Bekendmaking Nadere regels
Tekst van het document
c. Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt gekeken welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt. d. Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt. e. Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt. f. Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitiële contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen zijn waarmee rekening gehouden moet worden. Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats.
Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de subcommissie Woonplaatsbeginsel en Toegang, onderdeel van de Geschillencommissie Sociaal Domein, die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Tijdens de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op. Artikel 3.8 Woonvoorzieningen - Primaat verhuizen (artikel 4.7 in de Wmo-verordening 2025) Lid 3 Onderdeel a Soms zijn er redenen om af te wijken van het principe dat verhuizen voorgaat. Het sociale netwerk is daarbij een belangrijke afweging. Hierbij wordt meegenomen: is er mantelzorg dichtbij, zijn er verschillende voorzieningen dichtbij en is er binding met het stadsdeel. Als dit netwerk een essentiële bijdrage levert aan het langer zelfstandig kunnen blijven wonen van de persoon met beperkingen, dan kan dit aanleiding zijn om van het primaat verhuizen af te wijken. Onderdeel c Als de cliënt eigenaar is van zijn woonruimte, dan zal een verhuizing andere gevolgen hebben dan wanneer hij huurt. Een eigenaar zal zijn woning moeten verkopen. Als de kosten van de aanpassingen hoger zijn dan het vastgestelde bedrag in het Financieel besluit, dan kan de gemeente een eigenaar de keuze 27
bieden tussen maximaal het bedrag van het primaat verhuizen of een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. Artikel 3.9 Financiële tegemoetkoming verhuizen (artikel 4.7 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 Voorwaarden voor toekenning Er moet zijn vastgesteld dat verhuizen medisch noodzakelijk is vanwege beperkingen in het normale gebruik van de woning. Daarvan is alleen sprake als de beperkingen niet te voorzien waren, doordat ze bijvoorbeeld plotseling zijn ontstaan en ze het normale gebruik van de woning echt belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als er een verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning. Het verband moet rechtstreeks oorzakelijk zijn en de beperkingen moeten aanwezig zijn naar de objectieve medische maatstaf. Verder moeten de beperkingen in of bij de woning zelf worden ondervonden. Daarbij hoort ook de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de woning. Onderdeel a Uitgangspunt is dat men naar een zelfstandige woning gaat verhuizen, en niet op kamers of naar een niet-zelfstandige woonruimte. Van een niet-zelfstandige woonruimte is sprake als essentiële voorzieningen zoals keuken en toilet) niet in de eigenlijke woonruimte zitten. De tegemoetkoming wordt alleen toegekend als de nieuwe woonruimte voldoet aan de gestelde wooneisen en aan de overige voorwaarden uit de Wmoverordening 2025.
De wooneisen staan vermeld in de beschikking. Daarin staat ook de toezegging dat een financiële tegemoetkoming van een verhuizing wordt toegekend, onder voorwaarde dat in de nieuwe woning de beperkingen zullen worden weggenomen of aanzienlijk verminderd. Aanpassingen aan de nieuwe woning kunnen dan nog steeds noodzakelijk zijn, maar dan met aanzienlijke lagere kosten dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen. Onderdeel b Soms is een verhuizing onvermijdelijk. Bijvoorbeeld bij personen in een revalidatiecentrum bij wie de behandeling is voltooid, maar die in een ongeschikte woning wonen die ook niet geschikt te maken is. Het kan zijn dat er op korte termijn geen geschikte (rolstoel)woning beschikbaar is. Dan bestaat de mogelijkheid om te verhuizen naar een interim woning. Dat is een (rolstoel)woning die niet geheel voldoet omdat hij te klein is of in een verkeerd deel van Amsterdam ligt (bijvoorbeeld vanwege mantelzorg). Voor het verhuizen naar een interim woning kan de cliënt een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing krijgen. Bij de daaropvolgende verhuizing naar 28
de ‘definitieve’ (wel passende) rolstoelwoning kan de cliënt opnieuw in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Dit wordt bij de verhuizing naar de interim woning vastgelegd in de beschikking. Aanpassingen die aan de interim woning zullen worden gedaan, zijn minimaal. Lid 2 Een aanvrager krijgt niet opnieuw een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing als hij een eerder verstrekte indicatie niet heeft benut en hij niet regelmatig op een woning in WoningNet heeft gereageerd. Voor de hoogte van de tegemoetkoming is de verhuisdatum bepalend. Een cliënt kan een ander forfaitair bedrag krijgen dan oorspronkelijk in de beschikking stond. Dit gebeurt als het college tussen de datum van de beschikkingen de daadwerkelijke verhuizing het bedrag aanpast. Lid 3 Onderdeel a Woont een persoon met beperkingen niet meer in de woonruimte op het moment dat een aanvraag wordt ingediend, dan moet de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de tegemoetkoming achteraf beoordeeld worden. Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming meegenomen. Voor huurders geldt dus dat de tegemoetkoming in principe niet toegekend wordt als de huuropzegging plaatsvond voor de aanvraag bij de gemeente.
Met huuropzegging wordt bedoeld: de laatste dag waarop voor de oude woonruimte nog huur betaald moest worden en deze leeg opgeleverd moet worden. Voor woningeigenaren geldt hetzelfde: de aanvraag moet zijn ingediend voor de dag waarop de woning leeg opgeleverd moet zijn. Onderdeel b Een financiële tegemoetkoming is uitgesloten voor verhuizing naar: een woonruimte die niet bestemd is om het hele jaar te bewonen; een Wlz-instelling, verzorgingshuis, verpleeghuis of een andere mede door de Wlz gefinancierde woonzorgvorm; een woonruimte waarvoor geen huurovereenkomst maar een verzorgingsovereenkomst is afgesloten. Onderdeel c Bij een algemeen gebruikelijke verhuizing wordt geen financiële tegemoetkoming toegekend. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderen die het huis uit gaan of immigranten en remigranten die eerst bij familie of vrienden inwonen en vervolgens naar een eigen woonruimte gaan. Een ander voorbeeld hiervan is wanneer de beperkingen langzaam toenemen en te voorzien is dat er op termijn aanpassingen in de woning nodig zijn. 29
Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie. Artikel 3.10 Woonruimteaanpassingen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2025) Lid 1 Meestal wordt één verdieping aangepast. Liggen de woonactiviteiten verspreid over meerdere woonlagen, dan verwacht de gemeente in eerste instantie dat zaken in de woning anders georganiseerd worden door cliënt en zijn sociale omgeving. De aanpassingen zijn bouwkundig en woontechnisch van aard en zijn aard- en nagelvast. Dit betekent dat deze voorzieningen niet uit de woning zijn te verwijderen zonder daarbij gereedschap te gebruiken. Bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en het balkon. Ook kan een woonruimteaanpassing bestaan uit een stalling voor een vervoersvoorziening, zoals een scootmobiel. Zo een stalling kan binnen de woning of het wooncomplex zijn door aanpassing van de berging, binnenruimte of gemeenschappelijke ruimte. Of bij de woning, door het plaatsen van een haak en oplaadpunt en het leveren van een beschermhoes, als de persoon met beperkingen die kan gebruiken. Soms kan het noodzakelijk zijn om buitenshuis aanpassingen te doen. Bijvoorbeeld als de cliënt moeite heeft de woning in en uit te gaan. Met de aanpassing buitenshuis kunnen beperkingen daarbij worden weggenomen of verminderd.
De woonruimte wordt aangepast met hetzelfde uitvoeringsniveau als bij een sociale huurwoning. Lid 3 Woonwagens, woonschepen en binnenschepen hebben een kortere levensduur dan woningen. De woonruimteaanpassing kan daarom alleen worden toegekend als de kosten in redelijke verhouding staan tot de (technische) levensduur van de woonvorm. Een woonschip en een woonwagen worden alleen aangepast als de resterende technische levensduur minimaal vijf jaar is en de lig- of standplaats niet binnen vijf jaar wordt opgeheven. Hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur et cetera zijn uitgesloten van woonruimteaanpassingen. Lid 4 Ook cliënten in een ADL-woning kunnen aanspraak maken op individuele woonvoorzieningen uit de Wmo. ADL-woningen zijn daarin gelijk aan alle andere Amsterdamse woningen. 30
De volgende collectieve woonvoorzieningen vallen niet onder de Wmo: het alarmintercomsysteem, het sanitair (waaronder het hoog/laagbad) en de deurmotoren in de ADL-unit. Lid 5 Om het normale gebruik van bijvoorbeeld (kast)deuren mogelijk te maken, kan het noodzakelijk zijn om een bedieningselement toe te kennen. Voorbeelden zijn elektrische deuropeners, bedieningsapparatuur voor (buiten)zonwering, of speciale knoppen op de centrale verwarming of thermostaat voor blinden of slechtzienden. Voorwaarde is dat deze elementen in relatie staan tot aard- en nagelvaste zaken, maar hiervan kan worden afgeweken bij gordijnen (als voor het openen en sluiten van gordijnen het installeren van een bedieningselement de enige oplossing is). Lid 7 Onderdeel a Woonruimteaanpassingen uit therapeutisch oogpunt zijn uitgesloten omdat zij geen problemen in het normale gebruik van de woning wegnemen. Het gaat bijvoorbeeld om het plaatsen van een ligbad.
Onderdeel c Met inrichtingselementen wordt bijvoorbeeld bedoeld: kasten, (keramische of inductie) kookplaten, stoffering en zonneschermen. Deze komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor centrale verwarmingsinstallaties en douches. Dit zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen die vallen onder woningverbetering en het aanpassen van een woning aan de eisen van deze tijd. Lid 8 Bij aankoop van een (nieuwbouw)woning worden er geen woonvoorzieningen verstrekt als bij het sluiten van het definitieve koopcontract te voorzien was dat in deze woonruimte aantoonbare beperkingen zouden worden ondervonden. Zou een hoger bedrag nodig zijn dan het bedrag in het Financieel besluit, dan is men voor verstrekking vanuit de Wmo verkeerd verhuisd. Het is dus van belang dat vooraf, in opdracht van het college, een bouwkundige beoordeelt of de woning geschikt is en wat de eventuele kosten van een noodzakelijke woningaanpassing zullen zijn. Artikel 3.11 Roerende woonvoorzieningen (artikel 4.7 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 Roerende woonvoorzieningen zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. 31
Lid 2 Er zijn verschillende soorten tilliften. Het uitgangspunt is een mobiele tillift, omdat dit meestal de goedkoopste oplossing is. Of een mobiele tillift mogelijk is, hangt af van de bouwkundige situatie, de beschikbare ruimte en de noodzakelijke lichaamsondersteuning. Als er niet genoeg ruimte is, ligt een vaste plafondlift meer voor de hand. De tillift wordt in bruikleen verstrekt of als pgb. Lid 3 De in dit lid bedoelde losse sanitaire voorzieningen kunnen zijn: doucherolstoel; douchebrancard; badlift; toiletlift; toiletstoel, douchestoel, douchetoiletstoel; bad- of douchekruk, al dan niet in hoogte verstelbaar; toiletverhoger (6+ en 10+); badzitje of badplank als het noodzakelijk is dat deze verrijdbaar of kantelbaar is of op het individu moeten worden aangepast.
Artikel 3.12 Financiële tegemoetkoming tijdelijke huisvesting (artikel 4.7 in de Wmo-verordening 2025) Deze tegemoetkoming heeft betrekking op de kosten die gemaakt worden om tijdelijk ergens te gaan wonen zolang de eigen of nieuwe woning nog niet klaar is. Bijvoorbeeld het tijdelijk wonen in een zelfstandige (huur)woning of in een niet-zelfstandige woonruimte. Een voorbeeld van dat laatste is als iemand ter revalidatie is opgenomen in een verpleeghuis en pas kan terugkeren naar de eigen woning nadat er aanpassingen zijn uitgevoerd. De tegemoetkoming wordt dan verstrekt als er voor het verblijf in het verpleeghuis een eigen bijdrage geldt. De eerste maand huur wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Daarom gaat de vergoeding in vanaf de tweede maand dat huur verschuldigd is. De financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting is ook geregeld in artikel 4 onder l van het Financieel besluit. Artikel 3.13 Financiële tegemoetkoming bij huurderving (artikel 4.7 in de Wmo-verordening 2025) Een woning die eenmaal is aangepast, wordt bij voorkeur ook in de toekomst weer aan een persoon met beperkingen toegewezen. Woningen, gebouwd of aangepast voor personen met beperkingen (onder andere rolstoelwoningen en 32
ADL-woningen), zijn opgenomen in een apart bestand en worden voor deze groep gereserveerd. De eerste maand leegstand wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en zijn als frictiekosten aan te merken. Daarom gaat deze vergoeding in vanaf de tweede maand van leegstand. De financiële tegemoetkoming huurderving is ook geregeld in artikel 4 onder m van het Financieel besluit. Artikel 3.14 Hulp bij het huishouden (artikel 4.8 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 De gemeente Amsterdam maakt bij de voorziening hulp bij huishouden onderscheid tussen de volgende vier resultaten: Onderdeel a Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden alle structurele basisschoonmaakactiviteiten en incidentele schoonmaakactiviteiten, voor een schoon en leefbaar huis omschreven, inclusief de uitvoeringsfrequentie. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald wat daadwerkelijk gedaan moet worden. Onderdeel b Elke Amsterdammer moet kunnen beschikken over schone was. Hieronder wordt verstaan dat de normale, dagelijkse kleding van de Amsterdammer, inclusief textiel zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen.
Ook wordt aangegeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten worden uitgevoerd. In principe wordt ervan uitgegaan dat iedereen strijkvrije bovenkleding kan hebben. Daarom is strijken alleen bij uitzondering deel van het resultaat schone was. Onderdeel c Dit resultaat heeft betrekking op de boodschappen die voor elke Amsterdammer nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen. Ook wordt aangegeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten worden uitgevoerd. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als boodschappenservices ontoereikend zijn. Onderdeel d Ook het klaarzetten van brood- of warme maaltijden valt onder hulp bij het huishouden. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de 33
activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen. Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn, kunnen tot ’s avonds in de koelkast bewaard worden. Als dat nodig is, wordt de Amsterdammer één keer per dag ondersteund bij het opwarmen van een maaltijd. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als maaltijdservices ontoereikend zijn. Het bereiden van warme maaltijden is gezien het aanbod van kant-en-klaar maaltijden in principe niet noodzakelijk. Kant-en-klaar maaltijden zijn voorliggend op het bereiden van maaltijden. Lid 2 tot en met 4 De noodzakelijke inzet van de huishoudelijke hulp wordt bepaald in overleg met de Amsterdammer en is altijd maatwerk. In het ondersteuningsplan worden door het buurtteam of de zorgaanbieder afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, resultaten en activiteiten, en over de duur en frequentie van de ondersteuning. Voor de resultaten van hulp bij het huishouden worden de activiteiten en frequentie benoemd in het afsprakenoverzicht dat naast het ondersteuningsplan wordt opgesteld. Op verzoek is voor de Amsterdammer een beschikking in uren beschikbaar.
Lid 5 Thuis zorgen voor kinderen is een niet-structurele vorm van ondersteuning die alleen wordt ingezet bij ontwrichting of calamiteiten, bijvoorbeeld bij het acuut wegvallen van één of beide ouders/verzorgers door een acute medische situatie. Deze ondersteuning kan niet worden ingezet bij bestaande chronische situaties, ook niet wanneer deze plotseling verergeren. Het is de verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers om de zorg voor kinderen te regelen, op tijden dat zij beiden niet in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft vooral een taak in het bijspringen, zodat voor het gezin ruimte ontstaat om zelf een (al dan niet tijdelijke) oplossing te vinden. Bij het thuis zorgen voor kinderen gaat het om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders/verzorgers niet in staat zijn deze te leveren. Het gaat om activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten of drinken, een maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook problemen op het gebied van mobiliteit, zoals het begeleiden van kinderen naar school vallen eronder. Om ouders/verzorgers de gelegenheid te geven zelf een oplossing te vinden voor het verzorgen van hun kinderen, wordt de ondersteuningsvorm Thuis zorgen voor kinderen maximaal drie maanden ingezet.
In uitzonderlijke gevallen, wanneer er ondanks de inzet van deskundig professioneel advies geen oplossing is gevonden, kan de ondersteuning zo nodig langer worden ingezet. Informatie over de normering voor Thuis zorgen voor kinderen staat in bijlage 3. Bij het bepalen van de benodigde ondersteuning wordt rekening gehouden met gebruikelijke hulp voor kinderen per levensfase, zie bijlage 4. 34
Artikel 3.15 Hulp bij het huishouden OGGZ (artikel 4.8 in de Wmo-verordening 2025) Hulp bij het huishouden OGGZ (openbare geestelijke gezondheidszorg) kan worden toegekend als er sprake is van een ernstig vervuilde of onveilige woning die het gevolg is van een psychische beperking, bijvoorbeeld verslaving, verzameldwang of een ernstig psychosociaal probleem en de aanwezigheid van meerdere problemen op andere leefgebieden zoals inkomen en dagbesteding. De Amsterdammer is hierdoor onvoldoende in staat om zelf problemen op te lossen en daarbij speelt de afwezigheid van een adequate hulpvraag een rol. Er is mogelijk sprake van een beperkt sociaal netwerk. De voorziening hulp bij het huishouden OGGZ bestaat uit: De benodigde hulp bij het huishouden voor een schoon en leefbaar huis, beschikken over schone was, beschikken over boodschappen en beschikken over maaltijden. Het formuleren en bijstellen van doelen met betrekking tot het huishouden en het helpen verkrijgen en handhaven van structuur en organisatie in het huishouden. Het motiveren van de Amsterdammer om mee te helpen. Het actief signaleren van problemen en veranderingen in de situatie van de Amsterdammer en zijn sociale netwerk (waaronder mantelzorg) waardoor mogelijk inzet van andere/aanvullende dienstverlening of voorzieningen noodzakelijk is.
Artikel 3.16 Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak (artikel 4.8 in de Wmo-verordening 2025) Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak is bedoeld voor dezelfde doelgroep als de voorziening Hulp bij huishouden OGGZ en wordt toegekend om de woning eerst grondig schoon te maken omdat deze te vol of extreem vervuild is. Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak bestaat uit de volgende werkzaamheden: Het motiveren van de Amsterdammer voor schoonmaak van zijn/haar woning. Opruimen van de woning. Bepalen, zoveel mogelijk in overleg met de Amsterdammer, welke huisraad en overige spullen kunnen worden weggedaan Afvoeren van overtollig huisraad en overige spullen. Reinigen van de complete woning zodanig dat daarna reguliere hulp bij het huishouden voldoende is om de woning schoon te houden. Motiveren van de Amsterdammer om mee te helpen. Het opruimen van buitenruimten voor zover deze overlastgevend zijn voor de omgeving. Het uitvoeren van activiteiten voor de veiligheid van de medewerkers en voor het faciliteren van de praktische uitvoering van de Hbh Bijzondere 35
schoonmaak (bijvoorbeeld het repareren van loshangende stopcontacten, watervoorziening). Artikel 3.17 Vervoersbehoefte (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Een vervoersvoorziening hoeft niet helemaal tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van de cliënt. Het is aanvaardbaar dat de cliënt zich enige beperkingen getroost en dat hij zijn vervoerspatroon en vervoersbehoefte aanpast aan zijn (on)mogelijkheden. Door het uitblijven van een verstrekking mag de cliënt echter niet in een sociaal isolement terechtkomen. Onderdeel a Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar de vervoersdoelen, de de afstanden daar naartoe en de frequentie waarmee ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte te maken heeft met sociale participatie en dus onder de Wmo valt of niet. Ook zijn ze van belang om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is. Onderdeel b De beperkingen moeten de aanleiding zijn voor het vervoersprobleem. De beperkingen moeten blijvend of langdurig aanwezig zijn en dit moet medisch zijn vastgesteld. Dit is nodig omdat alleen nadat gebleken is dat de beperkingen niet (verder) door behandeling kunnen worden opgelost, bepaald kan worden of een vervoersvoorziening langdurig noodzakelijk is, en zo ja welke dan.
Onderdeel c Voorliggende oplossingen zijn voorzieningen uit andere wet- en regelgeving of oplossingen die de cliënt zelf zonder meerkosten kan regelen. Voorbeelden daarvan zijn als de cliënt een eigen vervoermiddel heeft of als er iemand uit het sociale netwerk kan helpen. Een oplossing kan ook zijn een algemeen gebruikelijke voorziening zoals het openbaar vervoer waarbij OV-reisassistentie en de OV-coach kan worden ingezet. Van verwijzing naar andere wet- en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte niet om sociaal vervoer gaat. Voorbeelden hiervan zijn woon-werk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer). Als na de weging van voorliggende oplossingen een sociale vervoersbehoefte overblijft waarin niet wordt voorzien, dan kent het college hiervoor de goedkoopst adequate voorziening toe. Vervoer van en naar dagbehandeling of dagbesteding gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) valt niet onder de Wmo. Voor deze vervoersbestemmingen zijn de Wlz en de Zvw voorliggend. Voor vervoer van en naar medische behandelaars is er voor bepaalde situaties een voorliggende voorziening vanuit de Zvw. 36
Onderdeel d Bij het vaststellen van de goedkoopst adequate voorziening wordt ook gekeken of de cliënt op een verantwoorde wijze gebruik kan maken van de beoogde voorziening. Een cliënt kan bijvoorbeeld problemen hebben met waarneming of motoriek, en dit kan dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid, dat toekenning van een voorziening niet verantwoord is. Artikel 3.18 Collectief vervoer (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Collectief vervoer is een vervoerssysteem waarbinnen mensen zittend worden vervoerd. Zij moeten hiervoor een AOV-pas hebben en kunnen dan zelf ritten bestellen. De chauffeur biedt de benodigde begeleiding die kan variëren van lichte ondersteuning bij het bereiken van het voertuig en bij het in- en uitstappen, tot intensieve begeleiding waaronder zo nodig ook tilservice. De cliënt betaalt een ritbijdrage aan de vervoerder die is vastgelegd in de Verordening. De route wordt gerekend vanaf het woonadres waar de cliënt volgens de BRP woont. Het vervoer wordt uitgevoerd in personenbusjes, personenauto’s of combi-voertuigen. De vervoerder bepaalt welk voertuig hij inzet en houdt daarbij rekening met de beperkingen van de cliënt. In de voertuigen kunnen loophulpmiddelen, rolstoelen en scootmobielen worden meegenomen. Hulphonden en blindengeleidehonden mogen altijd gratis meereizen, ongeacht hun grootte.
Huisdieren mogen alleen mee zolang ze op schoot passen, qua kosten zijn zij ook gratis. De verschillende vervoersproducten binnen het collectief vervoer hebben naast deze algemene kenmerken nog aanvullende vervoersspecificaties. Zie artikel 3.20 (Aanvullende vervoersspecificaties) in deze Nadere regels. Artikel 3.19 Vormen van collectief vervoer (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 Onderdeel a en b Bij Deur tot deur samenreizend vervoer en Deur tot deur plus vervoer is het mogelijk dat de cliënt met meerdere (onbekende) passagiers reist. Onderdeel c Kamer tot kamer vervoer is een voorziening voor cliënten die de voordeur van hun woning niet zelfstandig kunnen bereiken, maar wel zittend vervoerd kunnen worden. Zij kunnen niet zelfstandig hun eigen woning in- en uitgaan, of niet zelf de regie voeren over het verlaten of betreden van het woon- of bestemmingsadres. Artikel 3.20 Aanvullende vervoersspecificaties (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) 37
Lid 1 Onderdeel a Deze specificatie compenseert extra kosten die de cliënten ten opzichte van een valide persoon zouden maken voor het overbruggen van een zeer korte afstand (100 meter). Bij deze cliënt is een rolstoel of een individueel vervoermiddel geen adequate oplossing, omdat: Hij deze afstand er niet zelfstandig mee kan overbruggen; Hij niet in staat is een vervoermiddel te bedienen; Stalling van een vervoermiddel onmogelijk is; of omdat: Hij om medische redenen afhankelijk is van gesloten vervoer over die afstand (100 meter). Onderdeel b Bij deze specificatie betaalt de begeleider geen ritbijdrage. Lid 2 Onderdeel b Deze specificatie kan worden toegekend als het vanwege de beperking van de cliënt nodig is om zo min mogelijk reistijd te hebben. De rit duurt zo kort als mogelijk. Het is wel mogelijk dat de cliënt samen met andere, onbekende passagiers wordt vervoerd. De route wordt dan bepaald door de rit van de passagier die rechtstreeks vervoer nodig heeft. Lid 3 Onderdeel a Met deze specificatie kan de cliënt maximaal 3 etages worden getild. Dit gebeurt in principe alleen bij de eigen woning en wordt niet geboden wanneer dit alleen noodzakelijk is bij het bezoekadres. Er kan van deze regel worden afgeweken, maar dan moet daar een gemotiveerde aanvraag voor worden gedaan.
Bijvoorbeeld wanneer het betreffende vervoersdoel zo belangrijk is voor de cliënt dat hij door het uitblijven van collectief vervoer met tilservice in een sociaal isolement dreigt te komen. Bijvoorbeeld als de cliënt in een Wlzinstelling verblijft en zijn echtelijke woning wil bezoeken. Onderdeel b Overdrachtservice houdt in dat de cliënt altijd wordt overgedragen. Bij het ophalen draagt de contactpersoon op het ophaaladres de verantwoordelijkheid voor de cliënt over aan de chauffeur. Op het bestemmingsadres draagt de chauffeur de verantwoordelijkheid over aan de contactpersoon daar. Artikel 3.21 Fietsen en speelvoertuigen (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 38
Onder dit lid vallen geen algemeen gebruikelijke fietsen, zoals een tweewielfiets, een tweewielfiets met hulpmotor, een lage instapfiets, bromfiets, snorfiets, tandem of bakfiets. Voor de loopfiets geldt dat deze alleen kan worden verstrekt als verplaatsingsmiddel voor buiten. Is de loopfiets alleen voor gebruik binnen bedoeld, dan kan dit vanuit de Zvw, en valt verstrekking dus niet onder de Wmo. Als de cliënt ook buiten het bereik van de fiets een vervoersprobleem heeft, dan kan de fiets worden gecombineerd met collectief vervoer, of - als collectief vervoer niet mogelijk is -, met een financiële tegemoetkoming. De fiets kan niet worden gecombineerd met een scootmobiel of een andere voorziening voor de zeer korte en korte afstand. Voor de driewielfiets is het mogelijk om via de leverancier gewenningslessen te volgen. Dit kan nodig zijn als de cliënt onvoldoende vaardigheid heeft om de driewielfiets te bedienen of onvoldoende rijvaardig is om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. Als blijkt dat de cliënt na de gewenningslessen toch niet kan omgaan met de driewielfiets, dan wordt deze weer ingenomen. De voorziening is dan niet adequaat. Lid 2 Aanpassingen aan een fiets kunnen bijvoorbeeld zijn: de manier van bedienen, het zadel en de vering, de zithouding of een aanpassing waardoor het mogelijk is om een loopmiddel mee te nemen.
Lid 3 Met een aangepast kinderzitje kunnen ouders een kind met beperkingen veilig meenemen op de fiets. Er moet voor de ouders een noodzaak zijn om hun kind mee te nemen in het kader van het leven van alledag. Verder moeten algemeen gebruikelijke oplossingen niet mogelijk zijn (zoals: kind kan niet worden gedragen, niet in een gewone kinderwagen, niet in een standaardzitje op de fiets of in de auto, en gebruik van openbaar vervoer is niet mogelijk). Als de ouders al een andere voorziening hebben (aangepaste wandelwagen, speelvoorziening, aangepast autozitje) dan wordt beoordeeld in hoeverre deze al voorziet in de vervoersbehoefte. Lid 4 De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op 250-750 aflegbare kilometers. Lid 5 Het gaat om voorzieningen voor kinderen om te kunnen spelen in de directe woonomgeving. Voorbeelden zijn: (aangepaste) drie-/vierwielfietsen, speelmobielen, kruipwagens en kruiphulpmiddelen. De voorziening wordt gebruikt om buiten te spelen onder toezicht van ouders/verzorgers, in een 39
beschermde omgeving (zoals op de stoep, een pleintje in de buurt of in een park). Artikel 3.22 Scootmobiel (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 en 2 Uitgangspunt is dat de cliënt met de scootmobiel zijn dagelijkse vervoersbehoeften op de (zeer) korte (100 meter) en middellange (500 meter) afstanden kan invullen, en dat de cliënt hiervoor geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, collectief vervoer, een fiets, rolstoel, rollator of stok en dergelijke. Als er een scootmobielpool is waarmee de cliënt voldoende wordt gecompenseerd, dan is deze voorliggend. Een scootmobiel wordt niet toegekend als deze niet correct gestald en opgeladen kan worden. Via de leverancier zijn gewenningslessen te volgen. Dit kan nodig zijn als de cliënt onvoldoende vaardigheid heeft om de scootmobiel te bedienen of onvoldoende rijvaardig is om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. Als de cliënt na de gewenningslessen nog steeds niet met de scootmobiel kan omgaan, dan wordt deze weer ingenomen. De voorziening is dan niet adequaat. Lid 3 Aanpassingen aan een scootmobiel kunnen onder meer gaan over bediening, stoel, vering, zithouding, of het meenemen van een loopmiddel of kinderzitje. De noodzaak van de aanpassing moet medisch zijn aangetoond.
Een kinderzitje op een scootmobiel wordt geplaatst als algemeen gebruikelijke oplossingen niet mogelijk zijn en er een noodzaak is om het kind mee te nemen bij verplaatsingen in het kader van het leven van alledag. Lid 4 Als de scootmobiel niet voorziet in de vervoersbehoefte, kan het college een tegemoetkoming in de kosten van vervoer toekennen. Deze wordt als financiële tegemoetkoming verstrekt. De tegemoetkoming voor het gebruik van individuele vervoersvoorzieningen (auto, gesloten buitenwagen) is gebaseerd op een afstand van 1500-2000 kilometer per jaar. Uit jurisprudentie blijkt dat de scootmobiel voorziet in 1250 kilometer; dit zijn met name de korte en middellange ritten. De hoogte van de tegemoetkoming is daarom gerelateerd aan de ontbrekende 250-750 kilometer. Artikel 3.23 Financiële tegemoetkoming voor gebruik (rolstoel)taxi of vervoer door derden (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Deze financiële tegemoetkoming kan naar eigen keuze worden gebruikt voor een (rolstoel) taxi of vervoer door derden. Hiermee kan de cliënt in zijn dagelijks 40
noodzakelijke vervoersbehoefte voorzien. De tegemoetkoming is gebaseerd op 1500-2000 aflegbare kilometers per jaar. Dit is inclusief de zeer korte afstand (tot 100 meter). Uitgangspunt is dat hiermee de dagelijks voor de cliënt noodzakelijke vervoersbehoefte kan worden ingevuld en dat andere voorzieningen geen adequate oplossing bieden. De cliënt moet op grond van medische beperkingen voor iedere verplaatsing buitenshuis op taxivervoer of vervoer door derden zijn aangewezen. Er zijn twee verschillende bedragen: een bedrag voor mensen die gebruik moeten maken van een rolstoeltaxi, en een bedrag voor mensen die gebruik kunnen maken van een gewone taxi. Artikel 3.24 Gesloten buitenwagen (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig voor mensen met beperkingen. Het voertuig is niet breder dan 1.10 meter en heeft een benzineof elektromotor. De maximumsnelheden zijn: 45 kilometer per uur op de rijbaan; 30 kilometer per uur op het (brom)fietspad binnen de bebouwde kom; 40 kilometer per uur daarbuiten; 6 kilometer per uur op de stoep. De gesloten buitenwagen mag niet op de auto(snel)weg. Een autorijbewijs of een bromfietscertificaat is niet nodig. Een gesloten buitenwagen biedt plaats aan maximaal drie personen, van wie maximaal twee volwassenen.
Er mag zonder parkeerontheffing worden geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats. Parkeren op de stoep is toegestaan voor zover de vrije doorgang voor andere gebruikers niet wordt gehinderd. De gesloten buitenwagen voorziet in de vervoersbehoefte op de korte afstand (vanaf 100 meter), in de directe omgeving van de eigen woning en op langere afstand (tot 30 kilometer). Overigens geldt in de Wmo dat de voorziening wordt verstrekt voor sociaal vervoer in de directe woonomgeving. Dat met een gesloten buitenwagen verder kan worden gereden is een bijkomende eigenschap van de voorziening, maar geen grond voor de verstrekking. De voorziening kan gecombineerd worden met een financiële tegemoetkoming voor het gebruiken van dit vervoermiddel, waar soms meerkosten aan verbonden zijn. De cliënt moet op grond van medische en functionele beperkingen op een gesloten buitenwagen zijn aangewezen. Het openbaar vervoer, collectief vervoer, andere vervoersmiddelen (bijvoorbeeld een fiets, taxi of scootmobiel) en een financiële tegemoetkoming moeten op medische gronden ongeschikt zijn. Uitgangspunt van deze voorziening is dat hiermee de in het kader van het leven van alledag noodzakelijke en voor de persoon met beperkingen zeer essentiële vervoersbehoefte kan worden ingevuld. Het gaat om een vervoersbehoefte om 41
sociaal-maatschappelijk te kunnen participeren, die niet uitstelbaar of planbaar is. De cliënt kan via de leverancier gewenningslessen volgen. Dit kan nodig zijn als de cliënt nog onvoldoende vaardigheid heeft om het voertuig te bedienen of onvoldoende rijvaardig is om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. Als de cliënt na de gewenningslessen toch niet kan omgaan met de gesloten buitenwagen, dan wordt de gesloten buitenwagen weer ingenomen. De voorziening is dan niet adequaat . Lid 2 Aanpassingen kunnen onder meer gaan over de bediening, stoel en vering, meenemen van een loopmiddel, rolstoel of ander hulpmiddel of het meenemen van een kind. Aanpassingen worden verstrekt voor het vervoer in de directe woonomgeving. Het voorzieningenniveau is daarop afgestemd. Dit betekent dat er geen aanpassingen worden verstrekt die alleen noodzakelijk zijn om buiten Amsterdam te kunnen reizen. Lid 3 Parkeren van een gesloten buitenwagen geeft meestal geen problemen, omdat een gesloten buitenwagen op de stoep mag staan. Mochten zich bij uitzondering toch problemen voordoen, dan kan parkeren bij de eigen woning worden vergemakkelijkt, bijvoorbeeld via een gemarkeerde gehandicaptenparkeerplaats op kenteken. De financiële tegemoetkoming is bedoeld voor de aanleg van de parkeerplaats.
Lid 4 Dit gaat om een geldbedrag als tegemoetkoming in de kosten van verplaatsing met een gesloten buitenwagen. Het bedrag is gebaseerd op 1500-2000 aflegbare kilometers per jaar. Dit is inclusief de zeer korte afstand (tot 100 meter). Artikel 3.25 Auto en autobus (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 en 2 Een auto is een motorrijtuig op vier wielen, ingericht voor het vervoer van meerdere personen, dat volgens het kentekenbewijs als personenauto is aangeduid. Met een autobus wordt hier een bedrijfsauto bedoeld, die zodanig is aangepast, dat een persoon met beperkingen er zittend in een rolstoel in vervoerd kan worden. Een grijs kenteken is toegestaan. Een rijbewijs is noodzakelijk. Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) stelt bij mensen met beperkingen de rijvaardigheid en rijgeschiktheid vast. Op grond daarvan wordt aangegeven welke aanpassingen voor bediening of besturing nodig zijn. Deze worden op het rijbewijs aangegeven als beperkende bepalingen. 42
Het gaat hier om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de korte afstand (vanaf 100 meter) tot zeer lange afstanden (verder dan 100 kilometer). Overigens geldt in de Wmo dat de voorziening wordt verstrekt t voor sociaal vervoer in de directe woonomgeving. Dat met een auto verder kan worden gereden is een bijkomende eigenschap van de voorziening, maar geen grond voor de verstrekking. De cliënt moet op grond van medische beperkingen voor iedere verplaatsing buitenshuis op een auto zijn aangewezen, zodat taxivervoer - praktisch gezien niet als adequate voorziening kan worden gezien. Uitgangspunt van deze voorziening is dat hiermee de dagelijks noodzakelijke en voor de persoon met beperkingen zeer essentiële vervoersbehoefte kan worden ingevuld. Het openbaar vervoer, collectief vervoer, andere vervoersmiddelen (bijvoorbeeld een fiets, taxi, scootmobiel of gesloten buitenwagen) en een financiële tegemoetkoming moeten op medische gronden ongeschikt zijn. Bij de afweging wordt gekeken of een auto(bus) als algemeen gebruikelijk kan worden gezien. Als dat het geval is, krijgt de cliënt geen auto(bus). Het halen van een rijbewijs is algemeen gebruikelijk; de kosten van rijlessen worden daarom niet vergoed. Lid 3 Aanpassingen aan de auto moeten functioneel noodzakelijk zijn voor de cliënt.
Het gaat hier dus niet om algemeen gebruikelijke aanpassingen of zaken die standaard ingebouwd zijn, zoals rem- of stuurbekrachtiging of airconditioning. Aanpassingen worden verstrekt voor het vervoer van de cliënt in de directe woonomgeving. Het voorzieningenniveau is daarop afgestemd. Dit betekent dat er geen aanpassingen worden verstrekt uitsluitend om het mogelijk te maken buiten Amsterdam te reizen. De aanpassingen aan de eigen of bruikleen auto kunnen onder meer gaan om: Bediening en besturing In en uit de auto komen Zithouding Meenemen van noodzakelijke hulpmiddelen Verzorging van de cliënt Inrijden van een rolstoel Vergrendeling van een rolstoel Lid 4 en 5 Als de cliënt een eigen auto heeft, worden aanpassingen uitsluitend vergoed als de auto alleen met aanpassingen kan worden gebruikt. Wanneer de cliënt voor een eigen auto kiest, terwijl er adequate, goedkopere alternatieven zijn, dan kiest de cliënt zelf voor een duurdere oplossing. Als dat vervolgens ook het aanbrengen van aanpassingen impliceert, moet de cliënt die voor eigen rekening nemen. Lid 7 en 8 43
Dit gaat over een zitelement voor in de auto dat speciaal is ontwikkeld voor kinderen met een beperking. Het gebruik van de auto is noodzakelijk voor en maakt deel uit van de verplaatsingen in het dagelijks leven. Bij deze verplaatsingen kan het kind vanwege beperkingen niet (veilig) in een standaard autozitje zitten. Algemeen gebruikelijke oplossingen zijn niet mogelijk. Het kind kan niet worden gedragen, niet in een gewone kinderwagen, niet in een standaardzitje op de fiets of in de auto, en het gebruik van openbaar vervoer is niet mogelijk. Als er al een andere voorziening is toegekend, zoals een aangepaste wandelwagen, speelvoorziening of een aangepast fietszitje, dan wordt beoordeeld in hoeverre deze voorziening al voorziet in de vervoersbehoefte. Lid 9 Rijlessen voor aangepaste auto’s worden door erkende rijschoolinstructeurs gegeven. Hiermee kan de cliënt het noodzakelijke rijbewijs halen om in een aangepaste auto te mogen rijden. Gebruikt de cliënt een aangepaste (eigen) auto(bus), dan worden de meerkosten van die rijlessen vergoed ten opzichte van rijlessen voor een gewone lesauto. Dit geldt ook voor de meerijd-situatie. Autorijlessen zijn algemeen gebruikelijk en worden daarom niet vergoed.
Wanneer de cliënt voor zijn vervoerbehoefte is aangewezen op een bruikleenauto en hij die alleen kan gebruiken als er rijlessen gevolgd zijn of als er extra rijinstructies gegeven zijn, dan kan deze voorziening (nog) niet worden verstrekt. Lid 10 Voor personen met een beperking zijn er mogelijkheden om makkelijker te kunnen parkeren. Denk bijvoorbeeld aan een gemarkeerde gehandicaptenparkeerplaats op kenteken. De financiële tegemoetkoming is voor de aanleg van die parkeerplaats. Lid 11 Dit gaat over een geldbedrag als tegemoetkoming in de kosten van verplaatsing met de (eigen) auto of autobus. Het bedrag is gebaseerd op 15002000 aflegbare kilometers per jaar. Dit is inclusief de zeer korte afstand (tot 100 meter). De tegemoetkoming wordt toegekend als duidelijk is dat het gebruik van een (eigen) auto of autobus leidt tot meerkosten voor de persoon met beperkingen ten opzichte van de situatie vóór de aanvraag en ten opzichte van personen zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie. Artikel 3.26 Financiële tegemoetkoming vervoer dagbesteding (artikel 4.9 in de Wmo-verordening 2025) Deze financiële tegemoetkoming wordt toegekend als voorliggende oplossingen niet toereikend zijn en de dagbesteding met een persoonsgebonden budget 44
wordt ingekocht. Dit betekent dat de cliënt eerst kijkt naar de eigen mogelijkheden voor het organiseren van vervoer. Artikel 3.27 Rolstoelen en aanvullende voorzieningen (artikel 4.10 in de Wmo-verordening 2025) Lid 1 en 2 Onder handbewogen rolstoelen vallen rolstoelen die de persoon met beperkingen zelf voortbeweegt, en duwwandelwagens. Lid 3 Elektrische rolstoelen zijn rolstoelen die worden aangedreven door een elektromotor. Bij deze rolstoelen moet naast de medische noodzaak tot zittend verplaatsen blijken dat een handbewogen rolstoel niet geschikt of niet bruikbaar is. Bijvoorbeeld door een beperkte arm- of handfunctie of bij beperkte energie, waardoor niet meer dan een paar meter met een handbewogen rolstoel gereden kan worden. De cliënt kan gewenningslessen voor de elektrische rolstoel te volgen. Bijvoorbeeld als de cliënt onvoldoende vaardigheid heeft om de elektrische rolstoel te bedienen of hiermee naar buiten te gaan. Als blijkt dat de cliënt na de gewenningslessen nog niet kan omgaan met de elektrische rolstoel, dan wordt deze weer ingenomen. De voorziening is dan niet adequaat. Lid 4 Aanpassingen aan rolstoelen kunnen uiteenlopen van zeer eenvoudig tot complex en van standaard tot individueel. Standaardaanpassingen zijn bijvoorbeeld diverse typen armleuningen en voetsteunen, een duwbeugel voor een kinderrolstoel of duwhandvatten.
Individuele aanpassingen zijn bijvoorbeeld anatomisch gevormde rugsteunen, beenbakken en kniekussens. Accessoires die noodzakelijk zijn bij het gebruik van een rolstoel worden vergoed. Meestal gaat dit om spaakbeschermers, been- en voetzakken, schootskleden, stokkenbakken, boodschappenmanden of handschoenen (2x per jaar). Lid 5 De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op 250-750 aflegbare kilometers. Dit is hetzelfde aantal kilometers als waarop de tegemoetkoming voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of vervoer door derden naast een scootmobiel is gebaseerd.
Hoofdstuk 4 Tegemoetkomingen Artikel 4.1 Financiële tegemoetkoming wijziging geslachtsregistratie (artikel 5.1 in de Wmo-verordening 2025) 45
Deze regeling is van toepassing op personen die geen vergoeding krijgen voor de kosten via Bijzondere Bijstand. Aanpassing van de geboorteakte bij geslachtswijziging van ‘man’ naar ‘vrouw’ of van ‘vrouw’ naar ‘man’ gebeurt door de gemeente waar iemand geboren is. Als in de geboorteplaats een vergoeding voor de gemaakte kosten wordt verstrekt, is deze vergoeding voorliggend. Artikel 4.2 Financiële tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Deze financiële tegemoetkoming is een geldbedrag voor het kopen en onderhouden van een, door de cliënt zelf te bepalen, sportvoorziening of aanpassing aan een sportvoorziening. Een sportvoorziening is speciaal bedoeld voor een tak van sport. Het beoefenen van sport is voor de cliënt onmogelijk zonder de sportvoorziening, als gevolg van aantoonbare beperkingen. In aanmerking kunnen komen: rolstoelgebruikers; 1. personen die normaliter niet op het gebruik van een rolstoel zijn aangewezen maar wel bij sportbeoefening; 2. personen die vanwege hun beperkingen een sportvoorziening of aanpassing daaraan nodig hebben De cliënt moet in staat zijn om te sporten en dit in de praktijk ook op structurele basis doen. Voor incidentele sportbeoefening, zoals een skivakantie, wordt geen tegemoetkoming gegeven. De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt voor sporten in verenigingsverband.
De cliënt moet daarom lid zijn van een sportvereniging. Dit omdat het te behalen resultaat gericht is op maatschappelijke participatie. De basis van de verstrekking zijn de meerkosten van de sportvoorziening of de aanpassing van de sportvoorziening ten opzichte van een soortgelijke sportvoorziening voor een persoon zonder beperkingen. Wanneer de cliënt binnen de periode waarvoor het bedrag is toegekend een nieuwe aanvraag voor eenzelfde voorziening indient, waarbij de bestaande voorziening niet meer adequaat is, wordt de financiële tegemoetkoming gegeven naar rato van de inmiddels verstreken tijd. Artikel 4.3.1 Financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor mensen met een chronische ziekte of beperking (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Deze tegemoetkoming in de meerkosten voor mensen met een chronische ziekte of beperking is het gevolg van de afschaffing van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) die de gemeente Amsterdam hanteerde. Deze tegemoetkoming wordt maandelijks uitgekeerd 46
door Werk, Participatie en Inkomen (WPI). WPI doet ook de inkomenstoets. Voor medisch advies maakt WPI gebruik van de keuringsartsen van de GGD Amsterdam. De regeling staat uitgewerkt in artikel 4.3 van deze Nadere regels. De tegemoetkoming kan de volgende vorm(en) hebben: Tegemoetkoming maaltijden Deze tegemoetkoming is bedoeld om te voorzien in extra kosten van kant-enklaar (vers)maaltijden voor Amsterdammers die niet zelf een warme maaltijd kunnen bereiden. Tegemoetkoming energiekosten Deze tegemoetkoming is bedoeld om te voorzien in extra kosten voor gas en stroom. Het gaat om energiegebruik voor verwarming, douchen, baden en koken, en om extra stroom voor (accu’s van) hulpmiddelen et cetera. Tegemoetkoming kosten bewassing Deze tegemoetkoming is bedoeld voor kosten voor extra wasbeurten voor kleding en beddengoed. Hier is slijtage door extra bewassing bij inbegrepen. Tegemoetkoming dieetkosten Deze tegemoetkoming is bedoeld voor kosten die veroorzaakt worden door het aanschaffen van (duurdere) voedingsmiddelen voor het volgen van een dieet. Tegemoetkoming kosten ten gevolge van kledingslijtage Deze tegemoetkoming is bedoeld voor kosten die veroorzaakt worden door mechanische slijtage van kleding en schoeisel door bijvoorbeeld protheses of langdurig zitten.
Basiscompensatie De basiscompensatie is bedoeld om te voorzien in algemene meerkosten die verband houden met ziekte of beperkingen en die niet op een andere manier worden vergoed. De basiscompensatie wordt verstrekt als er een indicatie bestaat voor tenminste één van de tegemoetkomingen voor maaltijden, extra energie, extra bewassing of extra kledingslijtage. Compensatie verplicht eigen risico zorgverzekering Deze tegemoetkoming is bedoeld ter compensatie van de vervallen landelijke regeling Compensatie Eigen Risico (CER). Het verplicht eigen risico geldt voor een basisverzekering op grond van de Zvw. Deze compensatie wordt alleen aan Amsterdammers van 18 jaar of ouder verstrekt als er een indicatie is voor tenminste één van de tegemoetkomingen voor maaltijden, extra energie, extra bewassing of extra kledingslijtage.
47
Artikel 4.3.2 Begripsbepalingen voor financiële tegemoetkomingen meerkosten voor mensen met een chronische ziekte of beperking (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.3 Aanvraag en toekenning (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.4 Uitkering (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.5 Advisering (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.6 Herbeoordeling (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.7 Afwijkende inkomenstoets (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.8 Verplichtingen deelnemers (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Artikel 4.3.9 Intrekken en terugvorderen (artikel 5.2 in de Wmo-verordening 2025) Geen toelichting nodig. Hoofdstuk 5 Artikel 5.1 Intrekking oude nadere regels Geen toelichting nodig. Artikel 5.2 Inwerkingtreding Geen toelichting nodig. Artikel 5.3 Citeertitel Geen toelichting nodig.
48
Bijlage 1: Maatstaf hulp bij het huishouden Amsterdam Achtergronden De voorliggende ‘maatstaf hulp bij het huishouden Amsterdam’ is opgesteld na onderzoek door de combinatie van bureau HHM en KPMG Plexus. Dit onderzoek vond plaats in de periode september 2016 – januari 2017 en bestond uit een combinatie van expertpanels, interviews met cliënten en observaties van professionals in de praktijk. De gevolgde aanpak en de uitkomsten van het onderzoek zijn in een separate rapportage verwoord.
De maatstaf In deze notitie zijn de uitkomsten van het onderzoek samengevat. Het onderzoek heeft als resultaat een duidelijke maatstaf die nodig is voor de toekenning van huishoudelijke hulp in resultaten. Deze maatstaf omvat de activiteiten die bijvoorbeeld verricht moeten worden voor een verantwoord niveau van schoon voor een huishouden en de frequentie waarmee deze activiteiten verricht moeten worden. Ook geeft de maatstaf inzicht in de factoren die de frequentie en/of de tijdbesteding van de benodigde activiteiten kunnen beïnvloeden. Maatwerk vanuit een individuele benadering staat voorop. Dit betekent dat in individuele cliëntsituaties moet worden bepaald 1) welke activiteiten (eventueel) niet of met een lagere frequentie of tijdbesteding door de professionele hulp uitgevoerd hoeven te worden (door eigen mogelijkheden van de cliënt of inzet van zijn/haar netwerk) en 2) welke activiteiten (eventueel) om een hogere frequentie of tijdsbesteding van de professionele hulp vragen (op basis van kenmerken van de cliënt, zijn/haar huishouden en de omgeving rond het huis). De maatstaf is een solide basis voor deze afweging. De maatstaf biedt voor zowel zorg in natura als voor het vaststellen van het persoonsgebonden budget de onderbouwing van het Amsterdamse beleid voor hulp bij het huishouden.
Op deze wijze kan de gemeente Amsterdam duidelijk maken op welke concrete wijze invulling wordt gegeven aan het bereiken van de resultaten binnen hulp bij het huishouden.
Toepassing De maatstaf is de leidraad bij het vraagverhelderingsgesprek om met de cliënt een goed beeld te krijgen van de benodigde activiteiten voor de hulp bij het huishouden. De verschillende resultaten waarvoor de maatstaf is uitgewerkt, zijn: 1. Schoon en leefbaar huis 2. Beschikken over schone was. 3. Beschikken over boodschappen 4. Beschikken over maaltijden. 49
Ook is advies en instructie uitgewerkt, dat onderdeel kan zijn van de verschillende resultaten van hulp bij het huishouden. Met dat doel zijn in de maatstaf, per onderscheiden resultaat, twee aspecten uitgewerkt: a. De activiteiten die in een gemiddeld huishouden bijdragen aan het te bereiken resultaat en de (gemiddelde) frequentie die voor uitvoering van deze activiteiten nodig is, gegroepeerd per categorie van activiteiten; b. De factoren die van invloed zijn op de frequentie en/of tijdbesteding van die categorieën van activiteiten. In de maatstaf presenteren we categorieën van activiteiten. Voor de resultaten ‘schoon en leefbaar huis’ en ‘beschikken over schone was’ bestaan deze categorieën uit veel losse activiteiten. Voor de volledigheid presenteren we ook de frequentie van al deze losse activiteiten. Door aan de hand van de maatstaf steeds per cliënt te beoordelen welke activiteiten nodig zijn in welke frequentie voor het te behalen resultaat en welke beïnvloedende factoren van toepassing zijn, wordt bepaald welke professionele ondersteuning noodzakelijk is. Voor het resultaat ‘thuis verzorgen van kinderen’ is geen maatstaf uitgewerkt. Dit resultaat wordt weinig geïndiceerd in Amsterdam en als het aan de orde is zijn er veel beïnvloedende variabelen met een sterk wisselende uitkomst. Daardoor is het onmogelijk een algemeen geldende maatstaf op te stellen.
50
Maatstaf 1: Schoon en leefbaar huis a) Maatstaf: gemiddelde frequentie voor gegroepeerde activiteiten per ruimte, uitgaande van volledige professionele overname* R uimte Frequent
WOONKAME
SLAAPKAM
R
ER
KEUKEN
SANITAIR
HAL
ie Stofzuigen, Stof afnemen midden & 1x per week
laag, opruimen, stofzuigen, indirecte tijd
Stof afnemen midden & laag, opruimen, stofzuigen
dweilen,
Badkamer en
Stof
keukenblok en
toilet
afnemen
keukenapparatu
schoonmake
midden,
ur
n incl.
laag &
schoonmaken,
stofzuigen en
hoog,
afval opruimen,
dweilen
stofzuigen
afwassen 1x per 2 weken
Stof afnemen
Bed
hoog,
verschonen
dweilen
of opmaken
Dweilen
Trap 1x per 4
stofzuigen
Dweilen
weken
binnenshu is
1x per 6 weken
Deur(post)en
tot 1x
nat afdoen,
per 8
zitmeubels
Bovenkant Stof afnemen
keukenkastjes,
Deur(post)en
hoog
deur(post)en nat
nat afdoen
afdoen
weken
Ramen Ramen binnenzijde Incidente el (1x per
Ramen
wassen,
binnenzijde
radiatoren,
wassen,
raambekledi
jaar tot
radiatoren,
ng,
4x per
raambekledin
deur(post)en
jaar)
g
nat afdoen, matras draaien
binnenzijde wassen,
Ramen
radiatoren,
binnenzijde
raambekleding,
wassen,
oven/magnetron,
radiatoren,
koelkast &
raambekledin
keukenkastjes
g, tegelwand
binnenzijde,
badkamer
afzuigkap, losse
schoonmake
tegelwand en
n
Deur(post) en nat afdoen, radiatoren
vriezer schoonmaken
51
*Per bezoek wordt naast de activiteiten in bovenstaande tabel ook indirecte tijd besteed aan aankomst en vertrek, het pakken van materialen en sociaal contact met de cliënt.
52
b) Beïnvloedende factoren In de onderstaande tabel staan per categorie van schoonmaakactiviteiten de factoren die de frequentie en/of de tijdbesteding van de benodigde activiteiten kunnen beïnvloeden. In de tabel is aangegeven of dit een verzwarend effect (‘+’) of een verlichtend effect (‘-‘) heeft
Categorie
Invloed op de frequentie
Invloed op de tijdbesteding
+ Het aantal bewoners, hun
+ Het aantal bewoners, hun
aanwezigheid in de woning en
aanwezigheid in de woning en hun
hun mobiliteit door de
mobiliteit door de woning.
woning.
- De mate waarin cliënten zelf activiteiten
- De mate waarin cliënten zelf
kunnen uitvoeren.
activiteiten kunnen uitvoeren.
+ Omvang van de woning.
activiteiten Algemeen
- Aanwezigheid van goed schoonmaakmateriaal. Afnemen,
+ Verkeersdrukte rondom de
+ Verkeersdrukte rondom de woning
nat en
woning i.v.m. uitstoot en stof.
i.v.m. uitstoot en stof.
droog
+ Bij sommige ziektes moeten oppervlakten die vaak aangeraakt worden vaker afgenomen worden.
Stofzuigen
+ Gezondheid cliënt: bij
+ Type vloer, waarbij tapijt en
en dweilen
aandoeningen als astma of
vloerkleden extra tijd kosten.
longemfyseem moet het huis
+/- Het aantal en de omvang van
zoveel mogelijk stofvrij zijn.
meubels op de vloer.
+ Aanwezigheid van
+ De aanwezigheid van huisdieren
aandoeningen waardoor
waardoor meer stof en haren op de vloer
vaker geknoeid wordt.
liggen. + De cliënt gebruikt een rolstoel, rollator of scootmobiel binnenshuis waardoor zich extra vuil door de woning verspreidt.
Raamwerk
+/- Type raambekleding, zoals vitrage, gordijnen of lamellen. - Beschikbaarheid van hulpmiddelen voor reinigen van luxaflex.
Bed
+ Bedlegerigheid.
+/- Het soort beddengoed en/of gebruik
+ Incontinentie of andere
van losse dekens.
aandoeningen waardoor het
+ Meerpersoonshuishouden.
bed sneller kan vervuilen. Keuken
+/- Frequentie en intensiteit
+/- Frequentie en intensiteit van het
schoonmake
van het gebruik door de
gebruik door de cliënt.
53
n
cliënt.
+/- Afzuigkap met/zonder uitneembare roosters. +/- Beschikbaarheid van een vaatwasmachine.
Sanitair
+/- Intensiteit van het gebruik
+/- Omvang van de badkamer en
schoonmake
van de badkamer.
intensiteit van gebruik.
n
+ Bij o.a. griep, incontinentie,
+ Aanwezigheid en gebruik van ligbad.
ziekte of slechtziendheid
+ Aanwezigheid van witgoed in de
moet het toilet vaker dan één
badkamer.
keer per week
+ Wijze van gebruik van het toilet.
schoongemaakt worden. Opruimen
+ Ernst van de problematiek
+ Ernst van de problematiek bij cliënten
bij cliënten c.q. de mate
c.q. de mate waarin zij niet in staat zijn
waarin zij niet in staat zijn om
om zelf op te ruimen.
zelf op te ruimen.
c) Activiteiten en (gemiddelde) frequentie voor alle losse activiteiten:
Ruimte
Benodigde activiteiten
Gemiddelde frequentie
Woonkam er
Stof afnemen hoog incl. luchtfilters
1 x per 2 weken
Stof afnemen midden incl. tastvlakken
1 x per week
Stof afnemen laag
1 x per week
Opruimen
1 x per week
Stofzuigen
1 x per week
Dweilen
1 x per 2 weken
Gordijnen wassen
1 x per jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
2 x per jaar
Ramen binnenzijde wassen
4 x per jaar
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
1 x per 8 weken
Zitmeubels afnemen (droog/nat)
1 x per 8 weken
Radiatoren reinigen
2 x per jaar
Stof afnemen hoog incl. luchtfilters
1 x per 6 weken
Stof afnemen midden incl. tastvlakken
1 x per week
Stof afnemen laag
1 x per week
Opruimen
1 x per week
Slaapkam er
54
Keuken
Sanitair
Stofzuigen
1 x per week
Dweilen
1 x per 4 weken
Bed verschonen of opmaken
1 x per 2 weken
Gordijnen wassen
1 x per jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
2 x per jaar
Ramen binnenzijde wassen
4 x per jaar
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
2 x per jaar
Radiatoren reinigen
2 x per jaar
Matras draaien
2 x per jaar
Stofzuigen
1 x per week
Dweilen
1 x per week
Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel
1 x per week
Afwassen
1 x per week
Keukenapparatuur (buitenzijde)
1 x per week
Afval opruimen
1 x per week
Gordijnen wassen
2x per jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
3 x per jaar
Ramen binnenzijde wassen
4 x per jaar
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
1 x per 8 weken
Radiatoren reinigen
3 x per jaar
Keukenkastjes (binnenzijde)
2 x per jaar
Koelkast (binnenzijde)
3 x per jaar
Oven/magnetron (afnemen na knoeien en grondig schoonmaken)
4 x per jaar
Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)
1 x per jaar
Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasser bestendig
2 x per jaar
Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasser bestendig
2 x per jaar
Bovenkant keukenkastjes
1 x per 6 weken
Tegelwand (los van keukenblok)
2 x per jaar
Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen)