A - 64 Diversiteit en Antidiscriminatiebeleid (9) 5. Verduidelijking door de
Tekst van het document
Verduidelijking door de Regiegroep Eind mei 2021 presenteerde de Regiegroep het verkenningsrapport ‘Met de kracht van de voorouders’ dat in opdracht van de Gemeente Amsterdam was gevraagd. Dit rapport geeft antwoord op de vraag waar een Nederlands trans-Atlantisch slavernijmuseum aan moet voldoen en is het resultaat van anderhalf jaar hard werken, gezamenlijke denkkracht, onderzoek en expertise en enkele honderden gesprekken met relevante personen en instellingen in binnen- en buitenland. Daarnaast werd de Regiegroep geadviseerd door een klankbordgroep van relevante experts, een stuurgroep, waarin de Gemeente Amsterdam en het ministerie van OCW waren vertegenwoordigd, en een ambtelijke werkgroep. Na de zeer positieve ontvangst van het rapport door de gemeente (zie o.a. de Raadsbrief van B&W d.d. 19-10-2021i) heeft daarna ook een gezamenlijke commissie van de Raad voor Cultuur en van de Amsterdamse Kunstraad, op verzoek van de Gemeente Amsterdam en het ministerie van OCW, haar licht laten schijnen over het rapport. Ook hun oordeel was zeer positief. Daar is de Regiegroep logischerwijs erg blij mee, omdat daardoor het traject naar een nieuw te bouwen nationaal museum een feit is. Op basis van het advies van de commissie zijn enkele vragen gesteld die voor wat ruis zouden kunnen zorgen, wellicht omdat het niet helder genoeg is geformuleerd in het rapport.
Die mogelijke ruis wil de Regiegroep graag voorkomen, vandaar nog een korte toelichting. Waar het om gaat is de positie, in het narratief van het museum, van het Nederlands slavernijverleden in het gebied van de Indische Oceaan, ook wel aangeduid als het voormalig VOC-gebied. De opdracht die de Regiegroep vanuit de gemeente Amsterdam had gekregen was om het Nederlands trans-Atlantisch slavernijverleden en de doorwerking daarvan in het hier en nu centraal te stellen. De Regiegroep kon hier goed mee aan de slag, omdat in Nederland al decennia door de Afro-Surinaamse en Afro-Caribische nazaten van slaafgemaakten wordt gestreden voor (h)erkenning. Tot de dag van vandaag ondervinden deze nazaten dat het verleden niet voorbij is maar nog altijd doorwerkt. Heel direct. Black Lives matter was daar een van de uitingen, net als de Zwarte Piet=Racisme beweging en nog vele andere initiatieven. Tot de resultaten van die strijd behoren o.a. het bijna 20-jarige nationale Slavernijmonument, NiNsee, een steeds nationaler wordende Keti Koti herdenking & viering en het zonder overheidshulp opgerichte Black Archives. Tegelijkertijd begint in Nederland langzaam het besef te groeien dat Nederland ook een slavernijverleden in het Indisch-Oceanisch gebied heeft liggen.
De Regiegroep is zich daar van bewust en heeft naar die geluiden geluisterd, evenals naar de roep van sommigen dat in het Slavernijmuseum ook ruimte moet zijn voor hedendaagse vormen van slavernij. Op den duur is er volgens de regiegroep door middel van een groeimodel ook ruimte voor verbreding naar slavernij in het voormalig VOC-gebied, ook om de uniciteit en uitzonderlijkheid van het trans-Atlantisch slavernijsysteem te kunnen uitleggen.
Er lijkt geen misverstand over te bestaan dat het Trans-Atlantisch slavernijverleden, de hedendaagse doorwerkingen en de strijd daartegen de basis vormen van het museum. Dat staat ook duidelijk zo verwoord in de missie en visie van het museum, waar niemand bezwaren mee heeft. Vervolgens is de vraag hoe het Indisch-Oceanische verhaal daaraan gekoppeld kan worden. In het verkenningsrapport van de Regiegroep zijn daar twee oplossingen voor ingebouwd. Beide lopen als een spoor door het museum en kunnen groeien in de loop van de tijd. Het museum zoals door de Regiegroep voorgesteld wil daarom vanaf het begin a) het systeem van slavernij uitleggen door met name de momenten en plekken van koppeling én de verschillen tussen Trans-Atlantisch en Indisch-Oceanisch te laten zien; b) een vragend museum zijn, d.w.z.
de vragen die -vanuit het nu- aan het slavernijverleden worden gesteld, op beide gebieden te richten, zodat het denkproces van de bezoeker zich verbreedt en verdiept (denk aan de wijze waarop vrouwen als seksobject werden gezien: ‘njai’ en ‘huisslavin’); c) wisseltentoonstellingen organiseren waarin andere vormen van slavernij worden behandeld; d) een museum zijn dat een bijdrage levert aan de groei van kennis en zichtbaarheid (objecten én immateriële uitingen) van het Indisch-Oceanische verleden in het museum én in de netwerkconstructie met andere musea zodat het een eigen substantiële plek kan krijgen. Het Indisch-Oceanisch verleden maakt zonder meer deel uit van het mondiale Nederlands slavernijsysteem, maar kan qua impact daar en hier, niet 1 op 1 gekoppeld worden aan- of geïntegreerd met het Trans-Atlantische. Dat zou de geschiedenis geen recht doen, noch een goed begrip van wat er in de huidige samenleving speelt. Kortom, in het voorstel van de Regiegroep krijgt het Indisch-Oceanisch slavernijverleden plek in het museum waar mogelijk gekoppeld aan het verhaal over het Trans-Atlantisch slavernijverleden en kan dit in een groeimodel een eigen plek krijgen (module 4 in het Verkenningsrapport), bij voorkeur in samenhang met musea die nu ook al aandacht geven aan het voormalig VOC-gebied.
Regiegroep Nationaal Trans-Atlantisch Slavernijmuseum, Urwin Vyent Dionne Abdoelhafiezkhan
Daniel Metz
Freek Ossel
Martine Gosselink
i
Alex van Stipriaan
Cemil Yilmaz
B&W: “Het verkenningsrapport is een essentiële bouwsteen in de verdere ontwikkeling naar een nationaal slavernijmuseum. Het rapport bevat daarnaast belangrijke handvatten en voorstellen voor het vervolgtraject. Wij zijn de opstellers dankbaar voor dit omvangrijke werk en voelen ons verantwoordelijk om het vervolg zo goed mogelijk vorm te geven.”