CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 Amsterdamse Armoedemonitor 2022.pdf

RAAD 28 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de Amsterdamse Armoedemonitor en Schuldenmonitor (VN2024-000660)11.157 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Amsterdamse Armoedemonitor 2022 Onderzoek en Statistiek

In opdracht van: Werk, Participatie en Inkomen Projectnummer: 230035 Auteur: Renske Hoedemaker, Marloes de Hoon, Laure Michon, Ranu Sewdas E-mailadres: r.hoedemaker@amsterdam.nl Bezoekadres: Post: Telefoon: Website:

Weesperstraat 113-117 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl

Amsterdam, oktober 2023 Foto voorzijde: Kunstwerk van Andre Volten aan het IJ t.h.v. de Distelweg in stadsdeel Noord, fotograaf Edwin van Eis (2021)

Inhoud Inleiding

4

1

Armoede: ontwikkelingen in Amsterdam

6

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8

6 7 8 9 10 11 12 13

2

Aandeel minimahuishoudens in Amsterdam opnieuw licht gedaald Lichte daling aandeel minima zet naar verwachting door in 2022 Amsterdam wordt ‘rijker’ maar groep minima krimpt nauwelijks Aandeel langdurige minima daalt sinds 2019 licht In en uitstroom afgelopen paar jaar stabiel Zowel instroom als uitstroom vooral gedreven door inkomensverandering In- en uitstroom vooral rond de minimagrens Amsterdam op weg naar halvering kinderarmoede

Amsterdamse minima in beeld

15

2.1 Kwart huishoudens in Zuidoost behoort tot de minima 15 2.2 Hoog armoedepercentage onder huishoudens met bijstand 16 2.3 Eenoudergezinnen relatief vaak minima 17 2.4 Meer vrouwen dan mannen onder de minima 18 2.5 Aandeel kinderen dat opgroeit in armoede daalt 19 2.6 Minimapopulatie vergrijst 21 2.7 Minima vooral onder eerste generatie migranten en migrantenouderen 21 2.8 Twee derde minima is langdurig arm 22 2.9 Verhoging armoedegrens naar 130% sm: vooral meer werkenden en paren behoren tot nieuwe groep minima 24

3

Bereik Amsterdamse armoederegelingen

26

3.1 3.2 3.3 3.4

26 28 29 31

Driekwart van de minimahuishoudens gebruikt armoederegelingen Huishoudens met bijstand goed bereikt, werkenden veel minder Bereik armoederegelingen op de kaart Kwart niet-gebruikers wordt langdurig niet bereikt

Bijlage data en methode

35

3

Inleiding Dit is de 25e editie van de Amsterdamse Armoedemonitor. De armoedemonitor verschijnt jaarlijks in opdracht van WPI en heeft twee doelen: ten eerste brengt de monitor de minimapopulatie en ontwikkelingen daarin in kaart, ten tweede beschrijft de monitor het bereik van een aantal gemeentelijke minimaregelingen. De belangrijkste resultaten van de armoedemonitor worden beschreven in de drie hoofdstukken van dit document:  Hoofdstuk 1 ‘Armoede: ontwikkelingen in Amsterdam’ beschrijft de ontwikkelingen in de samenstelling van de Amsterdamse bevolking naar inkomens en vermogens, en specifiek van minimahuishoudens, tussen 2011 en 2021;  Hoofdstuk 2 ‘Amsterdamse minima in beeld’ beschrijft de groep (personen in) minimahuishoudens aan de hand van demografische en sociaaleconomische achtergrondkenmerken;  Hoofdstuk 3 ‘Bereik Amsterdamse armoederegelingen’ brengt in kaart in hoeverre Amsterdammers met recht op armoedevoorzieningen hier ook gebruik van maken. Naast deze rapportage publiceert O&S drie uitgebreide sets met achtergrondgegevens over Amsterdamse (personen in) minimahuishoudens en gegevens over het bereik van de armoederegelingen. De achtergrondgegevens bij hoofdstuk 1 en 2 uit de monitor zijn gebundeld in de eerste set tabellen. De tweede set tabellen bevat de achtergrondgegevens bij hoofdstuk 3 uit deze monitor.

De Stadsdeelrapportage vormt de derde set met achtergrondgegevens bij de armoedemonitor. De Stadsdeelrapportage bevat gegevens over Amsterdamse (personen in) huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens voor de jaren 2011 t/m 2021 en gegevens over het bereik van de armoederegelingen per stadsdeel, gebied, wijk en buurt. Bron: Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (CBS) Voor de armoedemonitor maakt O&S eigen berekeningen op basis van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden. De meest gebruikte bestanden zijn onderdeel van het Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van CBS. De IIV-bestanden bevatten inkomens- en vermogensgegevens over alle huishoudens en personen in Nederland. De bestanden worden samengesteld op basis van inkomensgegevens van de Belastingdienst, gegevens over studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), en de Basisregistratie Personen. Deze gegevens zijn beschikbaar voor de jaren 2011 t/m 2021, waarbij de gegevens voor 2021 voorlopig zijn. De definitieve cijfers over 2020 in de huidige rapportage wijken soms licht af van de voorlopige cijfers over dit jaar zoals opgenomen in de vorige editie van de armoedemonitor.

Amsterdamse armoedegrens: 130% wettelijk minimumloon en weinig vermogen Sinds 1 januari 2023 ligt de grens voor een laag inkomen in de gemeente Amsterdam op 130 procent van het wettelijk minimumloon (wml). De hoogte van de normbedragen verschilt per huishoudtype. Voor de armoedemonitor maakt O&S gebruik van CBS-microdata over inkomen en vermogen. Hierin staan geen gegevens over de hoogte van het huishoudinkomen ten opzichte van het wettelijk minimumloon. We gebruiken daarom gegevens over het inkomen ten opzichte van de grens van 130 procent van het sociaal minimum (sm), dat het beste beschikbare alternatief vormt om de 4

gemeentelijke inkomensgrens te benaderen. In 2021 kwam een inkomen van 130 procent van het sociaal minimum neer op circa €16.800 netto per jaar voor een alleenstaande. De gemeente Amsterdam kijkt behalve naar inkomen ook naar vermogen om te bepalen wie tot de minima behoort: voor alleenstaanden lag de vermogensgrens in 2021 op €6.295, en bij een eigen huis lag de maximale overwaarde op €53.100. Verder is van belang om te benadrukken dat om een percentage huishoudens met een laag inkomen te kunnen berekenen een onderzoekspopulatie wordt vastgesteld, waartegen het aantal huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum wordt afgezet. Tot de onderzoekspopulatie behoren particuliere huishoudens, huishoudens die volledig uit studenten bestaan uitgezonderd, waarvan het inkomen over een heel jaar bekend is. Van de huishoudens buiten de onderzoekspopulatie berekent het CBS geen inkomen als percentage van het sociaal minimum. Voor deze huishoudens kan daarom niet worden bepaald of zij een laag inkomen hebben volgens de definitie zoals gehanteerd in de armoedemonitor. In 2021 behoorden 432.730 huishoudens tot de onderzoekspopulatie, dit is 87% van alle Amsterdamse huishoudens. De bijlage van deze monitor bevat een uitgebreide beschrijving van de gebruikte data en methode.

5

1 Armoede: ontwikkelingen in Amsterdam

In 2021 behoort 17 procent van de Amsterdamse huishoudens tot de minimahuishoudens. Hiermee is het percentage huishoudens met een inkomen en vermogen onder de minimagrens opnieuw licht gedaald ten opzichte van een jaar eerder. Het aantal huishoudens onder de minimagrens is in 2021 eveneens lager dan een jaar eerder, maar hoger dan in 2019. Dat het percentage minimahuishoudens in deze periode toch gestaag blijft afnemen komt door de groei van het aantal huishoudens met een inkomen boven de minimagrens. Met name het aandeel huishoudens met hoog inkomen, meer dan drie keer het sociaal minimum, is in Amsterdam de afgelopen jaren sterk gegroeid.

1.1 Aandeel minimahuishoudens in Amsterdam opnieuw licht gedaald Volgens voorlopige cijfers (zie bijlage over de data en methode) hebben ruim 73.400 Amsterdamse huishoudens in 2021 een laag inkomen en weinig vermogen: 17 procent van alle huishoudens. Hiermee is het percentage huishoudens onder de minimagrens in drie achtereenvolgende jaren zeer licht gedaald. In eerdere jaren was de afname sterker. Figuur 1.1 Aantal en percentage Amsterdamse minimahuishoudens (inkomen tot 130% sm en een vermogen tot de bijstandsnorm), 2011-2021* 100.000

50

90.000 80.000

70.000

75.385

78.187

82.212 83.294

40 79.327 78.635 76.856 74.979 73.131 74.694 73.431

60.000

30

50.000 20,0

20,6

21,5

21,5

20,2

40.000

19,7

19,0

18,2

17,5

17,3

17,0

20

30.000 20.000

10

10.000 0

2011

2012

2013

2014

2015 aantal

2016

2017

2018

2019

2020

2021

percentage

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

Het jaar 2020 werd in de vorige editie van de armoedemonitor als mogelijk kantelpunt gemarkeerd: er kwam een einde aan de jaarlijkse afname van het absolute aantal minimahuishoudens; er was voor 6

0

het eerst sinds 2014 sprake van een stijging. Het meest recente percentage en aantal wijzen echter op een daling die voortduurt; zij het in afgevlakte vorm.

1.2 Lichte daling aandeel minima zet naar verwachting door in 2022 De meest recente beschikbare registratiecijfers gaan over 2021. Voor 2022 baseren we ons op een raming die het aandeel minima schat op basis van het werkloosheidspercentage. Deze twee ontwikkelingen hangen sterk samen. Het dalende werkloosheidspercentage in de stad (van 6,6 procent in 2021 naar 4,8 procent in 2022) vertaalt zich naar een geraamd minimapercentage van 16,7 procent in 2022. Dit zou wederom een lichte daling zijn ten opzichte van het voorgaande jaar. Deze raming houdt ongeveer gelijke tred met de verwachtingen van het CPB op landelijk niveau (Concept Macro Economische Verkenningen 2024, CPB 2023). Figuur 1.2 Ontwikkeling werkloosheidspercentage en aandeel minimahuishoudens 2011-2021 en prognose aandeel minima 2022 op basis van eerdere cijfers en de werkloosheidsontwikkeling (procenten)

50 %

40

30

20

10

0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

werkloosheidspercentage (CBS Statline, excl Weesp) aandeel minimahuishoudens 130% (IIV CBS / bewerking O&S) - v.a. 2020 incl. Weesp prognose obv werkloosheidscijfers en minima incl Weesp bron: CBS/ bewerking O&S

Het geraamde percentage minimahuishoudens van 16,7 procent voor 2022 moet met enig voorbehoud worden geïnterpreteerd. Op basis van het eenvoudige prognosemodel zijn 2020 en 2021 atypische jaren gebleken: in die jaren lag het aandeel minima flink lager dan op basis van het werkloosheidspercentage was geraamd. Vermoedelijk is dit deels toe te schrijven aan het zeer tijdelijke karakter van werk- en inkomstenverlies als gevolg van de Covid-19-pandemie in de betreffende jaren. Daarnaast zijn gedurende de coronajaren verschillende vormen van inkomenssteun van kracht geweest die lage inkomens tijdelijk hebben aangevuld. Ook in 2022 is sprake geweest van inkomenssteun aan huishoudens in een minimasituatie: denk daarbij aan de energietoeslag. Omdat de energietoeslag ruimhartiger is toegekend dan doorgaans de praktijk is bij armoederegelingen, is deze financiële compensatie zowel bij minimahuishoudens als bij 7

huishoudens net boven de inkomensgrens terechtgekomen. Mogelijk valt het aandeel minima hierdoor in 2022 wederom lager uit dan geraamd op basis van de werkloosheid. Aandacht voor de tijdelijke aard van de inkomenssteun is hierbij van belang. Bij het wegvallen van deze steun zou het aandeel minimahuishoudens weer kunnen oplopen.

1.3 Amsterdam wordt ‘rijker’ maar groep minima krimpt nauwelijks De hierboven geschetste trend is niet uniek. Ook in de rest van Nederland daalt het aandeel huishoudens met een laag inkomen al jaren, en vlakt deze trend sinds 2019 af. In Amsterdam ligt het aandeel huishoudens onder de armoedegrens in alle jaren hoger dan het landelijk gemiddelde en hoger dan in de gemeenten van de metropoolregio Amsterdam (MRA) en de G4; Rotterdam uitgezonderd. Figuur 1.3 Percentage huishoudens met een inkomen tot 130% sm in de G4, de MRA en Nederland, 20112021* (procenten)

35% Rotterdam 30% Amsterdam 25% Den Haag 20%

MRA 15% Utrecht

10%

Nederland

5% 0% 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS Statline/ bewerking O&S

De lichte relatieve daling van armoede sinds 2013 is vooral het gevolg van de sterke stijging van het aantal huishoudens met een hoog inkomen (>300 procent sm). Figuur 1.4 laat zien dat deze toename sterker is dan de afname van het aandeel huishoudens met een laag inkomen. Vooral de groep met een inkomen net boven de armoedegrens (130-190 procent sm) krimpt in dezelfde periode. Ondanks de lichte afname van het aandeel lage inkomens neemt de inkomensongelijkheid in de stad toe door de toename van het percentage hoge inkomens. Dit blijkt ook uit de ontwikkeling van de Ginicoëfficiënt (zie O&S, Dashboard Kerncijfers, Inkomen).

8

Figuur 1.4 Percentage Amsterdamse huishoudens per inkomensklasse, 2011-2021*

100%

300% SM of meer 200%-299% SM 30

30

80%

32

32

34

35

36

37

39

39

41

130%-199% SM 120%-129% SM 110%-119% SM

60%

40%

20%

0%

23

23

23

100%-109% SM 23

21

21

20

19

3 4 8

3 4 7

3 4 6

11

12

13

23

23

0%-99% SM

23

23

23

22

21

18

18

17

17

16

16

16

3 4 8

3 3 8

3 3 8

3 3 8

3 3 7

3 3 8

3 3 8

3 3 7

11

11

10

10

10

9

9

9

2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

1.4 Aandeel langdurige minima daalt sinds 2019 licht Voorgaande resultaten betreffen trends op basis van een jaarlijkse dwarsdoorsnede van de bevolking. Hieruit volgt de bondige conclusie dat het aandeel Amsterdamse huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen in de loop der jaren afneemt, maar het aantal sinds 2019 min of meer gelijk bleef. Dit roept de vraag op hoe de situatie van individuele huishoudens zich over de tijd ontwikkelt: is er veel dynamiek in de minimapopulatie of is er sprake van langdurige armoede onder een vaste groep? Hoewel de minimagrens wordt bepaald op het niveau van huishoudens, brengen we de in- en uitstroom rond de minimagrens in beeld op het niveau van personen. Dit doen we omdat huishoudens van jaar op jaar kunnen veranderen van samenstelling. Wanneer personen drie jaren of langer tot de minima behoren, definiëren we dit als langdurig. Van de Amsterdammers die in 2021 tot de minima behoorden betrof dit twee derde (65%). Het aandeel personen dat langdurig in een minimasituatie zit steeg tussen 2013 en 2018: van 59 procent in 2013 tot 67 procent in 2018. Vanaf 2019 neemt het aandeel van de minima dat langdurig arm is weer licht af: met afgerond 1 procentpunt per jaar. Het absolute aantal personen dat langdurig tot de minima behoort daalt gestaag sinds 2013.

9

Figuur 1.5 Samenstelling Amsterdammers in een minimahuishouden naar duur (procenten), 2013-2021*

2013 (n=141.456)

41

59

korter dan 3 jaar

2014 (n=142.788)

40

60

2015 (n=134.229)

minimaal 3 jaar aaneengesloten

37

63

2016 (n=131.650)

36

64

2017 (n=127.661)

34

66

2018 (n=122.945)

33

67

2019 (n=119.127)

33

67

2020 (n=120.529)

34

66

2021 (n=118.071)

35

65

0%

20%

40%

60%

80%

100%

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

1.5 In en uitstroom afgelopen paar jaar stabiel Bijna 26.500 Amsterdammers behoorden in 2021 tot de minima en in het voorgaande jaar nog niet. Dit duiden we aan met de term ‘instroom’. Daartegenover staat dat ruim 28.900 personen zijn uitgestroomd: zij maakten in 2020 deel uit van een minimahuishouden en in 2021 niet meer. Net als in voorgaande jaren ligt de instroom lager dan de uitstroom, waarmee de omvang van de totale groep jaarlijks daalt. Het jaar 2020 vormt hierop een uitzondering: in dat jaar was de instroom hoger dan een jaar eerder en lag deze ongeveer even hoog als de uitstroom. De toegenomen instroom in 2020 komt deels door het toevoegen van Weesp aan de cijfers (+ 1.411 personen in minimahuishoudens). Ook afgezien van deze 1,4 duizend Weespers is er in 2020 ten opzichte van de twee voorgaande jaren sprake van relatief hoge instroom. De Covid-19-pandemie en daaraan gerelateerde contact-beperkende maatregelen vormen hier een gedeeltelijke verklaring voor. Met name zelfstandigen zagen een deel van hun omzet en dus inkomsten verdwijnen. In 2021 is de instroom weer gedaald en ligt deze ongeveer op het niveau van 2017.

10

Figuur 1.6 Aantal personen in minimahuishoudens en in- en uitstroom, 2012-2021* aantal personen per jaar

instroom/uitstroom

2012

136.434

2013

141.456

2014

142.788

+36.895

-32.795

+38.715

-33.693

+36.672

-35.340

+31.652

-40.211

2015

134.229

2016

131.650

2017

127.661

2018

122.945

2019

119.127

2020

120.529

+29.261

-27.858

2021

118.071

+26.474

-28.932

0

50.000

100.000

+31.054

-33.633

+28.614

-32.603

+26.695

-31.411

+25.428

-29.246

150.000

*Instroom 2020 inclusief Weespers in een minimahuishouden. Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

1.6 Zowel instroom als uitstroom vooral gedreven door inkomensverandering De uitstroom van mensen uit een minimasituatie ligt in 2021 hoger dan in het voorgaande jaar: voor het eerst sinds 2015. Deze uitstroom vond in 2021 net als in andere jaren hoofdzakelijk plaats doordat het inkomen van huishoudens steeg. Dit gold voor meer dan de helft van de 28.900 huishoudens die in 2020 nog wel tot de minimapopulatie behoorden en in 2021 niet meer. Een deel van de uitstromers (18%) behoort in het jaar 2021 niet meer tot de onderzoekspopulatie, bijvoorbeeld doordat zij zijn gaan studeren, er onvoldoende inkomensgegevens bekend zijn en/of zij instituutbewoner zijn geworden. Een kleinere groep (6%) behoorde door overlijden, emigratie of administratieve verwijdering niet langer tot de Amsterdamse bevolking en dus ook niet tot de minima. Een verandering van de hoogte van het vermogen, soms gepaard met een inkomensstijging, zorgt vooral voor uitstroom uit de minimapopulatie (16%) en in mindere mate voor instroom (12%). Hoewel vermogen de vorm kan hebben van overwaarde op een eigen huis, is dat in 2021 geen reden van uitstroom geweest. Gestegen huizenprijzen en daaraan gerelateerde overwaarde op woningen zorgen ervoor dat huiseigenaren, ook wanneer zij een laag inkomen hebben, al meerdere jaren geen deel meer uitmaken van de groep minima.

Binnenlandse migratie verklaart slechts een klein deel van zowel de instroom als de uitstroom (8 procent in beide gevallen). Opvallend hierbij is wel dat zowel uitstromers als instromers in de meeste gevallen de verhuizing samenvalt met een verandering in inkomen en/of vermogen. Van de uitstromende minimahuishoudens die Amsterdam verlieten is 62 procent in de nieuwe situatie geen 11

minima meer. Van de instromende minimahuishoudens die naar Amsterdam verhuisden behoorde 75 procent voor de verhuizing nog niet tot de minima. De instroom is net als de uitstroom het vaakst toe te schrijven aan veranderingen in de hoogte van het inkomen (44 procent). Verder ligt het eerder niet behoren tot de onderzoekspopulatie vaak ten grondslag aan de instroom. Van de totale groep instromers waren 5.903 Amsterdammers in 2020 geen onderzoekspopulatie (geen inkomen bekend, studentenhuishoudens of instituutbewoners), en in 2021 wel. Ook geboorte, immigratie en personen van wie de gegevens niet eerder bekend waren zorgen voor instroom (n = 3.445). Figuur 1.7 In- en uitstroom van Amsterdammers in de groep minima naar reden, voorlopige cijfers 20202021

bron: CBS/bewerking O&S

1.7 In- en uitstroom vooral rond de minimagrens Een kwart van de instromers in 2021 had in het voorgaande jaar een inkomen net boven de minimagrens: tussen 130 en 140 procent sm. Het aandeel dat instroomde vanuit tenminste tweemaal het sociaal minimum bedroeg ook een kwart. De voormalige inkomenspositie van personen die instromen in de groep minima is dus uiteenlopend, al had een ruime meerderheid vlak voor de inkomensdaling een relatief laag inkomen (tot 170 procent sm). Dit geldt ook voor de uitstroom: het grootste deel stroomt net boven de inkomensgrens uit (27 procent). Tegelijkertijd is ook onder deze groep het aandeel dat 200 procent sm of meer is gaan verdienen aanzienlijk (21 procent).

12

Figuur 1.8 Inkomen van het huishouden in percentage sm van Amsterdammers die in- en uitstroomden door inkomensdaling tussen 2020 en 2021, voorlopige cijfers (procenten)

inkomens 2021 (na uitstroom, n=16.932)

27

inkomen 2021 (vóór instroom, n=13.179)

25

16

20

15

0%

20%

130% - 139% SM

140% - 149% SM

15

19

40% 150% - 169% SM

21

16

25

60%

80%

170% - 200% SM

100%

200% SM of meer

bron: CBS/bewerking O&S

1.8 Amsterdam op weg naar halvering kinderarmoede Van de bijna 3.500 personen die in 2021 tot de minima zijn gaan behoren door geboorte, immigratie of doordat gegevens niet eerder bekend waren zijn er bijna 1.200 nul-jarigen. Dit aantal in armoede geboren kinderen is sinds 2018 ongeveer gelijk gebleven. Toch groeiden in de afgelopen tien jaar steeds minder kinderen op in een minimahuishouden: in 2011 ruim 34.600, in 2021 bijna 25.600 (zie hoofdstuk 2). Op landelijk niveau, in de andere grote steden en in de MRA daalt kinderarmoede sinds 2014. De daling van het aandeel kinderen dat in armoede opgroeit hangt in Amsterdam sterk samen met ontwikkelingen binnen de groep eenoudergezinnen. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 behoren eenoudergezinnen relatief vaak tot de minima. Er zijn echter steeds minder eenoudergezinnen in de stad (zie O&S, Dashboard Kerncijfers/ Bevolking/ % eenoudergezin). Bovendien nam het aandeel minima onder deze eenoudergezinnen af: van 47 procent in 2014 tot 35 procent in 2021 (zie tabellenrapportage). In absolute zin is het aantal minima-eenoudergezinnen gedaald van 11.140 in 2011 naar 7.950 in 2023. Grotere gezinnen behoren vaker tot de minima dan kleine gezinnen. Voor zowel een- als tweeoudergezinnen is de kans om een minimahuishouden te zijn voor gezinnen met tenminste drie kinderen twee keer zo hoog als voor huishoudens met één kind.

Gemiddeld genomen bleef het aandeel huishoudens met tenminste drie kinderen in Amsterdam ongeveer gelijk tussen 2011 en 2021 (12 procent). In april 2020 heeft de landelijke overheid de doelstelling vastgelegd om kinderarmoede te halveren tussen 2015 en 2030 (zie Ministerie SZW, 2020, Kamerbrief nadere uitwerking ambities kinderarmoede). Vertaald naar het landelijk percentage kinderen dat opgroeit in een huishouden met een inkomen tot de lage-inkomensgrens zou dit een daling betekenen van 9,2 procent in 2015 naar 4,6 procent in 2030. De gemeente Amsterdam heeft deze doelstelling overgenomen en volgt de ontwikkelingen aan de hand van het aandeel kinderen in huishoudens met een inkomen tot 130 procent sm (ongeacht vermogen). In 2015 maakte 25 procent van de Amsterdamse kinderen deel uit 13

van een huishouden met een laag inkomen. Een halvering komt neer op 12,5 procent in 2030. Dit ligt overigens ruim boven het landelijke streefpercentage, doordat het aandeel kinderen onder de armoedegrens in Amsterdam al lange tijd veel hoger is dan landelijk. Op basis van de cijfers voor 2021 kan worden gesteld dat Amsterdam vooralsnog op weg is richting halvering van de kinderarmoede in 2030. In 2021 zou het percentage 0 t/m 17-jarigen in huishoudens met een laag inkomen volgens de doelstelling gedaald moeten zijn naar 20 procent. Dit komt overeen met de voorlopige cijfers: exact 20 procent. Toch moet bij de interpretatie van deze daling rekening worden gehouden met ontwikkelingen binnen de groep minima én binnen de totale populatie. De daling van het percentage kinderen in armoede is het gevolg van een afname van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit, maar wordt versterkt doordat de groep kinderen boven het minimum in absolute zin ook groeit. Daarom is het belangrijk om bij het monitoren van de doelstelling ook in de toekomst aandacht te hebben voor de ontwikkeling van zowel het aandeel als het aantal kinderen dat opgroeit in armoede. Figuur 1.9 Percentage 0 t/m 17-jarigen in huishoudens met inkomen tot 130% sm in Amsterdam en doelstelling halvering kinderarmoede (procenten)

30% 25,0

realisatie

25% 20,0 20%

15%

doelstelling 12,5

10% 5% 0% 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 bron: CBS Statline/ bewerking O&S

14

2 Amsterdamse minima in beeld

Sommige groepen behoren vaker tot de minima dan anderen: huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomstenbron, eenoudergezinnen en alleenstaanden. Verder concentreert armoede zich onder ouderen, met name onder ouderen met een migratieachtergrond. Daarbij zijn ouderen ook vaak langdurig arm. De situatie van kinderen laat een gunstigere trend zien: zij behoren wel relatief vaak tot de minima, maar er zijn steeds minder kinderen die opgroeien in een minimahuishoudens en ook het armoedepercentage onder kinderen is afgelopen jaren gedaald.

2.1 Kwart huishoudens in Zuidoost behoort tot de minima De Amsterdamse minimahuishoudens wonen ongelijk verdeeld over de stad. Zo is het percentage minima het hoogst in stadsdeel Zuidoost (24 procent). Ook in Noord (21 procent) en Nieuw-West (20 procent) ligt het percentage minimahuishoudens boven het stedelijk gemiddelde van 17 procent. Tabel 2.1 Aantal en percentage minimahuishoudens in Amsterdam naar stadsdeel en stadsgebied Weesp, voorlopige cijfers 2021 abs.

%

Centrum

6.123

13

West

13.281

17

Nieuw-West

13.454

20

Zuid

9.186

12

Oost

10.954

16

Noord

9.348

21

Zuidoost

10.229

24

Weesp

799

9

73.431

17

Amsterdam

bron: CBS/ bewerking O&S

In absolute zin wonen in de stadsdelen West en Nieuw-West de meeste minimahuishoudens. Het aantal minimahuishoudens in West is in de afgelopen jaren afgenomen van ongeveer 15.350 huishoudens in 2011 naar ongeveer 13.300 in 2021, terwijl in Nieuw-West dit aantal is toegenomen van ongeveer 12.300 in 2011 naar circa 13.450 in 2021. In beide stadsdelen is de totale bevolking gegroeid maar zien we dus een andere ontwikkeling voor de minimapopulatie. In stadsgebied Weesp ligt het aantal minimahuishoudens en het armoedepercentage lager dan in de rest van Amsterdam. Binnen de stadsdelen zijn er ook verschillen. Zo is binnen het stadsdeel Zuidoost het percentage minimahuishoudens het hoogst in Bijlmer-Centrum (28 procent) terwijl dit percentage in Nellestein veel lager is (10 procent). In Volewijck (Noord) is het percentage minimahuishoudens met 30 procent het hoogst in de stad. Het laagst is het met twee procent in Nieuwendammerdijk/Buiksloterdijk (Noord) en in de Prinses Irenebuurt e.o. (Zuid). 15

Figuur 2.2 Aandeel minimahuishoudens naar wijk*, vergeleken met het Amsterdamse gemiddelde (17%), voorlopige cijfers 2021

*Wijken met minder dan 100 huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten bron: CBS/ bewerking O&S

2.2 Hoog armoedepercentage onder huishoudens met bijstand Armoede hangt sterk samen met de bron van het huishoudinkomen. Onderstaand figuur toont op basis van de voornaamste inkomstenbron het percentage en het aantal minimahuishoudens. Van de huishoudens die leven van een uitkering anders dan bijstand behoort 45 procent tot de minima: dat is (afgezien van bijstand) het hoogste armoedepercentage naar belangrijkste inkomstenbron. Van de huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomstenbron behoort vanzelfsprekend vrijwel iedereen tot de minima, alleen een kleine groep huishoudens die een deel van het jaar een ander inkomen hadden niet. Ook huishoudens met pensioen als belangrijkste bron van inkomen behoren relatief vaak tot de minima (27 procent).

16

Figuur 2.3 Percentage minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron (links) en aantal minimahuishoudens en bovenminimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron (rechts), voorlopige cijfers 2021 minima

loondienst 4

bovenminima

eigen bedrijf 8 bijstand

92

andere uitkering

45

pensioen

27

gemiddeld

17 20% 40% 60% 80% 100% 0

0%

200.000

400.000

600.000

bron: CBS/ bewerking O&S Kijken we naar ontwikkelingen in de tijd, dan is het percentage minima onder huishoudens met een inkomen uit een uitkering anders dan bijstand of pensioen redelijk stabiel sinds 2011. Het percentage minima onder werkenden daarentegen is de afgelopen tien jaar gestaag afgenomen. Zo is het percentage minima onder huishoudens met loon als belangrijkste inkomstenbron gedaald van zeven procent in 2011 naar vier procent in 2021. Van de huishoudens met een inkomen uit een eigen bedrijf was 14 procent minima in 2011, dat is bijna gehalveerd in 2021 (acht procent).

2.3 Eenoudergezinnen relatief vaak minima Behalve met inkomstenbron hangt armoede ook sterk samen met huishoudsamenstelling. Alleenstaanden en eenoudergezinnen, die per definitie van één inkomen leven, behoren relatief vaak tot de minima. Dat geldt vooral voor eenoudergezinnen, waarvan 35 procent een laag inkomen en weinig vermogen heeft. In absolute zin bestaat de grootste groep minima uit alleenstaanden, namelijk 50.303 huishoudens in 2021. Onder de totale bevolking vormen alleenstaanden ook de grootste groep. Figuur 2.4 Percentage minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling (links) en aantal minimahuishoudens en bovenminimahuishoudens naar huishoudsamenstelling (rechts), voorlopige cijfers 2021 paar zonder 7 kinderen paar met 9 kinderen alleenstaande

minima bovenminima 23

eenoudergezin

gemiddeld

35

17

0%

20% 40% 60% 80% 100%

0

200.000

400.000

600.000

bron: CBS/ bewerking O&S

17

Voor de ontwikkeling in de tijd kijken we naar het aandeel minima (met een inkomen tot 130 procent sm en een vermogen tot de grens voor de bijstand) onder elk huishoudtype. Onder eenoudergezinnen is het percentage minima in de afgelopen tien jaar gedaald van 46 procent in 2011 naar 35 procent in 2021. Ook is het aandeel minima onder paren met kinderen iets afgenomen van 13 procent in 2011 naar 9 procent in 2021. Het aandeel minima onder de andere huishoudens is in de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. Figuur 2.5 Aandeel minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2011-2021* (procenten) 50% 45% 40% 35% 30%

alleenstaande paar zonder kinderen

25%

paar met kinderen 20%

eenoudergezin

15% 10% 5% 0% 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

In absolute zin zijn er meer eenoudergezinnen die tot de minima behoren dan tweeoudergezinnen. Onder de groep minima-eenoudergezinnen zijn relatief veel gezinnen met één kind, terwijl minimatweeoudergezinnen vaker twee of meer kinderen hebben. Verder geldt dat het armoedepercentage toeneemt met het aantal kinderen, voor zowel een-als tweeoudergezinnen.

2.4 Meer vrouwen dan mannen onder de minima De groep Amsterdamse minima bestaat uit iets meer vrouwen (53 procent) dan mannen (47 procent). De man-vrouw verhouding verschuift naarmate de leeftijd toeneemt. Onder minima van 66 jaar en ouder is 57 procent vrouw. Ook onder de minima-alleenstaande ouders zijn veel meer vrouwen dan mannen (89 procent is vrouw). Onder alleenstaande minima en volwassenen met een partner (met of zonder kinderen) is het aandeel mannen en vrouwen vrijwel gelijk.

18

Figuur 2.6 Samenstelling Amsterdammers in minimahuishoudens naar geslacht, leeftijdsgroep en

0-17

52

48

18-65

47

53

66+

43

57

alleenstaand

51

49

paar zonder kinderen

51

49

paar met kinderen

49

51

eenoudergezin

totaal

huishoudsamenstelling (18+)

leeftijd

huishoudsamenstelling, voorlopige cijfers 2021 (procenten)

11

vrouwen

89 47

0%

mannen

20%

53 40%

60%

80%

100%

bron: CBS/ bewerking O&S

2.5 Aandeel kinderen dat opgroeit in armoede daalt Minderjarige kinderen en ouderen behoren vaker tot de minima dan gemiddeld. De minimapercentages zijn het hoogst onder 10- tot 14-jarigen en 60-plussers. Amsterdammers tussen de 25 en 35 jaar behoren het minst vaak tot een minimahuishouden, namelijk acht procent. Kijken we naar de ontwikkeling in de afgelopen jaren, dan zien we een daling van het percentage minima onder kinderen, namelijk van 24,5 procent in 2014, toen de armoede het grootst was, naar 17,8 procent in 2021. In absolute zin is dit een afname van ongeveer 9.000 kinderen die opgroeien in een minimahuishouden. Deze daling valt grotendeels samen met de sterke daling van het percentage minima onder eenoudergezinnen.

19

Figuur 2.7 Aantal en percentage Amsterdamse 0 t/m 17-jarigen in minimahuishoudens, 2011-2021* aantal 40.000

%

34.603

34.717

34.615

34.577 32.377

31.223

30.000

20.000

25,3

25,2

24,9

60

29.761

50 28.101

26.611

26.404

25.593

40 30

24,5

22,8

21,9

20,9

19,7

18,7

18,2

17,8

20

10.000 10 0

0

aantal

armoedepercentage

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

We zien grote verschillen tussen stadsdelen in het aandeel minima onder 0 t/m 17-jarigen. In Zuidoost groeit 27 procent van de kinderen op in een minimahuishouden. In Noord (22 procent), Nieuw-West (20 procent) en West (19 procent) ligt het percentage minima onder minderjarigen ook boven het stedelijk gemiddelde van 17,8 procent. Het aantal minimakinderen is in Nieuw-West het hoogst met ruim 6.300 kinderen. Figuur 2.8 Aandeel 0 t/m 17-jarigen in minimahuishoudens naar wijk*, vergeleken met het Amsterdamse gemiddelde (17%), voorlopige cijfers 2021

*Wijken met minder dan 100 0 t/m 17-jarigen zijn buiten beschouwing gelaten. bron: CBS/ bewerking O&S

20

2.6 Minimapopulatie vergrijst Van de Amsterdammers van 66 jaar en ouder behoort in 2021 bijna een kwart (23 procent) tot de minima. Dit armoedepercentage onder oudere Amsterdammers is sinds 2015 redelijk stabiel. Het aantal oudere minima in absolute zin neemt toe: van 16.900 in 2011 naar 23.700 in 2021, oftewel een toename van ruim 6.800 personen. Dit komt doordat de totale Amsterdamse bevolking vergrijst. Er wonen meer ouderen in de stad en daarmee ook meer oudere minima. Het aantal minima jonger dan 66 is juist gedaald. De totale groep minima bestaat hierdoor voor een steeds groter aandeel uit ouderen. In 2011 was 13 procent van de minima 66 jaar of ouder, in 2021 is dit toegenomen naar 20 procent. De minimapopulatie vergrijst hiermee sneller dan de totale Amsterdamse bevolking. In de stadsdelen West (32 procent), Zuidoost (29 procent), Oost (27 procent), en Nieuw-West (25 procent) wonen relatief veel oudere minima. In absolute zin wonen de meeste minima-ouderen in Nieuw-West. Figuur 2.9 Aantal en percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens, 2011-2021* %

aantal 40.000

60 50

30.000 20.746

20.000

16.859

17.539

22,3

23,0

26,0

21.273

26,0

20.269

21.033

23,8

24,0

21.623

22.096 22.685

23.759

23.674

40 30

23,9

23,7

23,7

23,4

22,7

20

10.000 10 0

0

aantal

armoedepercentage

*Cijfers over 2021 zijn voorlopig bron: CBS/ bewerking O&S

2.7 Minima vooral onder eerste generatie migranten en migrantenouderen Amsterdammers met een migratieachtergrond behoren vaker tot de minima dan Amsterdammers zonder migratieachtergrond. Voor mensen met een migratieachtergrond maken we onderscheid tussen personen die in het buitenland geboren zijn (de eerste generatie) en personen die in Nederland geboren zijn, met ten minste één ouder die in het buitenland is geboren (de tweede generatie). Eerste generatie migranten behoren vaker tot de minima (22 procent) dan de tweede generatie (17 procent).

21

Eerder werd al genoemd dat armoede vaker dan gemiddeld voorkomt onder ouderen. In onderstaand figuur is te zien dat dit verschil duidelijk groter is voor een aantal herkomstgroepen. Vooral ouderen met een Turkse, Marokkaanse, overig Afrikaanse, Surinaamse, overig Amerikaanse en overig Aziatische migratieachtergrond behoren relatief vaak tot de minima. Het gaat in totaal om ruim 13.000 oudere minima met deze achtergrond, vooral van Surinaamse (3.400 personen) en van Marokkaanse (3.600) herkomst. Vermoedelijk heeft dit, voor eerste generatie migranten, deels te maken met het feit dat zij meestal een onvolledige AOW hebben omdat zij niet vanaf hun 15e in Nederland hebben gewoond. Een groot deel van de groep ouderen met een Surinaamse migratieachtergrond krijgt binnenkort eenmalig een tegemoetkoming voor hun onvolledige AOWopbouw (Rijksoverheid, 2023). Figuur 2.10 Percentage Amsterdammers in huishoudens met een inkomen tot 130% sm en weinig vermogen naar leeftijdsgroep per migratieachtergrond, voorlopige cijfers 2021 0-17 jaar

10 8

Europa (exclusief Nederland)

21

Turkije

20

Marokko

18-65 jaar

23

25

Suriname

19

Overig Amerika en Oceanië

14 12

totaal 0%

6

65 42

27 16

geen migratieachtergrond

31

24

Overig Afrika Overig Azië

66 jaar en ouder

67

42 57

25

28 41

9 13 12

18 23 20%

40%

60%

80%

bron: CBS/ bewerking O&S

2.8 Twee derde minima is langdurig arm Personen die drie jaar of langer in een minimahuishouden leven definiëren wij als langdurig arm. Dat geldt voor 65 procent van de Amsterdamse minima. Vooral pensioengerechtigden zijn relatief vaak langdurig arm (82 procent): in hun positie verandert het inkomen meestal niet meer. Ook bijstandsgerechtigden zijn vaak langdurig arm (75 procent). Daarentegen zijn Amsterdammers in loondienst of met een eigen bedrijf minder vaak dan gemiddeld langdurig arm (respectievelijk 41 procent en 25 procent). Op basis van huishoudsamenstelling zijn er minder grote verschillen. Wel zijn alleenstaanden, eenoudergezinnen en paren met kinderen iets vaker dan gemiddeld langdurig arm. Vrouwen zijn vaker langdurig arm (70 procent) dan mannen (66 procent). Dat heeft te maken met de 22

oververtegenwoordiging van vrouwen onder oudere minima en onder alleenstaande ouders (zie hierboven). Figuur 2.11 Percentage langdurige minima onder personen in minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron en huishoudsamenstelling (links) en aantal personen in minimahuishoudens naar duur op het minimum, belangrijkste inkomstenbron en huishoudsamenstelling, voorlopige cijfers 2021 loondienst eigen bedrijf

1 of 2 jaar minima

41 25

bijstand andere uitkering

75 58

pensioen

paar zonder kinderen paar met kinderen

82

66

60

alleenstaande

69

eenoudergezin

67

gemiddeld

65

0%

3 jaar of langer aaneengesloten minima

50%

100% 0

50.000

100.000

150.000

bron: CBS/ bewerking O&S

De grootste verschillen in het percentage langdurige armoede zien we op basis van leeftijd. Kinderen tussen 5 en 17 jaar oud en 55-plussers in minimahuishoudens behoren vaker dan gemiddeld tot de groep langdurige minima. Daarbij zijn er vooral pieken bij jongeren van 15 jaar (77 procent) en ouderen van 84 jaar (92 procent; niet in figuur). Oudere minima zijn afhankelijk van hun pensioen, zij hebben meestal geen perspectief op verhoging van hun inkomen. Wat kinderen betreft is waarschijnlijk sprake van selectieve verhuizing uit de stad van huishoudens met jonge kinderen. Onder huishoudens met kinderen die in de stad blijven wonen zijn er relatief veel minima.

23

Figuur 2.12 Percentage personen in minimahuishoudens, naar duur op het minimum en naar leeftijdsgroepen, voorlopige cijfers 2021 (procenten) 0-4

9

1 of 2 jaar minima

6

5-9

6

13

10-14

6

14

15-19

5

20-24

11 9

25-29

3

5

2

30-34

4

35-39

4

40-44

4

8

45-49

4

9

50-54

5

55-59

4

60-65

4

66+

4

0%

3 jaar of langer aaneengesloten minima

4 7

10

12 15 19 5%

10%

15%

20%

25%

bron: CBS/ bewerking O&S

2.9 Verhoging armoedegrens naar 130% sm: vooral meer werkenden en paren behoren tot nieuwe groep minima Sinds 2023 is de inkomensgrens voor de armoederegelingen in Amsterdam opgetrokken naar 130 procent van het sociaal minimum (sm). Dit betekent dat de groep huishoudens met een inkomen tussen 120% en 130% sm eerder niet tot de minima behoorde. Het gaat in 2021 om ongeveer 11.550 huishoudens. Hier beschrijven we de achtergrondkenmerken van deze groep minimahuishoudens met een inkomen tussen 120% en 130% sm en in hoeverre zij verschillen van de groep minimahuishoudens met een inkomen tot 120% sm.

24

Figuur 2.13 Minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron, huishoudtype en hoogte van het huishoudinkomen (t/m 119% sm en tussen 120% en 129% sm), voorlopige cijfers 2021 (procenten) Belangrijkste inkomstenbron 100

pensioen

90 29

26

80

bijstand loondienst

19

23

50

100

andere uitkering 90 eigen bedrijf

70 60

Huishoudtype

80

3

9

eenoudergezin

11

7 10

70

overig

12

paar met kinderen paar zonder kinderen

11

alleenstaande

11

60 50

10 40

30

37

20 10

6

40 70 30

34 6

57

20 10

10 0

0 0 - 119% sm (n=66.079)

120 - 129% sm (n=7.352)

0 - 119% sm (n=66.079)

120 - 129% sm (n=7.352)

bron: CBS/ bewerking O&S

Minimahuishoudens met een inkomen tussen 120% en 130% sm hebben vaker een inkomen uit loon dan huishoudens met een inkomen tot 120% sm. Daarentegen zijn er veel minder huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomstenbron in de groep tussen 120% en 130% sm, wat natuurlijk strookt met het feit dat de bijstand in principe overeenkomt met 100% sm. Sommige huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomensbron hebben daarnaast een deel van het jaar een ander inkomen waardoor zij op jaarbasis toch een inkomen hoger dan 120% sm kunnen hebben. De groep minimahuishoudens met een inkomen tussen 120% en 130% sm verschilt ook qua huishoudsamenstelling van andere minima. Alleenstaanden vormen ook binnen de nieuwe groep de meerderheid (57 procent), maar in mindere mate dan onder de groep met een inkomen tot 120% sm (70 procent). Daarentegen zijn er relatief meer paren met een inkomen tussen 120% en 130% sm.

25

3 Bereik Amsterdamse armoederegelingen

Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen hebben recht op armoederegelingen van de Gemeente Amsterdam. Deze regelingen bieden hulp in de vorm van kortingen of gratis aanbod voor onder andere openbaar vervoer, schoolspullen en andere onderwijskosten, de zorgverzekering en culturele activiteiten. Voor een aantal regelingen berekent O&S jaarlijks hoeveel Amsterdammers die recht hebben op de regeling hier ook gebruik van maken. Dit noemen we het bereik van de armoederegelingen. We berekenen het bereik van de Stadspas, het Gratis OV voor ouderen, de Collectieve Zorgverzekering en de Scholierenvergoeding. Verder kijken we naar het verzamelbereik van een aantal regelingen voor kinderen en naar het bereik van alle genoemde regelingen samen. De meest recente gegevens gaan over regelingen die zijn toegekend in 2022. Het recht op armoederegelingen wordt bepaald op basis van de inkomens- en vermogenssituatie in het voorgaande kalenderjaar. Om het bereik van de regelingen te berekenen maken we gebruik van door CBS beschikbaar gestelde gegevens over het inkomen en vermogen van huishoudens. Daarbinnen kijken we naar de groep met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum (de Amsterdamse grens voor een laag inkomen in 2022) en een vermogen tot de grens voor de bijstand, vermeerderd met een door de gemeente vastgestelde marge die per gezinstype verschilt.

De groep huishoudens die volgens het beleid van de gemeente recht heeft op armoederegelingen is echter groter dan de groep die we op basis van de CBS-data kunnen identificeren. Dit komt onder andere doordat niet van alle Amsterdams huishoudens het inkomen bekend is bij CBS (zie bijlage). Daarom presenteren we bereikpercentages en geen absolute aantallen. De bereikpercentages geven een indicatie van het aandeel van de rechthebbende huishoudens dat gebruikt maakt van de regelingen. De cijfers laten ook zien in welke mate specifieke groepen worden bereikt.

3.1 Driekwart van de minimahuishoudens gebruikt armoederegelingen Van alle Amsterdamse huishoudens met recht op armoederegelingen maakt ruim driekwart (76 procent) hier ook gebruik van. Van de afzonderlijke regelingen heeft het Kindtegoed het hoogste bereik. Sinds 2020 wordt het Kindtegoed automatisch toegevoegd aan de Stadspas van kinderen tot en met 14 jaar oud. Kinderen worden relatief goed bereikt met de Stadspas en daarmee ook met het Kindtegoed. Ook andere regelingen voor kinderen hebben een relatief hoog bereik. Van de minimahuishoudens met kinderen tussen van 4 t/m 17 jaar oud maakt 88 procent gebruik van een of meer armoederegelingen voor kinderen. In 2022 daalt het bereik van de meeste regelingen licht ten opzichte van 2021, met uitzondering van de Stadspas. Eind 2022 duurde het verwerken en toekennen van aanvragen voor regelingen langer dan gewoonlijk. In deze periode zijn een grote hoeveelheid aanvragen voor de energietoeslag verwerkt. Hierdoor zijn een deel van de aanvragen voor andere regelingen die gedaan werden in 2022 begin 2023 toegekend. Deze toekenningen zijn niet meegerekend in de bereikberekeningen over 26

2022. Dit kan een oorzaak zijn voor (een deel van) het gedaalde bereik. De daling van het bereik van het Gratis OV voor oudere minima (Gratis OV 65+) in 2022 heeft een andere administratieve oorzaak: bij de overstap naar een nieuw registratiesysteem is het gebruikersbestand opgeschoond. In 2021 was voor een aantal regelingen, zoals de Scholierenvergoeding en het Gratis OV voor ouderen juist sprake van een stijging in het bereik van de armoederegelingen. Deze stijging was mogelijk een gevolg van een toegenomen vraag naar ondersteuning tijdens de Covid-19-pandemie. In die periode hebben meer huishoudens gebruik gemaakt van gemeentelijke regelingen zoals een gratis laptop of tablet voor kinderen om thuisonderwijs te kunnen volgen. Eenmaal in beeld bij de gemeente krijgen huishoudens ook informatie over andere regelingen. Daarnaast kan de grote bekendheid van coronamaatregelen zoals de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers (TOZO) ertoe hebben geleid dat meer huishoudens in deze periode bij de gemeente aanklopten voor hulp. De Stadspas heeft van alle onderzochte regelingen de meeste gebruikers. In tegenstelling tot de andere regelingen is het bereik van de Stadspas in 2022 iets gestegen ten opzichte van de jaren daarvoor. Ook dit heeft mogelijk te maken met de energietoeslag. Veel mensen maakten in 2022 gebruik van deze nieuwe, tijdelijke regeling.

Onder hen waren ook Amsterdammers die nog geen gebruik maakten van andere armoederegelingen. Een deel van deze groep kreeg de Stadspas in 2022 automatisch toegekend. Het verzamelbereik van alle regelingen betreft het aandeel rechthebbende huishoudens dat gebruik maakt van tenminste een van de onderzochte regelingen, aangevuld met de Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer (TAOV) en het gratis OV voor minima-mantelzorgers. Hoewel het bereik van de meeste afzonderlijke regelingen in 2022 iets is gedaald, is het verzamelbereik juist gestegen. Dit komt hoofdzakelijk door het gestegen bereik van de Stadspas, de meest gebruikte regeling. Figuur 3.1 Bereik van vijf Amsterdamse armoederegelingen, verzamelbereik kindregelingen en verzamelbereik alle regelingen, 2014-2022 100

%

80 Verzamelbereik kindregelingen Kindbonnen/ Kindtegoed**

60

Verzamelberek alle regelingen Scholierenvergoeding po/vo

40

Stadspas Gratis OV 65+ Collectieve Zorgverzekering

20

0 2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022*

*Gegevens over 2022 zijn voorlopig, **Vanaf 2020 staat het Kindtegoed automatisch op de Stadspas van kinderen van 0 t/m 14 jaar

27

3.2 Huishoudens met bijstand goed bereikt, werkenden veel minder Het regelingenbereik varieert sterk op basis van de bron van inkomen van het huishouden. Huishoudens die leven van een bijstandsuitkering maken vrijwel allemaal gebruik van tenminste één regeling, vaak is dit in ieder geval de Stadspas. Dit heeft te maken met het toekenningsproces van deze regeling: huishoudens die een groot deel van het jaar bijstand ontvangen, krijgen de Stadspas automatisch toegekend. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de verstrekking van de bijstand en bijstandsgerechtigden per definitie tot de doelgroep van de armoederegelingen behoren, kan de gemeente hen ook direct informeren over het aanbod van andere regelingen. Ook Amsterdammers in minimahuishoudens die leven van een pensioen maken goed gebruik van armoederegelingen. Minimahuishoudens met werk als belangrijkste inkomstenbron worden veel minder goed bereikt. Met name zelfstandigen maken weinig gebruik van regelingen waar zij wel recht op hebben. Figuur 3.2 Bereik per regeling naar belangrijkste bron van inkomen van het huishouden, voorlopige gegevens 2022 97

bijstand pensioen andere uitkering loondienst eigen bedrijf

79

Stadspas

62 36 9 68 61

Collectieve Zorgverzekering

38 20 4 89 65 64

Scholierenvergoeding 57 14

99

89

Verzamelbereik kindvoorzieningen

81 77

28 98 82

Verzamelbereik alle voorzieningen

64 37 11 0

% 20

40

60

80

100

Huishoudens met kinderen maken vaker gebruik van de regelingen waar zij recht op hebben dan huishoudens zonder kinderen. Met name eenoudergezinnen worden goed bereikt. Bijna zes op de tien minima-eenoudergezinnen had in 2021 bijstand als belangrijkste inkomensbron. Zij kunnen dus direct worden geïnformeerd over armoederegelingen. Het verzamelbereik van de kindregelingen (Stadspas, Scholierenvergoeding en de Gratis Laptop of Tablet) wordt berekend onder huishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar oud. Deze groep wordt goed bereikt.

28

Figuur 3.3 Bereik per regeling naar huishoudsamenstelling, voorlopige gegevens 2022 88

eenoudergezin

79

Stadspas

72 71

paar met kinderen alleenstaande

58 58

Collectieve Zorgverzekering

paar zonder kinderen

50 54

Gratis OV 65+

61 71 77 70

Scholierenvergoeding

91

Verzamelbereik kindvoorzieningen

83

Verzamelbereik alle voorzieningen

82

90 73 72 0

20

40

60

80

100

3.3 Bereik armoederegelingen op de kaart Over het algemeen geldt dat groepen met een hoog minimapercentage relatief goed bereikt worden met de minimaregelingen. Zo is het bereik hoger dan gemiddeld onder mensen zonder werk, alleenstaande ouders en ouderen. Hetzelfde patroon zien we op de kaart van Amsterdam. In wijken met veel arme huishoudens is het bereik van de regelingen over het algemeen hoger dan in wijken met weinig arme huishoudens.

29

Figuur 3.4 Bereik van de Stadspas per wijk*, voorlopige gegevens 2022

*Wijken met minder dan 100 rechthebbende huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten

Het verzamelbereik van alle regelingen ligt iets hoger dan gemiddeld in stadsdelen Noord, West, Oost en Zuidoost. In Noord en Zuidoost worden ook huishoudens met schoolgaande kinderen beter dan gemiddeld bereikt. Het bereik van het Gratis OV voor 65-plussers is het hoogst in stadsdelen Oost, West en Nieuw-West. In stadsgebied Weesp ligt het bereik van alle regelingen lager dan in de zeven stadsdelen. Hier speelt mogelijk dat Weesper minimahuishoudens pas recentelijk onderdeel zijn geworden van de doelgroep voor Amsterdamse armoederegelingen. Sinds 1 januari 2022 zijn alle Amsterdamse armoederegelingen beschikbaar voor Weespers. Het aantal rechthebbende huishoudens is in Weesp een stuk lager dan in de stadsdelen (zie hoofdstuk 2), het gaat hier dus om een relatief kleine groep huishoudens die (nog) niet worden bereikt.

30

Tabel 3.5 Bereik Stadspas, Scholierenvergoeding, Collectieve zorgverzekering, Gratis OV 65+, verzamelbereik kindregelingen en verzamelbereik alle regelingen onder rechthebbende huishoudens, naar stadsdeel, voorlopige gegevens 2022 (procenten) ScholierenCollectieve Gratis verzamelbereik verzamelbereik alle Stadspas vergoeding zorgverzekering OV 65+ kindregelingen regelingen Centrum

65

60

42

61

78

67

West

76

73

55

68

87

78

Nieuw-West

74

73

53

66

86

76

Zuid

71

70

48

61

84

73

Oost

76

74

56

67

89

78

Noord

77

78

55

59

92

79

Zuidoost

76

77

52

62

91

78

Weesp

57

51

28

9

77

65

Amsterdam

74

74

52

63

88 76 bron: WPI/CBS/bewerking O&S

3.4 Kwart niet-gebruik is langdurig Voor huishoudens die pas relatief kort tot de minima behoren kunnen onbekendheid met de regelingen en/of een wisselend inkomen een rol spelen bij het niet-gebruik van armoederegelingen. Echter, ook huishoudens die langdurig in armoede leven worden niet altijd bereikt met de gemeentelijke regelingen. Van alle huishoudens die in 2022 niet werden bereikt werd 26 procent langdurig niet bereikt. Dit wil zeggen dat zij in 2022 tenminste drie jaar tot de Amsterdamse minima behoorden en in deze hele periode geen gebruik maakten van regelingen. Van de driekwart overige huishoudens die in 2022 recht heeft op regelingen maar deze niet ontvingen, had de meerderheid in 2020 en/of 2021 geen recht op regelingen. Onder de groep langdurig niet-bereikte minimahuishoudens zijn in vergelijking met de totale minimagroep veel zelfstandigen. Ook mensen die leven van een pensioen of uitkering anders dan de bijstand en alleenstaanden worden relatief vaak langdurig niet bereikt.

31

Figuur 3.6 Samenstelling van de groep huishoudens die in 2020, 2021 en 2022 recht hebben op regelingen maar hier geen gebruik van maken (n = 4.200, kenmerken in 2020) en samenstelling van de totale groep minima huishoudens (n = 73.400) in 2021 (procenten) bron van inkomen

loondienst

14

eigen bedrijf

18

bijstand

<1

andere uitkering

27

huishoudsamenstelling

pensioen

40

alleenstaande

79

paar zonder kinderen

13

paar met kinderen

3

eenoudergezin

3

overig

3 0

20 totaal minima 2021

40

60

80

% 100

tenminste 3 jaar niet bereikt

In 2022 telde Amsterdam circa 26 duizend ‘nieuwe’ rechthebbenden. Dit zijn personen die in 2022 recht hadden op regelingen maar een jaar eerder nog niet. Van hen maakte ruim de helft (54 procent) gebruik van een of meer armoederegelingen. Nieuwe rechthebbenden worden beter bereikt dan mensen die al langer recht hebben op regelingen maar hier geen gebruik van maken. Van de huishoudens die in 2021 niet werden bereikt en in 2022 nog steeds recht hadden op regelingen, werd een vijfde (21 procent) in 2022 wel bereikt. Als huishoudens eenmaal bereikt zijn worden zij meestal in het volgende jaar ook bereikt. Het recht op armoederegelingen wordt bepaald op basis van de inkomens- en vermogenssituatie van het huishouden in het jaar voorafgaand aan de toekenning. In de tussentijd kan deze situatie echter veranderen. De uitstroomcijfers laten zien dat het regelingengebruik ook verband houdt met de situatie van het huishouden in het toekenningsjaar zelf. Bijna de helft van de huishoudens die in 2021 niet werden bereikt heeft in 2022 geen recht meer op regelingen. Dit betekent dat zij in 2021 een te hoog inkomen hadden, niet meer in Amsterdam woonden of om andere reden niet tot de doelgroep van de regelingen behoorden.

32

Figuur 3.7 In- en uitstroom regelingengebruik (verzamelbereik alle regelingen) van personen die in 2021 en/of 2022 recht hadden op regelingen*, aantallen afgerond op 100-tallen

* Personen die in beide jaren geen recht hadden op regelingen zijn buiten beschouwing gelaten, gegevens over 2022 zijn voorlopig

Overzicht Amsterdamse armoederegelingen in de bereikberekening Stadspas en Kindtegoed Met de Stadspas hebben Amsterdammers gratis of met korting toegang tot veel verschillende culturele, sportieve en recreatieve voorzieningen. De gemeente publiceert een overzicht van het aanbod. De Stadspas is bedoeld voor alle Amsterdamse minima. Kinderen tot en met 14 jaar oud krijgen elk schooljaar het Kindtegoed op hun Stadspas. Het bedrag is afhankelijk van de leeftijd van het kind en varieert in schooljaar 2022/’23 van €75 (0 t/m 3-jarigen) tot €250 (10 t/m 14 jarigen). Dit is inclusief extra bedragen die zijn uitgekeerd als koopkrachtmaatregel in reactie op de hoge inflatie in 2022/’23. Met het Kindtegoed kunnen ouders o.a. kleding, schoenen en schoolspullen kopen voor hun kind. Vanaf 2023 is de Scholierenvergoeding toegevoegd aan het Kindtegoed. Collectieve Zorgverzekering Het doel van de Collectieve Zorgverzekering is om personen in minimahuishoudens een goede zorgverzekering te bieden tegen een aantrekkelijk tarief. De Collectieve Zorgverzekering bestaat uit een basisverzekering en aanvullende pakketten. Daarnaast mogen de klanten het eigen risico maandelijks gespreid betalen. Alle Amsterdamse minima vanaf 18 jaar kunnen aanspraak maken op deze regeling en kinderen zijn automatisch meeverzekerd.

Gratis OV voor oudere minima en Tegemoetkoming Aanvulling Openbaar Vervoer (TAOV) Minima vanaf de pensioengerechtigde leeftijd kunnen met het Gratis OV voor ouderen gratis met trams, bussen en metro’s van het GVB, Connexxion en EBS reizen in Amsterdam (nachtbus uitgezonderd). De TAOV biedt oudere minima die aanvullend openbaar vervoer gebruiken een tegemoetkoming in de kosten. Oudere minima maken een keuze tussen Gratis OV en TAOV, afhankelijk van hun behoeften. We berekenen alleen het bereik voor het Gratis OV voor ouderen minima (Gratis OV 65+). In eerdere edities van de armoedemonitor berekenen we het bereik van het 33

Gratis OV 65+ en de TAOV samen, maar om administratieve redenen is dit in de huidige monitor niet mogelijk. De TAOV is wel onderdeel van het verzamelbereik van alle regelingen. Scholierenvergoeding Minima met schoolgaande kinderen komen in aanmerking voor de Scholierenvergoeding. Ouders en verzorgers met schoolgaande kinderen kunnen hiermee (een deel van) de kosten voor leermiddelen, vervoer naar school en sport- en cultuurdeelname betalen, zoals huiswerkbegeleiding, theaterbezoek of dansles. Ieder schooljaar kan de regeling van juni tot en met mei worden aangevraagd. De bereikcijfers in dit dataverhaal gaan over de Scholierenvergoeding voor het primair en voortgezet onderwijs. Cijfers over de regeling voor de voorschool zijn te vinden in de achtergrondgegevens. Vanaf 2023 is de Scholierenvergoeding toegevoegd aan het Kindergoed en wordt het bedrag, net als het Kindtegoed, rechtstreeks op de Stadspas geplaatst. Verzamelbereik kindregelingen Het verzamelbereik kindregelingen berekent het gezamenlijke bereik van de volgende regelingen: Stadspas, Scholierenvergoeding voor kinderen in basis- of voortgezet onderwijs en de Gratis Laptop of Tablet. We kijken hoeveel van de huishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar gebruik maken van een of meer van deze regelingen.

De gratis laptop of tablet wordt eens in de vijf jaar verstrekt (middelbare school: eenmalig per kind per vijf schooljaren, basisschool: eenmalig per huishouden per vijf schooljaren). Bij deze regeling is daarom teruggekeken in de tijd: ieder huishouden dat een laptop of tablet verstrekt kreeg in de vier jaar voorafgaand aan het huidige toekenningsjaar telt mee voor het bereikpercentage. Verzamelbereik alle regelingen Het totaalbereik geeft aan hoeveel van de Amsterdamse huishoudens met recht op armoederegelingen tenminste één van de volgende regelingen kregen toegekend: Stadspas, Collectieve Zorgverzekering, kindregelingen, Gratis OV 65+ of TAOV, en het gratis OV voor minimamantelzorgers (OVM). De groep rechthebbende huishoudens is afgebakend op basis van het inkomen en vermogen van het huishouden, rekening houdend met de vermogensgrenzen van de gemeente. Er is geen rekening gehouden met voorwaarden die voor slechts een deel van de regelingen gelden, zoals leeftijd of aanwezigheid van kinderen in het huishouden.

34

Bijlage data en methode

Minimadefinitie en afbakening populatie Gebruikte bronnen Voor de armoedemonitor maakt O&S eigen berekeningen op basis van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden. De meest gebruikte bestanden zijn onderdeel van het Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van CBS. De IIV-bestanden bevatten inkomens- en vermogensgegevens over alle huishoudens en personen in Nederland. Het wordt samengesteld op basis van inkomensgegevens van de Belastingdienst, gegevens over studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Basisregistratie Personen. Deze gegevens zijn beschikbaar voor de jaren 2011 t/m 2021, waarbij de gegevens voor 2021 voorlopig zijn. De definitieve gegevens over 2020 in de huidige rapportage kunnen licht afwijken van de voorlopige gegevens over hetzelfde jaar in de vorige editie van de monitor.

Definitie minimahuishoudens In de Armoedemonitor 2022 presenteren we gegevens over (personen in) huishoudens met een inkomen tot 130 procent sm en een vermogen tot de grens voor de bijstand. We tonen ook de ontwikkeling van deze groep in de periode 2011 t/m 2021. Vanuit een beleidsmatig perspectief is het inkomen van huishoudens relevant als het gaat om het vaststellen van wie een laag inkomen heeft of niet. De inkomensgrenzen voor uitkeringen zijn namelijk afhankelijk van de samenstelling van het huishouden. Ook het recht op minimaregelingen hangt af van het inkomen en vermogen van het huishouden. Met andere woorden: bij het bepalen van wie een laag inkomen heeft wordt gekeken naar de hoogte van het huishoudinkomen. Personen in huishoudens waarvan het inkomen op of onder deze grens ligt, behoren tot de groep met een laag inkomen. Tot en met 2022 lag de grens voor een laag inkomen in Amsterdam op 120 procent van het wettelijk minimumloon (wml) voor een gezin (met of zonder kinderen). Per 1 januari 2023 is de grens permanent verhoogd naar 130 procent wml voor regelingen voor volwassenen en tijdelijk verhoogd naar 150 procent wml voor regelingen voor kinderen. Het normbedrag dat hoort bij de grens voor een laag inkomen verschilt op basis van het huishoudtype en de leeftijd van de huishoudleden. Voor huishoudtypes anders dan gezinnen wordt de inkomensgrens naar rato berekend.

Tabel B1 toont de normbedragen die de gemeente in 2022 hanteerde bij het toekennen van hulp aan huishoudens met een laag inkomen.

35

Tabel B1 Normbedragen belastbaar jaarloon 2021 van de lage inkomensgrens gemeente Amsterdam, naar leeftijd en type huishouden, voor recht op minimaregelingen in 2022 (€) 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd

vanaf pensioengerechtigde leeftijd

gezin (met of zonder kinderen)

26.454

27.087

eenoudergezin

26.097

24.904

alleenstaande

20.878

19.765 bron: WPI

Bij hulp aan huishoudens met weinig geld wordt naast het inkomen ook gekeken naar het vermogen. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en een vermogen tot de grens voor de bijstand. Op 1 januari 2022 is het maximaal toegestane vermogen €6.505 voor een alleenstaande en €13.010 voor paren en alleenstaande ouders. Daarnaast mag de overwaarde van een eigen woning maximaal €54.900 zijn (bron: Rijksoverheid). In de Armoedemonitor gebruiken we CBS-microdata over inkomen en vermogen (het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek, IIV) waarin gegevens over de hoogte van het inkomen ten opzichte van het wettelijk minimumloon niet beschikbaar zijn. We gebruiken daarom gegevens over het inkomen ten opzichte van de grens van 130 procent het sociaal minimum (sm), dat het beste beschikbare alternatief vormt om de gemeentelijke inkomensgrens te benaderen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13823208/1