CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bekendmaking Nadere regels

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 26 februari 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 en Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 (VN2025-000975)23.212 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:

Gemeenteblad 1 januari 2025 1 januari 2025 Ja De Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam juli 2024 wordt ingetrokken. n.v.t. n.v.t.

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025) Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op de artikelen 2.1, tiende lid; 3.1, derde lid; 4.1, vierde lid; 4.12, derde lid; en 5.3.2, zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, besluit de volgende regeling vast te stellen: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025

Artikel I Nadere Regels Hoofdstuk 1 Toegang Artikel 1.1 Aanvraag persoonsgebonden budget (artikel 2.5 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 2.5 van de Verordening stelt de cliënt voor de aanvraag van een persoonsgebonden budget een pgb-plan op. In het pgb-plan motiveert de cliënt waarom hij een pgb wenst en vermeldt hij door wie de ondersteuning geleverd wordt. 2. Indien de aanvraag voor een persoonsgebonden budget een maatwerkvoorziening voor aanvullende individuele ondersteuning, dagbesteding, hulp bij het huishouden, begeleid thuis of logeeropvang betreft, worden bij het pgb-plan ingediend: a. een zorgplan, waarin de betrokken hulpverlener aangeeft welke bijdrage hij levert aan de doelen van de cliënt en in geval van hulp bij het huishouden een activiteitenoverzicht; b. indien de hulp geleverd wordt door een professionele zorgverlener een KvK uittreksel met een SBI-code; c. indien cliënt onder curatele staat of wanneer zijn zaken onder bewind zijn gesteld een afschrift van de rechterlijke uitspraak;

d. een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van de betrokken hulpverlener, tenzij de hulpverlener een familielid, tot in de vierde graad, is van de cliënt. 3. In afwijking van het eerste lid kan bij de aanvraag van een persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel een pgb-plan achterwege blijven. Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2.1 Kortdurende opvang (artikel 3.5 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 3.5 eerste lid van de Verordening kan kortdurende opvang worden geboden in een van de volgende vormen: a. laagdrempelige 24-uursopvang voor de duur van drie maanden, met de mogelijkheid tot verlenging indien een uitstroomperspectief is vastgesteld, dat is gericht op: i. onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en het uitstroomperspectief; ii. het direct bieden van praktische ondersteuning waaraan de cliënt dient mee te werken; en iii. het vinden van een alternatieve verblijf- of woonoplossingen onder meer in het netwerk of buiten de regio; b. kortdurende (nood)opvang voor dakloze gezinnen voor gezinnen die op de wachtlijst staan voor beschermd verblijf of begeleid thuis en geen alternatief hebben ter overbrugging; c.

winteropvang gedurende de periode december tot april voor personen met langdurige binding met Amsterdam die niet in staat zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van hun sociaal netwerk, te handhaven in de samenleving en zelf in hun onderdak te voorzien; d. winterkoudeopvang, aanvullend op de winteropvang bij een gevoelstemperatuur onder het vriespunt en toegankelijk voor alle daken thuislozen in Amsterdam; e. inloopvoorzieningen als laagdrempelige dagopvang voor dak- en thuislozen. 2. In aanvulling op artikel 3.5 tweede lid van de Verordening wordt kortdurende opvang voor kwetsbare EU-burgers en ongedocumenteerde personen geboden in een van de volgende vormen: a. perspectiefopvang voor kwetsbare EU-burgers gericht op een zelfredzaam verblijf in Nederland dan wel repatriëring naar het land van herkomst; b. perspectiefopvang voor ongedocumenteerde mensen die niet rechtmatig in Amsterdam verblijven, in een crisissituatie verkeren en uitgesloten zijn van verblijf in de Landelijke Vreemdelingen Voorziening of een wettelijke Wmo opvangvoorziening, gericht op repatriëring naar het land van herkomst, dan wel het realiseren van een legaal verblijf in Nederland. 2

Artikel 2.2 Noodopvang en tijdelijke huisvesting (artikel 3.5 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 3.5 derde lid van de Verordening kan noodopvang of tijdelijke huisvesting worden geboden in een van de volgende vormen: a. passantenpension voor personen die voorafgaand minimaal drie jaar rechtmatig in Nederland hebben verbleven en minstens twee jaar daarvan via de Basisregistratie Personen staan ingeschreven in Amsterdam, gericht op: i. verblijf van tussen de zes en twaalf maanden waarin aan cliënt een plek wordt geboden om een oplossing voor het woonprobleem te zoeken; en ii. het bieden van praktische ondersteuning gericht op uitstroom waaraan de cliënt actief dient mee te werken door onder meer passende verblijfof woonoplossingen te accepteren; b. alternatieve tijdelijke huisvesting waarbij het college maatschappelijk partners stimuleert om alternatieve tijdelijke huisvesting te organiseren, waar Amsterdammers gedurende een jaar samen met ondersteuning zoeken naar een nieuwe woonoplossing; c. noodopvang voor dakloze gezinnen, waarvan alle leden de afgelopen vier jaar in de Basisregistratie Personen Amsterdam stonden ingeschreven, voor de duur van drie maanden met de mogelijkheid om te verlengen met drie maanden als het gezin voldoende meewerkt, gericht op: i.

het bieden van een plek waarin betrokkenen en hun kinderen een oplossing voor het woonprobleem kunnen zoeken; ii. het bieden van begeleiding gericht op uitstroom; en iii. het samen met het gezin opstellen van een evaluatie waarin de voortgang van het verblijf in de noodopvang wordt beschreven. 2. In aanvulling op het eerste lid onder c geldt bij co-ouderschap dat een ouder toegang tot de noodopvang voor dakloze gezinnen krijgt als: a. de ouder minimaal voor 50% van de tijd de zorg heeft voor kind(eren) of er sprake is van een gefaseerde terugplaatsing van kind(eren) voor minimaal 50% van de tijd; b. de gelijke verdeling van de zorg over beide ouders (50/50% regeling) is vastgelegd in een officieel ouderschapsplan, omgangsplan, plan van aanpak hulpverlening of perspectiefplan jeugdzorg; en c. het omgangsplan/ouderschapsplan is bekrachtigd door een mediator, notaris, een gecertificeerde instelling, professionele hulpverlener of is vastgesteld bij de rechtbank, of bij een relatiebreuk waarbij geen officiële instantie is betrokken het omgangsplan/ouderschapsplan is bekrachtigd met een gelegaliseerde handtekening. 3. In aanvulling op het eerste lid onder c gelden gedurende het verblijf in de noodopvang de volgende voorwaarden: a. het gezin werkt maximaal mee aan een traject dat gericht is op uitstroom, waar mogelijk binnen het eigen netwerk zijn; 3

b. het gezin schrijft zich in bij Woningnet en reageert wekelijks op maximaal kansrijke woningen; c. het gezin schrijft zich - gezien de lange wachtduur voor een sociale huurwoning in Amsterdam - in bij minimaal drie woningzoeksites in krimpregio’s, bij 15 (gratis) woningsites met lootwoningen en bij minimaal drie anticipeerregio’s en reageert iedere week op al deze sites aantoonbaar op woningen; d. het gezin betaalt de eigen bijdrage tenzij het gezin verblijft in een opvanglocaties waar huur betaald wordt; e. het gezin houdt zich aan de huisregels van de opvanglocatie; f. het gezin is niet zonder voorafgaande toestemming afwezig tussen 22:00 uur en 06:00 uur; g. het gezin weigert geen passende woning ; h. het gezin werkt mee aan overplaatsing binnen de keten van de gezinsopvang of daarbuiten; en i. het verblijf in de noodopvang telt niet mee bij het vaststellen van de bindingseis van vier jaar met Amsterdam. Hoofdstuk 3 Maatwerk voorzieningen Artikel 3.1 Toeslag gezamenlijk wooninitiatief op tarief voor begeleid thuis (artikel 4.2 Wmo-verordening 2025) In aanvulling op artikel 4.2 zesde lid van de Verordening wordt op het tarief begeleid thuis een toeslag voor een gezamenlijk wooninitiatief toegekend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

de zeggenschap van het initiatief ligt bij de bewoners, (onbezoldigde) familieleden of mantelzorgers en dit is verankerd in de statuten van een rechtspersoon zonder winstoogmerk; b. er is sprake van ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte waar gezamenlijke activiteiten worden georganiseerd; en c. er is sprake van een kleinschalige woonvorm waarin minimaal 5 en maximaal 26 cliënten op één adres of binnen een straal van 300 meter verblijven. Artikel 3.2 Besteding van het persoonsgebonden budget buiten Amsterdam (artikel 4.2 Wmo-verordening 2025) 1. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend kan dit, nadat hij hiervan melding heeft gedaan aan het college, voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Amsterdam. 2. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend kan dit, nadat hij hiervan melding heeft gedaan aan het college, voor ten hoogste zes weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg, te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Nederland. 4

3. De in het eerste en tweede lid bepaalde termijn kunnen met nogmaals hetzelfde aantal weken worden verlengd nadat de cliënt hiervan melding heeft gedaan aan het college. 4. Op de in het eerste en tweede lid bepaalde wijze van besteding zijn de bepalingen uit de Verordening en deze nadere regels onverminderd van toepassing. 5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als aan de cliënt een persoonsgebonden budget is toegekend voor hulp bij het huishouden. Artikel 3.3 Experimenteerruimte persoonsgebonden budget (artikel 4.2 Wmo-verordening 2025) 1. Het college kan in het kader van onderzoek naar nieuwe zorgvormen een persoonsgebonden budget toekennen voor een voorziening die vanwege het experimentele karakter afwijkt van hetgeen is geregeld in de Verordening en nadere regels. 2. Bij toepassing van het eerste lid kan het college besluiten dat de voorziening voor een afwijkende periode wordt toegekend, dat de inhoud en de vorm van de zorg afwijkt of dat een monitoring- en evaluatieprocedure wordt bepaald. 3. Het college kan op basis van de uitkomsten van de monitoring- en evaluatieprocedure besluiten dat de toegekende voorziening tussentijds wordt gewijzigd. 4. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van het pgb-tarief of bedrag van de voorziening die het meest aansluit bij de ondersteuningsvraag van de cliënt.

Artikel 3.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget (artikel 4.2 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.2 tweede lid van de Verordening weigert het college een persoonsgebonden budget als: a. het een aanvraag voor een voorziening betreft die reeds in natura is verstrekt of een aanpassing aan die voorziening; b. de persoon waarvoor de voorziening wordt aangevraagd jonger is dan 18 jaar en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel; c. voorzienbaar is dat in de (medische) situatie van de persoon met beperkingen zich binnen de looptijd van het persoonsgebonden budget een ingrijpende wijziging voordoet en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoel; d. aan de persoon voor wie de voorziening wordt aangevraagd door het college intensieve deskundige begeleiding (casemanagement) is toegekend voor het indienen van een aanvraag en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. 5

Artikel 3.5 Resultaatgebieden dagbesteding (artikel 4.4 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.4 van de Verordening kent het college een maatwerkvoorziening dagbesteding toe, gericht op de volgende resultaten: a. mogelijkheid tot inlopen; b. meedoen in de samenleving; c. meewerken in de samenleving; d. meewerken plus. 2. In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Verordening kan het college een cliënt toegang verlenen tot een voorziening als vermeld in het eerste lid onder a zonder dat een melding, onderzoek of aanvraag is gedaan. 3. Bij toepassing van het tweede lid kan het college na aanvang van de dienstverlening aan de cliënt, alsnog onderzoek doen naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Artikel 3.6 Aanvullende criteria begeleid thuis en beschermd verblijf voor gezinnen (artikel 4.5 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.5 van de Verordening kan het college een voorziening voor begeleid thuis of beschermd verblijf aan een gezin toekennen als naar het oordeel van het college de zelfredzaamheid van het gezin als geheel onvoldoende is en er noodzaak is om de opvoedvaardigheid te versterken en de kindveiligheid te waarborgen. 2.

In aanvulling op het eerste lid geldt in het geval van co-ouderschap dat een ouder in aanmerking komt voor begeleid thuis of beschermd verblijf als aan de in artikel 4.5 van de Verordening vermelde criteria is voldaan en: a. de ouder minimaal voor 50% van de tijd de zorg heeft voor kind(eren) of er sprake is van een gefaseerde terugplaatsing van kind(eren) voor minimaal 50% van de tijd; b. de gelijke verdeling van de zorg over beide ouders blijkt uit een officieel ouderschapsplan, omgangsplan, plan van aanpak voor hulpverlening of perspectiefplan jeugdzorg; en c. het omgangsplan/ouderschapsplan is bekrachtigd door een mediator, notaris, gecertificeerde instelling, professionele hulpverlener of is vastgesteld door de rechtbank, of in geval van een relatiebreuk waarbij geen officiële instantie is betrokken het omgangsplan/ ouderschapsplan is bekrachtigd met een gelegaliseerde handtekening. 3. In aanvulling op het eerste lid gelden gedurende de periode dat de voorziening voor begeleid thuis of beschermd verblijf is toegekend de volgende voorwaarden: 6

a. de ouder(s) dra(a)gt(en) gedurende het traject zorg voor (een) minderjarig(e) kind(eren); en b. de ouder(s) en de gezinsleden werkt(en) gedurende het traject mee aan begeleiding. 4. In aanvulling op het vorige lid gelden voor de periode dat een voorziening voor beschermd verblijf is toegekend de volgende voorwaarden: a. de ouder(s) en de gezinsleden werken gedurende het traject mee aan overplaatsing naar een andere locatie; b. de ouder(s) en de gezinsleden houden zich gedurende het traject aan de huisregels van de opvanglocatie; c. de ouder(s) en de gezinsleden accepteren een passende (omslag)woning als deze beschikbaar komt; d. de ouder(s) betalen de eigen bijdrage of huur of werken mee aan een betalingsregeling in het geval het inkomen ontoereikend is; e. de ouder(s) en de gezinsleden hebben geen verslaving of acute psychiatrische problematiek die zo ernstig is dat deze ondersteuningscapaciteit van de voorziening beschermd verblijf overstijgt; en f. in geval van co-ouderschap draagt de ouder minimaal 50% van de tijd zorg voor de kinderen om voor uitstroom naar een omslagwoning in aanmerking te komen. Artikel 3.7 Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang (beschermd verblijf) (artikel 4.5 Wmo-verordening 2025) 1.

Het college onderzoekt conform het Convenant Landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang, in welke gemeente de cliënt die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening opvang of beschermd verblijf, het beste opgevangen kan worden. Het college betrekt bij het onderzoek: a. de woongeschiedenis van de cliënt; b. de wens van de cliënt; c. het sociaal netwerk van de cliënt; d. werk, dagbesteding of onderwijs; e. hulpverlening of ondersteuningstrajecten; f. criminele activiteiten. 2. Indien het college, op grond van de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, van oordeel is dat de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio, dan neemt het college - in overleg met de cliënt - contact op met die andere gemeente of regio. 3. In het geval dat de andere gemeente of regio het oordeel van het college, zoals bedoeld in lid 2, deelt, dan vindt de overdracht van de cliëntgegevens én de cliënt onverwijld plaats, tenzij met de andere 7

gemeente of regio wordt overeengekomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject als deze overdracht later plaatsvindt. 4. Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen. 5. Indien het college en de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid. 6. Het college volgt in het geschil het oordeel van de in het vorige lid genoemde commissie. Artikel 3.8 Woonvoorzieningen - Primaat verhuizen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.7 tweede lid van de Verordening geldt verhuizen als de goedkoopst adequate voorziening voor de cliënt als verwacht kan worden dat binnen een termijn van twee jaar een meer geschikte woning beschikbaar komt. 2. In aanvulling op het eerste lid acht het college een woning geschikt als deze niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast dan de huidige woning van de cliënt. 3. Van het primaat verhuizen kan worden afgeweken als: a.

een verhuizing zal leiden tot een aanmerkelijke verschraling van het leven, onder meer door het verlies van de sociale infrastructuur; b. er een (sociaal-)medische contra-indicatie is voor verhuizing van de cliënt of de partner; c. de cliënt de woning in eigendom heeft en de kosten van woningaanpassing hoger liggen dan het bedrag dat is vastgelegd in artikel 4 vierde lid van het Financieel Besluit, waarbij het college de cliënt de keuze kan bieden tussen verhuizen met een financiële tegemoetkoming of een voorziening tot woonruimteaanpassing voor maximaal het bedrag van de financiële tegemoetkoming verhuizen. Artikel 3.9 Financiële tegemoetkoming verhuizen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.7, tweede lid van de Verordening kent het college een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing, inclusief de inrichting toe indien het voor de cliënt vanwege zijn beperkingen medisch noodzakelijk is om te verhuizen en de cliënt: a. verhuist naar een zelfstandige en geschikte, eventueel nog te (ver)bouwen woning; of b. verhuist naar een interim woning na ontslag uit een revalidatiecentrum. 8

2. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is een door het college vastgesteld bedrag. Het besluit over toekenning heeft een geldigheidsduur van vier jaar. 3. Het college kent geen financiële tegemoetkoming verhuizen toe in het geval: a. de cliënt de oude woning heeft verlaten voordat een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming verhuizen is ingediend en een onderzoek naar wat de goedkoopst adequate voorziening was geweest niet meer kan plaatsvinden; b. de cliënt verhuist naar een bijzonder type woonruimte waarvoor een financiële tegemoetkoming verhuizen onder de Wmo 2015 niet van toepassing is; of c. het een algemeen gebruikelijke verhuizing betreft. Artikel 3.10 Woonruimteaanpassingen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.7 van de Verordening kan het college een voorziening tot woonruimteaanpassing toekennen in of aan de woonruimte of daarbuiten, die aard- en nagelvast wordt aangebracht. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het college een voorziening tot woonruimteaanpassing in een gemeenschappelijke ruimte toekennen indien de cliënt de toegang tot de woonruimte uitsluitend via de gemeenschappelijke ruimten kan bereiken. 3.

Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op woonruimteaanpassingen in woonwagens met een vaste standplaats, woonschepen met een officiële ligplaats en het woonverblijf van binnenschepen indien de aanpassing past bij het karakter van de betreffende woonruimte en de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan tot de (technische) levensduur van de woonvorm. 4. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op woonruimteaanpassingen in woningen die zijn bedoeld voor mensen met een zwaar lichamelijke beperking die zijn aangewezen op hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL-assistentie) vanuit een centraal gelegen unit. 5. Het college kan een woonruimteaanpassing toekennen voor het plaatsen van een of meer bedieningselementen, indien deze elementen in relatie staan tot aard- en nagelvaste zaken in de woning. 6. Van lid 5 wordt afgeweken als voor het openen en sluiten van gordijnen het installeren van een bedieningselement de enige oplossing is. 7. Het college kent geen voorziening voor woonruimteaanpassing toe als: a. het een aanpassing uit therapeutisch oogpunt betreft; b. de noodzaak tot aanpassing het gevolg is van een verhuizing naar een ongeschikte woning; c. de aanpassing het aanbrengen van een inrichtingselement betreft. 8.

Het college kent geen voorziening voor woonruimteaanpassing toe bij de aankoop van een (nieuwbouw) woning, als bij het sluiten van het 9

definitieve koopcontract te voorzien was dat in deze woning aantoonbare beperkingen zouden worden ondervonden. 9. Op grond van artikel 2.3.7 Wmo 2015 is het college bevoegd om, indien het besluit tot toekenning van een woningaanpassing geldt voor een woning waarvan de cliënt niet de eigenaar is, de aanpassing zonder toestemming van de eigenaar aan te (laten) brengen. Het college zal de woningeigenaar vooraf horen. Artikel 3.11 Roerende woonvoorzieningen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.7 van de Verordening kan het college een roerende woonvoorziening toekennen in de vorm van een tillift of losse sanitaire voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn. 2. Het college kent een voorziening voor een tillift toe aan de cliënt die vanwege zijn beperkingen niet in staat is zelfstandig in en uit bed te gaan, niet zelfstandig in een rolstoel plaats kan nemen en langdurig op het gebruik van deze voorziening is aangewezen. 3. Het college kan een losse sanitaire voorziening toekennen aan een cliënt die vanwege zijn beperkingen niet staand kan douchen of problemen ondervindt bij de toiletgang of bij het gebruik van het bad en waarbij een algemeen gebruikelijke voorziening of een algemene voorziening de beperkingen niet (voldoende) opheft.

Artikel 3.12 Financiële tegemoetkoming tijdelijke huisvesting (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) Het college kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting toekennen, gerekend vanaf de tweede maand, als het voor de cliënt niet mogelijk is om zonder deze aanpassing normaal gebruik van de woning te maken. Het college bepaalt de hoogte en de wijze van berekening in het Financieel Besluit. Artikel 3.13 Financiële tegemoetkoming bij huurderving (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) Het college kan aan de verhuurder van een woning een financiële tegemoetkoming toekennen voor de kosten van huurderving van een aangepaste (rolstoelgeschikte) woning voor een periode van maximaal zes maanden, gerekend vanaf de tweede maand van leegstand. Artikel 3.14 Hulp bij het huishouden (artikel 4.8 Wmo-verordening 2025)

10

1. In aanvulling op artikel 4.8 van de Verordening onderscheidt het college bij de voorziening hulp bij het huishouden de volgende te bereiken resultaten: a. een schoon en leefbaar huis; b. beschikken over schone was; c. beschikken over boodschappen; d. beschikken over maaltijden. 2. Per resultaat worden in een ondersteuningsplan de afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, resultaten en activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning. 3. In aanvulling op het tweede lid worden op basis van de maatstaf in bijlage 1 in een afsprakenoverzicht de activiteiten en frequentie van de activiteiten vastgelegd. 4. In aanvulling op het vorige lid kan een cliënt verzoeken om een beschikking in uren. 5. Het college kan voor een periode van maximaal drie maanden een voorziening voor het thuis zorgen voor kinderen toekennen bij ontwrichting of calamiteiten. Het college betrekt hierbij de maatstaf in bijlagen 3 en 4. Artikel 3.15 Hulp bij het huishouden OGGZ (artikel 4.8 Wmo-verordening 2025) 1. Het college kan een voorziening voor hulp bij het huishouden OGGZ toekennen als de cliënt onvoldoende in staat is om in zijn eigen bestaansvoorwaarden te voorzien en er sprake is van: a. Een ernstig vervuild huishouden of een onveilige woning als gevolg van een psychische beperking of een verslaving; en b. meerdere problemen op andere leefgebieden. 2.

De voorziening hulp bij het huishouden OGGZ is gericht op: a. een veilige en hygiënische leefomgeving voor de cliënt en de omwonenden; en b. waar mogelijk een zodanige organisatie van het huishouden dat ondersteuning kan worden overgenomen door de reguliere hulp bij het huishouden. Artikel 3.16 Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak (artikel 4.8 Wmo-verordening 2025) 1. Het college kan een voorziening voor hulp bij het huishouden bijzondere schoonmaak toekennen als: a. inzet van hulp bij het huishouden OGGZ geboden is, maar niet structureel ingezet kan worden omdat de woning te vol staat of te ernstig vervuild is; of b. er sprake is van een acute of urgente situatie waarbij sprake is van veiligheids- en gezondheidsrisico's voor de cliënt of de omwonenden. 11

2. De voorziening hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak wordt éénmalig en in een aaneengesloten periode toegekend en is gericht op: a. een veilige, hygiënische leefomgeving voor de cliënt en de omwonenden; en b. het creëren van voorwaarden voor de meer structurele inzet van hulp bij het huishouden OGGZ, reguliere hulp bij het huishouden of aanvullende individuele ondersteuning of begeleid thuis. Artikel 3.17 Vervoersbehoefte (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) In aanvulling op artikel 4.9 derde lid van de Verordening betrekt het college bij het vaststellen of een cliënt in aanmerking komt voor een Wmo vervoersvoorziening: a. de individuele vervoersbehoefte van de aanvrager aan sociaalrecreatieve activiteiten; b. de beperkingen van de aanvrager; c. de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in die vervoersbehoefte te voorzien; en d. de mogelijkheid van de aanvrager om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van een vervoersvoorziening. Artikel 3.18 Collectief vervoer (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1.

Bij toepassing van artikel 4.9 eerste lid van de Verordening draagt het college zorg voor collectief vervoer naar bestemmingen in de directe woon- en leefomgeving van de cliënt met een maximum van 25 kilometer per rit, volgens een erkende routeplanner, gerekend vanaf het woonadres of zoveel meer als nodig om vanaf het woonadres een bestemming binnen Amsterdam te bereiken. 2. Een cliënt kan op aanvraag bij de vervoerder een reisgenoot meenemen. De reisgenoot maakt dezelfde reis als cliënt en behoeft geen begeleiding van de chauffeur, tenzij de reisgenoot zelf ook in aanmerking komt voor het collectief vervoer. 3. In het geval van kinderen met een beperking jonger dan 12 jaar en voor ouders met een beperking met kinderen jongen dan 12 jaar kunnen alle gezinsleden meereizen tegen betaling van dezelfde ritbijdrage als de pashouder. Kinderen jonger dan 12 jaar dienen altijd onder begeleiding van een volwassen begeleider gebruik te maken van het vervoer; 4. Voor reisgenoten geldt geen ritbijdrage in het geval: a. de reisgenoot een cliënt in het bezit van een OV-Begeleiderskaart begeleidt; b. de reisgenoot een cliënt met indicatie “Begeleider verplicht” begeleidt; of 12

c. van kinderen tot en met 3 jaar en deze onder begeleiding van een volwassene gebruik maakt van het vervoer. 5. Een sociaal reisgenoot waarop lid 3 of 4 niet van toepassing is, betaalt dezelfde ritbijdrage als de cliënt. Artikel 3.19 Vormen van collectief vervoer (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1. Het college kan collectief vervoer toekennen op een van de volgende wijzen: a. Deur tot deur samenreizend vervoer vanaf de deur van het vertrekadres tot aan de deur van het bestemmingsadres, met indien nodig begeleiding of ondersteuning door de chauffeur bij het bereiken van het voertuig, het bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen, voor maximaal 1500 kilometer per jaar; b. Deur tot deur plus vervoer vanaf de voordeur van de eigen woning tot aan de voordeur van het bestemmingsadres, met begeleiding of ondersteuning door de chauffeur bij het bereiken van het voertuig, het bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen, indien de cliënt langdurig geen gebruik kan maken van de voorziening onder a; of c. Kamer tot kamer vervoer vanuit de woning van de cliënt of een ander gebouw tot aan de te bezoeken ruimte op het bestemmingsadres, met begeleiding of ondersteuning door de chauffeur bij het verlaten of betreden van het woon- of bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen, indien de cliënt langdurig geen gebruik kan maken van de voorziening onder b. 2.

Het college kan, in afwijking van het in het eerste lid onder a een hoger kilometertegoed toekennen als de cliënt: a. mantelzorger is, of regelmatig een unieke specifieke locatie bezoekt die niet dichterbij te vinden is en deze locatie noodzakelijk is voor zijn welbevinden; b. meer dan 800 meter van een OV-halte woont; en c. de verplaatsing niet met een voorliggende oplossing uitgevoerd kan worden. Artikel 3.20 Aanvullende vervoersspecificaties (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1. Het college kan in aanvulling op de vervoersvoorzieningen in artikel 3.19, eerste lid onder a tot en met c de volgende vervoersspecificaties toekennen: a. gratis ritten tot 800 meter: indien de cliënt als gevolg van objectief aangetoonde belemmeringen in de sta- of loopfunctie niet in staat is zichzelf lopend of zelfstandig rijdend in een rolstoel of vervoermiddel voor de korte afstand te verplaatsen over een afstand tot 100 meter; 13

b. begeleider verplicht: indien de cliënt ouder is dan 12 jaar en vanwege storend gedrag tijdens het vervoer met een volwassen begeleider die in staat is om de benodigde begeleiding te bieden, moet reizen. 2. Het college kan in aanvulling op de vervoersvoorzieningen in artikel 3.19, eerste lid onder b en c de volgende vervoersspecificaties toekennen: a. alleen reizen: indien vanwege de beperking van de cliënt alleen reizen noodzakelijk is; b. rechtstreeks vervoer: indien vanwege de beperking van de cliënt een minimale reistijd noodzakelijk is. 3. Het college kan in aanvulling op de vervoersvoorziening in artikel 3.19, eerste lid onder c de volgende vervoersspecificaties toekennen: a. tilservice: bij het verlaten of betreden van de eigen woning, over maximaal drie etages, voor zover toegestaan onder de ARBOwetgeving; b. overdrachtservice: indien vanwege de beperking van de cliënt een overdracht bij het ophalen en op de plaats van bestemming noodzakelijk is. Artikel 3.21 Fietsen en speelvoertuigen (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1.

In aanvulling op artikel 4.9 tweede lid van de Verordening kan het college een driewielfiets, loopfiets, handbike of een rolstoelfiets toekennen als de cliënt als gevolg van beperkingen in de sta- en loopfunctie problemen ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis over afstanden tot 500 meter en de cliënt een dagelijkse vervoersbehoefte in zijn leefgebied heeft van maximaal 8 kilometer waarin niet of niet volledig op andere wijze voorzien kan worden. 2. In aanvulling op het vorige lid kan het college een voorziening tot aanpassing van een driewielfiets, loopfiets, handbike of een rolstoelfiets toekennen als dit vanwege de beperkingen van de cliënt dan wel diens vaste begeleider medisch noodzakelijk is. 3. Het college kan een aangepast kinderzitje toekennen indien het voor de ouder(s) noodzakelijk is dat zij hun kind meenemen bij verplaatsingen in het kader van het leven van alledag en hierin niet op andere wijze in kan worden voorzien. 4. In aanvulling op het eerste lid kan het college, naast de voorziening, een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer toekennen als de cliënt een aantoonbare vervoersbehoefte heeft waarin de fiets niet voorziet en waarop ook niet op andere wijze kan worden voorzien. 5. Het college kan een speelvoertuig toekennen aan: a.

een kind jonger dan 12 jaar dat als gevolg van motorische beperkingen, al dan niet in combinatie met- of ten gevolge van- zintuiglijke of cognitieve beperkingen, geen gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijk speelvoertuig of voorliggende voorziening; of 14

b. een kind dat als gevolg van een cognitieve of verstandelijke handicap in combinatie met motorische beperkingen geen gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijk speelvoertuig of voorliggende voorziening en niet woonachtig is in een Wlz-instelling. Artikel 3.22 Scootmobiel (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.9 tweede lid van de Verordening kan het college een scootmobiel toekennen als de cliënt objectief aangetoonde ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie ondervindt en hierdoor problemen bij het verplaatsen buitenshuis ervaart over afstanden tot 500 meter en er geen gebruik gemaakt kan worden van het openbaar vervoer of andere voorliggende voorzieningen. 2. In aanvulling op het vorige lid kent het college uitsluitend een scootmobiel toe als een geschikte stallingsmogelijkheid met aansluitpunt voor opladen aanwezig is, of deze stallingsmogelijkheid gerealiseerd kan worden. 3. In aanvulling op het eerste lid kan het college een aanpassing aan een scootmobiel toekennen als dit vanwege de beperkingen of de fysieke gesteldheid van de cliënt noodzakelijk is. 4.

In aanvulling op het eerste lid kan het college een tegemoetkoming voor het gebruik van (rol)stoeltaxi of vervoer door derden toekennen als de cliënt een aantoonbare vervoersbehoefte heeft op de langere afstand waarin niet kan worden voorzien met het collectief vervoer omdat er een contra indicatie is voor het collectief vervoer. 5. In aanvulling op het eerste lid kan het college een tegemoetkoming toekennen voor het veilig stallen en op laden van een scootmobiel in een openbare overdekte stalling. Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt is gelijk aan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten. Artikel 3.23 Financiële tegemoetkoming voor gebruik (rolstoel)taxi of vervoer door derden (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.9, tweede lid van de Verordening kan het college een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een (rol)stoeltaxi of vervoer door derden toekennen als de cliënt objectief aangetoonde belemmeringen in de sta- en loopfunctie ondervindt en hierdoor problemen ervaart bij het verplaatsen buitenshuis op alle afstanden en het openbaar vervoer, collectief vervoer en andere verplaatsingsmiddelen met uitzondering van auto(bus) en gesloten buitenwagen geen adequate oplossing bieden. 2. Bij toepassing van het eerste lid kan de cliënt kiezen voor een vastgesteld standaardbedrag dan wel een gemaximeerd 15

maatwerkbedrag waarbij alle werkelijk gemaakte kosten middels declaratie verantwoord worden. Artikel 3.24 Gesloten buitenwagen (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.9, tweede lid van de Verordening kan het college een gesloten buitenwagen toekennen als de cliënt objectief aangetoonde belemmeringen in de sta- en loopfunctie ondervindt waardoor hij problemen ervaart bij het zich verplaatsen buitenshuis, zowel op de korte als op de langere afstanden en op grond van medische en functionele beperkingen vast komt te staan dat er geen andere adequate voorziening is waarmee kan worden voorzien in de oplossing van het probleem. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het college een voorziening tot aanpassing van de gesloten buitenwagen toekennen als dit vanwege de beperkingen of de fysieke gesteldheid van de cliënt medisch noodzakelijk is. 3. In aanvulling op het eerste lid kan het college een financiële tegemoetkoming toekennen voor het parkeren van de gesloten buitenwagen bij de woning van de cliënt, indien parkeren op het trottoir niet mogelijk is. 4.

In aanvulling op het eerste lid kan het college een financiële tegemoetkoming toekennen voor het gebruik van een gesloten buitenwagen indien dit voor de cliënt leidt tot meerkosten ten opzichte van de situatie voor de aanvraag en ten opzichte van andere personen zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie. Artikel 3.25 Auto en autobus (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.9, tweede lid van de Verordening kan het college een auto of autobus toekennen als de cliënt objectief aangetoonde belemmeringen in de sta- en loopfunctie ondervindt waardoor hij problemen ervaart bij het zich verplaatsen buitenshuis, zowel op de korte als op de langere afstanden en op grond van medische, sociale en functionele beperkingen vast komt te staan dat er geen andere adequate voorziening is waarmee kan worden voorzien in de oplossing van het probleem. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt dat een auto of autobus slechts kan worden toegekend als: a. de cliënt ouder dan 18 jaar is; b. in het bezit is van een geldig rijbewijs; en c. de cliënt verzekerd is voor wettelijke aansprakelijkheid. 3. In aanvulling op het eerste lid kan het college een voorziening tot aanpassing van de bruikleen auto of autobus toekennen als dit als dit 16

vanwege de beperkingen of de fysieke gesteldheid van de cliënt medisch noodzakelijk is. 4. Het college kan een voorziening tot aanpassing van de eigen auto van de cliënt toekennen als de auto alleen door een redelijke aanpassing bruikbaar is, de auto in goede staat verkeert, niet ouder is dan drie jaar of de maximale levensduur niet binnen vijf jaar wordt bereikt en er niet op andere adequate wijze kan worden voorzien in een oplossing. 5. Het college kent een voorziening als bepaald in het vorige lid maximaal eenmaal in de vijf jaar toe. Een voorziening voor overplaatsing van aanpassingen binnen een periode van vijf jaar komt alleen voor toekenning in aanmerking als aangetoond wordt dat vervanging van de auto door medische of sociale redenen noodzakelijk is. 6. Het college kan een financiële tegemoetkoming voor een speciale autostoel toekennen indien: a. een autostoel niet als voornaamste doel heeft de zithouding te verbeteren; b. de stoel niet normaal in de handel verkrijgbaar is; c. de belanghebbende reeds klachten krijgt na het rijden van enkele kilometers of binnen een kwartier; d. de aanschaf van de stoel niet uit preventief oogpunt geschiedt; e. de persoon met beperkingen bij de aankoop van de auto rekening heeft gehouden met zijn/haar beperkingen en het noodzakelijke zitcomfort; en f.

er geen andere hulpmiddelen zijn om de stoel adequaat te maken voor de korte en middellange afstand. 7. Het college kan een financiële tegemoetkoming voor een aangepast autozitje toekennen indien het voor de ouder(s) noodzakelijk is dat zij hun kind meenemen bij verplaatsingen in het kader van het leven van alledag en hierin niet op andere wijze in kan worden voorzien. 8. Het college kan eenmaal in de vijf jaar een financiële tegemoetkoming voor een aangepast autozitje in de eigen auto van de cliënt toekennen. Binnen deze periode wordt een tegemoetkoming voor de kosten van overzetting van een autozitje enkel toegekend als is aangetoond dat vervanging van de auto noodzakelijk was als gevolg van een gewijzigde medische of sociale situatie. 9. In aanvulling op het eerste lid kan het college een voorziening verstrekken voor rijlessen of -instructies voor het kunnen bedienen vanen deelname aan het verkeer met een aangepaste auto of autobus als de cliënt nog onvoldoende vaardigheid heeft om het voertuig te bedienen of onvoldoende rijvaardig is om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. 10. In aanvulling op het eerste lid kan het college een financiële tegemoetkoming voor het aanleggen van een parkeerplaats voor een auto of autobus toekennen als de cliënt in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerplaats. 11.

In aanvulling op het eerste lid kan het college een financiële tegemoetkoming toekennen voor het gebruik van een (eigen) auto of autobus indien dit voor de cliënt leidt tot meerkosten ten opzichte van de 17

situatie voor de aanvraag en ten opzichte van andere personen zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie. Artikel 3.26 Financiële tegemoetkoming vervoer dagbesteding (artikel 4.9 Wmo-verordening 2025) In aanvulling op artikel 4.4 van de Verordening en de Toelichting hierop, kan het college een financiële tegemoetkoming toekennen voor vervoer van en naar dagbesteding als de cliënt de voorziening voor dagbesteding met een persoonsgebonden budget inkoopt en er geen andere mogelijkheden zijn om in een adequate oplossing te voorzien. Artikel 3.27 Rolstoelen en aanvullende voorzieningen (artikel 4.10 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 4.10 van de Verordening kan het college een handbewogen rolstoel toekennen als het voor de cliënt medisch noodzakelijk is om zich het grootste deel van de dag zittend te verplaatsen en niet op een andere wijze in een oplossing kan worden voorzien. 2. Bij toepassing van het eerste lid kan het college een handbewogen rolstoel toekennen in de vorm van: a. een zelfbeweger waarin de cliënt zichzelf kan voortbewegen; of b. een duwwandelwagen als de cliënt zich niet zelf kan of wil voortbewegen en er een of meerdere personen in het netwerk van de cliënt zijn die de rolstoel kan duwen. 3.

Het college kan een elektrische rolstoel toekennen als aan de voorwaarde in lid 1 is voldaan en vastgesteld is dat een handbewogen rolstoel niet geschikt of toepasbaar is. 4. Het college kan een voorziening voor een standaard of individuele aanpassing aan een rolstoel toekennen als dit medisch noodzakelijk is voor het gebruik van de rolstoel. 5. Het college kan een financiële tegemoetkoming toekennen voor vergoeding van vervoerskosten voor gebruik van een rolstoeltaxi of vervoer door derden als aan de voorwaarde in lid 3 is voldaan en er een aantoonbare vervoersbehoefte is op de langere afstand waarin niet kan worden voorzien met het collectief vervoer omdat er een contra indicatie is voor het collectief vervoer Hoofdstuk 4 Tegemoetkomingen Artikel 4.1 Financiële tegemoetkoming wijziging geslachtsregistratie (artikel 5.1 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 5.1 van de Verordening kan het college een financiële tegemoetkoming voor de noodzakelijke administratieve kosten bij wijziging geslachtsregistratie in de geboorteakte, de Basisregistratie Persoonsgegeven en de identiteitsdocumenten toekennen als de een 18

2. a. b.

c.

cliënt hiervoor geen vergoeding krijgt via de bijzondere bijstand en de geboorteplaats van de cliënt eveneens niet voorziet in een tegemoetkoming in deze kosten. De tegemoetkoming heeft betrekking op: de kosten voor het vervangen van de identiteitsdocumenten bij het wijzigen van de geslachtsaanduiding en – eventueel- voornaam; de kosten die gemaakt worden in verband met de noodzakelijke deskundigenverklaring voor een wijziging van ‘man’ naar ‘vrouw’ en van ‘vrouw’ naar ‘man’ in de geboorteakte en Basis Registratie Persoonsgegevens; en de eigen bijdrage voor het verzoekschrift bij de Rechtbank voor het aanvragen van een ‘x’ in de identiteitsdocumenten.

Artikel 4.2 Financiële tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 5.1 van de Verordening kan het college een financiële tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening of aanpassing van een sportvoorziening toekennen voor structurele sportbeoefening in verenigingsverband aan een cliënt die vanwege beperkingen niet in staat is om zonder deze voorziening sport te beoefenen en die daardoor meerkosten ervaart ten opzichte van een persoon zonder beperkingen. 2. Een tegemoetkoming voor een niet-elektrisch aangedreven sportvoorziening wordt toegekend voor een periode van drie jaar. 3. Een tegemoetkoming voor een elektrisch aangedreven sportvoorziening wordt toegekend voor een periode van zes jaar. Artikel 4.3.1 Financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor mensen met een chronische ziekte of beperking (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. In aanvulling op artikel 5.2 van de Verordening kan het college een financiële tegemoetkoming in de meerkosten toekennen aan een cliënt met een laag inkomen en een bescheiden vermogen, die door een chronische ziekte of een beperking meerkosten ervaart. 2. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken in de vorm van een: a. tegemoetkoming energiekosten; b. tegemoetkoming kosten bewassing; c.

tegemoetkoming kosten ten gevolge van kledingslijtage; d. tegemoetkoming dieetkosten; e. basiscompensatie, als tevens een indicatie bestaat voor een tegemoetkoming onder a tot en met d; f. compensatie verplicht eigen risico, als tevens een indicatie bestaat een tegemoetkoming onder a tot en met d. 19

Artikel 4.3.2 Begripsbepalingen voor financiële tegemoetkomingen meerkosten voor mensen met een chronische ziekte of beperking (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. De begrippen in deze Nadere regels worden gebruikt in dezelfde betekenis als in de Wmo 2015. 2. Voorts wordt in deze Nadere regels verstaan onder: a. Bescheiden vermogen: Het vermogen dat de grenzen zoals genoemd in artikel 34 Participatiewet niet te boven gaat. b. Mensen met een chronische ziekte of beperking: Inwoners van de gemeente Amsterdam die blijkens een medische verklaring voor tenminste 12 maanden zodanig chronisch ziek zijn of fysieke of psychische beperkingen ondervinden, dat zij gedurende die periode noodgedwongen extra kosten maken. c. Fiscaal inkomen: Het brutoloon met daarbij gerekend belaste vergoedingen, waaronder begrepen de vergoeding van de werkgever voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, zoals dit blijkt uit de jaaropgave of inkomensspecificatie van een werkgever of een uitkeringsinstelling zoals WPI. d. Laag inkomen < pensioengerechtigde leeftijd (PGL): i. een fiscaal gezinsinkomen dat minder dan of gelijk is aan 130% van het bruto wettelijk minimumloon (WML) voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden; ii. een afgeleid percentage van het WML voor alleenstaanden of alleenstaande ouders dat elk half jaar door de directeur Inkomen wordt vastgesteld of; iii.

een fiscaal gezinsinkomen dat hoger is dan 130% van die normen, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Gemeentelijke Kredietbank of een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een schuldregeling van een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie. e. Laag inkomen > PGL: Een (pensioen) of ander fiscaal (gezins) inkomen dat minder dan of gelijk is aan 130% van de op de gezinssituatie van toepassing zijnde maximale bruto AOW norm, of meer dan 130% van die norm, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Gemeentelijke Kredietbank of een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. f. Peildatum: 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. g. Indien het inkomensniveau in het jaar van de peildatum niet beschikbaar is, wordt het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan de peildatum gebruikt. Hetzelfde geldt voor het vermogensniveau op de peildatum. 20

h. Vermogen: Alle bezittingen in geld en goederen behoudens een gebruikelijke woninginrichting en medisch noodzakelijke (vervoers)voorzieningen. Artikel 4.3.3 Aanvraag en toekenning (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. Het college verstrekt aan Amsterdammers met een chronische ziekte of beperking met een laag inkomen en niet meer dan een bescheiden vermogen op aanvraag een tegemoetkoming ter bestrijding van aannemelijke meerkosten. 2. Amsterdammers die in een instelling op basis van de Wlz of de Wmo verblijven komen niet in aanmerking voor de financiële tegemoetkoming in de meerkosten. Bij uitzondering kunnen Amsterdammers in een Wmoinstelling die bijdrageplichtig zijn of die een persoonlijke toelage op grond van de Participatiewet ontvangen, in aanmerking komen voor de module kledingslijtage en compensatie verplicht eigen risico zorgverzekering. 3. Een aanvraag (om herziening) voor een specifieke tegemoetkoming kan één keer per twaalf maanden worden ingediend. 4. Voor de toekenning wordt het laag inkomen < PGL of > PGL in aanmerking genomen zoals dat voor aanvragers gold op de peildatum. 5. In afwijking van het vorige lid kan een laag inkomen bestaand uit een sociale verzekeringsuitkering of voorziening die naar verwachting in het kalenderjaar blijft voortduren, tussentijds voor de toekenning in aanmerking genomen worden. 6.

Het toekenningsbesluit geldt voor twaalf maanden gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend en wordt telkens stilzwijgend verlengd met twaalf maanden, tenzij er geen noodzaak meer is voor ongewijzigde verlenging. Artikel 4.3.4 Uitkering (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) De vergoeding wordt afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en bestaat uit een of meer algemene vergoedingen en afhankelijk van de individuele omstandigheden een of meer specifieke vergoedingen. Artikel 4.3.5 Advisering (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. De samenstelling van de totale vergoeding wordt, voor zover het college dat nodig acht, vastgesteld na het inwinnen van advies van een door het college aangewezen medisch deskundige. 2. De medisch deskundige beoordeelt de mate waarin de gezondheidssituatie van de aanvrager naar verwachting over een periode van tenminste 12 maanden leidt tot bepaalde aannemelijke meerkosten zoals genoemd in artikel 5.2 lid 2. 21

3. Het advies van de medisch deskundige heeft een geldigheid van tenminste 12 maanden. 4. In afwijking van lid 1 kan de samenstelling van de totale vergoeding in overleg met een representatieve vertegenwoordigende organisatie en medisch deskundigen tot stand komen, als de vergoeding bestemd is voor een vastgestelde groep mensen met een chronische ziekte of beperking. Artikel 4.3.6 Herbeoordeling (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. Voor zover het college dat nodig acht wordt een toegekende tegemoetkoming, na stilzwijgende verlenging, tenminste eenmaal per vijf jaar herbeoordeeld door een medisch deskundige. 2. De medisch deskundige beoordeelt of de gezondheidssituatie en de aannemelijk te maken meerkosten afwijken van het eerdere advies en adviseert het college over de (gewijzigde) voortzetting van de vergoedingen. 3. Het inkomen en vermogen van deelnemers met een laag inkomen uit een (voortdurende) (pensioen) uitkering wordt eenmaal per vijf jaar herbeoordeeld. 4. Het inkomen en vermogen van deelnemers met een laag inkomen uit arbeid wordt jaarlijks herbeoordeeld.

Artikel 4.3.7 Afwijkende inkomenstoets (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) Indien reeds een inkomenstoets in het kader van een gemeentelijke regeling op grond van het armoedebeleid heeft plaatsgevonden en daarbij is vastgesteld dat het laag inkomen niet hoger is dan het relevante toetsbedrag, kan het college besluiten dat het inkomen niet opnieuw wordt getoetst. Artikel 4.3.8 Verplichtingen deelnemers (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) Mensen met een chronische ziekte of beperking die een vergoeding ingevolge deze regeling ontvangen zijn verplicht het college (WPI) in te lichten, indien hun inkomen of vermogen boven de grenzen bedoeld in artikel 4.3.2 van de Nadere Regels onder d tot en met h, zal stijgen. Artikel 4.3.9 Intrekken en terugvorderen (artikel 5.2 Wmo-verordening 2025) 1. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze regeling geheel of gedeeltelijk intrekken indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, terwijl de aanvrager wist, of redelijkerwijs had 22

kunnen weten dat deze onvolledig of onjuist waren en tot een ander besluit zouden hebben geleid. 2. Indien een besluit is ingetrokken kan op basis daarvan een reeds uitbetaalde vergoeding uit hoofde van deze regeling worden teruggevorderd, dit voor zover na de datum van het besluit tot toekenning van de voorziening nog geen vijf jaren zijn verstreken. 3. Indien een vergoeding uit hoofde van deze regeling abusievelijk ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan de aanvrager is uitbetaald, kan dit worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen Artikel 5.1 Intrekking oude nadere regels De Nadere regels maatschappelijke ondersteuning juli 2024 worden ingetrokken. Artikel 5.2 Inwerkingtreding Deze Nadere regels treden in werking op 1 januari 2025. Artikel 5.3 Citeertitel Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2025.

Toelichting op de Nadere regels Inleiding De Wmo-verordening 2025 regelt de maatschappelijke ondersteuning in Amsterdam voor mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen in Amsterdam. Amsterdammers worden ondersteund bij hun zelfredzaamheid en participatie. Met die ondersteuning moeten mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven. De gemeente voorziet ook in beschermd wonen en opvang. Dat is voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die de thuissituatie hebben verlaten al dan niet door veiligheidsrisico's als gevolg van huiselijk geweld. Deze Nadere regels zijn een verdere uitwerking van de Wmo-verordening. Hoofdstuk 1 Toegang Artikel 1.1 Aanvraag persoonsgebonden budget (artikel 2.5 in de Wmo-Verordening 2025) Geen toelichting nodig. 23

Hoofdstuk 2 Verordening – Algemene Voorzieningen Artikel 2.1 Kortdurende opvang (artikel 3.5 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 2.2 Noodopvang en tijdelijke huisvesting (artikel 3.5 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Hoofdstuk 3 Maatwerk voorzieningen Artikel 3.1 Toeslag gezamenlijk wooninitiatief op tarief voor begeleid thuis (artikel 4.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 3.2 Besteding van het persoonsgebonden budget buiten Amsterdam (artikel 4.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 3.3 Experimenteerruimte persoonsgebonden budget (artikel 4.2 in de Wmo-verordening 2025) Denk hierbij aan de situatie waar het huidige, bestaande aanbod niet heeft gezorgd voor verbetering bij de cliënt. Het is dan mogelijk om, bij wijze van experiment, andere, nieuwe vormen van zorg te proberen. Zo kan worden onderzocht of de cliënt beter ondersteund kan worden. Artikel 3.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget (artikel 4.2 Wmo-verordening 2025) In sommige situaties wordt de keuze voor een persoonsgebonden budget (pgb) beperkt. Daarbij spelen de volgende overwegingen:  De uitsluiting van een aanpassing aan een middel dat al in natura is verstrekt, voorkomt dat één voorziening twee eigenaren krijgt.

Voor een al verstrekt middel dat nog adequaat is, wordt geen pgb gegeven; de voorziening zal kortere tijd adequaat zijn dan de looptijd van het pgb.  Bij verstrekking in natura kunnen ingeleverde voorzieningen worden hergebruikt. Bij een middel dat door een cliënt met een pgb is gekocht, is hergebruik zeer complex, zo niet onmogelijk. Er ontstaan dan hoge extra kosten. Dit is het geval bij voorzieningen voor kinderen, voor zover die ‘mee moeten groeien’, en bij voorzieningen voor mensen bij wie te voorzien is dat de (medische) situatie binnen de looptijd van het budget ingrijpend zal veranderen. 24

De combinatie van een pgb met intensieve begeleiding maakt dat de functie van casemanager anders en moeilijker wordt. De casemanager heeft onder andere als taak om af te stemmen over beslissingen en toe te zien op leveringen van voorzieningen van gemeentelijke backoffices en leveranciers. Als een cliënt zou kiezen voor een pgb, dan zou de casemanager zich ook bezig moeten gaan houden met begeleiding bij het besteden van het pgb op de vrije markt. Dat zou de afstemming op genoemde punten moeilijker maken.

Artikel 3.5 Resultaatgebieden dagbesteding (artikel 4.4 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 Dagbesteding heeft vier mogelijke resultaten. Voor Amsterdammers vanaf 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd is de mogelijke inzet van betaald werk en ontwikkeling naar betaald werk het uitgangspunt (Meewerken-plus). En daarnaast ook het kunnen functioneren in een groep of in contact met anderen. Amsterdammers tot 18 jaar kunnen bij uitzondering, met een overdracht vanuit de Jeugdwet of de Participatiewet, ook dagbesteding vanuit de Wmo krijgen. De vier resultaatsgebieden zijn: 1. Mogelijkheid tot inlopen Dit resultaat biedt een laagdrempelige inloopmogelijkheid voor het zinvol invullen van de dag. De Amsterdammer kan hier een beschutte omgeving vinden in combinatie met sociaal contact. Met deze inloop worden Amsterdammers bereikt die zich niet zelf melden en die vaak professionele ondersteuning mijden waarvoor een melding of aanvraag nodig is. Het doel van de inloop kan ook zijn dat er een ondersteuningsplan wordt opgesteld of een doorverwijzing plaatsvindt. 2. Meedoen in de samenleving Dit resultaat biedt de Amsterdammer ondersteuning in groepsverband om (duurzame) sociale contacten op te bouwen en te onderhouden. De ondersteuning kan tot doel hebben om sociaal isolement en eenzaamheid tegen te gaan, een stabiele dagstructuur te creëren of vaardigheden te oefenen. 3.

Meewerken in de samenleving Het resultaat Meewerken in de samenleving is bedoeld om Amsterdammers in staat te stellen zingevende activiteiten te doen, zoals vrijwilligerswerk. Het gaat om activiteiten en werkzaamheden die maatschappelijke waarde hebben, waarbij sociale en werk gerelateerde contacten ontstaan en die bijdragen aan de ontwikkeling van de (werknemers)vaardigheden en/ of aan het herstel. 4. Meewerken-plus Bij Meewerken-plus krijgt de Amsterdammer ondersteuning om vanuit dagbesteding (Meewerken) de stap naar betaald werk te zetten. De 25

ondersteuning is gericht op het verder ontwikkelen van arbeidsmatige vaardigheden én bij het beroep passende sociale en communicatieve vaardigheden. De Amsterdammer participeert samen met anderen (in groepsof teamverband) in een veilige beroepsmatige omgeving, waarbij zij werkzaamheden uitvoeren die economische waarde hebben. Soms kan Meewerken-plus individueel worden ingezet, maar altijd als aanvulling op de groepsactiviteit vanuit Meewerken. Lid 2 en 3 Het resultaat Mogelijkheid tot inlopen is toegankelijk zonder aanvraag, voorafgaand gesprek of ondersteuningsplan. Hierin is dit resultaat een uitzondering op de andere resultaten en op hoofdstuk 2 van de Verordening. De inloop kan wel leiden tot een gesprek, aanvraag of ondersteuningsplan. Het college onderzoekt dan alsnog de ondersteuningsbehoefte van de Amsterdammer en past alsnog hoofdstuk 2 van de Verordening toe. Gezien het karakter van dit resultaat is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk, zie ook artikel 4.2 van de Verordening. Artikel 3.6 Aanvullende criteria begeleid thuis en beschermd verblijf voor gezinnen (artikel 4.5 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig.

Artikel 3.7 Landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke opvang (beschermd verblijf) (artikel 4.5, vierde lid in de Wmo-verordening 2025) De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt is dat gekeken wordt naar de gemeente waar de cliënt het beste duurzaam kan herstellen. Onderzoek a. Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats van de cliënt was voordat hij dakloos werd. Hiervoor wordt de BRP (Basisregistratie Personen) gebruikt. Als blijkt dat de cliënt voorafgaand aan de dakloosheid in een andere gemeente woonde, kan hij worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren. b. De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden in welke gemeente de cliënt opgevangen wil worden en waarom die voorkeursgemeente kan bijdragen aan het herstel van de cliënt. 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15151845/2