CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 03.10 - Stikstofdepositieonderzoek.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 3 juli 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Conceptprojectnota Erotisch Centrum vrijgegeven voor inspraak (VN2025-008609)3.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Stikstofdepositie-onderzoek - Erotisch centrum Europaboulevard Gemeente Amsterdam Passende beoordeling 6 mei 2025

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Verantwoording Titel

Stikstofdepositie-onderzoek - Erotisch centrum Europaboulevard Gemeente Amsterdam

Opdrachtgever

Gemeente Amsterdam

Projectleider

Ivo Quax

Auteur(s)

Adi Schoones

Tweede lezer

Ivo Quax

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Aantal pagina’s

13 (exclusief bijlagen)

Datum

6 mei 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

4

2/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 4

2

Stikstofeffecten en wettelijk kader ............................................................................................. 6

3

Opzet onderzoek ....................................................................................................................... 7

4

Uitgangspunten aanlegfase ....................................................................................................... 8

5

6

4.1

(mobiele) werktuigen .......................................................................................................... 8

4.2

Bouwverkeer .................................................................................................................... 10

Uitgangspunten gebruiksfase .................................................................................................. 12 5.1

Gebouw ............................................................................................................................ 12

5.2

Verkeersgeneratie ............................................................................................................ 12

Resultaten en conclusie .......................................................................................................... 14

Bijlage 1

Methodiek kentallen woningbouw

Bijlage 2

AERIUS uitvoer aanlegfase

Bijlage 3

AERIUS uitvoer gebruiksfase

3/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

1 Inleiding Gemeente Amsterdam heeft adviesbureau TAUW gevraagd het stikstofdepositie-onderzoek uit te voeren voor het plan Erotisch centrum Europaboulevard in het kader van de Omgevingswet / Natura-2000 gebieden. In het Amsterdams Akkoord 2022-2026 heeft de coalitie afgesproken dat ze het aantal ramen op de Wallen verminderen door een deel te verplaatsen naar een Erotisch centrum. Op dit moment onderzoekt gemeente Amsterdam de haalbaarheid van de ontwikkeling van het bouwplan en een stikstofdepositie onderzoek valt onder een van de relevante vooronderzoeken. Zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan zijn er bronnen die stikstofoxiden en/of ammoniak emitteren. Hier is sprake van stikstofdepositie: de stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Stikstofdepositie is een probleem in natuurgebieden omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. Wanneer blijkt dat een plan meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden, is er sprake van een potentieel significant effect. Een stikstofdepositie-onderzoek toont aan of de potentie voor een significant effect aanwezig is en of een natuurvergunning vereist is voor de bouwwerkzaamheden.

Figuur 1.1 toont de ligging van de planlocatie en de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De meest nabije stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten zijn gelegen op 8,2 km van het plangebied in Natura 2000-gebied Botshol.

4/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Figuur 1.1 Planlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden (groen / blauw / mosterdgeel) en stikstofgevoelige habitats (licht en donkerpaars)

Hoofdstuk 2 geeft een korte uitleg over stikstofeffecten en het wettelijk kader. Hoofdstuk 3 schetst de onderzoeksopzet. In hoofdstuk 4 en 5 worden alle emissieberekeningen en uitgangspunten voor de modellering gegeven, voor zowel aanlegfase als de gebruiksfase. Hoofdstuk 6 geeft de resultaten en de conclusie.

5/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

2 Stikstofeffecten en wettelijk kader Bronnen en effecten van stikstofdepositie Plannen kunnen bronnen omvatten die stikstofoxiden (NOX) en/of ammoniak (NH3) emitteren naar de lucht. Het kunnen bronnen zijn tijdens het realiseren van het plan (bouw- of aanlegfase) of tijdens het in werking zijn van het plan (gebruiksfase). De NOX en NH3 in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit af kan nemen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen met een Europese beschermingsstatus. Ecologische voortoets en/of passende beoordeling Voor een plan moet onderzocht worden of er sprake is van significante gevolgen op Natura 2000-gebieden. Een plan met een stikstofdepositiebijdrage op Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een of meerdere voor stikstofdepositie gevoelige hexagonen1 in een (naderend) overbelaste situatie2 heeft in potentie een significant effect. Bij een toename van de stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets onderzocht worden of de effecten van deze toename op de Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Zo niet, dan wordt voor het plan een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Een plan wordt door het bestuursorgaan alleen vastgesteld, als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Referentiesituatie Bij (wijziging van) plannen wordt het planeffect bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bij plannen is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van vaststelling van het plan. Wanneer bijvoorbeeld het verdwijnen van agrarische gronden in het plangebied het rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolg is van de realisatie van een bedrijventerrein, dan mag hier in de berekeningen rekening worden gehouden (interne saldering).

1

Rekeninstrument AERIUS berekent de depositie op ‘hexagoon’ niveau (een zeshoek met een oppervlak van 1 ha) Indien de achtergronddepositie in een Natura 2000-gebied hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) dan bevindt de natuur (habitats of leefgebieden van soorten) zich in een overbelaste situatie. Bij toestemmingsverlening van projecten wordt een veiligheidsmarge van 70 mol/ha/jaar aangehouden. Hexagonen zijn naderend overbelast als de depositie hoger is dan de KDW minus deze veiligheidsmarge. Hexagonen met een depositie lager dan deze waarde zijn gedefinieerd als niet overbelast 2

6/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

3 Opzet onderzoek Voor het berekenen van de stikstofdepositiebijdrage is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2024.1.2). In de berekeningen is onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. De NOX en NH3 emissies van alle relevante bronnen zijn meegenomen. Het gaat hierbij om:   

Mobiele werktuigen in de aanlegfase Bouwverkeer in de aanlegfase Verkeersgeneratie van en naar de locatie in de beoogde situatie

Er zijn in dit onderzoek 2 berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen:  

Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de beoogde situatie (de gebruiksfase)

7/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

4 Uitgangspunten aanlegfase De werkzaamheden in de aanlegfase bestaan uit:  Het dempen van de plas  

Bouwrijp maken van kavels Bouw van het Erotisch centrum (7.000 m2 – 10.000 m2 BVO)

De periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd loopt naar verwachting van 2028 tot 2032. De duur van de aanlegfase is daarmee 4 jaar. Naar verwachting wordt in 2028 gestart met het dempen van de plas en het bouwrijp maken van de kavels. De bouwwerkzaamheden volgen in 2029. Als rekenjaar voor de aanlegfase is in AERIUS het jaar 2028 aangehouden. In deze berekening is de uiterst conservatieve aanname gemaakt dat alle werkzaamheden in een jaar plaatsvinden. Al het in te zetten materieel met een verbrandingsmotor (diesel-, benzine- of LPG aangedreven) zorgt voor emissie van stikstofoxiden (NOX) en een beperkte emissie van ammoniak (NH3). Dit kan resulteren in niet verwaarloosbare stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden. Naast de inzet van mobiele werktuigen worden vrachtwagens ingezet voor de aan- en afvoer van materiaal en personenauto’s en busjes voor de arbeiders / het personeel. Ook dit bouwverkeer emitteert NOX en NH3.

4.1

(mobiele) werktuigen

Bij aanvang van voorliggend stikstofdepositie-onderzoek was bij de opdrachtgever niet bekend welke diesel-, benzine of lpg aangedreven (mobiele) werktuigen in de aanlegfase ingezet zullen worden. Daarmee is ook over dieselverbruik, bedrijfstijden, bouwjaar en vermogen van de werktuigen geen specifieke informatie beschikbaar. Er zijn geen kentallen voor het bouwen van vergelijkbare bouwplannen. Wel zijn er kentallen voor de bouw van woningen en appartementen. Door het bouwplan op te splitsen in equivalente nieuwbouw appartementen kan een reële schatting van de vrijkomende emissies bij de bouwwerkzaamheden worden bepaald. De kentallen voor NOX en NH3 emissies bij de bouwwerkzaamheden van woningen en appartementen zijn opgesteld door adviesbureaus TAUW en De Roever. De kentallen zijn gebaseerd op de werkelijke inzet van mobiele werktuigen en vrachtverkeer bij een groot aantal woningbouwplannen. Voor de omrekening van inzet van mobiele werktuigen naar emissies is de AUB-rekenmethode (AdBlue3, Uren, Brandstof) van TNO aangehouden. Bijlage 1 geeft meer informatie over de gehanteerde kentallen en methodiek. Voor de bouw van appartementen zijn de volgende kentallen beschikbaar:  1,72 kg NOX en 0,07 kg NH3 per appartement

3

In vrijwel alle moderne (mobiele) werktuigen is tegenwoordig een SCR-katalysator ingebouwd. AdBlue is een oplossing van ureum in gedemineraliseerd water. Door AdBlue in te spuiten vlak voor de uitlaat richting de SCR-katalysator wordt de hoeveelheid NOX emissie fors gereduceerd

8/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Er is worst-case aangenomen dat het nieuwbouwplan 10.000 m2 BVO zal hebben. Met een gemiddeld oppervlakte van 70 m2 per nieuwbouw appartement is de worst case emissie bij de realisatie van dit plan 10.000 m2 BVO / 70 = 143 equivalent appartementen x 1,72 kg NOX = 245,96 kg NOX (en 10,01 kg NH3). Naast de realisatie van het nieuwbouw moet de planlocatie ook bouwrijp gemaakt worden. De kentallen nemen het voorbereiden van de kavel mee, maar het dempen van de waterplas valt hier niet onder. Omdat het nog niet bekend is welk materieel zal worden gebruikt en er geen kentallen zijn voor de benodigde werkzaamheden, is ervoor gekozen om te berekenen wat het emissieplafond van deze werkzaamheden zou zijn. Daarmee wordt bedoeld; de hoeveelheid emissie die uitgestoten kan worden zonder dat er potentieel significante stikstofdepositie plaatsvindt in een van de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Er is uitgegaan van een gemiddeld werktuig vermogen van 100 kW met een bouwjaar van 2019 of later. Het aantal draaiuren is geschat op basis van TNO kentallen zoals gegeven in het bestand TNO-2021-R12305-tab. Conform de AUB-rekenmethode van TNO is voor STAGE V-klasse werktuigen (met een vermogen tussen 75 en 560 kW) 6 % AdBlue van het dieselverbruik aangehouden. De STAGE klasse, de vermogensklasse, het aantal draaiuren en de hoeveelheid diesel- en AdBlue verbruik zijn in AERIUS ingevoerd.

In Tabel 4.1 staan de ingevulde parameters en de resulterende emissies, waaruit volgt dat het emissieplafond 230,7 kg NOX en 9,4 kg NH3 bedraagt. Tabel 4.1 Emissie- en dieselplafond voor de plaswerkzaamheden Stageklasse

Bouwjaar

Brandstof

Draaiuren

(L/j)

NOX

NH3

Hoogste bijdrage

emissie

emissie

stikstofdepositie

(kg)

(kg)

(mol/ha/j)

V, SCR: ja

2019

39.000

4021

230,7

9,4

0,00

V, SCR: ja

2019

40.000

4124

236,6

9,6

0,01

Modellering mobiele werktuigen De mobiele werktuigen zullen actief zijn op de bouwlocatie en daar rondrijden. Daarom zijn de emissies gemodelleerd als vlakbron gelijk aan de planlocatie. De vlakbron is in AERIUS gemodelleerd als bron van de sectorgroep ‘Anders’. Voor de uittreehoogte en spreiding is respectievelijk 2,5 m en 1,25 m ingevuld en voor de warmte-inhoud 0,035 MW. De temporele variatie is ‘standaard profiel industrie’. Dit zijn de waarden voor mobiele werktuigen voor de bouw en industrie4. De werkzaamheden aan de plas zijn gemodelleerd als ‘Mobiele Werktuigen; Bouw, Industrie en Delfstofwinning’ met een vlakbron gelijk aan de planlocatie.

4

Zie Handboek ‘Werken met AERIUS Calculator versie 2024 v1’

9/14

Kenmerk

4.2

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Bouwverkeer

De emissies afkomstig van het bouwverkeer worden door AERIUS berekend en zijn afhankelijk van het voertuigtype5 (personenauto’s, middelzwaar vrachtverkeer of zwaar vrachtverkeer), het aantal bewegingen, het zichtjaar, het wegtype, de rijafstand en de mate van stagnatie. Er zijn geen kentallen voor het benodigde bouwverkeer van vergelijkbare bouwplannen. Wel zijn er ervaringscijfers voor het bouwverkeer van woningen en appartementen. Door het bouwplan op te splitsen in equivalente appartementen kan een reële schatting van de vrijkomende emissies bij de bouwwerkzaamheden worden bepaald. Tabel 4.2 laat de ervaringscijfers van motorvoertuigbewegingen zien en geeft het aantal voertuigen en voertuigbewegingen voor de gehele aanlegfase weer. Het verwachtte aantal voertuigbewegingen tijdens de realisatie van de bouw is:  

Personenauto’s en bestelbussen (personeel): 15.730 Vrachtwagens voor aan en afvoer: 5.720

Tabel 4.2 Aantal voertuigbewegingen gedurende de aanlegfase Type voertuig

Totaal aantal ritten

Totaal aantal vervoersbewegingen6

Per te realiseren appartement Personenauto’s en bestelbussen

55

110

Zwaar vrachtverkeer

20

40

Personenauto’s en bestelbussen

7.865

15.730

Zwaar vrachtverkeer

2.860

5.720

Voor Erotisch centrum, 143 equivalent appartementen

Modellering bouwverkeer De vrachtwagenbewegingen zijn in AERIUS worst-case allemaal gemodelleerd als ‘zwaar vrachtverkeer’. Vervoer van personeel van en naar de locatie vindt plaats met bestelbusjes en/of personenauto’s. Voor het bouwverkeer op de planlocatie is wegtype ‘Binnen bebouwde kom (stagnerend)’ aangehouden, waarmee de hogere emissies worden verdisconteerd die het gevolg zijn van het langzaam rijden en manoeuvreren op de bouwlocatie. Voor het wegtype buiten de planlocatie is aangehouden: ‘binnen bebouwde kom (normaal)’. Aangenomen wordt dat vrachtwagens niet langer dan 2 uur met de motor uit op de bouwlocatie aanwezig zijn. Daarom wordt voor vrachtwagens niet gerekend met koude start (zie hoofdstuk 5 voor uitleg over de koude start).

5 6

In AERIUS zijn steeds de meest recente emissiekentallen voor wegverkeer geïmplementeerd, voor de zichtjaren 2020 t/m 2040 Het aantal voertuigbewegingen is het aantal ritten maal twee; een voertuig rijdt heen en terug naar de locatie

10/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

De instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (BIJ12, oktober 2024) geeft aan dat verkeersgeneratie meegenomen dient te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. In de regel wordt de verkeersgeneratie meegenomen tot aan het doorgaande wegennet. Met het doorgaande wegennet worden stadsontsluitingswegen, gebiedsontsluitingswegen, autowegen en autosnelwegen bedoeld. Voor het bouwverkeer in de aanlegfase is het verkeer vanaf de planlocatie meegenomen tot aan de A10 in beide rijrichtingen. Dit is een zeer drukke weg met meer dan 80.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal per rijrichting. In de bijlagen is te zien tot waar het verkeer is meegenomen.

11/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

5 Uitgangspunten gebruiksfase De gebruiksfase is in AERIUS berekend voor het jaar 2032. Dit is het eerste mogelijke volledige kalenderjaar na realisatie van het plan.

5.1

Gebouw

De te realiseren nieuwbouw wordt niet op het gasnet aangesloten. Er is daarom geen sprake van NOX emissies door gasstook voor verwarming en warmwater voorziening.

5.2

Verkeersgeneratie

De emissies ten gevolge van het wegverkeer worden door AERIUS berekend en zijn afhankelijk van het voertuigtype7 (personenauto’s, middelzwaar vrachtverkeer, zwaar vrachtverkeer of bussen), het aantal voertuigbewegingen per etmaal, het wegtype, het rekenjaar, de rijafstand en de mate van stagnatie. Op basis van publicatie 744 van het CROW (‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, 2024) is de verkeersgeneratie bepaald. Hiervoor is woonmilieutype, de mate van stedelijkheid en type woning van belang; waarvoor de volgende keuzes zijn gemaakt:  Woonmilieutype: rest bebouwde kom  Mate van stedelijkheid: zeer sterk stedelijk  Functie voorziening: Theater / schouwburg De verdeling van functie voorziening in ruimte BVO m2 is nog niet bekend. Het Erotisch centrum zal verscheidene horecafuncties en erotisch entertainment bieden, waaronder hotelkamers, cafés, restaurants, nachtclubs, sekstheater, seksclub en erotheek. Er is gekozen om de berekening uit te voeren met de aanname dat de volledige ruimte wordt gebruikt voor theater doeleinden. Deze keuze is gemaakt omdat dit de worstcase aanname is met betrekking tot de verkeersgeneratie. De bijbehorende verkeersgeneratie bedraagt 13,8 personenauto’s per gemiddeld etmaal per 100 m2 BVO. Dit maakt in totaal 2.760 bewegingen per gemiddeld etmaal.

Gemeente Amsterdam gaat uit van 2.770 bewegingen per gemiddeld etmaal, en daar is uiteindelijk gerekend. Voor vrachtwagenverkeer zijn geen kentallen beschikbaar voor vergelijkbare gebruiksdoeleinden. Hier is de worstcase aanname gemaakt dat er 20 voertuigbewegingen plaatsvinden per gemiddeld etmaal.

7

In AERIUS zijn steeds de meest recente emissiekentallen voor wegverkeer geïmplementeerd, voor de zichtjaren 2020 t/m 2040

12/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Modellering wegverkeer De instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (BIJ12, oktober 2024) geeft aan dat voor plannen de verkeersgeneratie meegenomen dient te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt de verkeersgeneratie meegenomen tot aan het doorgaande wegennet. Met het doorgaande wegennet worden stadsontsluitingswegen, gebiedsontsluitingswegen, autowegen en autosnelwegen bedoeld. Voor het plan Erotisch Centrum Europaboulevard is het lichtverkeer vanaf drie nabijgelegen parkeergelegenheden meegenomen (parkeergarage P4 bij de RAI, de Q-park bij de Eurocenter en de parkeergelegenheid aan de Europaboulevard) tot aan de op- en afrit van de A10. Aangenomen in de berekening is dat de parkeergebruik gelijk verdeeld is. Het vrachtwagen verkeer is vanaf de planlocatie tot aan de op- en afrit van de A10 meegenomen. De vrachtwagenbewegingen in de gebruiksfase zijn in AERIUS gemodelleerd als ‘zwaar vrachtverkeer’.

Voor al het wegtype is in de modellering ‘binnen bebouwde kom (normaal)’ aangehouden. Koude start De hoeveelheid NOX en NH3 emissie van wegverkeer is kort na het starten met een koude motor veel hoger dan de emissie tijdens het rijden8. Als definitie van een koude start wordt aangehouden dat de motor 2 uur heeft uitgestaan. De koude start van voertuigen wordt – indien van toepassing – in AERIUS ingevoerd als aparte bron naast het rijdende wegverkeer, waarbij de emissies door AERIUS worden berekend op basis van het aantal voertuigen dat met koude start vertrekt, het voertuigtype en het rekenjaar. Voor het nieuwbouwplan in voorliggend onderzoek is worst-case aangenomen dat al het personenverkeer vertrekt met koude start. Voor de hoeveelheid vrachtverkeer is aangehouden dat deze niet met koude start vertrekt. Als locatie waar de koude start plaatsvindt is in AERIUS een vlakbron ingetekend gelijk aan drie nabijgelegen parkeermogelijkheden; langs de Europaboulevard, een parkeergarage bij de RAI en een ondergrondse parkeergarage bij de Eurocenter.

8

TNO rapportage 2024 R11049, Emissiefactoren wegverkeer 2024

13/14

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

6 Resultaten en conclusie De bijdrage aan de stikstofdepositie van het plan Erotisch Centrum Europaboulevard is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2024.1.2). In de bijlagen worden de AERIUS pdf-uitvoerbestanden gegeven. Deze pdf-uitvoerbestanden zijn tevens als losse bestanden bij de rapportage bijgeleverd. In het onderzoek zijn zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (beoogde situatie) meegenomen. In de berekeningen voor de aanlegfase is de uiterst conservatieve aanname gedaan dat alle bouwwerkzaamheden plaatsvinden in een jaar. Zolang de uitstoot gedurende de werkzaamheden aan de waterplas niet boven 230,7 kg NOX en 9,4 kg NH3 komt, is de berekende stikstofdepositie op de relevante hexagonen zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee is er op geen enkel relevant hexagoon sprake van een toename in stikstofdepositie en zijn er geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan. Voor het aspect stikstofdepositie is er geen sprake van een vergunningplicht voor het plan in het kader van natuurbescherming.

14/14

Kenmerk

Bijlage 1

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

Methodiek kentallen woningbouw

Kenmerk

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

De in dit onderzoek gehanteerde emissiekentallen voor de bouwwerkzaamheden van woningen en appartementen (zie hoofdstuk 4) zijn afgeleid van gedetailleerde gegevens van de werkelijke inzet van mobiele werktuigen en vrachtverkeer bij enkele tientallen woningbouwplannen. Zowel de realisatie van grondgebonden woningen als van appartementen zijn ruim vertegenwoordigd in deze dataset. Bij sommige plannen werden ook panden gesloopt, daarvoor is een apart emissiekental beschikbaar. Inbegrepen in de kentallen is het bouwrijp maken van het terrein, de aanleg van kabels en leidingen, het bouwen van de woningen en de aanleg van het openbaar gebied (bestrating, groen, etc.). De beschouwde woningbouwplannen zijn plannen die in het westen van Nederland zijn gerealiseerd. Daarom maken heiwerkzaamheden vaak onderdeel uit van de aanlegfase. Dit maakt de kentallen ‘robuust realistisch’, aangezien heien op hogere (zand)gronden meestal niet nodig is. Uit het type werktuigen, het dieselverbruik en het aantal draaiuren volgen de NOX en NH3 emissies die vrijkomen bij de bouwwerkzaamheden. Hierbij is de AUB-rekenmethode (AdBlue, Uren, Brandstof) van TNO aangehouden9. De in tabel B1 gegeven kentallen gelden voor woningbouwplannen van 10 tot 100 woningen. Voor grotere plannen zal de emissie per woning lager liggen, maar kunnen deze kentallen worstcase wel worden aangehouden.

Voor kleine plannen kunnen de kentallen een onderschatting zijn. Veiligheidshalve kan dan een opslagfactor van een factor 2 worden aangehouden. Tabel B.1 Kentallen aanlegfase voor woningen en appartementen Werkzaamheden

Kg NOX per

Kg NH3 per

woning/appartement

woning/appartement

Bouwwerkzaamheden grondgebonden woning

2,60

0,11

Bouwwerkzaamheden appartement

1,72

0,07

Sloopwerkzaamheden nodig voor realisatie van een

0,83

0,03

nieuwbouwwoning / -appartement

Voor het bepalen van de emissiekentallen is uitgegaan van de inzet van diesel aangedreven STAGE IV klasse werktuigen met als bouwjaar 2014. Ook dit is een robuust realistische aanname. In de huidige praktijk zijn de in te zetten werktuigen al regelmatig nieuwer en schoner. Ook worden soms al elektrische werktuigen ingezet welke emissieloos zijn. Conform de AUB-rekenmethode is 6 % AdBlue van het dieselverbruik aangehouden, wat standaard is voor STAGE IV en V-klasse werktuigen met een vermogen tussen 56 en 560 kW.

9

TNO-rapport TNO 2021 R12305 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOX en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, 10 december 2021

Kenmerk

Bijlage 2

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

AERIUS uitvoer aanlegfase

Kenmerk

Bijlage 3

R001-1300644IQU-V01-mwh-NL

AERIUS uitvoer gebruiksfase

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15701655/1