CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 NRD planMER windenergie Amsterdam

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 20 maart 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van het Collegebesluit met als onderwerp “Vaststellen van het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER Programma Windenergie Amsterdam (VN2025-002769)25.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bosch & van Rijn

Auteurs

Opdrachtgever

Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466

Marlin ter Huurne Steven Velthuijsen

Gemeente Amsterdam

Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER windenergie Amsterdam

Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER windenergie Amsterdam

Datum

2 februari 2023

Versie

2.3

Auteur

Marlin ter Huurne

Tweede lezer

Steven Velthuijsen

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2023 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER t.b.v Windenergie Amsterdam

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12 3.13 3.14 3.15

HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

BIJLAGE A A.1 A.2 A.3 A.4 A.5

INLEIDING

3

Aanleiding Doel van NRD en MER Reikwijdte van het planMER M.e.r.-procedure Leeswijzer

3 5 6 7 10

ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN

11

Inleiding Voorgenomen activiteit Zoekgebieden Referentie-windturbinetypes Belemmeringenanalyse Locatiealternatieven Beoordeling van locatiealternatieven Optimalisatiealternatieven Referentiesituatie

11 11 12 13 14 16 18 18 19

EFFECTBEOORDELING

21

Inleiding Milieuthema’s Leefomgeving: geluid & gezondheid Leefomgeving: slagschaduw Externe veiligheid Ecologie Bodem en water Archeologie Landschap en cultuurhistorie Recreatie Energieopbrengst en vermeden emissies Netinpassing Leemten in kennis Mitigerende maatregelen Monitoringsmaatregelen

21 21 22 27 28 30 36 37 38 41 42 43 43 43 44

PARTICIPATIEPROCES

45

Het proces tot nu toe Input uit document ‘Signalen uit de Stad’ Input uit expertadviezen Input uit aangenomen moties Het verdere proces

45 46 53 59 61

BELEIDSKADER

63

Inleiding Europees en rijksbeleid Regionaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

63 63 64 64 67

Inleiding 2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding De gemeente Amsterdam wil een bijdrage leveren aan de Nederlandse en regionale klimaatambities door in 2050 een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en circulaire stad te zijn. Er wordt als tussendoel gestreefd naar een CO2-reductie van 55% in 2030. Onderdeel van deze ambitie is om voor 2030 ten minste 127 MW opgesteld vermogen aan windturbines te realiseren. In het tweede kwartaal van 2022 was er in Amsterdam reeds 75 MW aan opgesteld vermogen. Om deze ambitie te behalen, dient er daarom ten minste 52 MW te worden gerealiseerd als aanvulling op de bestaande windturbines. In 2020 heeft de gemeenteraad de concept-RES (Regionale Energiestrategie) Amsterdam en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 vastgesteld. De ambities vanuit de concept-RES Amsterdam zijn onderdeel van de Routekaart. In de concept-RES heeft de gemeenteraad zeven voorkeursgebieden voor windenergie en een extra zoekgebied aangewezen waar de ambitie van ten minste 127 MW vermogen gerealiseerd moet worden. Aan de bepaling van deze zoekgebieden voor windenergie liggen technische haalbaarheidsonderzoeken, globale ruimtelijke onderzoeken in het kader van natuur, landschap en het elektriciteitssysteem en maatschappelijke acceptatie en draagvlak ten grondslag (conform het nationaal afwegingskader RES). In 2021 is de RES 1.0 van Noord-Holland Zuid (RES 1.0 NHZ) vastgesteld.

Hierin heeft de gemeente Amsterdam een bod gedaan om in 2030 ca. 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteit op te wekken, waarvan tenminste 127 megawatt opgesteld vermogen windenergie. In de RES 1.0 NHZ zijn de zoekgebieden voor windenergie uit de concept-RES verkleind door een grens van ten minste 350 meter te hanteren vanaf geluidsgevoelige objecten zoals woningen. Daarnaast heeft in de RES 1.0 prioritering van de zoekgebieden plaatsgevonden in voorkeursgebieden, reservegebieden en extra reservegebieden (Figuur 1). Wanneer de ambitie niet kan worden gehaald in de voorkeursgebieden, kunnen de reserve- en extra reservegebieden worden ingezet. Voor de verdere afbakening is prioriteit gegeven aan de clustering van windturbines langs of bij infrastructuur en bedrijventerreinen. Dit betekent niet dat solitaire windturbines of turbines buiten infrastructuur/bedrijventerreinen zijn uitgesloten. Per zoekgebied is een belangenafweging gemaakt. Per zoekgebied - in relatie tot alle zoekgebieden -: - is een afweging gemaakt tussen natuur- en milieubelangen, gebaseerd op een eerder uitgevoerde quickscan en de inbreng van verschillende belangengroepen; - zijn de mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing meegenomen; - zijn de zorgen en de belangen van omwonenden en belanghebbenden meegenomen;

Inleiding

3

- zijn de adviezen van de stadsdelen en de belangen van de netbeheerder in relatie tot elkaar en de gestelde ambitie afgewogen. Figuur 1

De aangepaste kaart windzoekgebieden uit de RES 1.0 Noord-Holland Zuid. Hierin zijn de voorkeursgebieden (in groen), reservegebieden (in geel) en extra reservegebieden (in rood) weergegeven. Locaties waar reeds een concreet initiatief voor een windpark loopt (Noorder IJ-plas/Cornelis Douwesterrein en RWZI Westpoort) worden als autonome ontwikkeling beschouwd en vallen daarmee buiten de reikwijdte van het planMER.

Na de vaststelling van de RES 1.0 heeft een reflectiefase plaatsgevonden, waarin o.a. tijdens diverse omgevingssessies zorgen en behoeften zijn opgehaald rondom de realisatie van windturbines in de gemeente Amsterdam. Tijdens de reflectiefase is het document ‘Signalen uit de Stad’ opgesteld, waarin de uitkomsten, zorgen en conclusies van de maatschappelijke discussies zijn beschreven. Ook is aan de gemeenteraad toegezegd om richtlijnen voor participatie, samenwerking en sturing op te stellen. Het document ‘Signalen uit de Stad’ is vastgesteld in 2022 door de gemeenteraad van Amsterdam. Tijdens de reflectiefase zijn verschillende klankbordgroepen en de expertgroepen Natuur en Gezondheid opgezet, die hun zorgen en behoeften hebben geuit en advies hebben uitgebracht voor de vervolgfase. Naar aanleiding van de reflectiefase is besloten om een plan-milieueffectrapport (planMER) op te stellen, dat gekoppeld wordt aan een nieuw ruimtelijk besluit, zoals bedoeld in de Omgevingswet, het Programma Windenergie Amsterdam. In het planMER worden de milieueffecten van windenergie in verschillende onderzoekslocaties in kaart gebracht om verschillende onderzoekslocaties met elkaar te vergelijken. De onderzoekslocaties komen tot stand door enerzijds de zoekgebieden uit de RES te beschouwen (Figuur 1) en anderzijds een belemmeringenanalyse uit te voeren.

Bij de besluitvorming over het Programma Windenergie Amsterdam

Inleiding

4

vindt de integrale belangenafweging plaats, waarbij de milieueffecten in het planMER, maar ook andere belangen, zoals de mogelijkheden voor deelname in een energiecoöperatie, worden meegewogen. Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is de eerste stap in de procedure van de milieueffectrapportage.

Tabel 1

Begrippenlijst

Begrip

Toelichting

m.e.r.

De milieueffectrapportageprocedure (m.e.r.) is een instrument en hulpmiddel voor besluitvorming volgens een vastgelegde wettelijke procedure en met wettelijke vastgelegde participatie- en/of inspraakmomenten. M.e.r.-plichtige activiteiten (plannen en projecten) zijn activiteiten waarvoor het opstellen van een milieueffectrapport vanuit de wet verplicht is. Alle plannen (zoals bestemmingsplannen, structuurvisies en omgeving’programma's) die windparken mogelijk maken zijn plan-m.e.r.-plichtig. Voor wat betreft de project-m.e.r.-plicht geldt dat wettelijk gezien alleen windparken met meer dan 20 windturbines project-m.e.r.-plichtig zijn. Het milieueffectrapport (afkorting: MER) is het eindproduct van de m.e.r.-procedure. Binnen de m.e.r. wordt onderscheid gemaakt tussen een planMER en een projectMER. Een planMER betreft de onderbouwing van een plan en ondersteunt de overheid bij strategische afwegingen (bv. bestemmingsplan of structuurvisie). Een projectMER betreft de onderbouwing van een concreet project en vormt een bijlage bij de vergunningaanvraag. Het detailniveau van aan projectMER is hoger dan van een planMER, omdat er meer en concretere informatie bekend is ten tijde van het opstellen. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) betreft de eerste stap in de (plan)m.e.r..

Dit document beschrijft voorafgaand aan de procedure de inhoud van het onderzoek (reikwijdte) en met welke diepgang (detailniveau) dit wordt onderzocht. Programma Windenergie Amsterdam (PWA) is het ruimtelijke besluit van de gemeente Amsterdam dat in ontwikkeling is. Het planMER dient ter onderbouwing van het programma zoals bedoeld in de Omgevingswet voor windenergie in Amsterdam Regionale Energiestrategie

m.e.r.plichtige activiteiten

MER planMER en ProjectMER

NRD

PWA

RES

1.2

Doel van NRD en MER Het doel van het opstellen en publiceren van een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) is betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de afbakening en diepgang (reikwijdte en detailniveau) van het op te stellen milieueffectrapport (MER) dat wordt opgesteld voor de gemeente Amsterdam. Met de terinzagelegging van de NRD wordt betrokkenen en belanghebbenden de gelegenheid geboden een reactie te geven die kan worden meegenomen bij de uitvoering van de onderzoeken in het kader van het MER. Er is ook een publiekssamenvatting beschikbaar. De NRD inclusief de binnengekomen en uitgewerkte zienswijzen vormen de definitieve basis voor de uitvoering van de onderzoeken in het kader van het MER. Formeel heeft een MER als doel om ‘het milieubelang volwaardig mee te laten wegen in de besluitvorming’. Voor de gemeente Amsterdam vertaalt dit zich in de volgende concrete doelen:

Inleiding

5

1. Mogelijkheden voor en milieueffecten van grootschalige windenergie in verschillende zoekgebieden in Amsterdam in kaart brengen. 2. Onderbouwing bieden bij de totstandkoming en uitwerking van de uitvoeringsmaatregelen en randvoorwaarden voor het Programma Windenergie Amsterdam. 3. Aanbevelingen geven voor onderzoeksopgaven voor de uitwerking van concrete projecten in Omgevingsplannen en Omgevingsvergunningen en daarbij behorende projectMER-ren. 4. Bereiken van transparantie in besluitvorming en het creëren van een mogelijk breder maatschappelijk draagvlak.

1.3

Reikwijdte van het planMER Een programma is één van de zes kerninstrumenten onder de Omgevingswet (Ow). Een programma onder de Omgevingswet bevat: a) een uitwerking van het te voeren beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming of behoud van de leefomgeving en b) maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit (Ob) staat de procedure voor het vaststellen van een programma beschreven. De Omgevingswet is nog niet in werking,1 maar vooruitlopend daarop kan een programma vastgesteld worden (art. 4.11 Invoeringswet Omgevingswet). Deze gaat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als een programma in de zin van de Omgevingswet als deze aan de vereisten van een programma voldoet. Op basis van de Omgevingswet kan een plan-m.e.r.-plicht van toepassing zijn. Deze plan-m.e.r.-plicht is van toepassing als het programma het kader vormt voor m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten en besluiten die aangewezen zijn in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). De ontwikkeling van windenergie is genoemd in bijlage V Ob in categorie C2. Afhankelijk van de grootte van het windturbinepark geldt een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met 20 of meer windturbines geldt een directe m.e.r.-plicht. Voor oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met drie of meer windturbines geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook wanneer een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) benodigd is voor het programma, treedt plan-m.e.r.-plicht op. Een passende beoordeling wordt uitgevoerd wanneer voor een plan of project geldt dat significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van de activiteit beschreven en beoordeeld. Er is naar aanleiding van de reflectiefase na vaststelling van de RES besloten een planMER op te stellen, zodat een nadere afweging en prioritering van zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam kan plaatsvinden. Het programma is het meest geschikte type besluit om het plan-MER aan te koppelen, met name omdat daarin 1

Inleiding

De Omgevingswet treedt mogelijk op 1 juli 2023 in werking.

6

ook diverse uitvoeringsmaatregelen kunnen worden opgenomen. Voor vervolgbesluiten voor windturbines wordt in Amsterdam de m.e.r.-beoordelingsfase overgeslagen en wordt meteen een projectMER uitgevoerd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de resultaten uit het planMER en de gemaakte keuzes in het Programma Windenergie Amsterdam. De onderzochte zoekgebieden uit de RES 1.0 worden op dezelfde manier in het MER onderzocht en beoordeeld, ongeacht hun status als voorkeursgebied, reservegebied of extra reservegebied. Tevens wordt met behulp van een belemmeringenanalyse onderzocht in hoeverre er buiten de RES-gebieden nog andere plekken binnen de gemeente zijn waar windenergie op milieutechnische gronden zou passen. Zie voor de aanpak van deze analyse paragraaf 2.5. Op deze manier helpt het MER om zeker te zijn dat er geen geschikte alternatieve locaties over het hoofd worden gezien.

1.4

M.e.r.-procedure

1.4.1

Juridische grondslag m.e.r.- procedure Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) vervalt de huidige wetgeving waarin MER en m.e.r.-(beoordelings)procedures zijn geregeld. Het huidig wettelijk kader bestaat uit de Wet milieubeheer (Wm), het Besluit milieueffectrapportage en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarvoor in de plaats komt een nieuw wetgevingsstelsel. Met de invoering van de Omgevingswet (naar alle waarschijnlijkheid) per 1 juli 2023 worden procedurele regels vereenvoudigd. In tegenstelling tot de huidige limitatieve opsomming van kaderstellende planm.e.r.-(beoordelings)plichtige plannen, kent de Ow conform de Smb2-richtlijn een algemene omschrijving. Het programma is in de Ow genoemd als een ‘in ieder geval’ plan-m.e.r.-plichtig plan (art. 16.34, tweede lid, Ow). Daarnaast bestaat en bestond een directe plan-m.e.r.-plicht voor plannen en programma’s als tevens een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor moet worden gemaakt. Het Programma Windenergie Amsterdam is een Programma dat kaderstellend is voor m.e.r-beoordelingsplichtige activiteiten (windparken) en zodoende planm.e.r-plichtig. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit bevat de regelgeving over de milieueffectrapportage.

Het doel van milieueffectrapportage (MER) is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor dit van toepassing is, zijn gegeven in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). De vereisten van de inhoud van een planMER staat beschreven in artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit. De aparte kennisgeving van het voornemen een MER op te stellen en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op het voornemen tot het opstellen van een MER, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm), zijn niet opgenomen in de Omgevingswet en/of Omgevingsbesluit. Omdat voor m.e.r. geen overgangsrecht is geregeld, en de procedure nu start, wordt die kennisgeving wel gedaan. Daarnaast 2

Inleiding

Smb: strategische milieubeoordeling

7

is de voorfase vereist vanuit het gemeentelijke participatiebeleid. Als de huidige mer-procedure doorlopen wordt, voldoet deze tevens aan de vereisten van de Omgevingswet. In het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met: a. het milieueffectrapport; en b. het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie. m.e.r.) Daarnaast bevat het programma in ieder geval (artikel 11.4 Ob/art. 7.14 Wm): c. een samenvatting van de milieuoverwegingen die zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma; d. een samenvatting van de redenen om te kiezen voor het vastgestelde plan of programma, waarbij in ieder geval de in het milieueffectrapport beschreven redelijke alternatieven worden betrokken; e. de monitoringsmaatregelen; f. hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Tevens hoe invulling is gegeven aan het gemeentelijke participatiebeleid (artikel 10.8 Ob).

1.4.2

Betrokken partijen Over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie in het milieueffectrapport raadpleegt het bevoegd gezag de bestuursorganen en instanties. Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van de NRD en het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren. Initiatiefnemer De initiatiefnemer van het planMER t.b.v. windenenergie Amsterdam is de gemeente Amsterdam. Bevoegd gezag Het college van B en W van gemeente Amsterdam is het bevoegd gezag om het beoogde Programma Windenergie Amsterdam vast te stellen. (Het PWA zal tevens aan de gemeenteraad worden voorgelegd). Dat maakt het college tevens bevoegd gezag voor het planMER. Tot 5 MW is momenteel de gemeente bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (met bijbehorend projectMER) en tussen 5-100 MW is de provincie bevoegd gezag (Elektriciteitswet, 1998). Aangezien de verwachting is dat de meeste nieuwe windparken in Amsterdam een groter vermogen dan 5 MW hebben, is de provincie Noord-Holland bevoegd gezag voor het afgeven van omgevingsvergunning(en) bouw en exploitatie voor windparken. De vergunningverlening is hiervoor gemandateerd aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De gemeente Amsterdam wordt dan om advies gevraagd.

De inhoud van het programma wordt afgestemd met de provincie zodat de vergunningverlening hiermee in lijn is. Voor de grote wateren, zoals het Marker- en IJmeer is Rijkswaterstaat het bevoegd gezag en niet de provincie Noord-Holland. Overlegpartners

Inleiding

8

Alle adviseurs en bestuursorganen die op grond van de Omgevingswet/Wet milieubeheer een rol hebben worden betrokken. Dit zijn in elk geval provincie Noord-Holland, Rijkswaterstaat, Liander, Gasunie, Samenwerkingspartners RES, buurgemeenten, Staatsbosbeheer, Waternet, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), GGD, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Daarnaast wordt de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) nauw betrokken. Conform de gemaakte werkafspraken geeft de SARA advies op de conceptversie van de NRD voorafgaand aan de ter visie legging. Figuur 2

Ligging van de buurgemeenten ten opzichte van de gemeente Amsterdam en de RES-zoekgebieden daarbinnen.

Commissie voor de milieueffectrapportage De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie. m.e.r.) beoordeelt zowel de concept NRD als het MER na publicatie op juistheid en volledigheid. Op grond van de m.e.r.-wetgeving is toetsing van het MER door de onafhankelijke Cie. m.e.r. verplicht. De Cie. m.e.r. brengt advies uit aan het bevoegd gezag. Overige belanghebbenden In de fase van de tervisielegging van deze concept NRD heeft eenieder de mogelijkheid zienswijzen kenbaar te maken via schriftelijke reacties. Tijdens de terinzagelegging wordt ook een informatiemoment georganiseerd. In Hoofdstuk 4 staat beschreven hoe het participatieproces tot nu toe is uitgevoerd en hoe met de opgehaalde input uit het document Signalen uit de stad, de adviezen van de Expertgroepen gezondheid en natuur, de amendementen en moties wordt omgegaan in het planMER en/of het Programma Windenergie Amsterdam.

Inleiding

9

1.5

Leeswijzer Voorliggende notitie bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen activiteit en de alternatieven. Hoofdstuk 3 gaat in op de te onderzoeken onderwerpen en de te hanteren beoordelingscriteria. In Hoofdstuk 4 wordt een overzicht gegeven van het participatieproces tot nu toe en hoe met de input uit gevraagde adviezen en vastgestelde stukken wordt omgegaan. Bijlage A bevat het beleidskader.

Inleiding

10

Hoofdstuk 2 Activiteit en alternatieven 2.1

Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de activiteiten en alternatieven voor het planMER Windenergie Amsterdam. De ambitie is om voor 2030 tenminste 127 MW opgesteld vermogen windenergie te realiseren. In Q1 2021 staan 28 windturbines in Amsterdam met een gezamenlijk vermogen van 75 MW. De resterende opgave tot 2030 is daardoor tenminste 52 MW aan windenergie. Hiervan is reeds een deel vergund (RWZI Westpoortweg, 9,2 MW). Tevens is er een initiatief in voorbereiding (Noorder IJplas / Cornelis Douwesterrein, ca. 10-15MW). Het planMER onderzoekt de milieueffecten van de activiteit en vergelijkt de verschillende zoekgebieden met elkaar (en met de referentiesituatie). De resultaten van dit milieueffectenonderzoek zullen dienen als input voor het Programma Windenergie Amsterdam. In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de referentiesituatie, de voorgenomen activiteit, de totstandkoming van het basisalternatief en locatiealternatieven.

2.2

Voorgenomen activiteit De voorgenomen activiteit betreft het opwekken van elektriciteit met behulp van windturbines in de gemeente Amsterdam. Met windturbines wordt duurzame elektriciteit geproduceerd, waarbij één windturbine jaarlijks ca. 10-20 GWh elektriciteit kan produceren, wat gelijk staat aan het elektriciteitsverbruik van ca. 3.000 - 6.000 huishoudens. De specifieke productie is afhankelijk van de grootte van de windturbine en de omstandigheden op de exacte locatie. Om een realistisch beeld te krijgen van de moderne windturbines worden in het MER grote, gangbare windturbines beschouwd. De milieueffecten worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van een referentiewindturbines met een tiphoogte van 130, 145, 212 en 240 meter, afhankelijk van de bouwhoogtebeperkingen in de verschillende delen van de gemeente als gevolg van Schiphol. In het planMER worden de milieueffecten op hoofdlijnen beoordeeld, zodat een goede vergelijking tussen de gebieden kan worden gemaakt. Het feit dat in het planMER een bepaalde tiphoogte wordt onderzocht, betekent niet dat met de toekomstige ruimtelijke plannen of omgevingsvergunningen enkel windturbines van deze omvang mogelijk zijn. Het onderzoek is hierbij indicatief en representatief voor de huidige stand der techniek.

In het kader van het planMER is het niet doelmatig om per zoekgebied verschillende afmetingen windturbines te onderzoeken gezien het hier om vergelijking van gebieden gaat. Verdiepend onderzoek naar milieueffecten van verschillende mogelijke inrichtingen per gebied vindt in een later stadium plaats. Het planMER wordt gekoppeld aan het Programma Windenergie Amsterdam onder de Omgevingswet. De resultaten van de milieuonderzoeken naar de effecten van windenergie in de verschillende mogelijke zoekgebieden dienen om een afweging

Activiteit en alternatieven

11

van zoekgebieden te kunnen maken. Het planMER dient ter onderbouwing van het Programma, waarin uitvoeringsmaatregelen en randvoorwaarden voor windenergie worden beschreven. Hier dient bij de uitwerking van concrete windenergie projecten rekening mee te worden gehouden (projectMER).

2.3

Zoekgebieden Het MER vergelijkt de milieueffecten van windturbines op verschillende onderzoekslocaties met elkaar. Deze onderzoekslocaties komen tot stand door enerzijds de zoekgebieden uit de RES te beschouwen (groene, gele en rode locaties in Figuur 3) en anderzijds een belemmeringenanalyse voor heel Amsterdam uit te voeren om deze locaties nader in te perken en zeker te stellen dat geen geschikte locaties over het hoofd worden gezien.

Figuur 3

Zoekgebieden voor zonne- en windenergie uit de RES (Bron: RES 1.0 NHZ).

Zie voor een toelichting van de werkwijze voor de uit te voeren belemmeringenanalyse paragraaf 2.5. Afstemming met buurgemeenten De zoekgebieden voor windenergie binnen de gemeente Amsterdam liggen in de nabijheid van een aantal buurgemeenten, zoals Amstelveen, Diemen, Gooise Meren, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan en Zaanstad. Dit planMER onderzoekt weliswaar enkel zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam onderzocht, maar kijkt voor wat betreft de milieueffecten ook buiten de gemeentegrenzen.

Activiteit en alternatieven

12

In sommige gevallen hebben de buurgemeenten zelf ook windenergie-zoekgebieden nabij Amsterdam. De gemeente Amsterdam onderhoudt nauw contact met de buurgemeenten. Zie ook de paragraaf over autonome ontwikkelingen en stadsontwikkelingen (2.9).

2.4

Referentie-windturbinetypes De beoordeling maakt gebruik van representatieve windturbinetypes, zoals die momenteel verkrijgbaar zijn. Daarbij is gekozen om een zo groot mogelijk windturbinetype te beschouwen, om de effecten worst-case in beeld te brengen.3 De afmetingen worden vooral begrensd door de bouwhoogtebeperkingen vanuit Schiphol. Deze beperkingen zijn complex van aard, doordat sommige vlakken als hardere belemmering kunnen worden beschouwd dan andere. Daarbij gaat dit MER uit van dezelfde uitgangspunten als het onderzoek dat adviesbureau to70 uitvoerde ten behoeve van de RES zoekgebieden Noord-Holland Zuid4. Er zijn bepaalde hoogtes die over grote delen van de gemeente niet overschreden mogen worden vanwege de bouwhoogtebeperkingen. De belangrijkste zijn:  146 meter ter plaatse van obstacle limitation surfaces (OLS) en  213 meter ter plaatse van de minimumhoogte voor het geven van koersinstructies (MVA, of Minimum Vectoring Altitude). Daarom hanteert het MER afmetingen die net onder deze maximale bouwhoogtes vallen als referentiewindturbinetypes voor de betreffende gebieden. Voor die delen van de gemeente waar geen bouwhoogtebeperkingen gelden beschouwt het MER een representatieve tiphoogte van 240 meter.

Op dit moment staan er nog maar weinig windturbines van deze afmetingsklasse in Nederland, maar dergelijke afmetingen zijn wel commercieel verkrijgbaar en worden veelal toegepast in recente ruimtelijke procedures voor nieuwe windparken. Voordeel van dergelijke afmetingen is dat zulke grote windturbines efficiënter elektriciteit produceren en een groter vermogen hebben, waardoor er minder windturbines nodig zijn om aan de gemeentelijke doelstelling te voldoen.

3

4

Grote windturbines maken niet per se meer geluid dan kleine, en grotere windturbines staan verder uit elkaar. Daarom zal het MER een gevoeligheidsanalyse bevatten van de geluidseffecten van windturbines van verschillende afmetingen. Globaal onderzoek RES zoekgebieden Noord-Holland Zuid, to70 Aviation Consultants, april 2021.

Activiteit en alternatieven

13

Figuur 4

Schematische voorbeeld van de gehanteerde referentie-afmetingen.

De afmetingen die in het Havengebied onderzocht gaan worden zijn nog niet bekend, maar worden in het MER bepaald, omdat dit maatwerk vraagt dat gebaseerd is op de belemmeringenanalyse.

2.5

Belemmeringenanalyse De mogelijkheden voor windturbines worden ruimtelijk beperkt doordat afstand tot verschillende belemmeringen moet worden aangehouden. Deze afstanden volgen uit of zijn afgeleid van wet- en regelgeving. Enkele voorbeelden hiervan zijn de afstand tussen windturbines en woningen (om te kunnen voldoen aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat), hoogspanningslijnen, spoorwegen, buisleidingen etc., en hoogtebeperkingen vanwege Schiphol. Het MER bevat een kaart met al dergelijke belemmeringen. Deze kaart laat zien waar windturbines op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten, en geeft daardoor ook inzicht in de resterende plekken. Om de onderzoekslocaties en dus de locatiealternatieven te bepalen, wordt enerzijds gekeken naar de zoekgebieden uit de RES en anderzijds de belemmeringenanalyse. De belemmeringsanalyse wordt uitgevoerd om tevens andere locaties in beeld te brengen die uit milieutechnisch oogpunt ook moeten worden meegenomen in het milieuonderzoek. Deze kaart met de ruimte voor windenergie, in combinatie met de RES-zoekgebieden, leidt tot de in het MER te onderzoeken onderzoekslocaties. Deze eerste stap zorgt ervoor dat de gemeente zeker weet dat er geen geschikte locaties over het hoofd worden gezien en dat het MER geen technisch onhaalbare locaties meeweegt.

Het MER maakt geen onderscheid in de status van de gebieden (voorkeursgebieden, reservegebieden, extra reservegebieden), maar maakt de milieueffecten van alle gebieden binnen de gemeente op dezelfde manier inzichtelijk. Welke gebieden vervolgens voor windenergie worden aangewezen is geen onderdeel van het planMER (maar van het Programma Windenergie Amsterdam).

Activiteit en alternatieven

14

2.5.1

Aannames De belemmeringenanalyse bevat tenminste de volgende onderwerpen:  Verblijfsobjecten met woon-, zorg-

of onderwijsfunctie, alsmede ligplaatsen en standplaatsen  Overige bebouwing: panden  Rijks-, spoor en vaarwegen  Bouwhoogtebeperkingen Schiphol (zie 2.4)

     

Hoogspanningsinfrastructuur Buisleidingen (zoals aardgasleidingen) Bestaande windturbines Water (enkelbestemming) Overige wegen Waterkeringen

NB. Verblijfsobjecten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie zijn woningen, zorginstellingen, scholen, e.d. die als zodanig aangemerkt staan in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).

Rondom belemmeringen die zich in of nabij de zoekgebieden voor windenergie bevinden, worden minimale afstanden (buffers) aangehouden die volgen uit of zijn afgeleid van wet- en regelgeving. Deze bufferafstanden staan beschreven in Tabel 2. De referentiewindturbines zijn schematisch weergegeven in Figuur 4. Windturbines met dergelijke afmetingen zijn op dit moment gangbaar in de markt (en planvoorbereiding). Tabel 2 Toelichting afstanden harde belemmeringen voor windenergie Belemmering Toelichting In het MER-onderzoek worden onder gevoelige objecten verstaan: objecGevoelige objecten ten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie, alsmede lig- en standplaatsen. Er gelden wettelijk gezien geen minimale afstandseisen tot verblijfsobjecten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie. Om aan in de toekomst te stellen normen voor geluid en slagschaduw te kunnen voldoen, wordt als vuistregel een afstand van 350 meter tot deze verblijfsobjecten gehanteerd. In hoeverre windparken op dergelijk korte afstanden aan strenge geluidnormen kunnen voldoen moet blijken uit het MER. Als onderdeel van het MER worden binnen de zoekgebieden concrete opstellingen ingetekend; hierbij wordt een zo groot mogelijke afstand tot woningen aangehouden. De 350 meter is een absolute ondergrens, die is gekozen om niet aan de voorkant gebieden af te laten vallen zonder naar de precieze aard van dat gebied te kijken.

Ook bij de totstandkoming van de RES-zoekgebieden is 350 meter tot woningen als uitgangspunt gehanteerd. Overige bebouwing: Overdraai boven panden wordt voorkomen. panden Rijkswegen Langs rijkswegen wordt op basis van een Beleidsregel van Rijkswaterstaat plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van een halve rotordiameter, met een minimum van 30 meter uit de rand van de verharding. ProRail hanteert een afstandseis van 11 meter + ½ x rotordiameter (met Spoorwegen een minimum van 30m) vanaf het hart van het buitenste spoor. Voor spoorwegen zonder bovenleiding in het Westpoortgebied is een minimumafstand van 20 meter aangehouden. Rijkswaterstaat staat windturbines toe bij een afstand van ten minste een Vaarwegen halve rotordiameter tot aan de rand van de vaarweg. Echter geldt deze afstand niet als harde eis; ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met Rijkswaterstaat, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, beschouwen wij in het MER alleen de vaarweg zelf als harde belemmering.. Tot provinciale en gemeentelijke wegen gelden geen voorgeschreven miOverige wegen nimumafstanden zoals bij rijkswegen het geval is. Om genoeg ruimte voor windturbines aan te houden wordt toch een korte afstand van 20 meter tot overige wegen ingetekend.

Activiteit en alternatieven

Afstand 350

½ x rotordiameter ½ x rotordiameter

½ x rotordiameter + 11 m 0m

20m

15

Hoogspanningsinfrastructuur

Buisleidingen

Bestaande/geplande windturbines

2.5.2

Er bestaat geen wettelijk kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsleidingen. Tennet heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110 kV tot en met 380 kV. Deze afstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + ½ rotordiameter. Echter geldt deze adviesafstand niet als harde eis; ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met Tennet, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, hanteren wij in het belemmeringenonderzoek een harde afstandseis ter grootte van ½ x rotordiameter. Handreiking Risicozonering Windturbines 2020 houdt voor ondergrondse gasleidingen als risicoafstand de grootste waarde aan van: De tiphoogte De maximale werpafstand bij nominaal toerental Echter geldt deze risicoafstand niet als harde eis; ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met de leidingbeheerder, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, hanteren wij in het belemmeringenonderzoek een harde afstandseis ter grootte van ½ x rotordiameter.. Om een verminderde elektriciteitsopbrengst ten gevolge van een verstoord windaanbod te voorkomen, wordt gerekend met een minimale onderlinge afstand tussen windturbines van 3 maal de rotordiameter.

Ook de windturbines van Westpoortweg en de plannen voor windturbines bij de Noorder IJplas / Cornelis Douwesterrein vallen onder deze categorie.

½ x rotordiameter

½ x rotordiameter

3x rotordiameter

Havengebied Westpoort Het havengebied (Westpoort) heeft een afwijkend karakter van de rest van de gemeente: er vindt veel bedrijvigheid plaats, die onverenigbaar kan zijn met windturbines. Aan de andere kant is het wenselijk om het havengebied goed te benutten voor windenergie, omdat de milieu-impact van windturbines hier minder is dan op andere plekken in de gemeente. In het MER wordt, in nauw contact met het Havenbedrijf, onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor windturbines. De belemmeringen kunnen binnen het havengebied anders zijn dan in de rest van de gemeente, derhalve worden de belemmeringen in het havengebied op basis van maatwerk bepaald. Op deze manier worden er geen potentiële locaties over het hoofd gezien in het Havengebied. Indien in de belemmeringenanalyse binnen het havengebied andere belemmering-afstanden worden gebruikt dan in bovenstaande tabel aangegeven, wordt hier in de MER nadere toelichting op gegeven. Binnen het havengebied wordt, naast de andere belemmeringen, rekening gehouden met de hoogtebeperkingen vanuit de Helihaven (Amsterdam heliport) en de helikopter-routes. Verder worden ‘panden’ niet meegenomen als harde belemmering, aangezien deze onderdeel kunnen worden van een inrichting.

2.6

Locatiealternatieven Onderstaande tabel toont alle zoekgebieden uit de RES 1.0, en de voorgenomen aanpak in het MER: Zoekgebied 1A 1B 2A 2B 3 4A

Activiteit en alternatieven

Naam Havengebied Haven Zuid Noorder IJplas Cornelis Douwes terrein Ring A10 Noord Sciencepark

Meenemen in MER Meenemen in MER Autonome ontwikkeling, apart MER Autonome ontwikkeling, apart MER Meenemen in MER Meenemen in MER

16

4B 4C 4D 5A 5B 5C 6A 6B 7 Extra zoekgebied

Zeeburgereiland Strand/Buiten-eiland Ijburg Baai Diemerscheg Weesperkarspel/Gein Gaasperplas Knooppunt Holendrecht Amstel III Kop Amstelscheg Extra zoekgebied

Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER. Wordt naar verwachting opgesplitst in twee onderzoeksgebieden: Landelijk noord en IJmeer.

Deze lijst is niet limitatief: mocht uit de belemmeringenanalyse blijken dat er nog andere locaties zijn die niet op voorhand om milieutechnische redenen kunnen worden uitgesloten zal ook daar onderzoek gedaan worden naar de milieueffecten van windturbines. Dat betekent niet dat dergelijke gebieden automatisch in beeld komen voor daadwerkelijke plaatsing van windturbines; dat is een keuze die pas in het Programma Windenergie Amsterdam, en (mede) op basis van de resultaten van het planMER, wordt gemaakt. Omgekeerd kan uit de belemmeringenanalyse blijken dat bepaalde zoekgebieden toch geen ruimte blijken te bieden voor windturbines. In dat geval zal het MER hiervan een gedegen onderbouwing bevatten.

2.6.1

Weesp De belemmeringenanalyse beslaat het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam, dus ook de voormalige gemeente Weesp. Het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp in Stadsgebied Weesp valt buiten de scope van eerder vooronderzoek. In de Omgevingsvisie Weesp 2050 (vastgesteld 14 oktober 2021) heeft de toenmalige gemeenteraad uitgesproken dat zij geen windturbines in Weesp wil. De locaties zijn ook niet opgenomen in de RES 1.0 NHZ en vallen daarmee buiten provinciaal beleid (waarin de RES’sen leidend zijn gemaakt). De milieueffecten van windturbines in dit deel van de gemeente Amsterdam worden daarom niet inzichtelijk gemaakt.

2.6.2

Locatiealternatieven en onderzoeksopstellingen Om milieueffecten te kunnen onderzoeken zal het planMER werken met indicatieve opstellingen. Binnen de zoekgebieden worden indicatieve windparken ingetekend met concrete windturbineposities. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale realiseerbare invulling van het aantal windturbines. Elke indicatieve opstelling in een zoekgebied geldt als één locatiealternatief en wordt beoordeeld op alle milieuthema’s (zoals beschreven in Hoofdstuk 3). Alle locatiealternatieven tezamen vormen het Basisalternatief. N.B. Een aantal bestemmingen is niet meegenomen in de belemmeringenanalyse, omdat er geen wettelijke strijdigheid geldt. Denk bijvoorbeeld aan sportvelden en volkstuinencomplexen. De indicatieve opstellingen die in het MER geformuleerd worden zullen wel met deze zaken rekening houden, zodat geen indicatieve opstellingen onderzocht worden die niet realiseerbaar zijn. Daarnaast worden de

Activiteit en alternatieven

17

effecten van windparken op (bijvoorbeeld) recreatieve functies in beeld gebracht. Zie ook de beoordelingscriteria in Hoofdstuk 3.

2.7

Beoordeling van locatiealternatieven Elk locatiealternatief wordt aan dezelfde effectbeoordeling onderworpen. Op deze manier kan een eerlijke vergelijking gemaakt worden tussen de zoekgebieden. De beoordeling volgt uit de doelen van het MER: 1). Milieueffecten en belemmeringen (en mogelijke mitigerende maatregelen) onderzoeken van windenergie in zoekgebieden in Amsterdam. 2). Onderbouwing bieden bij uitwerking van uitvoeringsmaatregelen en randvoorwaarden milieuaspecten PWA. 3). Aanbevelingen voor onderzoeksopgaven voor uitwerking van concrete projecten. Hoofdstuk 3 beschrijft in meer detail hoe de locatiealternatieven worden beoordeeld. De milieueffecten worden in kaart gebracht en beoordeeld voor alle locatiealternatieven. Op basis van de verwachte milieueffecten en de verwachte opbrengst kan de gemeente keuzes maken over de locatiealternatieven waarbij de relatie met het doelbereik (de doelstelling voor opwek van windenergie) bij de besluitvorming wordt betrokken. Locatiealternatieven worden niet beoordeeld met blik op hun sociale of economische effecten. Deze effecten kennen geen onderscheidende beoordelingscriteria voor windenergie, op basis waarvan een locatieafweging kan worden gemaakt. In het participatieproces, dat gelijktijdig loopt met de m.e.r.-procedure, is wel aandacht voor de sociale effecten van de ontwikkeling van windturbines.

Hoofdstuk 4 van de NRD gaat in op het reeds uitgevoerde deel van het participatieproces, de opgehaalde input en het verdere proces.

2.8

Optimalisatiealternatieven Na de effectbeoordeling van de locatiealternatieven (die gezamenlijk het Basisalternatief vormen) worden twee zogenaamde ‘optimalisatiealternatieven’ geformuleerd. Elk optimalisatiealternatief is een bundeling van zoekgebieden waar windturbines kunnen komen, rekening houdend met aanvullende randvoorwaarden. Deze stap is te zien als een gevoeligheidsanalyse op de thema’s Gezondheid en Natuur. Het doel is om inzicht te verkrijgen in knelpunten en mogelijke mitigerende maatregelen op deze belangrijke thema’s. Een vraag die de gemeente Amsterdam hier bijvoorbeeld mee beantwoord wil krijgen is: hoeveel MW aan windenergie is er mogelijk binnen de gemeentegrenzen, als moet worden voldaan aan de standaardwaarde van 42 dB Lden op omliggende woningen? En hoeveel past er als de grenswaarde van 45 dB Lden wordt toegepast? De precieze vorm die deze beide optimalisatiealternatieven krijgen heeft niet direct invloed op de keuzes die in het Programma Windenergie Amsterdam gemaakt worden, maar kan wel bij die keuzes helpen.

Activiteit en alternatieven

18

Ten behoeve van het ‘Optimalisatiealternatief Gezondheid’ wordt per locatiealternatief gekeken welke maatregelen kunnen worden toegepast om de effecten op de gezondheid te verminderen. Uitgangspunt daarbij is dat de geoptimaliseerde opstelling in ieder geval moet voldoen aan de grenswaarde voor geluid van 45 dB Lden, zoals voorgesteld door de expertgroep Gezondheidseffecten windturbines5. Locatiealternatieven die niet kunnen voldoen worden in dit alternatief niet meegenomen. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de locaties kunnen voldoen aan de standaardwaarde van 42 dB Lden. Ten behoeve van het ‘Optimalisatiealternatief Natuur’ wordt per locatiealternatief gekeken welke maatregelen kunnen worden toegepast om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de expertgroep Windturbines en natuur6. Daarbij zal ook aandacht zijn voor de cumulatieve effecten van locatiealternatieven onderling en bestaande/geplande windparken. De locatiealternatieven in deze twee optimalisatiealternatieven worden beoordeeld op alle milieuthema’s om een vergelijking met het Basisalternatief mogelijk te maken. Zo biedt het planMER inzicht in de mogelijkheid tot het toepassen van mitigerende maatregelen, en het effect dat die maatregelen hebben op de opwekpotentie binnen de gemeente.

2.9

Referentiesituatie In het planMER worden de milieueffecten van de windturbines ten opzichte van een zogenoemde ‘referentiesituatie’ beschreven: de situatie waarin de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd. Deze beschrijving is relevant voor de beoordeling van de effecten van de alternatieven, gezien er meer opgaven liggen voor de gemeente. De referentiesituatie wordt gevormd door de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die nog niet gerealiseerd zijn, maar waarop concreet zicht bestaat. Dit betekent dat er sprake moet zijn van voorbereiding van een ruimtelijk plan, besluit of planologische procedure. In het MER worden de milieueffecten onderzocht ten opzichte van de referentiesituatie (de huidige situatie en de autonomie ontwikkelingen).

2.9.1

Autonome ontwikkelingen Voor de gemeente geldt dat er verschillende plannen bestaan om functies te ontwikkelen. Wanneer het gaat om voorzienbare ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor concrete informatie voorhanden is, worden deze meegenomen in de referentiesituatie. Dit betreffen zowel ontwikkelingen in de gemeente Amsterdam, als in omligggende buurgemeenten. Denk bijvoorbeeld aan een reeds vergund windpark (zoals Windpark Westpoortweg) of een vastgesteld bestemmingsplan (zoals Strandeiland IJburg). Ook wordt het initiatief voor windenergie rond de Noorder IJ-Plas en het Cornelis Douwesterrein beschouwd als een autonome ontwikkeling, aangezien de vergunningprocedure voor dit project reeds vergaand in voorbereiding is. Tevens geldt dat voor deze locatie reeds een projectMER is opgesteld, met een hoger detailniveau dan dit planMER, waardoor de milieu-informatie alsnog beschikbaar is.

5 6

Advies expertgroep gezondheidseffecten windturbines, april 2022 Advies expertgroep windturbines en natuur, april 2022

Activiteit en alternatieven

19

2.9.2

Stadsontwikkelingen In het planMER worden milieueffecten van de locatiealternatieven vergeleken met de referentiesituatie (huidige situatie tezamen met de autonome ontwikkelingen). Binnen en nabij de gemeente Amsterdam (buurgemeenten) zijn er ook ontwikkelingen over stedelijke verdichting die formeel nog niet als autonome ontwikkeling worden aangemerkt, omdat er nog geen concrete ruimtelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden, maar die al wel globaal bekend zijn voor de lange termijn. Deze ontwikkelingen volgen uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. In het planMER worden deze ontwikkelingen gezien als ‘stadsontwikkelingen’. Na overleg met de gemeente Amsterdam is besloten om de effecten van windturbines op deze ontwikkelingen en de (on)verenigbaarheid van de locatiealternatieven met de stadsontwikkelingen wel in beeld te brengen (bijvoorbeeld met geluiden slagschaduwcontouren), maar niet op te nemen in de effectbeoordeling (het scoren van de locatiealternatieven op de beoordelingscriteria d.m.v. een vijfpuntsschaal). Op deze manier kan het belang van de stadsontwikkelingen volwaardig worden meegenomen in de belangenafweging voor de voorkeurslocaties in het Programma Windenergie Amsterdam.

Activiteit en alternatieven

20

Hoofdstuk 3 Effectbeoordeling 3.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van toetsing en beoordeling op de milieuthema’s van de locatiealternatieven nader toegelicht. Per milieuthema gaat de NRD in op: - het geldende toetsingskader; - de onderzoeksmethode in het planMER; - eventuele aanvullende onderdelen relevant voor het milieuthema; - de wijze waarop de zoekgebieden worden beoordeeld voor dat thema. De milieuthema’s die worden beoordeeld in het kader van het m.e.r.-proces staan uitgewerkt in paragraaf 3.2.

3.2

Milieuthema’s Voor windenergie wordt een specifiek beoordelingskader opgesteld waarin per alternatief de milieueffecten in kaart worden gebracht, getoetst en beoordeeld. De volgende milieueffecten worden uitgewerkt in het planMER:          

3.2.1

Geluid (incl. gezondheid) (paragraaf 3.3) Slagschaduw (paragraaf 3.4) Externe veiligheid (paragraaf 3.5) Ecologie (paragraaf 3.6) Bodem en water (paragraaf 3.7) Archeologie (paragraaf 3.8) Landschap en cultuurhistorie (paragraaf 3.9) Recreatie (paragraaf 3.10) Energieopbrengst en vermeden emissies (paragraaf 3.11) Netinpassing (paragraaf 3.12)

Wijze van beoordeling De beoordeling van de milieueffecten wordt uitgevoerd op basis van kwalitatieve en/of kwantitatieve gegevens. De milieueffecten van de locatiealternatieven worden ten opzichte van de referentiesituatie en ten opzichte van elkaar beoordeeld en vergeleken. Hierbij wordt de 5-puntschaal gehanteerd uit Tabel 3. In het geval van een kwantitatieve beoordeling worden getalsmatige beoordelingen opgenomen in de beoordelingstabel.

Tabel 3

Effectbeoordeling

5-punts beoordelingsschaal per alternatief

Effect

Beoordeling

Positief effect Beperkt positief effect

++ +

21

Neutraal effect Beperkt negatief effect Negatief effect

0 --

Per locatiealternatief wordt ook aangegeven wat de verwachte energieopbrengst is in GWh en/of TJ per jaar. Hiermee kan worden bepaald in hoeverre een locatiealternatief bijdraagt aan de doelstelling van de gemeente Amsterdam voor de hoeveelheid te produceren energie (doelbereik). Bij de optimalisatiealternatieven (zie 2.8) wordt de verwachte energieopbrengst bij toepassing van mitigerende maatregelen beschouwd en getoetst aan het doelbereik.

3.2.2

Niet-beschouwde aspecten Uit de reflectiefase is een aantal onderwerpen naar voren gekomen waarvan wel gevraagd is om deze te onderzoeken, maar waarvan het bij nader inzien niet nuttig of doelmatig is om deze in het planMER mee te nemen. In Hoofdstuk 4 wordt uitgebreid ingegaan op de milieueffecten die buiten beschouwing worden gelaten in het planMER. Indien van toepassing wordt hierbij aangegeven of deze aspecten meegenomen worden in het Programma of een projectMER. Denk bijvoorbeeld aan onderwerpen als fijnstof (uit eerdere onderzoeken blijkt dat het effect van windturbines op fijnstofconcentraties verwaarloosbaar is) en gezondheidseffecten door lichthinder (verlichting van windturbines is niet anders dan van (bijvoorbeeld) schoorstenen of zendmasten).

3.3

Leefomgeving: geluid & gezondheid Windturbines produceren geluid, dat vaak wordt beschreven als suizend en/of zoemend. Er is veel onderzoek gedaan naar windturbinegeluid en de effecten van blootstelling aan dit geluid.

3.3.1

Toetsingskader Sinds een uitspraak7 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen de landelijke normen voor windturbines (vastgelegd in Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) op het gebied van geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid niet langer worden toegepast op windparken van 3 of meer windturbines. Voor opstellingen van 3 of meer windturbines is er op dit moment, gebaseerd op de uitspraak van de RvS geen landelijke norm. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op lokale situatie toegesneden motivering. Eind 2022 of begin 2023 worden het landelijke planMER en de concept nieuwe regels verwacht. Deze informatie zal worden meegenomen in het MER voor het PWA en biedt de benodigde informatie voor de onderbouwing van gemeentelijke 7

Effectbeoordeling

(ECLI:NL:RVS:2021:1395)

22

normen, voor als nieuwe rijksnormen nog niet in werking zijn getreden op het moment dat het programma wordt vastgesteld en/of de gemeente strengere normen wil hanteren. NB. Expertgroep Advies Gezondheid adviseert over het aanhouden van grenswaarden en standaardwaarden voor geluid en om naar normstellingen toe te werken op basis van karakteristieken van windturbinegeluid. De expertgroep beveelt een standaardwaarde van 42 dB Lden aan en heeft een grenswaarde van 45 dB Lden geadviseerd. Het advies van de expertgroep is bedoeld voor de tijdelijke situatie dat er geen algemene landelijke milieunormen voor nieuwe windturbineparken van toepassing zijn.

3.3.2

Gezondheid Er bestaat een relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. De hinder die mensen ervaren van windturbines kan indirect gezondheidseffecten hebben. Er zijn geen eenduidige onderzoeksresultaten naar slaapverstoring van windturbines. Verder blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat er onvoldoende bewijs is dat het geluid of het wonen nabij windturbines zorgt voor andere gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op mentale gezondheid (RIVM, 2021). In de gemeenteraad van Amsterdam is een motie aangenomen die initiatiefnemers van windenergie verplicht om het thema gezondheid uitgebreid in kaart te brengen. In de raadinformatiebrief van 7 september 2021 is vermeld dat daarvoor een gezondheidseffectscreening (GES) moet worden uitgevoerd. Een GES is een praktische aanpak die wordt gebruikt om de potentiële gezondheidseffecten van beleid, een programma of een project op de bevolking te beoordelen. Voor windturbinegeluid zal een beschouwing van het gezondheidseffect zich toespitsen op het geluid. Daarom is het thema ‘gezondheid’ in dit planMER onderdeel van het bredere thema geluid. Dit MER biedt inzicht in de cumulatieve geluidsbelasting van alle geluidsbronnen samen8 en doet een uitspraak over de milieugezondheidkwaliteit op basis van deze geluidsbelasting.

Daarbij is het goed om te vermelden dat geluid van verschillende bronnen andere hinder veroorzaakt: windturbinegeluid wordt bijvoorbeeld als hinderlijker ervaren dan wegverkeerslawaai. Onderstaande figuur toont de zogenaamde dosis-effectrelaties van verschillende soorten geluid: voor een bepaald geluidsniveau (horizontale as) toont deze grafiek hoe hinderlijk dit geluid wordt ervaren (percentage ernstig gehinderden, verticale as).

8

Effectbeoordeling

Indien geluidsinformatie over nieuwe stijg- en landingsroutes Schiphol bekend is ten tijde van het opstellen van het planMER wordt deze meegenomen.

23

Figuur 5

Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden bij verschillende bronnen (Verheijen, et al., 2009).

Om recht te doen aan dit verschil in hinderlijkheid zijn er rekenregels vastgelegd om geluid van wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en industrie op te kunnen tellen. In het Reken- en meetvoorschrift Windturbines’ is hier een rekenregel voor windturbinegeluid aan toegevoegd. Rekenregels voor cumulatie van verschillende geluidsbronnen, inclusief windturbinegeluid, staan in hoofdstuk 4 van bijlage 4 bij de Activiteitenregeling milieubeheer. De cumulatieve (d.w.z. opgetelde) geluidsbelasting kan op eenzelfde manier worden weergegeven als de individuele geluidsbronnen hierboven. Zie onderstaande figuur. De cumulatieberekening houdt dus rekening met het verschil in hinderlijkheid van verschillende geluidsbronnen: een geluidsbelasting als gevolg van windturbinegeluid van 42 dB Lden telt bijvoorbeeld net zo zwaar mee als een geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai van 49 dB Lden. Tabel 4

Effectbeoordeling

Dosis-effectrelatie van gecumuleerde geluidsbelasting (zwarte lijn). Tevens is in deze figuur de onderverdeling in ‘GES-scores’ opgenomen, die toegepast wordt in een Gezondheidseffectscreening (GES). Een GES-score is een kwalitatieve aanduiding van de milieukwaliteit die zich baseert op de cumulatieve geluidsbelasting.

24

Geluid van windturbines (en ook het cumulatieve geluid) wordt uitgedrukt in dB Lden (‘den’ staat voor Day Evening Night). Dit is de jaargemiddelde geluidsbelasting waarbij geluid in de avond en de nacht zwaarder meeweegt (met straffactoren van +5 dB in de avond en +10 dB in de nacht). De cumulatieve geluidsbelasting op een woning in de omgeving van de locatiealternatieven leidt tot een percentage ernstig gehinderden en een GES-score (zie bovenstaande figuur). Voordeel van deze methode is dat niet alleen de hinder als gevolg van windturbinegeluid, maar ook de bestaande situatie in de beoordeling wordt betrokken.  Voor elk locatiealternatief berekent het MER wat in de referentiesituatie het aantal ernstig gehinderden is, om vervolgens te berekenen wat de toename van dat aantal is als gevolg van de windturbines. Dit is een beoordelingscriterium in het planMER.  Een GES-score hoger dan 6 geeft aan dat het Maximaal Toelaatbare Risico wordt overschreden. Het MER hanteert dan ook het aantal woningen waar als gevolg van de windturbines de GES-score stijgt naar hoger dan 6 als aanvullend beoordelingscriterium. Effecten van overige gezondheidsrisico’s zoals luchtverontreiniging, geur en externe veiligheid op de GES-score worden buiten beschouwing gelaten, omdat de bijdrage van deze thema’s verwaarloosbaar klein is.

Daarnaast is er op voorhand geen aanleiding om nader in te gaan op het aspect slagschaduw in het kader van gezondheid, omdat er geen sprake is van gezondheidseffecten bij een relatief korte duur van slagschaduw van maximaal 17 x 20 minuten per jaar, conform het advies van de expertgroep Gezondheid. Dit milieuaspect wordt in het kader van de MER wel onderzocht en komt in paragraaf 3.4 nader aan bod.

3.3.3

Stiltegebieden Hoewel windturbines in de provinciale Omgevingsverordening niet zijn verboden binnen stiltegebieden veroorzaken zij wel geluid en doen zij daarmee af aan de kwaliteit van een stiltegebied. Daarom beoordeelt het MER de locatiealternatieven op hun ligging ten opzichte van de vastgelegde stiltegebieden.

3.3.4

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Per locatiealternatief berekent het MER de geluidsbelasting als gevolg van de windturbines. Hiervoor wordt de ligging van de geluidscontouren per 1 dB klasse vanaf 37 dB Lden bepaald. 37 dB Lden is een dermate lage immissie dat de windturbines niet of nauwelijks meer hoorbaar zijn, zeker wanneer ook het achtergrondgeluidsniveau wordt meegenomen. Hierdoor wordt het invloedsgebied goed in beeld wordt gebracht. De berekeningen gaan uit van windturbinetypen die representatief zijn voor hun afmetingsklasse. Tevens bevat het MER een gevoeligheidsanalyse in de vorm van een voorbeeldberekening die de geluidsbelasting als gevolg van verschillende afmetingen inzichtelijk maakt.

Effectbeoordeling

25

Het MER brengt het aantal geluidsgevoelige objecten, zoals woningen en onderwijsen zorginstellingen, alsmede woonwagens en ligplaatsen, binnen elk van deze contouren in kaart. Om deze informatie overzichtelijk weer te geven voor de vergelijking tussen de locatiealternatieven worden in het MER drie contouren als beoordelingscriterium aangewezen:  42 dB Lden, zijnde het standaardwaarde-advies van de expertgroep,  45 dB Lden, zijnde het grenswaarde-advies van de expertgroep en de aanbevolen norm voor windturbinegeluid van de Wereldgezondheidsorganisatie en  47 dB Lden, zijnde de landelijke geluidsnorm voor opstellingen van 1 of 2 windturbines, en voorheen de landelijke norm voor alle windparken. Naast deze beoordelingscriteria zal het planMER kaarten bevatten met de geluidscontouren van 37, 40, 42, 45, 47 dB Lden. Naast een absolute beoordeling bevat het MER ook een relatieve beoordeling. Hierbij wordt het aantal woningen gedeeld door de energieproductie van het alternatief. Een alternatief kan immers als geschikter geacht worden op het thema geluid wanneer de energieopbrengst hoger is bij een vergelijkbaar aantal omwonenden. Beoordelingscriteria geluid en gezondheid9

Tabel 5

Thema

Beoordelingscriterium

Methode

Aantal gevoelige objecten binnen 42, 45 en 47 dB Lden geluidcontouren

Geluid

Aantal overige objecten10 binnen 42, 45 en 47 dB Lden geluidcontouren*

Gezondheid Stiltegeb.

3.3.5

Toename aantal en percentage ernstig gehinderden als gevolg van de hogere cumulatieve geluidsbelasting. Aantal woningen waar de GES-score als gevolg van de plaatsing van windturbines stijgt naar >6. Ligging t.o.v. stiltegebieden.

Kwantitatief, zowel absoluut als relatief Kwantitatief

Laagfrequent geluid Windturbines maken geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen, waaronder laagfrequent geluid. Het laagfrequente geluid van windturbines is vergelijkbaar met andere geluidsbronnen, zoals wegverkeer11. Uit zienswijzen op eerdere windprojecten is gebleken dat er zorgen bestaan dat laagfrequent geluid afkomstig van windturbines gezondheidseffecten veroorzaakt. Reden hiervoor is dat de Nederlandse geluidsnorm onvoldoende bescherming zou bieden, omdat bij de vaststelling van de destijds voor alle windparken geldende norm van 47 dB op basis van Lden met deze informatie geen rekening zou zijn gehouden. Uit een literatuurstudie van RIVM12 uit 2020 blijkt dat het aandeel laagfrequent geluid van windturbines niet leidt tot een andere mate van hinder dan ‘gewoon’ windturbinegeluid. Op grond van inzichten uit deze studie is geconcludeerd

9 10 11

12

Effectbeoordeling

beoordelingscriteria met een * zijn overgenomen uit het document ‘Signalen uit de Stad’ Onder overige (niet-gevoelige) objecten worden bijvoorbeeld verstaan: volkstuinen, hotels etc. Bolin et al., (2011) Infrasound and low frequency noise from wind turbines: exposure and health effects. RIVM, Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, 2021 (rapport: 2020-0214)

26

dat wanneer mensen worden blootgesteld aan windturbinegeluid (over alle frequenties), het gehele geluidsspectrum van de windturbine (alle frequenties samen) de voornaamste oorzaak van hinder vormen, dus niet enkel laagfrequent geluid of infrageluid. Gegeven de uitkomsten van deze recente onderzoeken wordt laagfrequent geluid niet kwantitatief meegenomen in de effectbeoordeling van de locatiealternatieven. Wel zal het geluidsrapport een representatieve berekening bevatten waarin voor de Amsterdamse situatie wordt berekend welke laagfrequente immissie optreedt bij verschillende Lden-belastingen (bv. 42, 45 en 47 dB Lden) op een voorbeeldwoning. Indien de omgeving van een onderzoekslocatie daartoe aanleiding geeft kan onderzoek naar laagfrequent geluid onderdeel zijn van projectspecifiek vervolgonderzoek in de projectMERfase.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15237615/1