Aanvulling 10-3 op raadsadres over erfpacht
Tekst van het document
10 maart 2021 Geachte leden van de Amsterdamse gemeenteraad, In aansluiting op mijn raadsadres(sen), u in de Ter-Kennisname-lijst van bij uw raad binnengekomen stukken voor uw raadsvergadering vandaag 10 maart en 11 maart 2021 onder TKN-nummer 34 voorliggend, leg ik u de volgende vraag voor. Als de uitleg van het arrest van de Hoge Raad dd 10 januari 1992, juist is, dat door een gemeenteraad bij verordening vastgestelde Algemene Bepalingen inzake erfpacht pas bindende kracht krijgen, zodra zij binnen een erfpachtovereenkomst van die gemeente met een erfpachter concrete werking krijgen en dan geen recht vormen in de zin van artikel 99 van de wet op de Rechterlijke Organisatie, zodat de HR (de uitleg van) deze algemene bepalingen niet op hun rechtmatigheid en begrijpelijkheid kan toetsen, zijn deze Algemene Bepalingen dan volstrekt gelijk aan algemene voorwaarden in privaatrechtelijke overeenkomsten? Hebben zij geen bestuursrechtelijke kracht? Zo ja, zijn de Algemene Bepalingen inzake erfpacht dan wel aanvechtbaar als onredelijke bezwarende bedingen volgens het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek, de zwarte lijst van artikel 6:236 BW en de grijze lijst van artikel 6:237 BW? Deze zwarte lijst van verboden bedingen en grijze lijst van vermoedelijk onredelijk bezwarende bedingen gelden in contracten van rechtspersonen met een natuurlijke persoon, ter bescherming van diens zwakkere
contractuele positie. Onredelijk bezwarende bedingen zijn vernietigbaar volgens artikel 6:233 BW. Artikel 6:236 noemt onder b als onredelijk bezwarend de voorwaarde: dat de aan de wederpartij toekomende bevoegdheid tot ontbinding, zoals deze in afdeling 5 van titel 5 is geregeld, uitsluit of beperkt; Geldt dit dan ook voor het categorisch verbod tot opzegging door de erfpachter in de Algemene Bepalingen voor eeuwigdurende Erfpacht? Volgens de EU Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (93/13/EEG) is de nationale rechter verplicht ambtshalve te onderzoeken of een beding in algemene voorwaarden, niet zijnde een kernbeding, oneerlijk is en daarom de consument niet bindt. De HR oordeelde op 13 september 2013 (Heesakker - Voets) in cassatie, dat: aangezien een richtlijn particulieren niet rechtstreeks bindt, die verplichting geen betrekking heeft op de richtlijn maar op de nationale implementatiewetgeving, die een onredelijk bezwarend beding vernietigbaar verklaart; zo enigszins mogelijk moet die uitleg een richtlijnconform resultaat opleveren. Kunnen erfpachters, natuurlijke personen, die hun eigen huis op in erfpacht van de gemeente gehouden grond bewonen, de geldigheid van de Algemene Bepalingen als algemene voorwaarden en onredelijke bezwarende bedingen voor de burgerlijk rechter aanvechten?
Hoe oordeelt u over de rechtsgeldigheid van 'beslispunt 7' in het besluit van het College van B&W dd 9 mei 2017 tot het Vaststellen van het aanvullend erfpachtbeleid voor bestaande erfpachtrechten, gepubliceerd op 16 augustus 2017 in het Gemeenteblad 2017, nr 143786, dat ik u in mijn raadsadres van 3 maart 2021 met aanvulling dd 4 maart 2021 voorlegde? Beslispunt 7 luidt: 7 In te stemmen met bijgaande raadsvoordracht, waarmee de gemeenteraad bovengenoemde beslispunten 1 tot en met 6 ter instemming worden voorgelegd, met dien verstande dat de raad niet wordt gevraagd beslispunten 4, 5 en 6 van dit collegebesluit vast te stellen, maar wordt gevraagd in te stemmen met deze collegebesluiten. In het bijzonder gezien de daaronder vervatte beslispunten onder 6.2: 6.2. Het voorstel aan de gemeenteraad in te trekken per 1 januari 2018: 6.2.1. Het besluit van de gemeenteraad “Vervroegde wijziging in de erfpacht”, zoals vastgesteld op 4 februari 1998, Gemeenteblad nr. 20; 6.2.2. Het besluit van de gemeenteraad van 18 augustus 1966, nr. 407 B, zoals gewijzigd bij besluit van de gemeenteraad van 28 november 1990, punt IV, inzake de conversie van tijdelijke erfpachtrechten naar voortdurende; 6.2.3. “De Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht en wijziging Verordening op de stadsdelen”, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 januari 2001 (Gemeenteblad 2001, nr. 914); 6.2.4.
Het artikel V van het Moderniseringsbesluit “Algehele herziening van de erfpacht” (gemeenteraad d.d. 28 november 1990, Gemeenteblad nr. 942) en in te trekken de wijziging hiervan bij het besluit ‘Vaststelling Algemene bepalingen voor voortdurende erfpacht 2000 Amsterdam en aanpassing van het Moderniseringsbesluit 1990’, art. IV sub b. en sub c. (gemeenteraad d.d. 15 november 2000, Gemeenteblad nr. 689). Als deze besluiten door een tot deze besluiten niet bevoegd bestuursorgaan zijn genomen, namelijk door het College van B&W, waar de gemeenteraad bevoegd is, zijn het bestuursrechtelijk geen 'besluiten', geen besluiten met rechtsgevolg, want niet krachtens een publiekrechtelijke rechtsbevoegdheid genomen. Ook privaatrechtelijk gelden deze dan niet als besluiten, als deze besluiten niet vallen onder het begrip 'dagelijks bestuur', zoals dat in het verenigingsrecht in Boek 2 BW aan het dagelijks bestuur van een vereniging wordt overgelaten. Het algemeen bestuur van de vereniging, de algemene ledenvergadering, houdt ook daarover het laatste woord.
Maar gaat het om besluiten, die veel meer inhouden dan 'dagelijks bestuur', die veel algemener en ingrijpender zijn en tot de rechtstreekse exclusieve bevoegdheid van de algemene ledenvergadering als algemeen bestuur van de vereniging behoren, dan zijn zodanige 'besluiten' van het dagelijks bestuur civielrechtelijk evenmin besluiten en ontberen dan rechtsgeldigheid, omdat er geen civielrechtelijke
beschikkingsbevoegdheid aan ten grondslag ligt. Dan zijn al deze besluiten zelfs van rechtswege nietig. Is hier groot risico aanwezig, dat vervolgbesluiten, genomen op basis van dit besluit door het College van B&W dd 9 mei 2017 dan eveneens voor de rechter aanvechtbaar zijn? Wat betekent dit voor rechtszekerheid in Amsterdam? Acht u het verstandig om als gemeenteraad hier juridisch advies in te winnen? Met vriendelijke groet, xxxxxxxx