B02 NOTA VAN BEANTWOORDING_cieraad.pdf
Tekst van het document
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
NOTA VAN BEANTWOORDING d.d.15 november 2021 Behorende bij het besluit van De gemeenteraad van Amsterdam d.d. 16-17 februrari 2022 tot het vaststellen van het Warmteplan Amstel III, Paasheuvelweggebied en omgeving
1
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Lijst van afkortingen & begrippen BCRG Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheid NTA8800 Nederlands Technische Afspraak 8800 EMG Energie Maatregelen op Gebiedsniveau Awb Algemene wet bestuursrecht WEQ woningequivalenten Haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten: Bijlage III behorend bij (ontwerp)warmteplan waarin de energiezuinigheid (Fpdel, Fpren) van diverse systeemconcepten, waarin restwarmte van datacenters benut wordt, is onderzocht. Volledige referentie is: ‘Concept EMG-berekening, Collectief energiesysteem Amstel III & Bullewijk, door GreenVis in opdracht van gemeente Amsterdam, 13 november 2020.’ Collectief energiesysteem: distributienet voor warmte en koude: collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte en koude door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater, zoals bedoeld in het Bouwbesluit 2012. Algemeen Overeenkomstig het besluit van het College van burgemeester en wethouders d.d. 5 januari 2021 het warmteplan Amstel III, Paasheuvelweggebied en omgeving, voor te bereiden met toepassing van de algemene uniforme voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Conform het bepaalde in de Awb heeft het ontwerp warmteplan Amstel III, Paasheuvelweggebied en omgeving (hierna ontwerp warmteplan), met ingang van 1 februari 2021 en van 7 april 2021 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen, met de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen naar voren te brengen. Naar aanleiding van het ontwerp warmteplan zijn acht zienswijzen ingediend door de volgende reclamanten. 1. Equinix, bij email d.d. 28 januari 2021 2. IF Technology/Dirkzwager legal & tax, namens cliënten, bij brief d.d. 12 maart 2021 3. InProperty Development Group BV, bij e-mail d.d. 12 maart 2021 4. Wooden City Karspeldreef B.V., bij e-mail d.d. 15 maart 2021 5. Vattenfall, bij e-mail d.d. 15 maart 2021 6. (aanvullend) IF Technology/Dirkzwager legal & tax, namens cliënten, bij brief d.d. 18 mei 2021 7. (aanvullend) Vattenfall, bij e-mail d.d. 18 mei 2021 8. Firan, bij e-mail d.d. 19 mei 2021 De zienswijzen zijn integraal opgenomen in de bijlage behorend bij de Nota van Beantwoording. In de Nota van beantwoording wordt gereageerd op de ingediende zienswijzen. In een aantal gevallen leiden de ingediende zienswijzen tot wijzigingen van het ontwerp warmteplan. Naast deze wijzigingen is ook een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd in het ontwerp warmteplan. Alle wijzigingen zijn opgenomen in de Nota van wijzigingen.
De Nota van beantwoording en de Nota van wijzigingen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het te nemen raadsbesluit over de vaststelling van het gewijzigde warmteplan Amstel III, Paasheuvelweggebied en omgeving.
2
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Behandeling zienswijzen Eerst wordt ingegaan op een aantal formele aspecten die zijn geadresseerd in de zienswijzen. Daarna volgt de inhoudelijke behandeling per zienswijze, voorafgegaan door een algemene beschouwing. De zienswijzen zijn kort samengevat, genummerd en voorzien van een antwoord. Formele aspecten Volgens artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken. Deze termijn vangt, gelet op het tweede lid van dit artikel, aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd, in dit geval op 1 februari 2021. In verband met een omissie bij de kennisgeving is opnieuw een kennisgeving gepubliceerd. Dat is gedaan op 7 april 2021. Met deze nieuwe kennisgeving is de omissie hersteld. De termijn van terinzagelegging eindigt zes weken na 7 april 2021. Een zienswijze is tijdig ingediend als deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Prematuur ingekomen zienswijzen zijn ook ontvankelijk verklaard. Alle ingekomen zienswijzen zijn ontvankelijk. Algemene beschouwing Belangrijke aspecten die in alle ingediende zienswijzen naar voren komen, zijn globaal weergegeven de volgende: 1. motivatie en doel warmteplan, wie warmte-exploitant (kan) worden en welke rol de gemeente hierbij speelt 2. overgangsregeling 3. toetsing gelijkwaardig alternatief 4.
criteria ter zake bescherming van het milieu en energiezuinigheid 1. Motivatie en doel warmteplan Het doel van het warmteplan is het realiseren van een collectief distributienet voor levering van warmte en koude (hierna ook: ‘collectieve energiesysteem’ of ‘collectief energiesysteem’) dat voldoet aan een hoge mate van energiezuinigheid en dat een goede bescherming van het milieu oplevert. De gemeente beoogt in het door het warmteplan afgebakende gebied een collectief energiesysteem te ontwikkelen om onder meer restwarmte uit een datacenter te ontsluiten en in de (nabije) toekomst ook andere duurzame bronnen. Daarnaast zorgt het warmteplan voor voldoende aansluitingen zodat het collectieve energiesysteem financieel rendabel is te exploiteren. Indien het warmteplan in werking is getreden maar het beoogde collectieve energiesysteem nog niet een door BCRG gevalideerde EMG-verklaring heeft, staat het ontwikkelaars in het gebied waarvoor het warmteplan geldt, vrij om een alternatief systeem te realiseren, mits het alternatieve systeem op het gebied van energiezuinigheid en milieu vergelijkbaar of beter scoort dan hetgeen aan eisen voor het te realiseren collectieve energiesysteem is opgenomen in het warmteplan.
Het warmteplan schrijft dan ook geen systeemconcept voor, maar bepaalt slechts de minimale energiezuinigheid en milieuprestatie van het te realiseren collectieve energiesysteem. Deze eisen zijn bepaald aan de hand van diverse systeemconcepten waarin datawarmte benut wordt, zoals doorgerekend in het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten.
3
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Rol warmte-exploitant In een aantal zienswijzen zijn vragen over de uitvoering van het warmteplan gesteld. De rol van een toekomstige exploitant bleek onvoldoende duidelijk. Hier wordt deze vraag beantwoord en toegelicht. Een toekomstige exploitant van het collectieve energiesysteem moet de in het warmteplan gestelde eisen aan energiezuinigheid en milieuprestatie minimaal realiseren met haar collectieve energiesysteem. Er is geen exploitant aangewezen in het plan. Er zijn gesprekken gevoerd met diverse (markt)partijen om de mogelijkheid van een collectief energiesysteem met onder meer benutting van datawarmte te verkennen. Innovatie De gemeente wenst met dit warmteplan innovatie te stimuleren en onderzoekt in een open dialoog met partijen de realisatie van een collectief energiesysteem. De gemeente neemt de regie, in de zin van het creëren van randvoorwaarden om een collectief energiesysteem te realiseren voor de te ontwikkelen gebouwen en laat tegelijk veel ruimte voor zowel projectontwikkelaars als (toekomstige) warmte-exploitanten voor de realisatie van een collectief energiesysteem. De ontwikkeling van een energiesysteem op gebouwniveau kan op gespannen voet staan met de ontwikkeling van een collectief energiesysteem, het warmteplan sluit het één of het ander niet uit.
Het warmteplan biedt aan (potentiele) warmte-exploitanten, in samenspraak met projectontwikkelaars, de kans om een aantrekkelijke propositie te ontwikkelen en te innoveren. 2. Overgangsregeling Het door de gemeenteraad vastgestelde warmteplan treedt in werking op een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: ‘College’) nader te bepalen datum, maar niet eerder dan 1 januari 2023. Tot inwerkingtreding van het warmteplan is er geen sprake van een aansluitverplichting anders dan een eventueel van toepassing zijnde overgangsrechtelijke aansluitverplichting op stadswarmte op grond van het Bouwbesluit 2012. Projectontwikkelaars hebben volledige keuzevrijheid om een warmtevoorziening te realiseren die voldoet aan de vigerende eisen. Hiervoor zijn uiteenlopende mogelijkheden beschikbaar in het gebied. Als een omgevingsvergunning ingediend wordt vóór inwerkingtreding van het warmteplan, wordt getoetst aan het dan geldende publiekrechtelijke kader. Ontwikkelaars die vóór inwerkingtreding van het warmteplan een omgevingsvergunning aanvragen, worden dan ook (na goedkeuring van deze aanvraag) niet geconfronteerd met een uit het warmteplan voortvloeiende aansluitplicht op een collectief energiesysteem.
Aansluitverplichting in tijd en ruimte Met de inwerkingtreding van het warmteplan ontstaat een aansluitverplichting op het collectieve energiesysteem volgens het bepaalde in artikel 6.10, derde lid Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat alleen een aansluitplicht ontstaat als het geplande aantal aansluitingen op het moment van het indienen van het warmteplan nog niet is bereikt, en de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of de aansluitafstand groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter. Er is sprake van een zogeheten progressieve aansluitverplichting. De aansluitverplichting volgens het warmteplan is afhankelijk van de ontwikkeling van het collectieve energiesysteem in het 4
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
gebied. Gelet hierop wordt aangeraden om vroegtijdig met de in het gebied aanwezige warmteexploitant in gesprek te gaan over de (verwachte) prestaties van het collectieve energiesysteem en het aanbod dat de exploitant kan doen aan een ontwikkelpartij. In geval er geen sprake is van een aansluitverplichting, zijn de eisen uit het warmteplan dus niet van toepassing. Bevoegdheden College: Inwerkingtreding datum warmteplan (mandaat gemeenteraad aan College bij besluit d.d. 16-17 februari 2022), niet eerder dan 1 januari 2023. 3. Gelijkwaardigheid en omgevingsvergunning Bij een aanvraag omgevingsvergunning kan, na inwerkingtreding van het warmteplan, worden verzocht om aan te sluiten op een ander (eigen) warmtesysteem in plaats van aansluiten op het collectieve energiesysteem. Op basis van gelijkwaardigheid kan een ontheffing van deze aansluitplicht worden verleend. Er is sprake van gelijkwaardigheid als de energiezuinigheid en milieuprestatie van het alternatieve energiesysteem minimaal gelijkwaardig zijn in vergelijking met het collectieve energiesysteem. Welke criteria op dit punt gelden volgt uit het warmteplan. 4.
Criteria bescherming milieu en energiezuinigheid Bescherming milieu Naar aanleiding van de zienswijzen worden in het definitieve warmteplan voor de bepaling van criteria voor het collectieve energiesysteem ter bescherming van het milieu geen normen voor stikstof, CO2-emissie en geluid opgenomen, omdat deze reeds in andere wetgeving voldoende zijn uitgewerkt. Voor de bepaling van de mate van bescherming milieu van het collectieve energiesysteem blijft een norm voor fijnstof in het warmteplan gehandhaafd, omdat er geen wettelijke bepalingen zijn die op bouwplanniveau de uitstoot van fijnstof regelen. De norm voor de emissie van fijnstof door een (gelijkwaardig) alternatief is van belang omdat het ongewenst wordt geacht in de warmtebehoefte van een gebouw of woning te voorzien door gebruik van pelletkachels en/of open haarden. Dit punt leidt tot een aanvulling van het ontwerp warmteplan in paragraaf 3.8 betreffende de norm voor fijnstof: omdat de luchtkwaliteit in het warmteplangebied niet optimaal is en sprake is van hoge achtergrondconcentraties, is uitgangspunt dat een alternatieve warmtevoorziening geen fijnstof emitteert. Er worden derhalve alleen emissievrije technieken toegestaan in het plangebied.
Energiezuinigheid Het ontwerp warmteplan laat in paragraaf 3.7 ruimte om de eis aan energiezuinigheid aan te scherpen en laat de verantwoordelijkheid hiervoor bij een toekomstige exploitant van het collectieve energiesysteem. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft de gemeente ter verduidelijking een minimale Fpren van 50% [zie zienswijze adressant 08] opgenomen. Een (toekomstig) warmte-exploitant kan de energiezuinigheid aanscherpen door bij Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheid (BCRG) een EMG-verklaring vast te laten stellen van het door haar ontworpen energiesysteem. De exploitant heeft overigens een grote keuzevrijheid om het collectieve energiesysteem te ontwerpen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is besloten een overgangstermijn van zes maanden op te nemen als door BCRG een aangescherpte EMG-verklaring wordt vastgesteld voor het te realiseren of gerealiseerde collectieve energiesysteem. Dit betekent dat bij de beoordeling van
5
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
een gelijkwaardig alternatief, de aangescherpte normen (hogere Fpren of lagere Fpdel), gelden vanaf zes maanden na vaststelling van deze EMG-verklaring. Met deze overgangstermijn van zes maanden hebben ontwikkelpartijen naar verwachting voldoende tijd om rekening te houden met de aangescherpte eisen. Gezien de snelheid van ontwikkelingen in de energietransitie en de bandbreedte van haalbare waardes ligt het in de verwachting dat de eisen aan energiezuinigheid in het warmteplan ook in de toekomst aangescherpt zullen blijven worden. Bovenstaande leidt tot wijzigingen van het ontwerp warmteplan in paragraaf 3.7
6
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Adressant 1 5. Adressant geeft aan dat de weergegeven bron- en retourtemperaturen in o.a. figuur 4 (paragraaf 3.6) tussen het datacentrum en de warmtepompen van het ontwerp warmteplan niet persé corresponderen met de vrijkomende temperatuur van de datawarmte. Het is daarom niet uitgesloten dat het warmtenet met een ander temperatuurbereik zal functioneren. Dit is afhankelijk van het ontwerp van het systeem. Beantwoording Terecht merkt adressant 1 op dat het ontwerp van het collectieve energiesysteem nog niet vaststaat en de temperatuurniveaus nog niet zijn bepaald. Deze kunnen in tijd variëren afhankelijk van de in te zetten bron(nen) en afname. De (toekomstige) warmte-exploitant heeft daar keuzevrijheid in mits het systeem de minimaal gestelde eisen in het warmteplan kan behalen. Hiertoe zijn in het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten diverse systeemconfiguraties doorgerekend om de minimaal haalbare eisen te kunnen opnemen in het voorliggende warmteplan. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. Verwijzingen naar een mogelijke configuratie van het collectieve energiesysteem en temperaturen zijn uit het ontwerp warmteplan verwijderd.
7
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Adressanten 2 en 6 6. Adressant merkt op dat het ontwerp warmteplan niet op de juiste wijze is gepubliceerd. Zo is het onduidelijk of er toepassing is gegeven aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en wie er een reactie kan indienen. Dit is in strijd met de zorgvuldige voorbereiding van een besluit. Beantwoording Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar het kopje ‘formele aspecten’ van deze Nota van Beantwoording. Het College heeft op 5 januari 2021 besloten het besluit tot het vaststellen van het warmteplan voor te bereiden met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, om zodoende te waarborgen dat alle betrokken belangen kunnen worden meegewogen bij de besluitvorming. Het College betreurt het dan ook dat bij de kennisgeving een omissie is opgetreden. Deze omissie is hersteld door de openbare kennisgeving in het gemeenteblad en in de Staatscourant op 7 april 2021 als ook op de gemeentelijke website. Alle zienswijzen die zijn ingekomen voor 20 mei 2021 zijn ontvankelijk verklaard en betrokken bij de besluitvorming. Het College is van oordeel dat hiermee de omissie is hersteld. 7.
Adressant merkt ten aanzien van toepasbaarheid van het warmteplan op dat het warmteplan onvoldoende concreet zou zijn en de realisatie van een distributienet te onzeker is, waardoor ontwikkelaars niet op het warmteplan kunnen anticiperen. In dat kader wordt erop gewezen dat: (1) een investeringsbesluit tot aanleg van het collectieve distributienet (collectieve energiesysteem) in het projectgebied ontbreekt; (2) er nog geen warmtebedrijf investeert in het collectieve distributienet (collectieve energiesysteem) die de levering van warmte, koude en warmtapwater garandeert aan gebruikers; (3) er geen bedrijfseconomische onderbouwing is voor de rendabiliteit van het warmtesysteem (collectieve energiesysteem) bij het in tabel 1 van het warmteplan genoemde aantal aansluitingen; (4) het ontwerp warmteplan onvoldoende concreet is en niet duidelijk is of de levering van tapwaterbereiding en koudelevering ook onderdeel uitmaken van het warmteplan, en (5) het warmteplan onvoldoende concreet is waar het betreft de mate van energiezuinigheid (EOR) en de milieuprestatie (uitstoot CO2, fijnstof, stikstof en geluid) die met het warmtenet (collectieve energiesysteem) wordt gerealiseerd.
Beantwoording Het warmteplan voorziet in een aansluitverplichting op een distributienet voor warmte als bedoeld in artikel 6.10 Bouwbesluit 2012. Het is aan de warmte-exploitant, en niet aan de gemeente, om een investeringsbesluit te nemen op basis van een bedrijfseconomische onderbouwing. De levering van tapwater en koude maakt, naar verwachting, onderdeel uit van het aanbod door de warmteexploitant. Op het moment dat er een warmte-exploitant is, zal het College de datum van inwerkingtreding van het warmteplan bepalen op de wijze zoals aangegeven onder punt 2 ‘Overgangsregeling’ van deze Nota van Beantwoording. Het College zal dan ook pas tot het vaststellen van een datum van inwerkingtreding van het warmteplan overgaan indien er een warmteexploitant in beeld is. Op dat moment zal ook duidelijk zijn op welke wijze tapwater en de levering van koude is geregeld. Dit betekent dat op het moment van inwerkingtreding van het warmteplan voldoende duidelijkheid bestaat.
8
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Voorts is voldoende duidelijk welke mate van energiezuinigheid en welke milieuprestatie met het warmtenet (minimaal) wordt gerealiseerd. Zie tevens punten 1 tot en met 4 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 8. Adressant stelt dat het ontwerp leidt tot strijd met artikel 3.2 en 3.3 Awb [3.4 red.], omdat: (1) het warmteplan niet voorziet in een regeling voor projecten in het plangebied die in een (vergevorderd) ontwerpstadium verkeren, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 3:2 Awb en artikel 3:3 Awb [3.4 red.]; (2) het vaststellen van het warmteplan niet parallel is opgelopen of loopt met de start van de ruimtelijke procedure, waardoor (ook) sprake zou zijn van strijd met artikel 3:2 en 3:3 Awb, [3.4 red.] en; (3) in het ontwerp warmteplan nog geen keuze is gemaakt voor de aanvoertemperaturen, waardoor er sprake zou zijn van een ontwerp in strijd met de op grond van artikel 3:2 Awb vereiste zorgvuldigheid. Beantwoording Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar het kopje ‘formele aspecten’ van deze Nota van Beantwoording en de beantwoording bij punt 1, 2 en 4 en zienswijze 5. Verder wordt opgemerkt dat adressant strijd met artikel 3.3 Awb noemt. Dit wordt beschouwd als een omissie en verondersteld wordt dat is bedoeld te verwijzen naar artikel 3.4 Awb.
Bij de voorbereiding is het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3.2 Awb en evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3.4 Awb voldoende in acht genomen. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 9. Adressant vraagt hoe het ontwerp warmteplan zich verhoudt tot de Dienstenrichtlijn 2006/123 EG Beantwoording De Dienstenrichtlijn maakt het ondernemers mogelijk hun diensten aan te bieden op de Europese markt. Het warmteplan staat hierin niet in de weg. Voor de beantwoording wordt tevens verwezen naar de beantwoording bij punt 1 en zienswijze 5,10 en 20 in deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 10. Adressant stelt ten aanzien van de inhoud van het warmteplan dat onduidelijk is welk systeemconcept wordt gekozen en gerealiseerd. Beantwoording Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording en beantwoording van zienswijze 5.
Daarnaast wordt op het volgende gewezen: in artikel 1.1., eerste lid Bouwbesluit 2012, is een warmteplan als volgt gedefinieerd: “besluit van de gemeenteraad inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid 9
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen”. Het systeemconcept hoeft niet in het warmteplan te worden opgenomen. In het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten zijn diverse systeemconfiguraties berekend om de haalbaarheid van de in het warmteplan opgenomen eisen aan energieprestatie en bescherming van milieu te toetsen. Het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten is als bijlage bij het warmteplan gevoegd. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 11. Adressant stelt dat het MT-concept zoals in de kaart in het warmteplan is weergegeven het bestaande stadswarmtenet van Vattenfall weergeeft. In de gelijkwaardigheidstoets voor deze ‘zones’ zou de actuele EMG-verklaring van Vattenfall leidend moeten zijn en niet de prestatie van het (Z)LT concept elders. Beantwoording Het warmteplan heeft mede tot doel de warmte-exploitant uit te dagen om een duurzamere prestatie te behalen. De energieprestatie van een collectief energiesysteem kan, zo volgt uit het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten beter dan de vigerende EMG-verklaring van het Vattenfall-net. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 12.
De adressant merkt ten aanzien van gelijkwaardigheid op dat het warmteplan minstens drie systeemconcepten zou bevatten: MT, LT en ZLT. Het is onduidelijk welk systeem voor de gelijkwaardigheidstoets leidend is én of WP-boilers onderdeel uitmaken van het warmteplan. Beantwoording Het warmteplan maakt geen keuze voor een systeemconcept maar schrijft de minimale waardes voor waaraan het te realiseren collectieve energiesysteem moet voldoen en waaraan een (gelijkwaardig) alternatief getoetst wordt. Zie ook de beantwoording bij zienswijze 5 en 10 en punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 13. Adressant merkt ter zake van de energiezuinigheid van het collectieve energiesysteem op dat: a. het niet is toegestaan om een eigen maatstaf voor energiezuinigheid te hanteren in het warmteplan. Dit moet overeenkomstig de uitspraak van de Rechtbank Rb Ams 24 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2413 worden bepaald op basis van de: warmtebron, warmtevraag, elektriciteitsvraag en elektriciteitsproductie. b. de tijdelijke bepaling van de energiezuinigheid van het in het warmteplan beoogde systeem op Fpdel op 0,45 is arbitrair, c.
De Fpdel voor het meten van de energieprestatie een arbitrair gekozen waarde is (onderbouwing van de gemeente ontbreekt) en de leveringsgrens is niet duidelijk, terwijl laatstgenoemde relevant is voor de berekening van de duurzaamheid van het warmtesysteem en de te nemen gebouwgebonden maatregelen.
10
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Beantwoording a. Uitspraak Sluisbuurt Het College en de gemeenteraad hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2020, inzake warmteplan Sluisbuurt, ECLI:NL:RBAMS:2020:2413. De behandeling ter zitting was op 6 september 2021. De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State zal in acht worden genomen en, zo nodig, verwerkt in voorliggend warmteplan. b. Vaststelling Fpdel op 0,45 De Fpdel is vastgesteld op basis van het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten waarin diverse systeemconfiguraties zijn doorgerekend. De Fpdel is onderbouwd en niet arbitrair gekozen. c. De leveringsgrens is niet duidelijk en deze is relevant voor de berekening van de duurzaamheid van het warmtesysteem en de te nemen gebouwgebonden maatregelen Deze constatering is juist. Het is echter aan de warmte-exploitant om de leveringsgrens aan te geven. De wijze en de datum van inwerkingtreding van het warmteplan wordt bepaald overeenkomstig hetgeen is opgenomen onder punt 2 ‘Overgangsregeling’ in deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 14. Het volgt niet uit het warmteplan wanneer de vigerende EMG-verklaring voor het bepalen van de energiezuinigheid van de in het warmteplan beoogde systemen beschikbaar is, hetgeen leidt tot (rechts)onzekerheid.
Beantwoording Het aanvragen van een EMG-verklaring kan pas nadat het systeem ontworpen is. Zowel ontwerp als certificering van het systeem zal door de beoogde warmte-exploitant worden gedaan. De door BCRG gecertificeerde EMG-verklaring moet drie weken voor aanvang bouw ingediend worden bij het bevoegd gezag. In de ontwerpfase en bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt uitgegaan van concept EMG-verklaringen. Voorts is voorzien in een overgangstermijn (zie punt 4 ‘criteria energiezuinigheid en bescherming milieu’ van deze Nota van Beantwoording). Deze zienswijze leidt tot een aanvulling van het ontwerp warmteplan in paragraaf 3.7 Energiezuinigheid-energieprestatie distributienet. 15. De milieuprestaties van het voorgestelde systeem t.a.v. de emissie van CO2, stikstof, fijnstof en geluidbelasting volgen niet uit het warmteplan. De gelijkwaardigheidstoets is dan ook onmogelijk uitvoerbaar. Beantwoording De milieuprestatie is omschreven in het warmteplan. Opgemerkt wordt dat mede naar aanleiding van deze zienswijze is beslist de criteria omtrent CO2, NOx en geluid te laten vervallen omdat deze reeds in andere wetgeving voldoende zijn uitgewerkt. Het criterium betreffende fijnstof blijft gehandhaafd met als doel om de inzet van pelletkachels en de bijbehorende uitstoot van fijnstof te voorkomen.
Zie tevens punt 4 ‘criteria bescherming milieu en energiezuinigheid’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan.
11
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
16. Adressant merkt op dat niet kan worden uitgesloten dat t.a.v. de emissie van stikstof, fijnstof en de geluidbelasting zwaardere criteria zijn geformuleerd dan door het voorgestelde systeem wordt gerealiseerd, wat in strijd is met artikel 1.2 bouwbesluit. Voorts geldt dat uit ECLI:NL:RVS:2011:BR4628 volgt dat de regeling in het Bouwbesluit ten aanzien van geluidbelasting uitputtend is en er dus geen strengere regeling mag worden voorgeschreven. Beantwoording Artikel 1.2 Bouwbesluit 2012 betreft de aanwezigheid van personen in een bouwwerk en is hier niet relevant. Voor zover adressant bedoelt dat er sprake is van strijd met artikel 1.3, vierde lid, Bouwbesluit 2012 wordt opgemerkt dat een gelijkwaardige oplossing voor een collectief energiesysteem ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet behalen. Het warmteplan voorziet niet in een andere gelijkwaardigheidsbepaling. Overigens wordt in het warmteplan geen specifiek systeemconcept vastgesteld of voorgesteld. Zie ook de beantwoording bij zienswijze 5 en 10 en punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 17.
Adressant vraagt om opname van een heldere procedure voor uitvoering van de gelijkwaardigheidstoets in het warmteplan. Beantwoording In de bijlagen van het warmteplan is opgenomen welke berekeningen aangeleverd dienen te worden voor de gelijkwaardigheidstoets. Zie ook beantwoording punten 3 en 4 van deze Nota van Beantwoording en zienswijze 10. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 18. Het warmteplan voorziet niet in een zorgvuldig overgangsrecht. Beantwoording Voor de beantwoording wordt verwezen naar de beantwoording bij punten 2 en 4 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 19. Adressant vraagt het College de vaststelling van het warmteplan te staken en gestaakt te houden. Beantwoording In het belang van de energietransitie en ter realisering van de klimaat- en energieambities van de gemeente is het College niet voornemens de procedure omtrent vaststelling van het warmteplan te staken. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 20. De adressant is van oordeel dat mogelijke warmtebronnen beperkt zijn tot drie aangewezen bronnen en dit is in strijd met de Dienstenrichtlijn. 12
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Beantwoording Het oordeel van adressant wordt niet gedeeld. De opsomming in par 3.4 van het ontwerp warmteplan heeft geen limitatief karakter. Op geen enkele wijze wordt beoogd om te benutten bronnen uit te sluiten, omdat (nog) niet kan worden voorzien welke bronnen in de toekomst beschikbaar komen. Er is geen sprake van een beperking in het warmteplan tot een drietal bronnen. Benadrukt wordt dat in het warmteplan geen specifiek systeemconcept wordt vastgesteld of voorgesteld. Zie ook de beantwoording bij zienswijze 5, 9 en 10 en punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan in paragraaf 3.4.
13
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Adressant 3 21. Adressant merkt op dat geen onderzoek is verricht naar warmteverlies bij transport in de bodem. Beantwoording In het warmteplan is ter zake van het te realiseren collectieve energiesysteem de energiezuinigheid en de bescherming van milieu geregeld, waarbij een minimaal te realiseren energiezuinigheid en bescherming van milieu is vastgesteld. De effecten op het milieu, zoals warmteverlies bij transport in de bodem, worden niet onderzocht in het warmteplan. De warmte-exploitant zal bij aanvraag van de nodige vergunningen, afhankelijk van het ontwerp van het systeem, hier het gebruikelijke onderzoek naar moeten doen. Benadrukt wordt dat in het warmteplan geen specifiek systeemconcept wordt vastgesteld of voorgesteld. Zie ook de beantwoording bij zienswijze 5 en 10 en punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot wijziging van het ontwerp warmteplan. 22. Adressant merkt op dat het warmtenet alleen voorziet in warmte, geen koeling. Beantwoording De warmte-exploitant is vrij om het temperatuurniveau van het distributienet te bepalen waarmee energie (in de vorm van warmte) wordt getransporteerd. De warmte-exploitant zal een zo aantrekkelijk mogelijk aanbod willen geven en zal, zo is de verwachting, inspelen op de toenemende vraag naar koeling. Zie ook beantwoording zienswijze 5, 7 en 10.
Deze zienswijze leidt niet tot wijziging van het ontwerp warmteplan. 23. Adressant merkt op dat warmtenetten op gespannen voet staan met individuele installaties qua innovatie en prijswerking. Beantwoording De intensieve bebouwing in Amsterdam vraagt om collectieve oplossingen voor energie. Een collectief distributienet levert schaalvoordelen qua betaalbaarheid en duurzaamheid en maakt efficiënter gebruik van de ruimte dan vele individuele systemen. Het blijft een uitdaging deze collectieve systemen te realiseren en de markt uit te dagen deze systemen zo duurzaam en betaalbaar mogelijk te laten zijn. In het Ontwikkelbeeld preferente warmtesystemen, zoals vastgesteld in 2019, volgt dat er bij een gebiedsontwikkeling van boven de 500 woningequivalenten (WEQ), economische schaalvoordelen ontstaan voor collectieve energiesystemen en dat er bij ontwikkelingen boven de 1.000 WEQ - vanwege de beperkte ruimte in de ondergrond - gestuurd dient te worden op collectieve energiesystemen in de vorm van warmtenetten en bronnetten. De dichtheid aan nieuwbouw is dan te hoog voor louter individuele energiesystemen. Ook worden bij deze aantallen woningequivalenten aanzienlijke ruimtelijke, energetische en economische voordelen behaald met collectieve warmtenetten. Zie: Gemeente Amsterdam, Het Ontwikkelbeeld preferente warmtesystemen.
Uitgangspunten voor collectieve warmtevoorziening in nieuwbouw- en transformatiegebieden, 2019, p. 7 en 9. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 24. Adressant merkt op dat de restwarmte uit een datacenter vergankelijk is.
14
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Beantwoording De restwarmte uit een datacenter blijft gedurende een periode van minimaal 15 jaar beschikbaar [referentie Equinix mail d.d. 19 augustus 2021, bijlage] en in de regel veel langer. Momenteel zijn er in Amsterdam tientallen datacenters actief die reeds decennialang significante hoeveelheden restwarmte afgeven aan de omgeving (lucht & water) zonder dat die restwarmte benut wordt [ref. Het Amsterdams Bronnenboek]. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 25. Adressant pleit voor benutting van elektriciteit als energiedrager in plaats van uitbreiding van warmtenetten. Beantwoording Met het warmteplan wordt een toekomstige warmte-exploitant uitgenodigd om te komen tot een duurzaam systeem waarin integratie van warmte en elektriciteit niet is uitgesloten. Het warmteplan schrijft geen specifiek te ontwikkelen systeemconcept voor. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan.
15
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Adressant 4 26. Adressant stelt dat het ontwerp warmteplan lijkt in te gaan tegen de afsprakenbrieven over ontwikkeling Karspeldreef 14 en 16 om een zelfstandige WKO te ontwikkelen. Beantwoording Er zijn geen strijdigheden met afsprakenbrieven over ontwikkeling Karspeldreef 14 en 16. In de Realisatieovereenkomst is geconstateerd dat de ontwikkelaar heeft voldaan aan de afspraken uit de afsprakenbrief en dus heeft voldaan aan haar hieruit voortvloeiende privaatrechtelijke verplichtingen. Deze zienswijze leidt niet tot wijziging van het ontwerp warmteplan. 27. Adressant geeft aan dat er risico op vertraging bestaat vanwege onduidelijkheden in het warmteplan. Beantwoording Zie punt 2 en 4 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot wijziging van het ontwerp warmteplan 28. Het warmteplan is volgens adressant onvoldoende onderbouwd en is onduidelijk.
In dat kader wijst adressant erop dat: (1) het nog onduidelijk is hoe gelijkwaardigheid kan worden aangetoond en wanneer het warmteplan in werking treedt; (2) er nog geen warmtebedrijf is dat leveringszekerheid biedt van warmte en koude aan de gebruikers; (3) er nog geen leveringscontracten en -afspraken zijn met de datawarmteleveranciers, terwijl de energiezuinigheid van het warmteplan sterk afhankelijk is van de restwarmte van het datacenter; (4) er geen financiële onderbouwing, met bedrijfseconomische verantwoording, is van het warmteplan; (5) het warmteplan onvoldoende weergeeft welke mate van energiezuinigheid (EOR, CO2, fijnstof, stikstof, geluid) van het distributienet gerealiseerd kan worden; (6) er onduidelijkheid bestaat over de volgende factoren: termijn van beschikbaarheid c.q. realisatie, voorwaarden en tarieven en met welk warmtebedrijf de ontwikkelaars te maken hebben dan wel. zullen krijgen. . Beantwoording Zie punten 1 t/m 4 en beantwoording zienswijze 7 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt tot wijziging(en) van het ontwerp warmteplan. 29. De adressant stelt dat de Gemeente het energetisch rendement van het collectieve energiesysteem niet kan garanderen, waardoor er sprake is van grote onzekerheid over het behalen van de in het warmteplan opgenomen mate van energiezuinigheid.
Beantwoording Zie zienswijze 5 en 10 en punten 1 en 4 van deze Nota van Beantwoording. 16
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
NB: Benadrukt wordt dat in het warmteplan geen specifiek systeemconcept wordt vastgesteld of voorgesteld. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 30. De adressant vraagt – onder verwijzing naar paragraaf 2.3 van het ontwerp warmteplan – of indien aan de criteria genoemd in paragraaf 2.4 voldaan wordt sprake is van een gelijkwaardig alternatief. Beantwoording Als een omgevingsvergunning ingediend wordt op moment dat het warmteplan in werking is getreden zijn de criteria ten aanzien van bescherming van het milieu en energiezuinigheid zoals genoemd in het warmteplan de basis voor de toetsing van de gelijkwaardigheid van een alternatief. Zie tevens punt 3 en 4 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 31. De adressant stelt – onder verwijzing naar paragraaf 2.4 van het ontwerp warmteplan – dat vanwege het ontbreken van een methode om de verschillende criteria van gelijkwaardigheid te toetsen, de gelijkwaardigheidstoets onuitvoerbaar is. Beantwoording Zie punt 4 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 32. De adressant vraagt – onder verwijzing naar paragraaf 3.4 van het ontwerp warmteplan – wie verantwoordelijk is voor het aansluiten van warmtebronnen.
Beantwoording De warmte-exploitant is verantwoordelijk voor het aansluiten van de bronnen. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. *32. Adressant stelt dat de energieprestatie van het 28 °C ZLT-net een grote variatie kent, omdat de onbalans tussen de warmte- en koudevraag onbekend is en daardoor de vraag naar de regeneratie van WKO-systemen onbekend is. Adressant wijst erop dat gesteld kan worden dat een alternatief systeem dat aantoonbaar in balans is, beter zal scoren – terwijl dit niet als beoordelingscriterium voor gelijkwaardigheid geldt. Beantwoording Het warmteplan schrijft geen specifiek systeemconcept voor. Zie de beantwoording bij zienswijze 5 en 10 en punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan.
17
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
33. De adressant geeft – onder verwijzing naar paragraaf 3.6 van het ontwerp warmteplan – aan dat er onvoldoende duidelijkheid is over de beoogde warmte-exploitant, alsmede een eventueel aanbod. Beantwoording Zie punt 1 t/m 4 van deze Nota van Beantwoording en zienswijze 7. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 34. De adressant stelt – onder verwijzing naar paragraaf 3.7 van het ontwerp warmteplan – dat de ontwikkelaar genoodzaakt is BCRG in te schakelen voor bepaling van de gelijkwaardigheid, wat volgens adressant een bovenwettelijke eis is. Voorts toetst BCRG het betreffende systeem pas definitief na volledig ontwerp en contractering, en bestaat zorg over de snelheid waarmee BCRG de toets zou uitvoeren. Beantwoording Niet de ontwikkelaar maar de warmte-exploitant wordt genoodzaakt BCRG in te schakelen voor een (nieuwe) EMG-verklaring. Zie tevens beantwoording zienswijze 17. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 35. De adressant stelt – onder verwijzing naar paragraaf 3.7 van het ontwerp warmteplan – dat de gemeente geen garanties geeft op het voorgestelde rendement en opwek vanuit een duurzame elektriciteitsbron. Daarnaast stelt adressant dat de meeste gebruikers aansluiten op het secundaire net, waardoor het rendement lager is dan de in het ontwerp warmteplan aangehaalde primaire energie.
Tot slot wordt opgemerkt dat de BENG-regeling (NTA8800) niet toestaat dat wordt gerekend met een rendement van het distributienet zolang dit niet is bepaald en goedgekeurd door BCRG. Beantwoording Het warmteplan schrijft geen specifiek systeemconcept voor. De gemeente legt in het warmteplan de minimaal te behalen eisen vast, de warmte-exploitant moet, door gebruik te maken van BCRG, aantonen dat deze minimale eisen met het (te ontwikkelen) collectieve energiesysteem gehaald worden. De gemeente is van oordeel, gelet op het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten, dat deze eisen haalbaar zijn. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 36. Adressant vraagt – onder verwijzing naar paragraaf 3.7 van het ontwerp warmteplan – of het wel duurzaam is om de benodigde infrastructuur aan te leggen voor het benutten van restwarmte van een datacenter, terwijl het datacenter (slechts) een aantal maanden per jaar warmte levert. Beantwoording De duurzaamheid van restwarmte van datacentrum wordt bepaald door de rekenregels zoals vastgelegd in de norm Nederlands Technische Afspraak 8800 (NTA8800) en wordt meegewogen in de totale prestatie van het collectieve energiesysteem. Op welke momenten en hoeveel warmte door het datacenter wordt geleverd aan het collectieve energiesysteem is te bepalen door de exploitant. In het
18
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
warmteplan zijn minimale eisen gesteld aan de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu waaraan het collectieve energiesysteem moet voldoen. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 37. Adressant vraagt – onder verwijzing naar paragraaf 3.8 van het ontwerp warmteplan – of een eigen lokale warmtepomp die wordt gevoed met op de eigen locatie opgewekte duurzame elektriciteit qua uitstoot van fijnstof en CO2 niet altijd beter is dan de elektriciteitscentrales die energie leveren aan de metropool regio Amsterdam. Beantwoording De duurzaamheid van een eigen lokale warmtepomp die wordt gevoed met op eigen locatie opgewekte duurzame elektriciteit wordt bepaald door de rekenregels zoals vastgelegd in de norm NTA8800 en wordt meegewogen in de totale prestatie van het systeem. In het warmteplan zijn minimale eisen gesteld aan de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. Zie tevens beantwoording zienswijze met nummer 36. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan 38. Adressant vraagt hoe opwek van PV-panelen meegenomen kan worden in de energieprestatieberekening van gelijkwaardigheid? Beantwoording De duurzaamheid van het energiesysteem wordt bepaald door de rekenregels zoals vastgelegd in de norm NTA8800.
De opwek door PV-panelen is een onderdeel van de berekening van de energieprestatie van een gebouw. Of en in welke mate PV-panelen in de gelijkwaardigheidstoets bijdragen aan de energieprestatie van het gebouw is locatiegebonden en hangt af van de wijze waarop PV-panelen worden ingezet; leveren deze wel of niet direct aan het gebouw of het energiesysteem. In het warmteplan zijn minimale eisen gesteld aan de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. Zie tevens zienswijze 36 en 37. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 39. Adressant vraagt of het de gemeente is toegestaan in het warmteplan bovenwettelijke geluidseisen op te nemen? Beantwoording Voor de beantwoording wordt verwezen naar punt 4 van deze Nota van Beantwoording. Naar aanleiding van de zienswijze is het ontwerp warmteplan gewijzigd. 40. Adressant vraagt of gebruiker, naast een aansluiting voor warmte op het warmtenet, ook zelf tapwater en koude dient te organiseren. Beantwoording Voor de beantwoording wordt verwezen naar zienswijze met nummer 7. 19
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. *40. Adressant stelt dat uit bijlage 3 bij het ontwerp warmteplan blijkt dat er nog veel onduidelijkheid is over de levering van datawarmte. Bijlage III is volgens adressant zeer abstract en geeft geen concrete handvatten aan het ontwerp warmteplan. Beantwoording Het warmteplan schrijft geen specifiek systeemconcept voor. In bijlage III van het ontwerp warmteplan, ook bekend als haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten, zijn diverse systeemconcepten onderzocht. Hierbij is gebruik gemaakt van o.a. forfaitaire waardes om de bandbreedtes in beeld te krijgen. Zie de beantwoording bij zienswijze 5 en 10 en punt 1 ‘motivatie en doel warmteplan’ van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 41. Adressant stelt dat het warmteplan onvolledig is, omdat het aan handvatten voor de ontwikkelaar ontbreekt om te overwegen om aan te sluiten dan wel te kiezen voor een (tenminste) gelijkwaardig alternatief. Beantwoording Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar punten 1 t/m 4 van deze Nota van Beantwoording. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 42. Adressant vraagt of het distributienet leidt tot toename van publieke en private kosten voor warmte-koudelevering.
Beantwoording Zie beantwoording punten 1 t/m4 van deze Nota van Beantwoording en zienswijze 23. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 43. Adressant vraagt om het doel en nut van het warmteplan te heroverwegen en het warmteplan niet vast te stellen. Beantwoording Zie beantwoording punten 1 t/m 4 van deze Nota van Beantwoording en zienswijze 19. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan.
20
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Adressant 5 en 7 44. Adressant stelt dat het warmteplan de volgende onzekerheden voor adressant als investeerder met zich meebrengt: De sturing op benutten restwarmte van datacenters brengt mogelijk een juridisch risico mee. Informatie over reeds bestaande infrastructuur en gesloten contracten in het gebied ontbreekt in het warmteplan. 45. Adressant vraagt of de bron beschikbaar komt en een leiding van en naar het datacentrum en tegen welke specificaties. Voorts vraagt adressant of de omvang van het gebied, waarvoor het warmteplan geldt, voldoende is om meer partijen een concurrerende aanbieding te laten doen. Beantwoording zie punten 1 t/m 4 van deze Nota van Beantwoording en beantwoording van zienswijze 5 en 10. Het warmteplan geeft geen informatie over reeds bestaande infrastructuur en gesloten contracten, noch over specificaties van bron en (te realiseren) infrastructuur. De (toekomstig) warmte-exploitant bepaalt of en welke risico’s genomen worden om een haalbare businesscase te realiseren en kan deze informatie te zijner tijd leveren. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan. 46. Adressant ziet geen mogelijkheden zich te committeren als warmte-exploitant aan het gebied zoals opgenomen in het ontwerp warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving. Ze ziet uitgifte van een concessie door de gemeente als een mogelijke oplossing.
Ze geeft aan voor twee deelgebieden (genaamd 3 & 4 in haar zienswijze) een haalbare businesscase te zien, waarbij gebruik gemaakt wordt van restwarmte uit het datacenter. Beantwoording Adressant maakt inzichtelijk onder welke voorwaarden een businesscase kan worden gerealiseerd waarbij gebruik gemaakt zal worden van restwarmte uit het datacenter. Het uitgeven van een concessie is bij dit besluit niet aan de orde. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging in het ontwerp warmteplan.
21
BIJLAGE Nota van beantwoording warmteplan Amstel III Paasheuvelweggebied en omgeving
Adressant 8 47. Adressant licht toe op welke wijze zij als warmte-exploitant een businesscase kan realiseren waarbij de restwarmte uit het datacenter AM5 benut wordt. Beantwoording Voor kennisgeving aangenomen. Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het ontwerp warmteplan 48. Adressant doet het voorstel om een minimale Fpren- eis in het warmteplan op te nemen. Beantwoording Met het opnemen van een minimale eis aan Fpren wordt het aandeel hernieuwbare energie in het warmtesysteem geborgd en draagt daarmee bij aan de duurzaamheid van het warmtesysteem. De suggestie van adressant is overgenomen en een Fpren van minimaal 50% is in het warmteplan opgenomen. Het opnemen van Fpren heeft geen gevolgen voor de bruikbaarheid van het haalbaarheidsonderzoek systeemconcepten. Deze zienswijze leidt tot een wijziging van het ontwerp warmteplan.
22