CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 33 Openbare Ruimte en Groen (24) KNMI Klimaatsignaal21

RAAD 1 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het KNMI-rapport Klimaatsignaal ’21: Hoe het klimaat in Nederland snel verandert VN2021-03054325.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

lijkse afvoer van de Rijn en de Maas → 8.4.

Toekomstige veranderingen in de neerslag-indicatoren De toekomstprojecties van de neerslag-indicatoren voor hoog- en

Figuur 8.5 Figuur van de neerslagindicatoren voor laag-en hoogwater in het Rijn-Maas-stroomgebied per jaar vanaf 1950. De gladde lijnen repre­senteren de langjarige trend. De trend over de hele periode is voor de laagwater-indica­tor gemiddeld -2,7 % per 10 jaar (significant) en voor de hoogwater-in­ dicator ongeveer half zo groot, -1,4 % per 10 jaar (niet signifi­cant). Op basis van de E-OBS v21.0e 1950-2019 neerslag data.

laagwater laten duidelijke verschillen zien figuur 8.6. Terwijl de hoogwater-indicator een toename vertoont, laat de laagwaterindicator juist een verdere afname zien, beide met name in het hoge emissiescenario (SSP5-8.5). De geprojecteerde afname van de een brede onzekerheidsband) is daarmee een voortzetting van de waargenomen trend sinds 1950 figuur 8.5. De geprojecteerde toename van de neerslag-indicator voor hoogwater zien we in de waarnemingen nog niet (de afname in deze indicator die we wel zien is erg klein).

KNMI Klimaatsignaal’21

Neerslagindicator (mm)

laagwater-indicator onder het hoge emissiescenario (met weliswaar

Wind, neerslag en de gevolgen voor waterbeheer

Figuur 8.5 Neerslagindicatoren voor laag- en hoogwater in het Rijn-Maas-stroomgebied per jaar vanaf 1950. De gladde lijnen representeren de langjarige trend. Op basis van de E-OBS v21.0e 1950-2019 neerslagdata.

55

Figuur 8.6 Figuren van de relatieve veranderingen per jaar in de hoogwater-indicator (boven) en de laagwater-indicator (onder) van 1950 tot 2100 ten opzichte van het gemiddelde over de periode 1991-2020. Zwart is voor de historische periode (t/m 2020), en de kleuren zijn voor de toekomstprojecties volgens het lage (SSP1-2.6; rood) en het hoge (SSP5-8.5; blauw) emissiescenario. De doorgetrokken lijnen zijn de medianen, en de gekleurde banden de zeer waarschijnlijke (90%) range van alle gebruikte klimaatmodellen. (Gebaseerd op simulaties van 27 CMIP6-klimaatmodellen). De toekomstprojecties van de neerslag-indicatoren voor hoog-en laagwater laten duidelijke verschillen zien. Terwijl de hoogwater-indicator een toename vertoont, laat de laagwater-indi­cator juist een afname zien, beide met name in het hoge emissies­cenario (SSP5-8.5).

Louter op grond van veranderingen in deze neer­ Verandering tov 1991−2020 (%)

slag-indicatoren zullen de kansen op hoog- en laagwater dus beide toenemen; voor de laagwater­ kans lijkt die toename al sinds 1950 te spelen. Veranderingen in andere meteorologische variabelen die van invloed zijn op de rivierafvoeren, komen daar nog bij. Bijvoorbeeld: de hogere verdamping in een warmer klimaat zal de kans op lage afvoeren nog verder vergroten. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat voor hoog- en laagwater in het Rijn-Maas-stroomgebied – naast meteorolo­ gische factoren – de hydrologie en het toekomstige

Verandering tov 1991−2020 (%)

waterbeheer belangrijke rollen spelen.

Op grond van verwachte neerslagveranderingen zullen de kansen op zowel hoog als laag water in de Rijn en Maas toenemen.

Figuur 8.6 Relatieve veranderingen per jaar in de hoogwater-indicator (boven) en de laagwater-indicator (onder) ten opzichte van het gemiddelde over de periode 1991-2020. Zwart is voor de historische periode (t/m 2020), en de kleuren zijn voor de toekomstprojecties volgens het lage (SSP1-2.6; rood) en het hoge (SSP5-8.5; blauw) emissiescenario. De doorgetrokken lijnen zijn de medianen, en de gekleurde banden de zeer waarschijnlijke (90%) range van alle gebruikte klimaatmodellen. Gebaseerd op simulaties van 27 CMIP6-klimaatmodellen.

KNMI Klimaatsignaal’21

Wind, neerslag en de gevolgen voor waterbeheer

Tineke Dijkstra

56

Orkanen op de Noordzee? Orkanen zijn extreem krachtige stormen die zich boven

Ter hoogte van Newfoundland worden ze door de straal-

gebieden met warm zeewater (> 26,5°C) kunnen ontwikke-

stroom meegenomen richting Europa, en onderweg kunnen

len. Hun kenmerk is een ‘oog’ met een doorsnede van maar

ze onder gunstige omstandigheden weer aan kracht

enkele tientallen kilometers. Rondom dit oog stijgt warme

toenemen.

vochtige lucht heel snel op, waarbij waterdamp vervolgens condenseert door afkoeling. Hierbij komt zoveel energie vrij

In een warmer klimaat zullen orkanen in kracht toenemen

dat de windsnelheden kunnen oplopen tot meer dan 70 m/s.

→ 8.6. Voor onze breedtegraden zou dat tot zwaardere res-

Onvoorstelbaar voor de Noordzee, waar windsnelheden van

tanten van orkanen kunnen leiden → 8.7. In oktober 2017

meer dan 33 m/s nauwelijks voorkomen.

trok orkaan Ophelia naar het noorden, waarbij de luchtdruk in de kern sterk daalde. Uiteindelijk kwam Ophelia als zware

Met de opwarming van de aarde komen gebieden met hoge

storm bij de Ierse kust aan land figuur 8.7. De Britse

watertemperaturen dichter bij Europa te liggen. Kunnen

Eilanden vormen niet per se een barrière: Ophelia had zich

orkanen in de toekomst ook de Noordzee bereiken en met

volgens een modelsimulatie evengoed door het Nauw van

hun veel hogere windsnelheden voor gevaarlijke situaties

Calais kunnen wurmen om de Nederlandse kust te bereiken

zorgen?

→ 8.8.

Dat weten we nog niet zeker, maar ook in het huidige

De huidige klimaatmodellen zijn nog niet voldoende fijnma-

klimaat beïnvloeden orkanen het windklimaat op de

zig om orkanen met hun kleine oog goed te kunnen simule-

Noordzee. Een recent onderzoek → 8.5 heeft laten zien dat

ren. Met de toenemende rekenkracht komen modellen met

gedurende het orkaanseizoen (juni-november) bijna 9%

voldoende resolutie wel beschikbaar om de vraag naar de

van alle zware stormen op de Noordzee (> 25 m/s) van

mogelijkheid van orkanen op de Noordzee – of hun rol

oorsprong een orkaan is. Sommige orkanen trekken langs

als voorlopers van krachtige extra-tropische stormen –

de Amerikaanse oostkust noordwaarts, waarbij ze hun

te kunnen beantwoorden → 8.9.

tropische karakter verliezen en in een extra-tropische storm

Figuur 8.7 Ex-orkaan Ophelia op 16 oktober 2017, kort voordat ze Ierland raakte. De kleuren geven de windsnelheid weer, en de witte lijn markeert de windkracht 12 contour (orkaankracht). De blauwe lijnen geven de luchtdruk aan.

veranderen.

KNMI Klimaatsignaal’21

Wind, neerslag en de gevolgen voor waterbeheer

Figuur 8.7 Kaart met daarop ex-orkaan Ophelia op 16 oktober 2017, kort voordat ze Ierland raakte. De kleuren geven de windsnelheid weer, en de witte lijn mar­ keert de windkracht 12 contour (orkaankracht). De blauwe lijnen geven de luchtdruk aan.

57

9

Stedelijk klimaat

Het stedelijk landschap is divers door de ruimtelijke variatie in de dichtheid en hoogte van de bebouwing, de toegepaste bouw­ materialen, en de aard en omvang van het stedelijk groen. Deze factoren spelen een rol in de processen die het klimaat op de schaal van een huizenblok, een straat, een wijk en de stad als geheel bepalen → 9.1. Voor de praktische bepaling van het stedelijk klimaat is er kennis nodig over de verstoringen van de energiebalans en waterbalans door menselijke activiteiten. Echter: de detailgegevens over de inrichting van steden ontbreken - en die zijn nodig om deze

Om het stedelijk klimaat te kunnen vaststellen zijn meer metingen en gegevens over de inrichting van steden nodig.

verstoringen te modelleren. Ook ontbreken langjarige metingen in het stedelijk gebied die geschikt zijn om het lokale klimaat op alle relevante schalen te monitoren en modellen van het stedelijk klimaat te vergelijken en te valideren → 9.2, → 9.3. De stad is een verzameling van economische en sociale activiteiten, elk met hun eigen gevoeligheid voor het klimaat. Voor elke activiteit moet vastgesteld worden welke klimaatvariabelen relevant zijn om het effect van klimaatverandering te beschrijven en de effectiviteit van adaptatiemaatregelen te bepalen. In dit hoofdstuk komen deze aspecten aan de orde in een beschrijving van stedelijke hitte en neerslag.

KNMI Klimaatsignaal’21

Stedelijk klimaat

58

a

Het stedelijk hitte-eiland wordt gezien als een belangrijk aspect van het stedelijk klimaat en daarom mogelijk van klimaatverandering in de stad. Beschikbare waarnemingen en modelresultaten tonen geen noemenswaardige verandering in het verschil in temperatuur tussen stad en landelijk gebied. Voor het bepalen van het effect van klimaatverandering zijn absolute temperaturen belangrijker. De stad is aanmerkelijk minder groen dan zijn omgeving.

Jaarlijks maximum achtergrondwaarde UHI (ºC)

Stedelijke hitte

Figuur 9.1 (a) trend op het station De Bilt in het jaarlijks maximum van de regionale achtergrondwaarde van het stedelijk hitte-eiland effect (UHI). (b) Trend in het jaargemiddelde verschil tussen dagelijkse maximum- en minimumtemperatuur op het station De Bilt.

Daardoor wordt minder van de inkomende zonnestraling omgezet in verdamping en meer ervan gebruikt voor de opwarming van b

afgegeven als voelbare warmte. Deze uitstraling wordt ten dele belemmerd door de bebouwing. Daardoor koelt de stad na zonson­ dergang minder snel af dan de omgeving. Het grootste tempera­ tuurverschil tussen de stad en de omgeving treedt daarom meestal ’s nachts op. Het dagelijks maximum van dit temperatuurverschil kan benaderd worden door een vergelijking, afgeleid uit een analyse van meet­ campagnes in steden in Nederland en omringende landen → 9.4. Met deze vergelijking wordt de temperatuur van het stedelijk hitteeiland berekend als het product van het regionale klimaat, gemeten

Jaargemiddelde dagelijkse temperatuurrange (ºC)

gebouwen en bestrating. Die opgeslagen energie wordt weer

Figuur 9.1 Figuren van a) de trend van 1960-2020 op het station De Bilt in het jaarlijks maximum van de regionale achtergrondwaarde van het stedelijk hitte-eiland effect (UHI) en b) de trend van 1900-2020 in het jaargemiddelde verschil tussen dagelijkse maximum minimum- en minimumtemperatuur op het station De Bilt. In figuur 9.1a is geen significante trend als gevolg van klimaat­ verandering te zien. In figuur 9.1b neemt het jaargemiddelde verschil tussen dagelijkse maximum minimum- en minimum­ temperatuur vanaf 1920 af en vanaf 1960 weer toe.

buiten de stad, en de lokale versterking hiervan binnen de stad door de beperkte openheid van de bebouwing (de sky-view factor) en de beperkte hoeveelheid groen. Deze diagnostiek ondervangt

KNMI Klimaatsignaal’21

Stedelijk klimaat

59

het gebrek aan directe, representatieve waarnemingen in het

Ruimtelijke adaptatie

te verkennen. Het gaat om maatregelen zoals het

stedelijk gebied. In de onderzochte steden ligt de maximale waarde

Dat interacties tussen de stad en zijn omgeving

aan­brengen van stedelijk groen of het veranderen

van het stedelijk hitte-eilandeffect rond de 7ºC.

belangrijk zijn, blijkt uit modelstudies. Figuur 9.2

van het weerkaatsingsvermogen van gebouwen

toont de ruimtelijke differentiatie van de tempera­

(albedo) door het toepassen van andere bouw­

In figuur 9.1a is met deze diagnostische vergelijking het jaarmaxi­

tuur in de omgeving van Amsterdam op een zomer-

materialen. De gerapporteerde effectiviteit van

mum van het hitte-eilandeffect berekend – zonder de lokale

en winterdag in 2017, zoals berekend met het

maatregelen vertoont wel een grote spreiding

versterkingsfactor – voor de periode waarover voor het meetstation

UrbClim-model. De ruimtelijke verdeling van

→ 9.3. Deze variatie in uitkomsten blijkt sterk

De Bilt gelijktijdige metingen van temperatuur, straling en wind

temperatuur wordt beïnvloed door de aanwezig­

afhankelijk van de kwaliteit van de beschrijving van

beschikbaar zijn. Hierin is geen significante trend als gevolg

heid van grote wateroppervlakken – zoals hier

de relevante fysische processen in de modellen,

van klimaatverandering te zien. Recente resultaten van het

het IJsselmeer – en door het weer in de grotere

het schaalniveau van de beschouwing en de

UK MetOffice voor Britse steden geven aan dat dit ook voor de

omgeving – zoals bijvoorbeeld zeewind vanaf de

beschikbaarheid van gedetailleerde morfologische

toekomst geldt. Ter vergelijking is in figuur 9.1b de variatie in het

Noordzee. De zeewind zorgt voor verkoeling in

gegevens van de stad. Vaak zijn deze aspecten

dagelijkse verschil tussen de maximum- en minimumtemperatuur

de stad én voor transport van stedelijke warmte­

onvoldoende beschreven en zijn de resultaten om

voor de volledige meetperiode gegeven. Het dagelijks temperatuur­

pluimen naar het landelijk gebied.

die reden niet algemeen toepasbaar.

Het dagelijks temperatuurverschil hangt sterk samen met de

Deze kennis kan worden ingezet bij het ontwikkelen

Op basis van de beschikbare literatuur is een

hoeveelheid inkomende straling en wordt mede bepaald door de

van maatregelen die stedelijke hitte beperken

analyse gemaakt van het effect van bomen op de

luchtkwaliteit. De variatie in de 20e eeuw kan worden verklaard

(mitigatie) of de impact verminderen (adaptatie).

middagtemperatuur in de stad. Onder zonnige

door de initiële toename van luchtverontreiniging en de latere

Deze maatregelen hoeven zich niet te beperken tot

zomerse condities leverde elke 10% toename van

afname ten gevolge van milieumaatregelen.

aanpassingen in het stedelijk gebied zelf; ze kunnen

de bedekking van het stads­oppervlak met bomen

zich ook richten op het toepassen van groen in de

een reductie op van de stedelijke hitte van 0,3ºC.

De hier gebruikte diagnostiek kent ook beperkingen. De hitte in

omgeving. In de modelstudie Grand Paris leidde een

Het koelend effect van bomen door verdamping is

de stad wordt namelijk niet alleen door lokale omstandigheden

dergelijke strategie tot luchtcirculaties die een ver­

vooral merkbaar in hun directe nabijheid. Dit bete­

bepaald, maar ook door luchtstromingen die de temperatuur

koeling in het centrum van Parijs gaven van 1 tot

kent dat bomen maar ten dele een oplossing zijn

herverdelen. Het contrast tussen stad en omgeving kan bijdragen

2ºC.

voor hitte in de stad als geheel. Wel bieden bomen

verschil is een belangrijke factor in het stedelijk hitte-eiland effect.

aan het ontstaan van deze luchtstromingen.

schaduw en beperken daarmee de bijdrage van Modelstudies zijn bij uitstek het middel om het

directe zonnestraling aan de ervaren hitte.

effect van mitigatie- en adaptatiemaatregelen KNMI Klimaatsignaal’21

Stedelijk klimaat

60

Winter - nacht

Winter - dag

Effecten en indicatoren Meer dan het relatieve verschil tussen de stad en zijn omgeving is C 0 1 2 3 4 5

o

het de absolute temperatuur die uiteindelijk het effect op infrastructuur, energiegebruik, productiviteit en gezondheid bepaalt. Voor elk van deze onderwerpen gelden andere indicatoren, grenswaarden en overschrijdingskansen. Bij infrastructuur gaat het bijvoorbeeld om de kans dat toekomstige omstandigheden buiten de ontwerpcondities van constructies of systemen vallen. Denk aan

Zomer - nacht

een beweegbare brug die onder extreme temperaturen zodanig

Zomer - dag

uitzet dat hij vastloopt. Bij het verlies van arbeidsproductiviteit gaat C 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9

o

het om de fysieke belasting bij het werken in hogere temperaturen en ’s nachts om het missen van slaap door minder afkoeling. Het gezondheidseffect van hogere temperaturen wordt vaak afgemeten aan de mortaliteit (oversterfte). Daarvoor wordt veelal de maximum dagtemperatuur als indicator gebruikt. Bij mortaliteit zijn temperatuureffecten en luchtvervuiling vaak nauw verweven. Uit een vergelijking tussen wijken in Rotterdam is gebleken dat hoge

Figuur 9.2 De relatieve temperaturen (het temperatuurverschil met het koudste punt, blauw op de kaart) rond Amsterdam voor een winter- en een zomerdag in 2017, voor de middag en late nacht. De temperaturen zijn berekend met het UrbClim-model (beschikbaar via de ↗ Copernicus Climate Change Service C3S).

niveaus van zomersmog een toename van 7% in oversterfte kunnen verklaren → 9.5. De verschillen in oversterfte per wijk bleken mede bepaald te zijn door de bevolkingssamenstelling, de hittegevoelig­ heid van groepen – naar leeftijd en herkomst onderscheiden – en de (inkomensafhankelijke) mogelijkheid tot adaptatie.

Figuur 9.2 Kaarten van de relatieve temperaturen (het temperatuurverschil met het koudste punt, blauw op de kaart) rond Amsterdam voor een winter-en een zomerdag in 2017, voor de middag en late nacht. De temperaturen zijn berekend met het UrbClim-model (beschikbaar via de ↗ Copernicus Climate Change Service C3S). Te zien is dat de ruimtelijke verdeling van temperatuur wordt beïnvloed door de aanwezig­heid van grote wateroppervlakken – zoals hier het IJsselmeer.

Aanpassingen in de bouwwijze van woningen, verbeteringen in de zorg en veranderingen in individueel gedrag kunnen leiden tot een afname van de hittegevoeligheid. In de periode 1995-2007 is de

KNMI Klimaatsignaal’21

Stedelijk klimaat

61

a

b

Minimum Mortality Temperature voor de leeftijdsgroep boven 65 jaar in Nederland toegenomen met 0,11-0,15ºC per jaar → 9.6. %

Het aanpassingsvermogen van deze groep lijkt dus groot genoeg om de temperatuurstijging op te kunnen vangen. Tegelijkertijd blijkt dat wereldwijd de mortaliteit door hitte is toegenomen en dat een belangrijk deel hiervan is toe te schrijven aan klimaat­ verandering → 9.7.

gemiddelde neerslag (mm/dag)

In diezelfde periode nam de temperatuur toe met 0,03ºC per jaar.

Neerslag De verstedelijkte omgeving beïnvloedt de dynamica en thermo­ dynamica van de atmosfeer. Dit heeft niet alleen invloed op de temperatuur, maar ook op de neerslag in en rond de stad. Metingen op punten in het neerslagnetwerk van het KNMI in de nabijheid van de stad tonen een gemiddelde toename van 7% in dagsommen van de neerslag → 9.8. Dit effect van de stad op zijn omgeving is het sterkst in de zomermaanden en in het bijzonder onder omstandig­

Figuur 9.3 Effecten van verstedelijking op de neerslag op basis van radarbeelden voor de periode 2001-2010; (a) afwijking van de gebiedsgemiddelde neerslag in de randstad (rechts) met de contouren van het stedelijk gebied (links); (b) de maandgemiddelde dagelijkse neerslagsom in urbaan en ruraal gebied in Nederland. De verschillen zijn kleiner dan de onzekerheid → 9.10.

Figuur 9.3 Effecten van verstedelijking op de neerslag op basis van radarbeel­den voor de periode 2001-2010. ; (a) op kaart de afwijking van de gebiedsgemiddelde neerslag in de randstad met de contouren van het stedelijk gebied; (b) in grafiek de maandgemiddelde dagelijkse neer­slagsom in urbaan en ruraal gebied in Nederland. De verschillen zijn kleiner dan de onzekerheid.

heden met weinig wind. Dit lijkt een indicatie dat de stad vooral bijdraagt aan het initiëren van buien. Stedelijk hitte en aerosolen

sommen van de neerslag → 9.9. Dit verschil is voor­

neerslagsommen blijkt dat ook voor de kans op

kunnen hiervan de oorzaak zijn. Door de keuze van West-Nederland

al zichtbaar als een toename van de neerslag ten

extreme neerslaghoeveelheden er geen onder­

als het studiegebied is echter niet uit te sluiten dat de Noordzee een

noorden van Rotterdam en Amsterdam. De onze­

scheid is te maken tussen de stad en het landelijk

bijdrage heeft geleverd aan het effect.

kerheid in deze analyse van radardata is echter zo

gebied. De grootste neerslagintensiteiten hangen

groot, dat hier geen conclusies aan verbonden

samen met buien die georganiseerd zijn op schalen

Een analyse van de klimatologische radardataset van het KNMI

kunnen worden. Voor het stedelijk waterbeheer zijn

die groter zijn dan de beperkte afmetingen van

voor het westen van Nederland toont in figuur 9.3 een gemiddeld

kort­durende hevige buien het belangrijkst. Uit een

Nederlandse steden en die niet lokaal zijn ontstaan,

verschil van 3,5% tussen stedelijke en landelijke gebieden in uur­

nadere analyse van 15 minuten- en 60 minuten

maar hun oorsprong elders hebben.

KNMI Klimaatsignaal’21

Stedelijk klimaat

62

Crowdsourcing van waarnemingen in stedelijk gebied Het initiatief Weather On the Web (wow.knmi.nl) – voor de inzameling van

Een voorbeeld hiervan is de reconstructie van de klimatologie van de

vrijwillige waarnemingen – leidt tot een aanzienlijke intensivering van de

daggemiddelde temperatuur met een resolutie van 1 bij 1 km → 9.11.

bedekking van Nederland met waarneemstations. Voor temperatuuranalyses

Deze reconstructie gebruikt – naast het KNMI-meetnet – aanvullende voor-

zijn 600 unieke stations geregistreerd (in de periode juni 2016 tot september

spellers, waaronder de bevolkingsdichtheid en vegetatie-index, en is

2019) die daarvoor in potentie geschikt zijn. Dit vereist wel een aanvullende

gevalideerd met op kwaliteit gecontroleerde waarnemingen in stedelijk

statistische kalibratie van de waarnemingen. In het bijzonder levert WOW

gebied. Deze analyse levert temperatuurkaarten voor de laagste temperaturen

een eerste invulling van het waarnemen in stedelijk gebied. Tot dusver zijn

in de winter, de jaargemiddelde temperatuur en de hoogste temperatuur in de

deze waar­nemingen nog kortlopend en ongelijk verdeeld in ruimte en tijd.

zomer. Op deze schaal is het maximale effect van steden op de daggemiddelde

Daarom zijn ze vooral geschikt voor kortdurende experimenten of als

temperatuur in de orde van 1ºC, zowel in de zomer als in de winter.

validatie voor onderzoek.

Laagste temperatuur in de winter

Jaargemiddelde temperatuur

Hoogste temperatuur in de zomer

Figuur 9.4 Kaarten van de ruimtelijke verdeling van temperaturen. Van links naar rechts: de grenswaarde van de 10% koudste dagen (winter), de jaargemiddelde temperatuur en de grenswaarde van de 10% warmste dagen (zomer). Duidelijk is te zien dat stedelijke gebieden het hele jaar door warmer zijn dan hun omgeving

Figuur 9.4. Kaarten van de ruimtelijke verdeling van temperaturen → 9.11. Van links naar rechts: de grenswaarde van de 10% koudste dagen (winter), de jaargemiddelde temperatuur en de grenswaarde van de 10% warmste dagen (zomer). Duidelijk is te zien dat stedelijke gebieden het hele jaar door warmer zijn dan hun omgeving

KNMI Klimaatsignaal’21

Stedelijk klimaat

63

Referenties Introductie & 3 IPCC-inzichten ← p.6 ← p.6

← p.18 2.3 Bloemendaal N., Haigh I.D., de Moel H., Muis S., Haarsma R.J., Aerts

0.1 IPCC , Climate Change 2021: The Physical Science Basis.

J.C.J.H.,2020 : Generation of a global synthetic tropical cyclone hazard

↗ https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg1/

dataset using STORM. Scientific Data 7: 40.

0.2 KNMI, 2014: KNMI’14 Klimaatscenario’s voor Nederland: leidraad

↗ https://doi.org/10.1038/s41597-020-0381-2

voor professionals in klimaatadaptatie, KNMI, De Bilt, 34pp. ↗ https://www.knmi.nl/knmi-bibliotheek/publicaties/brochures-over-klimaat ← p.7 ← p.7

0.3 IPCC Special Report: Global Warming of 1.5°C, 2018.

← p.27 4.1 Baart, F., Rongen, G., Hijma, M., Kooi, H., de Winter, R., en Nicolai, R.,

↗ https://www.ipcc.ch/sr15/

2019:, De zeespiegelmonitor, Deltares.

0.4 IPCC Special Report: The Ocean and Cryosphere in a Changing Climate,

↗ https://www.deltares.nl/app/uploads/2019/03/Zeespiegelmonitor-2018-final.pdf

2019. ↗ https://www.ipcc.ch/srocc/ ← p.7

4 Zeespiegelstijging

← p.27 4.2 Dangendorf, Sönke, Carling Hay, Francisco M. Calafat, Marta Marcos,

0.5 IPCC, Climate Change 2013: The Physical Science Basis.

Christopher G. Piecuch, Kevin Berk, and Jürgen Jensen, 2019: Persistent

↗ https://www.ipcc.ch/report/ar5/wg1/

Acceleration in Global Sea-Level Rise since the 1960s. Nature Climate Change 9, no. 9: 705–10. ↗ https://doi.org/10.1038/s41558-019-0531-8

1 Klimaatverandering in Nederland

← p.27 4.3 Frederikse, Thomas, Felix Landerer, Lambert Caron, Surendra Adhikari,

← p.11 1.1 De Valk, C.F., 2020: Standard method for determining a climatological trend. ↗ https://cdn.knmi.nl/knmi/pdf/bibliotheek/knmipubTR/TR389.pdf ← p.13 1.2 Wever, N., 2012: Quantifying trends in surface roughness and the effect

David Parkes, Vincent W. Humphrey, Sönke Dangendorf, et al., 2020: The Causes of Sea-Level Rise since 1900. Nature 584, no. 7821: 393–97. ↗ https://doi.org/10.1038/s41586-020-2591-3

on surface wind speed observations, J. Geophys. Res. Atmospheres.

5 Arctisch gebied

↗ https://doi.org/10.1029/2011JD017118

← p.32 5.1 Bintanja, R., Andry, O., 2017: Towards a rain-dominated Arctic.

2 Klimaatverandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden ← p.17 2.1 Eppinga M.B., Pucko C.A., 2018: The impact of hurricanes Irma and Maria on the forest ecosystems of Saba and St. Eustatius, northern Caribbean. Biotropica, 50, 723-728. ↗ https://doi.org/10.1111/btp.12600

Nature Climate Change, 7(4), 263-267. ↗ https://www.nature.com/articles/nclimate3240 ← p.33 5.2 Thackeray, C. W., & Hall, A. 2019. An emergent constraint on future Arctic sea-ice albedo feedback. Nature Climate Change, 9(12), 972-978.

← p.18 2.2 Bloemendaal N., de Moel H., Muis S., Haigh I.D, Aerts J.C.J.H., 2020:

↗ https://www.nature.com/articles/s41558-019-0619-1

Estimation of global tropical cyclone wind speed probabilities using the STORM dataset. Scientific Data, 7, 377. ↗ https://doi.org/10.1038/s41597-020-00720-x

KNMI Klimaatsignaal’21

Referenties

64

← p.34 5.3 Bintanja, R., van der Wiel, K., Van der Linden, E. C., Reusen, J., Bogerd, L.,

← p.41 6.5 Lochbihler, K., Lenderink, G. and Siebesma, A.P., 2020: Cold pool dynamics

Krikken, F., & Selten, F. M. 2020. Strong future increases in Arctic precipitation

shape the response of extreme rainfall events to climate change. J. Adv. Model.

variability linked to poleward moisture transport. Science advances, 6(7),

Earth Syst., 1–16. ↗ https://doi.org/10.1029/2020ms002306

eaax6869. ↗ https://doi.org/10.1126/sciadv.aax6869 ← p.37 5.4 Vonk, J. E., & Gustafsson, Ö. 2013. Permafrost-carbon complexities. Nature Geoscience, 6(9), 675-676.

7 Droogte ← p.47 7.1 Daniels, E.E., Beersma, J. and Van der Schrier, G., 2021: Droogte in

↗ https://www.nature.com/articles/ngeo1937

Nederland aan de hand van de indices SPI en SPEI. Meteorologica, 30(2), 4-7.

← p.36 5.5 Coumou, D., Di Capua, G., Vavrus, S., Wang, L., & Wang, S. 2018. The influence of Arctic amplification on mid-latitude summer circulation.

↗ https://www.nvbm.nl/meteorologica/recente-uitgaven/juni ← p.48 7.2 Philip, S.Y., Kew, S.F., van der Wiel, K., Wanders, N. and van Oldenborgh,

Nature Communications, 9(1), 1-12.

G.J., 2020: Regional differentiation in climate change induced drought trends in

↗ https://doi.org/10.1038/s41467-018-05256-8

the Netherlands. Environmental Research Letters, 15(9), 094081.

← p.36 5.6 KNMI-Special Arctisch gebied:

↗ https://doi.org/10.1088/1748-9326/ab97ca

↗ https://magazines.rijksoverheid.nl/knmi/knmispecials/2020/05/index

← p.49 7.3 Haarsma, R.J., Selten, F.M., Van den Hurk, B., Hazeleger, W., and Wang, X., 2009: Drier Mediterranean soils due to greenhouse warming bring easterly

6 Zomerse hoosbuien

winds over summertime central Europe. Geophysical research letters, 36(4).

← p.40 6.1 Lochbihler, K., Lenderink, G. and Siebesma, A.P., 2017: The spatial extent of rainfall events and its relation to precipitation scaling. Geophys. Res. Lett., 44, 8629–8636. ↗ https://doi.org/10.1002/2017GL074857

↗ https://doi.org/10.1029/2008GL036617 ← p.49 7.4 Haarsma, R.J., Selten, F.M. and Drijfhout, S.S., 2015: Decelerating Atlantic meridional overturning circulation main cause of future west European summer

← p.40 6.2 Lochbihler, K., Lenderink, G. and Siebesma, A.P., 2019: Response of Extreme Precipitating Cell Structures to Atmospheric Warming. J. Geophys. Res.

atmospheric circulation changes. Environmental Research Letters, 10(9), pp.094007. ↗ https://iopscience.iop.org/article/10.1088/1748-9326/10/9/094007

Atmos., 2018JD029954. ↗ https://doi.org/10.1029/2018JD029954

← p.49 7.5 Van der Linden, E.C., Haarsma, R.J., and Van de Schrier, G., 2019: Impact of

← p.40 6.3 Lenderink, G., Barbero, R., Loriaux, J.M., and Fowler, H.J., 2017: Super-

climate model resolution on soil moisture projections in central-western

Clausius-Clapeyron Scaling of Extreme Hourly Convective Precipitation and Its

Europe. Hydrology and Earth System Sciences, 23(1), 191-206.

Relation to Large-Scale Atmospheric Conditions. J. Clim., 30, 6037–6052.

↗ https://doi.org/10.5194/hess-23-191-2019

↗ https://doi.org/10.1175/JCLI-D-16-0808.1

← p.49 7.6 Coumou, D., Lehmann, J. and Beckmann, J., 2015: The weakening summer

← p.41 6.4 Fowler, H. J., and et al., 2021: Intensification of short-duration rainfall extremes with global warming and implications for flood hazard. Nat. Rev. Earth

circulation in the Northern Hemisphere mid-latitudes. Science, 348(6232), 324-327 ↗ https://doi.org/10.1126/science.1261768

Environ., 2, 107–122. ↗ https://doi.org/10.1038/s43017-020-00128-6 KNMI Klimaatsignaal’21

Referenties

65

← p.50 7.7 Aalbers, E.A., Meijgaard, E., Lenderink, G., Van den Hurk, B., 2021: Pseudo

← p.57 8.5 Sainsbury et al., 2020: How Important Are Post-Tropical Cyclones for

global warming experiment of European drought 2018. In preparation for

European Windstorm Risk? Geophys. Res. Lett., 47.

Environmental Research Letters.

↗ https://doi.org/10.1029/2020GL089853

← p.50 7.8 Van der Wiel, K., Lenderink, G., De Vries, H., 2021: Physical storylines of

← p.57 8.6 Knutson et al., 2020: Tropical Cyclones and Climate Change Assessment:

future European drought events like 2018 based on ensemble climate

Part II: Projected Response to Anthropogenic Warming. BAMS. 101, E303-E322.

modelling. Weather and Climate Extremes, 33, 100350.

↗ https://doi.org/10.1175/BAMS-D-18-0194.1

↗ https://doi.org/10.1016/j.wace.2021.100350

← p.57 8.7 Haarsma et al., 2013: More hurricanes to hit Western Europe due to global

← p.50 7.9 Mens, M., and Bos-Burgering, L., 2020: Verkenning naar de invloed van een warmer klimaat op de gevolgen van droogte in Nederland. Memo 11205291, Deltares, versie 30 november 2020.

warming. Geophys. Res. Lett., 40, 1783-1788. ↗ https://doi.org/10.1002/grl.50360 ← p.57 8.8 De Vries et al., 2018: Als orkaan Ophelia Nederland had bereikt. Meteorologica, 27, 4-8. ↗ https://www.nvbm.nl/meteorologica/archief/2010-2019/2018/september-2018

8 Wind, neerslag en de gevolgen voor waterbeheer

← p.57 8.9 Haarsma, R., 2021: European Windstorm Risk of Post-Tropical Cyclones

← p.53 8.1 Timmerman, 1977: Meteorological effects on tidal heights in the North Sea. Staatsdrukkerij, The Hague, 1977.

and the Impact of Climate Change, Geophys. Res. Lett., 48. ↗ https://doi.org/10.1029/2020GL091483

← p.53 8.2 Van den Brink, H., 2020: Het gebruik van de ECMWF seizoensverwachtingen voor het berekenen van de klimatologie van extreme waterstanden langs de Nederlandse kust. KNMI, TR-385.

9 Stedelijk klimaat ← p.58 9.1 Oke, T., Mills, G., Christen, A., & Voogt, J. 2017: Urban Climates.

↗ https://cdn.knmi.nl/knmi/pdf/bibliotheek/knmipubTR/TR385.pdf

Cambridge: Cambridge University Press.

← p.54 8.3 Philip, S., Kew, S., van der Wiel, K., Wanders, N., van Oldenborgh, G.J.,

↗ https://doi.org/10.1017/9781139016476

2020: Regional differentiation in climate change induced drought trends in

← p.58 9.2 Stewart, I.D., 2011: A systematic review and scientific critique of

the Netherlands. Environ. Res. Lett. 15 094081.

methodology in modern urban heat island literature. Int. J. Climatol., 31:

↗ https://doi.org/10.1088/1748-9326/ab97ca

200-217. ↗ https://doi.org/10.1002/joc.2141

← p.55 8.4 Diermanse, F., Kwadijk, J. Beckers, J. and Crebas, J., 2010: Statistical trend

← p.58 9.3 Krayenhoff, E.S., Broadbent, A.M., Zhao, L., et al, 2021: Cooling hot cities:

analysis of annual maximum discharges of the Rhine and Meuse rivers, BHS

a systematic and critical review of the numerical modelling literature,

Third Int. Symp. Manag. Consequences Chang. Glob. Env. (Newcastle University,

Environ. Res. Lett. 16 053007. ↗ https://doi.org/10.1088/1748-9326/abdcf1

19-23 July 2010) 5a. ↗ https://www.researchgate.net/publication/268469892

KNMI Klimaatsignaal’21

Referenties

66

← p.59 9.4 Theeuwes, N.E., Steeneveld, G.-J., Ronda, R.J. and Holtslag, A.A.M. 2017:

← p.62 9.10 Daniels, E.E. en Overeem, A., 2015, Regent het meer in de Randstad?,

A diagnostic equation for the daily maximum urban heat island effect for cities

Meteorologica 4.

in northwestern Europe. Int. J. Climatol., 37: 443-454.

↗ https://issuu.com/nvbm/docs/bf0a5a9f861d42efa84896b7db0bf4cf/18?ff

↗ https://doi.org/10.1002/joc.4717

← p.63 9.11 Dirksen, M., Knap, W.H., Steeneveld, G.-J., et al., 2020: Downscaling

← p.61 9.5 Willers, S.M., Jonker, M.F., Klok, L., et al., 2016: High resolution exposure modelling of heat and air pollution and the impact on mortality, Environment

daily air-temperature measurements in The Netherlands, Theor. and Appl. Clim. 142:751-767. ↗ https://doi.org/10.1007/s00704-020-03313-1

International, Vol. 89–90, 102-109. ↗ http://dx.doi.org/10.1016/j.envint.2016.01.013 ← p.62 9.6 Folkerts, M.A., Bröde, P., Wouter Botzen, W.J., et al., 2020: Long term adaptation to heat stress: shifts in the minimum mortality temperature in The Netherlands, Front. Physiol. 11. ↗ https://doi.org/10.3389/fphys.2020.00225 ← p.62 9.7 Vicedo-Cabrera, A.M., Scovronick, N., Sera, F. et al., 2021: The burden of heat-related mortality attributable to recent human-induced climate change. Nat. Clim. Chang. 11, 492–500. ↗ https://doi.org/10.1038/s41558-021-01058-x ← p.62 9.8 Daniels, E.E., Lenderink, G., Hutjes, R.W.A. and Holtslag, A.A.M. 2016: Observed urban effects on precipitation along the Dutch West coast. Int. J. Climatol, 36: 2111-2119. ↗ https://doi.org/10.1002/joc.4458 ← p.62 9.9 Overeem, A., 2014: Inzicht in extreme neerslag in de stad op basis van langjarige radar-datasets met veel ruimtelijk detail. In: Ervaringen met de aanpak van regenwateroverlast in bebouwd gebied. Voorbeelden en ontwikkelingen anno 2014, van Luijtelaar, H (ed.), RIONEDreeks 18, Stichting RIONED: Ede Nederland; 284-305. ↗ https://ruimtelijkeadaptatie.nl/publish/pages/117996/ervaringen_ aanpak_regenwateroverlast_in_bebouwd_gebied_voorbeelden_en_ ontwikkelingen_anno_2014.pdf

KNMI Klimaatsignaal’21

Referenties

67

Verklarende woordenlijst CMIP: Coupled Model Intercomparison Project. CMIP6 is gebruikt voor het zesde assessmentrapport van het IPCC. Dauwpunt: Temperatuur waarbij - bij afkoeling - vocht in de atmosfeer condenseert, een maat voor het vochtgehalte. Doorlopend potentieel neerslagtekort: Cumulatieve som van de potentiële verdamping minus de neerslag vanaf 1 april, waarbij tussentijdse negatieve waarden op nul gezet worden. ECMWF: European Centre for Medium-Range Weather Forecasts. Emissiescenario: Een plausibele toekomstige ontwikkeling van de uitstoot van broeikasgassen en aerosolen gebaseerd op een coherente en intern consistente set van demografische, sociaaleconomische en technologische ontwikkelingen. ERA5: Langjarige mondiale dataset gebaseerd op waarnemingen en het ECMWF weermodel, waarbij het weermodel wordt gebruikt om de gaten in de waarnemingen, in tijd en plaats, op te vullen. Deze techniek levert een consistente set aan meteo­ rologische variabelen en daarmee een zeer bruikbare tijdreeks voor onderzoek. GPCC: Global Precipitation Climatology Centre. Groeiseizoen: April tot en met september. Herhalingstijd: De gemiddelde tijd tussen twee gebeurtenissen waarbij een bepaalde waarde (bijvoorbeeld 50 mm neerslag in een dag) overschreden wordt. Deze herhalings­ tijd kan bepaald worden bij overschrijding van de drempelwaarde ergens in een groot gebied (b.v.

heel Nederland) of gelden voor een overschrijding op een specifieke locatie. Lokale herhalingstijden zijn in het algemeen veel groter dan gebiedsherhalingstijden. IPCC: Intergovernmental Panel on Climate Change, het internationale klimaatpanel van de Verenigde Naties. Kantelpunt: Een kritische drempelwaarde waarbij een systeem zich op abrupte wijze of Tineke Dijkstra

KNMI Klimaatsignaal’21

onomkeerbaar reorganiseert.

Verklarende woordenlijst

68

Klimaatgevoeligheid: De mondiale temperatuurstijging bij een verdubbeling van het

Winterhalfjaar: Oktober tot en met maart.

CO2-gehalte.

Stralingsforcering: De verandering van de energietoevoer (inkomende zonnestraling)

Klimaatprojectie: Gesimuleerde klimaatverandering op basis van een emissie­­­scenario

of afvoer (gereflecteerde zonnestraling en uitgaande infraroodstraling) aan de top van

met behulp van een klimaatmodel.

de atmosfeer, uitgedrukt in W/m2, bijvoorbeeld door de toename van de concentratie

Klimaatscenario: Consistente en plausibele beelden van een mogelijk toekomstig

broeikasgassen in de atmosfeer of door lichtkrachtverandering van de zon. Een positieve

klimaat, gebaseerd op kennis van het verleden en aannames over de uitstoot van

stralingsforcering zorgt voor opwarming van de aarde.

broeikasgassen, bedoeld om verkennende studies uit te voeren naar de effecten van

Zelf-gravitatie: Het zwaartekrachtseffect van grote ijsmassa’s, waardoor de zeespiegel

klimaatverandering.

lokaal omhoog getrokken wordt. Een gevolg van dit effect is dat smeltwater van

Mediaan: De mediaan is het midden van een statistische verdeling van data, dat wil

ijskappen niet gelijkmatig wordt verdeeld over de oceanen: lokaal daalt de zeespiegel,

zeggen dat 50% van de data in de verdeling groter en 50% kleiner is dan de mediaan.

terwijl die op grote afstand van de smeltende ijskap juist extra stijgt.

Potentiële verdamping: Verdamping die zou optreden wanneer planten optimaal van

Zomerhalfjaar: April tot en met september.

water en nutriënten zijn voorzien. Op het KNMI wordt de potentiële verdamping berekend met de formule van Makkink. Significant (statistiek): Aannemelijk dat een signaal, bijvoorbeeld een berekende trend uit data, niet op toeval berust, waarbij een (kans)niveau wordt gedefinieerd (bijvoorbeeld 95%). SPEI: Standardized Precipitation and Evapotranspiration Index, internationale droogte index op basis van neerslag en potentiële verdamping. SPI: Standardized Precipitation Index, internationale droogte index op basis van neerslag. SSP: Shared Socioeconomic Pathways. SSP’s hebben een nummer, dat wordt gevolgd door een getal dat (bij benadering) de stralingsforcering in W/m2 in 2100 weergeeft. De nummering loopt van 1, het duurzame pad, tot en met 5, het pad met veel uitstoot van broeikasgassen. In dit rapport worden SSP1-2.6 als het lage, en SSP5-8.5 als het hoge scenario aangeduid.

KNMI Klimaatsignaal’21

Verklarende woordenlijst

69

KNMI Klimaatsignaal’21

Colofon

70

Colofon Publicatiedatum

Grafische vormgeving

Oktober 2021

Things To Make And Do, Den Haag MatZwart, Leidschendam (infographic)

Auteurs per hoofdstuk 1: Peter Siegmund, Bernadet Overbeek, Geert Jan van Oldenborgh † en Hylke de Vries.

Fotografie

2: Peter Siegmund, Rein Haarsma, Nadia Bloemendaal en Job Dullaart.

Omslag: Tineke Dijkstra

3: Rob van Dorland. 4: Sybren Drijfhout en Dewi Le Bars.

Druk

5: Richard Bintanja, Dewi Le Bars, Caitlin Pot en Nomikos Skyllas.

Xerox

6: Geert Lenderink, Rob Groenland en Alwin Haklander. 7: Karin van der Wiel, Rein Haarsma, Emma Daniels, Gerard van der Schrier en Emma Aalbers.

Oplage

8: Andreas Sterl, Jules Beersma en Henk van den Brink.

2000 exemplaren

9: Ben Wichers Schreur. Postadres Eindredactie

Postbus 201

Rob van Dorland

3730 AE De Bilt

Redactie

Bezoekadres

Jules Beersma, Janette Bessembinder, Richard Bintanja, Jitske Burgers, Rob van Dorland, Bernadet Overbeek,

Utrechtseweg 297 De Bilt

Peter Siegmund en Andreas Sterl.

T 030 2206 911 klimaatdesk@knmi.nl

Externe review Jeroen Aerts, VU

Website

Bart van den Hurk, Deltares

↗ www.knmi.nl/klimaat

Albert Klein Tank, Met Office Hadley Centre Aan dit rapport kan als volgt worden gerefereerd KNMI 2021: KNMI Klimaatsignaal’21: hoe het klimaat in Nederland snel verandert, KNMI, De Bilt, 72 pp.

Tekstredactie Ria de Wit, Helder & Duidelijk

KNMI Klimaatsignaal’21

Colofon

71

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10830561/1