CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

B3. Nibud onderzoek MER Amsterdam 2024 DEF.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 22 januari 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdamse Armoedemonitor 2023, Schuldenmonitor 2024 en Minima-Effectrapportage 2024 (VN2024-018366)12.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Jasja Bos

27 november 2024

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs Corinne van Gaalen Jasja Bos

Nibud, Amsterdam 27 november 2024 In opdracht van de gemeente Amsterdam

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld, zoals bijvoorbeeld gedragsaspecten. Op basis van dit onderzoek kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: • direct voor consumenten (via onze websites, (social) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen en hulpmiddelen en de helpdesk); • via onderwijs/educatie door derden; • door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd bronnen van onder meer het CBS, Milieu Centraal en het voedingscentrum. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Amsterdam. Met dit onderzoek wil de gemeente Amsterdam inzicht krijgen in de bestedingsruimte van inwoners met een laag inkomen en de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, november 2024

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: basispakket & sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele inkomenstoeslag 3.2.4 Stadspas 3.2.5 Laptop/tablet voor school 3.2.6 Kindtegoed 3.2.7 Voorschool 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.9 Vrijwillige ouderbijdrage 3.2.10 Reiskostenvergoeding scholieren 3.2.11 Gratis identiteitskaart 3.2.12 Vergoeding dierenarts/ADAM-regeling 3.2.13 Gratis OV ouderen 3.2.14 Regeling tegemoetkoming meerkosten 3.2.15 OV-vergoeding mantelzorgers 3.2.16 Energieadvies aan huis 3.2.17 Witgoedregeling 3.2.18 Particuliere fondsen 3.2.19 Bijzondere bijstand 4 Resultaten 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype 4.2 Armoedeval 4.3 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Bestedingsruimte en armoedeval 5.2 Aannames en aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Met dit onderzoek maken we zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De gemeente Amsterdam wenst inzicht te krijgen in het samenspel van landelijk en lokaal minimabeleid. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Amsterdam? In dit onderzoek bekijken we welke groepen huishoudens in de gemeente het best ondersteund worden door middel van het gemeentelijke minimabeleid en welke groepen minder goed. Ook maken we in deze rapportage eventuele armoedevallen inzichtelijk. In de begrotingen zetten we alle minimaal onvermijdbare uitgaven af tegen verschillende inkomensniveaus.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, inventariseren we voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten. Hierbij houden we rekening met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zetten we in een begroting af tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen. 1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Amsterdam is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: 1. Een alleenstaande tot de AOW-leeftijd; 2. Een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd; 3. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 4. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 5. Een paar tot de AOW-leeftijd zonder kinderen; 6. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 7. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar). 1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Amsterdam is in dit rapport gekozen om begrotingen op te

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 100, 120, 130 en 150 procent van het sociaal minimum.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen onder de streep minder overhoudt dan met een lager inkomen. Een dergelijke situatie ontstaat bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen: • Een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval); • Een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het Woononderzoek Nederland (WoON) van het CBS blijkt dat 96 procent van de huishoudens die een bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij sluiten we aan bij de wetgeving rondom passend toewijzen.

Sinds 1 januari 2016 moeten woningcorporaties bij het toewijzen van sociale huurwoningen voldoen aan de passendheidsnorm. Dat betekent dat de woningcorporaties hun sociale huurwoningen moeten verhuren aan woningzoekenden met een inkomen dat volgens de wet 'past' bij de huurprijs. Zo wordt voorkomen dat mensen met de laagste inkomens in te dure huurwoningen gaan wonen, en andersom. De huren volgens het passend toewijzen zijn in 2024 € 650 voor één- of tweepersoonshuishoudens en € 697 voor huishoudens met drie of meer personen.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn dat ook; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 100, 120, 130 en 150 procent van het sociaal minimum. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget), kinderbijslag en vakantietoeslag. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2. Bij de inkomensniveaus van 100, 120, 130 en 150 procent van het sociaal minimum gaat het om bruto jaarbedragen die de gemeente Amsterdam heeft vastgesteld. Dat is het jaarinkomen uit 2023. In de begrotingen voor 2024 nemen we die bedragen over. Dat betekent dat we geen inkomensstijging veronderstellen. We zitten hiermee aan de voorzichtige kant. Bij de bruto-netto berekening houden we rekening met de belastingtarieven en heffingskortingen zoals die gelden per 1 januari 2024.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke.

2.3

Uitgaven: basispakket & sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket inclusief het pakket voor sociale participatie is op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Sociale participatie Het pakket voor sociale participatie is opgesteld door het Nibud in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid.

Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als noodzakelijk. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud vier soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen. • Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. • Sociale participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. In deze rapportage vallen daaronder: contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Lokale tarieven In deze rapportage wordt naast een voorbeeldbedrag voor de huur (zie 1.2.4), gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor gemeentelijke heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is dit verrekend in de begrotingen.

De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk. Alle meer generieke lokale minimaregelingen zijn meegenomen in de berekeningen. Dit geldt niet voor de individuele bijzondere bijstand omdat daarvoor geldt dat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

In het onderzoek rekenen we met voorbeeldhuishoudens en met minimale bedragen. Om voor deze huishoudens berekeningen te kunnen maken moet het Nibud uitgaan van drie belangrijke voorwaarden. Het is raadzaam om rekening te houden met het feit dat die voorwaarden in de praktijk niet altijd opgaan en huishoudens daarbij hulp nodig hebben. 1. Goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan ertoe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen. Ook kan het gebeuren dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden. In deze ondersteuning moet ook rekening gehouden worden met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk beschrijven we diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen gaan we uit van de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag. In 2024 zijn er op dit terrein een aantal belangrijke onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen. Bijna alle heffingskortingen zijn sterk gestegen. Ook de huurtoeslag, de kinderbijslag en het kindgebonden budget zijn omhooggegaan. Specifiek gaat het om de volgende veranderingen per 1 januari 2024: 1. De huurtoeslag stijgt en het kindgebonden budget stijgt sterk 2. Minimumloon en uitkeringen stijgen 3. De zorgtoeslag daalt (nadat deze in 2023 tijdelijk was verhoogd) Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner.

• Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, bijvoorbeeld inkomen of vermogen. Bij het inkomen wordt verwezen naar het toetsingsinkomen, ook wel verzamelinkomen genoemd. Dit bestaat uit: inkomen uit werk en woning (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De volgende toeslagen (2024) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het toetsingsinkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens betalen altijd een bedrag zelf; de zogenaamde basishuur. Die bedraagt minimaal 188 euro. De basishuur stijgt naarmate het inkomen hoger is. Huishoudens krijgen boven de basishuur volledige huurtoeslag tot een bepaalde grens (de kwaliteitskortingsgrens), mits de basishuur onder deze grens ligt. Boven deze grens, tot aan een volgende grens (de aftoppingsgrens), wordt 65 procent van de huur vergoed. Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen daarnaast nog hierboven tot de maximale huurgrens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal.

Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Kindgebonden budget Elk huishouden met kinderen jonger dan 18 jaar komt in aanmerking voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens (waarbij gekeken wordt naar het toetsingsinkomen). Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. In 2024 is deze inkomensgrens voor alleenstaande ouders verhoogd en voor paren juist verlaagd. Het bedrag is flink verhoogd: Het maximale bedrag is voor het eerste kind met 65 euro gestegen naar 203 euro per maand en vanaf het tweede kind met 75 euro naar eveneens 203 euro per maand. Daarnaast is het extra bedrag voor kinderen van 12 tot en met 15 jaar met 35 euro gestegen naar 57 euro per maand en voor kinderen van 16 tot en met 17 jaar met 37 euro naar 77 euro per maand. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders is 30 euro gedaald naar 290 euro per maand.

Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Amsterdam voor huishoudens met een laag inkomen en laag vermogen ook een lokaal minimabeleid. De belangrijkste lokale minimaregelingen en ondersteuning die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod. 3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Amsterdam kan kwijtschelding worden aangevraagd voor de gemeentelijke belastingen en de heffingen voor het waterschap. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum in principe geen afvalstoffenheffing hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Amsterdam maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers, maar houdt geen rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden gezamenlijk berekend.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom bieden veel gemeenten inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. De gemeente Amsterdam biedt een collectieve zorgverzekering aan van Zilveren Kruis. De premies inclusief collectiviteitskorting en gemeentelijke bijdrage staan in tabel 1. Tabel 1: Premies collectieve zorgverzekering Amsterdam Netto premie basisverzekering Netto premie Aanvullende verzekering Amsterdam 1 Netto premie Aanvullende verzekering Amsterdam 2 Netto premie Aanvullende verzekering Amsterdam 3

€ 147,45 €0 € 18,50 € 39,50

Vergoeding tandzorg € 250 € 250 € 500

In de begrotingen rekenen we met de premie van een gemiddelde zorgverzekering. Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering. Tot een inkomen van 130 procent gaan we op aanraden van de gemeente Amsterdam uit van de aanvullende verzekering Amsterdam 1. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Daarnaast gaan we ervan uit dat huishoudens maandelijks moeten reserveren voor het eigen risico van 385 euro per jaar, omdat zij dit geld waarschijnlijk niet op de plank hebben liggen, als zij dit (onverwacht) nodig hebben. Dit bedrag is opgenomen onder de

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

post “eigen risico zorgverzekering”. De collectieve zorgverzekering Amsterdam biedt de mogelijkheid om het eigen risico gespreid te betalen. 3.2.3 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag in de gemeente Amsterdam is bedoeld voor huishoudens van wie het inkomen in de afgelopen 3 jaar niet hoger was dan 130 procent van het sociaal minimum en die geen zicht hebben op en inkomensverbetering in de toekomst. De hoogte van de IIT bedraagt voor paren 170 euro per jaar als beide partners recht hebben, anders 85 euro per persoon. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders gaat het om een bedrag van 85 euro per persoon. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat de IIT niet voor elk huishouden van Amsterdam met een laag inkomen geldt. 3.2.4 Stadspas Met de Stadspas kunnen volwassenen vanaf 18 jaar deelnemen aan sociaal-culturele activiteiten. Met de Stadspas kan men gratis of met korting naar de bioscoop, musea, theater, zwemmen en meer. De Stadspas kan aangevraagd worden door huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Ook kinderen tot 18 jaar kunnen met de Stadspas gebruikmaken van korting op activiteiten. Kinderen komen hiervoor in aanmerking tot een huishoudinkomen van 150 procent van het sociaal minimum.

In de begrotingen hebben we de vergoedingen verrekend met het pakket voor sociale participatie. Dit pakket bestaat uit verschillende uitgavenposten, die in de begrotingen niet zijn uitgesplitst (zie bijlage 1). De bedragen voor twee van deze uitgavenposten, te weten ‘contributies & abonnementen’ en ‘vakantie & uitgaan’ hebben we gehalveerd. 3.2.5 Laptop/tablet voor school Huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum met kinderen kunnen eens in de 5 schooljaren in aanmerking komen voor een gratis laptop of tablet. In de begroting houden we rekening met 1 laptop per huishouden. Daarnaast houden we rekening met 1 laptop per kind op het voortgezet onderwijs. De gratis laptop verrekenen we met de kosten die voor die laptop zijn opgenomen in de post “onderwijs”. 3.2.6 Kindtegoed Kinderen van 0 t/m 17 jaar krijgen elk jaar Kindtegoed op hun Stadspas. Met het Kindtegoed kunnen spullen gekocht worden voor het kind, bijvoorbeeld kleding, schoolspullen, schoenen of een tas. De regeling is bedoeld voor huishoudens met kinderen en een inkomen tot 150 procent. Kinderen die naar een voorschool gaan komen in aanmerking voor extra Kindtegoed.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

Het Kindtegoed bedraagt: • 0 t/m 3 jaar: 125 euro. Als het kind 2 of 3 jaar is en naar de voorschool gaat, wordt het bedrag verhoogd met 250 euro; • 4 t/m 9 jaar: 241 euro; • 10 t/m 11 jaar: 366 euro; • 12 t/m 14 jaar: 475 euro; • 15 t/m 17 jaar: 325 euro. In de begroting verrekenen we dit tegoed met de post “kleding”. 3.2.7 Voorschool De voorschool is opvang voor kinderen tussen de 2 en 4 jaar. Het is een opvang waar kinderen spelend leren. In de begrotingen gaan we er vanuit dat er gebruik wordt gemaakt van dergelijke opvang. We sluiten hierbij aan op de voorwaarden voor tegemoetkoming vanuit de gemeente, namelijk minimaal 16 uur per week verspreid over minimaal 3 dagen. Voor meer uren moet extra betaald worden. Voor deze extra uren kan kinderopvangtoeslag aangevraagd worden. De hoogte van de ouderbijdrage is minimaal 10,25 euro per uur. Als er geen recht is op kinderopvangtoeslag, dan vergoedt de gemeente een bedrag. De kosten voor kinderopvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Voor de huishoudens die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, is dit in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot en met de basisschoolleeftijd een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag.

Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. In de gemeente Amsterdam kunnen ouders in specifieke gevallen een tegemoetkoming krijgen in aanvulling op de kinderopvangtoeslag. In deze rapportage gaan wij niet uit van dergelijke specifieke omstandigheden. We gaan ervan uit dat de alleenstaande ouder met jonge kinderen en een inkomen boven bijstandsniveau enkele dagen per week werkt en gebruik maakt van de kinderopvang. Bij een inkomen op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. De kosten voor kinderopvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Voor de huishoudens die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, is dit in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.9 Vrijwillige ouderbijdrage Huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum met kinderen op de basisschool komen in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van de vrijwillige ouderbijdrage. Het gaat om een bedrag van 55 euro per jaar dat wordt uitbetaald aan de school. In de begroting verrekenen we deze tegemoetkoming met de post “onderwijs”.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

3.2.10 Reiskostenvergoeding scholieren Huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum met kinderen op het voortgezet onderwijs die minstens 9 kilometer van school wonen, hebben recht op een reiskostenvergoeding. De vergoeding bedraagt 250 euro per kind per schooljaar. De kinderen moeten per fiets of OV naar school reizen. In de begroting gaan we er niet vanuit dat kinderen meer dan 9 kilometer naar school hoeven te reizen. We houden daarom geen rekening met deze tegemoetkoming. 3.2.11 Gratis identiteitskaart Huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum komen in aanmerking voor een vergoeding van de kosten voor een identiteitskaart. Het gaat om een vergoeding voor kinderen en voor volwassenen die in het bezit zijn van een Stadspas. In de begroting verrekenen we deze vergoeding met de post “diversen”. 3.2.12 Vergoeding dierenarts/ADAM-regeling Huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum komen in aanmerking voor een bijdrage in de kosten van de dierenarts. Het gaat om 1 bijdrage per stadspasjaar. In de begroting houden we geen rekening met de kosten van een huisdier en daarom ook niet met deze vergoeding. 3.2.13 Gratis OV ouderen Ouderen vanaf de AOW-leeftijd met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum komen in aanmerking voor gratis reizen met de tram, bus en metro in de regio Amsterdam en Weesp.

In de begroting houden we rekening met deze regeling in de post “vervoer” en in het pakket voor sociale participatie.

Voor ouderen met een Wmo-indicatie voor aanvullend openbaar vervoer is er een aanvullende tegemoetkoming mogelijk voor vervoerskosten met het aanvullend OV. Het gaat om een forfaitair bedrag van 120 euro per jaar tot een inkomen van 130 procent van het sociaal minimum. We hebben geen aparte begroting opgesteld voor ouderen met zorgkosten en houden daarom geen rekening met deze tegemoetkoming. 3.2.14 Regeling tegemoetkoming meerkosten Chronisch zieken en gehandicapten met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum komen in aanmerking voor een forfaitaire tegemoetkoming van maximaal 91,25 euro per maand. We hebben geen aparte begroting opgesteld voor ouderen met zorgkosten en houden daarom geen rekening met deze tegemoetkoming.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

3.2.15 OV-vergoeding mantelzorgers Inwoners van Amsterdam van 18 jaar tot de AOW-leeftijd met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum die mantelzorg verlenen en hiervoor minstens 3 kilometer moeten reizen komen in aanmerking voor een vergoeding van de reiskosten. Het gaat om een forfaitair OV-saldo van 20 euro per maand. In de begroting houden we geen rekening met het verlenen van mantelzorg. We houden daarom geen rekening met deze vergoeding. 3.2.16 Energieadvies aan huis Huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum komen in aanmerking voor een gratis energieadvies aan huis in combinatie met een tegoed van 30 euro aan energiebesparende producten.

Inwoners van de gemeente Amsterdam die in het bezit zijn van een stadspas komen in aanmerking voor een tegoed van 70 euro voor energiebesparende producten dat te besteden is bij bouwmarkten. Omdat het gaat om een eenmalig bedrag, houden we geen rekening met deze regelingen in de begroting. In de begroting gaan we uit van een woning met energielabel C. 3.2.17 Witgoedregeling Huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum kunnen korting krijgen op de aanschaf van energiezuinige huishoudelijke apparaten zoals een koelkast, wasmachine of gasformuis. In de begrotingen houden we geen rekening met de aanschaf van extra energiezuinige apparatuur. We houden daarom ook geen rekening met een vergoeding daarvoor. 3.2.18 Particuliere fondsen In de gemeente Amsterdam is een groot aantal particuliere fondsen actief, die zich bezighouden met ondersteuning van huishoudens met een laag inkomen of specifieke noden. Voorbeelden zijn Stichting Leergeld, het Jeugdeducatiefonds, het Fonds Bijzondere Noden en Stichting Voedselbank Amsterdam. In de begrotingen houden we al rekening met een vergoeding via de Stadspas. We houden daarom geen rekening met vergoedingen via deze fondsen. 3.2.19 Bijzondere bijstand De gemeente Amsterdam verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand.

Tot de bijstandsnorm plus 100 euro voor alleenstaanden en tot de bijstandsnorm plus 300 euro voor een echtpaar is er geen sprake van draagkracht; bij een inkomen daarboven wordt 100 procent van het meerinkomen als draagkracht beschouwd. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2, hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. De inkomsten worden getoond op bijstands- of AOW-niveau, en op 100, 120, 130 en 150 procent van het sociaal minimum. Bij de inkomensniveaus vanaf 100 procent van het sociaal minimum gaat het om de bruto jaarinkomens die de gemeente Amsterdam hanteert (zie paragraaf 2.2). Het netto inkomen is berekend met de belastingtarieven en heffingskortingen (incl. arbeidskorting). Hierdoor is het netto inkomen op 100 procent hoger dan de bijstandsnorm. Het resultaat van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in de volgende tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit in rood weergegeven. Dat is in de gemeente Amsterdam bij geen van de onderzochte huishoudtypen het geval. Wanneer het huishouden minder overhoudt bij een hoger inkomen in vergelijking tot één of meerdere lagere inkomens (armoedeval), dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur.

Als het saldo hoger is dan bij het voorgaande inkomensniveau, maar lager dan een daarvoor liggend inkomensniveau, dan is dit aangegeven met een gele kleur. Tabel 7 geeft het saldo van de inkomsten minus de minimaal noodzakelijke uitgaven weer. In de beschrijving duiden we het saldo ook aan als bestedingsruimte. Tabel 7: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, exclusief IIT Huishoudtype

bijstand/AOW

100

120

130

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

130

233

489

597

618

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

417

358

554

627

657

03. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

609

889 1.291 1.421 1.377

04. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

331

721

959

996 1.008

05. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

154

155

294

346

344

06. paar met 2 jonge kinderen

441

442

581

633

614

07. paar met 2 oudere kinderen

187

188

327

379

360

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

4.1

Bestedingsruimte per huishoudtype

1. Alleenstaande tot de AOW-leeftijd Een alleenstaande heeft, nadat alle noodzakelijke uitgaven zijn gedaan, op bijstandsniveau een bestedingsruimte van 130 euro per maand. Op 100 procent is het saldo hoger, namelijk 233 euro. De inkomensgrens voor het minimabeleid in de gemeente Amsterdam wordt vastgesteld op basis van bruto jaarinkomen en het netto inkomen is ongeveer 19 procent hoger dan de bijstandsnorm. Op 150 procent loopt het saldo op naar 618 euro. 2. Alleenstaande van de AOW-leeftijd Een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met alleen een volledige AOW-uitkering en geen aanvullend pensioen heeft een bestedingsruimte van 417 euro per maand. Dat is fors meer dan een alleenstaande tot de AOW-leeftijd op bijstandsniveau. Dat komt doordat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering. Op 100 procent resteert 358 euro. Dat is 59 euro minder dan bij een AOW-uitkering, maar fors meer dan voor een alleenstaande tot de AOW-leeftijd op 100 procent. Dat komt enerzijds doordat vanaf de AOW-leeftijd enkele minimale uitgaven iets lager zijn dan tot de AOW-leeftijd, bijvoorbeeld voor voeding. Anderzijds is het netto inkomen hoger doordat er vanaf de AOW-leeftijd minder belasting betaald wordt. Het saldo loopt op tot 657 euro bij 150 procent. 3.

Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met kinderen van 3 en 5 jaar heeft op bijstandsniveau een saldo van 609 euro nadat het basispakket en de kosten voor sociale participatie zijn bekostigd. Op 100 procent is de bestedingsruimte 889 euro. Dat loopt op naar 1.421 euro bij 130 procent. Bij 150 procent is de bestedingsruimte 44 euro lager dan op 130 procent. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de oorzaak achter de lagere bestedingsruimte. 4. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Ook het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar heeft op bijstandsniveau voldoende saldo om het basispakket en de kosten voor sociale participatie te bekostigen. Op bijstandsniveau is het saldo 331 euro. Op 100 procent resteert 721 euro. Dat loopt op naar 1.008 euro bij 150 procent. Het valt op dat het eenoudergezin met twee oudere kinderen minder bestedingsruimte heeft dan het eenoudergezin met jonge kinderen. Dit komt doordat de kosten voor oudere kinderen over het algemeen hoger zijn dan voor jonge kinderen. Dit geldt bijvoorbeeld voor voeding, kleding en schoolkosten. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget kunnen dit verschil niet compenseren. Daarnaast is er vanaf 12 jaar geen recht meer op inkomensafhankelijke combinatiekorting. 5.

Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van 154 euro per maand. Dit loopt op naar 346 euro op 130 procent en iets af naar 344 euro op 150 procent. 6. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar)

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van 441 euro. Dit loopt op naar 633 euro op 130 procent en weer iets af naar 614 euro op 150 procent. 7. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van 187 euro, wat oploopt naar 379 euro op 130 procent en weer af naar 360 euro op 150 procent. Dat paren met kinderen meer ruimte hebben dan het paar zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van kinderen meer dan compenseren.

4.2

Armoedeval

Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 100, 120, 130 en 150 procent van het sociaal minimum gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. Uit tabel 7 valt op te maken dat welke huishoudtypen te maken hebben met een uit- of doorstroomval. Uitstroomval In de gemeente Amsterdam is geen uitstroomval zichtbaar bij de gespecificeerde inkomens. Voor alleenstaanden is er een vrij fors verschil tussen de bijstandsuitkering en 100 procent van het sociaal minimum, zoals de gemeente Amsterdam dat specificeert.

Daardoor is de kans op een uitstroomval kleiner dan wanneer er wordt gekeken naar een inkomen bij bijvoorbeeld 110 procent van de netto bijstandsuitkering. Voor alleenstaanden bedraagt de bruto inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum 24.720 euro. Op 100 procent is dat dus 19.015 euro (24.720 / 1,3). Rekening houdend met algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt het netto inkomen 18.681 euro, oftewel 1.557 euro per maand. Dat is 19 procent meer dan de netto bijstandsuitkering van 1.308 euro. Bij paren is het inkomensverschil tussen de bijstandsuitkering en 100 procent van het sociaal minimum kleiner dan bij alleenstaanden. Dat verklaart het geringe verschil tussen de bestedingsruimte op bijstandsniveau en op 100 procent van het sociaal minimum. Alhoewel we bij gepensioneerden van de AOW-leeftijd niet spreken van een armoedeval, is bij een alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met een inkomen op 100 procent van het

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

sociaal minimum wel minder bestedingsruimte dan bij een volledige AOW-uitkering. Dat komt doordat de AOW-uitkering relatief hoog is vergeleken met het sociaal minimum zoals dat in de gemeente Amsterdam wordt gespecificeerd. In beide gevallen resteert er een relatief hoog bedrag. Bij AOW gaat het om 417 euro en op 100 procent om 358 euro. Doorstroomval Een doorstroomval komt voor bij een eenoudergezin met 2 jonge kinderen en bij de paren zonder en met kinderen bij een inkomen van 150 procent. De daling in bestedingsruimte bij 150 procent ten opzichte van 130 procent is het kleinst voor paren zonder kinderen (2 euro per maand) en het grootst voor het eenoudergezin met 2 jonge kinderen (44 euro per maand). De doorstroomval wordt veroorzaakt doordat er vanaf 130 procent geen recht meer is op de collectieve zorgverzekering en op vergoedingen voor volwassenen vanuit de Stadspas. Verder is er bij 150 procent minder zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget. Verder speelt mee dat we bij het eenoudergezin met 2 jonge kinderen bij 150 procent uitgaan van meer kinderopvang dan bij 130 procent.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

4.3

Huishoudens met langdurig een laag inkomen

Individuele inkomenstoeslag Huishoudens in de gemeente Amsterdam, die gedurende 3 jaar of langer een inkomen hebben gehad dat niet hoger is dan 130 procent van het sociaal minimum, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag varieert per huishoudtype: alleenstaanden hebben recht op 85 euro per jaar en paren op 85 euro per volwassene per jaar. In tabel 8 staan de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. Tabel 8: Vrije bestedingsruimte per maand in euro’s, inclusief IIT Huishoudtype

bijstand/AOW

100

120

130

150

01. alleenstaande tot AOW-leeftijd

137

240

496

604

618

02. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd*

417

358

554

627

657

03. eenoudergezin met 2 jonge kinderen

616

896 1.298 1.428 1.377

04. eenoudergezin met 2 oudere kinderen

338

728

966 1.003 1.008

05. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen

168

169

308

360

344

06. paar met 2 jonge kinderen

455

456

595

647

614

07. paar met 2 oudere kinderen

201

202

341

393

360

* geen recht op IIT, dus bestedingsruimte is hetzelfde als in tabel 7

De IIT kan een extra armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. Door de IIT ontstaan er op 150 procent, vergeleken met 130 procent, geen nieuwe armoedevallen. Wel worden de bestaande armoedevallen iets groter. Voor paren zonder kinderen stijgt de armoedeval door het wegvallen van de IIT van 2 euro naar 16 euro per maand en voor het eenoudergezin met 2 jonge kinderen van 44 euro naar 51 euro per maand.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

5 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van minimabeleid van de gemeente Amsterdam.

5.1

Bestedingsruimte en armoedeval

Bestedingsruimte In de gemeente Amsterdam kunnen alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond krijgen. Voor het ene huishouden is dit duidelijk eenvoudiger dan voor het andere huishouden. Dit is opvallend gelet op de sterke inflatie in de afgelopen jaren. De landelijke koopkrachtreparaties van 2023 en ook van dit jaar doen hier duidelijk hun werk. Echter, er blijft grote onzekerheid over het verloop van alle prijzen in de komende jaren. Weten waar je financieel aan toe bent, is nodig om te kunnen begroten en uit te kunnen rekenen hoeveel budget er is voor verschillende uitgavenposten. Hogere inkomens hebben meer ruimte in hun begroting om te kunnen schuiven met uitgavenposten en hebben vaker een buffer om op terug te vallen. Iets wat huishoudens met een laag inkomen meestal niet hebben. In de huidige situatie is de bestedingsruimte van huishoudens zonder kinderen het laagst, maar wel positief (zie tabel 7). Deze huishoudens profiteren het minst van de landelijke koopkrachtreparaties van de afgelopen jaren, die met name gericht waren op koopkrachtverbetering van huishoudens met kinderen door onder andere verhoging van de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Van de onderzochte huishoudtypen in dit onderzoek heeft de alleenstaande de laagste bestedingsruimte: met alleen een bijstandsuitkering resteert 130 euro per maand.

Het paar zonder kinderen heeft iets meer bestedingsruimte met 154 euro. Dit maakt deze huishoudens kwetsbaar; als deze huishoudens met hogere kosten te maken hebben dan waar we in dit onderzoek rekening mee hebben gehouden (bijvoorbeeld een combinatie van een hogere huur en een onzuinige woning) dan kan het positieve saldo omslaan in een tekort. Bij een inkomensniveau van 150 procent hebben paren zonder kinderen de minste bestedingsruimte, gevolgd door paren met oudere kinderen. Er is dan geen volledig recht meer op gemeentelijke inkomensondersteuning en de (landelijke) huur- en zorgtoeslag worden afgebouwd. Daarnaast laten de resultaten van deze rapportage zien dat alleenstaande ouders een hogere bestedingsruimte hebben dan paren. Dit komt doordat paren de kosten van twee volwassenen moeten dragen, terwijl het bijbehorende inkomen in verhouding lager ligt: een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. Paren ontvangen 100 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

Op bijstandsniveau houden alleenstaande ouders met oudere kinderen per maand 331 euro over tegenover 187 euro per maand voor paren met oudere kinderen. Armoedeval In de gemeente Amsterdam zien we enkele armoedevallen bij de inkomens die we hebben onderzocht. Voor het eenoudergezin met twee jonge kinderen en voor paren zonder en met kinderen daalt de bestedingsruimte met 2 tot 44 euro per maand bij 150 procent ten opzicht van 130 procent. Dat komt door het wegvallen van de collectieve zorgverzekering en de tegemoetkomingen voor volwassenen via de Stadspas in combinatie met de afbouw van landelijke toeslagen. Ondanks de doorstroomval tussen 130 en 150 procent van het sociaal minimum, hebben de onderzochte huishoudens bij 150 procent altijd meer te besteden dan bij 120 procent.

5.2

Aannames en aanbevelingen

De berekening van de bestedingsruimte van de voorbeeldhuishoudens in dit onderzoek is gebaseerd op een drietal voorwaarden: 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Men moet alle inkomensondersteuning aanvragen waar men recht op heeft; 3. Men moet niet of zeer beperkt te maken hebben met persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Dit geldt voor bijvoorbeeld huishoudens met een hogere huur dan hier opgenomen. Of voor mensen met een noodgedwongen hogere energierekening, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een slecht geïsoleerde woning. De conclusies van dit rapport moeten met die voorwaarden in het achterhoofd geïnterpreteerd worden. Kijkend naar de voorwaarden kan gesteld worden dat er heel veel verwacht wordt van huishoudens met een laag inkomen. Het gaat dus eigenlijk om de meest ideale situatie. De daadwerkelijke situatie van huishoudens kan hiervan afwijken. Om hoeveel huishoudens het gaat en in welke mate is niet bekend, hierover zijn geen gemiddelden gepubliceerd. Het Nibud adviseert de gemeente Amsterdam om actief de betreffende huishoudens te (blijven) helpen aan deze voorwaarden te kunnen voldoen. Om het voor huishoudens makkelijker te maken om aan de drie voorwaarden van dit onderzoek te kunnen voldoen volgen hieronder een aantal aanbevelingen.

Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van de inboedel. We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod. Verminder niet-gebruik regelingen In de gemeente Amsterdam kunnen alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond krijgen. Hierbij moet de gemeente het volgende goed ik het oog houden: in deze

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

rapportage wordt ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen worden aangevraagd. Uit diverse onderzoeken1 blijkt echter dat dit niet altijd gebeurt en dat er een behoorlijke mate van niet-gebruik is. De redenen van niet-gebruik zijn divers. Mensen kennen de regeling niet of zij kennen de regeling wel, maar denken er niet voor in aanmerking te komen. Als inwoners wel weten dat zij voor de regeling in aanmerking komen, kan schaamte of de angst om later te moeten terugbetalen een rol spelen. Voor de groep die niet alle regelingen gebruikt waarop recht is, geldt dat de bestedingsruimte in deze rapportage lager is. Het Nibud adviseert dan ook in het beleid sterk de nadruk te leggen op het verminderen van niet-gebruik. Bijvoorbeeld door gerichte communicatie te stimuleren met hulp van verschillende lokale organisaties, waaronder die in de gezondheidzorg. Of door eenvoudige procedures met betrekking tot toekenning, bijvoorbeeld door aanvragen te combineren. De gemeente Amsterdam is bezig om inwoners meer direct te benaderen en ambtelijk toe te kennen waar mogelijk, omdat bleek dat het voor hen niet altijd duidelijk is wanneer zij voor welke regeling in aanmerking komen. Daarnaast werkt de gemeente vanuit vertrouwen waardoor inwoners zo min mogelijk bewijsmateriaal hoeven aan te leveren.

2 Verder werkt de gemeente met de VoorzieningenWijzer waardoor makkelijker inzichtelijk gemaakt kan worden waar een inwoner mogelijk voor in aanmerking komt. Ook dit zal het niet-gebruik beperken. Het niet-gebruik is vooral groot onder werkenden. Dat versterkt de armoedeval. In de handreiking Het beter bereiken van werkende armen (Platform31, 2022)3 staan suggesties om het niet-gebruik van voorzieningen door werkenden tegen te gaan. In Amsterdam wordt hier nu al op ingezet door het stimuleren van sociaal werkgeverschap en gerichte communicatie via bijvoorbeeld sociale media, in wijkkranten en een buurtgerichte campagne in gebieden waar veel werkende armen wonen. Ook worden Amsterdammers die een energietoeslag hebben ontvangen benaderd of zij ook gebruik willen maken van andere regelingen, om zo meer werkende armen te bereiken.

Help energie- en woonlasten verlagen De afgelopen periode zijn de energielasten sterk gestegen. Het kabinet heeft in 2023 de gevolgen voor alle huishoudens gedempt met het prijsplafond op de energietarieven. Voor huishoudens met een laag inkomen is de energietoeslag in het leven geroepen. Deze zijn ____________________

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

in 2024 weer afgeschaft. Omdat de energieprijzen weer gedaald zijn, is dit niet meer nodig voor elk huishouden. Het is misschien niet meer voor iedereen noodzakelijk, maar wonen in een huis met een slecht energielabel veroorzaakt wel degelijk persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Het Nibud adviseert om voor die huishoudens die vanwege een slecht geïsoleerde woning moeite hebben met rondkomen, de mogelijkheid van bijzondere bijstand open te houden. Hetzelfde geldt voor huishoudens met een bovengemiddeld hoog noodzakelijk elektriciteitsverbruik, bijvoorbeeld als gevolg van een medische aandoening of een energie-onzuinige woning. Ook voor deze huishoudens blijft een (extra) tegemoetkoming vanuit de gemeente zeer wenselijk. In Amsterdam kunnen deze huishoudens gebruik maken van de Regeling Tegemoetkoming Meerkosten (RTM) en als deze onvoldoende is, aanvullend hieraan Indviduele Bijzondere Bijstand (IBB) ontvangen voor hoge energiekosten. Ten aanzien van energieverbruik en isolatie, blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen en daardoor een hoger dan gemiddeld verbruik hebben. De energielasten zullen een groter deel van de woonlasten, en daarmee ook van de totale begroting, gaan innemen. De toekomstige energietransitie zal ook de nodige kosten met zich meebrengen.

Daarbij is het voor bewoners van een huurwoning niet duidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders. Het Nibud adviseert de gemeente om hierin samen op te trekken met de verhuurders en ook samen middelen in te zetten om de energieverbetering van woningen door te voeren. Van het Rijk ontvangen gemeentenmiddelen om woningen te verduurzamen en om mensen te informeren en adviseren. Voor huishoudens met een laag inkomen en huishoudens in de schuldhulpverlening zijn er extra mogelijkheden. 4 Huishoudens met een laag inkomen kunnen mogelijk hulp van energieadviseurs of gratis en goedkope energieboxen aangeboden krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn maar die een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief.

Handhaaf een ongedeeld budget voor de kosten van kinderen De gemeente Amsterdam zet sterk in op vergoeding van kosten van kinderen. Via de gemeente kunnen diverse kosten vergoed worden. De gemeente kent een laptopregeling en via de Stadspas kunnen onder andere diverse uitjes vergoed worden. Ook worden diverse schoolkosten vergoed (zoals gymkleding, een fiets, laptop, smartphone en overige schoolspullen). Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het nietgebruik tegengaan. Te veel verschillende losse regelingen kan het voor inwoners onoverzichtelijk maken, met als ongewenst effect dat een groep huishoudens onterecht geen gebruik maakt van de mogelijkheden die er zijn.

____________________

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2024

Blijf de IIT afstemmen op de bestedingsruimte per huishoudtype Huishoudens die drie jaar of langer moeten rondkomen van een inkomen op bijstandsniveau of hoger en die geen zicht hebben op en inkomensverbetering in de toekomst, kunnen in aanmerking komen voor de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de IIT bedraagt voor alleenstaanden 85 euro per jaar en voor paren 85 euro per volwassene per jaar. Het is sterk dat inwoners van Amsterdam ook met langdurig een inkomen net boven het sociaal minimum recht hebben op de IIT. Dit versterkt hun financiële positie. Ook het gegeven dat er rekening wordt gehouden met kosten van extra gezinsleden is wenselijk. We adviseren om de regeling in stand te houden. Houdt rekening met een armoedeval boven de inkomensgrens van het minimabeleid In de gemeente Amsterdam kunnen alle onderzochte huishoudtypen de maandbegroting rond krijgen. Dit is enerzijds het gevolg van landelijke maatregelen, zoals de verhoging van het minimumloon (en de daaraan gekoppelde uitkeringen) en de verhoging van toeslagen (met name de huurtoeslag en het kindgebonden budget). Daarnaast kent de gemeente Amsterdam een eigen minimabeleid, wat vooral gunstig is voor huishoudens met kinderen. Het Nibud beoordeelt dit als zeer positief. Veel kindregelingen kennen een inkomensgrens van 150 procent.

Uit dit onderzoek blijkt dat bij de eenoudergezinnen met jonge kinderen en bij paren met kinderen een doorstroomval zichtbaar wordt op 150 procent. Dit wordt veroorzaakt door de inkomensgrens van de collectieve zorgverzekering en de tegemoetkoming via de Stadspas vanaf 18 jaar in combinatie met de afbouw van landelijke toeslagen. Het is mogelijk dat het wegvallen van de gemeentelijke inkomensondersteuning vanaf 150 procent ook bij andere huishoudtypen tot doorstroomvallen leidt. Dat is in dit onderzoek niet inzichtelijk gemaakt. Laat (meer) werken lonend zijn Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Amsterdam wordt geen uitstroomval zichtbaar bij de gespecificeerde inkomensgrenzen. Wel zien we dat de bestedingsruimte voor paren nauwelijks toeneemt tussen bijstand en 100 procent van het sociaal minimum. Dit komt mede doordat we bij 100 procent uitgaan van een situatie met werk en rekening houden met werkgerelateerde kosten. Het Nibud adviseert per situatie te bekijken of werkgerelateerde kosten tot financiële problemen kunnen leiden en zo nodig een vergoeding te verstrekken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14977385/1