CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidskader Puccinimethode.pdf

RAAD 29 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het geactualiseerde Beleidskader Puccinimethode (VN2024-000128)22.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

72

Binnen beschermde stadgezichten dient in de ontwerpfase altijd advies ingewonnen te worden bij de afdeling Monumenten & Archeologie om de inpasbaarheid van afwijkend groen op kades in relatie tot de erfgoedwaarden te beoordelen. Zoals bij alle afwijkingen van de standaard, wordt ook het ontwerp van afwijkend groen op kades binnen rijksbeschermde stadgezichten ter beoordeling voorgelegd aan het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit.

Beleidskader Puccinimethode

9.5.3 Toepassing van groen op oevers Oevers zijn in hun karakter van oorsprong groener dan kades. Veel van deze oevers zijn op dit moment al groen ingericht. Bij een wens voor extra groen moet expliciet gekozen worden voor vergroenen aan de gevelzijde en/of aan de oeverzijde; niet op andere plekken in het profiel. Indien vergroening wordt ingepast aan de oeverzijde wordt altijd direct aangesloten op het reeds bestaande groen, bijvoorbeeld op het gras van de singel. Dit voorkomt een versnipperd en rommelig profiel, is beter beheerbaar en robuuster waardoor het interessanter is voor flora en fauna. Zie voor nadere specificaties het Handboek Groen. Daarnaast zijn op oevers aan de gevelzijde van het profiel uiteraard ook geveltuinen mogelijk. Aan de gevelzijde zijn ook bloembakken of -potten mogelijk op initiatief van bewoners of onder­ nemers, die ook door hen beheerd worden, mits dit past binnen de regels voor objecten van particulieren. Bloembakken/-potten zijn daarmee nooit een vast onderdeel van een maaiveldont­ werp zoals dat door de gemeente wordt opgesteld.

9.6

Boomspiegels

De gemeente past in principe geen beplanting toe in boomspiegels. In bepaalde gevallen kan hiervan afgeweken worden, bijvoorbeeld als er weinig groen in de omgeving is of als de bewo­ ners meehelpen met het onderhoud. De groeiomstandigheden voor vaste planten en heesters in boomspiegels zijn slecht: droogte, weinig licht, hondenpoep, foutgeparkeerde fietsen enz. Dat betekent dat alleen zeer sterke beplanting hier kan overleven (sommige heesters, bodembedek­ kers en vaste planten). Vaak is het wel mogelijk om direct na aanleg beplanting aan te brengen (de bomen zijn dan nog klein), maar er moet rekening mee worden gehouden dat de beplanting na een aantal jaren zal verdwijnen.

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel C Groen

Deel C Groen

Andere soorten groen op kades zijn niet per definitie onwenselijk binnen de rijksbeschermde stadsgezichten, maar het betreft wel een uitzondering. Een afwijking van de standaard dus, die zorgvuldig ontworpen en gewogen moet worden. Eventueel groen langs deze kades in een rijks­ beschermd stadsgezicht dient altijd ten dienste te staan van de cultuurhistorische, esthetische, recreatieve en/of ecologische waarde en moet dan ook daarvoor ingericht worden. Een goede landschapsontwerper is daarbij onmisbaar.

Indien aan bovenstaande uitgangspunten niet voldaan kan worden in een ontwerp van groen op kades buiten het rijksbeschermd stadsgezicht, dient dit als afwijking voorgelegd te worden aan het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit.

73

9.7

Uitzonderingen

De Puccinimethode houdt rekening met de mogelijkheid van verbijzonderingen die afwijken van de standaard: de uitzondering bevestigt de regel. We onderscheiden twee typen uitzonderingen met betrekking tot het groen: 9.7.1 Stadsgroen: bijzondere plekken, stadsparken en stadsplantsoenen Op de bijzondere plekken van de Vloerkaart (zie hoofdstuk Deel B) en in stadsgroen en gedenk­ parken hebben projecten qua beplantingstypen en groentoepassingen meer ontwerpvrijheid. Dit zijn (groene) plekken met een iconische, stedelijke betekenis en hebben een buurt overstijgende functie. Daarnaast zijn er ook groene plekken die vanwege hun aanleg of geschiedenis bijzonder zijn en die een groen monument kunnen zijn, zoals het Vondel- en Amstelpark, Zorgvlied en de Nieuwe Ooster, het Bolwerk bij het Westelijk Marktkanaal en Kinderbrug met hun plant­soenen. Op deze typen locaties kan afgeweken worden van de standaard groentoepassingen zoals omschreven in de Groentabel (H9).

Kades binnen het rijksbeschermd stadgezicht in de binnenstad van Amsterdam zijn vrijwel allemaal volgens het authentieke grachtenprofiel ingericht. Met verharde kades, stenen kademuren en bomen die het groene beeld bepalen. Zoals hierboven op de Prinsengracht. Oevers met aflopend talud kennen van oorsprong een groenere inrichtingen. Conform de inrichtingsprincipes van de Puccinimethode wordt bij het (verder) vergroenen van oevers aangesloten op het bestaande groen, zoals hieronder het gras op de Albardagracht.

Het is niet zo dat op een bijzondere plek ook per se bijzonder groen móet komen. Het groen moet de aanwezige stedenbouwkundige kwaliteit niet overschreeuwen, maar ondersteunen. Een eenvoudig en rustig groenbeeld is vaak de beste manier om architectonische kwaliteit te bena­ drukken. Ook op deze plekken moet het ontwerp uiteraard wel passen binnen de overtuigin­ gen van de Puccinimethode: een duurzame inrichting met goede detaillering en aandacht voor beheerbaarheid (zie § 2.2). De ruimtelijke kwaliteit van het uiteindelijke ontwerp, in al haar facetten, wordt beoordeeld door het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Voor meer informatie over het Toetsteam, zie § 2.3.3 of amsterdam.nl/puccini/afwijken. 9.7.2 Groene plekken van belang voor de buurt (buurtpleinen, postzegelparkjes, etc.) Naast de hierboven genoemde bijzondere plekken, stadsparken, stadsplantsoenen en gedenk­ parken kent Amsterdam ook tientallen kleinere groene plekken: postzegelparkjes, groene buurt­ pleintjes en plantsoentjes die van belang zijn voor de buurt. Het zijn belangrijke ontmoetings­ plekken waar groen de drager is. Ze tonen uitzonderlijke ontwerpkwaliteit of zijn beeldbepalend in ruimtelijke zin. Op groene plekken die van belang zijn voor de buurt is het voorstelbaar dat het groen verbijzon­ derd wordt, door af te wijken van de groentoepassingen op de Groenkaart en de Groentabel (zie H9).

Dat biedt de mogelijkheid om een plek met een bijzondere groene functie in de buurt ook bijzonder in te richten. Maar in algemene zin geldt: verbijzonder niet méér dan strikt noodzakelijk is om het bijzondere groene karakter van de plek te ondersteunen en te accentueren. Deze plekken zijn bewust niet vastgelegd op de Groenkaart, net zoals de ‘buurtpleinen’ niet vastgelegd zijn op de Vloerkaart. Omdat een exacte definitie van een deze groene plekken met belang voor de buurt niet te geven is, dienen projecten die voornemens zijn te werken met bijzondere beplantingstypen daarvoor advies in te winnen bij het Expertise- en Toetsteam Open­ bare Ruimte & Mobiliteit in de Nota van Uitgangspunten-fase. Het Toetsteam beoordeelt of een verbijzondering gepast is. In de Definitief Ontwerp-fase adviseert het Toetsteam op het defini­ tieve ontwerp.

Deel C Groen

Deel C Groen

74

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

75

10 Randvoorwaarden voor de aanleg van groen In Amsterdam krijgt álle nieuwe beplanting een goede groeiplaats zodat de beplanting zich optimaal kan ontwikkelen en duurzaam uit kan groeien tot volwassen exemplaren. Voor bomen en specifiek de bomen in de Hoofdbomenstructuur gelden aanvullende regels. In het Handboek Groen zijn de technische uitwerkingen van deze randvoorwaarden opgenomen. In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt ingegaan op het maken van beplantings­keuze, grond, hulpmiddelen, plantvak maatvoering en groeiplaatsprincipes. De tweede paragraaf gaat specifiek in op de toepassing van bomen.

10.1 Algemene randvoorwaarden voor aanleg van groen 10.1.1 Beplantingskeuze is situatie-/plekspecifiek De diversiteit tussen stadsbiotopen ontstaat door verschillen in de fysieke omstandigheden, waaronder de bodemkwaliteit, en de aanwezige bebouwing. Deze diversiteit kan versterkt worden door op de juiste manier vergroening toe te passen. Dit kan door diversiteit in plantsoor­ ten zoals bomen, heesters, klimplanten, oeverbeplanting, water, ruigte, kruidachtige en bloem­ rijke beplanting, grassen, vaste planten en bollen. Daarbij kent het groen een grote diversiteit in ruimtelijke verschijningsvormen zoals pleinen, postzegelparkjes, daken, gevels, oevers en binnen­ tuinen. Daarnaast is het bij nieuw aan te leggen groen ook mogelijk om de diversiteit te vergroten door verschillende waarden toe te voegen, passend bij de (historische) identiteit/context.

76

10.1.2 We zijn terughoudend met beplanting in gesloten systemen (bakken, potten, baskets, etc.) Groen in mobiele, gesloten systemen zoals plantenbakken en bloempotten wordt vanuit de gemeente niet toegepast als er andere mogelijkheden zijn om te vergroenen. We hanteren een “Nee, tenzij…” beleid voor al het groen in gesloten systemen. De reden is dat groen in gesloten systemen beperkt bijdraagt aan de doelstellingen die Amsterdam heeft met het groen. Bloem­ bakken/-potten zijn in principe geen vast onderdeel van een maaiveldontwerp zoals dat door de gemeente wordt opgesteld. Vanwege het intensieve beheer dat nodig is bij bloembakken en -potten worden deze ook niet door de gemeente in beheer genomen, maar altijd door bewoners en/of ondernemers beheerd. Groen in bakken- of potten kent namelijk veel beperkingen. Het draagt beperkt bij aan klimaat­ adaptatie, want water vanaf de verharding kan niet infiltreren en regenwater dat in de bak valt kan het grondwater niet aanvullen. Het groen in de bak is vaak te klein om voor goede schaduw

Beleidskader Puccinimethode

Het “nee, tenzij…”-beleid voor gesloten groensystemen betekent concreet dat we als gemeente geen plantenbakken, hanging baskets en bloempotten financieren en plaatsen, tenzij: • alle andere mogelijkheden voor vergroening (groen in plantvakken in de volle grond, groen in geveltuinen, groene gevels) verkend zijn, in overleg met de omgeving; • en groen in de volle grond onhaalbaar gebleken is, bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek in de boven- of ondergrond; • en de urgentie groen toe te voegen desondanks aanwezig is en breed gedragen is; • en bewoners of ondernemers in de directe omgeving het beheer van dit groen verzorgen. Bij het plaatsen van plantenbakken en bloempotten geldt altijd dat er ruim voldoende voetgan­ gersruimte over moet blijven op het trottoir, conform de daarvoor geldende normen. Daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat plantenbakken in de praktijk vaak andere objecten aantrekken, zoals geparkeerde scooters en fietsen. In gebieden met een zeer hoge gebruiksdruk en grote voetgangersstromen zijn plantenbakken daardoor in algemene zin moeilijk inpasbaar. Gelukkig zijn er veel andere mogelijkheden dan bakken en potten om de stad duurzaam te vergroenen in de volle grond. Ook als er weinig ruimte is. Bijvoorbeeld met geveltuinen en gevelgroen (zie de Amsterdamse Klimplantengids).

Of met kleine groenvakken; hoewel snipper­ groen niet door de gemeente beheerd kan worden vanwege de kwetsbaarheid en het intensieve beheer, kunnen kleine plantvakken wel gerealiseerd worden als bewoners of ondernemers ze beheren. Uiteraard alleen als er voldoende ruimte is in de straat om zo’n vak goed in te passen. Dit is maatwerk per situatie. Uitzonderingen op dit “nee, tenzij…” beleid omtrent gesloten groensystemen zijn bloembakken aan brugleuningen en de hanging baskets in het centrum van Weesp; deze blijven we toepas­ sen. Ook tijdelijke situaties die niet langer dan vijf jaar duren zijn een uitzondering, bijvoorbeeld binnen gebiedsontwikkelingen. In die tijdelijke situaties kunnen gesloten planten­bakken door de gemeente geplaatst en beheerd worden vanuit het lopende project, om een tijdelijke inrichting vorm te geven. Bloempakken of - potten die op eigen initiatief van bewoners en ondernemers geplaatst worden vallen buiten de kaders van de Puccinimethode. Deze dienen te voldoen aan de nadere regels die per stadsdeel zijn opgesteld voor bloembakken in de openbare ruimte. Deze regels volgen uit de Amsterdamse APV, artikel 4.3. 10.1.3 Overige overwegingen bij keuze van beplanting, grond en hulpmiddelen In principe is het alleen toegestaan om beplanting toe te passen welke in de best practice lijsten zijn opgenomen (zie het Handboek Groen).

Van deze beplanting is bekend dat deze zich goed houdt in de Amsterdamse situatie. In het ontwerp en de toepassing van het beplantingssortiment

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel C Groen

Deel C Groen

Is het van belang dat het groen vooral waarde heeft voor het gebruik door de mens? Dan is het belangrijk dat het groen toegankelijk, bereikbaar en voor iedereen beschikbaar is, dat het groen op de juiste plek ligt en een passende functie heeft. Is juist de belevingswaarde van het groen van belang? Dan is het belangrijk dat het groen de zintuigen prikkelt en dat het mogelijk is om de natuur en de seizoenen te beleven. Of gaat het om toekomstwaarde: wat draagt het groen bij in het lange termijnperspectief? Een robuust groen frame dat bijdraagt aan een goed stads­ klimaat (klimaatadaptatie), biodiversiteit (doelsoorten), sociaal welzijn, gezondheid en behoud van cultuurhistorische waarden is duurzamer dan groen dat éénzijdig is ingericht.

te zorgen tegen hittestress. Beplantingssoorten die in de bakken worden toegepast moeten goed tegen extreme omstandigheden kunnen (o.a. droogte, weinig voedingsstoffen en beperkte groeiruimte). Beplanting die dit kan is vaak uitheems of cultivars. De soorten hebben weinig te bieden voor inheemse insecten (bijen, hommels, vlinders, etc.) en dragen dus beperkt bij aan ecologie en biodiversiteit. Plantenbakken hebben maar een beperkte maat en daarmee beperkte groeiruimte, voedingsstoffen en vocht. De beplanting groeit en bloeit daardoor minder lang, gaat eerder dood en moet dus eerder vervangen worden ten opzichte van beplanting in een open grond situatie. De beplanting in de bakken is ook afhankelijk van bewatering. In het droge zomerseizoen moet men minstens één keer per week water geven. Qua levensduur en dagelijks beheer is beplanting in bakken dus niet erg duurzaam.

77

is het beheer een belangrijk uitgangspunt. Beplanting mag geen obstakel vormen bij het schoon­ houden van de openbare ruimte. Ook bij het aanbrengen van grond wordt rekening gehouden met beheer. Te voedselrijke grond betekent onnodig veel onkruidbeheersing. Daarentegen groeit beplanting bij een te voedsel­ arme situatie minder snel dicht. In het Handboek Groen is voor verschillende typen groen voor­ geschreven welke grondsoort gebruikt moet worden. Bij het gebruik van hulpmiddelen (boompalen, boomkratjes, worteldoek, gietranden, hekjes, paal en draad, in principe geen kunststof/plasticmaterialen) houden we rekening met de plaatselijke situatie, levensduur en het beoogde effect. Boomkratjes gebruiken we bijvoorbeeld alleen om parkeren nabij bomen mogelijk te maken, en worteldoek om kabels en leidingen te beschermen tegen boomwortels. Voor specificaties, zie Handboek Groen.

De best practice plantlijsten, een levend document Om te zorgen dat beplanting in Amsterdam op duurzame en gezonde wijze kan groeien, zijn best practice-lijsten opgenomen in het Handboek Puccinimethode Groen. De lijsten bevatten soorten die het aantoonbaar goed doen in Amsterdam. De lijsten worden regelmatig geactualiseerd, bijvoorbeeld wanneer er nieuwe ziekten en/of plagen opkomen die specifieke soorten bedreigen. Soorten kunnen er dan vanaf gehaald worden. Ook kunnen soorten worden toegevoegd. Bij nieuwe soorten moet dan wel zijn aangetoond dat deze zich goed houden in de Amsterdamse situatie, bijvoorbeeld door de soort op proeflocaties te planten en de groei en gezondheid te monitoren.

10.1.4 Minimale maatvoering plantvakken (Te) kleine plantvakken zijn over het algemeen zeer onderhoudsintensief, zijn kwetsbaar en slijtagegevoelig en hebben daardoor hoge onderhoudslasten. Om dit te voorkomen worden eisen gesteld aan de minimale maatvoering van plantvakken. Als er sprake is van groenvakken in medebeheer gelden de minimale maten van groenvakken niet. In het Handboek Groen zijn minimale maten opgenomen waaraan een plantvak moet voldoen. Let op: dit betekent niet dat de hoeveelheid groen in een ontwerp verminderd moet worden. De opgave is juist om logische en grotere aaneengesloten plantvakken te ontwerpen.

10.2.1 Algemene voorwaarden voor alle bomen • Streven is om bestaande bomen en boomstructuren zoveel mogelijk in (nieuwe) ontwerpen in te passen. • Streven is om in nieuwe situaties bomen zoveel mogelijk te planten in de open grond of in onbelaste verhardingen (trottoirs). • In belaste verhardingen (parkeerstroken) zijn hiervoor speciale constructies in de onder­ grond nodig om de groeikansen van de bomen te verbeteren. • Voor bomen in verharding (onder fiets- of voetpaden en onder parkeerstroken) gebruiken we bomenzand (5%-mengsel). • Ondergronds worden groeiplaatsen zoveel mogelijk met elkaar verbonden. • Ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen) wordt zoveel mogelijk gebundeld. • Bij doorgaande boomstroken worden ondergrondse groeiplaatsen zoveel mogelijk gescheiden van kabels en leidingen, bijvoorbeeld met behulp van wortelwerend folie. • Verbetering of uitbreiding van de ondergrondse groeiplaats is maatwerk en komt tot stand na een bewortelingsonderzoek. 10.2.2 Randvoorwaarden voor bomen in de Hoofdbomenstructuur • Uitgangspunt is dat bestaande bomen en boomstructuren in de Hoofdbomenstructuur worden ingepast in (nieuwe) ontwerpen. Belangrijk hierbij is dat de bestaande groeiplaats en beworteling van de bomen in de Hoofdbomenstructuur intact blijven. Als dit niet haal­ baar is wordt dit goed onderbouwd.

• Voor de Hoofdbomenstructuur worden alleen bomen van de 1e grootte gebruikt zoals aangegeven in de best practice lijst in Handboek Groen. • Er worden ingerichte groeiplaatsen aangelegd waar bomen minimaal 50 jaar meegaan, de bomen beschikken over een doorwortelbaar volume variërend van minimaal 25m3 tot 40m3 per boom, waarbij gestreefd wordt naar een zo groot mogelijke groeiruimte. • Bij aanplant of vervanging kiezen we in beginsel bomen met een stamomtrek van minimaal 25-30 cm, afhankelijk van de verkrijgbaarheid. 10.2.3 Randvoorwaarden voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur • Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur wordt gebruikt gemaakt van de soorten uit de best practice lijst in het Handboek Groen. • Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaatsverbetering van >25 m3 doorwortelbaar volume en een stamomtrek is minimaal 20-25 cm.

10.1.5 Groeiplaatsprincipes voor beplanting Van het ontwerpen tot en met het beheer van openbaar groen worden de volgende stappen genomen: onderzoek-ontwerp-voorbereiding-aanbesteding-aanleg-beheer. Om de jonge aanplant duurzaam uit te laten groeien tot gezond volwassen groen moet in elke stap de juiste kennis worden toegepast. In Handboek Groen staat per planttype in groeiplaatsprincipes aange­ geven waar specifiek op gelet moet worden.

78

In het Handboek Groen staat uitgebreid beschreven waar rekening mee gehouden moet worden bij de aanplant van en het werken in de buurt van bomen, al dan niet in de Hoofd­bomenstructuur. Ook staat beschreven hoe te handelen als een project zich niet aan de randvoorwaarden kan of wil houden. De belangrijkste randvoorwaarden zijn hieronder punts­gewijs opgenomen.

Beleidskader Puccinimethode

Deel C Groen

Deel C Groen

10.2 Randvoorwaarden bomen

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

79

Bijlage I Amsterdam kent een lange traditie van ontwerpen, aanplanten en beheren van groen. Het onder­ kennen van groen als onmisbaar onderdeel voor een aantrekkelijke, leefbare stad gaat dus al ver terug. In feite vormt het de ‘groene’ draad van de Amsterdamse stedenbouw sinds de aanleg van de grachtengordel.

Gordel 20-40 (1910-1945) In de eerste helft van de 20e eeuw zet de gemeente Amsterdam zich in om op grote schaal woningen te realiseren voor alle sociale lagen, in aantrekkelijke wijken met voldoende groenvoor­ zieningen. Het vak van stedenbouw komt tot ontwikkeling en ook expertise op het gebied van groenontwerp, aanleg en beheer wordt binnen de gemeente als belangrijke taak gezien. Aan alle zijden van de stad vinden uitbreidingen plaats, in de vorm van aaneengesloten bebouwing met gesloten bouwblokken of tuindorpen. De ideaalvorm van wonen wordt gezien als een vrijstaande woning met een tuin, maar omdat dit op een betaalbare wijze voor grote aantallen in een dichte stedelijk context volstrekt onhaalbaar is, zoekt men naar modellen die hierbij passen.

In de loop van de verschillende uitbreidingsperiodes zijn er accentverschillen en ontwikkelingen in de ontwerp- en beheervisies te zien in het groen die samenhangen met de stedenbouwkun­ dige opgaven. De verschillende ‘groeiringen’ van Amsterdam zijn daardoor duidelijk herkenbaar als verschillende historische lagen. Ze hebben elk een eigen karakter en dragen bij aan de iden­ titeit en de leesbaarheid van de stad. Bovendien is de ontwerpkwaliteit in Amsterdam in vrijwel alle periodes van uitzonderlijk hoge kwaliteit.

De tuindorpen komen zo dicht mogelijk bij dat ideaal. In de delen met een grotere dichtheid zijn de blokken dieper dan voorheen, waardoor ruime groene binnenhoven worden gecreëerd. Sommige daarvan zijn als collectief groen ingericht, andere als privétuinen. De woningen in de villawijken zijn omgeven door groen. Straatprofielen in vroeg 20e -eeuwse uitbreidingen omvat­ ten steevast mee ontworpen beplanting en bomen. In de nieuwe wijken zijn veel pleinen, plant­ soenen en voortuinen opgenomen.

Bij het verder versterken van de Hoofdgroenstructuur en vergroenen van bestaande en nieuwe stadswijken is het van belang dat het groen dat gerealiseerd wordt aansluit op de stedenbouw­ kundige structuur, de ritmiek van de verkaveling en het gevelbeeld. Nieuw groen versterkt zo veel mogelijk de oorspronkelijke groene kwaliteiten. Hieronder zijn de ruimtelijke systemen met bijbehorende groentoepassing op hoofdlijnen beschreven. In het Handboek Groen is een kaart met de ruimtelijke systemen opgenomen en zijn de kenmerken nader uitgewerkt.

Nieuwe ideeën over verbindingen tussen het stadsgroen en het omliggende landschap komen in zwang, zoals de ‘parkway’. De Apollolaan is daar een voorbeeld van. Ideeën voor een integraal netwerk dat zorgt voor een fijnmazig, ononderbroken groensysteem van de woning tot in het buitengebied worden onderzocht en op hoofdlijnen uitgewerkt. Plan Zuid is het eerste steden­ bouwkundige plan met integraal ontworpen groenstructuur . Ook komen er grootschalige groen­ voorzieningen tot stand en start aanleg van het Amsterdamse Bos en Florapark. Sociale wetten zoals de achturige werkdag maken tijd vrij voor recreatie. Het Vliegenbos, het eerste stadsbos voor arbeiders, opent in 1911. Langs de Zuidelijke Wandelweg en bij het Mosplein komen de eerste sportterreinen. De eerste volkstuinen, die nadrukkelijk bedoeld waren voor sierplanten, en al snel als verblijfstuin en wandelpark voor omwonenden, worden vanaf 1909 in gebruik geno­ men en de eerste schoolwerktuinen in 1920, in het Spaarndammerplantsoen.

Groentoepassing in verschillende ruimtelijke systemen

17e -eeuwse stadsuitleg (1585-1860) In contrast met de dicht bebouwde Middeleeuwse binnenstad wordt de 17e-eeuwse grach­ tengordel gebouwd door en voor de gegoede burgerij. Het ontwerp toont het streven naar een optimaal woonmilieu met daarin plek voor vergroening. Kenmerkend zijn de gesloten bouwblok­ ken met diepe keurtuinen. De waardering voor groen komt in de grachtengordel ook tot uitdruk­ king in de systematische aanplant van bomen in de openbare ruimte. De Plantage, Wertheimpark, dierentuin Artis en tuinen bij het Tolhuis en langs het Slatuinenpad bevatten artsenijtuinen en uitgaansgelegenheden. Ze werden vooral aangelegd voor en door de welgestelden. 19e -eeuwse Ring (1860-1910) In de 19e eeuw neemt het inwoneraantal explosief toe. Tegelijk is er economische laag­ conjunctuur en wordt de stad niet gezien als aantrekkelijk woonmilieu voor de gegoede burgerij. De overheid werkte in die tijd niet aan stadsuitbreidingen en huisvesting voor de lagere klassen, maar wilde wel graag de welgestelden aantrekken. Uiteindelijk leidt dit tot een uitbreidingsplan voor een Ring om de stad, met daarin aparte wijken voor verschillende bevolkingslagen.

80

Rond 1900 volgt een kentering: het belang van leefbare buurten met groenvoorzieningen en wandelparken voor alle bevolkingslagen wordt onderkend als noodzakelijk onderdeel van de nieuwe uitbreidingswijken. En dit wordt een taak van de overheid. Het Vondelpark en het Sarpha­ tipark zijn voor welgestelden. Het inmiddels niet meer bestaande Westerplantsoen is in 1857 het eerste Amsterdamse publiek toegankelijke wandelparkje. Pas in 1890-91 volgen het Westerpark en Oosterpark.

Beleidskader Puccinimethode

In de opzet van de woonwijken vindt een omkering plaats: in plaats van een groene aankleding van straten en pleinen wordt er in wezen een groen tapijt ontworpen waarop open strokenver­ kaveling komt in de plaats van het gesloten bouwblok. Er is een graduele en soms zelfs naadloze overgang tussen het privé en openbare groen. Het buurtgroen vormt een doorgaand groensys­ teem en staat in directe verbinding met het collectieve groen van de hoven en het openbare groen van groenstroken, plantsoenen en parken. In de AUP-wijken zoals de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert kan dit opgevat worden als een grote aaneengeschakelde tuin waarin gewoond wordt. In latere wijken zoals de Bijlmermeer, Plan van Gool en Molenwijk zijn deze ideeën verder uitgewerkt en opgeschaald tot wonen in een parkomgeving. Het leidt tot een explosieve toename van het aandeel groen in de stad met als hoogtepunt de Bijlmermeer. Bijlage

Bijlage

Het groen in de openbare ruimte bestaat uit incidentele boomaanplant in de arbeiderswijken en uit structurele aankleding in zichtassen en langs hoofdwegen, zoals de Ceintuurbaan en Weesper­ zijde. De chique Vondelparkbuurt vormt als particulier initiatief een uitzondering en is ruim voor­ zien van tuinen, laanbeplanting en plantsoenen.

Algemeen Uitbreidingsplan (1945-1970) Om steeds beter grip te krijgen op de grote volkshuisvestelijke, stedenbouwkundige opgaven en de geformuleerde idealen van goed wonen met zoveel mogelijk licht, lucht en groene ruimte, wordt in het kader van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van 1934 voor het eerst op basis van statistisch onderzoek een stadsbreed uitbreidingsplan inclusief groensysteem opgezet. Het vak van landschapsontwerper komt tot ontwikkeling en de gemeente breidt haar expertise verder uit. Per inwoner wordt precies berekend hoeveel en op welke afstand buurt-, park-, school,- volk­ stuin- en sportgroen nodig is, geïnspireerd door buitenlandse normen. Het vormt ook de basis van de huidige hoofdgroenstructuur die met haar diepe scheggen de stad in steekt.

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

81

Compacte Stad (1970-1996) In de jaren ’70 en ’80 is door de focus op de stadsvernieuwing en de opkomst van de Compacte Stad-gedachte minder aandacht voor het stedelijk groen. De opkomst van de ecologische vakkennis leidt tot een andersoortig beheer met een grotere nadruk op het vergroten van de biodiversiteit. In dezelfde periode is te zien dat veel groene plantsoenen in pleinen en straten worden vervangen door onderhoudsarmere bestrating. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen was in de openbare ruimte was in deze periode wijdverbreid. Ook komt er meer aandacht voor participatie en individuele expressie. Nieuwe wijken moeten vooral kind- en voetgangersvriendelijk zijn, daardoor is er veel aandacht voor het buurtgroen. Het woonerf is daarvan een sprekend voorbeeld. Nieuwe wijken als Nieuw Sloten, Venserpolder en KNSM-eiland grijpen terug op een traditionele stedenbouwkundige opzet, waarbij openbaar groen beperkt blijft tot laanbeplanting en plantsoenen. Veel parken en nieuwe parken, worden voltooid: Sloterpark, Rembrandtpark, Amstelpark en Gaasperplaspark. Verdichtende stad (1996-2020) Vanaf eind jaren ’90 komt bij de toenemende marktwerking in de woningbouw (openbare) groenaanleg vaak in de knel. Op de Oostelijke Eilanden en IJburg zijn parkruimtes in het weefsel van gesloten en halfopen bouwblokken opgenomen. Soms vervangt het omringende water het groen in de openbare ruimte.

Groen wordt in de verdichtende stad steeds meer gezien als een bijdrage aan een goed leefklimaat en een belangrijke vestigingsfactor voor bewoners en bedrij­ ven. Het groen vertoont zich in vele gedaantes: tuinen, bermen en taluds, parken, in vergroening van stadstraten, voor waterhuishouding en fijnstof-afvanging, als warmtebuffer. Groen in de buurt wordt versterkt in de vorm van postzegelparken, geveltuinen, buurtmoes­ tuinen en groene daken. De inbreng van bewoners in de groenvoorziening van de stad wordt steeds belangrijker. Parken waarvan het gebruik steeds gevarieerder en intensiever wordt, ontwikkelen zich als een soort groene pleinen in de stad en de druk van evenementen neemt toe, met navenante druk op de beplanting en natuurwaarden. Het vernieuwde Westerpark is hiervan een goed voorbeeld. Nieuwe groengebieden worden aangelegd als groene buffers en onderdeel van de ecologische hoofdstructuur in de stad zoals de Diemerscheg. Ze worden steeds meer gezien als schakels in de ecologische zones die stad en land verbinden. In 1996 wordt middels de Hoofdgroen­ structuur (HGS) grote delen van het Amsterdamse groen planologisch beschermd. In 2012 wordt de Amsterdamse ecologische structuur door de Raad vastgesteld en in 2018 de Hoofdbomen­ structuur.

82

Waar natuur in de stad voorheen nog als ‘surrogaat’ en als door ‘mensen gemaakte’ natuur werd gezien, wordt de ecologie van de stad inmiddels onderkent als eigen ‘stadsbiotoop’ die niet onderdoet voor die van het buitengebied. Ook wordt steeds meer het belang van de bodem­ kwaliteit ingezien, ingrepen in de bovengrondse openbare ruimte dienen ontwikkeld te worden vanuit de ondergrond en bij voorkeur te zorgen voor een verbetering daarvan.

Beleidskader Puccinimethode

De grote wens voor extra groen zorgt ervoor dat we nadenken over het beheer en inzetten op expertiseontwikkeling en integraal werken. In lijn met de ‘stadsbiotoop’, verandert het beheer steeds verder naar begeleiden in plaats van in stand houden. Ook qua ontwerp wordt er steeds beheerbewuster gekeken naar de toe te passen beplanting. Andersom zien we vanuit beheer meer bewustzijn voor het ontwerp.

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Bijlage

Bijlage

2020 en verder De opgave voor het nog verder verdichten van de stad is een grote prioriteit. Duidelijk is ook dat hieraan integraal ontworpen moet worden waarbij een veelheid aan eisen en ambities allemaal een plek moeten krijgen. Dat groen daarin een wezenlijke rol speelt om de opgaves met betrek­ king tot klimaatadaptatie en -mitigatie, gezondheid, biodiversiteit, erfgoedwaarden en sociaal welzijn zo goed mogelijk vorm te geven is ook duidelijk. Hoe dat in de stedenbouw, bebouwing en inrichting van de openbare zal landen, zal in de komende tijd duidelijk worden.

83

Actualisatie 2024 Opgesteld door directies V&OR en R&D Gemeente Amsterdam puccinimethode@amsterdam.nl amsterdam.nl/puccini LAS23200

Deel B Rood

Colofon

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13861872/1