A - 64 Diversiteit en Antidiscriminatiebeleid (9) 2. Verkenningsrapport Met
Tekst van het document
Daarnaast presenteert het NTASM meerdere tijdelijke tentoonstellingen die speciaal op een van de doelgroepen toegesneden kan zijn. Ook is dit een van de dimensies waarin gerelateerde verhalen van de Atlantische slavernij getoond kunnen worden, zoals die van de contractarbeiders die de slaafgemaakten opvolgden, of andere Nederlandse slavernijsystemen zoals in Zuid-Afrika of in voormalig Nederlands- Indië, die ook connecties hadden met het Atlantisch gebied. ... Nog belangrijker is het totaalprogramma waarin de museale presentaties worden ingebed, in en buiten het museum. Juist in die programmering tussen wetenschappelijke lezing en tambú dans, tussen de hip hop van Broederliefde en het Black Movies Festival, tussen spoken word training en Black Fashion cat walk van
toen tot nu, tussen debat over alternatieve Sinterklaas, nieuwe nationale feesten, discussie over opvoedingsmethoden, cursus kruiden en Afro-natuurgenees wijzen, museum-bijdragen aan Kwaku en Zomercarnaval, de mogelijkheden zijn eindeloos en kunnen heel verschillende doelgroepen aanspreken en soms ook samenbrengen. Dit alles zal er nooit in één keer staan, maar moet met zorg opgebouwd, verbreed en verdiept worden. Dat geldt ook voor de netwerkconstructie waarin het NTASM wil werken –waarover later meer. Dat betekent in ieder geval dat elders in het land met andere instellingen ook programma’s kunnen worden opgesteld en bijvoorbeeld samen een package deal kan worden gemaakt over het presenteren van Indisch-Oceanische slavernij en Aziatische diaspora.
NMAAHC Washington
International Slavery Museum Liverpool (foto’s van de museum websites)
33 In praktijk betekent dit pas na de pop up fase, want dan zal de staf nog veel te klein en te druk zijn om zo’n extra taak erbij te hebben. Ook als het definitieve museum in aanbouw is zal er eerst nog weinig plek voor stages zijn en gaat dat meegroeien met de mogelijkheden van de medewerkers ook echt begeleiding te kunnen geven.
44 | Met de kracht van de voorouders
Aantallen Wat daarbij ook aan bod moet komen is de vraag voor hoeveel bezoekers het NTASM denkt te gaan werken. Ervan uitgaand dat het museum binnen één generatie alle schoolkinderen in principe een keer in huis zou willen hebben gehad levert dat de volgende rekensom op. In 2020 zaten er 1,6 miljoen kinderen in het Primair Onderwijs. Daar zitten zij acht jaar. Als één generatie voor het gemak 24 jaar omvat, dan moet er drie keer zo’n groep in huis zijn geweest, ofwel 4,8 miljoen kinderen in 24 jaar, komt op 200.000 per jaar. Maar natuurlijk komen ze niet allemaal dus wordt gerekend op de helft: 100.000.34 In Nederland wonen ongeveer 700.000 eerste- en tweede-generatie personen met Afrikaanse roots.35 Als heel voorzichtig geschat één op de vijf van hen eenmaal per twee jaar naar een tentoonstelling of evenement van het NTASM komt is dat 70.000 bezoekers. Het Amsterdamse Tropenmuseum dat een soort publiek trekt dat ook belangstelling heeft voor het NTASM, wordt jaarlijks bezocht door 210-220.000 personen. Stel dat de helft van hen ook een keer naar het NTASM komt levert dat ruim 100.000 bezoekers op. Daarnaast zullen er ongetwijfeld toeristen zijn, met name uit Noord-Amerika en het Caribisch gebied die aangetrokken worden door dit museum. Dat geldt ook voor architectuurliefhebbers, mocht het een spraakmakend nieuw gebouw worden.
Daarnaast zal in het NTASM veel ruimte zijn voor hedendaagse kunst, met
name van Zwarte kunstenaars. Dat zal ook een deel van het Stedelijk Museum publiek aantrekken.36 Voorzichtig gesteld kunnen dat bij elkaar zeker 30.000 bezoekers zijn. Bij elkaar genomen komt deze calculated guess –het is zeker geen hogere wiskunde– uit op een basisaantal van 300.000 bezoekers per jaar.
34 In 2019 brachten de 2,4 miljoen leerlingen van PO + VO bijna 2,2 miljoen museumbezoeken met school; dat was 35 % van alle museumbezoek van jongeren tot en met 18 jaar. In ander verband (gezin, familie, vrienden, club) bezochten zij nog bijna twee keer een museum in 2019. [https://www.museumvereniging.nl/media/ museumcijfers2019_def.pdf] 35 Volgens het CBS 2005/2006 waren er toen ca. 650.000 personen van Afrikaanse komaf in Nederland. Aangezien dit ruim 15 jaar is geleden is hier dit aantal met 8% opgehoogd. Dit zijn immigranten en hun kinderen afkomstig uit Sub-Sahara Afrika, Suriname, de Nederlandse en overige Cariben en Brazilië. Niet alle Surinamers en Antillianen hebben een Afrikaanse achtergrond, maar dat wordt gecompenseerd door de derde en vierde generatie die (gedeeltelijke) Afro-Surinaamse of Afro-Caribische wortels hebben. Artwell Cain en Deniece Wijdenbosch, Uitsluitingsmechanismes van mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland: Wat is erover bekend? Een quick scan van de literatuur. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2017, p.7. [file:///C:/Users/gebruiker/Downloads/ Rapport+Uitsluitingsmechanismes+VU+sept.+2017.pdf] (geraadpleegd 10 -04-2021)
36 In 2019 trok het Stedelijk 670.000 bezoekers. Stel heel voorzichtig dat 3% daarvan ook geïnteresseerd is in de kunst in het NTASM komt dat op 20.000 bezoekers per jaar.
45 | Met de kracht van de voorouders
Alleen voor Zwarte mensen? Betekent dit nu dat alleen een verhaal van en voor Zwarte mensen wordt verteld? Zeker niet, zij en hun blik op de wereld staan weliswaar centraal, maar niet op de manier zoals tot nu toe alleen de witte blik centraal stond. Bovendien bestaat er niet zoiets als HET Zwarte perspectief of HET witte perspectief. Het zal in ieder geval altijd in meervoud moeten zijn, perspectieven, en ze lopen vaak ook in elkaar over, met name omdat het over een geschiedenis van interactie en creolisering gaat van toen tot nu en van daar en hier. En nog belangrijker, de mens staat centraal, geen anonieme massa met een bepaalde kleur. Mensen zijn mensen en die kunnen in gedrag of overtuiging totaal van elkaar afwijken ook al is hen hetzelfde lot beschoren. Twee tweelingbroers uit hetzelfde jaar, geboren op dezelfde plantage en in hetzelfde gezin, kunnen in een bepaalde situatie volstrekt verschillend reageren. Gechargeerd: de één kan de wapens oppakken tegen de plantage-eigenaar, terwijl de ander ervoor kan kiezen deze zelfde man te verdedigen. Waarom? Kennen we hun beweegredenen? Kennen we hun verhaal? Kortom, het is geen letterlijk zwart-wit verhaal van alleen maar daders versus alleen maar slachtoffers. Het laten zien van deze meervoudige gelaagdheid, van lagen die bij tijd en wijle ook in elkaar overvloeien, vraagt om een wendbare, fluïde aanpak.
Onvermijdelijk heeft de geschiedenis van de Afrikaanse diaspora zich afgespeeld in interactie met Europeanen en anderen. Natuurlijk wordt die interactie en die context ook getoond, alleen wordt het wel verteld vanuit de invalshoeken van Zwarte mensen. Simpel gezegd het verhaal van de vrouw in het rijke grachtenpand, wordt nu niet verteld door de eigenaar, maar door haar zwarte bediende, het verhaal van de witte missionaris wordt verteld vanuit een zwart persoon en naast het grote verhaal van de zwarte strijd onderdrukking en buitensluiting is er het kleinere verhaal van wit protest en later ook anti-racisme. Nog belangrijker is waarschijnlijk dat de rode draad door deze geschiedenis het perspectief is van mensen die tegen de omstandigheden in hun eigen leven vormgeven, geen genoegen nemen met wat hen wordt opgelegd en de strijd aangaan. Dat is een verhaal waarmee iedereen zich kan identificeren die daarvoor
open staat. Dat raakt aan de bijna universele vraag wat doe ik nu? Daarom is dit een museum voor iedereen. Iedereen kan met zijn eigen blik en vragen door het museum lopen, daar van alles doen en meemaken en er vervolgens uitkomen met het idee iets over zichzelf en over de ‘ander’ (wie dat ook is) geleerd te hebben. Bovendien als hiphop fans van alle kleuren Ronnie Flex de top van Nederland vinden, als literatuurliefhebbers van alle achtergronden Astrid Roemer de Prijs der Nederlandse Letteren én de P.C. Hooftprijs waard vinden en als afwisselend Virgil van Dijk en Georginio Wijnaldum aanvoerder zijn van het Nationale voetbalelftal dan moet het toch ook niet zo moeilijk zijn de interesse bij witte Nederlanders te prikkelen voor de achtergrond van hun zwarte helden.
46 | Met de kracht van de voorouders
Detail van het Kwaku monument in Paramaribo, door Jozef Klas (foto: Ada Korbee)
5 Wat toont het NTASM?
5. Wat toont het NTASM? • Hoe komt het verhaal tot stand? • Bronnen van kennis • Beelden van de slavernij • Met welk gevoel komt de bezoeker thuis? Hoe komt het verhaal tot stand? In het verhaal dat het museum toont en vertelt staan de slaafgemaakte Afrikanen en hun nazaten voorop als de centrale actoren. Om hun leven draait het. Dat wil zeggen dat ondanks alle onderdrukking hun leven als volwaardige, handelende, denkende, emotionele, strijdende en creatieve mensen wordt getoond. Dat roept misschien de vraag op ‘gaat het dan nog wel over slavernij’? En het antwoord daarop luidt: veel meer dan ooit tevoren, omdat slavernij en haar hedendaagse doorwerkingen alleen zijn te begrijpen als dat deel is van het volledige levensverhaal van degenen die het betreft. Daarvoor moeten zij dus zelf aan het woord komen en moeten de historische ontwikkelingen van toen tot nu door hun ogen worden bekeken. Dat is complex en nieuw, en absoluut mogelijk.
49 | Met de kracht van de voorouders
Zwarte perspectieven en bronnen van kennis Zwarte perspectieven vormen de basis van het museum. In meervoud, omdat er niet een exclusief en éénduidig zwart denken, of ‘politiek correct’ standpunt is. Het gaat om een onderzoeks- en (re)presentatie-methode waarbij verleden en heden wordt bekeken door de ogen van Afrikanen in diaspora toen en nu. Zij zijn het ook die daarbij aangeven wat de belangrijke materiële en immateriële bronnen zijn en hoe die kunnen worden geduid. Dat gebeurt in interactie met elkaar en vanzelfsprekend in interactie met al bestaande kennis en bronnen, ook al zijn die binnen ongelijke machtsverhoudingen geproduceerd en hebben ze een heel ander perspectief. Er is namelijk wel al heel veel onderzoek gedaan naar de slavernij, internationaal, maar ook naar het Nederlandse deel daarvan. Veel van dat onderzoek is lange tijd heel eurocentrisch en vooral ook politiek-economisch van aard geweest. Veelal stond de vraag voorop wat de slavernij voor Nederland heeft betekend, zonder daar op z’n minst de vraag aan toe te voegen wat het mentaal-cultureel met Nederland heeft gedaan. Slaafgemaakten waren daarin anonieme massa’s en aantallen. Anton de Kom was de eerste die vanuit een anti-koloniaal, Afro-Surinaams perspectief deze geschiedenis heeft beschreven.
Hoe complex dat is blijkt uit het feit dat hij zich grotendeels op witte, koloniale bronnen heeft gebaseerd, maar daar wel zijn eigen analyse, levenservaringen en gevoelens aan heeft toegevoegd. En daarmee werd het een nieuw soort geschiedenis. De laatste veertig jaar is er steeds meer onderzoek bijgekomen van zowel Zwarte als Witte onderzoekers.37 Wel moet gezegd dat er veel meer onderzoek is gedaan over Suriname dan over de Caribische eilanden38, en meer over West-Afrika, met name hedendaags Ghana, dan over de rest van Afrika met betrekking tot de slavenhandel. Langzamerhand is het ook minder eurocentrisch en meer kritisch geworden.39
De dékolonisatie van onderzoek en kennis is op gang gekomen, maar staat nog aan het begin. Het is juist de interactie tussen verschillende perspectieven die tot verrassende resultaten kunnen leiden. Voorwaarde is wel dat er op basis van gelijkwaardigheid kan worden geïnteracteerd. Oude bronnen worden geherinterpreteerd, andere worden nu pas aangeboord en weer andere worden voor het eerst als belangrijke bron erkend, met name in de immateriële en orale sfeer, maar bijvoorbeeld ook in de archeologie. Veel van dat onderzoek komt nog niet of nauwelijks terug in de publieksgeschiedenis, zoals het onderwijs en het museale landschap. Daarnaast is er, hoe vernieuwend ook, nog steeds weinig geschiedenis geschreven bekeken vanuit de ogen en het leven van degenen die in slavernij hebben geleefd, noch dat van hun nazaten. Dat is precies waarin dit museum voorop wil lopen, de nieuwste stand van onderzoek en de ervaringen van de nazaten gebruiken om vanuit zwarte perspectieven het leven in de diaspora te tonen. Het onderzoek moet dan ook een samenwerking zijn tussen academische en grass roots onderzoekers. Bovendien wordt sterk aanbevolen om nieuwe projecten van het museum altijd te beginnen met een rondetafel-overleg met Afro-Nederlandse nazaten.
Dat moet vooral gaan over hun visies op het project, welke netwerken gebruikt kunnen worden en hoe de Afro-Nederlandse betrokkenheid gegarandeerd wordt. Bij nieuwe bronnen van kennis (en items voor het museum) moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de talen die in creoliseringsprocessen zijn ontstaan in Suriname en in drie van de zes Nederlands-Caribische eilanden. Die talen zijn op zich al een culturele expressie van enorm belang en interessant om te tonen hoe en uit welke brontalen ze zijn ontstaan. Maar ook wat met die taal werd gedaan biedt een geweldig rijke bron. In die specifieke talen zijn verhalen gemaakt en verteld, geschiedenissen en culturen doorgegeven, werd spiritualiteit verwoord en gecommuniceerd, werd de liefde verklaard en werden kinderen opgevoed. Kortom, het hele leven zit in taal en omgekeerd. Maar taal is ook vormgegeven filosofie, wereldbeeld, denkwijze en redeneerstijl in de vorm
37 Wat niet wil zeggen dat iemands huidskleur per definitie overeenkomt met zijn of haar standpunt en analyse, zie noot 29. 38 Naar Guyana, Pernambuco en Nieuw Nederland in relatie tot de slavernij is (nog) niet veel onderzoek gedaan. 39 Vernieuwend werk is wat dat betreft geleverd door onder meer Helman, Lamur, Siwpersad, Hira, Oostindie, Dragtenstein, Van Stipriaan, Beeldsnijder, Fatah-Black, Neslo, Willemse, Price, De
Groot, Hoogbergen, Thoden van Velzen, Jagdew over Surinaamse slavernij en marronage; Allen, Paula, Antoin, Alofs, Rupert en Jordaan over de Antilliaanse eilanden, Kars over Guyana, Postma over de slavenhandel en Blakeley over Nederland. En er zijn nog veel meer namen te noemen als bijvoorbeeld ook de meer traditionele geschiedbeoefenaars erbij worden genomen.
50 | Met de kracht van de voorouders
van liederen, gebeden en spreekwoorden en gezegdes, zoals de Surinaamse odo of de Antilliaanse dícho en proverbio. Ook muziek(cultuur) en dans(cultuur) zijn belangrijke bronnen om het leven in de diaspora te tonen en vertellen en dat geldt evenzeer voor eetcultuur, familiecultuur en dorps(plantage)cultuur, waar de grootfamilie en de gedeelde ervaring voor verbinding zorgde. Maar ook in meer materiële cultuuraspecten als kleding, haardracht, esthetiek, bouwkunde, tuinbouw, kleine veeteelt en handel, allemaal vormen ze deel van het verhaal en kunnen ze in beeld worden gebracht. Dat geldt niet alleen voor het verleden, ook voor onderzoek en presentatie van doorwerkingen in het heden zijn dit belangrijke bronnen. Overigens moet met de nieuwe bronnen net zo goed als met de oude zeer kritisch worden omgegaan. Orale verhalen zijn soms in de loop der tijd bijgesteld en kunnen vanuit een bepaald belang zijn bewaard; is het wel het hele verhaal; hoe moet een lied vanuit de beleving van een achttiende-eeuwer worden geïnterpreteerd; wat betekent vrijheid bijvoorbeeld vanuit een perspectief van genderverhoudingen; waarvoor staan specifieke dansen of performances et cetera. Ook zal de eenentwintigste-eeuwer zich zeer bewust moeten zijn dat zwarte ogen van nu anders kijken en andere dingen zien dan die van de voorouders een, twee, drie, of vier eeuwen geleden.
Dat laatste is dan ook een van de redenen om het verhaal dat het museum toont te laten beginnen met de vragen van het hier en nu.
51 | Met de kracht van de voorouders
Beelden van de slavernij Om het verhaal dat het museum voor ogen staat te kunnen tonen en vertellen moeten niet alleen nieuwe bronnen worden aangeboord, maar ook nieuwe beelden worden gemaakt. De bestaande beelden tonen óf een vreedzaam plantagebestaan, waarin de Zwarte mens meestal een decorstukje is of hooguit een vrolijk dansend mens, óf ze tonen de Zwarte mens die gestraft wordt met de meest gewelddadige middelen, óf de Zwarte mens is de bijna onzichtbare, klein afgebeelde bediende van de prominente witte mens. En op een hoge uitzondering na is die Zwarte mens anoniem en eigenlijk meer een type dan een mens met een eigen identiteit en een eigen leven. Door al die oude beelden opnieuw te gebruiken, zelfs in een kritische context, kan er nooit een echt nieuw en eigen verhaal worden verteld. Daarom moeten er nieuwe beelden worden gecreëerd. Met hedendaagse museale en artistieke technieken is er heel veel mogelijk. Vraag hedendaagse kunstenaars portretten te maken van bekende en onbekende
mensen uit de Afro-Nederlandse geschiedenis, zoals bijvoorbeeld Iris Kensmil en Patricia Kaersenhout daarmee al bezig zijn geweest; maak pepper ghosts, hologrammen of interactieve films van strijdende marrons, of van een bezoek aan een sanadó/trahadó40; zet een spiritueel altaar van de kunstenaar Tirzo Martha neer; laat acteurs verhalen vertellen uit de orale traditie; laat Anton de Kom een toespraak houden; ontwerp een gespreksapparaat waarbij de gebruikers elkaar eerst allen klanken horen uitslaan en langzaam worden het begrijpelijke woorden uit verschillende talen, tot het een verstaanbare samengestelde zin wordt; stel een mooi oud instrument op onder geluidsdouches met diverse muzikale motieven die het begin zijn van een muziekroute door het museum; creëer een vergaderplaats in het midden van het museum waar bezoekers moeten overleggen over een beslissing en naar gelang hun individuele of collectieve besluit volgens ze een specifieke route. (Zie voor nog uitgebreide voorbeeldbeschrijvingen Bijlage 1 (NiNsee), Voorbeelden van museale toepassingen) Kortom, alles is mogelijk, veel is interactief en bevragend en het is nog nooit zo getoond. De beelden die worden gecreëerd zullen deels fysiek en esthetisch zijn, deels in het hoofd van de bezoekers ontstaan en in ieder geval niet gauw meer verdwijnen.
Virginia, door Vanessa Paulina, 200541
40 Afro-Curaçaose spirituele healer en natuurgenezer. 41 Foto en het verhaal van Virginia: Werkgroep Caraïbische Letteren https://werkgroepcaraibischeletteren.nl/tag/paulina-vanessa/
52 | Met de kracht van de voorouders
Lijnen en paden door het verhaal
Met welk gevoel komt de bezoeker thuis?
Zoals gezegd wordt de bezoeker op heel verschillende manieren een gelaagd en verhaal gepresenteerd. Tegelijk moet voor iedereen duidelijk zijn in welke context het verhaal zich afspeelt. In de eerste plaats gebeurt dat aan de hand van het steeds terugkerende verhaalthema ‘Ondertussen in Nederland’ waar de grotere, meer systemische achtergrond van het verhaal wordt getoond, zoals debatten en politieke en economische keuzes en ontwikkelingen, die de levens van de Afrikanen in diaspora beïnvloedden. In de tweede plaats loopt door het hele museum een tijdlijn met relevante data, feiten en cijfers, niet alleen van het Nederlandse verhaal, maar ook van mondiale ontwikkelingen. Wellicht kan daar bij cruciale momenten of onderwerpen een (digitaal) luikje worden gemaakt waarachter nog meert informatie te vinden is. Een ander deel van de gelaagdheid van het verhaal is dat de bezoeker de gelegenheid wordt geboden ook eigen paden te kiezen door het museum. Zo kan er een familie & kinderpad worden gevolgd, in en buiten het museum, waar met name die verhalen en items worden gepresenteerd die in familieverband interessant en uitdagend zijn om met elkaar te beleven (zie ook Bijlage 1, NiNsee, 128-129). Er worden vragen gesteld, er worden keuzes voorgelegd hoe te handelen, er worden confronterende dilemma’s voorgehouden, et cetera.
Kunstliefhebbers wordt uitgelegd hoe ze een route kunnen lopen waar ze vooral kunst kunnen beleven en hetzelfde geldt voor muziekliefhebbers. Dat betekent dat deze en wellicht nog andere thematische aspecten op ruimtelijk en verhaal-technisch logische plekken in en om het museum moeten zijn gesitueerd.
De bezoeker bestaat niet, maar heeft verschillende achtergronden, kennis-instapniveau’s en verwachtingen. Dat neemt niet weg dat het museum wil dat zij allemaal thuiskomen met het gevoel iets bijzonders te hebben meegemaakt. De inspiratie die uitgaat van de onbreekbare kracht van mensen, tegen alle verdrukking in; een overweldigende zintuiglijke ervaring, visueel, auditief en tactiel; en de leerervaring van met andere ogen naar de Nederlandse geschiedenis en huidige samenleving te kijken, en/of die voor het eerst in een andere samenhang te zien.
53 | Met de kracht van de voorouders
6 Hoe is het verhaal opgebouwd?
6. Hoe is het verhaal opgebouwd? • Tijdvakken, processen en thema’s • Twee voorbeelden 1. De voetboei 2. De diaspora begint De geschiedenis begint in Afrika vòòr de Europese slavenhandel en bevindt zich aan het eind in Nederland. Daartussen zitten zo’n vier eeuwen waarvan de hoofdlocaties van het verhaal de Nederlands-Caribische eilanden, Suriname en Nederland zijn, met een belangrijke locatie-bijrol voor West- en West-Centraal Afrika. Tussendoor worden ook andere gebieden aangestipt. Het zal een uitdaging zijn om er geen Afro-Surinaams verhaal van te maken, aangezien daarover het meeste onderzoek en materiaal bestaat. Ook zal het de kunst zijn om evenveel aandacht aan vrouwen als aan mannen te geven, want de mannen zijn vaak prominenter in de verhalen aanwezig dan de vrouwen. Steeds zal het museum de balans op moeten maken of de diversiteit en inclusiviteit gewaarborgd zijn in dat opzicht. Het diasporaverhaal is geordend op basis van de intersecties van verschillende tijdvakken, processen en thema’s en speelt zich op diverse locaties af.
De processen Strijd & Overleven (van marronage tot Kick Out Zwarte Piet) Creolisering & Cultuurvorming (van Afrikaanse diversiteit, naar Afro-Caribische eigenheid, naar Afro-Nederlandse diversiteit en eenheid) Gemeenschaps- & Identiteitsvorming (van Afrikaanse individuen naar, Afro-Caribische families en (dorps) gemeenschappen, naar bevolkingsgroepen en wereldburgers) Ontwikkeling van de internationale context (van Toussaint l’Ouverture, Marcus Garvey, Malcolm X en jazz, tot Obama, Beyoncé en Black Lives Matter)
Tijdvakken Afrika aan het begin van de Europese mensenhandel (ca. 1450 – 1600) Invasie in de Amerika’s (17e eeuw) Strijd en worteling (18e eeuw) Van Tula tot Afschaffing (19e eeuw) Strijd om identiteit (ca. 1875 – 1950) Omgaan met doorwerkingen en erfenissen (ca. 1950 – heden)
55 | Met de kracht van de voorouders
De thema’s Cultuur, Kennis en Kunde (van funchi koken en compositieleer tot professor en topvoetballer) Familie en Gemeenschap (van groot oma en grootfamilie tot brada en sua) Spiritualiteit en Religie (van winti, obeah en montamentu tot Afro-christendom) Erfenissen en Doorwerkingen (van culturele rijkdom tot colorisme en racisme) Transnationale relaties (van gekoloniseerde tot gesprekspartner en haat-liefde verhoudingen) Reparations (van strijd, dialoog en herstel tot heling en verzoening) Thema’s Tijdvak en proces
Strijd & worteling
Cultuur, Kennis en Kunde
Familie- & Gemeenschapsbanden
Afrika en het begin van de mensenhandel Ca. 1450-1600 Invasie in de Amerika’s CA. 1600-1700 Verzet en Worteling CA. 1700-1800 Van Tula tot Afschaffing CA 1800-1875 Strijd om de Identiteit CA. 1875-1950 Omgaan met de erfenissen Ca. 1950-heden
56 | Met de kracht van de voorouders
Spiritualiteit en Religie
Intussen in Nederland
In Bijlage 1 (NiNsee) is de complete invulling van dit schema te vinden. Hier kan volstaan worden met twee voorbeelden en een indicatie van enkele focuspunten die de transformaties en kantelpunten in het verhaal goed weergeven. Die transformaties betreffen de processen van creolisering –ook wel hybridisering genoemd– die het leven in de Afrikaanse diaspora typeerden en nog typeren. Door interactie ontstaat nieuwe cultuur, maar de Afrikaanse bronculturen zijn deels nog duidelijk te onderscheiden, vermengd en vernieuwd met Inheemse, Europese en Aziatische elementen. Nieuwe talen als het Sranan Tongo en Papiamentu/o zijn daar bij uitstek voorbeelden van, maar het is in alle cultuuraspecten te vinden. Ook hier en nu vindt creolisering plaats getuige nieuwe ontwikkelingen in de Nederlandse taal. Dat gebeurt zowel officieel –pinaren en trens staan al vijftien jaar in het zogenaamde Groene Boekje– als ook informeel zoals in jongerentaal –oso, dushi, of fittie– die soms al doordringt tot de normale spreektaal. Eén juli heet zelfs officieel Keti Koti. Een tweede focuspunt is het zogenaamde colorisme. Dat zijn de processen van racialisering waarin ieder pigmentverschil deel werd van een (sociale) hiërarchie van huidskleur en daarmee van maatschappelijke positie en ambitie, met wit aan de top en Zwart onderaan.
De culturele, psychische en morele gevolgen daarvan behoren tot de hedendaagse doorwerkingen van de slavernij. Daaraan gerelateerd is het focuspunt van institutioneel racisme. Dat betekent dat racisme niet alleen in de omgang tussen mensen zit, maar dat het zo vast is gaan zitten in het DNA dat het als ‘natuurlijk’ wordt ervaren en bij wijze van spreken ook vast is gaan zitten in de muren van de instituties. Het museum toont de wortels en doorwerkingen hiervan, transformeert bestaande beelden en draagt zo bij aan sociale verandering.
De laatste twee focuspunten gaan over de relatie tussen Nederland en de nazaten van het slavernijverleden. In de eerste plaats betreft dat het gegeven dat de nieuwe verhoudingen tussen Nederland en haar voormalige koloniën nog zeker niet zijn gedekoloniseerd en dat betreft niet alleen de Afro-bevolking. In de tweede plaats betreft dat de kwestie van Repa rations, dat wil zeggen een proces ingaan van oprechte excuses, herstel, heling en uiteindelijk verzoening. De uitwerking van deze transformaties, focuspunten en beeldkantelingen zijn uitgebreid geanalyseerd in Bijlage 1 (NiNsee). Een ontketend perspectief. Hierna volgen twee voorbeelden van een ander perspectief zoals dat in het museum kan worden getoond.
57 | Met de kracht van de voorouders
Voorbeeld 1: De voetboei Een voetboei was een ketting waarmee slaafgemaakten werden vastgeketend. Er is tegenwoordig bijna geen slavernijtentoonstelling waar ze niet te zien zijn en daarmee zijn ze bijna een cliché geworden. Soms mogen ze worden aangeraakt en kan de koudheid en hardheid van dit symbool van botte machtsuitoefening worden gevoeld en beleefd. Tegelijkertijd kent de voetboei een opmerkelijke afterlife. Hij wordt namelijk gedragen door sommige Afro-Surinaamse vrouwen die een bepaalde winti of geest hebben. Van een onderdrukkend instrument is het dus deel geworden van winti-religie en geeft het bescherming. Het betekent dat diegene nooit meer door een ander geboeid kan worden, want deze boei is door diegene zelf omgedaan. Deze voetband van edelmetaal, een sieraad dus, geeft aan dat de draagster zich bewust is van het verleden, en tegelijk symboliseert het verzet. Tegelijk is het een eerbetoon aan de voorouder in de slavernij van wie de draagster van de voetboei een reïncarnatie is. Tussen de twee is overeenstemming dat de slavernij voorbij is en niet meer wordt voortgezet.
Dit verhaal wordt verteld in een winkelopstelling waar oude en nieuwe sieraden zijn te bewonderen. De bezoeker kan een sieraad uitkiezen waarvan zij/hij denkt dat het bij haar/hem past. Achter in de winkel staat de ‘winkelier’ met een touch screen waarop de sieraden staan afgebeeld. Aanraken en het verhaal van dat sieraad wordt verteld, niet alleen van winti maar van alle sieraden met een betekenis in Suriname en de Caribische eilanden, van vriendschapsring tot bescherming tegen het boze oog.
Vlnr: Curaçaose resp. Surinaamse hanger tegen het boze oog; Surinaamse Kromanti-oorhanger voor iemand die een kromanti winti heeft; Kurazon di Korsow (hart van Curaçao), die soms door vrouw van een shon (rijke man) aan de Zwarte jaja (dienstvrouw) werd gegeven als dank voor vele jaren trouwe dienst. Deze werd van generatie op generatie doorgegeven.42
42 Foto’s van internet, behalve rechts uit Gert Oostindie en Alex van Stipriaan (red.), Antilliaans Erfgoed, Leiden: LUP, 2021.
58 | Met de kracht van de voorouders
Voorbeeld 2: De diaspora begint
Een verteller met een groep kinderen in Ethiopië.43
Links: rapper Fresku; midden: griot Trio Da Kali uit Senegal; rechts: verteller en comedian Wijnand Stomp.44 verteller en comedian Wijnand Stomp.44
Vrijwel heel Afrika kent een traditie van vertellers, die eigenlijk de historici zijn van een gemeenschap. Zij zijn van generatie op generatie getraind om de geschiedenis van hun groep of volk op een levendige manier 43 [https://ethiopia.savethechildren.net/news/community-leader-works-create-future-leaders] 44 Bronnen vlnr: Wiki Commons; https://www.bostonglobe.com/arts/ music/2018/04/05/mali-trio-kali-brings-fresh-inspiration-ancient-traditions/9ILdlGLLIzFCEcvaTVbvEP/story.html (foto Youri Lenquette); https://www.youtube.com/watch?v=OYQNvjaxo38&ab_channel=MisterAnansiTEEVEE
door te geven onder andere door zichzelf met muziek te begeleiden en te zingen. Tegenwoordig zijn zij vaak ook bekende popzangers en zangeressen. Zwarte rappers worden ook vaak gezien als een soort griots – zoals ze in West-Afrika worden genoemd, althans als ze ook echt verhalen vertellen, zoals Fresku of Typhoon in Nederland. Onder een boom vertellen zij verhalen van de West- en Centraal-Afrikaanse geschiedenis en het begin van de Afrikaanse diaspora.
59 | Met de kracht van de voorouders
[In het museum staan er, met name bij events, soms echte vertellers. Permanent staan er gebouwde ‘vertellerpoppen’ met een videoscherm als hoofd en een bekende stem, te vertellen onder een eveneens gebouwde boom. Onder de boom en rond de verteller zijn zitjes gecreëerd] Hierna enkele verhaalfragmenten.
45
45 Collage Alex van Stipriaan.
60 | Met de kracht van de voorouders
Het verhaal begint. “Er werden oorlogen gevoerd in de landen die nu Congo en Angola heten, maar die toen uit vele verschillende koninkrijken bestonden. Het grootste en machtigst was het koninkrijk Kongo dat op een gegeven moment de beide huidige Congo’s, en delen van Gabon en van Angola omvatte. Volgens orale overlevering stichtten Nimi a Nzima van Mpemba Kasi en Nsaku Lau van Mbata het koninkrijk aan het einde van de 14e eeuw volgens de Europese jaartelling. Eind 15e eeuw kwam er een nieuwe partij bij in het gebied, namelijk de Portugezen die af en aan de koningen van Kongo steunden of diens vijand waren. Hoe het zij, er waren voortdurend oorlogen om de macht in het gebied. En in die oorlogen werden mensen gevangen genomen en aan mensenhandelaars verkocht. Die brachten ze naar de kust, waar ze werden gevangen gezet in goed bewaakte gebouwen van leem of op schepen die in de baaien voor dat doel
waren vastgezet. Vanaf begin 17e eeuw verschenen ook Nederlandse schepen aan de kust. Koning Pedro II van Kongo sloot een verdrag met de WIC, net als zijn opvolger Garcia I (de koningen hadden zich christelijk laten dopen en Portugese namen aangenomen).”
[rond de vertelhoek staan objecten uit de landen waarover het gaat]
Vrouwenfiguur, Dem. Rep. Congo, 19e eeuw en ‘koninklijke’ stoel uit Angola, begin 20e eeuw; beide collectie Wereldmuseum Rotterdam. Uitgezocht moet worden bij dit soort collectiestukken of die wel gebruikt kunnen worden i.v.m. roofkunst.
61 | Met de kracht van de voorouders
Boven: Mbanza Kongo, hoofdstad van het koninkrijk Kongo; onder: Nederlandse gezanten knielen voor koning Garcia II van Kongo (beide illustraties in Olfert Dapper, Naukeurighe beschryvinge ..., 1668) Deze worden gebruikt in de video van de verteller of hangen aan de wand.
62 | Met de kracht van de voorouders
Het verhaal vervolgt. “Met Nederlandse schepen zijn hiervandaan zo’n 200.000 slaafgemaakte mensen de Atlantische Oceaan over vervoerd. Het totaal aantal gevangenen was veel meer, want tussen het moment van gevangenneming en de aankomst op de kust lag al een wekenlange, uitputtende voettocht waarin velen zijn gestorven. Voor het eerst zien ze de zee, even, voordat ze worden opgesloten. Na lange tijd wachten worden ze in een enorm schip geladen. Aan de voorkant rijst een godenbeeld uit het water op, meer is niet te zien voordat de mensen afdalen in de donkere buik van het drijvende gevaarte. Alles kraakt en piept en maakt angstwekkende geluiden. Er klinkt een enorme knal, het is duidelijk dat het schip is vertrokken, na enige dagen klinkt er opnieuw zo’n knal en stopt het schip weer. Er komen nieuwe mensen bij. En zo gaat het door, tot er meer mensen in het ruim lijken te zijn opgepropt dan ze ooit in hun geboortedorpen bij elkaar hadden gezien. Toen het schip, waarvan nu bekend is dat het uit Rotterdam kwam en de Coninck Salomon heette, eenmaal op zee was en duidelijk werd dat er geen mogelijkheid was ooit nog naar huis terug te keren, werd de wanhoop groot. Maar ook de kracht om iets aan de situatie te doen. Er viel toch niets meer te verliezen.
Een aantal van de mannen stak de koppen bij elkaar en zwoer in het duister van het schip een eed, dat ze in opstand zouden komen en het schip met zijn roze mannen zouden overmeesteren. Met veel geduld, een hoop spierkracht en kleine opgepikte materialen lukte het een paar mannen hun voetboeien
te breken, of in ieder geval zo krom te trekken dat ze hun voeten eruit konden halen. Ze hadden zelfs wapens. Drie messen hadden ze tijdens het luchten aan dek achterover weten te drukken en acht vijf duims spijkers (ca. 12 centimeter lang) waarvan ze de punten in de loop van de tijd hadden aangescherpt. Verder beschikten ze over enkele handspaken (soort houten hefbomen) en houten knotsen die ze achterover hadden gedrukt toen ze voor de kok hout naar de kombuis moesten sjouwen. Ze hadden ook een leider, bomba Swaen werd hij genoemd. Hij kende de roze mensen goed, want ooit was hij een dienaar geweest van hun koning in een plaats met de naam Elmina. Alleen had hij iets gedaan dat hem niet beviel, waarna hij was gestraft met het afsnijden van beide oren en werd hij, net als zij, aan een schip verkocht. Hij zei dat ze in opstand moesten komen, omdat ze naar een plaats zouden varen waar ze als koeien en schapen zouden worden geslacht en opgegeten door de bevolking.46 Hoe het kwam is onduidelijk, maar opeens verschenen de roze mannen in het ruim, zwaar bewapend en namen in ieder geval acht van degenen die de eed hadden gezworen vast, waaronder bomba Swaen. Ze wisten van de plannen.
Iemand moet hen hebben verraden, want hoe konden ze het anders weten? Bomba Swaen werd opgehangen, de andere zeven zaten in ieder geval nog tien dagen geketend en vastgespijkerd bovenop de hut van de kapitein, in de zon, weer en wind.”
Een oude spijker, een oud mes en een handspaak (Museum Rotterdam)
46 Dragtenstein, Van Elmina naar Paramaribo, 139-142.
63 | Met de kracht van de voorouders
“Van in ieder geval een op de vijf Nederlandse slavenschepen is bekend dat er sprake is geweest van aanzetten of daadwerkelijke pogingen tot oproer en verzet. Het meest bekend is misschien de opstand op de Neptunus, in 1785, voor de rede van het Nederlandse fort Nassau in hedendaags Ghana. Het lag er klaar met rond 200 slaafgemaakte mensen in het ruim, om over te steken naar Suriname, maar zo ver is het nooit gekomen. Een aantal van de mannen in het ruim weet zich van hun boeien te bevrijden, klimt aan dek en valt de bemanning aan, waarvan een groot deel op dat moment aan land is, inclusief hun baas. Eerst worden ze nog teruggedrongen, maar nadat ze een aantal tussenschotten hebben afgebroken bereiken ze de kruit- en wapenkamer en verdrijven ze de achtergebleven roze mannen, die in paniek overboord springen. Iedereen wordt bevrijd en de kabels waarmee het schip vastligt aan zijn ankers worden door gekapt. Het lukt niet om met het schip weg te komen, en weldra worden ze omringd door andere schepen. Of het een ongeluk is geweest of een bewuste daad is onduidelijk, maar in ieder geval steekt iemand de kruitvaten in brand, waardoor het schip met iedereen aan boord en nog zo’n 200 mensen in de omgeving de dood vinden. Liever dood dan slaafgemaakt.”47
“Die mensenhandel, maar ook de strijd ertegen, gaat meer dan twee eeuwen zo door. In 1754 voer er weer zo’n schip voor de kusten van Congo-Angola.48 Een jongeman en twee vrouwen waren de eersten die in het donker ruim moesten afdalen. Viereneenhalve maand later werden de laatste vijf mannen naar beneden gejaagd en begon het schip aan een twee maanden lange reis, alleen omringd door zee. Ze waren met een paar honderd mensen, de mannen en jongens veruit in de meerderheid, maar wel gescheiden van de vrouwen en meisjes. Het was soms moeilijk elkaar te begrijpen, want er werden veel verschillende dialecten en talen gesproken. Maar ze hadden allemaal dezelfde ervaring doorgemaakt. Ze waren geroofd of gevangen genomen, hadden hun familie en hun dorpsgemeenschap verloren, hadden de barre tocht naar de kust overleefd en kwamen daar in handen van een man die zich gedroeg als een koning en dat misschien ook wel was. Er deden namen de ronde als Montewa, Malimba, Jinjimbi, tata Monebansa, Majenje. Machtige mannen die hen gevangen hielden. Opeens verschenen er ook andere wezens van een vreemde roze kleur die eruitzagen als mensen, maar er totaal anders uitzagen en volkomen onduidelijke klanken uitstootten. De koninklijke handelaar begon met hen te praten via iemand die vertaalde.
Een voor een moesten ze voor hen verschijnen, werd er aan alle ledematen getrokken, in de mond gekeken en moest er gehuppeld worden. Dit leek wel de beestenmarkt die ook thuis soms werd gehouden. Het loven en bieden was begonnen en een voor een werden de meesten naar die roze wezens geduwd, bij wie ze moeten blijven. Door hen kregen ze een roodgloeiende stok in hun borst gedrukt waardoor er vreemde tekens achterbleven die nooit meer helemaal zouden verdwijnen. Een onpeilbare angst is in ieders ogen te zien. Ze krijgen gelukkig iets te drinken, maar daar moeten ze allemaal van braken. Zijn ze vergiftigd? Worden ze nu misschien geslacht?”
Tekening Jacob Buys, 1781 (Rijksmuseum)
47 Paesie, Slavenopstand op de Neptunus (2016).
48 Het hierna volgende verhaal is gebaseerd op Alex van Stipriaan, Rotterdam in Slavernij (2020), hoofdstuk De wereld van de Willem en Carolina, p. 129-175.
64 | Met de kracht van de voorouders
Stalen textiel van een Nederlands slavenschip eind 18e eeuw. De linker zijn aangevoerd door de VOC, de rechter werden ook meegenomen naar de Amerika’s en deel van de Afro-Caribische kleding, zoals de kamisa, lendendoek voor mannen, hieronder met erop geborduurde symbolen, in dit geval met betrekking tot de liefde, eind 19e eeuw (Nat. Archief en NMVW)
“Ze worden het ruim van het schip in gedwongen en na verloop van tijd houden de korte stops onderweg op en begint een schijnbaar eeuwigdurende reis. Als de zee het toelaat moeten ze helpen het schip schoonmaken, maar toch blijft het stinken door alle soorten vocht en uitwerpselen die een mens uit zijn lichaam afscheidt. Soms worden ze met azijn besprenkeld om de ergste geuren tegen te gaan. Ze zeggen dat je angst kunt ruiken, angstzweet stinkt. Een op iedere zeven mensen overleeft de reis niet.
Twee keer per dag krijgen ze eten, in groepjes om beurt aan dek. Daar moeten ze dansen, wat best lastig is als je de hele dag bent opgepropt in ruimtes waarin je net rechtop kunt zitten en de mannen aan een rail zijn vastgeketend. Soms vinden ze kleine afgedankte stukjes stof, waarmee aan elkaar gezette lapjes of figuurtjes worden gemaakt. Veel meer nog doen ze elkaars haar. Als het lukt om iets te bemachtigen dat een beetje scherp is snijden ze figuren in elkaars haar, het lijken soms verhalen.”
65 | Met de kracht van de voorouders
Links: marronvrouwen doen elkaars haar (foto: W. v.d. Poll, Nationaal Archief); rechts: kapsel van jongeman in Pikinslé, Suriname 2010 (foto: Alex van Stipriaan)
Zo goed en zo kwaad als het lukt gaan ze met elkaar praten, verhalen en ervaringen uitwisselen, er ontstaat een eigen communicatietaal. Er ontstaan vriendschappen, liefdes zelfs, maar dat kan ruw verstoord worden door de genadeloze roze mannen die regelmatig in het ruim op bezoek komen en er vrouwen uitpikken die ze tot seks dwingen. Tegelijk groeien er diepgaande onderlinge banden. Omdat vrijwel niemand verwanten aan boord heeft, wordt dit de nieuwe familie. Dat blijkt ook, want mensen die samen op hetzelfde schip hadden gezeten en eenmaal in de Amerika’s door dezelfde eigenaar werden gekocht, dus bij elkaar bleven, beschouwden elkaar als bloedverwanten. In Suriname werd dat sibi of sipi genoemd
(afgeleid van ship of schip). Later werd dat een term waarmee mensen elkaar aanduidden die een overeenkomstige traumatische gebeurtenis hadden ondergaan en daardoor een extra band voelen. Ook verhalentradities zelf gaan mee over de oceaan en worden gebruikt om het leven te begrijpen. Het bekendst is de West-Afrikaanse spinfiguur Kwaku Anase, Ba Anansi of Kompa Nansi, die slimmer is dan iedereen. Misschien zijn er op slavenschepen ook Anansiverhalen verteld, zoals die waaraan hij zijn slimheid dankt ...
Illustratie Over Anansi, slavernij en de kracht van het verhaal (Comité Koninkrijksrelaties)49
49 [https://www.comitekoninkrijksrelaties.org/over-anansislavernij-en-de-kracht-vanhet-verhaal/]
66 | Met de kracht van de voorouders
“Eens, lang geleden, waren alle verhalen en wijsheden van God, Nyankopon. Op een keer zei God tegen zijn woordvoerder: ‘Ik wil mijn verhalen, mijn wijsheden en zelfs mijn dochter schenken aan diegene onder de mensen die het lukt om mij binnen veertig dagen een levende python, een levend luipaard en duizend levende bijen te brengen’. Alle mannen trachtten deze moeilijke opdracht te vervullen, maar het lukte ze niet. Ook Kwaku Ananse ging aan de slag. Hij liep naar de python die opgerold lag te dutten en zei bewonderend: ‘Python, jij bent geweldig lang, maar volgens mij is die bamboetak daar toch langer dan jij!’ Python antwoordde: ‘Wat! Ik ben langer dan die tak!’. Kwaku Ananse stelde voor om te meten. Python moest uitgestrekt langs de tak gaan liggen. Kwaku Ananse zou hem eraan vastbinden en dan kon je zó zien wie het langst was. Python stemde toe en liet zich vastbinden tot hij zich niet meer verroeren kon. Zo ving Kwaku Ananse de python. Met vergelijkbare slimheid ving hij het luipaard en de duizend bijen. Binnen een week! Gods woordvoerder kwam naar beneden en concludeerde dat Kwaku Ananse gewonnen had. Zo is het gekomen dat Kwaku Ananse zo wijs is”.50 50 Geciteerd in Literatuur Zonder Leeftijd 8 (1994), 20.
Veel later maakte iemand dit lied:
Curaçao, Berbice, Jamaica, Duizend schepen legden aan, en voor wie het kon verstaan klonk eeen liedje langs de kade: ‘Al verwoestte men zijn draden, Ook al heeft hij niets te eten, Ook al heeft hij niets te drinken, Anansi blijft altijd bestaan’. Guadeloupe, St. Kitts, Barbados, duizend voeten zijn gegaan, en langs de plantagepaden werd het liedje niet vergeten: ‘A heeft niemand meer te eten, Anansi zal altijd bestaan’. Cuba, Trinidad, St. Maarten, duizend maanden zijn vergaan, maar het oude lied blijft klinken: ‘Al zal niemand ooit meer drinken, Al zal heel het land verzinken, Anansi komt er weer aan!’51
[In de ruimte waar deze verhalen worden verteld staan kunstwerken opgesteld van hedendaagse kunstenaars uit de Nederlandse Afrikaanse diaspora, die het thema van het verhaal vormgeven, aanvullen en versterken]
51 Noni Lichtveld, Anansi: de spin weeft zich een web om de wereld. ’s Hertogenbosch: Verbek + Verbeek, 1984, 12.
67 | Met de kracht van de voorouders
Kurt Nahar, The Nene Rituals, 2021; installatie met kalebassen n.a.v. de moord op 664 Afrikanen in de ruimen van slavenschip Leusden in 1738. Dit werk is mede mogelijk gemaakt door Rosie Gordon Wallace van DVCAI in Miami en Readytex Art Gallery in Paramaribo.
‘Salt of the Soul’, Patricia Kaersenhout, 2016; hier opgesteld tijdens Keti Koti 2016 bij het slavernijmonument in het Oosterpark, Amsterdam. De orale overlevering zegt dat wie geen zout at zou kunnen terug vliegen naar Afrika (foto: Annemarie de Wildt).
68 | Met de kracht van de voorouders
FODU. Ultimate Resistance, cotton textile, kaolin (pimba), wood, (118 x 118 x 248 cm) 2014 (foto: Aatjan Renders).
69 | Met de kracht van de voorouders
7 Hoe werkt collectie voor dat verhaal?
7. Hoe werkt collectie voor dat verhaal? • Nieuwe collectie • Een voorbeeld • Inventarisatie • Depot • Resumerend
In deze verkenning is steeds sprake van een museum. In tegenstelling tot een expositiegebouw of galerie heeft een museum vrijwel altijd een eigen collectie, van waaruit de instelling is ontstaan en die het een eigen identiteit geeft. In musea staat dan ook die collectie centraal met bruiklenen en wisseltentoonstellingen van elders. Die collecties zijn altijd materieel van aard geweest. Het is pas van de laatste decennia dat de verhalen en betekenisgeving bij en van die objecten, of het nu om kunst of artefacten gaat, bewust een steeds grotere waarde wordt toegekend. Bovendien blijken die in de loop van de tijd te kunnen veranderen, al naar gelang de samenleving en de historische en sociale wetenschappen veranderen. Met hetzelfde object worden in de loop der tijd andere verhalen verteld. Gelukkig. Het opmerkelijke is natuurlijk ook dat musea die begonnen met een eigentijdse collectie, na verloop van tijd musea worden met historische collecties, omdat ‘die eigen tijd’ steeds verder terug ligt en er niet evenredig veel nieuws bijkomt. Het is weinig musea gelukt om zodanig contemporain te blijven verzamelen dat het museum steeds bij de tijd blijft. Mede daardoor blijven collecties, ondanks veranderende betekenisgeving en nieuw verzamel beleid, toch in belangrijke mate gebonden aan de tijd waar ze vandaan komen.
In het geval van de Afrikaanse diaspora is dat dus de koloniale tijd, waardoor het voor veel musea met een collectie uit die tijd moeilijk blijft om echt dékoloniaal te worden.
Nieuwe collectie Het is bij ieder object mogelijk om te stellen dat er ook gekeken moet worden naar wat het NIET vertelt, of wat er NIET op te zien is. Dat gebeurt gelukkig ook in toenemende mate om ruimte aan andere perspectieven en verhalen te geven. Maar dan nog zal er heel veel niet aan bod komen omdat dat ‘haakje’ in bestaande collecties nu eenmaal niet aanwezig is. En zoals eerder gezegd in het verhaal van de Afrikaanse diaspora en zeker in het slavernij-deel daarvan is er weinig materiële cultuur behouden gebleven en is immateriële cultuur veel belangrijker. Om dat toch te kunnen presenteren zijn er dus nieuwe ‘haakjes’ nodig, die het museum zelf zal moeten maken, evenals de bijbehorende museale infrastructuur en techniek. Een voorbeeld. De Afrikanen die werden gedwongen in diaspora te gaan konden niets meenemen. Een enkeling had misschien nog een stukje textiel van thuis aan het lichaam en een nog zeldzamere enkeling had soms wat zaden van thuis in het haar en dat was het. Maar hun hoofd zat vol met taal, met kennis, met liederen, met omgangsvormen en levensvisies, hun hart zat vol met emoties, met spiritualiteit en met creativiteit en hun lichaam was gevuld met motoriek, ritme, dans, vaardigheden, seksualiteit, om nog maar te zwijgen van hun DNA dat de sporen van lange migraties én aanpassing aan de omgeving in zich droeg.
Dat alles hadden ze wel meegenomen over de Atlantische Oceaan. En daar aangekomen ontwikkelde zich dat in creoliseringsprocessen tot nieuwe culturen. Maar omdat slaafgemaakten in feite geen bezit mochten hebben –zij waren zélf bezit en voor de Nederlandse koloniale wet geen mensen maar roerende goederen– hebben de nieuwe culturen die
71 | Met de kracht van de voorouders
daar ontstonden ook weinig materieel erfgoed nagelaten. En ook de doorwerkingen en erfenissen van dat verleden in het heden zijn voornamelijk immaterieel van aard. Het slavernijmuseum zal dus hoe dan ook een ander museum worden dan alle andere. De vraag is of het dan wel een eigen, zij het andersoortige, collectie moet opbouwen. En als het museum dat doet, hoe voorkomt het dat met name die immateriële kant, maar ook de materiële kant, heel abstract blijft en voor een buitenstaander moeilijk mee te identificeren. Het antwoord luidt: steek niet teveel energie en geld in het opbouwen van een substantiële, eigen collectie in de traditionele zin van het woord. Maak een kerncollectie van items die mensen in de Afrikaanse diaspora willen afstaan (participatief en grass roots verzamelen52) of mede-beheren in de vorm van co-collectie.53 Daardoor worden de eigenaren van deze items tegelijk stakeholder in- en ambassadeur van het museum. Dat kan gaan om heel bijzondere items, wellicht nog uit de tijd van de slavernij, maar net zo goed familiefoto-albums van Bonaire uit de jaren 1940, of van de migratie van Suriname naar Nederland, of acties in Amsterdam Zuidoost in de jaren 1980. Maak daarnaast heel veel digitale collectie van alle aspecten van immateriële cultuur (muziek, dans, vertellers, dichters, theater etc.).
Maak boeiende replica’s van objecten die niet te krijgen of te bruiklenen zijn en zet vooral veel kunstenaars aan het werk om vorm te geven aan al die verhalen en elementen van immateriële cultuur waarvan geen object is om er iets van te tonen.
Installatie ‘Reconnecting Africa’, die de Surinaamse kunstenaar van marron-afkomst Marcel Pinas in 2006 maakte voor het Tropenmuseum. Het is een mix van authentieke West-Afrikaanse en marronobjecten en eigen design en objecten (foto: Alex van Stipriaan).
52 Zie Bijlage 2, MZM, Collectievorming, p.105.
53 Idem p. 15. Co-collectie kan betekenen dat een item wordt beschreven en geregistreerd als onderdeel van de museumcollectie, maar in beheer blijft van de eigenaar, of gemeenschap.
The Afro Healing’, 2012, van de Curaçaose kunstenaar Tirzo Martha.
72 | Met de kracht van de voorouders
Laat tegelijk de abstractie niet de overhand nemen, maar kies voor een biografische invalshoek: immateriële en materiële cultuur die wordt opgehangen aan concrete mensen en hun individuele verhalen en levensstijlen. Deze almaar groeiende collectie vertelt met elkaar een veel groter verhaal, dat tegelijkertijd heel zichtbaar blijft. Bovendien veroudert het nooit omdat er steeds weer verhalen en persoonlijke perspectieven bijkomen. Tegelijk betekent het verzamelen en presenteren vanuit zwarte perspectieven, dat dit zoveel mogelijk gebeurt vanuit het criterium: door zwarte handen gemaakt of gebruikt. Dan nog moet daar creatief mee worden omgegaan om een dynamische presentatie te kunnen samenstellen.
Een voorbeeld Het NTASM zou zijn uiterste best kunnen doen om het iconische schilderij Slavendans van Dirk Valkenburg uit 1707 over te nemen van het Staatsmuseum in Kopenhagen. Het heeft in Nederland of in Suriname nu eenmaal veel meer betekenis dan daar, want het is een van de weinige naar de werkelijkheid gemaakte afbeeldingen van slaafgemaakten op een goed gedocumenteerde Surinaamse plantage, waarvan bovendien een aantal later marron is geworden, waaronder iemand die we bij naam kennen, Wally. Mensen dus die echt hebben geleefd en niet karikaturaal zijn afgebeeld. Het hing dan ook in bruikleen op de Grote Suriname tentoonstelling 2019-2020 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Het is een uniek schilderij, maar het is de vraag hoeveel mensen dat beseft zullen hebben. In de media heeft het in ieder geval weinig aandacht gehad en er stonden nooit drommen mensen omheen, zoals meestal bij iconische werken. Het sprong er met zijn 30x40 centimeter in een vitrine met veel andere objecten, waarvan een deel door zwarte handen gemaakt (!), dan ook niet erg uit.
Vitrine met schilderij van Dirk Valkenburg 1707 in de Grote Suriname Tentoonstelling in de Nieuwe Kerk, Amsterdam 2019 (foto: Alex van Stipriaan).
73 | Met de kracht van de voorouders
Het ligt niet voor de hand dat het Deense Staatsmuseum het voor lange tijd of zelfs permanent zal afstaan. Maar hoe zou dit beeld werken als voor het moderne NTASM een enorme blow up van dit schilderij zou worden gemaakt van bijvoorbeeld 6 x 8 meter. En dat de personen daarop afgebeeld ook individueel door het museum heen te zien zijn, met een verhaal (van sommigen op het schilderij is meer bekend), omhangen met antiek marrontextiel; symbool voor liefde en emotie (het kussende stel), uiting van
xpressie vergezeld door een drum en hoorbare e muziek (de drummer); een verhaal over man-vrouw en opvoeding (het kind) omlijst door een liedje; als individuen opgenomen in een werk van een hedendaagse kunstenaar, tot leven gebracht in een animatiefilm enz. enz. Het schilderij is weliswaar niet door Zwarte handen gemaakt, maar wat er in het museum mee wordt gedaan absoluut wel: Van een tamelijk abstracte groep worden het individuele mensen met een verhaal, met een cultuur, met emoties en expressie.
Details van Dirk Valkenburg, ‘Slavendans’, 1707 (Statens Museum for Kunst, Kopenhagen)
74 | Met de kracht van de voorouders
Inventarisatie
Resumerend
Zodra definitief het besluit voor de bouw van het NTASM genomen is moet er een zeer grondige inventarisatie plaatsvinden van relevante objecten in Nederlandse en niet te vergeten buitenlandse collecties. Bij het laatste ligt het voor de hand te denken aan met name Suriname en de Nederlandse Cariben, maar ook bijvoorbeeld Guyana, Brazilië en een aantal Afrikaanse landen. Daarbij loert altijd het gevaar van neo-koloniale verhoudingen. Het kan niet zo zijn dat er later weer over repatriëring van objecten moet worden gesproken of dat in de betrokken landen geen tentoonstelling kan worden georganiseerd omdat belangrijke stukken al permanent ‘vastzitten’ in het NTASM in Nederland. Het devies moet dus zijn eventueel ook in de voormalige koloniën te verzamelen, maar heel terughoudend en met eerlijke en respectvolle afspraken. Maar daarnaast zijn er ook andere buitenlanden waar collectie in relatie tot de Nederlands Afrikaanse diaspora is te vinden zoals het Deense voorbeeld al aantoonde. Daaronder zijn Duitsland, Frankrijk en de VS. Dat moet goed in kaart worden gebracht en mogelijkheden voor langdurige of semi-permanente bruikleen moeten zorgvuldig worden onderzocht. De eerste aanzet daartoe is te vinden in Bijlage 2, MZM, Rapport Collectievorming p. 111-130.
Het verdient aanbeveling om hooguit een kleine eigen kerncollectie aan te leggen en de rest te bruiklenen en te laten maken, met veel gebruik van kunstenaars. Dat betekent ook dat er liefst wel een kleine eigen collectiedepot moet komen voor zaken die liever niet elders ondergebracht mogen worden, en voor het overige gebruik te maken van bestaande externe depots. Belangrijk inzicht is dat het verzamelen van relaties waarschijnlijk net zo belangrijk is als het verzamelen van objecten. Met de relaties komen de objecten er ook. Verder dient er zo snel mogelijk een liefst uitputtende inventarisatie te komen van relevante collectie in binnen- en buitenland. Het begin is al gemaakt in MZM, 2, Rapport Collectievorming. Ook voor collectie-beleid en beheer zal een door timmerd collectieplan gemaakt moeten worden waarvoor eveneens de eerste aanzet is geleverd in Bijlage 2 (MZM).
Depot Ook al zal het NTASM zich beperken tot een kleine kerncollectie, dan nog moet er depotruimte zijn voor het bewaren van eigen en bruikleenobjecten. Ook is zo’n depot soms een eis van andere instellingen om een object in bruikleen te geven. Sacrale voorwerpen verdienen bovendien naast een aparte behandeling ook een aparte ruimte, die in een groot, gedeeld depot waarschijnlijk niet voorhanden is. Het goedkoopst is het echter om in ieder geval eigen collectie onder te brengen bij een bestaand museumdepot zoals het nieuw te bouwen depot van het NMVW, waarvan al met zoveel woorden is gezegd dat het NTASM daar ook welkom is.
75 | Met de kracht van de voorouders
8 Wie zijn de partners en wat is de programmering van het verhaal?
8. Wie zijn de partners en wat is de programmering van het verhaal? • Individuele partners • Afro-gemeenschappen • Onderwijs • Programma Het NTASM heeft een aantal natuurlijke partners. De eerste zijn de Afro-gemeenschappen in Nederland en in het Caribisch gebied, omdat zij de dragers zijn van de culturen en de verhalen die de bestaansreden van dit museum vormen. De tweede is de onderwijsgemeenschap in Nederland dat veel steun behoeft in het vertellen van het verhaal. Sommigen kunnen niet wachten op die steun, anderen staan er wat afstandelijk tegenover, maar iedere docent geschiedenis en maatschappijleer heeft te maken met de canon die als uitgangspunt dient voor het onderwijs en waarin slavernij en de multiculturele samenleving (‘Veelkleurig Nederland’) als onderdelen zijn vastgelegd.54 Daarnaast is natuurlijk het algemene publiek een heel belangrijke partner of stakeholder, maar veel diffuser dan de eerste twee. Uit de twee eerste groepen, Afro-gemeenschappen en onderwijs, is intensief gesproken met sleutelfiguren in verschillende geledingen. Een groot aantal praktische aan bevelingen is te vinden in Bijlage 3, IZI, Draagvlak en Dialoog, p. 18-21.
54 In 2010 is de Canon van Nederland opgenomen in de kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. De kerndoelen over de tien tijdvakken (voor het po kerndoel 52, en voor de onderbouw van het vo kerndoel 37) zijn aangevuld met de zin: “De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken.” Scholen kunnen eigen accenten leggen: in de toelichting op het kerndoelenbesluit is aangegeven dat scholen niet elk individueel venster hoeven te behandelen in het onderwijs. De commissie-Kennedy heeft in 2020 geadviseerd om de Canon op te nemen in de toekomstige kerndoelen als onderdeel van het historisch referentiekader. Ook heeft zij geadviseerd de hoofdlijnen in te zetten bij de verdere uitwerking van de leergebieden Mens & Maatschappij en Burgerschap in het kader van de herziening van het onderwijsprogramma. [https://www.canonvannederland.nl/nl/faq]
Als netwerkmuseum (zie hoofdstuk 3) kent het NTASM een groot aantal institutionele partners met wie het in zeer verschillende gradaties van partnerschap samenwerkt, van heel losjes in de Nederlandse Museumvereniging tot heel intensief met de musea met wie het zakelijk-organisatorische en inhoudelijke allianties is aangegaan. Ook is het een netwerkmuseum door met specifieke maatschappelijke velden een extra band aan te gaan, zoals hieronder aan bod komt. En ten slotte heeft het NTASM ook indivi duele partners.
Individuele partners Individuele partners zijn natuurlijk te vinden in de Raad van Toezicht en een eventuele Inhoudelijke Adviesraad. Maar zeker zo belangrijk zijn de influencers die zich aan het NTASM willen binden. Logischerwijs behoort de meerderheid van hen tot de Afrikaanse diaspora, maar er zullen ook witte Nederlanders deel van zijn. Via hen voelt ieder van de Afro-gemeenschappen zich in het museum vertegenwoordigd en ziet de samenleving als geheel dat ook witte (Bekende) Nederlanders het Afrikaanse Diasporaverhaal in hun hart gesloten hebben. Samen vertegenwoordigen zij verschillende maatschappelijke lagen en disciplines en worden de ambassadeurs en een beetje het gezicht van het ntasm. Om die verbondenheid duurzaam vorm te geven worden hun beeltenissen en quotes in het museum gebruikt. Bij evenementen wordt ervoor gezorgd dat er regelmatig minstens een van hen aanwezig is.
77 | Met de kracht van de voorouders
Afro-gemeenschappen Het NTASM is een centrum over, voor en van de Afrikaanse diaspora in Nederland. Buiten de grens is het zonder twijfel ook belangrijk voor bevolkings groepen in Suriname en de Nederlandse Cariben. Het initiatief voor het NTASM is uit vertegenwoordigers van de Afro-gemeenschappen voortgekomen en dus vormen zij de belangrijkste stakeholders en doelgroepen om voor en mee te werken. In iedere fase van de totstandkoming van het museum zullen zij zich dan ook substantieel vertegenwoordigd moeten weten en het gevoel hebben dat zij het proces (mee-)sturen. Zij worden dan ook actief betrokken in het proces van co-creatie dat meteen vanaf het groen licht voor het museum op gang komt. Dat betekent meehelpen collectie bijeen te krijgen door participatief en grass roots verzamelen (zie hoofdstuk 7), meedenken over de inrichting van het museum, de buitenruimte en het verhaal en mede samenstellen van het programma. In het NTASM staan zwarte perspectieven centraal en de gemeenschappen denken mee wat dat dan concreet betekent. Zoals al eerder gezegd zal voor (velen van) hen het museum een plaats van emotie zijn en ook een enigszins sacrale betekenis hebben, zoals het nationaal slavernijmonument dat ook heeft. Daar geeft het NTASM dan ook letterlijk ruimte aan door daarvoor specifieke plekken met betrekking tot reflectie en spiritualiteit in te bouwen. Omdat familie c.q.