Advies professor mr_ Pieter Kuypers inzake Europese Principles of Good Government.pdf
Tekst van het document
MEMO
AAN
DATUM
Stichting ondersteuning FVD Amsterdam Mr. Drs. Anton van Schijndel Amsterdam
10 juni 2024
VAN
Prof. Mr. Pieter
Advocaat
Kuypers Ayça Kul TELEFOON
+31 88 253 5083
MOBIEL
+32 496 12 21 94
pkuypers@akd.eu
POSTADRES
Advocaat
Marsveldplein 5 1050 Brussel
ONDERWERP
België
Klimaatnotitie en beginselen van Europees rechtINTERNET www.akd.eu
1
INLEIDING
1.1
Forum voor Democratie (hierna ook: ‘FVD’) heeft AKD verzocht om een memorandum op te stellen over de vraag in hoeverre de principles of good administration het uitsluitend gebruik van de United Nations Intergovernmental Panel on Climate Change Reports (hierna ook: ‘IPCCrapporten’) toelaten.
1.2
FVD heeft ter voorbereiding zelf een klimaatnotitie geschreven d.d. 6 juni 2024 waarbij zij de totstandkoming van huidige klimaatpolitiek en klimaatwetgeving ter discussie stelt (hierna ook: ‘Klimaatnotitie’). In de Klimaatnotitie wordt vanuit juridisch perspectief gesteld dat huidige wetgeving niet zorgvuldig (genoeg) tot stand is gekomen, omdat er niet genoeg wetenschappelijke bronnen zijn gebruikt tijdens het opstellen van deze wetgeving.
1.3
Dit memorandum zet uiteen welke eisen er worden gesteld ten aanzien van het gebruik van wetenschappelijke onderbouwingen bij het opstellen van wetgeving en beleid op grond van de Europese beginselen.
1.4
Daarnaast wordt de optie van derdenverzet besproken als mogelijkheid om de gevolgen van de Urgenda-zaak te kunnen aanvechten.
2
MANAGEMENT SAMENVATTING
2.1
Het Europese beginsel van “good administration” is voornamelijk van toepassing op besluiten die gericht zijn op één individu of rechtspersoon. In Nederland wordt de praktijk uitgevoerd door AKD N.V., statutair gevestigd in Rotterdam (ingeschreven in het handelsregister onder nummer 24366820). Alle diensten en (andere) werkzaamheden worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met AKD N.V. Op de overeenkomst zijn, onder uitsluiting van enige andere algemene voorwaarden, de algemene voorwaarden van AKD N.V. van toepassing die zijn gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te Rotterdam onder nummer 22/2023 en waarin onder meer een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Iedere aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende geval onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitbetaald met inbegrip van het bedrag van het eigen risico. Op verzoek worden de algemene voorwaarden kosteloos toegezonden. Zij kunnen ook worden geraadpleegd op https://www.akd.eu/.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 1 van 9
2.2
Op grond van artikel 296, tweede lid VWEU moeten rechtshandelingen met redenen omkleed zijn. In het geval van rechtshandelingen van algemene strekking geldt echter dat in de motivering kan worden volstaan met vermelding van het geheel der omstandigheden die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid en de algemene doelstelling van de handeling. Hieruit volgt dus ook geen plicht om meerdere wetenschappelijke bronnen te gebruiken, of te motiveren waarom deze niet zijn gebruikt.
2.3
De Commissie moet volgens haar eigen interne regels, de Better Regulation Guidelines en Toolbox, in beginsel bij het maken en voorbereiden van beleid en regelgeving meerdere bronnen en gegevens raadplegen. Echter, indien de Commissie daar geen rekening mee houdt, en andere EU-instellingen betrokken bij het wetgevingsproces (Raad of Europees Parlement) dit niet betwisten door een beroep bij het HvJEU wordt een besluit definitief. Er kan in dat geval enkel binnen twee maanden door een natuurlijk persoon of rechtspersoon een beroep worden ingesteld op grond van artikel 263 lid 4 VWEU, waarvoor er hoge drempels gelden voor ontvankelijkheid van het beroep.
2.4
De Europese Unie moet zich in de uitoefening van haar bevoegdheden houden aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Niet-naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kan worden gebruikt als grond om de wettigheid van een Europese maatregel voor de Europese rechter te toetsen.
2.5
Het evenredigheidsbeginsel vereist dat alle maatregelen geïmplementeerd volgens het EU recht geschikt moeten zijn om het gestreefde doel te behalen en niet verder gaan dan nodig is. De rechterlijke toets op dit punt is echter terughoudend, omdat de Europese wetgever veel discretionaire ruimte wordt gelaten. Slechts indien het gaat om een maatregel dat ‘kennelijk ongepast’ (oftewel ’manifestly inappropriate’) is om het doel te bereiken, zal de Europese rechter ingrijpen.
2.6
Daarnaast, moet er wanneer het aankomt op klimaatregelgeving ook rekening worden gehouden met het voorzorgsbeginsel. Dit beginsel is opgenomen in artikel 191 VWEU en is uitgewerkt in de Commissie Mededeling over het voorzorgsbeginsel. Uit jurisprudentie volgt dat ten aanzien van het voorzorgsbeginsel de discretionaire ruimte van de Europese instellingen zal worden gerespecteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, behalve in gevallen dat er sprake is van een ‘manifest error or misuse of power’. Derhalve kan de Europese Unie op basis van het voorzorgsbeginsel wetgeving initiëren in het geval dat er nog wetenschappelijke onzekerheden bestaan.
2.7
Indien maatregelen zijn genomen op basis van ‘onzekere’ wetenschappelijke gegevens, kan het op basis van de interne Guidelines en Toolbox zo zijn dat nieuw wetenschappelijke inzichten de Europese Commissie ertoe aanzetten – hoewel de interne regels niet bindend zijn - de maatregelen aan te passen of te herzien.
2.8
Volgens artikel 3.1 Comptabiliteitswet moeten wetsvoorstellen wetenschappelijk worden onderbouwd. Er geldt derhalve een wettelijke plicht op grond waarvan wetgevingsvoorstellen voldoende onderbouwdbehoren te zijn .
#60771721v1 #60771721v1
pagina 2 van 9
3
ANALYSE
3.1
In het Unierecht is het beginsel van ‘good administration’ geformaliseerd in artikel 41 EU-handvest. Daarnaast geldt het tevens als algemeen beginsel van Unierecht.1 Het beginsel, zoals opgenomen in artikel 41 EU-handvest, is gericht tot de EU-instellingen, organen en instanties. Het bevat het recht om gehoord te worden voordat een besluit wordt genomen, inzage te krijgen in het dossier en een besluit wat met redenen omkleed is. Dit artikel ziet echter op besluiten gericht tot één persoon. De in dit artikel gegarandeerde rechten van good administration worden door het Hof niet van toepassing verklaard op besluiten van algemene strekking.2
3.2
Voorts bestaat er op grond van artikel 296, tweede zin Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna ook: ‘VWEU’) een plicht om rechtshandelingen met redenen te staven en verwijzen naar voorstellen, initiatieven, aanbevelingen, verzoeken of adviezen waarin de Verdragen voorzien. Dit artikel wordt echter in de jurisprudentie zo uitgelegd dat het enkel ziet op de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden in staat worden gesteld om de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel te kennen. Echter, het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd. Ten aanzien van handelingen van algemene strekking kan in de motivering worden volstaan met vermelding van het geheel der omstandigheden die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid, en van de algemene doelstelling van de handeling.3
3.3
Derhalve volgt uit deze bepaling geen grond om te stellen dat er meerdere rapporten moeten worden gebruikt of dat het gebruik van één enkel wetenschappelijk rapport onvoldoende is.
3.4
In 2021 heeft de Europese Commissie (hierna ook: ‘de Commissie’) de ‘Communication Better regulation: Joining forces to make better laws’ gepubliceerd.4 Deze mededeling van de Commissie benadrukt het belang van ‘evidence-informed policymaking’.5 Als uitwerking van deze Communicatie heeft de Commissie de Better Regulation Guidelines opgesteld (hierna ook: ‘Guidelines’). De Guidelines hebben als doel om een kader uiteen te zetten met betrekking tot richtlijnen waaraan Europese wetgeving zou moeten voldoen.6 Hoewel deze regelingen ‘soft law’ en derhalve niet bindend , vormen zij wel het kader op basis waarvan de Commissie toetst of haar wetgeving voldoet aan de kwaliteitseisen.
1
R.J.N Schlössels, Constitutionalisering van behoorlijk bestuur, Jurisprudentie Bestuursrecht plus 11 november 2016.
2
Hof van Justitie EU 17 maart 2011, C-221/09, r.o. 49.
3
Hof van Justitie EU 17 maart 2011, C-221/09, r.o. 59.
4
Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social
Committee and the Committee of the Region, ‘ Better regulation: Joining forces to make better law’ COM(2021) 219 final. 5
Commission staff working document, ‘Better Regulation Guidelines 2021, p. 3.
6
Commission staff working document, ‘Better Regulation Guidelines 2021, p. 3.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 3 van 9
3.5
De Guidelines zijn verder uitgewerkt in 2023 in de Better Regulation Toolbox.7 Dit omvat een praktische uitwerking van de Guidelines, en is tevens een soft law instrument. Het is van toepassing op alle directoraten-generaal die betrokken zijn bij de voorbereiding, implementatie en evaluatie van alle Europese interventies. 8
3.1.1
Uit de Better Regulation Toolbox volgt de definitie van evidence-informed policymaking. Evidence wordt gedefinieerd als: ‘data, information, and knowledge from multiple sources, including quantitative data such as statistics and measurements, qualitative data such as opinions, stakeholder input, conclusions of evaluations, as well as scientific and expert advice. Reliable evidence is based on the appropriate method to collect, interpret, process and transform data and information. The process is also based on transparent accounting of biases and uncertainties’.
3.6
Daarnaast wordt er ook gesteld dat: ‘The evidence gathered should be proportionate and appropriate for informing policy options or addressing the evaluation questions. Evidence should be sufficiently described and be accompanied with factual judgements about its relevance, completeness and reliability. This includes: - acknowledging the existence of various types and sources of data; - clarifying the method used to collect, interpret, process data and transform it into information; - acknowledging possible cognitive biases; and - acknowledging the degree of scientific uncertainty, and assessing in what way this may affect the policy decisions. ‘
3.7
Daaruit volgt dus dat de Commissie volgens haar eigen interne regels in beginsel gehouden is om bij het creëren van beleid en regelgeving meerdere bronnen en gegevens te raadplegen. Daarnaast moet bewijs voldoende omschreven zijn en het moet goed ondersteund worden waarom het van belang is voor de wetgeving. Echter bestaat de kans dat in de situatie dat de Commissie zich niet aan haar eigen richtsnoeren houdt en andere Europese instellingen de handeling van de Commissie niet aanvechten waardoor de handeling definitief wordt. In dat geval is de wetgeving onaantastbaar, tenzij er op grond van artikel 263 VWEU een mogelijkheid bestaat om de rechtshandeling aan te vechten. Op grond van artikel 263 lid 4 VWEU kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wetgeving aanvechten. Een beroep moet binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de handeling worden ingesteld. Voorts moet de verzoeker bewijzen dat de handeling tot hem gericht is of dat de handeling hem rechtstreeks en individueel raakt.9
3.8
Het subsidiariteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel
7
Europese Commissie, Better Regulation toolbox 2023.
8
Europese Commissie, Better Regulation toolbox 2023, p. 8.
9
Hof van Justitie EU 15 juli 1963, zaak no. 25/ 62 (Plaumann) en Hof van Justitie EU 29 juni 2004 C-486/01.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 4 van 9
3.9
De Europese Unie moet zich in de uitoefening van haar bevoegdheden houden aan de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.10 Niet-naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kan als grond worden gebruikt om de wettigheid van een Europese maatregel voor de Europese rechter te toetsen. 11
3.10
Het subsidiariteitsbeginsel stelt in Europese Unie context dat onderwerpen waarbij de Europese Unie geen exclusiviteit kent12, de Europese Unie het beginsel van subsidiariteit moet respecteren en enkel optreden indien dat nodig is.13 Dit betekent dat de Europese Unie alleen mag optreden voor zover het doel van de actie niet effectief bereikt kan worden door de lidstaten zelf.14
3.11
Volgens het evenredigheidsbeginsel moet het interveniëren van de Europese Unie beperkt zijn tot het behalen van de doelen in de Verdragen.15 Dit betekent voor elk initiatief tot wetgeving of beleid de Europese Unie gehouden is rekening te houden met de overweging of de lasten, zowel financieel en administratief, van de Europese Unie, de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en de burgers in verhouding staan tot het doel.16 Het gaat er bij het evenredigheidsbeginsel om dat het beleid past bij de intensiteit van het geïdentificeerd probleem en de doelen. 17 Het evenredigheidsbeginsel schrijft voor dat voorgestelde wetgeving niet mag leiden tot financiële en administratieve gevolgen die verder gaan dan proportioneel is om de wetgevings- en beleidsdoelen te bereiken. Volgens dit beginsel moet beleid en wetgeving van de Europese Unie op een zo kostenefficiënte manier bereikt worden.
3.12
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het evenredigheidsbeginsel een van de algemene beginselen van het Unie recht is, en vereist dat alle maatregelen geïmplementeerd volgens het EU recht geschikt moeten zijn om het gestreefde doel te behalen en niet verder gaan dan nodig is.18 De rechterlijke toets op dit punt is echter terughoudend, omdat de Europese wetgever veel discretionaire ruimte wordt gelaten. Slechts indien het gaat om een maatregel dat ‘kennelijk ongepast’(oftewel ’manifestly inappropriate’) is om het doel te bereiken, zal de Europese rechter ingrijpen.19
3.13
Daarnaast, moet er wanneer het aankomt op klimaatregelgeving ook rekening worden gehouden met het voorzorgsbeginsel. Dit beginsel is opgenomen in artikel 191 VWEU en is uitgewerkt in de
10
Artikel 5 lid 1 Verdrag betreffende de Europese Unie.
11
Protocol Nr.2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, Official Journal 115,
09/05/2008 P. 0206 - 0209 12
Zie artikel 3 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor onderwerpen waar de Europese Unie
Exclusieve bevoegdheid kent. 13
Artikel 5 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie.
14
Artikel 5 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie.
15
Artikel 5 lid 4 Verdrag betreffende de Europese Unie.
16
Europese Commissie, Better Regulation toolbox 2023, p. 35.
17
Europese Commissie, Better Regulation toolbox 2023, p. 35.
18
Hof van Justitie EU, 6 december 2005 C-453/03, C-11/04, C-12/04 and C-194/04, rechtsoverweging 68, Hof van Justitie
EU, 14 december 2004 C-210/03, rechtsoverweging 47. 19
Hof van Justitie EU, 6 december 2005 C-453/03, C-11/04, C-12/04 and C-194/04, rechtsoverweging 69.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 5 van 9
Commissie Mededeling over het voorzorgsbeginsel (hierna ook: ‘Mededeling’).20 Voorts is in artikel 191 lid 2 VWEU bepaald dat de Unie in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming en dat het beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daarnaast is in artikel 191 lid 4 VWEU bepaald dat het Unie beleid moet bijdragen aan de bestrijding van klimaatverandering. Het voorzorgsbeginsel kan door de Europese Unie worden ingeroepen in omstandigheden waarbij er potentieel gevaarlijke gevolgen van een verschijnsel, product of proces zijn vastgesteld maar dat het risico door een wetenschappelijke evaluatie nog met onvoldoende zekerheid kan worden bepaald.21 Het gaat om situaties waarbij er een kans bestaat op serieuze schade, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de vorm en de omvang van de schade. 22 3.14
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft ook ten aanzien van het voorzorgsbeginsel bepaald dat de discretionaire ruimte van de Europese instellingen zal worden gerespecteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, behalve in gevallen dat er sprake is van een ‘manifest error or misuse of power’. 23
3.15
Derhalve kan de Europese Unie op basis van het voorzorgsbeginsel wetgeving initiëren ook wanneer er nog wetenschappelijke onzekerheden bestaan, zolang er met de principes in de Mededeling rekening wordt gehouden. De beoordeling van de evenredigheid van een maatregel die is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.24
3.16
Zo geldt bijvoorbeeld dat het voorzorgsbeginsel voornamelijk wordt ingeroepen in gevallen waarvan de schadelijke gevolgen van een fenomeen pas op lange termijn voorkomen, waardoor het moeilijk is om de oorzaak-gevolgrelatie wetenschappelijk te onderbouwen/bewijzen.25 Om de proportionaliteit van een risico-maatregel in dit kader te beoordelen, moet er gelet worden op de omvang van de potentiële gevolgen op de lange termijn en de vraag of risico’s op lange termijn enkel kunnen worden voorkomen/beperkt door onmiddellijk actie te ondernemen.26 Hierbij wordt niet alleen rekening gehouden met economische overwegingen.27
3.17
Indien maatregelen zijn genomen op basis van ‘onzekere’ wetenschappelijke gegevens, kan het zo zijn dat nieuw wetenschappelijke inzicht/ nieuwe wetenschappelijke gegevens kunnen optreden op basis waarvan de maatregelen gewijzigd moeten worden.28
3.18
Concluderend kan worden gesteld dat het VWEU een grondslag bevat voor de Commissie om maatregelen te nemen die een zo hoog niveau van bescherming van het milieu rechtvaardigen, waarbij dit beleid berust op het voorzorgsbeginsel. Uit de Mededeling van de Commissie volgt dat
20
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def.
21
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def, overweging 4.
22
Europese Commissie, Better Regulation toolbox 2023, p. 101.
23
Hof van Justitie EU, 26 november 2002 T-74/00, rechtsoverweging 173 &201.
24
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def, overweging 6.3.1.
25
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def, overweging 6.3.1.
26
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def, overweging 6.3.1.
27
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def, overweging 6.3.4.
28
Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 def, overweging 6.3.5.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 6 van 9
dit beginsel toelaat dat er maatregelen kunnen worden genomen ook indien er nog onzekerheden bestaan met betrekking tot de gevolgen van een bepaald fenomeen. 3.19
Daarnaast geldt dat betreffende wetgeving die niet zou voldoen aan de te stellen eisen aan EUwetgeving binnen een bepaald termijn, zijnde twee maanden, moeten worden aangevochten. Waarbij er ook de drempel geldt dat indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een besluit van algemene strekking wil laten toetsen aan de Europese rechter, het besluit de natuurlijke persoon of rechtspersoon rechtstreeks en individueel moet raken.
3.20
Nederland
3.21
Sinds 2018 bestaat artikel 3.1 Comptabiliteitswet 2016 (hierna ook: ‘CW 2016’). Dit artikel luidt als volgt: ‘Voorstellen, voornemens en toezeggingen bevatten een toelichting waarin wordt ingegaan op: a.de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd; b.de beleidsinstrumenten die worden ingezet; c.de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren.’
3.22
Daarmee is het dus vereist dat bij het opmaken van wetsvoorstellen onderbouwing wordt gegeven ten aanzien van de te verwachten doeltreffendheid, doelmatigheid en de te verwachten financiële wetgeving van voorgenomen wetgeving.
3.23
In 2021 is er een kritisch rapport verschenen van de Algemene Rekenkamer waarin werd vastgesteld dat aan dit vereiste weinig werd voldaan.29 Zo zouden de doeleinden van beleids- en wetsvoorstellen vaak onvoldoende worden omschreven. 30
3.24
Artikel 3.1 CW 2016 is verder uitgewerkt in het Integraal Afwegingskader (hierna ook: ‘IAK’). Het IAK, is een kader aan de hand waarvan beleidsmedewerkers en wetgevingsjuristen door het beantwoorden van zeven vragen goed beleid en goede regelgeving kunnen realiseren.31 Volgens kabinetsbeleid moet elk beleid en regelgeving dat wordt voorgelegd aan het parlement een uitwerking van deze zeven vragen behelzen.32 Door deze vragen te beantwoorden zou voldaan moeten worden aan artikel 3.1 CW 2016. 33
3.25
De zeven vragen zijn: ‘1. Wat is de aanleiding? 2. Wie zijn betrokken?
29
Algemene Rekenkamer, Inzicht in kwaliteit. Operatie geslaagd?, Den Haag 2021
30
Algemene Rekenkamer, Inzicht in kwaliteit. Operatie geslaagd?, Den Haag 2021
31
Rijksoverheid, Het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving, p.2.
32
Rijksoverheid, Het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving, p.2.
33
Rijksoverheid, Het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving, p.2.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 7 van 9
3. Wat is het probleem? 4. Wat is het doel? 5. Wat rechtvaardigt overheidsinterventie? 6. Wat is het beste instrument? 7. Wat zijn de gevolgen?’34 3.26
Bij de eerste vraag moet er inzicht worden gegeven in de urgentie, de context en het politiek belang van het dossier.35 Over het algemeen moet er uit de beantwoording van deze vragen volgen waarom overheidsinterventie op het voorgestelde punt gerechtvaardigd is.
3.27
Al met al bestaat er op grond van artikel 3.1 CW 2016 een wettelijke grondslag op basis waarvan wetgeving aan bepaalde kwalitatieve eisen moet volden. De Rijksoverheid heeft dit zelf uitgewerkt in het IAK. Aan de hand van dit kader moet wetgeving dus voldoende worden onderbouwd. Daarbij is er redelijkerwijs ruimte om te beargumenteren dat als er nieuwe wetsvoorstellen worden opgesteld ten aanzien van het klimaat, deze toelichting verschaffen over welke wetenschappelijke bronnen er zijn gebruikt en waarom er bepaalde bronnen niet zijn gebruikt. Tevens zou er inzicht in de kosten moeten worden gegeven.
3.28
Derdenverzet tegen de Urgenda-zaak
3.29
Het buitengewone rechtsmiddel derdenverzet wordt in artikel 376 Rv als volgt gedefinieerd: ‘Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest.’
3.30
Er kan sprake zijn van benadeling in de zin van dit artikel als een vonnis constitutief niet is beperkt tot de rechten of verplichtingen van partijen betrokken bij dat vonnis.36 Er geldt geen termijn waarbinnen er derdenverzet moet worden ingesteld, het kan dus ook worden ingesteld tegen een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.37 Derdenverzet schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak niet. Het staat de rechter echter vrij, indien er derdenverzet is ingesteld, de uitvoering van het bestreden vonnis te schorsen totdat hij uitspraak doet in het verzet.38
3.31
De rechter die het bestreden vonnis heeft gewezen moet ook het derdenverzet beoordelen.39 In dit geval zou dat dus de Hoge Raad zijn.40 Het gevolg van derdenverzet is dat de bestreden uitspraak wordt gewijzigd voor zover deze de rechten van derden benadeelt. 41
34
Rijksoverheid, Het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving, p.5.
35
Rijksoverheid, Het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving, p.7.
36
Tekst en Commentaar Burgerlijke rechtsvordering, F.J.P. Lock, A.I.M van Mierlo en C.J.J.C. van Nispen.
37
Tekst en Commentaar Burgerlijke rechtsvordering, F.J.P. Lock, A.I.M van Mierlo en C.J.J.C. van Nispen.
38
Artikel 378 Rv.
39
Artikel 376 Rv.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 8 van 9
3.32
Hierbij kan in het kader van de Urgenda-zaak gedacht worden aan het oprichten van een stichting die opkomt voor de belangen van personen die zijn ‘geraakt’ door de Urgenda uitspraak. Deze stichting zou dan via artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (hierna ook:’BW’) een rechtsvordering, het derdenverzet, kunnen instellen tegen de Urgenda uitspraak en de gevolgen van de Urgenda uitspraak weer ter discussie stellen.
3.33
Het gebruik van dit buitengewone rechtsmiddel komt echter niet frequent voor en wordt zelden toelaatbaar geacht.42
40
Artikel 377 Rv.
41
Artikel 380 Rv.
42
Gras, Hendrikse & Jongbloed, Compendium burgerlijk procesrecht 2024/ paragraaf 10.5.1.
#60771721v1 #60771721v1
pagina 9 van 9