A - 65 Diversiteit en Antidiscriminatiebeleid (9) Bijlage 2 beleidsmonitor D
Tekst van het document
-
Beleidsmonitor Diversiteit Maatschappelijke context, output en outcome Onderzoek, Informatie en Statistiek
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
In opdracht van: afd. Diversiteit, Gemeente Amsterdam Projectnummer: 20216 Auteurs: Ellen Lindeman Lotje Cohen
Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam
onderzoek.amsterdam.nl
lotje.cohen@amsterdam.nl
e.lindeman@amsterdam.nl
Amsterdam, januari 2022 Foto voorzijde: Regenboogkleuren in de stad Pride A’dam, Alphons Nieuwenhuis (2020)
2
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Inhoud
Inleiding
4
1 Antidiscriminatie
6
1.1 Maatschappelijke context 1.2 Output en outcome beleid
2 Versterken Emancipatie 2.1 Maatschappelijke context 2.2 Output en outcome
3 Verbonden Stad 3.1 Maatschappelijke context 3.2 Output en outcome beleid
4 Gedeelde Geschiedenis 4.1 Maatschappelijke context 4.2 Output en outcome beleid
6 9
11 11 18
19 19 20
23 23 25
3
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Inleiding
Diversiteit en inclusiviteit zijn belangrijk thema’s in het coalitieakkoord 2018-2022 van de Gemeente Amsterdam. Daarbij worden vier vormen van uitsluitsel benoemd: discriminatie, groeiende tweedeling (op basis van herkomst of religie, en sociaaleconomische tweedeling), achterblijvende emancipatie (van vrouwen en lhbtiq+ personen) en gevoel van onveiligheid (gevoel van veiligheid als randvoorwaarde om je vrij te kunnen voelen). Ten aanzien hiervan zijn drie ambities opgesteld. Aan het eind van de bestuursperiode: is (arbeidsmarkt)discriminatie afgenomen; zijn de netwerken en emanciperende krachten in de stad versterkt; is het (Amsterdams) burgerschap versterkt. Deze ambities zijn uitgewerkt in de vorm van vier programmalijnen die worden uitgevoerd door de afdeling Diversiteit, te weten: 1. Antidiscriminatie 2. Emancipatie (met als speciale doelgroepen: lhbtiq+ personen vrouwen) 3. Verbonden Stad 4. Gedeelde Geschiedenis. De afdeling Diversiteit heeft voor elk van deze programmalijnen strategische doelen en acties geformuleerd en wil per programmalijn kunnen aangeven op basis van welke maatschappelijke ontwikkelingen de inzet van de afdeling noodzakelijk/wenselijk is en waar het beleid meetbaar en merkbaar aan bijdraagt.
De afdeling heeft OIS (Onderzoek, Informatie en Statistiek) gevraagd mee te denken over de indicatoren die gebruikt kunnen worden om het diversiteitsbeleid met de daarbij reeds opgestelde programmalijnen, acties en doelen te monitoren. Het gaat hierbij zowel om algemene indicatoren die iets zeggen over de staat van het thema in Amsterdam (de maatschappelijke context) als om specifieke indicatoren die iets zeggen over het gevoerde beleid van de afdeling Diversiteit in termen van output (de inspanningen van de gemeente) en outcome (het effect daarvan). Voor elk van de vier programmalijnen van de afdeling Diversiteit wordt in deze monitor informatie opgenomen over de maatschappelijke context, in termen van hoe het er in Amsterdam voorstaat op dat thema. Dit wordt gedaan op basis van de meest recente beschikbare informatie waarover wordt gerapporteerd door OIS. Deze informatie is ook opgenomen in een samenvattende factsheet (‘Diversiteit en inclusiviteit in Amsterdam’, OIS, januari 2022). Verder is samen met de afdeling Diversiteit een keuze gemaakt van de te monitoren beleidsinterventies en indicatoren om de output en outcome van de verschillende interventies te meten. De indicatoren voor de output bestaan uit kwantitatieve gegevens waarbij het verloop van specifieke interventies wordt bijgehouden (zoals bijv. aantal bijeenkomsten, aantal deelnemers).
De outcome wordt gemeten aan de hand van meer kwalitatieve gegevens die zicht geven op wat het heeft bijgedragen aan de doelen (bijvoorbeeld aan de hand van een evaluatie onder deelnemers). Voor de meting van een aantal indicatoren was nieuw onderzoek nodig dat door de afdeling Diversiteit is uitgezet bij OIS en andere
4
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
onderzoeksbureaus/instanties. Met behulp van effect- en evaluatiemetingen is getracht een beeld te geven van in hoeverre de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelen van de interventies van de betreffende programmalijnen (de outcome). Daarbij hoort wel een kanttekening: Het is vaak lastig om de specifieke bijdrage van gemeentelijk beleid aan een doel concreet vast te stellen. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste zijn niet alle doelen cijfermatig geformuleerd (bijv. ‘jezelf kunnen zijn’). Ten tweede kunnen er ook andere effecten (naast de interventie) van invloed zijn en kunnen die niet uit elkaar worden gehouden. Bij dergelijke maatschappelijke interventies is er vaak niet de mogelijkheid om gebruik te maken van controles in de vorm van een voormeting en/of een controlegroep. Bijvoorbeeld, de ambitie van het college is dat aan het einde van de bestuursperiode discriminatie is afgenomen. Discriminatie is moeilijk te meten en een afname in ervaring of melding van discriminatie betekent niet per definitie dat discriminatie minder voorkomt. Bovendien is het moeilijk vast te stellen in hoeverre het gevoerde beleid daadwerkelijk bijdraagt aan veranderingen hierin, er zijn immers veel andere maatschappelijke factoren die hier invloed op kunnen hebben.
Niettemin is het belangrijk om de maatschappelijke ontwikkelingen en de stand van zaken rondom het beleid op deze beleidsterreinen te (blijven) monitoren, zeker trends over een langere periode van tijd. Dit geeft de context weer waartoe het beleid zich moet verhouden en geeft een indicatie van de richting waarin de ontwikkelingen gaan. Voor deze rapportage heeft de afdeling Diversiteit informatie over de outcome gerelateerde resultaten aangeleverd en de teksten verzorgd over de inhoud en de output van de interventies. De rapportage betreft een momentopname en geeft de stand van zaken weer van medio december 2021. De meeste interventies zijn afgerond en is er informatie beschikbaar over de output daarvan. Echter, ten tijde van het schrijven van deze rapportage zijn een aantal interventies nog niet of vrij recent gestart waardoor er nog geen (volledige) output en zeker nog geen outcome kan worden weergegeven. Ook wordt een aantal van de beleidsinterventies die in deze monitor worden geschetst op dit moment nog geëvalueerd. De resultaten van die evaluaties zijn op het moment van het verschijnen van deze monitor nog niet beschikbaar maar zullen in de loop van 2022 beschikbaar komen en worden meegenomen in de besluitvorming rondom het Diversiteitsbeleid van het nieuwe gemeentebestuur.
De ambitie is er om in een volgende rapportage een meer volledig beeld te geven van de output en outcome van de beleidsinterventies van de afdeling Diversiteit. Daarbij is het van belang dat er wordt gestreefd naar meetbare doelen van de betreffende interventies.
5
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
1 Antidiscriminatie
Discriminatie is de ultieme vorm van uitsluitsel. De ambitie van het college is dat aan het einde van de bestuursperiode discriminatie is afgenomen. Daarbij richt zij zich op verschillende vormen van discriminatie (zoals discriminatie op de arbeidsmarkt) en verschillende doelgroepen (zoals anti-zwart racisme, antisemitisme, moslimdiscriminatie en discriminatie van lhbtiq+ personen).
1.1 Maatschappelijke context Discriminatie is het onterecht verschil maken in de behandeling van mensen. Hoe is de situatie in Amsterdam; in hoeverre wordt er discriminatie ervaren en door wie? En zijn Amsterdammers bereid hier melding van te doen? Deze vragen staan centraal bij de beschrijving van de maatschappelijke context van deze beleidslijn. Dertien procent voelt zich weleens gediscrimineerd Het aandeel Amsterdammers dat zich weleens gediscrimineerd voelt, ligt in de enquête van de Veiligheidsmonitor al jaren op of rond de 13%. Dit percentage is het hoogst onder Amsterdammers met een Marokkaanse migratieachtergrond (25% in 2020), lesbische, homoseksuele en biseksuele Amsterdammers (22%) en Amsterdammers met een Surinaamse of Turkse migratieachtergrond (resp. 20% en 19%, zie afb. 1.1.). In bijna de helft van de gevallen (49%) vond het voorval op straat plaats. Een tiende deel was op het werk en een kleiner deel in een winkel (8%) of bij een sollicitatie (4%). Afb. 1.1. Aandeel Amsterdammers dat zich de afgelopen 12 maanden gediscrimineerd heeft gevoeld, 2014, 2016, 2018 en 2020 (procenten) totaal
13
geen migratieachtergrond
9
Europees/ N-Amerika/ Indonesië/ Japan
2014
12
Surinaams
20
Turks
2016
19
Marokkaans
25
vrouw
2018
12
man
2020 14
55+
10
35-54
13
15-34
16
homo/bi
22
hetero
11 0
5
10
15
20
25
% 30
bron: OIS, Veiligheidsmonitor, in De Staat van de Stad Amsterdam XI
6
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Van alle volwassen Amsterdammers die zich de afgelopen 12 maanden weleens gediscrimineerd hebben gevoeld, geeft 44% aan dat dit te maken heeft met hun ras of huidskleur, 34% met hun nationaliteit en 17% vanwege hun geslacht. In afbeelding 1.2 zijn de overige genoemde gronden te zien. Afb. 1.2 Op grond waarvan heeft u zich in de afgelopen 12 maanden gediscrimineerd gevoeld?, 2014, 2016, 2018 en 2020 (meerdere antwoorden mogelijk, procenten onder gediscrimineerden) ras, huidskleur
44
nationaliteit
2014
34
geslacht
17
godsdienst of levensovertuiging
2016
14
leeftijd
13
homoseksuele gerichtheid
2018
12
politieke overtuiging
2020
4
burgerlijke staat
4
handicap of chronische ziekte
3
soort contract (vast of tijdelijk)
3
arbeidsduur (fulltime of parttime)
2
transseksualiteit
1
anders
%
9 0
10
20
30
40
50
bron: OIS, Veiligheidsmonitor, in De Staat van de Stad
Meldingsbereidheid van discriminatie: 8% van de Amsterdammers meldt discriminatie1 Acht procent van diegenen die de afgelopen 12 maanden discriminatie hebben ervaren, geeft aan daarvan melding te hebben gemaakt. Het vaakst gaat het om melding bij de politie (38% van de meldingen) of bij de betreffende organisatie (24%). Daarna zijn de werkgever (13%) of het MDRA (Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam, 12%) het vaakst genoemd. 55-plussers lijken vaker melding te doen bij ervaren discriminatie dan jongere Amsterdammers. Verder doen Amsterdammers met een afgeronde universitaire of hbo-opleiding minder vaak melding van hun ervaren discriminatie dan zij met een ander opleidingstype. Diegenen die zich gediscrimineerd voelden vanwege hun seksuele geaardheid doen daar minder vaak een melding van dan gemiddeld en zij die zich gediscrimineerd voelden vanwege hun godsdienst of levensovertuiging juist meer.2 Ruim de helft van diegenen die geen melding van het voorval van discriminatie hebben gedaan, deed dat omdat ze denken dat het geen zin heeft om te melden (56%). Dertig procent vond het voorval niet ernstig of belangrijk genoeg om er melding van te maken en 8% heeft het zelf
1 Bron: OIS, VM 2020. Sinds het derde kwartaal van 2020 worden in de enquête van de OIS Veiligheidsmonitor (VM)
vragen gesteld over de meldingsbereidheid bij ervaren discriminatie. 2 De aantallen in de enquête van 2020 zijn nog wat klein om harde uitspraken over verschillende groepen en voorvallen
te kunnen doen. Eind 2021 zullen er meer gegevens hierover beschikbaar zijn
7
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
opgelost. Zestien procent wist niet dat het mogelijk was om melding van de ervaren discriminatie te doen. Toenemend aantal meldingen van discriminatie bij het MDRA Een andere bron om zicht te krijgen op het voorkomen van discriminatie in de stad is te kijken naar het aantal en type meldingen van discriminatie, het soort en de ontwikkelingen daarin.3 In 2020 vond er een verdubbeling van het aantal meldingen bij het MDRA plaats: de meldingen zijn gestegen van 595 in 2019 naar 1.309 meldingen in 2020. De toename van het aantal meldingen kwam grotendeels door corona (519 extra meldingen over corona). Het Meldpunt heeft veel corona gerelateerde meldingen van discriminatie ontvangen zoals van mensen met een Aziatische achtergrond vanwege discriminerende opmerkingen over het coronavirus en meldingen over een discriminerend carnavalslied. Daarnaast weerspiegelt het protest op 1 juni 2020 vanuit de Black Lives Matter zich in een toenemend aantal meldingen. Net als in 2019 ging meer dan de helft van de meldingen (57%) over discriminatie op basis van herkomst/huidskleur. Het MDRA voert momenteel een nader onderzoek uit in opdracht van de afdeling Diversiteit. De resultaten van het onderzoek zullen begin 2022 worden opgeleverd.
Discriminatie op de arbeidsmarkt: 21% bij sollicitatie en 15% op werkvloer Voor de aanpak van discriminatie op de arbeidsmarkt heeft de gemeente medio 2019 een apart programma met interventies ontwikkeld, dat ook apart wordt gemonitord. Vanuit de Regionale Enquête Beroepsbevolking van OIS is informatie beschikbaar over de ervaren discriminatie bij solliciteren en op de werkvloer.4 Recente resultaten (juli 2020-juni 2021) tonen dat 21% van de Amsterdammers die in de afgelopen 12 maanden is afgewezen bij een sollicitatie voor een baan of stage denkt dat discriminatie (soms) een reden daarvoor was en 13% twijfelt of daar sprake van was. Oudere Amsterdammers (55+) en Amsterdammers met een migratieachtergrond, met name Marokkaans, ervaren dit relatief vaak. Vijftien procent van de werkende Amsterdammers heeft de afgelopen 12 maanden discriminatie op het werk ervaren. Het gaat daarbij vaak om kwetsende grappen door collega’s. Amsterdammers met een migratieachtergrond, vooral Marokkaans of Turks, en jongeren ervaren relatief vaak discriminatie op de werkvloer. In de uitzendbranche komt discriminatie vaker voor dan in andere branches. Het ervaren van discriminatie heeft een negatieve impact op de tevredenheid met het werk, ervaren geluk en de gezondheid.
De resultaten van de enquête komen grotendeels overeen met de vorige meting en ook het aantal geregistreerde meldingen van discriminatie op de arbeidsmarkt bij het MDRA is niet veranderd in vergelijking met het jaar ervoor. Wat wel opvalt is dat Amsterdammers die discriminatie ervaren vaker als grond hiervoor huidskleur/herkomst of geloof noemen. We zien vooralsnog geen effecten van de coronacrisis op de mate van ervaren discriminatie op de arbeidsmarkt.
3 Deze informatie is te vinden in het jaarverslag van het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam
(https://mdra.nl/discriminatiecijfers-meldpunt-discriminatie-regio-amsterdam-2020-2/). 4 Zie de meet recente factsheet hierover van OIS:
https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/arbeidsmarktdiscriminatie-in-amsterdam-2021/5e9710c4-4bf6-4b1ab894-edea0f042345/
8
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
1.2 Output en outcome beleid De monitor richt zich op drie specifieke beleidsacties: a. Toolkit antidiscriminatie voor maatschappelijke organisaties: het maatschappelijk middenveld concrete tools bieden om discriminatie in hun eigen organisatie of dienstverlening aan te pakken. b. Actie-onderzoeken: in beeld krijgen welke interventies mensen die discriminatie meemaken nodig hebben en hier concrete acties op uitvoeren. c. Antidiscriminatiecampagnes: activeren van Amsterdammers om voor elkaar op te komen als zij getuige zijn van discriminatie. Ad a.) De toolkit is een website waarop acties en tools staan die maatschappelijke organisaties kunnen gebruiken ter voorkoming en bestrijding van discriminatie en zal in februari 2022 worden gelanceerd. OIS heeft een onderzoeksvoorstel opgesteld om de bekendheid en het gebruik van de toolkit in 2022 te evalueren. Ad b.) De gemeente heeft actie-onderzoeken uitgevoerd naar discriminatie onder de moslimgemeenschap, de Zwarte gemeenschap, de Joodse gemeenschap en de lhbtiq+gemeenschap. Het doel van de onderzoeken was om beter zicht te krijgen op waar discriminatie wordt ervaren, wat de achterliggende oorzaken zijn om daar wel of geen melding van te maken en welke interventies nodig zijn om de aanpak van discriminatie te verbeteren.
Op basis van de actieonderzoeken zijn verschillende acties uitgezet, namelijk: 1) het ontwikkelen van een routekaart waar mensen terecht kunnen als zij discriminatie ervaren, 2) het faciliteren van bijeenkomsten voor mensen die discriminatie meemaken om elkaar te ontmoeten, 3) het vergroten van de kennis van het onderwijsaanbod op diversiteit en inclusie. Bureau Radar werkt aan een advies of dit voldoende is en wat er eventueel nog meer mogelijk is. Ad c.) Er zijn op verschillende momenten effectmetingen uitgevoerd naar de antidiscriminatie campagne ‘Kom op’. De eerste effectmeting ging over de campagne lopend van eind juni-eind juli 2020 en werd in augustus uitgevoerd door Mediatest. Het ging om een onlineonderzoek onder 400 Amsterdammers (18-80 jaar) over 8 posters en 8 social media posts van de campagne. De helft van de respondenten geeft spontaan aan de campagne te hebben gezien. Zij die zelf discriminatie ervaren hebben het vaker gezien (62%). Men geeft het vaakst aan via posters op straat (69%) met de campagne in aanraking te zijn gekomen, de social posts (44%) worden spontaan minder vaak genoemd. In totaal herkent ruim de helft (55%) van de Amsterdammers een of meer van de campagne-uitingen na het voorleggen van de verschillende uitingen. De campagneboodschap wordt in het algemeen goed begrepen.
De posters en social post worden met een gemiddeld rapportcijfer van een 7,1 beoordeeld. Jongeren, vrouwen en Amsterdammers die de campagne herkennen waarderen de campagne het best. Een aanzienlijk grote groep (85%) vindt het positief dat de gemeente een dergelijke campagne voert. Van de Amsterdammers die weleens gediscrimineerd zijn, geeft 74% aan zich een beetje tot sterk gesteund te voelen door de campagne. De posters en de socials posts geven bij ruim driekwart (76%) het gevoel dat het tegengaan van discriminatie de verantwoordelijkheid is van iedereen. Daarnaast maken de uitingen mensen bewuster van het probleem en dat zijzelf iets aan discriminatie kunnen doen (64%) en geven stof tot nadenken (62%).
9
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
De tweede evaluatie (dec 2020) gaat over 15 posters van de campagne en betreft en onlineenquête onder 428 16 tot 80-jarigen. De hoofdconclusie van dit onderzoek is dat de campagne het goed doet, maar minder presteert (evenals bij de eerste meting) onder 50-plussers. Zij (her)kennen de campagne minder vaak en de boodschap komt bij hen ook minder vaak duidelijk over. Het bereik is sowieso lager dan bij de eerste campagneperiode (29% spontaan, 40% geholpen herkenning). De waardering van de posters en berichten ligt op een gemiddeld rapportcijfer van 7,3. Ook hier zien we een positief effecten van de posters, maar de campagne heeft niet of nauwelijks effect op het voelen van verantwoordelijkheid om als omstander discriminatie te verminderen. De derde campagneperiode, waarbij de focus op het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt lag, vond plaats van 5 tot en met 19 oktober 2021. Daarbij werden 18 verschillende portretten getoond, 9 op Facebook en 9 via Instagram stories, en via de gemeentelijke website. De kwantitatieve evaluatie van de campagne (door BKB) laat zien dat deze het goed heeft gedaan maar wel iets lager scoort dan de vorige brede campagnes wat betreft bereik en engagement. Hetzelfde geldt voor de website: minder verkeer en engagement op de website, en beperkt bereik van de Instagram stories.
De uitingen van de campagne zijn in totaal 1.078.309 getoond en zijn 191.553 unieke personen bereikt. Er kwamen in totaal 2.147 bezoekers naar amsterdam.nl via de promotie. Er kwamen 1.653 bezoekers via Instagram. Wat opvalt is dat de interactie op andere terreinen achter bleef ten opzichte van vorige campagnes.5 Deze verschillen kunnen een aantal mogelijke oorzaken hebben zoals bijvoorbeeld: dat er bij deze campagne geen gebruik is gemaakt van beelden van bekende Amsterdammers, de oproepen niet persoonlijk zijn (het gaat niet over ervaringen van de persoon in beeld) en de focus wat minder breed ligt, namelijk op discriminatie op de werkvloer, wat niet voor iedereen even relevant is. De evaluatie van de campagne die specifiek gericht is op discriminatie van lhbtiq+ personen begint in de tweede helft van december 2021 en in januari 2022 zal een overzicht beschikbaar zijn van de bevindingen.
5 Bron: BKB, Het Campagnebureau. Kwantitatieve online rapportage en media overzicht – Kom Op Amsterdam (flight 3). 26-
10-2021.
10
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
2 Versterken Emancipatie
Het gaat bij deze lijn van het beleid om de emancipatie van lhbtiq+ personen en vrouwen en is gericht op acceptatie van deze groepen, het ‘jezelf kunnen zijn’ zodat je maatschappelijk mee kunt draaien en het versterken van gendergelijkheid. Dit wordt gedaan door het faciliteren van emanciperende krachten, door het creëren van veilige plekken en het stimuleren van zichtbaarheid.
2.1 Maatschappelijke context Het gaat bij het beleid om de emancipatie van lhbtiq+ personen en vrouwen en is gericht op acceptatie van deze groepen, het ‘jezelf kunnen zijn’ zodat je maatschappelijk mee kunt draaien en gendergelijkheid. In de monitor worden de volgende indicatoren opgenomen die hier een beeld van geven: a. Score op schalen acceptatie: gemiddelde score op de acceptatieschaal voor rechten van paren van gelijk geslacht en van transgender personen (bron: OIS, ABM 2019). b. Zich onveilig voelen (bron: OIS, Veiligheidsmonitor 2020) c. Ervaren verdeling van arbeid en zorg in het huishouden tussen mannen en vrouwen (bron: OIS, REB). d. Verkenning van een nieuw te ontwikkelen indicator over ‘jezelf kunnen zijn’ van onder andere lhbtiq+ Amsterdammers. Hierover zijn nieuwe vragen toegevoegd aan de Amsterdamse Burgermonitor 2021 die eind 2021 gaat lopen en waarvan de data medio 2022 beschikbaar komen. Hieronder worden de overige indicatoren voor de verschillende doelgroepen nader toegelicht en voor zover mogelijk al de huidige stand van zaken weergegeven.
Lhbtiq+ personen Naar schatting 8 tot 10 procent van de Amsterdammers is homoseksueel of lesbisch.6 Daarbij is 13 tot 15 procent van de mannen homoseksueel en 3 tot 5 procent van de vrouwen lesbisch. Volgens deze schattingen is 4 tot 7 procent biseksueel; 3 tot 4 procent onder mannen en 5 tot 9 procent onder vrouwen.
6 Deze schattingen zijn gemaakt op basis van drie enquêtes van OIS: De Staat van de Stad Amsterdam, De
Veiligheidsmonitor (beide 2020) en de Amsterdamse Burgermonitor 2019 (ABM). In De Staat van de Stad is gevraagd of de respondent zijn/haar voorkeur uitgaat naar een relatie met een man of een vrouw of beide, in de Veiligheidsmonitor en de ABM is gevraagd naar tot welk geslacht men zich voelt aangetrokken (inclusief beiden). De percentages zijn berekend over de respondenten die een voorkeur opgaven bij de betreffende vraag (man/vrouw/beiden). De respondenten bij de Veiligheidsmonitor zijn 15 jaar of ouder, die in de ABM 16 jaar en ouder en die bij De Staat van de Stad 18 jaar en ouder.
11
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Twaalf tot 16 procent van de volwassen Amsterdammers behoort hiermee tot de groep die zich identificeert als lesbisch, homoseksueel of biseksueel: 15 tot 19 procent van de mannen en 9 tot 12 procent van de vrouwen. Afb. 2.1 Schattingen aandeel lhb (procenten) bi
homo/lesbisch
bi/homo/lesbisch
hetero
man
3-4
13-15
15-19
81-85
vrouw
5-9
3-5
9-12
88-91
totaal
4-7
8-10
12-16
84-88
bron: OIS, op basis van diverse enquêtes
Het is niet bekend hoeveel procent van de Amsterdammers onder de overige doelgroepen van de lhbtiq+ gemeenschap (transgender personen, intersekse personen, queer personen en anderen) valt. Wel zijn er in 2011 landelijke schattingen gedaan naar het aandeel transgender personen in Nederland: 0,6% van de mannen in Nederland en 0,2% van de vrouwen zou een ‘ambivalente of incongruente genderidentiteit hebben, onvrede over het eigen lichaam en een behandelwens’.7 Er bestaat geen schatting of berekening voor Amsterdam maar waarschijnlijk zijn er relatief meer transgender personen in Amsterdam vergeleken met de rest van Nederland. Het lhbtiq+-gunstig klimaat van de stad is bekend en bovendien doet het VUmc de meeste geslachtstransformaties in Nederland. OIS heeft voorheen in verschillende factsheets de algehele positie van lhbtiq+ personen in Amsterdam in beeld gebracht.8 Daarbij gaat het voornamelijk om lesbische, homoseksuele en biseksuele personen omdat er over de overige groepen weinig bekend is, zeker specifiek voor Amsterdam. In deze monitor wordt ingegaan op aparte aspecten hiervan, namelijk acceptatie van lhbtiq+ personen en het zich onveilig voelen (van lesbische, homoseksuele en biseksuele personen). Naast deze cijfers is er behoefte aan cijfers over biculturele lhbtiq+ personen. Daar zijn echter geen Amsterdamse cijfers over.
Geaccepteerd worden; mate van homoacceptatie onveranderd hoog Aan de hand van vijf stellingen in de Amsterdamse Burgermonitor van OIS over de rechten van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen is een schaal opgesteld om de mate van homoacceptatie te meten.9 De stellingen zijn afkomstig uit landelijk onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).10 Een 1 op de schaal staat voor niet accepterend en een 5 voor heel accepterend ten aanzien van de rechten van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen.
7 Kuyper, 2012. Onderzoek Seksuele Gezondheid in Nederland. 8 zie:
https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/lhbti-amsterdammers-2018/758f0700-df0f-4380-8a8b16d35e92e0bf/ https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/fact-sheet-lhbti-amsterdammers/6c89fdce-d18d-4dd8-bc5f1bf292838217/ https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/lhbti-amsterdammers-2018 9 In navolging van het SCP is gevraagd naar homoseksuele mannen en lesbische vrouwen, hoewel deze terminologie
minder inclusief is dan het breder geaccepteerde lhbti. 10 Kuyper, L. (2018). Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa, Den Haag: Sociaal Cultureel
Planbureau. Gegevens over opvattingen over homoseksuele mannen, lesbische vrouwen en transgender personen afkomstig uit de Leefsituatie-index (SLI) 2016-2017.
12
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
In 2019 scoren Amsterdammers gemiddeld een 4.5 op deze schaal, dit is vergelijkbaar met 2017. Zo geeft vier op de 10 (41%) aan geen enkele moeite te hebben met homoacceptatie (score: 5); 8% scoort lager dan een 3 op de acceptatieschaal. Van de Amsterdammers zou 86% het geen probleem vinden als hun kind les krijgt van een homoseksuele docent. Zie afbeelding 2.2 voor de overige stellingen. Afb. 2.2 Stellingen homoacceptatie in Amsterdam (2019) 11, procenten
Ik zou het geen probleem vinden als mijn kind op school les krijgt van een homoseksuele leraar of een lesbische lerares.
86
Ik heb er geen moeite mee als ik twee mannen hand in hand zie lopen.
83
Het homohuwelijk moet worden behouden.
82
Ik zou er geen moeite mee hebben als mijn kind een homoseksuele of lesbische relatie zou hebben.
74
Homoseksuele paren moeten dezelfde rechten hebben als heteroseksuele paren bij het adopteren van kinderen.
71 % 0
20
40
60
80
100
bron: OIS, ABM 2019
Amsterdammers zijn meer accepterend dan gemiddeld in Nederland. Zo geeft bijvoorbeeld 83% van de Amsterdammers aan dat zij er geen moeite mee hebben als mannen op straat hand in hand lopen, tegenover 53% in Nederland. Toch blijven Amsterdammers hierover iets minder tolerant ten opzichte van homoseksuelen dan ten opzichte van heteroseksuelen: 89% zou er geen moeite mee hebben om een man en een vrouw hand in hand te zien lopen. Verder geldt: hoe hogere opleiding men heeft genoten, des te hoger is de mate van homoacceptatie. Dat geldt vooral voor het homohuwelijk. In Amsterdam meer acceptatie van genderdiversiteit dan in Nederland In de Amsterdamse Burgermonitor van OIS is voor de tweede keer gevraagd naar opvattingen over transgender personen en genderdiversiteit (zie afb. 2.3). Hiervoor is gebruik gemaakt van vijf stellingen afkomstig uit het eerdergenoemde landelijk onderzoek van het SCP. Aan de hand van deze vijf stellingen is een schaal opgesteld om transgenderacceptatie te meten. Een 1 op de schaal staat voor niet accepterend en een 5 voor heel accepterend ten aanzien transgender personen. Amsterdammers scoren gemiddeld een 4,3 op deze schaal; dat is iets lager dan de score bij homoacceptatie. Ruim een derde (36%) geeft aan geen enkele moeite te hebben met transgenderacceptatie (score: 5); 10% scoort lager dan een 3 op de acceptatieschaal.
11 De stellingen zijn in de vragenlijst omgekeerd geformuleerd. Er is bijvoorbeeld gevraagd in hoeverre bent u het eens
met de volgende stelling: het homohuwelijk moet worden afgeschaft.
13
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Het acceptatieniveau van transgender personen is vergelijkbaar met 2017. Alleen bij de stelling over hoe belangrijk het is om te weten of iemand man of vrouw is, neemt de acceptatie iets toe. Op alle punten zijn Amsterdammers meer accepterend dan de gemiddelde Nederlander. Verder zijn Amsterdammers met maximaal een afgeronde voorbereidende beroepsopleiding wat minder accepterend dan zij met een ander type opleiding. Afb. 2.3 Stellingen transgenderacceptatie in Amsterdam, 2017 en 2019 (procenten) 12 13 Ik verbreek de vriendschap niet als blijkt dat een goede vriendin haar lichaam wil laten aanpassen om man te worden.
88 86
Ik verbreek de vriendschap niet als blijkt dat een goede vriend zijn lichaam wil laten aanpassen om vrouw te worden.
88
87
Ik zou er geen moeite mee hebben om met mensen om te gaan van wie niet duidelijk is of ze man of vrouw zijn.
85 84
81
Er is niets mis met mensen die zich geen man of vrouw voelen.
80
Als ik iemand ontmoet, dan vind ik het niet belangrijk om te weten of iemand man of vrouw is.
63 58 % 0
20 2019
40
60
80
100
2017
bron: OIS, ABM 2019
Lhbtiq+ personen voelen zich vaker weleens onveilig dan heteroseksuelen In de enquête van de Veiligheidsmonitor van OIS wordt gevraagd: “Voelt u zich weleens onveilig in het algemeen?”. Uit de enquête van 2020 komt naar voren dat Amsterdammers die niet heteroseksueel zijn zich vaker onveilig voelen dan heteroseksuelen. Zo voelt 47% van de biseksuele mensen zich onveilig en 44% van de homoseksuele/lesbische mensen versus 40% van de heteroseksuelen (zie afb. 2.4). Homoseksuele mannen voelen zich vaker weleens onveilig (45%) dan heteroseksuele (29%) of biseksuele mannen (27%). Bij de vrouwen voelen biseksuele vrouwen zich vaker weleens onveilig (58%) dan hetero vrouwen (49%) en lesbische vrouwen (39%).
12 De stellingen zijn in de vragenlijst omgekeerd geformuleerd. Er is bijvoorbeeld gevraagd in hoeverre bent u het eens
met de volgende stelling: Er is iets mis met mensen die zich geen man of vrouw voelen. 13 In de vraagstelling van het landelijk onderzoek (SCP, SLI ’16/’17) was er geen antwoordoptie ‘weet ik niet.’ Ter
vergelijking van Amsterdam met Nederland is daarom voor Amsterdam het percentage ‘(helemaal) mee oneens’ berekend op basis van alleen de groep respondenten die de vraag hebben beantwoord (d.w.z., exclusief respondenten die ‘weet ik niet’ of niets hebben geantwoord).
14
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Afb. 2.4 Onveiligheidsgevoelens naar seksuele gerichtheid en geslacht (procenten ‘voelt zich weleens onveilig’)
homo/lesbisch
44
biseksueel
47
hetero
40
homo man
45
bi man
29
hetero man
27
gemiddeld
32
lesbi vrouw
39
bi vrouw
58
hetero vrouw
49
gemiddeld
47
0
10
20
30
40
50
%
60
70
bron: OIS, Veiligheidsmonitor 2020
Vrouwen De positie van vrouwen op verschillende terreinen is voorheen in beeld gebracht door OIS in onder andere de Monitor Vrouwenemancipatie.14 Een belangrijke indicator is het aandeel vrouwen dat economisch zelfstandig is. Daarnaast is informatie beschikbaar over loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen en de tevredenheid over de taakverdeling in het huishouden (werk, huishoudelijke taken en zorg voor kinderen).15 Economische zelfstandigheid vrouwen; 66% versus 75% onder mannen Economisch zelfstandig wil zeggen dat iemand door arbeidsinkomen in het eigen levensonderhoud kan voorzien. Van de Amsterdamse vrouwen was in 2019 66% economisch zelfstandig; van de mannen 75%.16 Onder eenoudergezinnen zien we dat zowel alleenstaande vaders als moeders minder vaak economisch zelfstandig zijn dan gemiddeld: 69% van de alleenstaande vaders (versus 75%) en
14 Zie bijv.: https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/monitor-vrouwenemancipatie-2017/3b67b1fa-
617e-4fd9-9285-1e7df93999de/ 15 Deze informatie komt uit een OIS-rapportage die is afgerond. Daarbij wordt speciale aandacht besteed aan de
positie van laagopgeleide (niet-westerse) vrouwen en alleenstaande moeders. 16 De gegevens over economische zelfstandigheid zijn afkomstig uit het Integraal Inkomens-en Vermogensonderzoek
(IIV) van het CBS (2019) en bewerkt door OIS.
15
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Beleidsmonitor Diversiteit
53% van de alleenstaande moeders (versus 66% gemiddeld). Verder zijn zowel Amsterdamse mannen als Amsterdamse vrouwen met maximaal een afgeronde voorbereidende beroepsopleiding minder vaak economisch zelfstandig dan mannen en vrouwen met een ander type opleiding (zie afb. 2.5). Vrouwen met een migratieachtergrond zijn minder vaak economisch zelfstandig dan gemiddeld, dat geldt zeker voor de eerste generatie. Dit hangt samen met dat deze groep minder vaak hoogopgeleid is. Afb. 2.5 Economische zelfstandigheid naar opleiding* en geslacht, 2019 (procenten)
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
aandeel economisch zelfstandigen
%
69
52
85
77
75
V
M
56
66
27 0
M
V laag
M
V
middelbaar
0
M hoog
V
totaal
*De cijfers over opleidingsniveau zijn gewogen omdat niet voor iedereen het hoogst behaalde opleidingsniveau geregistreerd staat.
bron: CBS, bewerking OIS
Loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen17; vrouwen verdienen 16% minder Het procentuele verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen wordt ook wel de loonkloof genoemd. Gemiddeld verdienen Amsterdamse mannen in loondienst 16% meer per uur dan Amsterdamse vrouwen in loondienst (resp. gemiddeld €26,80 per uur en gemiddeld €23,16 per uur). Bij voltijdwerkenden verdienen mannen 12% meer per uur dan vrouwen. De loonkloof tussen mannen en vrouwen is groter naarmate de leeftijd toeneemt en onder hoogopgeleiden. Zo verdienen hoogopgeleide mannen van 45 jaar en ouder gemiddeld 20% meer per uur dan hoogopgeleide vrouwen van die leeftijd. In de sectoren cultuur, sport en recreatie, gezondheids- en welzijnszorg is er sprake van een relatief grote loonkloof tussen mannen en vrouwen en tegelijkertijd zijn er in deze sectoren meer vrouwen werkzaam dan mannen. De verschillen worden kleiner, maar blijven overeind, wanneer we corrigeren voor leeftijd, opleidingsniveau en dienstverband. Mening over verdeling arbeid en zorg; vrouwen iets minder vaak tevreden dan mannen Driekwart van de geënquêteerde vrouwen die een huishouden vormen met een partner is (zeer) tevreden over de verdeling van werk-, huishoudelijke en zorgtaken binnen het huishouden, slechts 5% is (zeer) ontevreden. Zij zijn hierover iets minder vaak (zeer) tevreden dan mannen (74% versus 82%).
Vrouwen die geen betaald werk hebben, zijn minder vaak tevreden over de verdeling van deze taken (70%), vooral wanneer hun partner ook geen betaald werk heeft (58%). Daarnaast zijn 17 De gegevens over loonongelijkheid zijn afkomstig van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden met
daarin gegevens over banen en lonen van werknemers bij Nederlandse bedrijven (polisadministratie), peildatum januari 2020.
16
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
vrouwen met kinderen minder vaak tevreden over deze verdeling dan vrouwen zonder kinderen (zie afb. 2.6). Ook zijn vrouwen met een afgeronde hbo-/wo-opleiding vaker tevreden dan vrouwen met een ander type opleiding, dat geldt vooral voor vrouwen met een migratieachtergrond. Figuur 2.6 In welke mate bent u tevreden over de verdeling van werk-, huishoudelijke en zorgtaken in uw huishouden? (onder vrouwen wonend met partner), naar werksituatie en al dan niet kinderen, 2019-2020 (n=2.005, procenten)
werkt voltijds
24
werkt deeltijd
22
werkt niet/niet bekend
kinderen
15
jonge kinderen
18
5
17
53
7
3 3
14
53
6
20 53
22
4 1
19
50
26
4 2
14
53
19
geen kinderen
totaal
56
20
53
17
5 7
2
5
4 %
0 zeer tevreden ontevreden
10
20
30 tevreden
40
zeer ontevreden
50
60 70 80 90 niet tevreden/niet ontevreden
100
weet ik niet
bron:OIS, REB
Bijna de helft van de werkende moeders heeft een enkele keer het gevoel dat ze op dit moment familie- of gezinsactiviteiten missen of verwaarlozen door hun werk. Dat is vaker dan onder werkende vaders. Voltijdwerkende moeders hebben vaker dat gevoel, evenals werkende alleenstaande moeders. Het gevoel het werk te verwaarlozen of te missen door familie- of gezinsverantwoordelijkheden komt minder vaak voor (35% een enkele keer, 10% vaak) en verschilt niet significant van de gevoelens van werkende vaders. Moeders die voltijds werken zeggen vaker dergelijke gevoelens te hebben. Vrouwen voelen zich vaker weleens onveilig dan mannen, vooral jonge vrouwen Uit de Veiligheidsmonitor van OIS van 2020 komt naar voren dat vrouwen zich in het algemeen vaker weleens onveilig voelen dan mannen; 47% versus 32% (zie afb. 2.4). Het verschil is niet alleen groot onder heteroseksuelen (49% van de heteroseksuele vrouwen voelt zich weleens onveilig versus 29% van de heteroseksuele mannen), maar ook onder biseksuelen (58% versus 27%). De verschillen tussen lesbische vrouwen en homoseksuele mannen is minder groot (resp. 39% en 45%).
17
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
De mate waarin vrouwen zich onveilig voelen verschilt sterk tussen leeftijdsgroepen, terwijl dat bij mannen niet het geval is. Jonge vrouwen (15-34 jaar) voelen zich vaker onveilig dan oudere vrouwen en vaker dan mannen van die leeftijd; zo voelt 58% van de vrouwen tussen de 15 en 35 jaar zich weleens onveilig tegenover 33% van de mannen van die leeftijd.
2.2 Output en outcome De monitor richt zich op de output en outcome van twee beleidsacties: a. Vrouwenrechtswinkel (geopend in september 2021) b. Regenbooghuis (op te zetten in 2022). Ad a.) De Vrouwenrechtswinkel (VRWA) is in september 2021 geopend. Het doel van de vrouwenrechtswinkel is om: Toegankelijke rechtsinformatie voor (kwetsbare) vrouwen te organiseren. Het huidige juridische ondersteuningsaanbod aan te vullen met een gendersensitieve en genderspecifieke juridische aanpak en benadering. Amsterdamse vrouwen actief te tonen dat de gemeente voor ze staat en hen ondersteunt. De vrouwenrechtswinkel is een fysieke locatie voor en door vrouwen, met bij voorkeur vrouwelijke juridisch adviseurs en medewerkers. Het is een laagdrempelige plek waar vrouwen juridisch advies in kunnen winnen en waar cultuursensitief wordt gewerkt. Het aantal bezoekers aan de Vrouwenrechtswinkel en het soort zaken waar zij mee komen worden bijgehouden. Hierover is een tussenrapportage uitgebracht (15 november 2021, ‘Vrouwenrechtswinkel Amsterdam’, Amsterdam Law Hub –Bureau Clara Wichmann). Daaruit komt naar voren dat er in de periode 9 september – 15 november 2021 25 spreekuren zijn gehouden. In deze periode hebben de juridisch adviseurs 119 zaken in behandeling genomen.
Op 15 november zijn 37 zaken afgehandeld en de overige zaken zijn nog in behandeling, dat betekent dat er bijvoorbeeld onderzoek wordt gedaan, of er is een advies gegeven maar er moeten nog vervolgstappen worden gezet etc. Cliënten kunnen met alle juridische vragen bij de VRWA terecht. Echtscheidingsproblematiek komt het vaakst voor; vrouwen hebben vragen over partneralimentatie, woonruimte na de scheiding, gemeenschappelijk bezit en ouderlijk gezag. Andere veelvoorkomende zaken zijn op arbeidsrecht; veel vragen over vaststellingsovereenkomsten, ziekmeldingen en de gevolgen voor een arbeidscontract en een enkele zaak over zwangerschapsdiscriminatie. Overige zaken zijn bijvoorbeeld: huurrecht (overlast, illegale verhuur), bestuursrecht (gemeentelijke boete), consumentenrecht (vorderingen), vreemdelingenrecht (verblijfsvergunning regulier), strafrecht (stalking, mensenhandel) en ook nog schulden (DUO, gemeente), kinderbijslag, toeslagen, fraude. Ad b.) Het is nog te vroeg om in deze rapportage informatie over het Regenbooghuis op te nemen, omdat deze pas in 2022 wordt geopend.
18
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
3 Verbonden Stad
In Amsterdam wonen en werken veel verschillende groepen mensen. Verschillen tussen deze groepen kunnen leiden tot onbegrip en uitsluiting. Om met elkaar verbonden te zijn, moet je elkaar kennen en spreken. Met Verbonden Stad investeert de gemeente Amsterdam in dialoog, ontmoeting en netwerkvorming. Ook zet de gemeente door middel van het subsidieinstrumentarium in op het versterken en ondersteunen van maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor diversiteit en inclusie in Amsterdam.
3.1 Maatschappelijke context In hoeverre voelen Amsterdammers zich verbonden met hun stad en hun buurt en hoe uit zich dat? Geldt dat voor bepaalde groepen Amsterdammers meer of minder? Deze vragen staan centraal om de maatschappelijke context van deze beleidslijn te beschrijven. Daarbij zijn de volgende indicatoren benoemd: a. Zich verbonden voelen met de stad (bron: OIS, Amsterdamse Burgermonitor 2019). b. Contacten met buren/buurtgenoten en ervaren sociale cohesie in de buurt (bron: OIS 2021, Staat van de Stad Amsterdam XI, cijfers over 2020) c. Intercultureel contact (idem). Verbondenheid met de stad; vooral hoog onder hbo-/wo-opgeleiden en 30-54-jarigen Vier op de vijf Amsterdammers voelt zich verbonden met hun stad, zo blijkt uit de Amsterdamse Burgermonitor 2019 van OIS. Dit aandeel is stabiel over de jaren heen. Gemiddeld genomen voelen Amsterdammers zich het meest verbonden met hun stad (80%), maar 55% van de Amsterdammers zich (ook) verbonden met zijn of haar stadsdeel,66% met de buurt en 76% met Nederland). De verschillen tussen groepen Amsterdammers in verbondenheid met de stad zijn relatief klein. Wel geldt dat hoe langer iemand in Amsterdam woont, hoe meer men zich verbonden voelt met de stad. Daarnaast voelen hbo-/wo-opgeleiden en Amsterdammers in de leeftijd van 30 t/m 54 jaar zich gemiddeld meer verbonden met hun woonplaats dan andere groepen.
Amsterdammers die binnen de ring wonen voelen zich meer verbonden met de stad dan Amsterdammers die buiten de ring wonen. Dat geldt ook bij verbondenheid met hun stadsdeel en hun buurt. Dit verschil blijft bestaan na het controleren voor leeftijd, opleiding en migratieachtergrond. Contacten buren/buurtgenoten; vaakst bij ouderen, migranten, mensen met hoog inkomen, vrijwilligers In 2020 had 42% Amsterdammers minstens één keer in de week contact met directe buren en 15% had wekelijks contact met buurtgenoten, aldus de tweejaarlijkse De Staat van de Stad enquête van OIS. Deze contacten zijn in 2020 afgenomen, mogelijk mede als gevolg van de coronamaatregelen, maar deze afnemende trend is al langer gaande. Zo is het deel dat de buren zelden tot nooit spreekt afgelopen jaren gestegen van 13% in 2014 naar 20% in 2020.
19
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Onder de groep Amsterdammers die vaak contact heeft met hun buren en overige buurtgenoten (wekelijks of vaker, resp. 42% en 15%) vallen vooral mensen van 35 jaar en ouder, gepensioneerden en mensen met een migratieachtergrond. We zien daarnaast dat mensen met een hoger inkomen relatief veel contact hebben met de buren en dat zij die vrijwilligerswerk doen veel contact hebben met buurtgenoten. De groep inwoners die weinig contact heeft met hun buurtgenoten bestaat voor een groot deel uit studenten. We zien dat er in stadsdeel Noord bovengemiddeld veel contact bestaat tussen buren. Sociale cohesie; meer ervaren onder huishoudens met kinderen, diverse gebieden, minder onder jongeren De ervaren sociale cohesie in de buurt wordt uitgedrukt als een score tussen de 0 en de 10.18 Hoe hoger de score, hoe meer sociale cohesie men ervaart in de buurt. In 2020 komt de gemiddelde sociale cohesie in de stad uit op 5,7. De gemiddelde sociale cohesie in de stad is vrij stabiel over de jaren heen. Met name mensen die veel vertrouwen hebben in buurtgenoten ervaren meer sociale cohesie. Huishoudens met kinderen ervaren meer sociale cohesie dan huishoudens zonder (thuiswonende) kinderen. Jonge Amsterdammers ervaren minder sociale samenhang dan oudere stadbewoners.
Intercultureel contact; meest bij tweede generatie met een migratieachtergrond Door de coronamaatregelen waren er in 2020 minder kansen voor ontmoeting en dus ook voor contact tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Volgens De Staat van de Stad enquête van OIS is het aandeel Amsterdammers (van 18 jaar en ouder) dat vaak contact heeft met andere bevolkingsgroepen tussen 2018 en 2020 met vijf procentpunt gedaald tot 28%. Vier op de tien heeft soms contact met andere groepen (39%) en drie op de tien zelden tot nooit (31%). Hiermee zet de daling in contact tussen verschillende bevolkingsgroepen sinds 2016 door in 2020. Amsterdammers met een migratieachtergrond hebben beduidend vaker contact met andere bevolkingsgroepen (35%) dan inwoners zonder migratieachtergrond (20%). Met name tweede generatie migranten waarvan beide ouders een migratieachtergrond hebben brengen het gemiddelde omhoog (50%). Verder hebben Amsterdammers die zich verwant voelen met een godsdienst of religie bovengemiddeld vaak contact met andere groepen inwoners (38%). Hetzelfde geldt voor volwassenen uit eenoudergezinnen (37%).
3.2 Output en outcome beleid De monitor richt zich op de output en outcome van de volgende acties bij deze beleidslijn: a. Dialogen in buurten b. Ambassadeurs van Amsterdam c. Subsidie-instrument diversiteit
18 Hoe Amsterdammers de sociale cohesie in hun buurt ervaren wordt in de Veiligheidsmonitor van OIS gemeten
op basis van de volgende stellingen: De mensen in de buurt kennen elkaar nauwelijks. De mensen in deze buurt gaan op een prettige manier met elkaar om. Ik woon in een (gezellige) buurt waar veel saamhorigheid is. Ik voel me thuis bij de mensen die in deze buurt wonen.
20
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Ad a.) Dialogen in buurten Dialogen in Buurten is gericht op het realiseren van dialoog en ontmoeting tussen buurtbewoners. De buurtdialogen liepen van april tot en met november 2021. Ondanks covid-19 hebben veel activiteiten plaatsgevonden in alle stadsdelen. Als we kijken naar de type activiteiten dan zien we dat er verschillende vormen werden gebruikt om dialoog en ontmoeting te realiseren, zoals filmprojecten, wandeltochten, klassieke dialoogbijeenkomsten (live danwel digitaal), radio-uitzendingen en podcasts. De activiteiten zijn bijgehouden en er vindt in het eerste kwartaal van 2022 een evaluatie van de activiteiten onder de deelnemers plaats. In deze evaluatie wordt het volgende inzichtelijk gemaakt: 1. De type activiteiten en onderwerpen per activiteit. 2. De bezoekersaantallen en/of het bereik van de activiteiten. 3. De uitkomsten en het mogelijk effect van de activiteiten (outcome). Ad b.) Ambassadeurs van Amsterdam Ambassadeurs van Amsterdam is een gratis leiderschapsprogramma voor jongeren dat in 2020 is gestart. Het programma is bedoeld om jongeren met leiderschapspotentieel te ondersteunen en om hun talenten voor de stad en de buurt in te zetten. Om recht te doen aan de verschillen in leefstijlen tussen jongerengroepen zijn er twee programma’s: een programma voor 10- tot en met 17-jarigen en een programma voor 18 tot en met 25-jarigen.
Het programma voor 10- tot en met 17-jarigen is in samenwerking met verschillende partners, zoals de Weekendacademie, Designaton en Discussiëren kun je leren. Dit programma is vooral gericht op het bewust maken van de jongeren van hun potentiële leiderschap. Het programma voor 18- tot en met 25-jarigen bestaat uit een stedelijk programma gecoördineerd door de Bildung Academie en een verkorte versie door verschillende partnerorganisaties in de stadsdelen, zoals Sociaal Cement en Vooruit. Vanuit het stedelijk programma hebben de jongeren negen bijeenkomsten bijgewoond met een afsluitende challenge. OIS is deze activiteit in opdracht van de afdeling Diversiteit aan het monitoren. In oktober 2021 zullen alle interviews onder de partnerorganisaties zijn afgerond en in januari 2022 zullen enquêtes onder de jongeren worden uitgezet. Ad c.) Subsidie-instrumentarium Diversiteit Om maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor Diversiteit en inclusie in Amsterdam te versterken is in 2021 het subsidie-instrumentarium van Diversiteit aangepast. Hiermee wil de gemeente maatschappelijke organisaties meerjarige financiële zekerheid geven. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is een nieuwe subsidieregeling vastgesteld: ‘Diversiteit en Inclusiviteit voor Allianties Amsterdam 2021-2023’.
De kern van deze regeling is dat maatschappelijke organisaties, verenigd in een alliantie, partnerschappen vormen op de bestuurlijke prioriteiten van diversiteit en inclusiviteit en hier stadsbreed mee aan de slag gaan. In de zomer van 2021 is na een uitgebreide beoordelingsprocedure subsidie verstrekt aan een zestal allianties die aan de slag gaan met de volgende bestuurlijke prioriteiten: 1. Gendergelijkheid in werk 2. Zichtbaarheid en pride 3. Biculturele lhbtiq+ 4. Antidiscriminatie 5. Inclusief herdenken 6. Koloniaal verleden en de doorwerking. In juni 2022 wordt een rapportage over de voortgang van de allianties opgeleverd.
21
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Omdat de gemeente Amsterdam ook veel waarde hecht aan (zelf-)organisaties die op stadsdeelniveau emanciperende krachten vormen, is besloten deze vanuit het diversiteitsbeleid te blijven ondersteunen via de sociale basis. Daarom is een deel van de middelen uit de Subsidieregeling ‘Burgerschap en Diversiteit’ ondergebracht bij de Subsidieregeling ‘Sociale Basis Amsterdam 2021’. Zo blijft het mogelijk om deze partijen in de stadsdelen te blijven financieren.
22
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
4 Gedeelde Geschiedenis
De programmalijn Gedeelde Geschiedenis levert een bijdrage aan een sterke en weerbare stad. Het kennen en delen van bekende en minder bekende verhalen over de stad en haar inwoners draagt bij aan een gevoel van verbondenheid, eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor een gezamenlijke toekomst. Gedeelde Geschiedenis doet dit door: De geschiedenissen van de stad Amsterdam en haar inwoners zichtbaar te maken. Hierbij richten wij ons vooral op verborgen, in vergetelheid geraakte, onbekende en aanvullende geschiedenissen. Het bewustzijn en de kennis van alle Amsterdammers over deze veelkleurige en meerstemmige geschiedenis van Amsterdam en haar inwoners te vergroten. Wij brengen verschillende perspectieven bij elkaar om samen een dialoog te voeren. Verschillende stakeholders binnen en buiten de gemeente te verbinden, en nieuwe netwerken op te bouwen waar dat nodig is. De programmalijn Gedeelde Geschiedenis richt zich op drie hoofdthema’s: Het slavernijverleden van Amsterdam Zichtbaarheid koloniaal verleden in de publieke ruimte Amsterdam als migratiestad.
4.1 Maatschappelijke context Amsterdam als migratiestad; steeds meer inwoners vanuit Europa, Azië, Amerika en Oceanië Amsterdam is een migratiestad; er vestigen zich al eeuwenlang mensen uit veel verschillende landen en culturen. Zo heeft in 2021 net iets meer dan de helft, namelijk 56%, van de inwoners een migratieachtergrond. Dat wil zeggen dat van hen ten minste één ouder in het buitenland is geboren. OIS hanteert een nieuwe indeling waarbij mensen met een migratieachtergrond zijn ingedeeld naar werelddelen en landen op basis van het migratiemotief dat vanuit deze gebieden het vaakst voorkomt, zie afbeelding 4.1. Deze afbeelding laat zien dat het aandeel Amsterdammers vanuit Suriname, Turkije en Marokko de afgelopen tien jaar afnam en dat vanuit Europa, Azië, Amerika en Oceanië juist toe (+8 procentpunt). Ook nam het aandeel inwoners vanuit het Midden-Oosten en Afrika iets toe tussen 2011 en 2021 (+2 procentpunt).
23
Onderzoek, Informatie en Statistiek
ië, Azië en overig Europa
Beleidsmonitor Diversiteit
Afb. 4.1 Inwoners naar migratieachtergrond, 2021 versus 2011 (binnenste ring)
htergrond
ame en de Antillen en Afrika
|
11 10 3
2 6
7
7 44 50
8 14 11
9
5 9
Geen migratieachtergrond Turkije Marokko Indonesië, Suriname en de Antillen Midden-Oosten en Afrika Oost-EU West-EU Amerika, Oceanië, Azië en overig Europa
11 10 3
2 6
7
7
8 14
5
11
9
5 9
bron: OIS
Twitter analyse Slavernijverleden Om het maatschappelijke debat rondom het slavernijverleden te volgen is in overleg met OIS gekozen om een verkennende analyse van berichten op Twitter uit te voeren. Een Twitter-analyse levert een ander beeld op dan wanneer er gekozen zou zijn voor een onderzoek op basis van vragenlijsten of focusgroepen, waarin met een specifieke vraagstelling wordt gewerkt. Bij de uitvoering speelde wel een aantal beperkingen. Zo was het alleen mogelijk om data van Twitter te verzamelen en te analyseren, en niet van andere sociale mediaplatforms. Daarnaast ziet OIS terug dat berichten die op Twitter worden geplaatst (ook in zijn algemeenheid) veelal een negatieve toon hebben en minder gematigd zijn. Tenslotte is het lastig om te bepalen welke tweets van Amsterdammers komen en welke van andere Nederlanders. De analyse geeft daardoor geen representatief beeld van in hoeverre het onderwerp leeft en wat de sentimenten zijn. Ondanks deze kanttekeningen willen we de informatie uit dit onderzoek toch delen. De berichten zijn namelijk wel vaak gerelateerd aan gebeurtenissen in Amsterdam en geven weer wat er destijds leefde op Twitter (bijvoorbeeld ten aanzien van de excuses voor de rol van het toenmalig Amsterdamse stadsbestuur in het slavernijverleden).
De belangrijkste uitkomsten van deze analyse van Twitterberichten rondom het slavernijverleden zijn: Tussen 1 januari en 1 september 2021 zijn er ruim 37.000 berichten op Twitter geplaatst over slavernij, slavernijverleden en Keti Koti. Binnen het onderwerp slavernij(verleden)/Keti Koti is er veel getwitterd rondom bepaalde gebeurtenissen (zie afb. 4.2). De grote meerderheid van de tweets zijn geplaatst rondom 1 juli 2021; de dag dat de burgemeester van Amsterdam namens het bestuur haar excuses aanbood voor het slavernijverleden. Op die dag is het Keti Koti, waarbij de afschaffing van de slavernij wordt herdacht en gevierd. Ook de opening van de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum laat een piek zien in het aantal geplaatste tweets, zij het veel minder groot.
24
5
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Afb. 4.2 Aantal tweets over slavernij(verleden) en Keti Koti over tijd bezien
bron:OIS
Ongeveer driekwart van de tweets had een negatief sentiment. Hierbij ging het over de focus binnen het slavernijverleden, de onderbelichte rol van andere landen (bijvoorbeeld in Afrika), het feit dat Westerse landen slavernij hebben afgeschaft en er in andere landen nog steeds sprake is van moderne slavernij, en de mening dat alleen de elite heeft geprofiteerd van slavernij en de excuses daarom niet namens alle burgers aangeboden moeten worden. Tot slot zien we (wel in minder mate) verontwaardiging over dat de excuses nu pas zijn gemaakt en dat ze niet door de koning zijn gemaakt. Ongeveer een tiende van de tweets hadden een positief sentiment. Positief getinte tweets over de excuses noemen de excuses een historisch moment En noemende excuses noodzakelijk en een erkenning het slavernijverleden. Ook de toespraak van de burgemeester wordt als mooi gezien. De rest van de tweets over de excuses hadden een neutraal sentiment en zijn vaak tweets over feitelijke statements, bijvoorbeeld nieuwsberichten over dat er excuses zijn gemaakt of dat een wethouder hiervoor pleit.
4.2 Output en outcome beleid Door de afdeling Diversiteit is gekozen om een aantal acties vanuit Gedeelde Geschiedenis te (laten) evalueren. Dit geeft zicht op de resultaten van de verschillende acties. Hieronder worden de beschikbare gegevens per hoofdthema en de bijbehorende acties beschreven. Het Amsterdamse slavernijverleden In 2019 heeft de gemeenteraad het college verzocht onderzoek te laten doen naar de rol van de gemeente Amsterdam in de slavernijgeschiedenis van Nederland. In 2020 heeft het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in samenwerking met ruim veertig experts dit onderzoek uitgevoerd en vervat in het boek ‘De Slavernij in Oost en West, het Amsterdam onderzoek’. “Dit boek laat zien hoe omvangrijk het Amsterdamse slavernijverleden is en hoeveel
25
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
meer wij daar nog over moeten leren. Het toont de diepe verbondenheid van de stad met dit verleden. Slavernij en slavenhandel hebben de stad helpen vormen en hebben haar plaats in de wereld medebepaald.” Tijdens Keti Koti 2021 heeft burgemeester Halsema namens het stadsbestuur excuses aangeboden voor de rol die het toenmalige Amsterdamse stadsbestuur heeft gehad in de slavenhandel en de slavernij. Rondom de excuses zijn door de gemeente een aantal activiteiten georganiseerd. Hieronder wordt besproken wat hiervan de output en outcome is. Publieksuitgave onderzoek naar Amsterdamse slavernijverleden Om de uitkomsten van het onderzoek dat het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis heeft gedaan naar de rol van het toenmalige stadsbestuur bij de slavenhandel en slavernij toegankelijk te maken voor alle Amsterdammers is een publieksvertaling gemaakt, met als titel ‘Amsterdam en het slavernijverleden’. Hierin wordt het verhaal over het Amsterdamse slavernijverleden op laagdrempelige wijze verteld. Amsterdammers konden het boek gratis afhalen bij bibliotheekfilialen en stadsloketten of downloaden van de website van de gemeente. Er was veel animo voor het boek. In totaal hebben zo’n 25.000 mensen een exemplaar opgehaald.
Website slavernijverleden bijna 7.000 keer bezocht Het communicatiebureau heeft eind juli 2021 een data-analyse gemaakt van de website amsterdam.nl/slavernijverleden, waarop ook de publieksuitgave te downloaden was. Daaruit blijkt dat de pagina (www.amsterdam.nl/het-slavernijverleden-leeft/) 6.929 keer is bezocht door 5.366 unieke bezoekers, waaronder 274 terugkerende bezoekers. Wanneer bezoekers via een extern kanaal bij de pagina kwamen dan was dat veruit het vaakst via de site van de OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam). Maar ook andere sites kwamen voor zoals intranet Amsterdam, nltimes en AT5. Het vaakst werd de publieksuitgave van het onderzoek op de website bekeken en ook zocht men vaak de OBA-vestigingen op (waar het boek af te halen was). Daarna werd de activiteitenpagina het vaakst bekeken en de informatie over de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum. Documentaireserie over slavernijverleden trok 255.000 kijkers Scholieren van zes scholen maakten onder begeleiding van documentairemakers van AT5 elk een documentaire over een thema dat gerelateerd is aan het Amsterdamse slavernijverleden. De documentaires werden in zijn geheel uitgezonden op AT5 (elk 24 minuten) en stonden op hun website. Ook zijn op verschillende sociale kanalen kortere versie gepubliceerd.
Het project eindigde met een marathondebat met onder meer de leerlingen die hebben deelgenomen aan de documentaires, over het slavernijverleden van Amsterdam. AT5 heeft van de documentaireserie over het slavernijverleden en de uitzendingen van het marathondebat een evaluatie gemaakt met kijkcijfers en reacties op sociale media. In de tabel hieronder (afb. 4.3) staat een samenvatting daarvan. Daarnaast is er een inhoudelijk verslag gemaakt over de samenwerking met de scholen en zijn citaten verzameld van leerlingen en docenten. Daaruit blijkt dat leerlingen en leraren erg enthousiast waren over het project en er veel van hebben geleerd.
26
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Beleidsmonitor Diversiteit
Afb. 4.3 Bereik AT5-programma’s over het Amsterdamse slavernijverleden totaal aantal uitzendingen/pagina’s/posts
bereik/weergaven video
tv - alle afleveringen slavernijverleden
141 uitzendingen
398.000 maal bekeken / 255.000 unieke kijkers
tv – alle uitzendingen slavernijdebat
35 uitzendingen
41.000 maal bekeken / 35.000 unieke kijkers