CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

B_016R_Bouwbesluittoets_Iambe.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 8 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief in reactie op vragen van de raadsleden Bakker (SP) en Van Renssen (GL) inzake transformatieproject Iambe (ZD2021-010678)13.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transformatie brandweerkazerne en nieuwbouw studio’s Iambe Bouwbesluittoets

Transformatie brandweerkazerne en nieuwbouw studio’s Iambe

Bouwbesluittoets

Rapportnummer: Status: Datum:

20154972.R01.V03 Definitief 11 december 2020

In opdracht van:

Woningstichting Eigen Haard Postbus 67065 1060 JB Amsterdam

Uitgevoerd door:

Alcedo B.V. Postbus 140 Ondernemersweg 3 Contactpersoon: Telefoon: Internet: E-mail:

7450 AC Holten 7451 PK Holten Mevr. ir. N. Prinsen 085 – 822 99 00 www.alcedo.nl natalie.prinsen@alcedo.nl

© Alcedo B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale reproductie, of anderszins zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever van deze uitgave of Alcedo B.V..

INHOUD 1

INLEIDING

4

2

TOETSINGSKADER

5

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

BRANDVEILIGHEID Compartimentering Brandwerende voorzieningen Veilig vluchten Sterkte bij brand Materiaalgedrag Brandveiligheidsinstallaties Bestrijding van brand

6 6 7 10 12 13 15 16

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

BOUWAKOESTIEK Bescherming tegen geluid van buiten Bescherming tegen geluid van installaties Beperking galm gemeenschappelijke verkeersruimte Geluidsisolatie tussen woonfuncties Wering luchtgeluid besloten gemeenschappelijke verkeersruimte Geluidsisolatie binnen woonfuncties

19 19 19 22 24 25 27

5 5.1 5.2 5.3 5.4

(SPUI)VENTILATIE EN DAGLICHT Luchtverversing verblijfsgebieden en verblijfsruimten Luchtverversing overige ruimten Spuiventilatie Daglichttoetreding

28 28 28 29 30

6

OPPERVLAKTETOETSING

32

7 7.1 7.2 7.3

ENERGIEZUINIGHEID EN MILIEU Thermische isolatie Energieprestatie Milieu

33 33 34 34

8

CONCLUSIE

35

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 2

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

TEKENINGEN BRANDWERENDE VOORZIENINGEN BRANDOVERSLAGBEREKENING AKOESTISCHE VOORZIENINGEN NAGALMBEREKENINGEN DAGLICHT- EN VENTILATIEBEREKENINGEN MILIEUPRESTATIE

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 3

1

INLEIDING In opdracht van Woningstichting Eigen Haard is door Alcedo het bouwplan “Transformatie brandweerkazerne en nieuwbouw studio’s Iambe” te Amsterdam beoordeeld op de aspecten brandveiligheid, bouwakoestiek, bouwfysica, energiezuinigheid en milieu. In de voormalige brandweerkazerne worden tien appartementen gerealiseerd, verdeeld over drie bouwlagen. Het nieuwe woongebouw is op hetzelfde perceel gelegen en omvat zestien zelfstandige studio’s op verdieping 1 t/m 4. De begane grond bestaat uit een gezamenlijke zitkamer en eetkeuken. Ook is op de begane grond een berging en een technische ruimte gesitueerd. In tabel 1 zijn de gehanteerde gebruiksfuncties voor het plan weergegeven. Tabel 1

Gehanteerde gebruiksfuncties

Ruimten

Gebruiksfunctie

Subfunctie

Gezamenlijke zit- en eetkamer

Woonfunctie (nieuwbouw)

Woonfunctie voor zorg, groepszorgwoning voor zorg op afroep

Spreekkamer

Kantoorfunctie (nieuwbouw)

-

Bergruimte / technische ruimte

overige gebruiksfunctie (nieuwbouw)

-

Studio’s

Woonfunctie (nieuwbouw)

Woonfunctie voor zorg, groepszorgwoning voor zorg op afroep

Appartementen kazerne

Woonfunctie (bestaande bouw)

Gelegen in een woongebouw.

Het plan is getoetst aan het Bouwbesluit 2012. Uitgangspunt voor de beoordeling zijn de tekeningen van 9 graden architectuur d.d. 20-11-2020 en de tekeningen van FIMBLE d.d. 21-07-2020. De situatie, plattegronden en aanzichten zijn opgenomen in bijlage 1.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 4

2

TOETSINGSKADER Het plan is beoordeeld aan de hand van het Bouwbesluit 2012. Kazerne In de termen van het Bouwbesluit 2012 vindt er in de brandweerkazerne een functiewijziging plaats. Bij een functiewijziging dient er te worden voldaan aan de bouwvoorschriften van de nieuwe gebruiksfunctie (woonfunctie). Uitgangspunt is dat bij een verbouwing voldaan moet worden aan de nieuwbouwvoorschriften uit het Bouwbesluit 2012, tenzij in de desbetreffende afdeling anders is aangegeven. In de eerste paragraaf van veruit de meeste afdelingen van het Bouwbesluit 2012 zijn ‐ onder het kopje ‘verbouw’ ‐ voorschriften opgenomen waarmee het vereiste minimum verbouwniveau voor het desbetreffende aspect is aangegeven. Het betreft in een aantal gevallen een specifiek niveau, dat tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor bestaande bouw ligt, maar in de meeste gevallen is verwezen naar het rechtens verkregen niveau. Met de invoering van het Bouwbesluit 2012 is ook het rechtens verkregen niveau omschreven. Het rechtens verkregen niveau is het actuele kwaliteitsniveau, zoals dat ten tijde van de bouw is verkregen, en wordt naar onder begrenst door het niveau bestaande bouw en naar boven begrenst door het nieuwbouw niveau. Dit betekent dat het huidige kwaliteitsniveau niet mag worden verslechterd en er minimaal moet worden voldaan aan het niveau bestaande bouw (ondergrens).

Indien het huidige niveau niet voldoet, zal het betreffende onderdeel zodanig moeten worden aangepast, dat ten minste aan het niveau bestaande bouw wordt voldaan. Geadviseerd wordt echter om het gebouw een hoog comfort- en gebruiksniveau te geven. Daarom wordt de transformatie van de brandweerkazerne getoetst aan nieuwbouwniveau. Wat rederlijkerwijs niet aan het niveau van nieuwbouw kan worden voldaan, wordt getoetst aan het niveau van bestaande bouw. In de verschillende paragrafen is aangegeven welk niveau gehanteerd is. Nieuw appartementengebouw Voor het te realiseren woongebouw gelden de nieuwbouweisen horende bij een woonfunctie, met als subgebruiksfunctie: groepszorgwoning voor zorg op afroep.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 5

3

BRANDVEILIGHEID

3.1

Compartimentering Wettelijk kader Volgens afdeling 2.10 van het Bouwbesluit dient het bouwplan te worden ingedeeld in brandcompartimenten met een maximale omvang van 1.000 m2. Stookruimten met een opgesteld vermogen groter dan 130 kW en technische ruimten met een gebruiksoppervlakte groter dan 50 m2 dienen in een apart brandcompartiment te liggen. Een extra beschermde vluchtroute ligt buiten de brandcompartimentering. Conform afdeling 2.11 dient aanvullend een brandcompartiment van een woonfunctie te worden aangemerkt als een apart subbrandcompartiment én beschermd subbrandcompartiment met een maximale omvang van 500 m2. Beoordeling brandcompartimentering In tabel 2 is de brandcompartimentering van het plan en de gebruiksoppervlakte weergegeven. In bijlage 2 is de brandcompartimentering op tekening weergegeven. Met de voorgenomen indeling in brandcompartimenten wordt voldaan aan de maximale omvang van het Bouwbesluit 2012. Tabel 2

Overzicht brandcompartimenten

Benaming

Ruimten

Brandcompartiment 1

Gebruiksoppervlakte Omvang

Grenswaarde

Gemeenschappelijk zit- en eetkamer

64,9 m2

1.000 m2

Brandcompartiment 2

Spreekkamer, bergruimte en technische ruimte

57,0 m2

1.000 m2

Brandcompartiment 3 t/ 18

Studio 1 t/m 16

≤ 34,0 m2

1.000 m2

Brandcompartiment 19 t/ 28

Appartement 1 t/m 10

≤ 64,2 m2

1.000 m2

De vluchttrappenhuizen in het plan overbruggen een hoogte van meer dan 8 meter en worden aangemerkt als een extra beschermde vluchtroute. De vluchttrappenhuizen liggen buiten de brandcompartimentering. Binnen het plan zijn verschillende verticale leidingschachten gelegen voor water, lucht en elektra. De verticale leidingschachten liggen eveneens buiten de brandcompartimentering. De elektrakasten worden op vloerniveau brandwerend afgedicht. Brandcompartiment 2 bestaat uit de spreekkamer (kantoorfunctie), bergruimte en de technische ruimte op de begane grond van de nieuwbouwwoningen. Dit is wettelijk toegestaan.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 6

3.2

Brandwerende voorzieningen Wettelijk kader Volgens afdeling 2.10 en 2.11 van het Bouwbesluit worden tussen brandcompartimenten onderling eisen gesteld met betrekking tot de Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag (WBDBO). Daarnaast worden er eisen gesteld aan de zelfsluitendheid van deuren in brandscheidingen. De eisen zijn in tabel 3 (nieuwbouw) en tabel 4 (bestaande bouw) samengevat. In NEN 6069:2011 worden beoordelingscriteria gegeven waaraan de brandscheidingen moeten voldoen om de vereiste brandwerendheid te kunnen realiseren. De beoordelingscriteria zijn afhankelijk van het type brandscheiding (vloer, wand, deur, doorvoering e.d) en de aangrenzende ruimte (brandcompartiment, extra beschermde vluchtroute e.d). De volgende beoordelingscriteria worden onderscheiden: R: criterium voor bezwijken E: criterium vlamdichtheid betrokken op de afdichting I: criterium thermische isolatie betrokken op temperatuur W: criterium thermische isolatie betrokken op warmtestraling Tabel 3

Eisen WBDBO en zelfsluitendheid in een woonfunctie (nieuwbouw)

Situatie

Criteria

WBDBO

Zelfsl. deur

Brandcompartiment / Beschermd subbrandcompartiment

↔

Brandcompartiment / Beschermd subbrandcompartiment

(R)EI 1)

60

Nee

Brandcompartiment / Beschermd subbrandcompartiment

→

Extra beschermde vluchtroute

(R)EW

30

Ja

Brandwerende scheidingsconstructie boven verlaagd plafond

(R)EI

60

-

Brandwerende doorvoeringen, naden, schachten e.d.

(R)EI

60

-

Daken

(R)E

30

-

1)

Uitzondering vormen de deurconstructies ter plaatse van verkeersroutes. Hier geldt het (R)EW criteria. Ook voor beglazing kunnen uitzondering gelden en is afhankelijk van de uitvoering. Geadviseerd wordt om tijdens het opstellen van de kozijnstaten de eisen aan EI en EW nader te beoordelen.

Tabel 4

Eisen WBDBO en zelfsluitendheid in een woonfunctie (bestaande bouw)

Situatie

Criteria

WBDBO

Zelfsl. deur

Brandcompartiment / Beschermd subbrandcompartiment

↔

Brandcompartiment / Beschermd subbrandcompartiment

(R)EI 1)

30

Nee

Brandcompartiment / Beschermd subbrandcompartiment

→

extra beschermde vluchtroute

(R)EW

30

Nee

brandwerende scheidingsconstructie boven verlaagd plafond

(R)EI

30

-

brandwerende doorvoeringen, naden, schachten e.d.

(R)EI

30

-

daken

(R)E

30

-

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 7

Branddoorslag Wettelijk kader Branddoorslag is branduitbreiding vanuit een ruimte naar een andere ruimte die niet via de buitenlucht plaatsvindt. De weerstand tegen branddoorslag volgt direct uit de brandwerendheid van de scheidingsconstructie tussen ruimten. Beoordeling In bijlage 2 zijn de plattegronden met de brandscheidingen weergegeven. De brandscheidingen tussen de studio’s en de appartementen onderling worden 60 minuten brandwerend uitgevoerd. De brandscheidingen tussen de wooneenheden en de gemeenschappelijke verkeersruimten (extra beschermde vluchtroute) worden 30 minuten brandwerend uitgevoerd. Conform artikel 2.83 is de gezamenlijke woon- en eetkamer op de begane grond van de nieuwbouw studio’s in een afzonderlijk brandcompartiment gesitueerd. De deuren in de brandscheidingen worden zelfsluitend uitgevoerd. Dit geldt ook voor de woningtoegangsdeuren. Uitzondering hierop zijn de woningtoegangsdeuren van de appartementen in de kazerne (bestaande bouw). Daarmee voldoen beide woongebouwen aan de nieuwbouwvoorschriften.

Brandoverslag Wettelijk kader Brandoverslag is branduitbreiding vanuit een ruimte, via de buitenlucht naar een andere ruimte. Brandoverslag kan worden voorkomen door de niet-brandwerende delen (gevelopeningen) voldoende ver uit elkaar te plaatsen. Op deze manier kan worden verhinderd dat de warmtestraling achter de gevelopeningen van een bedreigde ruimte te hoog wordt en de brand door straling uit kan breiden naar een andere ruimte. De stralingsflux mag volgens de norm achter de gevelopeningen van de bedreigde ruimte niet hoger worden dan 15 kW/m². Om aan te tonen dat aan de vereiste weerstand tegen brandoverslag is voldaan, moet voor het meest bestraalde punt gelden dat de stralingsflux kleiner is dan 15 kW/m². Het meest bestraalde punt moet worden bepaald door de stralingsflux voor verschillende observatiepunten te berekenen en met elkaar te vergelijken. Wanneer de berekende stralingsflux groter is dan 15 kW/m² dienen er brandwerende voorzieningen te worden getroffen. Om een WBO van 60 minuten tussen de brandcompartimenten te realiseren is, conform NEN 6068, een brandwerendheid van 30 minuten in de uitwendige scheidingsconstructie (gevel en dak) voldoende. Beoordeling Voor het nieuwbouw plan zijn voor de maatgevende ruimten brandoverslagberekeningen uitgevoerd conform NEN 6068:2008, “Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten”.

Er kan gerekend worden met een gereduceerde brand aangezien de maximale gebouwhoogte lager is dan 20 meter.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 8

Verder maakt NEN 6068 onderscheid tussen openingen en semi-openingen. Semi-openingen in de zin van NEN 6068 zijn gevelopeningen van de brandruimte die niet brandwerend zijn, maar mogelijk toch langer dan vijf minuten in tact blijven. Omdat niet bekend is op welk moment deze openingen bezwijken, moeten volgens de NEN 6068 twee situaties worden beschouwd, namelijk: Situatie 1: Alle semi-openingen bezwijken binnen vijf minuten. Situatie 2: Alle semi-openingen blijven gedurende 30 minuten in tact. Bij het nieuwe woongebouw worden kunststof kozijnen toegepast op de verdiepingen en derhalve is geen sprake van semi-openingen. De gevel en de brandoverslagbescherming van het gebouw waarin de ruimte is gelegen, van waaruit de weerstand tegen brandoverslag wordt bepaald, moet aan de buitenzijde bestaan uit bouwmateriaalcombinaties die ten minste voldoen aan klasse B van het materiaalgedrag bij brand, bepaald volgens hoofdstuk 4 t/m 8, 10, 12.1 en 13 van NEN EN 13501-1. Voor de twee typen studio’s aan de achterzijde is een brandoverslagberekening uitgevoerd. Deze typen zijn maatgevend. De brandoverslagberekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma PIntegraal versie V6.1p_standaard en is er getoetst op een WBDBO van 60 minuten. De in- en uitvoergegevens zijn opgenomen in bijlage 3. In tabel 5 zijn de rekenresultaten samengevat. Tabel 5

Rekenresultaten maatgevende brandoverslagtrajecten

Van

Naar

WBO [min]

Stralingsflux

Beoordeling

Gezamenlijke woonkamer

Woning 1e verdieping

60

10,8 kW/m2

Voldoet

Woningtype 3 2e verdieping

Woningtype 3 3e verdieping

60

15,7 kW/m2

Voorziening noodzakelijk. Raam brandwerend uitvoeren, zoals weergegeven in bijlage 2.

Woningtype 3 3e verdieping

Woningtype 3 4e verdieping

60

14,6 kW/m2

Voldoet

Woningtype 4 2e verdieping

Woningtype 4 3e verdieping

60

10,5 kW/m2

Voldoet

Voor de brandweerkazerne is geen brandoverslagberekening uitgevoerd. De verticale afstand tussen de gevelopeningen in de voor- en achtergevel bedraagt meer dan 2 meter. Dit is ruim voldoende om brandoverslag te voorkomen. Voor de zijgevels gelegen op de perceelsgrens, geldt dat deze brandwerend uitgevoerd dienen te worden.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 9

3.3

Veilig vluchten Vluchtroutes binnen een subbrandcompartiment Wettelijk kader Volgens afdeling 2.12 van het Bouwbesluit begint op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer een vluchtroute, die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg. Nadere opdeling van de brandcompartimenten in afzonderlijke subbrandcompartimenten kan achterwege blijven, indien binnen de betreffende brandcompartimenten wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare loopafstanden. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en de toegang van het subbrandcompartiment, waarin het gebruiksgebied ligt, moet volgens nieuwbouwvoorschriften worden beperkt tot: Gecorrigeerde loopafstand 30 meter. Bij de bepaling van de gecorrigeerde loopafstand dient een constructieonderdeel (niet zijnde een bouwconstructie) buiten beschouwing te worden gelaten en wordt de loopafstand met factor 1,5 vermenigvuldigd. Beoordeling vluchtroute binnen subbrandcompartiment Voor alle wooneenheden geldt dat binnen een gecorrigeerde loopafstand van 30 meter de uitgang van een subbrandcompartiment of het aansluitende terrein kan worden bereikt. Het opdelen van de brandcompartimenten in meerdere subbrandcompartimenten kan derhalve achterwege blijven.

Vluchtroutes buiten een (sub)brandcompartiment Wettelijk kader Volgens nieuwbouwvoorschriften beginnen vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment twee onafhankelijke vluchtroutes. Hiervan kan worden afgeweken, als het subbrandcompartiment beschikt over ten minste twee uitgangen. Vanaf de uitgang dienen de twee vluchtroutes tot het aansluitende terrein ten minste 30 minuten brandwerend gescheiden te blijven. Onder bepaalde condities is één vluchtroute in een woongebouw toegestaan. Aan de voorwaarden van een portiekontsluiting wordt voldaan, indien: a. maximaal 6 appartementen met een hoogste vloer van een verblijfsgebied van 6,0 meter op het trappenhuis zijn aangewezen, of b. indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op het trappenhuis mag niet meer bedragen dan 800 m2, 2. geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties mag hoger liggen dan 12,5 meter boven het meetniveau en 3. geen van de woonfuncties heeft een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m 2.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 10

Andere voorwaarden voor de portiekonsluiting zijn: De uitgangen van de op die vluchtroute aangewezen woonfuncties, grenzen direct aan het trappenhuis; Er zijn uitsluitend woonfuncties en nevenfuncties daarvan aangewezen op de vluchtroute; De uitgang van het trappenhuis grenst direct aan het aansluitende terrein. Voor bestaande bouw geldt dat een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert, waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² aan woonfuncties is aangewezen, een extra beschermde vluchtroute dient te zijn. Er worden geen eisen gesteld aan de maximale loopafstanden. Beoordeling vluchtroutes buiten subbrandcompartiment Brandweerkazerne De tien appartementen in de voormalige brandweerkazerne zijn aangewezen op een portiekontsluiting. De woningstoegangsdeuren grenzen direct aan het trappenhuis, er zijn uitsluitend woonfuncties aangewezen op de vluchtroute en de uitgang van het trappenhuis grenst direct aan het aansluitende terrein. De appartementen hebben een totale gebruiksoppervlakte van ca. 532 m2 waarvan de hoogste vloer is gelegen op 11,46 meter. De deuren worden zelfsluitend uitgevoerd. Daarmee wordt aan de eisen conform nieuwbouwvoorschriften voldaan. Nieuwbouw Ook de nieuwbouw studio’s zijn aangewezen op een portiekontsluiting. Het gaat om zestien studio’s met een totale gebruiksoppervlakte van ca.

497 m2, waarvan de hoogste vloer is gelegen op 12,19 meter. De ruimten op de begane grond (gezamenlijke woonkamer, spreekkamer en de berging) zijn nevenfuncties van de woonfunctie. Door de woningtoegangsdeuren zelfsluitend uit te voeren, wordt voldaan aan de eisen van een portiekontsluiting.

Inrichting vluchtroute Wettelijk kader Volgens artikel 2.107 van het Bouwbesluit heeft een vluchtroute een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,85 meter en een hoogte van ten minste 2,3 meter. Bij verbouw geldt als eis dat de vrije doorgang moet voldoen aan het rechtens verkregen niveau en dient minimaal te voldoen aan de eisen omtrent bestaande bouw. Om te voldoen aan het niveau bestaande bouw dient de vrije doorgang een breedte te hebben die niet kleiner is dan 0,5 meter en een vrije hoogte van ten minste 1,7 meter. Een deur in een vluchtroute kan zonder gebruik te hoeven maken van een sleutel onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte worden geopend. Deuren die wel worden afgesloten dienen, bij een calamiteit, zonder tussenkomst van een sleutel, te kunnen worden ontgrendeld.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 11

Beoordeling vluchtroute Uit opmeting van de plattegronden en doorsneden blijkt dat de (vlucht)deuren van de nieuwbouw studio’s voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften. De (vlucht)deuren in de kazerne voldoen aan de minimale breedte conform nieuwbouwvoorschriften, maar de hoogte varieert van 2,1 meter tot 2,3 meter. Daarmee wordt ruim voldaan aan de eisen voor bestaande bouw. Deuren in de vluchtroutes dienen zonder sleutel te openen te zijn. Hier dient bij het sleutelplan rekening te worden gehouden.

3.4

Sterkte bij brand Wettelijk kader In afdeling 2.2 van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de brandwerendheid van de bouwconstructie onder brandomstandigheden. Een bouwconstructie mag niet bezwijken bij een brand in een brandcompartiment, waarin die bouwconstructie niet ligt. De hoogte van de eis ten aanzien van de brandwerendheid is afhankelijk van de ligging van de hoogste vloer van het verblijfsgebied boven het meetniveau. Beoordeling bouwconstructie Brandweerkazerne De hoogste vloer van een verblijfsgebied in de verbouwde brandweerkazerne ligt op 11,46 meter boven meetniveau. Volgens de eisen voor bestaande bouw dient de bouwconstructie ten minste 30 minuten brandwerend te zijn uitgevoerd onder brandomstandigheden. Door de constructeur dienen de benodigde voorzieningen hiervoor te worden bepaald. Nieuwbouw De vloer van het hoogste verblijfsgebied van het plan ligt op 12,19 meter. Dit is hoger dan 7 meter, maar niet hoger dan 13 meter. De bouwconstructie dient een brandwerendheid te bezitten van ten minste 90 minuten onder brandomstandigheden. Door de constructeur zullen hiervoor de benodigde voorzieningen worden bepaald.

Vluchtroute Wettelijk kader Volgens afdeling 2.2 worden eisen gesteld aan de het bezwijken van een vluchtroute onder brandomstandigheden. Een vluchtroute dient ten minste 30 minuten (20 minuten bij bestaande bouw) in stand te worden gehouden bij een brand in een subbrandcompartiment, waarin de vluchtroute niet ligt. Beoordeling bouwconstructie vluchtroute Wanneer de brandscheidingen in de kazerne en het nieuw te bouwen woongebouw ten minste respectievelijk 30 en 60 minuten in stand worden gehouden, wordt automatisch voldaan aan voornoemde eis.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 12

3.5

Materiaalgedrag Buitenoppervlak Wettelijk kader In afdeling 2.9 van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de materialisering van het buitenoppervlak in relatie tot de brandklasse. De zijden van constructieonderdelen van de nieuwbouw, die grenzen aan de buitenlucht (uitgezonderd het dak), dienen te voldoen aan: Dichte geveldelen tot 2,5 meter boven meetniveau: brandklasse B. Dichte geveldelen tussen 2,5 meter en 13 meter boven meetniveau: brandklasse B (randvoorwaarde NEN 6068 in verband met brandoverslag) Deuren, ramen en kozijnen: brandklasse D. Voor de bestaande bouw geldt dat de zijden van constructieonderdelen van het plan, die grenzen aan de buitenlucht (uitgezonderd het dak), dienen te voldoen aan brandklasse D (voorheen brandklasse 4). De brandklasse dient te worden bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elk afzonderlijke ruimte hoeft niet aan de eisen met betrekking tot de brandklasse te voldoen. Door middel van kwaliteitsverklaringen dient te worden aangetoond dat de toegepaste materialen voldoen aan de eisen met betrekking tot de brandklasse. Beoordeling materialisering buitenoppervlak Brandweerkazerne Met gangbare bouwmaterialen kan zonder meer worden voldaan aan brandklasse D. De buitengevel bestaat voornamelijk uit metselwerk en houten kozijnen voorzien van glas.

Hiermee wordt voldaan aan de gestelde eisen. Nieuwbouw De buitengevel bestaat voornamelijk uit metselwerk en houten en kunststof kozijnen voorzien van glas. Met steenachtige materialen wordt voldaan aan brandklasse B. Met houten en kunststof kozijnen kan voldaan worden aan brandklasse D. Dit dient middels kwaliteitsverklaringen aangetoond te worden.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 13

Brandgevaarlijk dak Wettelijk kader Volgens afdeling 2.9 van het Bouwbesluit word voor de nieuwbouw eisen gesteld aan de materialisering van het dakoppervlak. De eisen zijn afhankelijk van de hoogst gelegen vloer in het plan en de afstand van het plan tot de perceelgrens. Beoordeling brandgevaarlijk dak Brandweerkazerne Voor de bestaande bouw gelden geen eisen aan de brandwerendheid van het dak. Nieuwbouw Binnen het nieuw te bouwen woongebouw zijn voor personen bestemde vloeren hoger dan 5 meter boven het meetniveau gelegen. Bovendien ligt het dak van het plan op minder dan 15 meter van de perceelsgrens. Dit betekent dat het dak niet-brandgevaarlijk uitgevoerd moet worden, bepaald overeenkomstig NEN 6063. Aan de hand van kwaliteitsverklaringen dient aangetoond te worden dat het dak voldoet aan de eisen met betrekking tot de brandgevaarlijkheid.

Binnenoppervlak Wettelijk kader Conform de nieuwbouwvoorschriften worden in afdeling 2.9 van het Bouwbesluit eisen gesteld aan de materialisering van het binnenoppervlak in relatie tot de brand- en rookklasse. De zijden van constructieonderdelen die niet grenzen aan de buitenlucht, dienen te voldoen aan: Extra beschermde vluchtroute (vluchttrappenhuizen): ‒ Wanden en plafonds: brandklasse B en rookklasse s2. ‒ Beloopbaar vlak (vloeren en trappen): brandklasse Cfl en rookklasse s1fl. Overige ruimten: ‒ Wanden en plafonds: brandklasse D en rookklasse s2. ‒ Beloopbaar vlak (vloeren en trappen): brandklasse D fl en rookklasse s1fl. Voor de bestaande bouw geldt dat de zijden van constructieonderdelen van het plan, die grenzen aan de buitenlucht (uitgezonderd het dak), dienen te voldoen aan brandklasse D (voorheen brandklasse 4) en rookklasse s2. De wanden en het plafond van een extra beschermde vluchtroute bij bestaande bouwen dienen te voldoen aan brandklasse B en rookklasse s2. Het beloopbare vlak bestaat uit materialen welke voldoen aan brandklasse Dfl. De brand- en rookklasse dienen te worden bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elk afzonderlijke ruimte hoeft niet aan de eisen met betrekking tot de brand- en rookklasse te voldoen.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 14

Beoordeling materialisering binnenoppervlak Brandweerkazerne Met gangbare bouwmaterialen kan worden voldaan aan brandklasse D en s2. Bij de materialisering in het trappenhuis (extra beschermde vluchtroute) dient rekening te worden gehouden met een strengere eis ten aanzien van de brand- en rookklasse. De wand- en plafondoppervlakte van de extra beschermde vluchtroutes dienen uitgevoerd te worden met materialen welke voldoen aan brandklasse B en rookklasse s2. Het beloopbare vlak dient te bestaan uit materialen welke voldoen aan brandklasse Dfl. Dit dient door middel van kwaliteitsverklaringen aangetoond te worden. Nieuwbouw Met gangbare bouwmaterialen kan worden voldaan aan brandklasse D en s2. De wanden en het plafond in het trappenhuis (extra beschermde vluchtroute) dienen te voldoen aan brandklasse B. De vloer van het vluchttrappenhuis dient te voldoen aan brandklasse C fl. Voor de materialisering van de extra beschermde vluchtroute dient middels kwaliteitsverklaringen te worden aangetoond dat er wordt voldaan.

Schacht, koker of kanaal Binnen het plan zijn verschillende verticale leidingschachten gelegen met een diameter groter dan 0,015 m2 en welke aan meer dan een brandcompartiment grenzen. De binnenzijde van de schachten dienen, over een dikte van ten minste 0,01 meter, te voldoen aan brandklasse A2. Met lichte scheidingswanden, bijvoorbeeld van het type GF 90 RF V/75.1.A kan hieraan worden voldaan.

3.6

Brandveiligheidsinstallaties Noodverlichtingsinstallaties Conform afdeling 6.1 van het Bouwbesluit gelden voor een woonfunctie geen eisen met betrekking tot de noodverlichtingsinstallatie. Wel dient in een besloten ruimte waardoor een (extra) beschermde vluchtroute loopt, te zijn voorzien van een verlichtingsinstallatie die op de vloer en het tredevlak een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux kan geven.

Brandmeld- en ontruimingsinstallaties Wettelijk kader Om ervoor te zorgen dat alle gebruikers in het plan bij brand tijdig worden gealarmeerd, dient er conform afdeling 6.5 van het Bouwbesluit een brandmeldinstallatie te worden voorzien. Dit is onder meer van toepassing op een woonfunctie voor zorg, ongeacht de omvang van de gebruiksoppervlakte. Beoordeling brandmeldinstallatie Brandweerkazerne Aan een (standaard) woonfunctie worden geen eisen gesteld ten aanzien van de aanwezigheid van een brandmeld- en ontruimingsinstallatie. De kazerne hoeft daarom niet voorzien te worden van een brandmeldinstallatie.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 15

Nieuwbouw Het nieuwe woongebouw heeft een ‘woonfunctie voor zorg’ als gebruiksfunctie. Voor een groepszorgwoning voor zorg op afroep geldt dat, ongeachte de omvang van de gebruiksoppervlakte, een brandmeldinstallatie met volledige bewaking aanwezig moet zijn. Hiermee wordt een bewakingsvorm bedoeld waarbij, behalve de noodzakelijke handmelders, alle ruimten in het gebouw worden voorzien van één of meer automatische brandmelders. Een uitzondering hierop vormen de sanitaire ruimten en opslagruimten met een vloeroppervlakte < 2 m2. De brandmeldinstallatie met volledige bewaking moet een rechtstreekse melding geven naar de zorgcentrale. Een doormelding naar de regionale alarmcentrale (RAC) is in dit geval niet verplicht.

Rookmelders Wettelijk kader Voor een woonfunctie geldt conform afdeling 6.5 dat elke ruimte vanaf de toegang van een verblijfsruimte tot aan de woningtoegangsdeur voorzien dient te worden van een nietioniserende rookmelder. Dit geldt niet voor een woonfunctie met een brandmeldinstallatie. De niet-ioniserende rookmelder is aangesloten op elektriciteit en voldoet aan de primaire inrichtingseisen conform NEN 2555. Bij een open zolder dient op zolder ook een rookmelder te worden voorzien. Beoordeling rookmelders Brandweerkazerne Voor de appartementen in de brandweerkazerne geldt dat elke ruimte in een woonfunctie waardoor gevlucht kan worden om de woningtoegangsdeur te bereiken, voorzien dient te worden van een niet-ioniserende rookmelder conform NEN 2555. In bijlage 2 zijn de rookmelders op tekening weergegeven. Nieuwbouw Het nieuwe woongebouw is voorzien van een brandmeldinstallatie. Derhalve dienen alle ruimten in het gebouw, met uitzondering van de sanitaire ruimten en opslagruimten < 2 m 2, voorzien te worden van één of meer automatische brandmelders conform NEN 2535.

3.7

Bestrijding van brand Brandslanghaspels Wettelijk kader Conform afdeling 6.7 van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de aanwezigheid van brandslanghaspels, waarmee een dekkend patroon verkregen wordt. De gecorrigeerde afstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer, mag niet groter zijn dan de lengte van de brandslang (30 meter) vermeerderd met 5 meter. Voor zover daarin niet reeds voldoende door de aanwezigheid van brandslanghaspels is voorzien, dienen voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen aanwezig te zijn om een beginnende brand zo snel mogelijk door in het gebouw aanwezige personen te laten bestrijden.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 16

De statische druk van een brandslanghaspel mag niet minder dan 100 kPa bedragen. De capaciteit dient ten minste 1,3 m³/h te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels, die zijn aangesloten op dezelfde voorziening voor drinkwater. De brandslanghaspel dient niet te liggen in een ruimte met een trap waarover een beschermde vluchtroute voert. Beoordeling plan Kazerne Aan een (standaard) woonfunctie worden geen eisen gesteld ten aanzien van de aanwezigheid van brandslanghaspels. De kazerne hoeft derhalve niet van brandslanghaspels voorzien te worden. Nieuwbouw Bij een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte > 500 m2 zijn brandslanghaspels verplicht. Dit is van toepassing op het woongebouw met de studio’s. Een brandslanghaspel mag niet liggen in een ruimte met een trap waarover een (extra) beschermde vluchtroute voert. Derhalve mogen geen brandslanghaspels gesitueerd worden in het trappenhuis met de gemeenschappelijke verkeersruimte. Het is niet wenselijk om iedere studio te voorzien van een eigen brandslanghaspel. Daarom wordt uitgeweken naar de mogelijkheid om de studio’s te voorzien van een draagbaar (of verrijdbaar) blustoestel. Voor een overige gebruiksfunctie (bergruimte en technische ruimte) zijn brandslanghaspels niet verplicht. Voor een kantoorfunctie < 500 m2 (spreekkamer) is een brandslanghaspel ook niet verplicht.

Bluswatervoorziening Wettelijk kader Volgens afdeling 6.7 van het Bouwbesluit dient in de directe nabijheid van het plan een openbare bluswatervoorziening aanwezig te zijn. De afstand tussen een bluswatervoorziening en de brandweeringang bedraagt ten hoogste 40 meter. Beoordeling plan Bij de lokale brandweer dient nagegaan te worden of in de nabijheid van het plan voldoende openbare bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Wanneer dit niet het geval is, dient te worden voorzien in niet-openbare bluswatervoorzieningen. Indien niet-openbare bluswatervoorzieningen noodzakelijk blijken te zijn, dient in overleg met de lokale brandweer te worden bepaald waar deze bluswatervoorzieningen gerealiseerd dient te worden.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 17

Opstelplaatsen voor blusvoertuigen Wettelijk kader Conform afdeling 6.8 van het Bouwbesluit mag de afstand tussen een bluswatervoorziening en een brandweeringang maximaal 40 meter bedragen. De opstelplaats (maar ook de rijlopers van de openbare weg naar deze opstelplaats) moet voldoen aan: een breedte > 4,5 meter; een breedte van de verharding > 3,25 meter, die geschikt is voor een voertuig met een massa van 14.600 kg; en een vrije hoogte > 4,2 meter. Een opstelplaats voor een brandweervoertuig moet altijd vrijgehouden worden, zodat hulpverleningsdiensten er altijd gebruik van kunnen maken. Beoordeling De brandweer kan vanaf de openbare weg het plan bereiken en derhalve is er geen verbindingsweg of aparte opstelplaats noodzakelijk. Het bevoegd gezeg kan hierover anders beslissen.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 18

4

BOUWAKOESTIEK

4.1

Bescherming tegen geluid van buiten Wettelijk kader In afdeling 3.1 van het Bouwbesluit word aan de nieuwbouw eisen gesteld aan de karakteristieke geluidswering (GA,k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied. Deze karakteristieke geluidswering mag niet kleiner zijn dan het verschil tussen de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai en 33 dB met een minimum van 20 dB. De karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie dient te worden bepaald volgens NEN 5077. Hierbij mag de karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte 2 dB lager zijn dan de karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie van het verblijfsgebied, waarin de verblijfsruimte ligt. Beoordeling geluidwering gevel In het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek opgenomen van DPA Cauberg-Huygen waarruit blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer, niet meer dan 48 dB bedraagt. Dat betekent dat de karakteristieke geluidswering moet voldoen aan een minimum van 20 dB. De opbouw van de gevel betreft een traditionele spouwconstructie met ventilatieroosters in de gevel. Wanneer de ventilatieroosters een geluidsisolatiewaarde (Ra) van ten minste 25 dB hebben, wordt aan de vereiste geluidwering voldaan.

4.2

Bescherming tegen geluid van installaties Wettelijk kader In artikel 3.2 van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan het karakteristiek installatiegeluidsniveau in een verblijfsgebied van een woonfunctie. Voor nieuwbouw geldt dat het karakteristieke installatie-geluidsniveau (LI,A,k) maximaal 30 dB in een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie mag bedragen ten gevolge van een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift. Daarnaast worden binnen een woonfunctie eisen gesteld aan het installatiegeluid van de eigen installatie. Het karakteristieke installatiegeluid (LI,A,k) mag maximaal 30 dB in een verblijfsgebied bedragen ten gevolge van een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking en warmterugwinning. Voor de karakteristiek installatie-geluidsniveau in een verblijfsgebied is een specifiek niveau omschreven voor verbouw. Deze ligt 10 dB hoger dan de nieuwbouwvoorschriften.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 19

Beoordeling installatiegeluid Brandweerkazerne Strikt genomen geldt dat het karakteristieke installatiegeluid (LIA;K) van de gebouwgebonden installaties maximaal 40 dB mag bedragen. Geadviseerd wordt om te voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften. Uitgangspunt is dat de woningen geventileerd worden op basis van mechanische toevoer en mechanische afvoer. Hiervoor is in de woning een wtw-unit opgesteld in de berging/techniekruimte. Bij appartement 1 t/m 6 en bij appartement 10 komt de deur van de techniekruimte uit in de hal of overloop. Bij appartement 3, 7 en 8 komt de deur van de techniekruimte uit in verblijfsruimte van de woonkamer/keuken. Bij appartement 9 is de techniekruimte op zolder gesitueerd, met de deur richting de slaapkamer. Om het karakteristieke installatiegeluid (LIA;K) ten gevolge van de wtw-unit te beperken tot maximaal 30 dB in een verblijfsruimte, dienen bij appartement 1 t/m 6 en bij appartement 10 de volgende maatregelen getroffen te worden: De wtw-unit wordt bevestigd aan een wand met een oppervlaktemassa van ten minste 200 kg/m2 (bijvoorbeeld 120 mm kalkzandsteen), aan een schachtwand, of opgehangen aan een vrijstaande frame-constructie. De deur van de berging is een standaard opdekdeur en onderspleet van maximaal 2cm.

De wanden van de berging bestaan uit 70mm GIBO gipsblokken (type zwaar) of 100mm gipskartonwand met tweezijdig een enkele gipsbeplating van 12,5 mm. Voor zover een van de wanden direct grenst aan een verblijfsruimte moet deze zwaarder uitgevoerd worden; met 100 mm kalkzandsteen of vergelijkbaar. De afzuigventilator wordt voorzien van een geluidsdempende slangen (> 1 meter). De luchtsnelheid in de kanalen bedraagt maximaal 5 m/s. Om het karakteristieke installatiegeluid (LIA;K) ten gevolge van de wtw-unit in een verblijfsruimte te beperken tot maximaal 30 dB, dienen bij appartement 3, 7, 8 en 9 (waar de deur uitkomt in een verblijfsruimte) de volgende extra maatregelen getroffen te worden: De installaties en de geluidsdempende slangen dienen in een bouwkundige kast te komen. De wanden van de kast kunnen opgebouwd worden met 22 mm multiplex, dubbele gipskartonbeplating of gelijkwaardig. De kast kan worden voorzien van een standaard opdekdeur voor het plegen van onderhoud. De afstand tussen de installaties en de wanden van de kast dient minimaal 100 mm te zijn. De afstand tussen de voorzijde van de wtw-unit en de deur van de bouwkundige kast dient minimaal 300 mm te zijn. De deur van de berging zelf dient, in plaats van een standaard opdekdeur, te bestaan uit massief multiplex van 25 kg/m2, voorzien van onderafdichting.

Er kan bij appartement 3, 7, 8 en 9 ook gekozen worden voor een standaard opdekdeur in de bergingen (in plaats van massief multiplex van 25 kg/m2). In dat geval zal het karakteristieke installatiegeluid (LIA;K) ten gevolge van de wtw-unit beperkt worden tot maximaal 35 dB in een verblijfsruimte. Voor bestaande bouw wordt daarmee voldaan.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 20

Nieuwbouw Voor de studio’s in het nieuwe woongebouw geldt dat geventileerd wordt op basis van natuurlijke toevoer en mechanische afvoer. De ventilatorbox zal geplaatst worden in de berging, die met de deur uitkomt in de zit-/slaapkamer. Daar dienen de volgende maatregelen getroffen te worden: De ventilatorbox wordt bevestigd aan een wand met een oppervlaktemassa van ten minste 200 kg/m2 (bijvoorbeeld 120 mm kalkzandsteen), aan een schachtwand, of opgehangen aan een vrijstaande frame-constructie. De deur van de berging bestaat uit een standaard opdekdeur, met een onderspleet van max. 2 cm ten behoeve van de ventilatie. De wanden van de berging bestaan uit 70mm GIBO gipsblokken, 100mm gasbeton of 100mm gipskartonwand met tweezijdig een enkele gipsbeplating van 12,5 mm. De afzuigventilator wordt voorzien van een geluidsdempende slangen (> 1 meter). De luchtsnelheid in de kanalen bedraagt maximaal 5 m/s. De installaties en de geluidsdempende slangen dienen geplaatst te worden in een bouwkundige kast van 15 mm multiplex, een enkele gipsbeplating van 12,5 mm, of gelijkwaardig. De kast kan worden voorzien van een (houten) luikje of deur voor het plegen van onderhoud. De afstand tussen de installaties en de wanden van de kast dient minimaal 100 mm te zijn. Bij bovenstaande maatregelen is uitgegaan van een standaard ventilatorbox.

Wanneer de werkelijk installatie bekend is, kan eventueel aanvullend onderzoek gedaan worden naar de benodigde voorzieningen.

Liftinstallaties Ook voor de liftinstallatie geld dat het karakteristieke installatiegeluidsniveau (LI,A,k) maximaal 30 dB mag bedragen in een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie. Bij de voormalige brandweerkazerne is geen lift aanwezig. In het nieuw te bouwen woongebouw is wel een lift aanwezig, waarvan de liftschacht grenst aan de verblijfsruimte van acht studio’s. De liftinstallatie brengt onder normaal functioneren een bepaalde hoeveelheid lucht- en contactgeluid voort. Bij voorkeur dient de geluidsdemping bij de bron plaats te vinden. De bouwkundige constructie dient het geluidsniveau van de lift voldoende te dempen tot het maximale niveau van de geluidsbelasting die voor verblijfsgebieden zijn toegestaan. In tabel 6 volgt de benodigde dikte van de wanden en vloeren. Tabel 6

Benodigde constructieve massa’s en constructiedikten

Il;A;k = 30 dB(A) (Bouwbesluit 2012)

Minimaal benodigde massa en benodigde constructiedikte Vereist

Opmerkingen

Schachtwand gelegen aan verblijfsruimte

280 mm beton

Bij akoestische ontkoppeling is mogelijk een lichtere opbouw toepasbaar

Schachtwand gelegen aan verkeersruimte

250 mm beton

Bij akoestische ontkoppeling is mogelijk een lichtere opbouw toepasbaar

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 21

Beoordeling liftinstallatie De schachtwand wordt uitgevoerd in 300 mm kalkzandsteen. Hoogbouwelementen hebben een volumieke massa van ≥ 2.200 kg/m3. Daarmee wordt voldaan aan de minimaal benodigde massa. Ter beperking van de geluidshinder van de liftinstallatie gelden aanvullend de volgende aandachtspunten: De liftschacht ontkoppelen ten opzichte van de vloeren van de verblijfsruimten. De geleiding van de liftkooi moet plaatsvinden met leidsloffen voorzien van kunststofvoering of eventueel geleiderollen met rubber of kunststof loopvlak. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het stellen van de geleiderails. Indien metaalplaat wordt toegepast voor de vloer en wanden van de liftkooi dient deze te worden gedempt (ontdreund), voor zover er aanstoting van de metaalplaat vanuit de kooi mogelijk is. Als liftdeuren (kooi- en schachtdeuren) dienen schuifdeuren te worden toegepast. Voor het sluiten en vergrendelen van de deuren moeten systemen worden toegepast, die geen overmatig geluid produceren. Het sluitsysteem van de deuren dient een geleidelijk snelheidsverloop te hebben. Na enige tijd kunnen de geleiderails enigszins ontzet raken, wat na stelling van de geleiderails noodzakelijk maakt. De geleiderails moeten daarom nastelbaar worden uitgevoerd. Onvoldoende onderhoud en slijtage van de onderdelen heeft een nadelige invloed op de door de installatie veroorzaakte geluidsniveau.

Het verdient daarom ook uit akoestisch oogpunt aanbeveling regelmatig onderhoud te plegen en versleten onderdelen te vervangen.

4.3

Beperking galm gemeenschappelijke verkeersruimte Wettelijk kader Voor nieuwbouw woningen is het toetsingscriterium voor de nagalmberekening vermeld in afdeling 3.3 van het Bouwbesluit. In afdeling 3.3 wordt gesteld dat de getalswaarde van de in NEN 5078 bedoelde geluidsabsorptie van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte die is bestemd voor het ontsluiten van een in een woongebouw gelegen woningen, ter beperking van geluidshinder in aan die verkeersruimte grenzende woningen, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1000 en 2000 Hz, uitgedrukt in m² en bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk moet zijn aan 1/8 van de getalswaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m³. Uitgaand van afdeling 3.3 zijn de volgende ruimten van belang ter beperking van galm: gemeenschappelijke verkeersruimten; trappenhuizen gelegen aan een woonfunctie.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 22

Voor de genoemde gemeenschappelijke besloten verkeersruimten wordt gerekend met de volgende akoestische uitgangspunten: minimaal vereiste absorptie 1/8 van het volume; harde vloer, bordes en trap; harde wanden; situering benodigd absorptiemateriaal aan de onderzijde tegen het plafond. Formeel gelden de eisen niet voor bestaande bouw. Geadviseerd wordt om ook bij de voormalige brandweerkazerne te voldoen aan nieuwbouwvoorschriften. Beoordeling galm gemeenschappelijke verkeersruimte Uit de berekeningen blijkt dat aanvullende absorptie noodzakelijk is om aan afdeling 3.3 van het Bouwbesluit te voldoen. In tabel 7 worden de minimaal benodigde absorptiecoëfficiënten weergegeven van het toe te passen materiaal welke tegen het plafond aanwezig moet zijn. Tabel 7

Benodigde absorptiecoëfficiënten van het materiaal per ruimte Absorptiecoëfficiënt per frequentieband

Ruimte

Situering absorptie

250 Hz

500 Hz

1000 Hz

2000 Hz

verkeersruimte begane grond studio’s

plafond (volledig)

0,35

0,35

0,35

0,35

verkeersruimte verdiepingen studio’s

plafond (volledig)

0,43

0,43

0,43

0,43

verkeersruimte begane grond kazerne

plafond (volledig)

0,41

0,41

0,41

0,41

verkeersruimte 1 verdieping kazerne

plafond (volledig)

0,60

0,60

0,60

0,60

verkeersruimte 2e verdieping kazerne

plafond (volledig)

0,27

0,27

0,27

0,27

e

De berekening van de minimaal benodigde absorptiecoëfficiënten per frequentieband in relatie met het aantal m² voor de berekende ruimten wordt in bijlage 5 weergegeven. Wanneer in de gemeenschappelijke verkeersruimten en trappenhuizen tegen de onderzijde van het plafond bijvoorbeeld Sonaspray K-13 special 32 mm wordt aangebracht, dan zal aan de gestelde eis zoals genoemd in afdeling 3.3 van het Bouwbesluit worden voldaan. In tabel 8 worden de absorptiecoëfficiënten van diverse oplossingen per frequentieband weergegeven. Tabel 8

Absorptiecoëfficiënt per m2 spuitpleisterwerk

Absorptiemateriaal

Aabsorptiecoëfficiënt per frequentieband 250 Hz

500 Hz

1000 Hz

2000 Hz

Sonaspray K-13 special 25 mm 1)

0,50

0,90

1,00

1,00

Sonaspray FCX-TR special 19 mm 1)

0,45

0,80

0,85

0,85

Sprayplan 30 mm, ondergrond gipskartonplaat 12,5 mm 1)

0,52

0,82

0,95

1,00

Sonaspray K-13 standaard 38 mm

0,65

1,00

1,00

1,00

Sonaspray K-13 special 32 mm

0,60

0,95

1,00

1,00

Spraytherm+ 60 mm 2)

0,80

1,00

1,00

1,00

1) 2)

Geschikt voor toepassing in de verkeersruimte van de studio’s. Spraytherm is een samengesteld pakket bestaande uit een thermisch isolerende celluloseplaat en een geluidsabsorberende spuitafwerking.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 23

Indien akoestisch gezien gelijkwaardig, kunnen andere materialen toegepast worden. Hierbij dient er op gelet te worden dat de absorptiecoëfficiënten groter of gelijk is dan de in tabel 7 genoemde waarden. Indien gewenst kan gezien eventuele betere absorptie eigenschappen van een alternatief materiaal het aantal te bekleden vierkante meters plafond worden verkleind. Voorwaarde is wel dat het materiaal gelijkmatig verdeeld over het plafond wordt aangebracht.

4.4

Geluidsisolatie tussen woonfuncties Wettelijk kader Uit oogpunt van gezondheid stelt het Bouwbesluit in afdeling 3.4 eisen ten aanzien van het karakteristieke luchtgeluidsniveauverschil (DnT;A;k) en gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) tussen gebruiksfuncties naar een woonfunctie en tussen woonfuncties onderling. Conform artikel 3.16 en artikel 3.17 van het Bouwbesluit dient de in NEN 5077 bedoelde karakteristieke luchtgeluidsniveauverschil (DnT;A;k) en de in die norm bedoelde gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) tussen een besloten ruimte van een woning en een niet tot die woning behorend verblijfsgebied alsmede tussen een besloten ruimte van een woongebouw en een in een woning gelegen verblijfsgebied, ter beperking van geluidshinder in het verblijfsgebied, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan respectievelijk DnT,A,K > 52 dB en LnT,A,K < 54 dB. Beoordeling geluidsisolatie tussen woonfuncties Brandweerkazerne In de bestaande situatie van de kazerne zijn geen woningscheidende wanden aanwezig. De woningscheidende wanden worden nieuw geplaatst, en zullen bestaan uit een spouwconstructie van twee lichte scheidingswanden. Geadviseerd wordt om een dubbele metalstudwand toe te passen, bijvoorbeeld van het type GF 205/2.75*75.2.AA met Rw = 61 dB. Daarmee wordt voldaan aan nieuwbouwniveau. De bestaande houten vloerconstructie wordt gehandhaafd.

Voor deze vloeren wordt geadviseerd een zwevende dekvloer toe te passen, met de volgende opbouw van boven naar beneden: Een droge zwevende dekvloer (2 E 32 van Fermacell o.g.) op 20 mm egalisatiekorrels. Bestaande houten vloerdelen. Bestaande houten balklaag met daartussen 100 mm steenwol (30 kg/m3). 12,5 mm gipsvezelplaat (o.g.) tegen de bestaande houten balklaag. Trillingsarme afhangers (dubbel CD‐60‐27 systeem). 1 x 12,5 mm gipsvezelplaat (o.g.). Belangrijk is dat de vloer ter plaatste van de nieuwe woningscheidende wanden wordt gedilateerd (eventueel nieuwe balken aanbrengen om de dilatatie van de planken op te vangen). Indien de woningscheidende wand boven een balk gesitueerd is dient de balk eveneens gedilateerd te worden of de woningscheidende wand iets verplaatst te worden tot niet boven een balk. Indien de vloer wordt gedilateerd kan aan de nieuwbouweisen voldaan worden.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 24

In tabel 9 zijn oplossingen gepresenteerd waarmee voldaan kan worden aan de geldende eisen van het Bouwbesluit met betrekking tot het karakteristieke luchtgeluidsniveauverschil (DnT;A;k) en gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) conform NPR5070; 2005. Tabel 9

Benodigde constructieve massa’s en constructiedikten

DnT;A;k  52 dB en LnT;A < 54 dB

Minimaal benodigde massa en benodigde constructiedikte Vereist

Benodigd

Actie

800 kg/m²

300 beton + 50 cementvloer

geen, voldoet

-

190 mm beton + verende laag 20 mm + zandcement dekvloer 50 mm

geen, voldoet

woningscheidende wand

525 kg/m²

300 kalkzandsteen

geen, voldoet

dragende binnenwand

350 kg/m²

214 kalkzandsteen

n.v.t.

woningscheidende vloer (massief) woningscheidende vloer (zwevende vloer)

Nieuwbouw Uit de tekening blijkt dat de opbouw van de woningscheidende wanden monolithisch zijn. Deze zijn opgebouwd uit 300 mm kalkzandsteen, waarmee wordt voldaan. De woningscheidende vloeren bestaan uit 230 mm beton met een verende laag van 20 mm en een cementdekvloer van 70 mm. Hiermee wordt voldaan aan de eis. Voor een goed presterende zwevende dekvloer is een goede uitvoering essentieel. De uitvoering van de zwevende dekvloer dient te geschieden conform de voorschriften uit de NPR 5070 “geluidwering in woongebouwen” en de SBR publicatie “zwevende dekvloeren”. Belangrijke aandachtspunten zijn: Contactbruggen tussen de dragende constructie en de dekvloer moet worden vermeden. Hiervoor dienen kantstroken te worden toegepast, zodat de dekvloer vrij wordt gehouden van de opgaande (dragende) wanden en leidingdoorvoeringen. De kantstroken dienen ten minste 5 mm dik te zijn en een dynamische stijfheid te bezitten van maximaal 100 MN/m3. Er dient te worden voorkomen dat de afwerkvloer in contact komt met de opgaande (scheidings)wanden, zodat niet alsnog contactbruggen ontstaan langs de randen. Dragende wanden dienen op de basisvloer te worden geplaatst. De licht uitgevoerde binnenwanden mogen op de zwevende dekvloer worden geplaatst. De zwevende vloer dient wel akoestisch ontkoppeld te worden.

4.5

Wering luchtgeluid besloten gemeenschappelijke verkeersruimte Wettelijk kader Voor gevels gelegen aan een besloten gemeenschappelijke verkeersruimten gelden dezelfde geluidseisen als gesteld voor de constructies tussen woonfuncties. Dit betekent dat de in NEN 5077 bedoelde karakteristieke luchtgeluidsniveauverschil (DnT;A;k) en de in die norm bedoelde gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) tussen een besloten ruimte van een woongebouw en een in een woning gelegen verblijfsgebied, ten minste gelijk moeten zijn aan respectievelijk DnT,A,K > 52 dB en LnT,A < 59 dB.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 25

Conform de NPR 5070 wordt de besloten gemeenschappelijke verkeersruimte afgescheiden van de woonfunctie middels een massieve scheidingswand met een massa van ten minste 525 kg/m2. Beoordeling Brandweerkazerne Bij verbouw gelden formeel geen eisen. Er wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Geadviseerd wordt om te voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften. De wanden van de appartementen die aan de gemeenschappelijke verkeersruimte grenzen en nieuw geplaatst worden, worden op vergelijkbare wijze uitgevoerd als de woningscheidende wanden. Daarmee wordt aan het nieuwbouwniveau voldaan. De bestaande wanden die gehandhaafd blijven (grenzend aan appartement 1, 2 en 4 bij de entree, en bij appartement 5 en 7) worden aan de zijde van het appartement voorzien van een voorzetwand. Geadviseerd wordt om ter plaatse van appartement 4 (waar de bestaande wand aan een verblijfsruimte grenst) een voorzetwand te plaatsen van het type PSA 42 dB V/27.1.A +5 bestaande uit 15 mm Gyproc dB geluidsisolerende gipskartonplaat met 40 mm glaswol, of gelijkwaardig. Daarmee wordt een DnT,A,K > 52 dB gerealiseerd. De woningtoegangsdeuren dienen uitgevoerd te worden in een deur met een massa van 25kg/m2, voorzien van goede enkele kierdichting (invering minimaal 4 mm) en automatische valdorpel. De deur wordt voorzien van een knevelende driepuntsluiting over een diepte van ten minste 4 mm.

Met een woningtoegangsdeur van bijvoorbeeld KegroPro 30 (o.g.) kan aan voornoemde eisen worden voldaan. De deur tussen de hal van het appartement en een verblijfsruimte van het appartement kan worden uitgevoerd als een standaard opdekdeur, maar met enkele kierdichting in de sponning van het kozijn. Onder de binnendeur mag een spleet van maximaal 20 mm voorkomen ten behoeve van ventilatie. Een eventueel bovenlicht heeft een glasdikte van minimaal 4 mm dat kierdicht in de sponningen wordt geplaatst en vol en zat is afgekit. Bij appartement 8 van de voormalige brandweerkazerne is geen hal aanwezig tussen de woningtoegangsdeur en de woonkamer/keuken. Om aan nieuwbouweisen te voldoen, dient deze woningtoegangsdeur zwaarder uitgevoerd te worden. Nieuwbouw Uit de tekening blijkt dat de opbouw van de woningscheidende wanden monolithisch zijn. Deze zijn opgebouwd uit 300 mm kalkzandsteen, waarmee wordt voldaan. De woningtoegangsdeuren dienen, net als bij de voormalige kazerne, uitgevoerd te worden in een deur met een massa van 25kg/m2, voorzien van goede enkele en automatische valdorpel. De deur wordt voorzien van een knevelende driepuntsluiting over een diepte van ten minste 4 mm. De deur tussen de hal van het appartement en een verblijfsruimte van het appartement kan worden uitgevoerd als een standaard opdekdeur, maar met enkele kierdichting in de sponning van het kozijn.

Onder de binnendeur mag een spleet van maximaal 20 mm voorkomen ten behoeve van ventilatie. Een eventueel bovenlicht heeft een glasdikte van minimaal 4 mm dat kierdicht in de sponningen wordt geplaatst en vol en zat is afgekit.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 26

4.6

Geluidsisolatie binnen woonfuncties Wettelijk kader De eisen ter aanzien van de geluidswering van scheidingswanden en vloeren tussen verblijfsruimten in dezelfde woonfuncties zijn vermeld afdeling 3.4 van het Bouwbesluit Conform artikel 3.17a van het Bouwbesluit dient de in NEN 5077 bedoelde karakteristieke luchtgeluidsniveauverschil (DnT;A;k) en de in die norm bedoelde gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) tussen verblijfsruimten binnen dezelfde woning ten minste respectievelijk DnT,A,K > 32 dB en LnT,A,K < 79 dB te bedragen. Deze eis geldt niet indien de verblijfsruimten met elkaar in open verbinding staan, of indien de ene ruimte vanuit de ander rechtstreeks bereikbaar is via een deuropening. Beoordeling Bij de voormalige kazerne zijn geen gesloten scheidingswanden aanwezig tussen de woonkamer/keuken en slaapkamer. In het nieuwe woongebouw tussen de gezamenlijke eetkamer en de slaap- en spreekkamer op de begane grond is een interne scheidingswand aanwezig waarvoor deze eis van DnT,A,K > 32 dB geldt. De nieuwbouw studio’s bestaan uit één verblijfsruimte met een zit-/slaapkamer. Hier zijn geen interne scheidingswanden tussen de verblijfsruimten aanwezig.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 27

5

(SPUI)VENTILATIE EN DAGLICHT

5.1

Luchtverversing verblijfsgebieden en verblijfsruimten Conform afdeling 3.6 van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan luchtverversing van verblijfsgebieden en verblijfsruimten. In tabel 10 zijn de eisen samengevat. De luchtverversing dient te worden bepaald overeenkomstig NEN 1087. Tabel 10

Eisen luchtverversing verblijfsgebieden en verblijfsruimten

Gebruiksfunctie

Subfunctie

Verblijfsgebied

Eisen [dm3/s] VerblijfsMinimum ruimte

Woonfunctie (nieuwbouw)

-

0,9 / m2

0,7 / m2

7,0

Woonfunctie (bestaande bouw)

-

-

0,7 / m2

7,0

De toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied vindt voor ten minste 50 % rechtstreeks van buiten plaats. Verder dient de afzuigingvoorziening voldoende capaciteit te bezitten om ten minste 70% van de ventilatiecapaciteit van het totaal aan verblijfsgebieden in een afzonderlijke woonfunctie gelijktijdig te kunnen afzuigen. In een toiletruimte, badruimte of opstelplaats voor een kooktoestel, dient de capaciteit ten minste respectievelijk 7,0 dm3/s, 14,0 dm3/s en 21,0 dm3/s te bedragen. De afvoer dient rechtstreeks naar buiten plaats te vinden. Verder dienen de toe- en afvoervoorzieningen ten minste op een afstand van meer dan 2 meter van de perceelsgrens te liggen. Aanvullend wordt geadviseerd om in de volgende ruimten een afvoervoorziening te realiseren met de aangegeven capaciteit: berging met een opstelplaats voor een wasmachine: 14 dm3/s; berging en techniekkast: capaciteit 7 dm3/s. Dit is echter niet mogelijk bij appartement 7, 8 en 9 indien de deur van de techniekruimte/berging voorzien wordt van onderafdichting. De ventilatieberekeningen worden weergegeven in bijlage 6. Uit de berekeningen blijkt dat voor alle verblijfsgebieden en verblijfsruimtes wordt voldaan aan bovenstaande eisen.

5.2

Luchtverversing overige ruimten Wettelijk kader Conform afdeling 3.6 van het Bouwbesluit worden tevens eisen gesteld aan luchtverversing van overige ruimten in het plan. In tabel 11 zijn de eisen samengevat. De luchtverversing dient te worden bepaald overeenkomstig NEN 1087.

20154972.R01.V03 / Definitief / 11 december 2020 28

Tabel 11

Eisen luchtverversing overige ruimten

Ruimte Besloten gemeenschappelijke verkeersruimte (nieuwbouw) Liftschacht

Eisen [dm3/s] Ventilatiecapaciteit Minimum 0,5 / m2 vloeroppervlak 2 3,2 / m vloeroppervlak

De toevoer- en afvoer van lucht vindt rechtstreeks van respectievelijk naar buiten plaats. De toevoervoorziening zijn hierbij niet afsluitbaar. Beoordeling luchtverversing Brandweerkazerne Voor de gemeenschappelijke verkeersruimten in de voormalige kazerne gelden geen eisen. Wel wordt geadviseerd om het trappenhuis te ventileren met een ventilatiecapaciteit van ten minste 23,6 dm3/s. Nieuwbouw De trappenhuis van het appartementengebouw is een gemeenschappelijke verkeersruimte en dient geventileerd te worden met 0,5 dm3/s per m2. Het totale trappenhuis, inclusief de entreehal, dient een luchtverversing van ten minste 39 dm3/s te hebben. De liftschacht dient een luchtverversing van ten minste 14,3 dm3/s te hebben.

5.3

Spuiventilatie Wettelijk kader Volgens afdeling 3.7 van het Bouwbesluit worden eisen gesteld de spuiventilatie ten behoeve van het snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht. In tabel 12 zijn de eisen samengevat. Tabel 12

Eisen spuiventilatie Eisen [dm3/s] Verblijfsgebied Verblijfsruimte

Gebruiksfunctie

Subfunctie

Woonfunctie (nieuwbouw)

-

6,0 / m2

3,0 / m2

Woonfunctie (bestaande bouw)

-

-

3,0 / m2

De spuiventilatie wordt bepaald overeenkomstig NEN 1087. Volgens nieuwbouwvoorschriften blijven spuiopeningen gemeten op een afstand van minder dan 2 meter van de perceelgrens buiten beschouwing. Voor nieuwbouw geldt bovendien dat ten minste één spuivoorziening een beweegbaar raam is. Een schuifpui wordt conform de Nota van toelichtingen op het Bouwbesluit 2012 ook beschouwd als een beweegbaar raam. Voor bestaande bouw geldt dat zowel een deur als een voorziening voor luchtverversing (ventilatieroosters) meegerekend mogen worden als spuivoorziening, en er geldt geen minimale afstand tot de perceelgrens

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10469567/1