CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 7 Sociale Zaken (13) Begeleidende BRIEF T1-rapportage experiment bijstand.pdf

Raadscommissie Werk Inkomen en Onderwijs 6 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdams experiment bijstand - tussenrapportage T1 (ZD2020-014491)1.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bezoekadres Amstel 1 1011 PN Amsterdam Postbus 202 1000 AE Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl

Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam

Aan de leden van de raadscommissie Werk, Inkomen en Onderwijs

Datum

13 november 2020

Behandeld door Jan Feenstra Bijlage

3

Onderwerp

Amsterdams experiment met de bijstand – inzichten T1

Geachte leden van de commissie, Voor het zomerreces heb ik u in de Dagmail van 28 mei jl. per brief geïnformeerd over de tussenevaluatie van het Amsterdamse experiment met de bijstand (hierna: experiment). In de brief heb ik u onder andere meegenomen in de positieve uitkomsten van het OIS onderzoek naar het effect van de bijverdienpremie waarbij de uitstroom naar werk bij deelnemers aan het experiment substantieel hoger was dan bij een vergelijkbare groep met niet-deelnemers. De brief is op uw verzoek behandeld in de vergadering van de commissie Werk, Inkomen en Onderwijs op 26 augustus jl. In deze brief neem ik u graag mee in de bevindingen uit de tweede fase van het kwantitatieve en kwalitatieve wetenschappelijk onderzoek (T1). In deze fase lag de nadruk op het effect van de drie vormen van begeleiding (condities) op de financiële en maatschappelijke zelfredzaamheid van deelnemers aan het experiment. Andere onderwerpen die in deze brief worden behandeld zijn:  de connectie tussen de vorige en huidige tussenrapportage;  het corona-effect op het experiment;  redenen waarom bijstandsgerechtigden niet deelnemen aan het experiment;  hoe de dienstverlening zich mede door ervaringen uit het experiment doorontwikkelt, en  de actuele planning van het experiment.

Verder ga ik in deze brief in op het voornemen van het college, de bijverdienpremie als instrument voor alle bijstandsgerechtigden uit te rollen. In de eerste (tussen)evaluatie van het experiment bleek al dat de bijverdienpremie mensen helpt om de stap naar werk te maken en resulteert in een hogere uitstroom naar werk, met een positief neveneffect op de bijstandslasten tot gevolg. Deze tussenrapportage laat zien dat de bijverdienpremie een positief effect heeft op de bestaanszekerheid van mensen die binnen het experiment (parttime) werken in de bijstand, waarmee werken in de bijstand wordt beloond. Het college is verheugd over deze mooie effecten en wil daarom de bijverdienpremie voor álle bijstandsgerechtigden die parttime (gaan) werken

Een routebeschrijving vindt u op www.amsterdam.nl.

Gemeente Amsterdam

Datum 13 november 2020 Pagina 2 van 5

beschikbaar stellen. Het wetenschappelijk onderzoek Het experiment kent in totaal ca. 5.000 deelnemers en loopt tot 1 maart 2021. Ongeveer 750 deelnemers zijn onderdeel van het wetenschappelijk onderzoek naar (effecten van) de verschillende vormen van begeleiding. Na 1 maart 2021 worden de effecten van het experiment nog 1 jaar gevolgd. Eind 2022 wordt het eindrapport van het wetenschappelijk onderzoek verwacht. Zie ook de planning verderop in deze brief. Het wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd door de HvA en de UvA en is onderverdeeld in een kwantitatief en kwalitatief gedeelte. Tussen maart 2019 en juli 2020 zijn 626 deelnemers geïnterviewd in het kader van het kwantitatief onderzoek (T1). Voor het kwalitatief wetenschappelijk onderzoek zijn met behulp van vragenlijsten zowel deelnemers als nietdeelnemers aan het wetenschappelijk onderzoek persoonlijk geïnterviewd. Bevindingen T1-tussenrapportage wetenschappelijk onderzoek Een hoofddoel in het wetenschappelijk onderzoek van het experiment is te onderzoeken of verschillen in begeleiding van invloed zijn op de activiteiten van bijstandsgerechtigden. In deze fase is met persoonlijke interviews en met behulp van een standaard vragenlijst in kaart gebracht welke elementen van invloed (kunnen) zijn op uitstroom (naar werk) uit de bijstand.

Daarbij is gekeken naar de financiële zelfredzaamheid (zoals uitkeringsafhankelijkheid en schuldpositie), de maatschappelijke zelfredzaamheid (bijvoorbeeld de mate van participatie), welzijn (zoals fysieke en mentale gezondheid en het huidig sociaal netwerk) en de klanttevredenheid (contact met de gemeente en de mate van tevredenheid over de dienstverlening). De belangrijkste bevindingen uit de T1 ten aanzien van de verschillen tussen de drie condities zijn:  de kans op uitstroom uit de uitkering verschilt niet significant tussen de drie groepen; rekening houdend met het effect van andere achtergrondkenmerken geldt hetzelfde voor kans op werk;  deelnemers die heel kritisch staan tegenover (de verplichtingen in) de bijstand en de relatie met de gemeente hebben minder kans om te werken als zij in de zelfregiegroep zijn ingedeeld; dit geldt niet als zij in de extra-aandacht- of vergelijkingsgroep zijn ingedeeld;  deelnemers jonger dan 35 jaar en ingedeeld in de zelfregiegroep werken ca. 6 uur per week minder dan deelnemers in de extra-aandachtgroep of de vergelijkingsgroep;  deelnemers in de extra-aandachtgroep verrichten vaker mantelzorg, maar volgen minder vaak een opleiding dan de deelnemers in de andere twee groepen; deelnemers in de zelfregiegroep doen vaker vrijwilligerswerk dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep.

Algemene bevindingen:  De kans op uitstroom naar werk van degenen die meer dan 16 uur werkten is ongeveer 3 maal groter dan degenen die minder dan 17 uur of niet werkten. Van de eerste groep is 21,5% uitgestroomd naar werk, van de tweede groep 7,3%;  Deelnemers die werken zijn heel tevreden met hun werk: het gemiddelde cijfer dat zij aan hun werk geven is 7,6: Gemiddeld ontvingen de deelnemers met parttime inkomsten een premie van € 1.410 per jaar;  De premie werd vooral besteed aan het aflossen van schulden, achterstallige betalingen en vaste lasten, zoals huur, verzekering en abonnementen.

Gemeente Amsterdam

Datum 13 november 2020 Pagina 3 van 5

Het is goed zich te beseffen dat het aantal deelnemers in de groep van het wetenschappelijk onderzoek dat bij aanvang van het experiment parttime werkte, in vergelijking met het totale bijstandsbestand, substantieel groter was (62% versus 7%). Voor de uitgebreide kwalitatieve en kwantitatieve T1-rapportage van de onderzoekers verwijs ik u graag naar bijlagen 1 en 2. Een gecomprimeerd overzicht van de T1-bevindingen vindt u in de factsheet (bijlage 3). Connectie rapportage T0 (voor de zomer) en T1 De T1-tussenrapportage geeft een overzicht van de uitkomsten van de eerste meting (T1), ongeveer een jaar na de start van het experiment, en vergelijkt deze, voor zover mogelijk, met de nulmeting (T0) die bij de start van het experiment werd uitgevoerd. Impact corona op experiment Daar waar de T1-tussenevaluatie grotendeels werd afgerond vóór de Corona-crisis, kunnen we nu meer zeggen over de impact van Corona. Allereerst is er een laagconjunctuur ontstaan, waardoor veel mensen zonder werk zijn komen te zitten. Ondertussen zitten we in de tweede golf van de coronacrisis en zijn de perspectieven op economisch herstel nog onzekerder geworden. Tussen de T0 en de T1 zien we de volgende effecten van corona op het experiment:  (nog) geen significant effect op de kans op werk of het aantal uren dat deelnemers werken;  deelnemers zijn door de crisis minder optimistisch geworden.

Voor de intrede van de crisis was 45% zeer positief over de kans op werk, nu is dit 30%. Redenen niet deelnemen aan experiment (referentiegroep) Om de beweegredenen van het niet aanmelden voor het experiment in kaart te brengen, is onderzoek gedaan onder niet-deelnemers. Door het naar verhouding lage aantal aanmeldingen voor het experiment uit Zuidoost1, zijn uit dit stadsdeel telefonisch 157 niet-deelnemende bijstandsgerechtigden benaderd. Uiteindelijk konden bij 30 personen interviews worden afgenomen. Uit deze interviews bleek dat de redenen waarom men niet deelneemt met name zijn dat men (ondanks de brede campagne rond het experiment) niet op de hoogte was van het experiment, te laat was met aanmelden of vond dat meedoen aan het experiment ‘teveel gedoe’ was naast al bestaande problemen. In bijna alle gevallen lag hieraan geen wantrouwen jegens de overheid ten grondslag. Ontwikkeling klantmanagement en dienstverlening De deelnemers in de conditie Zelfregie en conditie Extra Aandacht worden begeleid door een team van klantmanagers, waarin de begeleiding naar werk en participatie centraal staat. Om het experiment ook te benutten om de dienstverlening aan burgers door te ontwikkelen, zijn met medeweten van de deelnemers klantgesprekken geobserveerd door een extern bureau.

Naar aanleiding van de observaties wordt, in samenwerking met de onderzoekers van de HvA, het klantmanagement in het experiment getraind in een door het TNO2 beproefd model voor 1

Het wetenschappelijk onderzoek vindt plaats onder bijstandsgerechtigden die woonachtig zijn in de stadsdelen Noord, Nieuw-West, Oost en Zuidoost. 2 TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) is in 1932 bij wet opgericht. Het doel van TNO is om kennis toepasbaar te maken voor bedrijven en overheden. Als publiekrechtelijke organisatie heeft TNO een onafhankelijke positie.

Gemeente Amsterdam

Datum 13 november 2020 Pagina 4 van 5

begeleiding van klanten. Daarbij wordt de verbinding met andere ontwikkelingen en vernieuwingen binnen WPI en daarbuiten gelegd op het gebied van het verbeteren van professioneel handelen en vakmanschap. Bijverdienpremie als instrument Het kunnen bijverdienen in de bestand zorgt ervoor dat werken loont en kan daarmee een belangrijke prikkel zijn voor mensen om aan het werk te gaan. Tussentijdse resultaten van het experiment laten zien dat het verruimen van de bijverdienmogelijkheden mensen stimuleert de stap naar werk en ook naar bijstandsonafhankelijkheid te maken. Daarom wil het college de bijverdienpremie breder invoeren. In lijn met het akkoord ‘Samen sterker uit de crisis’ heeft het college voor werkbonussen, waaronder de bijverdienpremie, de komende jaren € 8 miljoen vrijgemaakt. Ik zal u voor het eind van dit jaar nader informeren over de invulling van het instrument bijverdienpremie. Zoals college eerder in de brief al aangaf is het aantal deelnemers in de groep van het wetenschappelijk onderzoek dat bij aanvang van het experiment parttime werkte, in vergelijking met het totale bijstandsbestand, substantieel groter. Het is dan ook de verwachting dat de bredere uitrol van de bijverdienpremie weliswaar meer bijstandsgerechtigden zal stimuleren aan het werk te gaan, maar mogelijk niet een vergelijkbaar hoog uitstroomeffect zal genereren.

Actuele planning De planning van het vervolg van het experiment is als volgt: Wat

Wie

Hoe

Wanneer afgerond (tijdspad) T2 Q2-2021 T3 Q2-2022 (nameting) Q4-2022 (eindrapportage)

1. Wetenschappelijk kwantitatief onderzoek: inzicht in effecten beleid (financiële en maatschappelijke zelfredzaamheid bijstandsgerechtigden) 2.Kwalitatieve interviews t.a.v. verschillende onderwerpen 2. Kwalitatief onderzoek naar verschillen in kenmerken en attitudes van deelnemers en nietdeelnemers experiment 3. Effect premie: vergelijking uitstroom deelnemers en vergelijkbare groep van niet-deelnemers naar: - fulltime werk (boven bijstandsniveau)

HvA/ UvA

Drie onderzoeksgroepen: 1. Zelfregie (+ premie) 2. Extra Aandacht (+premie) 3. Vergelijkingsgroep (+premie) Indicatoren: • Financiële zelfredzaamheid • Maatschappelijke zelfredzaamheid • Welzijn

HvA/ UvA

Persoonlijke interviews (aanvullend kwalitatief T1 (afgerond) onderzoek op de 3 bestaande conditiegroepen binnen experiment)

OIS Bron: CBS

Onderzoeksvragen: a. Wat is het verschil tussen de experimentgroep en de vergelijkingsgroep, inzake uitstroom naar fulltime werk (boven bijstandsniveau)? b. Wat is het verschil in type contract van de uitstroom (boven bijstandsniveau) tussen de experimentgroep en de vergelijkingsgroep? c. Wat is het verschil in duurzaamheid van de uitstroom (boven bijstandsniveau) tussen de experimentgroep en de vergelijkingsgroep? d. Naar welke branches zijn deelnemers en niet deelnemers uitgestroomd?

T2 Q2-2021 (incl. zzpgegevens) )

Gemeente Amsterdam

Datum 13 november 2020 Pagina 5 van 5

Tot slot Het wetenschappelijk experiment loopt door tot 1 maart 2021. Daarna zullen de effecten nog een jaar worden gevolgd. De eindrapportage wordt verwacht in de 2e helft van 2022. Het rapport van de T2-meting van de HvA/UvA wordt in Q2-2021 verwacht; OIS zal dan naast een rapportage over het (uitstroom)effect van de premie ook rapporteren over de sectoren waarin mensen (in deeltijd) werken en waarnaar zij zijn uitgestroomd. Ik stel u graag in de gelegenheid om in een technische sessie de bevindingen uit de tussenrapportage met de onderzoekers te bespreken. Hiervoor heeft u in de Dagmail van 12 november jl. een uitnodiging ontvangen. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend,

Rutger Groot Wassink Wethouder Sociale Zaken

Bijlagen: 1. Experiment bijstand - tussenrapportage T1 2. Experiment bijstand - kwalitatieve onderzoeken T1 3. Experiment bijstand - Factsheet T1-meting

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9551098/1