heeft het stadsbestuur een reeks maatregelen genomen om tot minder toeristenovernachtingen te komen. Dankzij het hotelbeleid is het vestigen van nieuwe hotels sterk aan banden gelegd. De uitvoeringsprogramma’s Aanpak binnenstad en Bezoekerseconomie voorzien ook in verschillende maatregelen ter verbetering van de toeristische draagkracht. Daarnaast bevat de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 regels voor toeristisch verhuur van woonruimtes. Het overgrote deel van de verblijfsbezoekers overnacht echter in hotels. Het verbieden van nieuwe slaapplaatsen in hotels is daarom nodig en is een toevoeging aan de reeks maatregelen die al is genomen.

Toerisme in balans De aanleiding om op de overnachtingscapaciteit van hotels te sturen volgt ook uit de Verordening op toerisme in balans Amsterdam. Deze verordening heeft de gemeenteraad op 8 juli 2021 vastgesteld, naar aanleiding van het volksinitiatief ‘Amsterdam heeft een keuze’ van 2020. De gedachte is dat vanaf een bepaald aantal bezoekers Amsterdam uit balans raakt en de nadelen van toerisme groter worden dan de voordelen. De verordening schrijft daarom een bandbreedte voor het aantal toeristenovernachtingen voor. Het gaat om een onder- en bovengrens van het totaal aantal toeristenovernachtingen per jaar. Binnen deze bandbreedte wordt er balans geacht te zijn tussen de belangen van bewoners, ondernemers en bezoekers binnen Amsterdam. De bandbreedte is vastgesteld op 10 en 20 miljoen toeristenovernachtingen per jaar, waarbij respectievelijk 12 en 18 miljoen toeristenovernachtingen per jaar als signaalwaarden gelden. Ingrijpen is nodig indien het verwachte aantal toeristenovernachtingen van het laatste geprognosticeerde kalenderjaar buiten de signaalwaarden valt.Volgens de Bezoekersprognose Amsterdam 2025-2027 van de afdeling Onderzoek en Statistiek (hierna: O&S) uit 2024 wordt tussen 23,9 en 27,9 miljoen toeristenovernachtingen verwacht in 2027. Hierdoor zullen de signaalwaarde maar ook de bovengrens uit de verordening worden overschreden.

Het overgrote deel van de toeristische verblijfsbezoekers overnachten ook in hotels.

Toeristische draagkracht

60

Door de overnachtingscapaciteit van hotels te reguleren kan de toeristische draagkracht in Amsterdam beter worden gewaarborgd. De Verordening op toerisme in balans Amsterdam stuurt hier ook op. Met toeristische draagkracht wordt bedoeld de toeristische druk die een wijk kan dragen zonder dat het ten koste gaat van de leefbaarheid. De overnachtingscapaciteit is een belangrijke indicator voor de toeristische druk. Met meer hotelbedden kunnen meer toeristen overnachten, ten nadele van het gebruik van voorzieningen en schaarse ruimte. Ook kan het toeristisch bezoek of verblijf gepaard gaan met drukte, overlast en een afname van de sociale cohesie. Feit is dat bepaalde wijken van Amsterdam onvoldoende zijn toegerust op een grote hoeveelheid toeristische bezoekers. Uit het onderzoek Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023 van O&S blijkt dat de leefbaarheid voornamelijk onder druk staat in de binnenstad en in de ring rondom het centrum, waar de toeristische druk en overlast hoog is. Uit het onderzoek blijkt dat wijken, zoals Burgwallen-Oude Zijde, Burgwallen-Nieuwe Zijde, Grachtengordel-Zuid, Nieuwmarkt/Lastage en Oosterparkbuurt, een zeer hoge toeristische druk ervaren en laag scoren op bezoekers gerelateerde leefbaarheid.

Daarbij is relevant dat in het onderzoeksjaar 2023 de bovengrens uit de verordening werd overschreden: het aantal toeristenovernachtingen bedroeg 22,2 miljoen, waarvan 20,4 miljoen in hotels. De toeristische draagkracht van deze wijken kan ook onder druk komen te staan door de overnachtingscapaciteit daarbuiten. De toeristische wijken zullen immers bezoekers blijven aantrekken die elders in Amsterdam overnachten. Daarnaast lopen wijken die op dit moment voldoende toeristische draagkracht hebben, ook het risico op een afname van de leefbaarheid. Het sturen op het aantal slaapplaatsen in hotels binnen de hele gemeente is daarom noodzakelijk.

Toename in overnachtingscapaciteit en aantal hotelovernachtingen De afgelopen jaren is gesignaleerd dat hoteliers gebruikmaken van mogelijkheden om meer of zoveel mogelijke slaapplaatsen te realiseren. Te denken valt aan het plaatsen van extra (stapel)bedden, kleinere kamers, het omzetten van nevenruimten naar kamers en het benutten van uitbouw-, opbouw- of onderkelderingsmogelijkheden. Deze ontwikkeling heeft gevolgen voor de overnachtingscapaciteit en voor de kwaliteit van de accommodaties. Vast staat dat de totale overnachtingscapaciteit in de stad de afgelopen jaren sterk is toegenomen. In 2024, het jaar dat het voorbereidingsbesluit is genomen, telde Amsterdam significant meer bedden in hotels en hostels dan in het precorona-jaar 2019, namelijk 13 procent meer (van 81.255 naar 92.110 bedden). Het aantal hotels en hostels daarentegen is minder sterk toegenomen, met ongeveer 4 procent (van 524 naar 544 hotels). Het aantal hotelbedden stijgt dus harder dan het aantal hotels: voor ieder nieuw hotel of hostel zijn er bedden bij gekomen. Het gemiddelde aantal bedden per hotel lag in 2019 echter op 155 bedden per hotel. Er is dus vooral sprake geweest van schaalvergroting en intensivering van het ruimtegebruik in hotels. Vergelijking aantal bedden in hotels en hostels en aantal hotels en hostels in 2019 en 2024 2019

2024

Mutatie t.o.v. 2019

Aantal bedden in hotels en hostels

81.255

92.110

13%

Aantal hotels en hostels

524

544

4%

Bron: O&S, gemeente Amsterdam

De groei in de overnachtingscapaciteit is ook terug te zien in de toename van het aantal hotelovernachtingen in de stad. In 2024 waren er 22,2 miljoen hotelovernachtingen, 21 procent meer dan de 18,4 miljoen hotelovernachtingen in het pre-coronajaar 2019. Uit de Bezoekersprognose 2025-2027 van O&S blijkt dat er in 21,0 miljoen hotelovernachtingen waren in 2024 (voorlopige cijfers), meer dan de 18,4 miljoen hotelovernachtingen in het pre-coronajaar 2019. De verwachting is dat het toerisme in Amsterdam komende jaren zal blijven groeien. Het toerismevolume hangt ook samen met de beschikbare capaciteit. Zonder in te grijpen blijft het mogelijk om deze extra toeristen te accommoderen.

61

1.3 Verwachte effecten van de regeling Gebleken is dat de overnachtingscapaciteit van hotels in combinatie met veel toeristenovernachtingen gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving, met name de leefbaarheid in toeristische gebieden en daarbuiten. Het omgevingsplan is daarom het geëigende ruimtelijke instrument om het aantal slaapplaatsen in hotels te reguleren. Dit kan worden bereikt door met het omgevingsplan geen nieuwe slaapplaatsen meer toe te staan. Met de beddenstop wordt een onbeperkte groei van het aantal hotelovernachtingen voorkomen. De verwachting is namelijk dat deze stijging in overnachtingscapaciteit en hotelovernachtingen zich zal voortzetten als niet wordt ingegrepen. De regeling moet dus ervoor zorgen dat de druk op de leefbaarheid niet verder kan escaleren. De beddenstop bewerkstelligt dat er alleen verschuivingen mogelijk zijn in de totale overnachtingscapaciteit. Er worden met name verschuivingen naar wijken met voldoende toeristische draagkracht gefaciliteerd en dus verwacht. De regeling sluit niet uit dat Amsterdam toeristische bezoekers blijft aantrekken die in buurgemeenten overnachten of een alternatieve overnachtingsmogelijkheid hebben. Blijkens het rapport Toerisme MRA 2024-2025 van O&S overnacht echter een groot deel van de toeristische bezoekers van Amsterdam in hotels binnen Amsterdam zelf.

Daarnaast overnacht slechts een beperkt deel van de verblijfsbezoekers in woningen/kamers via platforms, of op kampeer- en huisjesterreinen. Een klein deel van de dagbezoekers zijn buitenlandse toeristen die buiten Amsterdam verblijven. Het is daarom noodzakelijk dat Amsterdam binnen de eigen grenzen en bevoegdheden toeristenovernachtingen niet verder faciliteert.

1.4 Proportionaliteit van de regeling Het reguleren van het aantal slaapplaatsen in hotels gaat niet verder dan nodig is. Het moet mogelijk blijven om toeristen te verwelkomen, maar zonder dat de leefbaarheid verder onder druk komt te staan. Voor bestaande hotels blijft het mogelijk om de huidige bedrijfsvoering voort te zetten. Aangenomen kan worden dat de overnachtingscapaciteit en daarmee de exploitatie van een bestaand hotel tot op zekere hoogte al is geoptimaliseerd. Bovendien zijn voor een optimale exploitatie van een hotel ook andere factoren relevant, zoals het hotelsegment, de locatie van het hotel en de aanwezigheid van hotelfaciliteiten. Bovendien zijn er geen minder ingrijpende maatregelen die hetzelfde effect kunnen hebben op de overnachtingscapaciteit en daarmee de leefbaarheid. Hoe meer slaapplaatsen in hotels, hoe meer hotelovernachtingen en toeristisch bezoek gefaciliteerd kunnen worden. Gebleken is ook dat alleen het sturen op nieuwe hotels in plaats van nieuwe hotelbedden niet voldoende is. Verder van belang is dat deze regeling onderdeel is van een reeks maatregelen die als doel heeft de toeristische draagkracht in de stad te verbeteren.

Voorbeelden hiervan zijn: het reguleren van toeristisch verhuur, het verhogen van de toeristenbelasting, het inperken van reisbewegingen zoals met zee- en riviercruise en touringcars, verschillende gedragscampagnes, en het spreiden van attracties en vrijetijdsvoorzieningen. Ondanks deze maatregelen staat de toeristische draagkracht nog steeds onder druk. Er is geen sprake van een kaal verbod op nieuwe slaapplaatsen, maar van een omgevingsvergunningplicht. Deze omgevingsvergunning wordt echter alleen verleend als de toeristische draagkracht van de wijk zich niet daartegen verzet en een oud hotel sluit. Daarmee kan in specifieke gevallen toch nieuwe slaapplaatsen worden gerealiseerd, maar zonder dat de totale overnachtingscapaciteit toeneemt. Daarnaast voorziet de regeling in overgangsrecht voor lopende hotelontwikkelingen die concreet en bij de gemeente bekend zijn. Bij deze hotelontwikkelingen is er sprake van bestaande rechten, afspraken en/of onomkeerbare investeringen. Verder worden rechthebbenden niet ten opzichte van elkaar benadeeld. Voor iedere nieuwe slaapplaats worden dezelfde regels gehanteerd, of het nu gaat om een bestaand hotel of een nog te realiseren hotel. De regels gelden voorts voor alle hotels binnen het grondgebied van Amsterdam, ongeacht de nationaliteit of statutaire zetel van de hotelier.

2 Beschrijving van de wijziging 2.1 Beschrijving van de wijziging Toepassingsbereik van de regels

62

De voorliggende omgevingsplanregels over slaapplaatsen in hotels gelden voor het hele grondgebied van Amsterdam. Daarmee kan de totale overnachtingscapaciteit in Amsterdam worden beheerst. Het uitzonderen van bepaalde gebieden, zoals buiten de binnenstad, zou ertoe leiden dat extra capaciteit voor hotelovernachtingen alsnog gefaciliteerd kunnen worden. Het toepassingsbereik van de regels is verder op twee punten afgebakend. Ten eerste hebben de regels alleen betrekking op locaties waar krachtens het omgevingsplan of een omgevingsvergunning een hotel is toegestaan. De regels zijn dus niet van toepassing op buitenplanse omgevingsplanactiviteiten voor hotels. Aan deze hotelinitiatieven wordt op basis van het hotelbeleid in principe niet meegewerkt. Ten tweede zijn de regels niet van toepassing op het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. Deze vormen van overnachting zijn niet met hotels te vergelijken. Ze zijn in voldoende mate gereguleerd, door onder andere de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.

Beddenstop als omgevingsvergunningplicht De kern van voorliggende omgevingsplanregeling is de beddenstop. Hiermee is het verboden om zonder omgevingsvergunning nieuwe slaapplaatsen in een hotel te realiseren. Deze omgevingsvergunningplicht geldt voor alle hotels die rechtmatig zijn toegestaan op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Zolang geen omgevingsvergunning is verleend, is het maximum aantal slaapplaatsen op een locatie gelijk aan het aantal bestaande slaapplaatsen. Bij bestaande hotels zijn dit de slaapplaatsen die feitelijk en legaal aanwezig zijn, en bij nog niet gerealiseerde hotels zijn dit nul slaapplaatsen. In beide gevallen is een omgevingsvergunning nodig voor de nieuwe slaapplaatsen. De peildatum voor het bepalen van het aantal slaapplaatsen is de inwerkingtredingsdatum van de regeling. Er wordt tevens rekening gehouden met slaapplaatsen die na inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit rechtmatig zijn toegevoegd. Voor lopende, concrete hotelontwikkelingen is locatiespecifiek overgangsrecht opgenomen. Per locatie is een maximum aantal slaapplaatsen opgenomen. Dit moet voorkomen dat deze hotels in de toekomst nog verder kunnen uitbreiden.

Nieuw-voor-oud als beoordelingsregel Het uitgangspunt van de regeling is dat de totale overnachtingscapaciteit in Amsterdam niet mag toenemen. Dit is in de eerste plaats bedoeld om de leefbaarheid in de toeristische wijken te beschermen. In lijn met het hotelbeleid wordt er daarom voorzien in een nieuw-voor-oud-regeling voor nieuwe slaapplaatsen in een hotel. Dit betekent dat nieuwe slaapplaatsen alleen zijn toegestaan ter vervanging van bestaande (‘oude’) slaapplaatsen op een andere locatie. Daarbij wordt als eis gesteld dat de exploitatie van het te vervangen hotel volledig en blijvend moet zijn beëindigd. Een beëindiging van de exploitatie van het te vervangen hotel komt de leefbaarheid ten goede. Het is ook nodig om per geval de nieuw-voor-oud-regeling juridisch te borgen. Het aantal nieuwe slaapplaatsen wordt daarom met een vergunningsvoorschrift gemaximeerd. Dit aantal is gelijk aan het aantal slaapplaatsen dat wordt vervangen. Tevens wordt de beëindiging van de exploitatie van het vervangen hotel met een vergunningsvoorschrift geborgd.

Toeristische draagkracht als beoordelingsregel De nieuw-voor-oud-regeling maakt verschuivingen in de totale overnachtingscapaciteit mogelijk. Dit mag niet onbedoeld ertoe leiden dat de verschuiving in slaapplaatsen plaatsvindt naar wijken waar de toeristische draagkracht al onder druk staat. Voor de beoordeling hiervan is aansluiting gezocht bij de Verordening op toerisme in balans Amsterdam. Toeristische draagkracht wordt in de verordening gedefinieerd als de toeristische druk die een wijk kan dragen zonder dat het (significant) ten koste gaat van de leefbaarheid. In voorliggende regeling wordt daarom voor iedere nieuwe slaapplaats beoordeeld of de toeristische druk tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat leidt. Met toeristische druk wordt hier bedoeld het effect op de openbare ruimte veroorzaakt door dagbezoeken en/of toeristenovernachtingen op basis van objectieve waarnemingen van het aanbod en gebruik van voorzieningen gericht op toeristen.

63

Als bijlage bij de motivering is het rapport Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023 uit 2024 opgenomen. Iedere wijk heeft een score gekregen voor de toeristische druk (van ‘hoog’ naar ‘laag’) en de toerisme gerelateerde leefbaarheid (van ‘ongunstig’ naar ‘gunstig’). Het realiseren van nieuwe slaapplaatsen in wijken met een hoge toeristische druk en een ongunstige leefbaarheid voldoet in ieder geval niet aan de beoordelingsregel. In deze wijken staat de toeristische draagkracht reeds onder druk. Dit sluit niet uit dat er wijken zijn waarvan de toeristische draagkracht dreigt onder druk te komen te staan. Ook in deze wijken kan het onwenselijk zijn om nieuwe slaapplaatsen toe te staan. Dit vergt een beoordeling van geval tot geval. Wat de toeristische druk betreft zijn in ieder geval de volgende indicatoren relevant: de concentratie van toeristisch verhuur, de concentratie van coffeeshops, de doorloopruimte op stoepen, het aantal attracties, de hotelcapaciteit en de grootte van het overige toeristische aanbod.

De ervaren leefbaarheid wordt onderzocht aan de hand van in ieder geval de volgende indicatoren: de onveiligheidsbelevingsindex, de overlast door vervuiling, de overlast door toeristische verhuur van woningen in directe woonomgeving, de overlast door mensen onder invloed van alcohol en/of andere verdovende middelen op straat, het aanbod van winkels voor dagelijkse boodschappen en de sociale cohesie. In bijlage 3 van het rapport worden de indicatoren verder ingevuld. Op basis van de verordening wordt dit rapport tweejaarlijks uitgebracht. Bij de beoordeling van de toeristische druk en het woon- en leefklimaat voor het toestaan van nieuwe slaapplaatsen wordt de meest actuele versie geraadpleegd.

Wijzigingen ten opzichte van het voorbereidingsbesluit Voorliggende omgevingsplanregeling wijkt op bepaalde punten inhoudelijk af van het voorbereidingsbesluit. Het voorbereidingsbesluit was nodig om op relatief korte termijn te kunnen ingrijpen. Op basis van nieuwe inzichten, mede naar aanleiding van gedane ervaringen met het voorbereidingsbesluit, is de regeling bijgesteld. Ten eerste geldt de beddenstop nu voor bestaande en nieuwe hotels, mits deze rechtmatig zijn toegestaan op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning. In het voorbereidingsbesluit was een aparte regeling opgenomen voor nieuwe hotels in verband met bestaande en nog niet benutte rechten. Er wordt nu één lijn getrokken voor beide situaties. Dit komt ook de eenvoud en de bruikbaarheid van de regeling ten goede. Als gevolg hiervan is de terminologie ook deels aangepast. Ten tweede zijn de beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor nieuwe slaapplaatsen aangevuld en geconcretiseerd. In lijn met het hotelbeleid is de nieuw-voor-oud-regeling toegevoegd als beoordelingsregel. Daarnaast is het leefbaarheidscriterium uitgebreid naar een beoordeling op basis van de toeristische druk op het woon- en leefklimaat, ofwel de toeristische draagkracht. De noodzaak om te sturen op toeristische draagkracht volgt uit de Verordening op toerisme in balans.

Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp Het wijzigingsbesluit bevat enkele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp. De wijzigingen zijn voor het merendeel juridisch-technisch of redactioneel van aard. Daarnaast zijn correcties doorgevoerd in de lijst van hotelontwikkelingen die onder het overgangsrecht vallen. Voor een overzicht van deze wijzigingen wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van wijzigingen (bijlage II).

3 Participatie 3.1 Participatie Met het voorbereidingsbesluit heeft het college om zwaarwegende redenen afgezien van een participatieplan voor dit beleidsvoornemen (artikel 3, derde lid van de Participatieverordening Amsterdam). De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan geeft uitvoering aan dit beleidsvoornemen. Voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan is voor participatie de wettelijke zienswijzeprocedure gevolgd. Het college heeft op 2 december 2025 besloten om het ontwerpbesluit vrij te geven voor terinzagelegging. Het ontwerpbesluit is op 5 december 2025 bekendgemaakt in het Gemeenteblad en lag met ingang van 10 december 2025 zes weken ter inzage.

64

Gedurende de terinzagelegging hebben burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen op het ontwerpbesluit kunnen reageren door middel van een zienswijze. Er is één zienswijze naar voren gebracht, gedateerd op 16 januari 2026 en op 19 januari 2026 ontvangen. Hierna volgt een zakelijke weergave van de zienswijze en een reactie van het college op de zienswijze.

Zienswijze De zienswijze is ingediend door OPEN Development B.V., de ontwikkelaar van een perceel in Amsterdam, en Distelweg B.V., vanaf maart 2026 de toekomstige eigenaar van dat perceel (hierna ook: adressanten). Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan een gemengde bestemming, waarmee volgens de zienswijze de realisatie van hotelkamers (slaapplaatsen) rechtstreeks is toegestaan. Adressanten stellen dat zij erop mocht vertrouwen dat de ontwikkeling van slaapplaatsen op het betreffende perceel niet onmogelijk zou worden gemaakt, althans niet aan een vergunningplicht zou worden onderworpen. De ontwikkelaar zou met de gemeente in gesprek zijn geweest over de realisatie van 160190 slaapplaatsen op dit perceel, waarbij medewerkers van de gemeente positief zouden staan tegenover dit initiatief. Verder wordt gesteld dat de vestigingsbeperkingen voor hotels op de betreffende locatie in strijd is met artikel 15 van de Dienstenrichtlijn. Betoogd wordt dat er geen onderzoek is gedaan naar nut en noodzaak van de vestigingsbeperkingen. Ook zou een specifieke analyse van de veronderstelling dat de vestigingsbeperking kan leiden tot het beoogde doel, zoals bedoeld in de uitspraak van de ABRvS in de zaak van Visser Vastgoed van 20 juni 2018 (201309296/5/R3), ontbreken.

Daarnaast wordt gesteld dat de beoordelingsregel in strijd is met artikel 14, lid 5 van de Dienstenrichtlijn, omdat deze een economisch karakter heeft. De beoordelingsregel zou ook gebaseerd zijn op het onduidelijke begrip "toeristische druk" en het begrip "onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat" is niet gedefinieerd. Verwezen wordt naar vaste rechtspraak van het HvJ EU (zie HvJ EU, 20 februari 2001, C-205/99, nr. 38), waarin wordt vereist dat vergunningseisen moeten zijn gebaseerd op objectieve criteria die van tevoren kenbaar zijn. Adressanten stellen dat het perceel moet worden opgenomen in de overgangsbepaling voor hotelontwikkelingen. Dit zou betekenen dat het perceel niet wordt getroffen door de vergunningplicht en dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Hiermee zou worden tegemoetgekomen aan alle bezwaren van adressanten.

Reactie van het college Het college begrijpt dat adressanten bij de verkoop van het betreffende perceel uit zijn gegaan van het juridisch-planologische kader dat destijds gold. Na inwerkingtreding van de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan zullen in principe alle toekomstige hotelontwikkelingen, maar ook bestaande hotels, worden onderworpen aan een vergunningplicht voor nieuwe slaapplaatsen. Dit draagt bij aan de balans tussen leefbaarheid en toerisme in Amsterdam. Het college kan het beroep van adressanten op gewekt vertrouwen en het verzoek om onder de overgangsregel te worden geplaatst echter niet honoreren. De regeling voorziet alleen in overgangsrecht voor lopende hotelontwikkelingen die concreet en bij de gemeente bekend zijn. Bij de van de vergunningplicht uitgezonderde hotelontwikkelingen is er sprake van bestaande rechten, afspraken en/of onomkeerbare investeringen. Het zou immers niet proportioneel zijn om deze hotelontwikkelingen aan de vergunningplicht te onderwerpen. Uit een interne uitvraag is gebleken dat bij de gemeente niet bekend is dat een hotelontwikkeling op het betreffende perceel wordt voorzien. Adressanten hebben geen bewijs aangeleverd waaruit blijkt dat een ontwikkeling op het perceel concreet is en bij de gemeente bekend is.

Verder worden adressanten niet gevolgd in hun standpunt dat de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Anders dan adressanten stellen, blijkt uit de motivering en onder andere het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023 en de bezoekersprognose van de gemeente Amsterdam waarom het reguleren van de overnachtingscapaciteit noodzakelijk en effectief is (‘nut en noodzaak’). Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Een toename van de overnachtingscapaciteit kan de toeristische draagkracht van de betreffende wijk waar adressanten een hotel voorzien aantasten, maar ook van andere wijken waar de toeristische druk en overlast al hoog zijn. De toeristische wijken zullen immers bezoekers blijven aantrekken die elders in Amsterdam overnachten. Een vergunningplicht voor nieuwe slaapplaatsen binnen de hele gemeente is daarom noodzakelijk.

65

Het college deelt ook niet de mening dat de beoordelingsregels voor de vergunningplicht een economisch karakter hebben. De beoordelingsregels hebben betrekking op ‘nieuw-voor-oud’ en de toeristische draagkracht. Beide aspecten zien toe op het beschermen van het stedelijk milieu. Ten slotte zijn de begrippen die in de beoordelingsregels voorkomen, wel objectief en vooraf kenbaar gemaakt. Het begrip ‘de toeristische druk’ wordt in bijlage I van het omgevingsplan omschreven als het effect op de openbare ruimte veroorzaakt door dagbezoeken en/of toeristenovernachtingen op basis van objectieve waarnemingen van het aanbod en gebruik van voorzieningen gericht op toeristen. Dit begrip wordt nader toegelicht in de bijbehorende motivering met een verwijzing naar het bijgevoegde rapport Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023. Deze nadere toelichting vormt een integraal onderdeel van het besluit. Verder is het begrip ‘woon- en leefklimaat’ een veelgebruikte term in de rechtspraktijk en de rechtspraak. Een nadere definiëring is daarom niet aan de orde. De conclusie is dat de zienswijze niet leidt tot een aanpassing van de regels.

4 Onderdeelsgewijze toelichting bij Wijzigbijlage A 4.1 Inleiding Wijzigbijlage A geeft met een was/wordt-weergave de wijzigingen aan die in de geldende hoofdregeling van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam worden aangebracht. Deze wijzigingen worden voor zover relevant onderdeelsgewijs aangegeven. In dit deel van de motivering zullen per onderdeel van de Wijzigbijlage A de aangegeven wijzigingen kort worden toegelicht.

4.2 Wijzigingsonderdeel M Dit onderdeel voegt paragraaf 3.2.15 en de bijbehorende artikelen toe aan de hoofdregeling. De nieuwe omgevingsplanregels hebben betrekking op slaapplaatsen in hotels.

4.3 Wijzigingsonderdeel YY Dit onderdeel voegt drie nieuwe begripsbepalingen toe aan bijlage I van de hoofdregeling. De nieuwe begrippen 'bestaande slaapplaatsen', 'nieuwe slaapplaatsen' en 'de toeristische druk' zijn nodig voor de werking van paragraaf 3.2.15.

4.4 Wijzigingsonderdeel ZZ Met dit onderdeel wordt een informatieobject toegevoegd voor de aanduiding 'hotel niet toegestaan'. Deze aanduiding wordt met voorliggende wijziging van het omgevingsplan niet toegepast op een locatie. Hiervoor is een aparte wijziging van het omgevingsplan nodig.

4.5 Wijzigingsonderdeel DDD Dit onderdeel voegt een nieuwe sectie toe aan de algemene toelichting van de hoofdregeling. Deze sectie bevat een algemene toelichting op de nieuwe omgevingsplanregels over slaapplaatsen in hotels, zoals neergelegd in paragraaf 3.2.15.

4.6 Wijzigingsonderdeel OOO Dit onderdeel voegt een artikelsgewijze toelichting toe voor de nieuwe omgevingsplanregels in paragraaf 3.2.15.

4.7 Overige wijzigingsonderdelen De wijzigingen in de overige onderdelen zijn technisch van aard en beogen geen rechtsgevolgen.

66

I Bijlage 1 Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023 Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023

67

II Overzicht Documentenbijlagen Toeristische draagkracht van wijken in Amsterdam 2023

68

/join/id/pubdata/gm0363/2026/bf128ed60ac04001a2fe734b3d37cdc5/nld@2026-03-10;06503325

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16789058/1