CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies Groei vraagt om groei Amsterdamse Kunstraad 18 okt 2023 (2)

Raadscommissie Financiën, Kunst en Diversiteit 2 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Hoofdlijnen Kunst en Cultuur 2025-2028 (VN2023-021652)5.426 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan wethouder Meliani en de leden van de gemeenteraad Stadhuis, Amstel 1 1011 PN Amsterdam

Betreft: Advies GROEI VRAAGT OM GROEI

18 oktober 2023

‘zonder kunst en cultuur kan Amsterdam niet leven en de bruisende stad zijn die zij is’ ‘onze stad kan niet zonder kunst, cultuur en erfgoed’ ‘de vele makers en culturele instellingen zijn onmisbaar voor onze stad’ ‘het culturele aanbod van Amsterdam is ook van grote waarde voor het vestigingsklimaat’

Citaten uit de Hoofdlijnen Kunstenplan 2025-2028

Geacht gemeentebestuur, Op 13 oktober zijn de Hoofdlijnen Kunstenplan 2025-2028 gepresenteerd. In het document beschrijft het college beleid dat gecontinueerd wordt, benoemt het nieuwe initiatieven en ambities, en mogelijkheden die in de komende jaren door de gemeente verkend of onderzocht worden. Naar aanleiding van de Hoofdlijnen adviseert de Amsterdamse Kunstraad het kunstenplanbudget te verhogen. Daarnaast blijft de kunstraad onverminderd aandacht vragen voor onderstaande urgenties voor de komende jaren.

1.

FINANCIEEL KADER

Het financieel kader voor het kunstenplan leest vervreemdend: het belang van kunst en cultuur voor de stad krijgt geen vertaling in de gemeentebegroting. ➢ ➢ ➢

Amsterdam heeft te maken met een doorlopende groei van de bevolking Inflatie is in de afgelopen jaren slechts deels gecorrigeerd Sterke verhoging van kosten leidt bij een gelijkblijvend budget tot minder producties/exposities, een verschraling van het aanbod

Een gelijkblijvend budget voor kunst en cultuur enerzijds en (exponentieel) stijgende kosten anderzijds betekent in feite dat er door de stad bezuinigd wordt. De doorgaande groei van de bevolking daarbij opgeteld, heeft dat aanzienlijke gevolgen voor het kunst- en cultuuraanbod en dat treft alle Amsterdammers. De sector heeft te maken met flinke kostenstijgingen, zoals energiekosten, huurverhogingen, fair pay en verduurzaming. De inflatie is hoog en de indexatie van de gemeentelijke subsidies vangt die kosten lang niet allemaal op.1 Met verbreding en spreiding zet het college terecht in op het bereiken van zoveel mogelijk Amsterdammers. Maar er wordt door de gemeente per inwoner steeds minder geïnvesteerd in kunst en cultuur. Om het voorzieningenniveau per inwoner gelijk te houden, moet het budget voor kunst en cultuur jaarlijks stijgen om de inflatie en groei van het aantal inwoners te compenseren. Onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF) berekende in opdracht van de kunstraad dat dit concreet neerkomt op ongeveer € 37 miljoen extra, bovenop de begrote € 160 miljoen.2 Zowel in de Culturele Investeringsrekening 2022 als in de Verkenning 2022 heeft de kunstraad gewezen op de krapte van het kunstenbudget. De berekening die AEF begin 2022 maakte ten behoeve van de Culturele Investeringsrekening, is met de meest recente data opnieuw gemaakt.

Om een actueel beeld te krijgen van de stijging van (specifieke) kosten en de verwachting voor de komende jaren, heeft AEF gebruik gemaakt van financiële gegevens van verschillende Amsterdamse culturele instellingen. In samenwerking met ACI is een enquête verzonden naar de bij ACI aangesloten culturele instellingen. Bijna een kwart van de instellingen heeft gereageerd. Het volledige rapport van AEF is opgenomen als bijlage van dit advies. Ongeveer 80% van de instellingen geeft aan voor 2023 en/of 2024 ambities te (hebben) moeten bijstellen. Gemiddeld geven instellingen aan dat hun kosten zo’n 10-13% hoger zouden liggen als zij hun ambities zouden uitvoeren zoals gepland. Het merendeel van de instellingen geeft aan dat ze sommige noodzakelijke kosten niet kunnen dekken. Schrikbarend veel instellingen verwachten een negatief resultaat voor 2023. Schaarste en bezuiniging maken van collega’s concurrenten. In het kunstenplan wordt met middelen geschoven, er komt geen geld bij. Van de verschuiving van 3 miljoen euro is nog onduidelijk waar die bezuiniging precies neerslaat. Daarnaast kunnen instellingen met een huidige subsidiehoogte van 6 ton of hoger bij het AFK niet méér aanvragen dan hun huidige subsidie (op een indexatie na), een noodgreep vanwege beperkt budget. In feite moeten dus al deze individuele instellingen elders aanvullende financiering zoeken of krimpen.

De sector wordt hiermee collectief ondermijnd. Dat leidt niet tot de culturele infrastructuur waarin instellingen in samenhang de stad bedienen. In 2023 kent Amsterdam van de G4 de laagste uitgaven per inwoner.3 Zonder een verhoging van het budget verdampen investeringen waarmee de stad jarenlang heeft gebouwd aan haar culturele infrastructuur. Voor kunst en cultuur is 160 miljoen euro gereserveerd, op een begroting die inmiddels de 7 miljard euro gepasseerd is. Met klem adviseert de kunstraad het kunstenplanbudget te herzien en middelen te zoeken voor een (niet meer dan logische) verhoging die de sector en daarmee de stad toekomt.

1 Recente en toekomstige nominale compensatie: 1,5% in 2022, 7,3% in 2023 en 5,2% in 2024. 2 Rapport Financiële ontwikkelingen van kunst en cultuur in Amsterdam, Andersson Elffers Felix, 12 oktober 2023, p. 8.

Voor de berekening is uitgegaan van het niveau van 2017. 3 Rapport Financiële ontwikkelingen van kunst en cultuur in Amsterdam, Andersson Elffers Felix, 12 oktober 2023, p. 16.

De G4 bestaat uit de vier grote steden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

2

2.

DIVERSITEIT EN INCLUSIE

Het Actieplan Diversiteit en Inclusie heeft verscheidene instellingen in beweging gezet, waarbij de aanpak voor het bevorderen (of voortzetten) van diversiteit en inclusie verschilt.4 Een verdiepend en integraal vervolg aan het actieplan, dat meeweegt in de verantwoording en beoordeling, is wat de kunstraad betreft niet vrijblijvend. Het is van belang dat instellingen in hun aanvraag reflecteren, bewustzijn tonen en inzicht geven in hoe inclusie duurzaam wordt toegepast (is ingebed) in de organisatie. Een heldere visie in relatie tot de positie van de instelling in het culturele veld en de daarbij behorende verantwoordelijkheid. Hoe ziet die verantwoordelijkheid er uit? Hoe wordt deze vertaald naar de praktijk? Wat zijn concrete, genomen en te nemen, stappen? Hoe wordt op alle vlakken gelijkwaardigheid gewaarborgd?

3.

CULTUUREDUCATIE CONVENANT

Met het Convenant Basispakket (2013-2023) was Amsterdam een voorloper; muziekles voor alle Amsterdamse basisschoolleerlingen. Met een nieuw convenant, waarin een verbreding van muziek naar meerdere kunstdisciplines centraal staat, kan Amsterdam wederom een voorbeeld zijn en richting geven: twee uur per week cultuureducatie op basisscholen5, gegeven door vakleerkrachten, de taken van interne cultuur coördinatoren (ICC’ers) geborgd in een functie en een verbinding met de vrije tijd, het voorgezet onderwijs en het kunstvakonderwijs. Voor de realisatie van de gewenste verbreding en daarmee het gehoor geven aan de behoefte van scholen, zou het (nu al goed gebruikte) vouchersysteem ingezet kunnen worden.

4.

STADSDEEL ZUIDOOST

In Zuidoost zijn grote investeringen in de culturele infrastructuur het meest urgent, gezien de groei van het aantal bewoners in het stadsdeel en het ontoereikende voorzieningenniveau. Dit beïnvloedt zowel de beleving van kunst en cultuur in Zuidoost, als de praktijk van beginnende en midcareer makers en culturele ondernemers. Er moet ruimte

zijn voor het verduurzamen van het culturele aanbod dat niet of tijdelijk door de gemeente wordt gefinancierd, maar wel aansluiting heeft bij de bewoners. De evenementen en aanbieders in het Arenagebied en Bijlmer-West (Amstel III) bedienen de behoeften van de lokale bewoners onvoldoende.

5.

RUIMTEGEBREK

De verdichting van de stad neemt toe en de ruimte voor kunst en cultuur wordt schaarser. Individuele makers hebben het nakijken, constateerde de kunstraad na gesprekken met de sector in 2022, ‘geen woning, geen werkruimte en amper inkomsten’. De hoeveelheid woonruimte voor kunstenaars en creatieven, de kunstenaarswoningen en atelierwoningen die samen de zogenoemde IJzeren Voorraad vormen, schiet al lange tijd tekort. Daarbij zijn plekken om te experimenteren, essentieel voor de ontwikkeling van het culturele veld, nog moeilijk te vinden in de stad. Bij de verdeling van de beperkte ruimte zijn toegankelijkheid van kunst en cultuur en spreiding belangrijk.6

4 Verkenning 2022, Amsterdamse Kunstraad, 22 december 2022, p. 13. 5

Ter vergelijking, basisschoolleerlingen krijgen minimaal twee (les)uren per week bewegingsonderwijs onder leiding van een vakleerkracht of bevoegde groepsleerkracht – Urennorm Bewegingsonderwijs, OCW. 6 Culturele Investeringsrekening 2022, Amsterdamse Kunstraad, 16 maart 2022, p. 3, 4.

3

6.

TIJDELIJKHEID

Tijdelijkheid is een aanvulling, geen basis. De culturele infrastructuur kan niet leunen op tijdelijkheid, daar gaan instellingen aan ten onder. Creatieve invulling van (tijdelijke) leegstand is positief, maar dit moet niet betekenen dat er amper ruimte wordt gemaakt voor permanente plekken. Zonder die permanente plekken kunnen er geen wederkerige relaties ontwikkeld worden en wordt er niet geïnvesteerd in continuïteit. Tijdelijkheid moet vertaald worden in langdurig uitvoeringsbeleid. 7

7.

EEN VISIE VOOR DE TOEKOMST

Een internationale stad als Amsterdam vraagt om een langetermijnvisie op de kunsten in de stad. Een plaatsbepaling richting de toekomst, die verder gaat dan intenties op de korte termijn. Met strategische en structurele investeringen om aan alle Amsterdammers, makers en bezoekers een toegankelijke culturele infrastructuur te kunnen bieden. Ook in de context van de enorme aantrekkingskracht van de stad en een toestroom van toeristen van over de hele wereld. Amsterdam als voortrekker – een bakermat voor makers, met aantrekkelijke kunst en cultuur die de behoeften van de hele stad bedient, in relatie tot de groei. Een langetermijnvisie moet ondersteund worden met een passend budget. Investeren in kunst en cultuur is investeren in de stad, in haar toekomst, in de volgende generaties. Groei vraagt om groei.

Namens de Amsterdamse Kunstraad,

Met vriendelijke groet,

Felix Rottenberg voorzitter

Barbara van de Water algemeen secretaris

7 Verkenning 2022, Amsterdamse Kunstraad, 22 december 2022, p. 11.

4

Financiële ontwikkeling van kunst en cultuur in Amsterdam

1

Datum 12 oktober 2023

Opdrachtgever Amsterdamse Kunstraad

Onderzoeksteam Gillian Lustermans, Maarten van Poelgeest

bezoekadres postadres

Maliebaan 16 Postbus 85198

3581 CN Utrecht 3508 AD Utrecht

telefoon website

+31 30 236 30 30 www.aef.nl

2

/

Inhoud /1

Introductie

4

/2

Instandhouding van voorzieningen

5

2.1

Inflatie

5

2.2 2.3

Groei van de stad Ontwikkeling budget kunst en cultuur

6 6

2.4 2.5

Autonome groei ten opzichte van het budget Instandhouding van de bestaande voorzieningen

6 7

/3

Ontwikkelingen bij instellingen

9

3.1

Respons en representativiteit

9

3.2 3.3

Inkomsten en uitgaven Kostendynamiek

10 12

3.4

Ambities en verwacht resultaat

13

/4

Vergelijking met andere steden

15

3

/ 1 Introductie In 2022 heeft Andersson Elffers Felix (AEF) in opdracht van de Amsterdamse Kunstraad een onderzoek uitgevoerd om de adviezen voor de investeringsagenda financieel te kunnen onderbouwen.1 Als onderdeel van dit onderzoek is gekeken welk budget nodig is om de voorzieningen in de kunstsector in Amsterdam gelijk te houden, rekening houdend met o.a. inflatie en groei van de stad. In november 2023 wordt het vierjarige budget voor het Kunstenplan 2025-2028 in Amsterdam vastgesteld. Om hier een goed onderbouwd advies over te kunnen geven, heeft de Kunstraad behoefte aan een actualisering van de eerdere berekeningen omtrent de kosten en budget van kunst en cultuur in Amsterdam. Naast deze actualisering heeft de Amsterdamse Kunstraad ook aangegeven graag meer inzicht te krijgen in de ontwikkelingen op het gebied van onder andere onderhoud, verduurzaming en fair practice. Het voorliggende rapport kent na deze introductie drie hoofdstukken. In deze hoofdstukken zijn de volgende resultaten terug te vinden.  In hoofdstuk 2 zijn de geactualiseerde berekeningen van het onderzoek uit 2022 opgenomen. Hierbij gaat het specifiek om de inflatie en groei van de stad, de ontwikkeling van het beschikbare budget voor kunst en cultuur, en de vergelijking tussen die twee.

 In hoofdstuk 3 presenteren we de resultaten van een enquête die in samenwerking met ACI (Amsterdamse Culturele Instellingen) is uitgezet onder een groot aantal instellingen. De resultaten van deze enquête geven een beeld van de ontwikkeling van verschillende kostensoorten die instellingen onderscheiden. Daarnaast zijn ook de verwachtingen van instellingen voor de komende jaren in beeld gebracht.  In hoofdstuk 4 is de vergelijking met een aantal andere steden uit het onderzoek van 2022 geactualiseerd. Voor de actualisatie van gegevens uit 2022 is exact dezelfde onderzoeksmethodiek gebruikt als destijds. Hierdoor zijn de resultaten vergelijkbaar en komen ze (voor eerdere jaren) precies overeen met de in 2022 gerapporteerde resultaten. Voor de gehanteerde onderzoeksmethodiek verwijzen we de lezer naar de eerdere rapportage.

1

Zie hiervoor de rapportage “Culturele voorzieningen in een groeiende stad” (AEF, 2022)

4

/ 2 Instandhouding van voorzieningen In dit hoofdstuk actualiseren we de berekeningen van de ontwikkeling van de kosten en het budget die in 2022 zijn uitgevoerd. Hierbij kijken we eerst naar de inflatie en de groei van de stad om een inschatting te kunnen maken van de autonome toename van de kosten. Daarna gaan we in op de ontwikkeling van het beschikbare budget voor kunst en cultuur. Ten slotte beschrijven we de vergelijking tussen de twee, waarbij we ook een doorkijk geven richting de toekomst.

2.1

Inflatie Doordat we in Nederland vrijwel uitsluitend te maken hebben met een positieve inflatie, wordt geld effectief elk jaar iets minder waard. Om hetzelfde doel te bereiken zal er dus elk jaar meer geld uitgegeven moeten worden om te compenseren voor deze inflatie. In het bijzonder betekent dit dus ook dat de budgetten voor kunst en cultuur elk jaar moeten stijgen (ter compensatie van de inflatie) om het voorzieningenniveau op peil te houden. Inflatie kan op meerdere manieren worden gemeten, maar de meest gangbare methode is de consumentenprijsindex (CPI). In onderstaande tabel is de jaarlijkse inflatie op basis van de CPI opgenomen.2 Het percentage voor 2023 betreft het gemiddelde percentage over de maanden januari t/m september.

Jaarlijkse CPI Cumulatieve CPI

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1,7% 1,7%

2,6% 4,3%

1,3% 5,7%

2,7% 8,6%

10,0% 19,4%

5,0% 25,4%

Tabel 1. Ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI).

De CPI wordt vastgesteld aan de hand van de prijsveranderingen van een vooraf gedefinieerde set aan producten. Voor gemeenten is het echter belangrijker hoe hun inkomstenbronnen zich ontwikkelen. De belangrijkste inkomstenbron is het gemeentefonds. Een alternatief zou dus zijn om te kijken naar de landelijke groei of krimp van de inkomsten uit dit gemeentefonds. De groei van de inkomsten van de gemeente Amsterdam vanuit het gemeentefonds is in onderstaande tabel weergegeven.

Groei inkomsten Cumulatief

2018

2019

2020

2021

2022

2023

4,5% 4,5%

5,1% 9,9%

3,9% 14,2%

3,5% 18,2%

2,9% 21,6%

15,9% 40,9%

Tabel 2. Ontwikkeling inkomsten Amsterdam vanuit het gemeentefonds.

Deze groei komt forst hoger uit dan de inflatie op basis van de CPI. Het gemeentefonds groeit echter niet alleen vanwege de inflatie of toegenomen uitgaven van het Rijk (via het accres), maar ook door bijvoorbeeld overheveling van taken. Hierdoor is het betrouwbaarder om de CPI aan te houden als maat voor de inflatie.

2

Bron: CBS statline

5

2.2

Groei van de stad Naast de inflatie is ook de groei van de gemeente Amsterdam van belang. Als het aantal inwoners toeneemt, en het budget voor kunst en cultuur blijft gelijk, dan wordt er per inwoner effectief minder geïnvesteerd in kunst en cultuur. In onderstaande tabel is een aantal verschillende indicatoren voor de groei van de stad opgenomen. Voor elk hiervan is de groei in de periode van 2017 t/m 2023 weergegeven. In de laatste kolom is de groei van het budget voor kunst en cultuur opgenomen ter referentie. Dit wordt in meer detail toegelicht in de volgende paragraaf. Inwoners

Woningen

Huishoudens

Uitgaven K&C

8,7%

10,9%

8,5%

10,4%

Amsterdam 2017 – 2023

Tabel 3. Groei van het aantal inwoners, woningen en huishoudens in Amsterdam, en de uitgaven aan kunst en cultuur tussen 2017 en 2023.

2.3

Ontwikkeling budget kunst en cultuur Voor het bepalen van het totale budget voor kunst en cultuur hebben we dezelfde methodiek gehanteerd als in 2022. Dit zorgt ervoor dat de gegevens vergelijkbaar zijn. Voor de uitgaven hebben we de som van drie relevante Iv3-taakvelden genomen. Het gaat hierbij om 5.3 (cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie), 5.4 (musea) en 5.5 (cultureel erfgoed). Met deze methodiek worden kosten voor een bibliotheek of lokale omroep niet meegenomen. In onderstaande tabel zijn de uitgaven van Amsterdam over de periode 2017 t/m 2023 opgenomen.

Totale uitgaven (x € 1.000.000) Uitgaven / inwoner

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

145 € 171

152 € 178

136 € 158

142 € 163

149 € 171

152 € 173

160 € 174

Tabel 4. Totale uitgaven (in miljoenen euro's) en uitgaven per inwoner door Amsterdam aan kunst en cultuur (de Iv3-taakvelden 5.3, 5.4 en 5.5).

2.4

Autonome groei ten opzichte van het budget Zoals eerder gesteld zorgen de inflatie en groei van de stad ervoor dat het budget voor kunst en cultuur jaarlijks moet toenemen om het voorzieningenniveau per inwoner gelijk te kunnen houden. In de periode van 2017 t/m 2023 is het aantal inwoners van Amsterdam met ongeveer 8,7% toegenomen. Daarbij bedraagt de inflatie over deze zelfde periode in totaal 25,4%. De autonome groei zou daarmee dus uitkomen op een totaal van 34%. Het budget voor kunst en cultuur is in dezelfde periode toegenomen van ongeveer € 145 miljoen tot € 160 miljoen. Dat is een groei van iets meer dan 10%. De vergelijking tussen deze twee getallen is in onderstaande figuur visueel weergegeven.

6

Figuur 1. Ontwikkeling van het budget voor kunst en cultuur tussen 2017 en 2023 (links) vergeleken met de autonome ontwikkeling (rechts).

2.5

Instandhouding van de bestaande voorzieningen Als het doel is om het voorzieningenniveau per inwoner gelijk te houden, dan moet het budget voor kunst en cultuur jaarlijks stijgen om de inflatie en groei van het aantal inwoners te compenseren. Om te bepalen hoeveel middelen er nodig zouden zijn om het niveau van 2017 in stand te houden, is gekeken naar de uitgaven voor de taakvelden 5.3, 5.4 en 5.5 per inwoner. In onderstaande figuur is weergegeven welk budget er nodig zou zijn om het niveau van 2017 (per inwoner) te behouden, en welk budget er daadwerkelijk beschikbaar was. Voor de jaren na 2023 is gebruik gemaakt van een inschatting. Hiervoor zijn de volgende aannames gedaan.  Voor de jaarlijkse groei van het werkelijke budget is de gemiddelde groei van het budget over de zes beschikbare jaren gebruikt. Gemiddeld bedroeg dit zo’n 1,7%  Voor de landelijke inflatie (de CPI) vanaf 2024 is 2% aangehouden. Deze keuze is gemaakt omdat de inflatie in de afgelopen jaren (vooral 2022) naar verwachting niet representatief is voor latere jaren.  Voor de bevolkingsgroei is de prognose vanuit de afdeling Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam gehanteerd.3 Hiervoor is de prognose van het aantal inwoners in 2030 als uitgangspunt genomen, en voor elk jaar tussen 2023 en 2030 een lineaire toename gehanteerd.

3

Zie https://onderzoek.amsterdam.nl/artikel/prognose-bevolking-2023-2050.

7

Figuur 2. De middelen die jaarlijks voor kunst en cultuur zijn begroot (rood) ten opzichte van de middelen die nodig zijn voor instandhouding van de voorzieningen per inwoner (blauw).

Om het voorzieningenniveau van 2017 (per inwoner) gelijk te houden, zou er in 2023 ongeveer € 37 miljoen extra budget moeten zijn, bovenop de begrote € 160 miljoen.

8

/ 3 Ontwikkelingen bij instellingen De analyses in het vorige hoofdstuk zijn allemaal gedaan op basis van openbaar beschikbare gegevens. In dit onderzoek hebben we aanvullend gebruik gemaakt van een enquête die is uitgezet bij instellingen in Amsterdam. Hierbij is gevraagd naar ontwikkelingen die spelen bij deze instellingen, en de dynamiek van verschillende kostenposten. Met behulp van deze resultaten ontstaat een gedetailleerder beeld. In dit hoofdstuk presenteren we de bevindingen vanuit de enquête.

3.1

Respons en representativiteit In samenwerking met ACI (Amsterdamse Culturele Instellingen) hebben we een enquête opgesteld en uitgezet onder de bij ACI aangesloten instellingen in Amsterdam. De enquête is door in totaal 39 instellingen ingevuld, wat iets minder dan een kwart van het totaal aantal geënquêteerde instellingen is. Hoewel niet al deze instellingen elke vraag konden beantwoorden, geeft deze respons wel het vertrouwen dat de resultaten van de enquête representatief zijn voor instellingen in Amsterdam. Naast het aantal instellingen dat heeft gereageerd, is er ook gekeken naar de diversiteit van de respondenten. Hiervoor zijn vijf categorieën gedefinieerd, op basis van de totale inkomsten die de instellingen voor 2022 hebben opgegeven. Deze afbakening is als volgt. Categorie I

Inkomsten 2022 Minder dan € 1.000.000

Aantal instellingen in respons 6

II III

€ 1.000.000 tot € 2.000.000 € 2.000.000 tot € 5.000.000

6 5

IV V

€ 5.000.000 tot € 20.000.000 Meer dan € 20.000.000

6 5

0

Onbekend

11

Tabel 5. Definitie van opdeling van instellingen vanuit de enquête in vijf categorieën op basis van de inkomsten uit 2022.

Uit deze tabel wordt duidelijk dat er binnen de respondenten een grote diversiteit bestaat wat betreft de (financiële) grootte van instellingen. Bij het presenteren van de resultaten in de rest van dit hoofdstuk is de keuze gemaakt om geen expliciete uitsplitsing op te nemen naar de verschillende categorieën. De eerste reden hiervoor is dat de representativiteit van de enquête als geheel voldoende is, maar dat dit niet per se geldt voor de representativiteit binnen één categorie. Door de relatief kleine aantallen per categorie kunnen de resultaten van één instelling een grote impact hebben op het gemiddelde resultaat. De tweede reden om de uitsplitsing niet expliciet te maken is om de anonimiteit van de respondenten te garanderen. Zeker voor de grotere instellingen (waarvan er relatief weinig zijn) zou het weergeven van de resultaten voor deze categorie betekenen dat de anonimiteit in het gedrang komt. Hoewel er geen expliciete resultaten per categorie zijn opgenomen, beschrijven we eventuele opvallende verschillen tussen categorieën wel kwalitatief.

9

3.2

Inkomsten en uitgaven Instellingen zijn gevraagd naar hun inkomsten en uitgaven over de periode van 2017 t/m 2022. Omdat de begrotingen van instellingen vrijwel altijd sluitend worden opgesteld, geeft het kijken naar verschillen tussen inkomsten en uitgaven weinig inzicht. In plaats daarvan is de keuze gemaakt om alleen te kijken naar de ontwikkeling van de (hoogte van de) uitgaven. Niet alle instellingen hebben voor elk jaar gegevens ingevuld (bijvoorbeeld doordat instellingen niet gedurende de gehele periode bestonden). Voor elk paar van jaren (bijv. van 2017 naar 2018) is daarom alléén gekeken naar de uitgaven van instellingen die voor beide jaren gegevens hebben ingevuld. De uitgaven van al deze instellingen zijn opgeteld en vervolgens is gekeken wat de groei of krimp van de uitgaven is geweest over deze jaren. Naast de jaarlijkse verandering is in onderstaande tabel ook de cumulatieve verandering van de uitgaven sinds 2017 opgenomen.

Groei uitgaven Cumulatief

2017

2018

2019

2020

2021

2022

n.v.t. 100%

- 2% 98%

+ 12% 110%

- 25% 82%

+1% 83%

+ 24% 103%

Tabel 6. Jaarlijkse groei en totale groei ten opzichte van 2017 van de uitgaven van instellingen die de enquête hebben ingevuld.

De resultaten in deze tabel zijn gebaseerd op de gegevens van 23 instellingen voor 2018, 25 instellingen voor 2019 t/m 2021 en 28 instellingen voor 2022. Hoewel de uitgaven jaarlijks een behoorlijke schommeling laten zien, bedraagt de cumulatieve stijging tussen 2017 en 2022 slechts 3%. Onder de aanname dat begrotingen sluitend worden opgesteld, betekent het feit dat de uitgaven nauwelijks toenemen ook dat de inkomsten nauwelijks toe zijn genomen. De procentuele toename van uitgaven is vooral te zien bij kleinere instellingen (in de eerder gedefinieerde categorieën I en II). De overige instellingen kennen ook een toename, maar deze is over het algemeen wat minder groot. Om inzicht te krijgen in de opbouw van de uitgaven zijn de instellingen ook gevraagd naar de uitgaven voor verschillende kostencategorieën. Hierbij is gevraagd naar de kosten voor:  Huur of huisvesting (zowel huurkosten als betalingsverplichtingen)  Energie (gas en elektra, exclusief eventuele compensatie of subsidie)  Onderhoud (bijv. aan vastgoed of materiaal zoals een tribune)  Verduurzaming (bijv. isolatie van een gebouw)  Personeel en inhuur (inclusief vergoedingen van of betalingen aan zelfstandige makers) De kosten voor elk van deze categorieën zijn vergeleken met de totale opgegeven kosten. In onderstaande figuur is de procentuele verdeling van deze categorieën over de jaren heen opgenomen.

Hierbij is er sprake van een fors deel onbekende kosten, welke overblijven nadat alle opgegeven kostenposten van de totale kosten zijn afgetrokken.

10

Figuur 3. Onderverdeling van de jaarlijkse totale uitgaven van instellingen die de enquête hebben ingevuld in verschillende kostencategorieën.

Zoals verwacht zijn de kosten voor personeel het hoogst. Dit percentage ligt ook redelijk stabiel rond de 43% tot 46% van de totale kosten. Opvallend is dat het aandeel kosten voor huur en huisvesting fors is gestegen (van 7% in 2017 naar 14% in 2022).4 Kosten voor huur of huisvesting zijn voor instellingen onvermijdbaar. Als deze kosten procentueel gezien toenemen, betekent dit dat andere kosten af moeten nemen. In de praktijk leidt dit er vaak toe dat instellingen ervoor moeten kiezen om de kosten voor personeel of makers omlaag te brengen. Dit betekent dat er feitelijk minder geproduceerd kan worden door de instelling. In onderstaande grafiek is voor elk van de kostencategorieën weergegeven hoeveel de procentuele groei (in absolute bedragen) is ten opzichte van 2017.

Figuur 4. Procentuele groei van verschillende kostencategorieën van instellingen die de enquête hebben ingevuld.

Het is belangrijk om te vermelden dat procentuele verschillen voor relatief kleine bedragen een vertekend beeld kunnen laten zien. Als voorbeeld, een toename van € 1 naar € 2 is in absolute zin zeer klein, maar wordt procentueel als een toename van 100% aangemerkt. Dit is het geval voor de

Het gaat hier om de huurkosten, exclusief eventuele huurcompensatie vanuit coronasteunmaatregelen van de gemeente. Instellingen die huurkosten inclusief deze compensatie hebben opgegeven, zijn voor het maken van deze figuur niet meegenomen. Daarnaast zijn ook instellingen die aangaven in een bepaald jaar een pand te hebben gesloten niet meegenomen, om de percentages over de jaren heen vergelijkbaar te houden. 4

11

kosten die te maken hebben met verduurzaming. In bovenstaande figuur is een enorme dynamiek zichtbaar in de periode van 2017 t/m 2022, maar ten opzichte van de totale kosten bedragen de kosten voor verduurzaming gedurende deze gehele periode slechts 0,5%. De ontwikkeling van de kosten voor verduurzaming worden in grote mate bepaald door één enkele instelling die hier in 2017 en 2022 kosten voor heeft gemaakt, maar in alle tussenliggende jaren niet. Door de resultaten van de enquête per categorie van instellingen te bekijken, blijkt dat vooral kleine instellingen een forse toename van personeelskosten kennen. De forse toename van energiekosten is bij vrijwel alle categorieën terug te zien.

3.3

Kostendynamiek Naast de kosten uit de afgelopen jaren is aan de instellingen ook gevraagd hoe zij verwachten dat de kosten zich in 2023 en 2024 zullen ontwikkelen. In onderstaande figuur is weergegeven wat de gemiddelde inschattingen zijn voor de procentuele toename van kosten voor onderhoud, verduurzaming en personeel. Hierbij is voor personeel specifiek gevraagd naar de kosten per persoon. De reden hiervoor is dat begrotingen vaak sluitend worden opgesteld, zodat de totale kosten voor personeel mogelijk gelijk blijven. Bij stijgende kosten per persoon betekent dit echter wel dat er minder geproduceerd kan worden door de instelling. De resultaten uit onderstaande figuren representeren dus de toename in kosten als uit zou worden gegaan van gelijke productie. Alle genoemde percentages zijn ten opzichte van 2022. In totaal zijn de antwoorden van 39 instellingen meegenomen.

Figuur 5. Verwachte toename van kosten voor onderhoud, verduurzaming en personeel (per eenheid) voor 2023 en 2024, beide ten opzichte van 2022.

De verwachte toename van kosten geldt voor elke categorie instellingen. Gemiddeld genomen verwachten grotere instellingen ook een grotere toename van onderhoudskosten en verduurzamingskosten. Dit komt waarschijnlijk doordat grotere instellingen gemiddeld meer eigen materiaal (bijvoorbeeld vastgoed) bezitten waarvoor ze onderhouds- en verduurzamingskosten maken. Kleinere instellingen voorzien ook relatief grote toenames. Dit kan komen doordat voor deze instellingen kleine bedragen een procentueel vrij grote toename kunnen betekenen. De verwachte (procentuele) toename van personeelskosten is voor de verschillende categorieën van instellingen vrijwel gelijk.

12

3.4

Ambities en verwacht resultaat In de enquête is ook gevraagd hoeveel instellingen hun ambities voor 2023 en / of 2024 hebben moeten bijstellen als gevolg van hoge lasten. Het resultaat hiervan is in onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 6. Verdeling van instellingen die hun ambities voor 2023 en / of 2024 al dan niet hebben moeten bijstellen vanwege hoge kosten.

Dit overzicht is gebaseerd op 38 instellingen en is dus representatief te noemen. Uit deze figuur blijkt dat ongeveer 80% van de instellingen de ambities voor 2023 en / of 2024 heeft moeten bijstellen. Aan de instellingen die aangeven hun ambities bij te hebben moeten stellen, is ook gevraagd hoeveel procent hoger hun kosten zouden liggen als zij hun ambities wél volgens plan uit zouden voeren. Dit is in onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 7. Percentage waarmee de kosten van instellingen die hun ambities hebben bijgesteld voor 2023 en / of 2024 zouden zijn gestegen, als zij hun ambities niet hadden bijgesteld.

Gemiddeld geven instellingen aan dat hun kosten zo’n 10% tot 13% hoger zouden liggen als zij hun ambities zouden uitvoeren zoals gepland. Voor kleinere instellingen lijkt dit wat hoger te liggen, maar dit kan komen doordat de absolute kosten van deze instellingen kleiner zijn, en de relatieve (procentuele) verschillen dus groter.

13

Naast deze ambities die niet waargemaakt kunnen worden hebben sommige instellingen ook te maken met noodzakelijke kosten die zij niet kunnen dekken in 2023. Ongeveer twee derde van de instellingen geeft aan dat ze een vorm van noodzakelijke kosten niet kunnen dekken. Aan deze instellingen is gevraagd om hoeveel kosten het gaat. Dit is vervolgens afgezet tegen hun totale inkomsten om zo een procentueel overzicht te krijgen. Voor de instellingen die aangeven een vorm van noodzakelijke kosten niet te kunnen dekken, gaat het gemiddeld om 11%. Als we kijken naar het gewogen gemiddelde (door de kosten van alle instellingen op te tellen en te delen door de inkomsten van al deze instellingen) gaat het om 10%. Instellingen zijn ook gevraagd naar welk type kosten dit behelst. Hierop worden onder andere de volgende antwoorden gegeven:  Vergoeding van reis- en verblijfkosten  Personeelskosten (uitbreiding)  Kosten voor extra creaties (zowel uitbreiding als kosten per productie)  Materiële kosten (o.a. vanwege inflatie)  Processen rondom diversiteit, inclusiviteit en veiligheid op de werkvloer  Marketing Ten slotte zijn instellingen ook gevraagd of zij in 2023 een negatief resultaat verwachten. Dit is in onderstaande grafiek weergegeven.

Figuur 8. Percentage instellingen dat een negatief resultaat verwacht voor 2023.

Doordat veel instellingen aangeven altijd een sluitende begroting op te stellen, zijn de resultaten niet representatief voor de financiële situatie waarin instellingen zich bevinden. Zelfs met die kanttekening geeft ongeveer twee derde van de instellingen aan een negatief resultaat te verwachten.

14

/ 4 Vergelijking met andere steden In 2022 is een vergelijking gemaakt met vier andere steden: Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Maastricht. Om een eerlijke vergelijking te maken moeten de uitgaven aan kunst en cultuur worden afgezet tegen een totaal. Voor dit totaal hebben we dezelfde keuze gemaakt als in 2022, namelijk de inkomsten van de gemeente vanuit het gemeentefonds (taakveld 0.7) en de inkomsten vanuit economische promotie (taakveld 3.4). In onderstaande figuur is voor elk van de vijf gemeenten weergegeven welk percentage van dit totaal wordt uitgegeven aan kunst en cultuur (de taakvelden 5.3, 5.4 en 5.5)

Figuur 9. De uitgaven aan kunst en cultuur (taakvelden 5.3, 5.4 en 5.5) ten opzichte van de inkomsten uit het gemeentefonds en economische promotie (taakvelden 0.7 en 3.4) voor verschillende steden.

Voor Amsterdam daalt het percentage dat wordt uitgegeven aan kunst en cultuur gestaag in de periode van 2017 t/m 2023. Eenzelfde dynamiek is te zien bij de gemeente Utrecht, hoewel het percentage kunst en cultuur in alle jaren wel hoger ligt dan in Amsterdam het geval is. De gemeente Den Haag geeft een relatief stabiel aandeel uit aan kunst en cultuur. De uitgaven van Rotterdam zijn ook redelijk stabiel, hoewel ze iets meer fluctueren. De uitgaven van Maastricht fluctueren ook, maar dalen per saldo wel iets. Om de verschillen per jaar inzichtelijk te maken, is in onderstaande figuur weergegeven met welk percentage deze verhouding ieder jaar toe- of afnam.

15

Figuur 10. De jaarlijkse ontwikkeling van de uitgaven aan kunst en cultuur ten opzichte van de inkomsten uit het gemeentefonds en economische promotie.

De stippellijn in deze grafiek geeft de grens aan tussen toe- en afnames. Lijndelen boven deze stippellijn betekenen dat de relatieve uitgaven voor kunst en cultuur toenamen, en lijndelen onder deze stippellijn dat ze afnamen. Naast de vergelijking van de uitgaven ten opzichte van de belangrijkste inkomens van gemeenten, kunnen ook de uitgaven per inwoner met elkaar worden vergeleken. Dit is in onderstaande figuur voor dezelfde gemeenten en dezelfde periode gedaan.

Figuur 11. Uitgaven aan kunst en cultuur per inwoner.

In deze grafiek is te zien dat de uitgaven per inwoner aan kunst en cultuur redelijk gelijk zijn gebleven in Amsterdam, en zelfs iets zijn gestegen. In Den Haag en Rotterdam is sprake van een gestage toename over de jaren heen, terwijl de uitgaven van Utrecht en Maastricht redelijk gelijk bleven. In 2023 kent Amsterdam van de G4 de laagste uitgaven per inwoner.

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13422505/1