CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bekendmaking TAM-Voorbereidingsbesluit Bodem Amsterdam conceptbesluit

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 31 oktober 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van bodemregels onder de Omgevingswet (VN2023-020743)23.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:

Gemeenteblad 15 december 2023 (2 weken voor inwerkingtreden Omgevingswet) n.v.t. Ja omgevingsplan Amsterdam n.v.t.

Besluit van de raad van de gemeente Amsterdam houdende een voorbereidingsbesluit inzake regels over bodem onder de Omgevingswet (TAM-Voorbereidingsbesluit Bodem Amsterdam) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 oktober 2023, gelet op artikel 4.1 lid 1 en artikel 4.14 van de Omgevingswet, besluit: I.

II. III. IV.

met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels een voorbereidingsbesluit te nemen houdende regels over bodem onder de Omgevingswet; voor het omgevingsplan de voorbeschermingsregels vast te stellen die zijn opgenomen in bijlage A; dat dit voorbereidingsbesluit in werking treedt tegelijk met de Omgevingswet; dat dit voorbereidingsbesluit wordt aangehaald als TAM-Voorbereidingsbesluit Bodem Amsterdam.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 8 november 2023. De voorzitter Femke Halsema De raadsgriffier Jolien Houtman Bijlage A bij artikel II Voorrangsbepaling Voor zover de regels van de hoofdregeling van het omgevingsplan afwijken van deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels. Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels bodem Afdeling 1.o Begripsbepalingen

Artikel 1.0 Begripsbepalingen In dit voorbereidingsbesluit wordt verstaan onder: a. zone van de Bodemkwaliteitskaart: gebied dat is ingedeeld in een zone op de zonekaart in bijlage I bij dit voorbereidingsbesluit; b. zone van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg: gebied dat is ingedeeld in een zone op de zonekaart openbare weg in bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit; c. niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart: gebied dat niet is ingedeeld in een zone op de zonekaart in bijlage I bij dit voorbereidingsbesluit omdat er te weinig gegevens beschikbaar zijn over de bodemkwaliteit in dit gebied. Afdeling 1.1 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Artikel 1.1 Uitbreiding begrip sanerende of andere beschermende maatregel Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van dit voorbereidingsbesluit; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a. Artikel 1.2 Afwijkende en aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie 1.

In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, onder c, onder 2°, van dit omgevingsplan geldt dat bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt genomen. 2. In aanvulling op artikel 22.29, eerste lid, van dit omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als: 1° het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2° het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld in het eerste lid, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel. 3. Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in artikel 22.30, tweede lid, van dit omgevingsplan is niet van toepassing voor zover het gaat om de aanwezigheid van lood ter plaatse van de tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf en school. 4.

In afwijking van en in aanvulling op artikel 22.30, eerste lid, van dit omgevingsplan zijn voor de stoffen lood en PFAS de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties opgenomen in tabel 1.2, waarbij het gaat om de gemeten waarden zonder bodemtypecorrectie: Tabel 1.2 Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood (in mg/kg ds)

2

Waarden Waarden PFOS PFOA en en overige PFAS som-waarden (in µg /kg ds)

PFASmengsels (in µg /kg ds) Ter plaatse van de tuin of andere buitenruimte:  Woning  Kinderdagverblijf  School

370

60

59

Ter plaatse van het gebouw:  Woning (geen wijziging:  Kinderdagverblijf Interventiewaarde  School conform bijlage IIA bij 60 Ter plaatse van het gebouw inclusief het Besluit activiteiten eventuele tuin of andere buitenruimte: leefomgeving)  Overige bodemgevoelige gebouwen zoals winkel, kantoor

59

Artikel 1.3 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikelen 22.29 van dit omgevingsplan en artikel 1.2, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, een sanerende of beschermende maatregel is uitgevoerd. Artikel 1.4 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: informatieplicht uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikelen 22.29 van dit omgevingsplan en artikel 1.2, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit, wordt ook het voorschrift verbonden dat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag ten minste een week van te voren is geïnformeerd over de wijze waarop een sanerende of andere beschermende maatregel is genomen.

Artikel 1.5 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: geschikt maken van de bodem 1. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikelen 22.29 van dit omgevingsplan en artikel 1.2, tweede lid, onder 2°, van dit voorbereidingsbesluit, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.

3

2. Als aan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop ede maatregelen zijn genomen . Artikel 1.6 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1. In afwijking van artikel 22.35, onder j, van dit omgevingsplan worden, als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.30, tweede lid, van dit omgevingsplan of artikel 1.2, derde en vierde lid, van dit voorbereidingsbesluit wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt genomen. 2.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal. 3. In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt op een locatie in zone 3, 4, 5, 6 of 7 van de Bodemkwaliteitskaart of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4. Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen. 5. De resultaten van een bodemonderzoek voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage III bij dit voorbereidingsbesluit en worden verstrekt in: a. PDF-formaat, en; b.

ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Afdeling 1.2 Graven Paragraaf 1.2.1 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 1.7 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3of minder is. 2. Het kleinschalig graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: 4

3.

4.

a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en d.

locatie die is beschikt als ernst, geen spoed: locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 1.8 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Als het gaat om het kleinschalig graven in de bodem op een locatie in zone D van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3. Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 4. In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van paragraaf 22.3.7.2 van dit omgevingsplan of paragraaf 1.2.2 van dit voorbereidingsbesluit. 5. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 1.9 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1.

Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt. 2. Het verkennend bodemonderzoek voldoet aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage III bij dit voorbereidingsbesluit en wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 5

3. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 1.10 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in zone 4, 5, 6 of 7 van de Bodemkwaliteitskaart, in zone D van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg, in een nietgezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart of op een locatie die is beschikt als locatie ernst, geen spoed, worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 1.11 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De onderzoeken, bedoeld in artikel 1.9 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 1.12 Grond gescheiden houden 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het kleinschalig graven, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 1.13 Tijdelijk uitnemen van grond 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2. In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 1.14 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 1.13, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Artikel 1.15 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

6

Paragraaf 1.2.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 1.16 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf geldt voor het kleinschalig graven in de bodem, bedoeld in artikel 22.127 van dit omgevingsplan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning, als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of b. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties, als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; d.

locatie die is beschikt als ernst, geen spoed: locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; en e. afdeklaag: afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming. Artikel 1.17 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.

In aanvulling op het eerste lid wordt als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in zone D van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3. Het tweede lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 4. In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. 5. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 1.18 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

7

1.

2.

3. 4.

Artikel 22.128, derde lid, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan, is niet van toepassing als het gaat om kleinschalig graven op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Als het gaat om kleinschalig graven op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven ook gegevens en bescheiden verstrekt over de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 22.130 van dit omgevingsplan, gaan verrichten. Dit geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven volgens de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage III bij dit voorbereidingsbesluit verstrekt aan het bevoegd gezag in: a. PDF-formaat, en; b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 1.19 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in zone 4, 5, 6 of 7 van de Bodemkwaliteitskaart, in zone D van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg, in een nietgezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart of op een locatie die is beschikt als locatie ernst, geen spoed, worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 1.20 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 22.128 van dit omgevingsplan of artikel 1.18 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 1.21 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 1.22 Grond gescheiden houden 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het kleinschalig graven, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 1.23 Tijdelijk uitnemen van grond 8

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2. In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 1.24 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1. In afwijking van artikel 1.23, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 1.24 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.

Tabel 1.24 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie

Artikel 1.25 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven

9

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt het kleinschalig graven uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000, als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Paragraaf 1.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven Artikel 1.26 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 1.27 Voorafgaand bodemonderzoek 1.

In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in zone 4, 5, 6 of 7 van de Bodemkwaliteitskaart, in zone D van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 1.28 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.27 van dit voorbereidingsbesluit, verstrekt. 2. Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.

De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage III bij dit voorbereidingsbesluit en worden verstrekt in: a. PDF-formaat, en; b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 1.29 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 1.27 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

10

Artikel 1.30 Grondsoorten gescheiden houden 1. In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden. 2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 1.31 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Paragraaf 1.2.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven Artikel 1.32 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c.

partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 1.33 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in zone 4, 5, 6 of 7 van de Bodemkwaliteitskaart, in zone D van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg of in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 1.34 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 1.33 van dit voorbereidingsbesluit, verstrekt. 2.

De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.33 van dit voorbereidingsbesluit, voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage III bij dit voorbereidingsbesluit en worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 11

Artikel 1.35 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 1.33 van dit voorbereidingsbesluit, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 1.36 Actuele risico’s Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Artikel 1.37 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 1.38 Grondsoorten gescheiden houden 1. In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen, , civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft. 2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen. Artikel 1.39 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 1.39 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden. Tabel 1.39 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) 12

dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Afdeling 1.3 Saneren Artikel 1.40 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing op het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. waarde toelaatbare kwaliteit bodem: de waarde, bedoeld in artikel 22.30 van dit omgevingsplan, in samenhang met artikel 1.2, derde en vierde lid, van dit voorbereidingsbesluit. d. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Artikel 1.41 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem vindt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de plek van het gebouw. 2. Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in tabel 1.41 opgenomen vluchtige stoffen. 3. De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 1.44 van dit voorbereidingsbesluit houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging. Tabel 1.41 Vluchtige stoffen 13

a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Artikel 1.42 Geen mobiele verontreiniging herschikken 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 1.42 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1° 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze mobiele stoffen. Tabel 1.42 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 14

1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen Minerale olie Artikel 1.43 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Afdeling 1.4 Maatwerk Artikel 1.44 Maatwerk 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de afdelingen 1.2 en 1.3 van dit voorbereidingsbesluit. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 1.2 en 1.3 van dit voorbereidingsbesluit. 3. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; of c. het doelmatig beheer van afvalstoffen. 4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

15

BIJLAGE I bij artikelen 1.6, 1.8, 1.10, 1.17, 1.19, 1.27 en 1.33 van dit voorbereidingsbesluit – zonekaart gemeente Amsterdam

BIJLAGE II bij artikelen 1.8, 1.10, 1.17, 1.19, 1.27 en 1.33 van dit voorbereidingsbesluit: zonekaart openbare weg

16

BIJLAGE III bij artikelen 1.6, 1.9, 1.18, 1.28 van dit voorbereidingsbesluit: Eisen aanleveren resultaten bodemonderzoek in PDF-bestand en XML-bestand Het resultaat van een bodemonderzoek wordt als volgt aan het bevoegd gezag aangeleverd: PDF-bestand: 1 × digitale rapportage in PDF. Het aan te leveren PDF-bestand bevat slechts 1 bodemrapportage. Zijn er meerdere onderzoeken uitgevoerd, dan betekent dit ook aanlevering van meerdere PDF’s. XML-bestand: 1. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. 2. Het XML-bestand voldoet aan de verplichte velden van de basisdataset SIKB0101, aangevuld met analysedatum bij de analysegegevens. 3. Eén XML-bestand per uitgevoerd bodemonderzoek. XML-bestanden waarbij een van de volgende situaties van toepassing is, voldoen niet: - onderzoeksgegevens van één bodemonderzoek die zijn gespreid over meerdere XML-bestanden of; - onderzoeksgegevens van meerdere bodemonderzoeken die zijn samengevoegd tot één XML-bestand. 4. Gegevens zijn identiek aan de informatie zoals die in het Pdf-bestand staat vermeld (Alle meetpunten staan op dezelfde plek als op de kaart in PDF); 5. Analyses die in het veld worden uitgevoerd worden zijn onderdeel van het XML-bestand. Bijvoorbeeld XRF-analyses voor lood; 6.

Het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk als de basisdataset onderzoeksgegevens en is minimaal gevuld met de gegevens uit volgende tabel: Tabel met minimale dataset XML-bestand Onderdeel Gegevens per onderdeel Rapportgegevens

Meetpuntgegevens

Monstergegevens

• rapportnaam: straat + huisnummer + plaatsnaam bijv. Dam 1, Amsterdam • type onderzoek; • aanleiding, conclusie en vervolg; • naam adviesbureau; • rapportnummer; • rapportdatum; • naam laboratorium. • boringnaam; • boringtype; • bodemlaag; • einddiepte boring in meter; • grondwaterstand in meter; • filter: - filternaam; - filterdiepte (diepte bovenkant en diepte onderkant in meter); • X en Y en Z coördinaten (in meter t.o.v. NAP). • veldmonster (volledig); • analysemonster (volledig); 17

Analysegegevens

Eventuele opmerkingen of toelichting in een aantekeningenveld Koppeling mengmonsters aan geo-referentie van de meetpunten De contour van het onderzoeksgebied

• naam (meng)monster; • monstertype (bodem/sediment/asfalt/verharding); • (meng)monstersamenstelling; • (meng)monsterdiepte (diepte bovenkant en diepte onderkant in meter). • component; • analyseresultaat; • eenheid analyseresultaat; • referentiewaarde (meetwaarde, detectielimiet, etc.); • analysedatum; Bijvoorbeeld over geurwaarnemingen, vervolgtraject, aanbevelingen, enz. Voor alle mengmonsters geldt dat alle analyseresultaten gekoppeld zijn aan de veldmonsters (in meter t.o.v. NAP) waaruit het mengmonster is samengesteld. Dat geldt ook voor asbest. Geografische contour van het onderzoeksgebied (met X en Ycoördinaten). Opmerking: Bij een riool- of wegtracé bestaat de contour enkel uit de grenzen van het riool- of wegtracé. Hierdoor wordt voorkomen dat naastgelegen woningen en/of terreinen onterecht bij het onderzoek worden gerekend.

Toelichting Algemeen deel Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat er van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan voor de gemeente Amsterdam. Dit omgevingsplan bevat onder meer de bruidsschat: regels over onderwerpen die op dit moment nog bij het rijk liggen, maar onder de Omgevingswet bij de gemeente komen te liggen. Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming en het overhevelen van bodemtaken naar alle gemeenten, bevat de bruidsschat diverse regels over bodemgerelateerde activiteiten. De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan komen op een aantal punten niet overeen met de (beleids)regels zoals deze zijn vastgelegd in de voormalige Nota bodembeheer. Om zo beleidsneutraal mogelijk over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn beleidsneutrale aanvullende bodemregels opgesteld (hierna: aanvullende bodemregels). Dit zijn maatwerkregels en omgezette bruidsschatregels die in het omgevingsplan worden opgenomen. Hierbij wordt rekening gehouden met de verbeterdoelen van de Omgevingswet. Als de aanvullende bodemregels niet van kracht worden op het moment van het inwerking treden van de Omgevingswet leidt dit (mogelijk binnen 1 kalenderjaar) tot 3 verschillende, elkaar opvolgende, juridische regimes: 1. Het voormalige regime onder de Wet Bodembescherming en Nota bodembeheer; 2.

Het regime van de rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving en het tijdelijke omgevingsplan, vanaf ingangsdatum Omgevingswet (niet beleidsneutraal); 3. Het regime van de rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving en het nieuwe deel van het omgevingsplan waarin de aanvullende bodemregels via een reguliere aanpassing terecht zijn gekomen (beleidsneutraal).

18

Jojo-beleid is ongewenst voor initiatiefnemers omdat de praktische uitvoerbaarheid en planningen van projecten in de knel kunnen komen. Ook zal dit consequenties hebben voor de VTH-processen en voor de gezondheid en het milieu, die onvoldoende beschermd zijn met alleen de rijksregels en de bruidsschat. Zo zijn er door het rijk geen interventiewaarden voor PFAS vastgesteld, en is de interventiewaarde voor lood niet in de lijn met de laatste wetenschappelijke inzichten van RIVM en GGD. Hierdoor kan bij het bouwen van bijvoorbeeld een woning met tuin een ongezonde situatie ontstaan, als er geen aanvullende regels worden gesteld voor PFAS en lood. Om de bestaande praktijk bij inwerkingtreding van de Omgevingswet te kunnen voortzetten (zo beleidsneutraal mogelijk, maar wel passend binnen de verbeterdoelen van de Omgevingswet) wil de gemeente Amsterdam zo snel mogelijk de bodemregels laten gelden. De snelste manier is het nemen van dit voorbereidingsbesluit, waarmee vooruitlopend op een reguliere wijziging van het omgevingsplan alvast aanvullende eisen aan activiteiten kunnen worden gesteld. Dit voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels en treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking. Als in de artikelen en de toelichting wordt gesproken van ‘dit omgevingsplan’, wordt gedoeld op het omgevingsplan zelf, en niet op dit voorbereidingsbesluit.

Artikelsgewijze toelichting Afdeling 1.0 Begripsbepalingen Artikel 1.0 Begripsbepalingen In dit artikel wordt omschreven wat wordt verstaan onder een zone van de Bodemkwaliteitskaart en een zone van de Bodemkwaliteitskaart openbare weg. De Bodemkwaliteitskaart is 6 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad en laatst gewijzigd door het college van Burgemeester en wethouders op 16 november 2022 en geeft de gemiddelde bodemkwaliteit weer. De algemene zonekaart respectievelijk de zonekaart voor de openbare weg uit de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente zoals die luidden op 8 november 2023 zijn in bijlage I bij dit voorbereidingsbesluit respectievelijk bijlage II bij dit voorbereidingsbesluit opgenomen. Op de zonekaarten zijn gebieden in genummerde zones ingedeeld. In dit voorbereidingsbesluit wordt verwezen naar deze zones. Er zijn ook gebieden die op de zonekaart in bijlage I niet zijn ingedeeld in zones omdat er te weinig gegevens beschikbaar zijn over de bodemkwaliteit. Ook naar deze niet-gezoneerde gebieden wordt verwezen in dit voorbereidingsbesluit. Afdeling 1.1 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Artikel 1.1 Uitbreiding begrip sanerende of andere beschermende maatregel Saneren van de bodem is geregeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Bij het saneren volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden ook de maatwerkregels van afdeling 1.3 van dit voorbereidingsbesluit die van de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving afwijken, of deze aanvullen. Voor de toepassing van deze afdeling wordt een sanering onder het oude recht hiermee gelijkgesteld, mits een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt waarmee gezondheidsrisico’s voor de gebruikers voldoende worden weggenomen. Het overgangsrecht voor saneringen staat in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem. Volgens dat artikel blijven de Wet

19

bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen van toepassing op saneringen als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: - een besluit is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is; - een (deel)saneringsplan Wet bodembescherming is ingediend; of - een melding is gedaan volgens het Besluit uniforme saneringen. Met een sanering onder het overgangsrecht kan een vergelijkbaar resultaat worden behaald als met een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zowel een sanering onder het Besluit activiteiten leefomgeving als onder het overgangsrecht is erop gericht dat de gebruikers van het gebouw geen ontoelaatbare schadelijke gezondheidseffecten ondervinden door een verontreiniging van de bodem. Artikel 1.2 Afwijkende en aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie Eerste lid: Om de vergunning te kunnen verlenen moet bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem aannemelijk worden gemaakt dat een sanering als bedoeld in artikel 1.1 van dit voorbereidingsbesluit wordt uitgevoerd. Dit is een sanering volgens de regels onder de Omgevingswet, of een sanering onder het overgangsrecht. Zie verder de toelichting bij artikel 1.1 en artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder b van dit voorbereidingsbesluit.

Tweede lid: In artikel 3.3, eerste lid van de Bouwverordening Amsterdam is opgenomen dat aan de omgevingsvergunning voor bouwen (van een bodemgevoelig gebouw) voorschriften kunnen worden verbonden om de bodem alsnog geschikt te maken. Om een grondslag voor een dergelijk voorschrift in het omgevingsplan te creëren is dit tweede lid opgenomen. Volgens onderdeel 1° van het tweede lid kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen worden verleend als het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is (anders dan bedoeld in het eerste lid) die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw. Als er wel verontreiniging in de bodem aanwezig is (anders dan bedoeld in het eerste lid) die schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel kan de omgevingsvergunning volgens onderdeel 2° ook worden verleend. De maatregelen staan in artikel 1.5, eerste lid, van dit voorbereidingsbesluit genoemd. Het tweede lid werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen. Derde lid: In artikel 22.

30, derde lid van dit omgevingsplan is bepaald dat de grens van 25 m3 uit artikel 22.30, tweede lid, niet geldt voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. Hetzelfde geldt voor de stof lood, met name als er contactmogelijkheden zijn voor jonge kinderen. Dit is echter niet geregeld in artikel 22.30 van dit omgevingsplan. Gelet hierop is voor de stof lood voor tuinen of andere buitenruimtes bij een woning, kinderdagverblijf of school - dit zijn immers plaatsen waar kinderen spelen een aanvullende uitzondering opgenomen op het volumecriterium van 25 m3, zodat deze kwetsbare bodemfuncties beter beschermd worden.

20

Vierde lid: In het vierde lid zijn voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor de stoffen lood en PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) vastgesteld. In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (voetnoot 1), wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Het vierde lid is noodzakelijk vanwege mogelijke schadelijke gezondheidseffecten bij blootstelling aan lood, met name bij jonge kinderen. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. Naar aanleiding van een EFSA-advies (European Food and Safety Authority) heeft het RIVM een rapport opgesteld. De GGD heeft op basis hiervan gezondheidskundige advieswaarden afgeleid. De gemeente volgt het advies van het RIVM en de GGD op locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem (zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school), en hanteert een afwijkende waarde voor lood op basis van de risicowaardes van het RIVM en de GGD. In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast.

Voor het toetsen of sprake is van gezondheidsrisico’s kan het beste van de gemeten waarde wordt uitgegaan. Dit is in lijn met het advies van de GGD over lood. Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden conform bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De schadelijkheid en aanwezigheid van PFAS is de laatste jaren uitdrukkelijk naar voren gekomen. Maar voor PFAS zijn landelijk nog geen interventiewaarden vastgesteld. Om gezondheidsrisico’s te voorkomen en de bodem te beschermen, zijn daarom in het vierde lid waarden vastgesteld op basis van inzichten van het RIVM die zijn vastgelegd in Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV's) voor onder andere PFOS en PFOA. PFOS en PFOA zijn veel voorkomende stoffen uit de PFAS-groep. Er kunnen echter ook verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn met andere PFAS. Het RIVM heeft berekend wat de concentratie van onder andere PFOS en PFOA in de bodem mag zijn, waarbij geen ontoelaatbaar negatief gezondheidseffect te verwachten is (het Maximaal Toelaatbaar Risico, MTR) en deze waarden zijn gebruikt voor de INEV’s. De INEV voor perfluoroctaansulfonaten (PFOS) in grond is vastgesteld op 59 µg/kg ds en voor Perfluoroctaanzuur (PFOA) op 60 µg/kg ds.

De gemeente heeft de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen gelijkgesteld aan deze INEV’s. Voor overige PFAS hanteert de gemeente dezelfde waarde als voor PFOS. Voor mengsels van PFAS wordt aangesloten bij de waarde voor PFOA. Artikel 1.3 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw die is verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, een sanering van de bodem is uitgevoerd. Dit artikel is opgenomen om te waarborgen dat bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem de sanering ook daadwerkelijk plaatsvindt. Hierdoor zijn er handhavingsmogelijkheden als tijdens de bouw bijvoorbeeld geen dampdichte vloer of geen mechanische ventilatie wordt gerealiseerd (bouwkundige maatregelen die onderdeel kunnen uitmaken van een sanering). Hiermee is het ook 21

mogelijk om tijdens de bouw te handhaven, in plaats van alleen nadat er gebouwd is. Dit artikel geeft invulling aan artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 1.4 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: informatieplicht uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw die is verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw het bevoegd gezag een week voor ingebruikname wordt geïnformeerd over de wijze waarop de sanering is uitgevoerd. De termijn van een week geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om voldoende en tijdig toezicht te houden en om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat de bodem of het gebouw geschikt is gemaakt voor het bodemgevoelige gebruik. Dit artikel geeft invulling aan artikel 5.89m van het Bkl. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering (artikel 4.1246). De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen. De termijn van een week is een aanvulling op artikel 22.31 van dit omgevingsplan.

Artikel 1.5 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: geschikt maken van de bodem Eerste lid: Als sprake is van een bodemverontreiniging met niet-genormeerde stoffen die ongewenste gezondheidseffecten kunnen hebben, kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden waarin een of meer maatregelen verplicht worden gesteld met het oog op het alsnog geschikt maken van de bodem of het gebouw. Deze maatregelen voorkomen dat gebruikers van het gebouw aan een ongezonde situatie worden blootgesteld en zijn vergelijkbaar met de saneringsmaatregelen genoemd in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Tweede lid: In dit lid is de verplichting voor de initiatiefnemer opgenomen om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de maatregelen (als bedoeld in het eerste lid) zijn genomen. Artikel 1.6 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Dit artikel bevat, in aanvulling en afwijking van artikel 22.35, onder j, van dit omgevingsplan, de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

De aanvraagvereisten in dit artikel zijn aanvullend op de aanvraagvereisten in afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling. Met dit artikel is een beleidsneutrale voortzetting beoogd van de regels over bouwen van een bodemgevoelig gebouw in artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de Bouwverordening Amsterdam. Eerste lid, onder a: Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de

22

toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden. Er kan ook sprake zijn van nietgenormeerde stoffen, waarvoor wel een detectiegrens is bepaald, maar geen interventiewaarde. Eerste lid, onder b: Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanering zal plaatsvinden. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd. Tweede lid: In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal (juridisch is dan geen sprake van bodem), wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.

Derde lid: Voordat de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt uitgevoerd, wordt eerst onderzocht of de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, verdacht is op het voorkomen van een specifieke bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Het uitgangspunt van het Besluit activiteiten leefomgeving is dat als uit het uitgevoerde vooronderzoek bodem een verdenking naar voren komt op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, een verkennend bodemonderzoek (en eventueel een asbestonderzoek) moet worden uitgevoerd. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron. In dit lid is opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het verplicht is om in bepaalde gebieden een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging naar voren komt. Dit is een voortzetting van het bepaalde in de Bouwverordening Amsterdam over bodemonderzoek bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13372846/2