CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 5 Ruimtelijke Ordening (30) 3. Bestemmingsplan Osdorperweg-Westrandweg.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 13 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Osdorperweg Westrandweg (ZD2020-013241)22.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan OsdorperwegWestrandweg

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid Osdorperweg-Westrandweg

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.F2001BPGST-VA01

Datum print

2 November 2020

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting

7

Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1 1.2

Aanleiding Leeswijzer

9 9

Hoofdstuk 2

Plankader

11

Ligging en begrenzing Doelstelling Geldend planologisch kader Beschrijving van het plangebied Geschiedenis van het plangebied

11 11 11 11 14

Beleidskader

17

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

17 18 20 21

Het ruimtelijk kader

23

Ruimtelijk-functionele aspecten Stedenbouwkundige aspecten

23 23

Hoofdstuk 5

M.e.r. / (mer-beoordeling)splicht

25

Hoofdstuk 6

Verkeer en parkeren

27

6.1 6.2 6.3 6.4

Algemeen Beleid en regelgeving Verkeer Parkeren

27 27 27 28

Geluid

29

Algemeen Beleid en regelgeving Beoordeling geluidaspect Conclusie

29 29 31 32

Luchtkwaliteit

33

Algemeen Beleid en regelgeving Resultaten onderzoeken Conclusie

33 33 35 35

Bodem

37

Algemeen Beleid en regelgeving Toetsting Conclusie

37 37 38 39

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2

Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3 8.4 Hoofdstuk 9 9.1 9.2 9.3 9.4

Gemeente Amsterdam

blz. 4

Hoofdstuk 10

Cultuurhistorie en archeologie

41

Algemeen Beleid en regelgeving Waardering Conclusie

41 41 43 44

Duurzaamheid

45

11.1 11.2 11.3

Algemeen Beleid en regelgeving Toetsing

45 45 46

Hoofdstuk 12

Externe veiligheid

47

12.1 12.2 12.3

Algemeen Beleid en regelgeving Toetsing

47 48 50

Hoofdstuk 13

Luchthavenindelingsbesluit

53

Hoofdstuk 14

Milieuhinder bedrijvigheid

55

Algemeen Regelgeving Conclusie

55 55 55

Natuur en Landschap

57

Algemeen Beleid en regelgeving Conclusie

57 57 62

Water

63

Algemeen Beleid en regelgeving Watertoets Conclusie

63 63 68 69

Juridische planbeschrijving

71

Algemeen Artikelgewijze toelichting

71 71

Hoofdstuk 18

Economische uitvoerbaarheid

75

Hoofdstuk 19

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

77

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro) Maatschappelijk overleg

77 79

10.1 10.2 10.3 10.4 Hoofdstuk 11

14.1 14.2 14.3 Hoofdstuk 15 15.1 15.2 15.3 Hoofdstuk 16 16.1 16.2 16.3 16.4 Hoofdstuk 17 17.1 17.2

19.1 19.2

bijlagen bij toelichting

81

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek TB Westrandweg

83

Bijlage 2

Historisch onderzoek Osdorperweg

85

Bijlage 3

Beleidskader Archeologie

87

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 5

Bijlage 4

Memo externe veiligheid

89

Bijlage 5

Bro reacties

91

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Hoofdstuk 3 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Hoofdstuk 4

105 Inleidende regels

106

Begrippen Wijze van meten

106 122

Bestemmingsregels

124

Agrarisch met waarden Groen Natuur Tuin Verkeer Water Wonen Waarde - Archeologie Waterstaat - Waterkering

124 126 128 130 131 132 133 135 137

Algemene regels

138

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels

138 139 140 141

Overgangs- en slotregels

142

Artikel 16 Overgangsrecht Artikel 17 Slotregel

bijlagen bij regels

142 143

145

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 7

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 8

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het bestemmingsplan ‘Osdorperweg-Westrandweg' geeft concrete invulling aan het ruimtelijk beleid voor dit gedeelte van het stadsdeel Nieuw-West. Het geeft aan op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan heeft hoofdzakelijk betrekking op de wijk Osdorp, maar bevat ook verschillende water, verkeer en groenstroken in andere delen van Nieuw-West. Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het plangebied ‘Osdorperweg-Westrandweg' hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld: Voor kleine delen van de stad geldt nog geen (actueel) bestemmingsplan. Deze restgebieden, waar geen bestemmingsplan geldt, worden ook wel 'witte vlekken' genoemd. Deze restgebieden zijn onder andere ontstaan doordat tussen eerdere bestemmingsplannen kleine stroken zijn overgebleven, omdat plannen niet naadloos op elkaar aansluiten. De belangrijkste aanleiding voor dit plan is het gat tussen bestemmingsplan 'Osdorperweg e.o.' en 'Westrandweg-2e Coentunnel'. In het bestemmingsplan Osdorperweg was ruimte gelaten vanwege het Tracé-besluit voor de Westrandweg, maar deze ruimte is niet geheel opgevuld met het bestemmingsplan waarin het Tracé-besluit is opgenomen.

1.2

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling. De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 19 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven. Na dit eerste inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder andere ingegaan op de ontstaansgeschiedenis, beschrijving van het plangebied als ook de beschrijving van de bestaande functies. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid afkomstig van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In hoofdstuk 5 tot en met 16 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 17 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 18 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en tot slot behandelt hoofdstuk 19 de maatschappelijke uitvoerbaarheid (het overleg ex artikel 3.1.1 Bro).

Tot slot zijn de relevante rapporten als bijlage bij de toelichting gevoegd.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 11

Hoofdstuk 2 2.1

Plankader

Ligging en begrenzing

Het plangebied van het bestemmingsplan 'Osdorperweg-Westrandweg' beslaat de locatie Osdorperweg-Westrandweg: 2 stroken ten westen en ten oosten van de Westrandweg tussen de bestemmingsplannen 'Osdorperweg e.o.' en 'Westrandweg-2e Coentunnel'. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

2.2

Doelstelling

Met dit bestemmingsplan worden gronden aan weerszijden van de Westrandweg waarvoor nog geen bestemmingsplan geldt voorzien van een actueel planologisch kader. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch kader aan deze locatie die in eerdere actualisaties niet (goed) is meegenomen.

2.3

Geldend planologisch kader

Ter plaatse van het plangebied Osdorperweg-Westrandweg was het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van toepassing. De werking van het AUP is echter in juli 2013 vervallen toen de overgangstermijn van de Wro afliep.

2.4

Beschrijving van het plangebied

2.4.1

Osdorperweg-Westrandweg

De twee stroken aan weerszijden van de Westrandweg liggen in de Osdorpse bovenpolder, langs de Osdorperweg. De grens van de Osdorper Bovenpolder ligt even ten noorden van de Osdorperweg. De Osdorperweg, waaraan ook de oude dorpskern Osdorp (van oorsprong Oostdorp) ligt, is de belangrijkste weg in het gebied. De Osdorper Bovenpolder is een gedeeltelijk uitgeveende polder en wordt gekenmerkt door een open weidelandschap met een strokenverkaveling. Het middendeel (tussen Slibveldenweg en Lutkemeerweg) is overwegend in gebruik als weidegebied. Het gebied heeft bijzondere natuurwaarden (weidevogels, rugstreeppad). De polder wordt doorkruist door de Westrandweg, waarmee de A5 is doorgetrokken van Schiphol naar de Coentunnel. De twee plandelen aan weerszijden van deze weg vormen ook onderdeel van de natuurcompensatie van de Westrandweg.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

Afbeelding 2.2: Uitsnede vigerende bestemmingsplannen ter hoogte van Osdorperweg-Westrandweg

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 13

Afbeelding 2.3: Westzijde Westrandweg

Afbeelding 2.4: Oostzijde Westrandweg Het plangebied omvat ook een deel van de Osdorperweg, waar deze kruist met de Westrandweg. De Westrand weg ligt op een talud en kruist de Osdorperweg ongelijkvloers. Het viaduct en de gronden onder de Westrandweg vallen niet binnen dit bestemmingsplan, maar wel de natuurcompensatie ten westen en de 2 woningen ten oosten van de weg.

Gemeente Amsterdam

blz. 14

Afbeelding 2.5: Woningen Osdorperweg nr. 826 en 828

2.5

Geschiedenis van het plangebied

In deze paragraaf wordt een historische schets van het plangebied en omgeving weergegeven. De beschrijvingen zijn mede overgenomen uit de Cultuurhistorische Verkenning 2007. 2.5.1

Ontstaan en ontwikkeling in de middeleeuwen

Het veengebied aan de westkant van Amsterdam hoort in historisch-geografisch opzicht bij het landschap van de veenontginningen (Barends e.a., 2000, p. 8, 54 e.v.). Het Utrechts-Hollandse deel daarvan is merendeels in de periode tussen ca. 950 en ca. 1300 ontgonnen. Deze ontginningen verliepen georganiseerd. Vanaf de ontginningsbasis werden de strookvormige percelen uitgezet. De sloten werden zoveel mogelijk evenwijdig en ongeveer loodrecht of onder een schuine hoek op de ontginningsbasis gegraven om een zo effectief mogelijke afwatering te verkrijgen. De boerderijen verrezen op de kop van de kavels, zodat langgerekte boerderijlinten ontstonden. Het veengebied werd aanvankelijk gebruikt als akkerland. Het veen oxideerde daardoor echter en zakte in. Een diepere ontwatering was dan nodig om het land weer in cultuur te kunnen houden. Na verloop van tijd was akkerbouw niet meer mogelijk vanwege de optredende bodemdaling; de grond was en bleef te nat. In de loop van de 14e eeuw kwam aan de graanbouw een eind. 2.5.2

Verevening en droogmakerij

De ontginningsblokken lagen aan de basis van de verdeling in waterstaatkundige eenheden, de polders. Nog in de Middeleeuwen werden deze gevormd. Inmiddels kwam ook een ander gebruik van het veen op: afgraving ten behoeve van turfwinning. De uitgeveende grond werd vaak aan zijn lot overgelaten waardoor plassen ontstonden die door de wind steeds werden vergroot. Ook in het westelijk buitengebied lag een aantal natuurlijke meren: het Lutkemeer, het Slotermeer, het Nieuwe Meer en het Ookmeer. Net als het Haarlemmermeer werden deze door de wind vergroot. Het Lutkemeer werd in 1864-1865 drooggelegd, het Ookmeer in 1874, het Nieuwe Meer bleef water. Door de droogleggingen ontstond in het buitengebied een tweedeling tussen het oude, hoger gelegen en niet

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 15

verveende land en de lager gelegen droogmakerijen. Ook in de verkaveling is er verschil: de droogmakerijen werden grootschaliger en regelmatiger verkaveld. De Ookmeerweg heeft zijn naam te danken aan het meer dat vroeger ten noorden lag in de Osdorpse Binnenpolder waar de weg nu aan grenst. Het landschap van de Osdorper Bovenpolder, waar de Westrandweg doorheen is aangelegd is het resultaat van de vervening van deze polder aan het begin van de 20ste eeuw. 2.5.3

Aanleg Westrandweg

Met de aanleg van de Westrandweg werd de slotenstructuur van de Osdorper Bovenpolder verstoord. De stroken aan beide zijden van de rijksweg zijn als onderdeel van de inpassing van de weg en compensatie van natuur heringericht. De in dit plan opgenomen delen zijn daarom betrekkelijk recent aangelegd, waarbij de oorspronkelijke slotenstructuur zoveel mogelijk is gerespecteerd. Een deel van de gronden is nog wel in gebruik als weide.

Gemeente Amsterdam

blz. 16

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 17

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. De SVIR bevat het rijksbeleid voor de ruimtelijke inrichting en infrastructuur en vervangt andere beleidsstukken op dit gebied, zoals de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. Een herijking van dit beleid werd nodig geacht voor het verwezenlijken van vier ambities voor Nederland. De ambities zijn om Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken. De vier genoemde ambities zijn in de SVIR vertaald naar drie rijksdoelen, die in 2028 moeten worden behaald: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorischewaarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen dertien onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze onderwerpen zijn daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, oftewel het Barro (zie paragraaf 3.1.2). Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainport, greenports en de valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners. Voorliggend bestemmingsplan geeft op onderdelen uitvoering aan het gegeven beleid (bijvoorbeeld het behouden van unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden). Het plan legt de bestaande situatie vast zoals die is ontstaan na de aanleg van de Westrandweg door de Osdorper bovenpolder. In dit plan wordt een deel van de natuurcompensatie van de Westrandweg voorzien van een passen planologisch kader en zo beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen. Het plan is in lijn met de SVIR.

Gemeente Amsterdam

blz. 18

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De nationale belangen uit de SVIR worden in de AMvB Ruimte juridisch geborgd. Deze AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als: Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 deels in werking getreden. Het omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken tot in bestemmingsplannen. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. De eerste aanvulling op het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Deze uitbreiding betreft rijksregels ten aanzien van de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet, de veiligheid rond rijksvaarwegen, de verstedelijking in het IJsselmeer, de bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en de toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Dit bestemmingsplan ligt aan weerszijden van de Westrandweg (A5).De Westrandweg maakt deel uit van het hoofdwegennet.

In dit bestemmingsplan wordt de bestaande situatie bestemd zoals deze is opgeleverd na de aanleg van de Westrandweg. In het plan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die het rijksbelang, in dit geval van de Westrandweg, raken zodat wordt voldaan aan het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is tegelijk met het Barro op 1 oktober 2012 gewijzigd. In het Bro is opgenomen dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden, de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Doel van de ladder is zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van leegstand. Per 1 juli 2017 is wederom een wijziging van het Bro in werking getreden. De systematiek van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (artikel 3.1.6 Bro) is gewijzigd. Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard. Het bestemmingsplan maakt dan ook geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk buiten bestaand stedelijk gebied. Een verantwoording conform de ladder is derhalve niet aan de orde.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Structuurvisie Noord-Holland 2040

Op 21 juni 2010 heeft provinciale staten de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040 de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) vastgesteld. Op 3 november 2010 is de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040 in werking getreden. Op 28 september 2015 heeft Provinciale Staten een gewijzigde versie van de structuurvisie vastgesteld. In de Structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren. Uitgangspunt is dat Noord-Holland aantrekkelijk moet blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. De provincie kiest daarbij voor hoogstedelijke milieus en beperkte uitleg van bedrijventerreinen en houdt het landelijk gebied open en dichtbij. Verder worden de waterkeringen versterkt en calamiteitenbergingen

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 19

aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Door het landelijk gebied te ontwikkelen vanuit de kenmerken van Noord- Hollandse landschappen en de bodemfysieke kwaliteiten blijft de provincie bijzonder en aantrekkelijk om in te wonen, te werken en om te bezoeken. In de structuurvisie worden drie hoofdbelangen en twaalf ondergeschikte belangen benoemd: 1. Klimaatbestendigheid: voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, voldoende en schoon drink-,grond- en oppervlaktewater en voldoende ruimte voor het opwekken van duurzame energie; 2. Ruimtelijke kwaliteit: behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurlandschappen en groen om de stad; 3. Duurzaam ruimtegebruik: milieukwaliteiten, behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting, voldoende en gedifferentieerde ruimte voor landbouw en visserij, economische activiteiten en voor recreatieve en toeristische voorzieningen. In dit bestemmingsplan is vooral het tweede belang aan de orde. De natuurcompensatie van de Westrandweg maakt onderdeel uit van de natuurverbindingen in de provincie1 en de Osdorper Bovenpolder maakt deel uit van de bufferzones voor behoud en ontwikkeling van 'metropolitane landschappen'. Dit bestemmingsplan is in lijn met deze belangen. 3.2.2

Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland

Tegelijkertijd met de structuurvisie is de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) in werking getreden (november 2010). Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. Op 23 april 2018 hebben Provinciale Staten een wijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld. De nieuwe PRV trad in werking op 1 mei 2018. Gedeputeerde Staten hebben op 28 februari 2017 de uitvoeringsregeling met betrekking tot regionale afspraken over nieuwe stedelijke ontwikkelingen in Noord-Holland vastgesteld. Deze uitvoeringsregeling is op 1 maart 2017 in werking getreden. De Verordening bevat algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen. Met het inwerking treden van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening is het streekplan als beleidsdocument en de goedkeuringsvereiste voor gemeentelijke bestemmingsplannen komen te vervallen. Voor het streekplan is de structuurvisie in de plaats gekomen, echter deze is uitsluitend zelfbindend voor de provincie. Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid naar gemeenten toe, heeft de provincie de beschikking gekregen over de zogenaamde provinciale verordening. Deze verordening is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of projectbesluiten.

Wel zal hierin duidelijk het provinciaal belang naar voren moeten komen. Het uitgangspunt daarbij is dat de bevoegdheden ter doorwerking van het ruimtelijk beleid zoveel mogelijk proactief worden ingezet en het provinciale beleid daarbij zoveel mogelijk eenduidig wordt geregeld. Relevante artikelen uit de PRV: Artikel 5e Woningen binnen de 20 Ke-contour In dit artikel wordt bepaald dat binnen de 20 Ke-contour enkel binnen bestaand stedelijk gebied, nieuwe woningen mogelijk mogen worden gemaakt. Dit bestemmingsplan geeft een positieve bestemming aan twee bestaande woningen aan de Osdorperweg. Het plan maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Artikel 19 Ecologische Hoofdstructuur en provinciale Ecologische Verbindingszones

Gemeente Amsterdam

blz. 20

Dit artikel heeft als doel het behoud en de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de ecologische verbindingszones. Aan de oostzijde van de Westrandweg ligt een provinciale ecologische verbinding. De gronden in deze zone zijn bestemd als 'Natuur' en 'Agrarisch met waarden'. Voor een beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden en de bescherming daarvan wordt verwezen naar Hoofdstuk 15 Natuur en Landschap en de juridische planbeschrijving van de desbetreffende artikelen. Artikel 24 Bufferzones In artikel 24 zijn regels opgesteld met betrekking tot nieuwe bebouwing in binnen de grenzen van de bufferzones. Een bestemmingsplan mag voor verschillende functies geen nieuwe bebouwing mogelijk maken, deze functies en uitzonderingen daarop zijn vastgelegd in dit artikel. Dit bestemmingsplan legt de bestaan de situatie vast. In het plan is geen nieuwe bebouwing mogelijk. Artikel 30 Regionale waterkeringen Artikel 30 geldt zowel voor de regionale waterkeringen zelf als voor het aanliggende gebied. Beiden zijn nodig om de waterkerende functie van dijklichamen zelf te beschermen (waterveiligheidsbelang) en om bestaande of toekomstige reconstructies van waterkeringen (dijkverhogingen, dijkverleggingen of anderszins) mogelijk te maken.

Een bestemmingsplan voorziet bij regionale waterkeringen op deze functie toegesneden bestemmingen en regels en voorziet tevens in een vrijwaringzone aan weerszijden van de waterkering. In Hoofdstuk 16 Water wordt hier nader op ingegaan. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. In het bestemmingsplan worden de natuur- en landschapswaarden in de provinciale ecologische verbindingszone en de regionale waterkeringen beschermd. Het plan is niet in strijd met de PRV.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Metropoolregio Amsterdam

De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. Voor dit plan is alleen de samenwerking op het gebied van landschap relevant. De Metropoolregio heeft voor dit onderwerp het Actieprogramma Metropolitaan Landschap 2016-20202 opgesteld (november 2016).

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 21

3.3.1.1 Actieprogramma Metropolitaan Landschap 2016-2020 In het actieprogramma wordt ingezet op het verder ontwikkelen van het landschap tussen de verstedelijkte gebieden als recreatielandschap én cultuurlandschap. Het gaat bijvoorbeeld om het verbeteren van het regionale fietsnetwerk en anderzijds om het veranderen het agrarisch gebruik om verlies van veenweidelandschap te voorkomen. Dit plan is in lijn met het actieprogramma.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'

Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' (17 februari 2011) legt Amsterdam zichzelf, inclusief de stadsdelen, regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen en efficiënter omgaan met energie en vervoer, zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast.

De ambitie is om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, een intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen te realiseren en ruimte te maken voor waterberging. In de structuurvisie zijn ook de Hoofdgroenstructuur en de Ecologische structuur geborgd. 3.4.1.1 Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur De Hoofdgroenstructuur omvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool. Die gebieden vervullen een onmisbare functie, niet alleen voor de verbetering van het leefklimaat, de luchtkwaliteit en de waterhuishouding, maar ook voor de bio-diversiteit, groene recreatie en de voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn daarnaast belangrijke aspecten. Het doel van het ecologisch netwerk is om planten en dieren in de verstedelijkte Randstad zoveel mogelijk overlevingskansen te bieden. Dit kan door gebieden met elkaar te verbinden met groene wegen (bermen, slootkanten, oevers) en barrières zoals asfaltwegen en andere infrastructuur passeerbaar te maken voor dieren met bijvoorbeeld tunnels. De Amsterdamse ecologische structuur is een uitwerking van, aanvulling op en verfijning van het provinciale netwerk.

Amsterdam voegt een aantal dwars- en parallelverbindingen toe om het geheel sterker te maken. Bijkomend voordeel is dat de stad zelf ook natuurrijker wordt. Goed zichtbare soorten als kikkers, vlinders, libellen, egels en konijnen vergroten de belevingswaarde van de stadse groengebieden aanzienlijk. Het aspect natuur wordt nader toegelicht in Hoofdstuk 15 Natuur en Landschap.

Gemeente Amsterdam

blz. 22

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 23

Hoofdstuk 4 4.1

Het ruimtelijk kader

Ruimtelijk-functionele aspecten

Dit bestemmingsplan geeft een actueel planologisch kader voor de bestaande situatie. De gronden aan weerszijden van de Westrandweg worden gedeeltelijk nog agrarisch gebruikt. Deze gronden zijn nog in erfpacht uitgegeven als weidegrond. Daarnaast zijn als compensatiemaatregelen voor de Westrandweg delen omgevormd tot natuur.

4.2

Stedenbouwkundige aspecten

De Osdorper Bovenpolder is een uitgeveende polder die zich kenmerkt door een open weidelandschap met een strokenverkaveling. De Osdorperweg is een historisch lint, waaraan in het verleden alleen maar boerderijen, arbeiders- en middenstandswoningen hebben gestaan. Deze panden stonden elk op een eigen kavel met daartussen vele doorzichten naar het achterland. Ook het dorpje Oud-Osdorp, gelegen aan de knik van de weg, is als dorpskern duidelijk herkenbaar, omdat de panden daar direct aan de weg en veel dichter op elkaar staan. Hier staan ook vrij veel woonhuizen. Daarbuiten ligt de bebouwing verder naar achteren, achter een wegsloot en voorerf of tuin. In de loop der jaren is er veel historische bebouwing verdwenen of verbouwd en is er veel nieuwbouw gekomen langs de Osdorperweg. Dit betreft woningen, bijgebouwen en allerlei bedrijvigheid, zoals autosloperijen, auto- en caravanhandels, hoveniersbedrijven, een benzinepomp en een tuincentrum. Op diverse plaatsen steekt de bebouwing en niet-agrarische bedrijvigheid diep de Osdorper Bovenpolder in. Door de vele uitbreidingen in de loop der jaren is een uitermate divers bebouwingsbeeld ontstaan en is het oorspronkelijke bebouwingskarkater van het gebied erg geschaad.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 25

Hoofdstuk 5

M.e.r. / (mer-beoordeling)splicht

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en biedt geen ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Voor dit plan is geen beoordeling van mogelijke nadelige milieueffecten noodzakelijk.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 27

Hoofdstuk 6 6.1

Verkeer en parkeren

Algemeen

In deze paragraaf wordt de verkeersstructuur in het gebied beschreven. Hierbij gaat het om zowel het auto- en fietsverkeer als het openbaar vervoer. Omdat dit bestemmingsplan conserverend van aard is hoeft niet te worden ingegaan op de gevolgen van het plan op de stedelijke infrastructuur.

6.2

Beleid en regelgeving

6.2.1

Regionaal Verkeer & Vervoerplan

Het Regionaal Verkeer & Vervoerplan (RVVP) uit 2004 is het beleidskader op het gebied van verkeer en vervoer van de Stadsregio Amsterdam. Het is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling voor 10 jaar, voor de uitvoering van de exploitatie van het openbaar vervoer en de subsidieverlening op het gebied van infrastructuur en verkeersveiligheid. Dit RVVP is opgesteld binnen de ambities die de stadsregio-gemeenten gezamenlijk hebben geformuleerd. Deze ambities zijn: het creëren van een gezonde, gedifferentieerde economie met internationale concurrentiekracht, het bieden van een goed sociaal klimaat aan de inwoners en het zorgen voor een duurzame leefomgeving. De hoofdlijnen van beleid zijn samen te vatten in een aantal strategieën: een samenhangend netwerk, gebiedsgerichte aanpak, prijsbeleid, duidelijke keuzes voor leefbaarheid en veiligheid en een slagvaardige samenwerking en financiering. Een groot deel van de regionale OV-verbindingen voldoet nog niet aan de kwaliteitseisen voor snelheid, betrouwbaarheid en gemak. De strategie voor het openbaar vervoer is het selectief uitbreiden van het netwerk en het verbeteren van de exploitatie om middelen vrij te maken voor beter regionaal openbaar vervoer. 6.2.2

Regionale OV-Visie

De OV-Visie 2010-2030 is samen met gemeenten van de Stadsregio Amsterdam, aangrenzende overheden, maatschappelijke organisaties (reizigersverenigingen) en vervoerbedrijven ontwikkeld en op 24 juni 2008 vastgesteld door de Regioraad. Het aanleggen van grootschalige infrastructuur vraagt een lange voorbereidingstijd. Daarom is een visie nodig voor de langere termijn. Op basis van de visie wordt ook een investeringsstrategie gemaakt. Met de visie kunnen juiste en toekomst vaste keuzes worden gemaakt in de aanleg of aanpassingen van het OV-netwerk in de regio.

6.3

Verkeer

6.3.1

Osdorperweg - Westrandweg

De Osdorperweg is de gebiedsonsluitingsweg van de Osdorpse Bovenpolder. Op dit stuk van de Osdorperweg is de maximum snelheid 50 km/u. De weg is gelegen op een smalle veendijk waar de bebouwing op sommige plaatsen vlak langs de weg is gesitueerd. Daardoor is de breedte van de weg beperkt en is de weg ook niet geschikt voor zwaar vrachtverkeer. De weg is ook onderdeel van het Hoofdnet fiets. Voor de fiets zijn fietssuggestiestroken op de rijbaan aangebracht Over de weg loopt geen OV-verbinding. De Westrandweg maakt geen onderdeel van het plangebied, waardoor deze weg hier verder buiten beschouwing wordt gelaten.

Gemeente Amsterdam

blz. 28

6.4

Parkeren

6.4.1

Nota Parkeernormen Auto

Op 8 juni 2017 is de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld door de gemeenteraad. In de Nota Parkeernormen Auto zijn de nieuwe parkeernormen voor auto's vastgesteld voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. De gemeente wil de stad bereikbaar en leefbaar houden met voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte en meer ruimte voor de fietser en voetganger. Met de verwachte groei van de stad (woningen, kantoren etc.) is het noodzakelijk dat Amsterdam grenzen stelt aan het aantal geparkeerde auto's in de openbare ruimte. In dit bestemmingsplan zijn twee bestaande woningen opgenomen. Deze woningen hebben parkeerruimte op het eigen erf. 6.4.2

Nota Parkeernormen Fiets en Scooter

De nota parkeernormen fietsen en scooters is in dit plan enkel relevant voor de twee woningen. Bij deze woningen is voldoende ruimte op het eigen erf om te voorzien in de stallingsbehoefte voor fietsen en scooters.

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 29

Hoofdstuk 7 7.1

Geluid

Algemeen

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen.

7.2

Beleid en regelgeving

7.2.1

Algemeen

Op 5 juli 2006 is de Wijzigingswet van de Wet geluidhinder aangenomen (Staatsblad 350, Wet van 5 juli 2006, houdende wijziging Wgh, modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase). De artikelen van de nieuwe wet zijn in werking getreden per 1 januari 2007. In de Wgh zijn geluidsnormen voor toelaatbare equivalente geluidsniveaus opgenomen. De geluidsnormen gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidszone van een (spoor)weg of industrieterrein. In de Wgh is aangegeven dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidsgevoelige bebouwing in de geluidszone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag.

Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Het toepassen van maatregelen dient in volgorde van prioriteit gericht te zijn op bronmaatregelen (geluiddempers, aanpassing wielen/spoor, aanpassing wegverharding en/of aangepaste rijsnelheden) en overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen/geluidswallen). Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidsbelasting, de binnenwaarde worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. 7.2.1.1 Wegverkeersgeluid Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich van rechtswege langs alle wegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting vanwege de weg aan het gestelde in de Wet dient te worden getoetst. Dit geldt niet voor wegen: die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of; waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken.

Gemeente Amsterdam

blz. 30

Tabel Breedte van geluidzones langs autowegen in stedelijk gebied Aantal rijstroken

Geluidzones stedelijk gebied

Geluidszones buitenstedelijk gebied a

Weg met één of twee rijstroken

200 meter

250 meter

Weg met drie of meer rijstroken

350 meter

nvt

Weg met drie of vier rijstroken

nvt

400 meter

Weg met vijf of meer rijstroken

nvt

600 meter

Bron: artikel 74 Wet geluidhinder a buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, v oor de toepassing v an de hoof dstukken VI (zones langs wegen) en VII (zones langs spoorwegen) v oor zov er het betref t een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement v erkeersregels en v erkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, v oor zov er liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.

In artikel 76 van de Wet geluidhinder is geregeld dat bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de wettelijke voorkeursgrenswaarden (hoogste toelaatbare geluidsbelasting) in acht moeten worden genomen van de artikelen 82 (bij nieuwbouw) en 100 (in geval het bestemmingsplan voorziet in een reconstructie van een weg) van de Wet geluidhinder. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd indien de waarde niet hoger is dan de maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde, en mits deze hogere waarde kan worden verleend. Naast bovengenoemde buitenwaarden zijn er in de Wet geluidhinder tevens maxima gesteld aan binnenwaarden. Toetsing daaraan vindt plaats in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. 7.2.1.2 Spoorweggeluid Op grond van artikel 106b van de Wet geluidhinder bevinden zich van rechtswege langs alle spoorwegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting vanwege de spoorweg aan het gestelde in de Wet dient te worden getoetst. 7.2.1.3 Industriegeluid Op grond van de Wet geluidhinder moet een geluidzone worden vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die "in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken". Dit zijn inrichtingen als aangewezen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Stb. 2010, nr.

143) , de zogenaamde "grote lawaaimakers". Dergelijke inrichtingen worden geacht zoveel lawaai te (kunnen) veroorzaken, dat de wijde omgeving ervan zeer zwaar belast wordt.

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 31

7.3

Beoordeling geluidaspect

7.3.1

Wegverkeerslawaai

7.3.1.1 Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder bij Tracé-besluit De twee woningen in het plangebied liggen binnen de geluidzone van de rijksweg Westrandweg. De woningen zijn meegenomen in het geluidsonderzoek ten behoeve van het Tracébesluit Westrandweg van 13 maart 2008. Bij het tracébesluit zijn voor de woningen aan de Osdorperweg 826 en 828 hogere waarden vastgesteld. Het geluidsonderzoek bij het tracébesluit is bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 1 Akoestisch onderzoek TB Westrandweg) De vastgestelde waarden zijn in dB(A) vastgesteld. Adres:

Gevel:

Hoogte (m)

Grenswaarde dB(A)

Hogere waarde dB(A)

Osdorperweg 826

Zuid

1.5

50

n.v.t.

4.5

50

52

7.5

50

57

1.5

50

n.v.t.

4.5

50

54

7.5

50

59

1.5

50

n.v.t.

4.5

50

52

7.5

50

57

Osdorperweg 826

Osdorperweg 826

7.3.2

West

Zuid

Spoorweglawaai

Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in de aanleg van nieuwe spoorwegen, een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 7.3.3

Industrielawaai

De woningen Osdorperweg 826 en 828 liggen buiten de invloedssfeer van het gezoneerde industrieterrein Westpoort. Binnen deze geluidzone mogen alleen geluidgevoelige objecten worden opgericht indien wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde dan wel een hogere grenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder. Voorliggend bestemmingsplan bestemd de huidige situatie, hierin zijn geen geluidgevoelige objecten gelegen.

Gemeente Amsterdam

blz. 32

7.4

Conclusie

Voor de twee woningen aan de Osdorperweg 826 en 828 zijn hogere waarden vastgesteld in verband met het geluid van de Westrandweg. Deze zijn reeds ten behoeve van het tracébesluit voor de Westrandweg vastgesteld. Voor dit conserverende bestemmingsplan hoeft geen aanvullend onderzoek te worden verricht.

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 33

Hoofdstuk 8 8.1

Luchtkwaliteit

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.

8.2

Beleid en regelgeving

8.2.1

Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit)

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge de wet is een specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (hierna: Wm) opgenomen. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip 'in betekenende mate'. Op basis van de programmatische aanpak zijn per 1 augustus 2009 de Wet van 12 maart 2009 tot Wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen) en het Besluit derogatie in werking getreden en is de Regeling beoordeling luchtkwaliteit gewijzigd. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden uitgeoefend indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat: 1. deze uitoefening niet leidt tot het overschrijden of waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; 2. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of 3.

bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; 4. deze uitoefening niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; 5. deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is vastgesteld programma (NSL). In het conserverend bestemmingsplan is geen sprake van één van bovengenoemde ontwikkelingen. 8.2.2

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

Ingevolge (artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van) de Wet milieubeheer kan een bestemmingsplan worden vastgesteld hetzij indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma. Het NSL is 1 augustus 2009 in werking getreden. Nu het NSL van kracht is, hoeven de hierin

Gemeente Amsterdam

blz. 34

opgenomen IBM-projecten niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde “programma-toetsing” plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen of niet in strijd is met het NSL. Een dergelijk project is niet voorzien in het plangebied. 8.2.3

Besluit gevoelige bestemmingen

De AMvB is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Deze AMvB vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken.

Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Ook tijdens de zogenoemde derogatieperiode blijven voor de toepassing van deze AMvB de oorspronkelijke (dus niet tijdelijk verhoogde) grenswaarden gelden van 40 µg/m3 jaargemiddeld voor PM10 en voor NO2 en 50 µg/m3 etmaalgemiddeld met maximaal 35 overschrijdingsdagen per jaar voor PM10. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.

Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Gezien de aanzienlijke afstand van het plangebied tot rijks- en provinciale wegen, ruimschoots meer dan 300 meter is een expliciete toets aan normen uit de AMvB niet noodzakelijk. In het plangebied komen geen gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit voor.

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 35

8.2.4

Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam

Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerstelijnsbebouwing worden geprojecteerd.

Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt. In het plangebied komen geen gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit voor. Het bestemmingsplan voorziet ook niet in een uitbreiding van de reeds bestaande wegen in het plangebied.

8.3

Resultaten onderzoeken

In dit plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het gebied is voor het Tracébesluit Westrandweg (2008) onderzocht. Langs het tracé nam de concentratie NO2 en fijnstof weliswaar toe door de aanleg van de Westrandweg maar deze bleven onder de norm.

8.4

Conclusie

In het voorliggende bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen voorzien die nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit inhouden.

Gemeente Amsterdam

blz. 36

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 37

Hoofdstuk 9 9.1

Bodem

Algemeen

Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Het bestemmingsplan maakt geen nieuw gebruik mogelijk. Uitsluitend de bestaande situatie wordt opnieuw vastgelegd. Voor deze bestaande functies is in het verleden onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uitgevoerd. Bodemonderzoek voor deze bestaande situaties is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet aan de orde. Bij eventuele toekomstige uitbreidingen of herontwikkelingen van bestaande functies zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overlegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel.

De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment.

9.2

Beleid en regelgeving

9.2.1

Wet bodembescherming

De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. 9.2.2

Nota Bodembeheer

De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de

Gemeente Amsterdam

blz. 38

gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid.

9.3

Toetsting

Aangezien dit bestemmingsplan uitsluitend de huidige situatie bestemd, en er voor deze locaties in het verleden onderzoek naar de kwaliteit van de bodem is uitgevoerd, is er geen bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het deelgebied Osdorperweg-Westrandweg is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) een archiefonderzoek uitgevoerd naar het mogelijke gevolg van vroegere activiteiten voor de milieuhygiënische bodemkwalteit (d.d. 8 januari 2018, zie Bijlage 2) Bodemkwaliteitskaart Voor de gemeente Amsterdam is een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Op deze kaart is de bodemkwaliteit van de diepe lagen, de toplaag en het oorspronkelijke maaiveld weergegeven. De kaart is te vinden via http://maps.amsterdam.nl/bodemkwaliteit/. Zie voor uitsneden ter hoogte van het plangebied de afbeeldingen 9.1 en 9.2 De deelgebieden van voorliggend bestemmingsplan liggen deels in zone 1 (schone grond), deels in zone 2 en deels in zone 3. Grond uit zone 2 mag bij grondverzet vrij worden toegepast in zone 2 t/m 6. Grond uit zone 3 mag bij grondverzet vrij worden toegepast in zone 2 en zone 3. Wel bestaat er de kans dat grond uit zone 3 een aantal interventiewaarden overschrijdt en er dus sterk verontreinigde grond wordt toegepast, wat een humaan risico oplevert bij de functies 'wonen met tuin/binnenstedelijk wonen', 'plaatsen waar kinderen spelen', 'landbouw' en 'moestuin/volkstuin'.

Bij toepassing van grond uit zone 3 dient de partij grond dan ook onderzocht te worden en getoetst te worden aan de Lokale Maximale Waarden voor de betreffende bodemfunctie. Het is wettelijk geregeld dat nieuwbouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om deze reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek (conform NEN5740) in beeld te worden gebracht. Het onderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn. Als blijkt uit het onderzoek dat de bodem niet geschikt is dan zal voor aanvang van de werkzaamheden een sanering moeten worden uitgevoerd, om de bodem wel geschikt te maken. Archiefonderzoek Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft een archiefonderzoek uitgevoerd naar het mogelijke gevolg van vroegere activiteiten voor de milieuhygiënische bodemkkwaliteit in dit deelgebied (d.d. 12 januari 2018, zie Bijlage 2). Uitgezonderd de deellocaties waar potentieel verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden (tanks, bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 39

bedrijfsactiviteiten, eerder aangetroffen verontreinigingen) is het onderzochte gebied niet verdacht. Voor het onverdachte gebied geldt dat, als er handelingen in de bodem worden verricht (zoals ontgravingen) er een ontheffing van de onderzoeksplicht verstrekt kan worden op basis van dit archiefonderzoek. Ook in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning is een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk, zie hiervoor paragraaf 4.6 van de Nota Bodembeheer. Voor het potentieel verdachte gebied geldt dat, als er handelingen in de bodem worden verricht (zoals ontgravingen), er een oriënterend bodemonderzoek (OO) moet worden uitgevoerd dat voldoet aan de ARVO, 2011. Hierin wordt, naast het standaard analysepakket, op alle stoffen onderzocht die op basis van de historische gegevens kunnen worden verwacht. Als tijdens het uitvoeren van bodemonderzoek of werkzaamheden in de bodem een bodemverontreiniging wordt waargenomen anders dan beschreven in dit rapport, moet de onderzoeksstrategie of de vrijstelling hiervan opnieuw worden beoordeeld.

9.4

Conclusie

Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast. Bodemonderzoek is voor de bestaande situatie in het kader van het voorliggende bestemmingsplan niet aan de orde. Bij eventuele toekomstige kleinschalige ontwikkelingen bodemonderzoek moet een onderzoek worden overlegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment. De kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor het huidige gebruik. Bij wijziging van het gebruik van de grond dient de bodemkwaliteit onderzocht te worden om beiden op elkaar af te stemmen.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

bestemmingsplan_Osdorperweg-Westrandweg (vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 10 10.1

Cultuurhistorie en archeologie

Algemeen

De hoofdstructuur van het plangebied is gebaseerd op het ontginnings- of hoofdlint van de Osdorperweg. Het lint vormt sindsdien de hoofdontsluiting van de polders in Landelijk Nieuw-West. Daarnaast heeft zij vanwege hun hoge ligging een functie als waterkering. Het groen wordt gevormd door het agrarisch landschap. Deze landschappen hebben een open en planmatig karakter. Deze openheid vormt één van de belangrijkste waarden van deze landschappen samen met de oorspronkelijke verkavelingsstructuur. Kenmerkend voor de bebouwing is dat deze overwegend vrijstaand is en een sterk individueel en uniek karakter heeft. Ieder pand heeft in principe een eigen verschijningsvorm, bouwhoogte, breedte en lengte. Tussen de bebouwing is het achterliggende gebied in principe zichtbaar. In meer landelijke boerderijlinten wordt deze ruimte gevormd door tuinen, erven, akkers of weilanden. Het plangebied wordt doorkruist door de Westrandweg (A5). Evenwijdig aan deze weg zijn nieuwe natuurverbindingen en -gebieden aangelegd in het kader van de Groene AS. De Groene AS vormt de provinciale, ecologische verbinding tussen Amstelland en Spaarnwoude.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9577498/1