Bespreeknotitie Rolverdeling COK en VTH bij volumetoevoeging
Tekst van het document
Bespreeknotitie van Anneke Veenhoff (PRO) bij agendapunt 48 TAR 27-5-2026
Rolverdeling Commissie Omgevingskwaliteit en VTH bij volumetoevoeging
Aanleiding Wij hebben de afgelopen jaren een aantal casussen gezien en bestudeerd waarbij een expliciet advies van de Commissie Omgevingskwaliteit (COK) om een vergunning niet te verlenen toch heeft geresulteerd in het verlenen van een vergunning. De COK (voorheen CRK of Welstand) waarschuwde in deze adviezen in eerste instantie voor een ernstige aantasting van de stedebouwkundige structuur, aantasting van historisch erfgoed, verstoring architectonisch eenheid etc. Daarna werd de commissie teruggefloten door de afdeling vergunningen met de mededeling dat de COK wordt geacht niet te adviseren over de welstandelijke impact van het toegevoegde volume als zodanig, omdat het toe te voegen volume namelijk al akkoord is bevonden door Stedebouw. Hier gaat hierbij dus om optoppingen, toevoegen van balkons etc. De afdeling vergunningen vraagt in die gevallen om herziening van het eerste negatieve COK advies, waarbij de (volume) aspecten die een gegeven bouwrecht of het al positieve advies van Stedebouw, ditmaal buiten beschouwing moeten worden gelaten. Dit leidt dan tot een hernieuwd, nu wel positief advies, waarna de vergunning wordt verleend. Dit gaat in ambtelijk overleg, of zoals in een casus in Oost na tussenkomst van de bezwaarcommissie.
Na een weigering van de vergunning wegens het negatieve oordeel van Welstand (5 keer, 3 keer in primo, 2 keer in bezwaar) besliste de Bezwaarcommissie in die casus in het derde bezwaar dat Welstand het advies niet zo had mogen geven en adviseerde om de vergunning alsnog te verlenen. Waarbij onder blijvend protest van de COK, te lezen in het door hen gevoerde verweer in die bezwaarzaak, alsnog achteraf een positief advies door de COK werd uitgebracht en de vergunning werd verleend. (Bewoners in de bovenstaande casus in Oost zijn overigens naar de rechter gestapt en zijn onlangs op 17-4-2026 in het gelijk gesteld, waarbij de rechter overigens niet toekwam aan dit punt omdat het bezwaar op een ander punt al gegrond werd verklaard). Vanuit de COK hebben we begrepen dat er vanuit de commissie soms de hoop is dat ondanks het technisch positieve advies dat zij moeten geven, het DB alsnog haar afwegingsruimte zal gebruiken om tegemoet te komen aan de welstandelijke bezwaren, maar we hebben de indruk dat dit niet of zelden gebeurt. Probleem De fractie van PRO baart bovenstaande observaties zorgen. Deze gang van zaken leidt er wat ons betreft toe dat datgene wat natuurlijk visueel de grootste impact heeft, nl.
de extra vierkante meters boven of aan een pand, feitelijk niet welstandelijk wordt getoetst en dat de commissie zich, ondanks de evidente impact van die volumetoevoeging, dan moet beperken tot advies over detaillering, kleur, stenen etc. De afdeling Stedebouw adviseert natuurlijk ook, maar zij kijkt niet specifiek naar de welstandelijke aspecten. Behoud en bescherming van onze prachtige historische stad is onmisbaar en het is van groot belang dat deze processen goed lopen en er daadwerkelijk wordt getoetst op de ingrepen die
een grote impact hebben. Ook in het raadsadres dat op de agenda staat betreft het Marga Minco pand lijkt niemand te kunnen en mogen toetsen op het welstandelijk aspect van de volumetoevoeging an sich. In dit geval beroept de gemeente zich op het feit dat de toegevoegde hoogte passend is in het Omgevingsplan en de COK dat recht dus niet mag inperken. Dat mag zo zijn, maar het resultaat is onbevredigend als diverse partijen, waaronder erfgoedvereniging Heemschut, het als een inbreuk beschouwen op het architectonisch geheel van zowel het pand als de straat. Verder lijkt de jurisprudentie uit de zaak in Oost ook aan te tonen dat zelfs als de hoogte in het bestemmingsplan passend is, er wel sprake is van een buitenplanse afwijking. Zorgen hebben we ook omdat er op deze manier bouwinitiatieven vergund worden die vaak navolging vinden in dezelfde buurt. Extra vierkante meters in de stad zijn op sommige plekken zeker gewenst, maar deze bouwprojecten zijn op dit moment juist een grote aanjager voor het vertrek van gezinnen de stad uit. Bewoners noemen de onophoudelijke bouwoverlast,omdat na de eerste verleende vergunning er vaak meerdere volgen in dezelfde straat. Omwonenden melden een verlies van leefbaarheid, licht, lucht, rust en privacy en verlaten hun voorheen geliefde buurt.
In de bovengenoemde casussen weten we dat de vergunningverlening daadwerkelijk tot vertrek van gezinnen heeft geleid. Huizen worden opgekocht vanwege de opeens interessante investeringsmogelijkheden en zo breidt de “bouwwoede” zich als een olievlek uit in de buurt, met alle negatieve gevolgen van dien. We faciliteren hiermee speculanten in plaats van te zorgen voor onze bewoners. Vergunningen die volgens de COK ook nog eens onwenselijk zijn vanuit stedenbouwkundig en architectonisch perspectief, zouden we in dat licht op zijn minst willen kunnen weigeren. Dat lukt met de huidige werkwijze niet. Hoe zit het precies Als een bouwrecht absoluut en duidelijk is en een aanvraag past binnen het bestemmingsplan, dan begrijpen we dat een advies van de COK deze bouwrechten niet moet inperken. Ook is een advies van de COK niet bindend. Echter, in veel gevallen gaat het om afwijkingen van het bestemmingsplan. Dus de vergunning kan alleen worden mogelijk gemaakt met een binnenplanse afwijking of met toepassing van de richtlijn Kruimelgevallen. Een binnenplanse afwijking wordt binnen VTH overigens “passend” genoemd, passend binnen het bestemmingsplan, zo begrepen we na ambtelijke ondersteuning.
Deze term “passend” verrast ons want ook als een aanvraag eventueel met een binnenplanse afwijking of kruimelregeling kan worden vergund betreft dit toch een afwijking en moet medewerking volgens vaste jurisprudentie wel gemotiveerd worden. Gemotiveerd dient te worden waarom bijvoorbeeld het kruimelbeleid in dit ene specifieke geval ook opgaat en waarom ook in dit geval kan worden meegewerkt aan de afwijking van het bestemmingsplan. Het vergunnen mag dus geen vanzelfsprekendheid zijn. In het geval dat er dan een expliciet advies ligt waarbij de COK waarschuwt voor zaken als: - “ grote gevolgen voor het stadsbeeld”, “een doosachtig volume vormt een detonerende toevoeging in de kenmerkende gevelopbouw” etc11 citaat uit het advies van de bezwaarcie,JB.23.000485.001, pg 3, 7.4
“Hierbij is ondermeer overwogen dat het pand als enige binnen de 19e eeuwse architectuureenheid is uitgebreid met een kapverdieping. Door op de kapverdieping een dakopbouw te plaatsen, ontstaat een stapeling van uitbreidingen waardoor het pand zich volledig onttrekt aan een logische verhouding en de samenhang van de architectuureenheid. De dakopbopuw is ondanks de terugliggende positie op het dakvlak zeer goed zichtbaar vanuit de openbare ruimte vanwege lange zichtlijnen vanuit de Wibautsttraat. Een tweelaagse ophoging ten opzichte van
dan is er toch alleen al op basis daarvan al duidelijk dat bij vergunnen van de binnenplanse afwijking geen sprake kan zijn van de vereiste goede ruimtelijke ordening of zoals dit nu heet een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? En zou een dergelijk advies dus juist moeten worden meegenomen bij de afweging van het bestuur en daarmee leiden tot een weigering om mee te werken aan de afwijking ?
Oplossing De gevallen die we hebben bestudeerd, hebben inderdaad naar onze mening geleid tot een onwenselijke ruimtelijke aantasting. Vanuit de COK hebben we daarnaast begrepen dat de huidige gang van zaken ook bij hen geregeld tot frustratie leidt. Onderstaande opmerking van een lid van de COK uit een verslag van de bezwaarcie bij de casus in Oost van Aemstelstraat 2 spreekt wat ons betreft boekdelen: “Mevrouw (..) zegt dat bij de beoordeling van de welstandsaspecten wel een relatie mag worden gelegd met ruimtelijke aspecten. Er is geen reden om een uitzondering te maken op het welstandsbeleid. Zij merkt op dat het verlenen van planologische medewerking een bevoegdheid betreft en geen verplichting” (pg 7 bijlage 1 advies bezwaarcie JB.23.000485.001) Ook voor de afdeling vergunningen lijkt ons deze werkwijze onbevredigend, en op zijn minst omslachtig. Dit alles lijkt voldoende aanleiding om deze werkwijze onder de loep te nemen en verbeteringen aan te brengen. Een oplossing is mogelijk te vinden in het expliciet vragen van de Commissie COK om bij afwijkingen van het bestemmingsplan (ook binnenplans) over het geheel van de aanvraag een advies uit te brengen. Dus een advies specifiek ook over de ruimtelijke impact van die onderdelen die mogelijk binnenplans of met een kruimelafwijking vergund zouden kunnen worden.
Binnen de huidige regelingen lijkt dit uitvoerbaar: met een instructiewijziging kan dit mogelijk worden opgelost. Met deze werkwijze voorkomen we dat het advies van de COK alleen maar gaat over kleurstelling, materiaal gebruik, detaillering etc en niet over het natuurlijk veel meer in het oog springend toegevoegde bouwvolume (bijvoorbeeld bij optoppingen, balkons etc). Het bevoegd bestuur beschikt daarmee over de juiste en volledige informatie om een goede afweging te maken of kan worden meegewerkt aan de afwijking. De COK is immers dè aangewezen partij om dit ruimtelijk aspect goed te kunnen beoordelen. Zo houden we ons erfgoed beter beschermd, bewaken we de leefbaarheid en verbeteren we frustrerende processen zowel voor omwonenden, aanvragers, ambtenaren en de COK. de samenhangende vierlaagse bouweenheid in deze situatie leidt tot een onbedoelde markering en tast daarmee het stadsbeeld aan. Door de grote mate van zichtbaarheid van de dakopbouw vanuit de openbare ruiomte, wordt de dakopbouw onderdeel van het gevelbeeld en daarmee onderdeel van het beeld van de stad. Het voorgestelde doosachtige volume vormt een detonerende toevoeging in de kenmerkende gevelopbouw van het pand. Het volume van de dakopbouw is in dit geval een oneigenlijke toevoeging in deze gevelopbouw.
( ..) Door de postitie op een kruising van wegen met lange zichtlijnen heeft de eingreep grote gevolgen voor het stadsbeeld, alsdus de CRK.”
2 (nieuw besluit 4 oktober 2023 Z2022-O004146)