A - 31 Grond en Ontwikkeling (22) Bijlage 5 ARVO 2024 publieksversie 2023100
Tekst van het document
ARVO 2024 Amsterdamse Richtlijn Voor bodemOnderzoek
Colofon Vastgesteld door Burgemeester en Wethouders op 10 oktober 2023 Treedt in werking tegelijk met de Omgevingswet Opdrachtgever: Opdrachtnemer:
Ebbehout 31 1507 EA Zaandam www.odnzkg.nl
2
|
ARVO 2024
Gemeente Amsterdam Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
SAMENVATTING De Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO) is een nadere invulling van de NEN-normen voor bodem onderzoek met richtlijnen voor het uitvoeren van onderzoek naar verontreinigende stoffen in de bodem. De eerste ARVO is vastgesteld in 1996. De ARVO wordt regelmatig aangepast vanwege veranderende wetgeving en voortschrijdend inzicht. Met het van kracht worden van de ARVO 2024 vervallen alle voorgaande versies van de ARVO. In Amsterdam worden de meeste bodemonderzoeken uitgevoerd op kleine locaties voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Ook wordt vaak onderzoek uitgevoerd vanwege graafwerkzaamheden, bijvoorbeeld voor onderhoud of vervanging van kabels en leidingen maar ook voor herinrichting van de openbare ruimte. Van belang hierbij is inzicht te krijgen in de milieu hygiënische kwaliteit van de contactzone van de bodem, van de af te voeren grond en van de achterblijvende bodem. Bodemonderzoeken die door de overheid verplicht worden gesteld moeten minimaal voldoen aan de onderzoeks normen van de NEN1 ((Nederlandse Norm). Deze bestaan uit de NEN 5725 (vooronderzoek), NEN 5740 (verkennend onderzoek), NEN 5707 (verkennend en nader onderzoek bodemverontreiniging met asbest) en de NTA (Nederlandse Technisch Afspraak) 5755 (nader onderzoek). Ook kan de NEN 5897 (asbest in bouw en sloopafval) aan de orde zijn.
Het uitvoeren van een bodemonderzoek is verplicht gesteld bij diverse activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het omgevingsplan. Hierbij wordt verwezen naar de regels over voorafgaand bodemonderzoek in paragraaf 5.2.2 van het Bal. In deze paragraaf zijn de hiervoor vermelde NEN-normen en NTA opgenomen. De ARVO gaat in op de verplichte bodemonderzoeken bij de milieubelastende activiteiten graven in de bodem en saneren van de bodem, opslaan van grond of baggerspecie en toepassen van grond of baggerspecie. Deze activiteiten zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Daarnaast gaat het in de ARVO om het voorafgaand bodemonderzoek bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, zoals vereist op grond van het omgevingsplan.
1 Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut
3
|
ARVO 2024
Speciale aandacht is gegeven aan richtlijnen voor onderzoek naar PFAS, asbest en lood in de bodem. Van de NEN-normen kan gemotiveerd worden afgeweken. De ARVO vult deze beleidsruimte in door de onderzoeksnormen toe te spitsen op de specifieke Amsterdamse situatie. Aangezien het college van B&W bevoegd is voor de genoemde activiteiten en de handhaving daarvan, is het college ook bevoegd hierover beleidsregels te stellen in de ARVO. De ARVO bevat tevens een richtlijn voor bodem- en verhardingsonderzoek van wegconstructies voor werken aan de openbare weg in de gemeente Amsterdam.
Wat is nieuw in ARVO 2024: • De ARVO 2024 is opgefrist en aangepast aan de systematiek en begrippen van de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt; • Het acroniem ARVO is gewijzigd van Amsterdamse Richtlijn Verkennend Onderzoek naar Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek, omdat de ARVO niet alleen richtlijnen geeft voor verkennend onderzoek maar ook voor onderwerpen als XRF-metingen en bouwstoffen wegconstructies; • De gemeente Weesp en de gemeente Amsterdam zijn op 24 maart 2022 bestuurlijk samengevoegd tot één gemeente Amsterdam. Vandaar dat de ARVO voortaan ook van kracht is in Weesp; • De richtlijn voor bodem- en verhardingsonderzoek van wegconstructies is aangepast en sterk ingekort. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het indicatief onderzoek van bouwstoffen komen te vervallen. Voortaan moeten de richtlijnen voor hergebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie uit deels het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en deels het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) worden gebruikt. De onderzoeksstrategieën voor zand onder wegconstructies zijn in hoofdstuk 3 opgenomen, het onderzoek naar de bouwstoffen van wegconstructies in hoofdstuk 6; • Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat voortaan uit twee stappen: vereenvoudigd en aanvullend vooronderzoek. Met een vereenvoudigd vooronderzoek kan
gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit; • Er is een hoofdstuk nader onderzoek toegevoegd. Daarin is onder meer opgenomen dat bij het vaststellen van verhoogde gehalten in de oudstedelijke ophooglaag in de meeste situaties geen nader onderzoek nodig is; • Het hoofdstuk risicocheck lood is aangevuld met een tabel onderzoeksstrategie waarin de aantallen boringen en XRF-metingen zijn opgenomen per oppervlaktemaat van de locatie; • Bodemonderzoeksrapporten worden vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingediend via het nieuwe omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
4
|
ARVO 2024
INHOUD 1
2
3
4
5
5
|
Inleiding
7
1.1 Reikwijdte ARVO Bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels 1.2 Overige kaders 1.3 Wijze van indienen van onderzoeksrapporten
7 7 8 9
Milieuhygiënisch vooronderzoek
10
2.1 Doel 2.2 Vereenvoudigd vooronderzoek Raadplegen informatiebronnen 2.3 Aanvullend vooronderzoek Rapportage aanvullend vooronderzoek
10 10 10 12 12
Verkennend bodemonderzoek
14
3.1 Doel 3.2 Toepassingsgebied 3.3 Veldonderzoek 3.3.1 Veldinspectie 3.3.2 Boringen en peilbuizen 3.3.3 Monstername 3.3.4 Inmeten 3.3.5 Resultaten veldonderzoek 3.4 Onderzoeksstrategie 3.4.1 Onderzoeksstrategie heterogeen diffuus vooroorlogse wijken 3.4.2 Onderzoeksstrategie heterogeen diffuus naoorlogse wijken 3.4.3 Onderzoeksstrategie puntbron 3.4.4 Onderzoeksstrategie PFAS 3.4.5 Onderzoeksstrategie asbest 3.4.6 Onderzoeksstrategie openbare ruimte - kabels en leidingen 3.4.7 Onderzoeksstrategie openbare ruimte - onverharde berm en groenstrook 3.4.8 Onderzoeksstrategie openbare ruimte - verharde berm 3.4.9 Onderzoeksstrategie openbare ruimte - elementen op zand (voetpad, fietspad) 3.4.10 Onderzoeksstrategie openbare ruimte - elementen op zand (parkeerstrook) 3.5 Analytisch-chemisch onderzoek 3.6 Rapportage
14 14 14 14 15 15 15 16 16 16 16 18 18 19 19 20 21 21 22 22 23
Nader onderzoek
25
4.1 Doel 4.2 Toepassingsgebied
25 25
Risicocheck lood met XRF
26
5.1 Onderzoeksstrategie risicocheck lood 5.1.1 Doel 5.1.2 Toepassingsgebied 5.1.3 Onderzoeksstrategie 5.2 Rapportage
26 26 26 26 26
ARVO 2024
6
Onderzoek voor milieuverklaring bodemkwaliteit voor bouwstoffen van wegconstructies
29
6.1 6.2 6.3 6.4
29 29 29 30
Achtergrond Doel Toepassingskader Uitvoeren milieuhygiënisch onderzoek voor bouwstoffen
7
Terminologie
32
8
Bronvermeldingen
34
Bijlage 1
Overzichtskaart voor- en naoorlogse gebieden
35
Bijlage 2
Inhoud XML-bestand
36
6
|
ARVO 2024
1 INLEIDING 1.1 Reikwijdte ARVO Bodemonderzoek is in een aantal situaties wettelijk verplicht. Het bodemonderzoek wordt afgestemd op de verwachte verontreinigingen en de uit te voeren activiteit (bijvoorbeeld graven) zoals onderdeel van het Besluit activiteiten leef omgeving (Bal), en voor zover van toepassing op het voorgenomen gebruik van een locatie (bijvoorbeeld bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw). Het bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek (archiefonderzoek) en in bepaalde gevallen ook uit een verkennend bodemonderzoek (veld- en analytisch-chemisch onderzoek). Soms is een nader onderzoek nodig. De ARVO bevat beleidsregels voor de volgende verplichte onderzoeken bij de activiteiten: • Graven in de bodem – voorafgaand bodemonderzoek verplicht op grond van artikel 4.1221 en 4.1229 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal; • Kleinschalig graven – voorafgaand bodemonderzoek verplicht op grond van het omgevingsplan; • Saneren van de bodem – voorafgaand bodemonderzoek verplicht op grond van artikel 4.1239 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal; • Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - voorafgaand bodemonderzoek verplicht op grond van het omgevingsplan. De ARVO geldt niet voor nulsituatieonderzoek, eindsituatie onderzoek (of monitoring van de bodemkwaliteit) bij bedrijven. Hiervoor moet de NEN 5740 worden gebruikt.
Het uitvoeren van een nulsituatieonderzoek is niet verplicht bij de bodembedreigende activiteiten die onder de algemene regels van het Bal vallen. Wel kunnen bedrijven vrijwillig kiezen voor een nulsituatieonderzoek2. Het uitvoeren van eindsituatieonderzoek is op grond van het Bal verplicht mits dit in hoofdstuk 3 of 4 van het Bal is voorgeschreven. De ARVO kan ook worden gebruikt voor onderzoek dat nodig is voor: • Het vastleggen van de kwaliteit van de bodem bij grondtransacties. Grondtransacties zijn privaatrechtelijke transacties waarover de Omgevingsdienst, het bevoegd
gezag voor de Omgevingswet, geen zeggenschap heeft. Bij grondtransacties is het gebruikelijk een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Aanbevolen wordt in dit kader gebruik te maken van de Amsterdamse richtlijn. Onderzoek ten behoeve van grondtransacties waarin de gemeente zelf partij is, voldoen aan de ARVO; • Onderzoek voor aanpassingen van ruimtelijke plannen uit het omgevingsplan (Omgevingswet). In deze situatie kan veelal worden volstaan met onderzoek dat in andere kaders is uitgevoerd of bodeminformatie die reeds beschikbaar is binnen de gemeente. Bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kan beleidsregels stellen ten aanzien van de bevoegdheden die het college heeft. Daarom is in het verleden de Amsterdamse Richtlijn Verkennend Onderzoek ontwikkeld, tegenwoordig Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek geheten (ARVO) voor gebruik binnen het grondgebied van de gemeente Amsterdam (inclusief Weesp). In Amsterdam is gebleken dat de standaardonderzoeksopzet van de NEN 5725, NEN 5740, NEN 5707 en de NTA 5755 niet geheel aansluit op de Amsterdamse situatie. In Amsterdam worden de meeste bodemonderzoeken uitgevoerd op kleine locaties voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of vanwege graafactiviteiten bijvoorbeeld ten behoeve van onderhoud of vervanging van kabels en leidingen.
Van belang is inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de actuele contactzone van de bodem, van de af te voeren grond en van de achterblijvende bodem. Zo wordt de ARVO gebruikt voor het bepalen van het loodgehalte in de contactzone van de toplaag in tuinen van woningen in het kader van het loodprogramma Gemeente Amsterdam. Ook worden jaarlijks vele bodemonderzoeken uitgevoerd vanwege aanleg of vervanging van wegconstructies, andere verhardingslagen en fundering, waarvoor hoofdstuk 3 (grond) en 6 (bouwstoffen) een richtlijn bevat. De ARVO omvat een aantal onderzoeksstrategieën voor het verkennend onderzoek, waarvan de strategie diffuus vooroorlogse wijken voor verkennend onderzoek een
2 Voor IPPC-installaties is een nulonderzoek echter wel verplicht. Dit moet bij de aanvraag worden verstrekt op grond van de Omgevingsrege ling. IPPC-installaties zijn de grotere industriële bedrijven die vallen onder de Richtlijn industriële emissies (Rie).
7
|
ARVO 2024
verbijzondering is van de NEN 5740-strategie voor verdachte locaties diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (VED-HE) en de naoorlogse strategie voor verkennend onderzoek een verbijzondering is van de NEN 5740-strategie voor onverdachte locaties, niet lijnvormig (ONV-NL). De oorlog waarnaar verwezen wordt is de Tweede Wereld oorlog. Ook zijn er onderzoeksstrategieën opgenomen voor verhardings- en bodemonderzoek voor wegconstructies en ondergrondse infrastructuur. Dit onderzoek wordt uitgevoerd om de kwaliteit van de vrijkomende grond en bouwstoffen te bepalen. Het standaardanalysepakket van de ARVO bestaat uit het standaardanalysepakket grond en grondwater overeenkomstig NEN 5740, aangevuld met arseen in grondwater. Daarnaast moet in chlorideverdachte gebieden grond worden onderzocht op chloride. Uit het vooronderzoek kan een verdenking naar voren komen van een specifieke verontreiniging. In dat geval moet ook op de daarbij relevante stoffen worden onderzocht. In de paragrafen 2.2 en 3.4 wordt nader ingegaan op het voor onderzoek en verkennend onderzoek naar PFAS. In de ARVO wordt onderscheid gemaakt tussen verschillen in bodemopbouw, met name tussen de ophooglagen die in de verschillende uitbreidingsfasen van de stad zijn aangebracht. Hierbij wordt de stad ingedeeld in vooroorlogse (voor 1940) en naoorlogse wijken (na 1945).
Voor deze indeling is gekozen omdat de bodem van de vooroorlogse wijken over het algemeen is opgebouwd uit verschillende soorten verontreinigd ophoogmateriaal op veen (Hollandveen). Het ophoogmateriaal is van lokale oorsprong - zoals grachtenslib of slib uit het IJ - dat door bedrijfsactiviteiten in de loop van eeuwen verontreinigd is geraakt. Dit wordt de oudstedelijke ophooglaag genoemd. De toplaag van naoorlogse wijken is opgebouwd uit één homogene ‘schone’ zandlaag, afkomstig uit zandwinputten van binnen en buiten de stad, op Hollandveen of de Holocene klei. Als globale grens voor de geografische indeling van het voor- en na-oorlogse gebied kan de ringweg A10 worden aangehouden. De precieze indeling is te vinden op de overzichtskaart in bijlage 1. De uitkomsten van het vooronderzoek zijn echter maatgevend of een locatie tot het vooroorlogs- of het na-oorlogs gebied wordt gerekend. Onder de vooroorlogse gebieden worden ook de binnenstad van Weesp en de kleine dorpskernen gerekend die buiten de ring A10 zijn gelegen, zoals Sloten, Oud-Osdorp, Durgerdam, Holysloot, Ransdorp en Zunderdorp.
8
|
ARVO 2024
Tientallen jaren van bodemonderzoek hebben geleid tot voldoende inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de Amsterdamse bodem om in bepaalde gevallen verkennend bodemonderzoek achterwege te kunnen laten. Bij de activiteit graven is dit in de zones 1 t/m 3 van de Bodemkwaliteitskaart het geval, mits geen verdenking op een specifieke verontreiniging of puntbron uit het vooronderzoek naar voren komt. Bij bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locaties geldt dit voor zones 1 en 2. In het omgevingsplan zijn hierover regels opgenomen. In de ARVO wordt voor bodemonderzoeken een geldigheidsduur van 5 jaar aangehouden voor immobiele verontreinigingen en 2 jaar voor mobiele verontreinigingen. Als men kan onderbouwen dat er in de tussentijd geen verontreiniging is toegevoegd, kan in overleg met de Omgevingsdienst een langere geldigheidsduur aangehouden worden. De eerste ARVO is uitgebracht door de Milieudienst Amsterdam in 1996. De ARVO wordt regelmatig aangepast vanwege veranderende wetgeving en voortschrijdend inzicht. Eerdere versies zijn van 2004, 2010, 2011, 2019 en 2020. Met het van kracht worden van de ARVO 2024 vervallen alle voorgaande versies van de ARVO. De gebruikte normen en definities in de ARVO komen overeen met die uit NEN 5725, NEN 5740, NEN 5707 en de NTA 5755.
Voor een duiding hiervan wordt verwezen naar het hoofdstuk ‘Termen en definities’ (hoofdstuk 3) van NEN 5740.
1.2 Overige kaders Bij de uitvoering van een bodemonderzoek moet vanuit andere regelgeving dan het Bal en het omgevingsplan ook rekening gehouden worden met het volgende: • Bij de uitvoering van bodemonderzoek is de Arbeids omstandighedenwet van toepassing. De Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) kan over eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen worden geraadpleegd. Meer informatie op de website van de Inspectie SWZ; • Ten behoeve van de uitvoering van bodemonderzoek wordt waar van toepassing verwezen naar de CROW- publicatie 400: Werken in en met verontreinigde bodem; • De Verordening werken in de openbare ruimte Amsterdam (WIOR) en de Nadere regels WIOR stellen regels aan het werken in de openbare ruimte, zoals het graven in de bodem in de openbare ruimte;
• Bij de uitvoering van veldwerkzaamheden moet rekening gehouden worden met de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen. Informatie hierover kan men verkrijgen bij de Stichting ter voorkoming van graafschade KLIC op de website van KLIC.
1.3 Wijze van indienen van onderzoeksrapporten Informatievragen en meldingen verlopen straks via het nieuwe omgevingsloket, onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Achter de schermen worden deze vragen en meldingen doorgezet naar het zaaksysteem van het bevoegd gezag. In de regio Noordzeekanaalgebied vindt dit zowel voor de provincie als voor de gemeenten plaats via het zaaksysteem van de Omgevingsdienst. In dit systeem komen meldingen en bijlagen binnen. Vanaf 1 januari 2024 worden via deze weg nieuwe bodemonderzoeksrapporten aangeleverd en doorgezet naar het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst (Nazca). Bij de digitale aanlevering van bodemonderzoeksrapporten moeten ook de bijbehorende XML-bestanden worden meegestuurd. In het omgevingsplan zal worden opgenomen dat onder zoeksrapporten ook in een geschikt XML-format worden aangeleverd dat voldoet aan de geldende standaard (SIBK0101 uitwisselprotocol, zie bijlage 2). Daarmee kan de invoer van bodemrapporten zoveel mogelijk geautomatiseerd worden georganiseerd. De Basisregistratie Ondergrond (BRO) is een centrale registratie met publieke gegevens over de Nederlandse ondergrond. Vanuit één centrale digitale plek, de landelijke voorziening, kunnen gebruikers gegevens opvragen voor informatie over bodem en ondergrond. Op de datasets kunnen ook rekenprogramma’s en modellen uitgevoerd worden.
In 2018 is de BRO gestart met de invoer van gegevens per tranche. De vijfde tranche (Milieukwaliteit) zal stapsgewijs vanaf medio 2024 worden ingevoerd voor bestaande en nieuwe data voor de registratieobjecten milieuhygiënisch bodemonderzoek (SAD, site assesment data) en overheids besluit bodemverontreiniging (SLD, site legal decisions). Er zal een landelijke datastandaard voor de aanlevering van bodemonderzoeksgegevens komen en een wettelijke verplichting om deze te gebruiken. Op de website van BRO is nadere informatie over het registratiedomein milieukwaliteit te vinden.
9
|
ARVO 2024
2 MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK 2.1 Doel Het doel van het vooronderzoek is na te gaan of de bodem van de onderzoekslocatie milieuhygiënische verontreinigingen bevat, door het raadplegen van verschillende informatie bronnen. Het gaat hierbij om het vaststellen van: • diffuse verontreinigingen; • plaatselijke verontreinigingen veroorzaakt door puntbronnen. Hierbij wordt ook de naaste omgeving van de onderzoekslocatie betrokken in een straal van minimaal 25 meter om de locatie heen en voor zover de invloed van een puntbron reikt. Gemakshalve wordt in de tekst gesproken over puntbronnen, terwijl feitelijk de verontreinigingen worden bedoeld, die voortkomen uit de puntbronnen. Onder puntbron wordt een gefixeerde en gekanaliseerde bron van emissie verstaan (omschrijving volgens begrippenlijst bijlage 1, artikel 1.1. van het Bal). In NEN 5740 is een puntbron gedefinieerd als een ruimtelijk goed af te bakenen, niet lijn- of lintvormige bron van verontreiniging met een beperkte omvang ten opzichte van de onderzoekslocatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek is gebaseerd op NEN 5725 waarbij afwijken mogelijk is als dit voldoende is gemotiveerd. De NEN 5725 gaat ervan uit dat je alle voor het vooronderzoek relevante en beschikbare informatie over de locatie doorneemt en daarvan verslag doet in een rapportage.
Vooronderzoek volgens de ARVO is de interpretatie van de NEN 5725, uitgewerkt voor de Amsterdamse situatie.
2.2 Vereenvoudigd vooronderzoek Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit is het mogelijk om een beknopt vooronderzoek in de vorm van een vereenvoudigd vooronderzoek uit te voeren. Het vereenvoudigd vooronderzoek is een verplicht onderdeel van de melding Besluit bodemkwaliteit indien men grond wil ontgraven of toepassen met de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit. Met dit vereenvoudigd vooronderzoek kan worden volstaan als een onderzoekslocatie is ingedeeld in een zone van de
10
|
ARVO 2024
bodemkwaliteitskaart en het vereenvoudigd vooronderzoek uitwijst dat de bodemkwaliteitszone representatief is voor de locatie. Het doel van het vereenvoudigd vooronderzoek is dan ook nagaan of de bodem van de locatie niet meer dan diffuus verontreinigd is en de bodem géén op zichzelf staande bron van verontreiniging bevat. De kwaliteit van de bodem zal overeenkomen met de kwaliteit van de zone van de bodem kwaliteitskaart. Met andere woorden, er is geen sprake van een puntbron en er is ook geen verdenking op andere verontreinigingen. Daarvoor betrek je een selectie van alle beschikbare en gemakkelijk raadpleegbare informatiebronnen in het onderzoek, zodat uitvoering vlot kan plaatsvinden. Raadplegen informatiebronnen Het vereenvoudigd vooronderzoek wordt gebaseerd op de volgende informatiebronnen. De gegevens die gerapporteerd dienen te worden zijn cursief weergegeven: • Locatiegegevens en informatie van de initiatiefnemer; Adresgegevens, bouwjaar gebouwen, gegevens over eventuele brand, voormalige en huidig gebruik van locatie • Bodemkwaliteitskaart Amsterdam; Algemeen of openbare weg, welke achtergrondkwaliteit, welke zone.
Bij toepassen zowel de locatie van herkomst als de toepassingslocatie vermelden • Bodeminformatiekaart (historisch bodembestand in Nazca); Diverse bodemkwaliteitgegevens en ligging brandstoftanks via het digitaal loket van de Omgevingsdienst (raadplegen online bodeminformatiekaart). Als de bodeminforma tiekaartrapportage wijst op een potentieel belangrijk onderzoek wat nog niet online beschikbaar is, dan kan dit worden opgevraagd via ‘opvragen archiefstukken’. • Stadsarchief Amsterdam; Gegevens over bodemkwaliteit uit bodemrapporten uit het oude archief van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht (DMB) en haar rechtsvoorgangers Milieudienst Amsterdam en Stafafdeling Hinderwet en Milieuzaken van de Dienst Bouw en Woningtoezicht. De dossiers zijn gevormd in de periode 1981 – 2014 en op te vragen via de website van het Stadsarchief • Bodemarchief Amsterdam; Gegevens over bodemkwaliteit uit bodemrapporten en gegevens uit asbestonderzoek vanaf 2015 zijn verkrijgbaar via het digitaal loket van de Omgevingsdienst (opvragen archiefstukken)
• PFOS-PFOA-kaart Amsterdam; Informatie over bronnen verkrijgbaar door raadplegen online PFOS-PFOA kaart. Dit moet zeker als op locatie brand is geweest en met schuim is geblust, • Kaarten en luchtfoto’s Amsterdam; Ontwikkeling van bebouwing op locatie over achtereenvol gende jaren. Inschatten kans op asbestbron door of er in de (ver) bouwperiode asbesthoudende materialen werden gebruikt. In te zien op de website van Topotijdreis Kadaster en op de kaarten op het datastartpunt van de gemeente (o.a. bouwjaar meest recente bebouwing, luchtfoto’s vanaf 2003, historische kaarten dienst publieke werken) Bovenstaande opsomming is het minimum aan bronnen dat geraadpleegd dient te worden. Het aanvullend raadplegen van andere bronnen dan genoemd in deze opsomming, is vanzelfsprekend toegestaan. Zie daarvoor bijvoorbeeld de bronnen die genoemd zijn bij het aanvullend vooronderzoek. Asbest De onderzoekslocatie moet als asbestverdacht worden beschouwd als op basis van het vooronderzoek concrete aanwijzingen bestaan dat de kwaliteit van de bodem of een partij grond - opgeslagen op de locatie - is beïnvloed door asbesthoudend of asbestverdacht materiaal. Uit het vooronderzoek blijkt of sprake is van beïnvloeding door het (voormalige) gebruik van de bodem, (voormalige) activiteiten op de locatie of de (voormalige) aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op de locatie.
Bij de voorbereiding van graafwerkzaamheden in puinhoudende bodem kan gebruik worden gemaakt van de richtlijn tijdelijk uitplaatsen asbest in puinhoudende bodem [Lit. 27]. Asbestverdacht materiaal is volgens NEN 5707 en NEN 5897 materiaal dat op basis van voorkennis en/of een beoordeling met het blote oog een hoeveelheid asbest zou kunnen bevatten. Tijdens de bouw of sloop van gebouwen kan asbest in de bodem terecht zijn gekomen. Ook bij de aanleg van wegen kan asbest in de bodem terecht zijn gekomen als brekerpuin of menggranulaat is toegepast. Daarom wordt bij een (voorheen) bebouwde locatie in het vereenvoudigd vooronderzoek ook informatie gegeven over de volgende onderdelen: • het bouwjaar van het gebouw op de locatie, inclusief het jaar van eventuele latere verbouwingen. Voor 1 januari 1994 kan bij bouw of verbouwing asbest toegepast zijn en bij bewerken of toepassing in de bodem terecht zijn gekomen. Destijds of later kan asbest gesloopt zijn of
11
|
ARVO 2024
asbestafval op of in de bodem achtergebleven zijn. Hierbij wordt ook de bodem onder druipranden of oppervlakkige hemelwaterafvoeren van asbestdaken als asbestverdacht beschouwd; • de conclusies uit een asbestinventarisatie van het gebouw (via de eigenaar van het gebouw). Inventarisaties die vanaf 2013 zijn uitgevoerd, zijn in het Landelijk Asbest Volg Systeem (LAVS) opgenomen. • informatie uit kaarten en luchtfoto’s om vast te stellen of bij bebouwing wel of geen asbest in de bodem terecht gekomen kan zijn • informatie uit de asbestkansenkaart Amsterdam, zodra deze beschikbaar is. Op het moment van schrijven van deze ARVO is deze kaart nog in ontwikkeling. Poly- en PerFluor Alkyl Stoffen (PFAS) Poly- en PerFluor Alkyl Stoffen (PFAS) zijn stoffen die vanaf 1949 worden toegepast en worden sinds enige jaren ook in de Amsterdamse bodem gevonden. PFAS zijn in het algemeen in zeer lage gehalten in de bodem aanwezig. Op specifieke bronlocaties worden sterk verhoogde gehalten aangetoond (brandplaatsen waar met schuim geblust is, verwerkingsplaatsen van afval, ophogingen met slib van rioolwaterzuiveringinstallaties). Met name de stoffen PFOS (Per Fluor Octaan Sulfonaat) en PFOA (Per Fluor Octaan Zuur) blijken diffuus in lage gehalten in de toplaag van de bodem voor te komen in Amsterdam en de buurgemeenten. PFAS zullen daarom in het vooronderzoek aan de orde moeten komen.
Voor locaties waar slechts een diffuus achtergrondconcentratieniveau verwacht wordt (zonder beïnvloeding door een bron) is geen verder veld- en analyseonderzoek noodzakelijk. De PFOS-PFOA kaart Amsterdam moet geraadpleegd worden. Voor de gebieden waar geen vrijstelling voor geldt moet PFAS meegenomen worden in het ARVO-onderzoek. Voor locaties waar slechts een diffuus achtergrondconcentratieniveau verwacht wordt (zonder beïnvloeding door een bron) is geen verder veld- en analyseonderzoek noodzakelijk. De PFOS-PFOA kaart Amsterdam moet geraadpleegd worden. Voor de gebieden waar geen vrijstelling voor geldt moet PFAS meegenomen worden in het ARVO-onderzoek. Rapportage vereenvoudigd vooronderzoek Het vereenvoudigd vooronderzoek beantwoordt de vraag of zich in de bodem van de locatie een diffuse verontreiniging bevindt en in hoeverre er een of meerdere puntbronnen voorkomen.
Het vereenvoudigd vooronderzoek wordt afgesloten met een rapportage met daarin een overzicht van het volgende: • diffuse verontreinigingen die in de bodem van de locatie en in de naaste omgeving voorkomen; • alle mogelijk aanwezige puntbronnen en eventuele bedrijfsactiviteiten met daarbij horende verontreinigingen die in de bodem terecht gekomen kunnen zijn; • een uitspraak of sprake is van een reële verdenking van een asbestverdachte locatie; • een uitspraak of sprake is van een reële verdenking van een PFAS-verdachte locatie; • alle beschikbare gegevens over de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie en van de naaste omgeving; • alle geraadpleegde informatiebronnen. Als uit de bovenstaande punten geconcludeerd kan worden dat er geen verdenking is op de aanwezigheid van puntbronnen of verdachte bedrijfsactiviteiten, dan is het uitvoeren van een vereenvoudigd vooronderzoek voldoende. Met het vooronderzoek kan vervolgens gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit ten behoeve van activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en omgevingsplan. Als er kans is op het aantreffen van een of meerdere puntbronnen of verdachte bedrijfsactiviteiten, dan wordt een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd.
2.3 Aanvullend vooronderzoek Een aanvullend vooronderzoek wordt uitgevoerd als uit het vereenvoudigd vooronderzoek blijkt dat op de locatie: • puntbronnen kunnen voorkomen; • stoffen in de bodem kunnen voorkomen als gevolg van bedrijfsactiviteiten en die niet in het standaardpakket zitten; • asbest kan voorkomen en een volledig vooronderzoek nodig is; • meer historische informatie moet worden verzameld van puntbronnen. Het aanvullend vooronderzoek wordt gebaseerd op de volgende informatiebronnen. De gegevens die gerapporteerd dienen te worden zijn cursief weergegeven: • Veldinspectie: De locatie wordt bezocht om inzicht te krijgen in mate van verharding, bebouwing, begroeiing, restanten van (voormalige) bedrijfsactiviteiten (zoals leidingen, tanks, vulpunten);
12
|
ARVO 2024
• Bodemkaart dempingen en ophogingen in Amsterdam (website): Op verschillende kaarten van stadsdelen kan de demp- en ophooghistorie worden opgezocht (bijvoorbeeld oude slootpatronen). Dit is in het aanvullend onderzoek opgeno men als uit het vereenvoudigd vooronderzoek naar voren komt dat er dempingen zijn geweest en verder onderzoek nadere gegevens kan opleveren. • Luchtfotoarchieven (website): Luchtfoto’s uit andere informatiebronnen dan Topotijdreis Kadaster en het datastartpunt gemeente Amsterdam: bijvoorbeeld het archief van de Provincie Noord-Holland (gisviewer) en het archief Dotka Data (Kadaster en WOII luchtfoto's en kaarten); • Beeldbank gemeentearchief Amsterdam (website): Historische foto’s voor voormalig gebruik locatie als het gaat om locaties > 5.000 m2; • Bouwdossiers gemeentearchief Amsterdam (website): Funderingen, asbesthoudend bouwmateriaal, activiteiten met asbest op locatie en buurpercelen kunnen uit bouwdossiers worden gehaald. De bouwdossiers over de periode 1905-2010 zijn op de site van het datastartpunt van de gemeente direct te downloaden.
De bouwdossiers van na 1 oktober 2010 moeten worden opgevraagd bij Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Amsterdam (op deze datum trad de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking en worden er omgevings-vergunningen verleend); de omgevingsver gunning is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. De bouwdossiers van na 1 oktober 2010 worden op een later moment overgedragen aan het Stadsarchief en voor iedereen openbaar gemaakt; • Algemene bronnen met betrekking tot bedrijfsactiviteiten, productieprocessen en gehanteerde materialen: Voor het uitvoeren van het aanvullend vooronderzoek asbest kan gebruik worden gemaakt van de informatieve Handreiking Vooronderzoek asbest in de bodem, bouw- en sloopafval en recyclingsgranulaat (bijlage A van NEN 5725). Rapportage aanvullend vooronderzoek De rapportage van het aanvullende vooronderzoek bestaat uit: • een overzicht en beschrijving van – de historie – de bodemopbouw – aanwezige puntbronnen (aantal en soort); • een uitspraak over verwachte soorten verontreiniging op locatie (diffuus, mobiel, etc.);
• een onderzoeksstrategie voor een verkennend onderzoek als uit het aanvullend vooronderzoek blijkt dat er een reële verdenking is van een of meerdere puntbronnen. Enkele voorbeelden van locaties met puntbronnen zijn: • Een locatie en buurpercelen waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, hebben gevonden of andere mogelijk bronnen van bodemverontreiniging aanwezig zijn geweest, waarvoor UBI’s gelden met een NSX-score groter dan of gelijk aan 1003 [Lit. 21]; • Een locatie met bedrijfsactiviteiten waarbij stoffen voorkomen die niet in het standaardanalysepakket zijn opgenomen; • Een locatie waar een ondergrondse tank aanwezig is geweest, ook bij een tank met een NSX-score kleiner dan 100. Bovengrondse tanks (in lekbak) en ommuurde tanks leiden in de regel niet tot verdachte locaties. Vulpunten, ontluchtingen en afgiftepunten die zich buiten het gebouw bevinden, zijn wel verdacht; • Locaties of buurpercelen die asbestverdacht zijn op basis van het uitgevoerde vooronderzoek; • Mobiele verontreinigingen die zijn aangetoond op naastgelegen percelen, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat deze zich niet hebben verspreid naar de onderzoekslocatie; • Indien er op het buurperceel een ondergrondse tank aanwezig is, is de onderzoekslocatie verdacht.
Ook kunnen in de openbare ruimte ondergrondse tanks voorkomen; • Als na 1950 op de onderzoekslocatie een brand is geblust met fluorhoudend blusschuim, is de locatie verdacht voor PFAS. De locatie is ook verdacht als de blusmethode niet bekend is; • Wanneer er sprake is van dempingen of ophogingen anders dan de oudstedelijke ophooglaag - zoals weer gegeven op de bodemkaart Dempingen en ophogingen in Amsterdam - en niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de demping of ophoging met niet-verontreinigd materiaal is uitgevoerd. Ook luchtfoto’s kunnen aan wijzingen geven voor dempingen.
Er dient verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden als • de locatie verdacht is op grond van historische of huidige activiteiten op of in de naaste omgeving van de locatie; • een redelijke kans dat de bodem verontreinigd is geraakt met één of meer stoffen van een of meer puntbronnen; • de bodemkwaliteitskaart niet als milieuverklaring bodemkwaliteit kan worden gebruikt. Er dient dan een uitvoeringsplan gemaakt te worden voor de gekozen onderzoeksstrategie waarbij de standaardstoffen worden onderzocht, indien nodig aangevuld met bodembedreigende stoffen die geen onderdeel zijn van het standaardanalysepakket. Als zich op de locatie een puntbron bevindt, wordt de onderzoeksstrategie hierop afgestemd. De rapportage van het vooronderzoek (vereenvoudigd en aanvullend) mag worden opgenomen in de rapportage van het verkennend onderzoek. De conclusies van het vooronderzoek dienen in combinatie met de onderzoeksstrategie in het veldwerk- en analyseplan opgenomen te worden.
Deze opsomming is niet limitatief, andere, hier niet beschreven situaties die geleid hebben tot bodemverontreiniging zijn ook mogelijk.
3 Hierbij geldt het UBI-model 3.0 . UBI staat voor Uniforme Bron Indeling, NSX voor Nakkenindex. Met de NSX-score wordt vastgesteld hoe bodembedreigend een bepaalde activiteit is (geweest).
13
|
ARVO 2024
3 VERKENNEND BODEMONDERZOEK 3.1 Doel
3.3 Veldonderzoek
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem - grond en grondwater - van een locatie (terrein, perceel). Hierbij kan het gaan om de bodem van (een deel van) een kadastraal perceel of meerdere percelen.
Het veldonderzoek bestaat uit het plaatsen van grond boringen en peilbuizen en het nemen van grond- en grondwatermonsters en, in het geval van asbestverdachtheid, soms ook uit het nemen van materiaal(verzamel)monsters. Het veldonderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de geldende richtlijnen uit de SIKB/BRL 2000-serie en de hierin genoemde normen. Het veldwerk wordt door een conform het Besluit Bodemkwaliteit (Kwalibo) door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat erkende veldwerker uitgevoerd.
In het verkennend bodemonderzoek wordt een strategie uitgewerkt die gekozen is op basis van het vooronderzoek. De ARVO bevat een aantal standaard strategieën met als uitgangspunt dat in de bodem sprake is van een diffuus verhoogd achtergrondniveau (strategie diffuus vooroorlogse en naoorlogse wijken) of dat in de bodem mogelijk verontreinigingen aanwezig zijn door activiteiten in het verleden (strategie puntbron). De oud-stedelijke ophooglaag in het vooroorlogse gebied bevat vrijwel altijd dezelfde verontreinigingen met zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstofverbindingen (PAK). De hypothese diffuus of puntbron is gebaseerd op de uitkomst van het vooronderzoek.
3.2 Toepassingsgebied De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied beoordeelt of een perceel (locatie, terrein) gebruikt kan worden voor de voorgenomen functie. Dit is een taak van de Omgevingsdienst bij het beoordelen van aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit bouw. Het bodemonderzoek wordt daarom afgestemd op de bestemming van de locatie. Bij nieuwbouw of herontwikkeling moet de bodemkwaliteit van het gehele oppervlak van een perceel worden bepaald als het onderzoek wordt gebruikt voor een bouwaanvraag voor de gevoelige bodemfuncties wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen. In andere gevallen is onderzoek van het gehele perceel afhankelijk van de uit te voeren werkzaam heden. Zo zal voor werkzaamheden in de openbare ruimte de onderzoekslocatie begrensd worden door het werkgebied. In geval van twijfel over de juiste interpretatie van onderdelen uit dit hoofdstuk of over het motiveren van afwijkingen, kan contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
14
|
ARVO 2024
Als tijdens de boorwerkzaamheden zintuiglijk een onvoorziene bodemverontreiniging wordt vastgesteld van enige omvang (denk aan zaklagen, drijflagen, asbestnesten) en waarbij zich gezondheidsrisico’s voor bewoners en gebruikers kunnen voordoen, wordt contact opgenomen worden met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied om te bepalen of maatregelen nodig zijn. 3.3.1 Veldinspectie Voorafgaand aan het plaatsen van de boringen wordt de locatie geïnspecteerd op de aanwezigheid van een visueel waarneembare verontreiniging (denk aan olie, verf, asbestverdacht materiaal of andere verontreinigende producten), zwerfvuil, bouwpuin, het al of niet bebouwd en verhard zijn van het terrein, bodemafsluiters (beton, tegels, etc.), de aanwezigheid van ontluchtingsleidingen, vulpunten en tanks. Ook het terreingebruik, de weersgesteldheid en het gebruik van de omliggende terreinen is van belang. Als de onderzoeklocatie asbestverdacht is, dient een maaiveldinspectie conform NEN 5707 plaats te vinden. Tot slot dient de locatie tijdens de terreininspectie op het voorkomen van de ongewenste exoten van de Duizendknoopfamilie (Japanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en de Boheemse duizendknoop) te worden gecontroleerd. Deze plant veroorzaakt schade en overlast.
De gemeente Amsterdam wil het verspreiden van de Duizendknoopfamilie tegengaan en brengt daarom digitaal alle bekende groeiplaatsen in beeld op de gemeentelijke website. Het verzamelen van zoveel mogelijk waarnemingen - ook uit verkennend bodemonderzoek - draagt bij aan de nauwkeurigheid en actualiteit van de kaart. Daarnaast is het voorkomen van duizendknoop een beperking voor de afvoer en hergebruik van vrijkomende grond.
3.3.2 Boringen en peilbuizen De boringen worden verricht tot een minimale diepte van ca. 2,0 m-mv (meter minus maaiveld), dan wel tot een diepte van 0,5 m beneden gewenst ontgravingspeil. De boringen voor de plaatsing van een peilbuis worden tot in de oorspronkelijke bodem doorgezet (Hollandveen of in de Holocene klei, of bij afwezigheid hiervan tot ca. 3,0 m-mv.) waarbij de onderkant van de peilbuis in de oorspronkelijke bodem wordt geplaatst en de bovenkant van het geperforeerde deel van de peilbuis tenminste een halve meter onder de grondwaterspiegel wordt afgesteld, ter voorkoming van de bemonstering van drijflagen en oliefilms. Voor de specifieke bepaling van een drijflaag dient, bij het vermoeden hiervan, een snijdende peilbuis geplaatst te worden. Bij het vermoeden van een zaklaag (bijv. VOCl, teer) dient de onderkant van het filter van de peilbuis net aan in de top van de slecht doorlatende laag geplaatst te worden. Bij het zintuiglijk waarnemen van verontreiniging en ter afperking naar de diepte moet de boring (gat of sleuf) worden doorgezet tot een halve meter onder de verontreiniging, voor zover dit met de inzetbare middelen uitvoerbaar is. Boringen naar grotere diepte bij aanwezigheid van mobiele verontreinigingen moeten geplaatst worden met verloren casing om te voorkomen dat deze zich verspreiden naar grotere diepte (bijv. het 1e watervoerende pakket).
Bij bodemonderzoek in het kader van projectmatige ontgravingen worden de boringen tot 0,5 meter onder de toekomstige ontgraving doorgezet (kelders, souterrains, liftputten, funderingspoeren, afvalcontainers, verkeersregel installaties etc.). De bodemlaag die direct aansluit op de nieuwe constructie moet afzonderlijk worden bemonsterd en analytisch-chemisch worden onderzocht. Als tijdens het veldonderzoek bodemvreemd materiaal wordt aangetroffen, wordt dit duidelijk in de boorstaten en in de rapportage beschreven. Afhankelijk van het puintype en het resultaat van het uitgevoerde vooronderzoek worden bijmengingen met puin als asbestverdacht beschouwd. 3.3.3 Monstername De boortechnieken en monstername van grond en grondwater staat beschreven in NPR 5741 en NEN 5742 t/m 5744 (voor asbestonderzoek gelden andere richtlijnen). De bodem wordt per te onderscheiden bodemlaag in het veld bemonsterd, waarbij een bemonsteringstraject van ten hoogste een halve meter wordt aangehouden. Afhankelijk van het doel van het onderzoek kan de lengte van
15
|
ARVO 2024
het bemonsteringstraject worden aangepast in overleg met de Omgevingsdienst of de opdrachtgever. Denk hierbij aan: • Aangepast traject voor graafwerk bij boomlocaties (geroerd over hele traject van de te trekken stobbe); • Aangepast traject voor graafwerk ondergrondse inzamelsystemen (geroerd over hele ontgravingsdiepte vanwege beperkte mogelijkheid gescheiden afvoer en ontgraven in een ontgravingsmal). Van verontreinigde bodemlagen worden afzonderlijke grondmonsters genomen (op basis van zintuiglijke waar neming). Voor de bemonstering van asbestverdachte bodem wordt NEN 5707 gevolgd en wordt gebruik gemaakt van graafgaten en/of -sleuven. Bij de aanwezigheid van een op de bodem aanwezige (puin)verharding of in de ondergrond voorkomende (puin)stort en dergelijke dienen tijdens de boor- en graafwerkzaamheden maatregelen genomen te worden ter voorkoming van vermenging van de laag met de bodem. Er dient dan gewerkt te worden volgens NEN 5897 als het gaat om meer dan 50 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal. Om het loodgehalte in de bovenste meter vast te kunnen stellen worden grondmonsters genomen van de laag van 0 tot 0,5 meter minus maaiveld en van 0,5 tot 1,0 meter minus maaiveld. Bij ongewijzigd gebruik hoeft onder te handhaven bebouwing geen bemonstering van grond plaats te vinden vanwege het ontbreken van directe contactrisico’s.
De wijze waarop een inschatting gemaakt kan worden van humane risico’s door loodgrond, is beschreven in het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet [Lit. 5]. Bij aanwezigheid van drijf- of zaklagen dient de dikte hiervan indicatief bepaald te worden in een snijdende peilbuis. Monstername van het grondwater voor het bepalen van opgeloste bestanddelen vindt plaats uit een freatische peilbuis. Monstername kan achterwege blijven als er duidelijkheid bestaat over het product, en sprake is van verzadiging. 3.3.4 Inmeten Boorpunten, graafgaten en sleuven worden met GPS ingemeten (X, Y, Z) t.o.v. rijksdriehoekscoördinaten. Terreinhoogte, grondwaterstand en nabijgelegen oppervlaktewater worden ingemeten t.o.v. zowel maaiveld als NAP. Nauw keurigheid van de metingen conform SIKB protocol 2001. Het inmeten ten opzichte van rijksdriehoekscoördinaten, maaiveld en NAP is verplicht. De meetgegevens zijn onderdeel van het XML-bestand, dat bij de rapportage meegeleverd wordt (zie Bijlage 2).
3.3.5 Resultaten veldonderzoek Het veldonderzoek wordt zodanig uitgevoerd en gerapporteerd dat inzicht wordt verkregen in: • De bodemopbouw tot in het Hollandveen, de Holocene klei of, indien afwezig, tot de eerste slecht doorlatende laag of tot ca. 3,0 m-mv; • De aanwezigheid, aard en mate van bodemvreemde bestanddelen; • De diepte van de gemiddelde grondwaterstand t.o.v. maaiveld (in m-mv en t.o.v. NAP); • Geur- en kleurkenmerken van mogelijke verontreinigde bodemlagen; • De hoeveelheid bodemvreemd materiaal in grond (percentage); • Overige indicaties van mogelijke verontreiniging (pH, EC, troebelheid, olie-indicatie, PID-metingen, eventuele vaten op het terrein, kale plekken, brandplaatsen etc.); • Aanwezigheid van asbest, asbestverdacht materiaal of asbestverdachtheid in opstallen e.d.; • Het percentage grove fractie (> 20 mm) in de onderzochte grondlagen (bij asbestonderzoek); • De opstallen op het terrein (betonnen vloeren/ souterrains/kelders e.d.); • Aanwezigheid van groeiplaatsen van de Duizendknoop familie; • Aanwezigheid en dikte van (half)verhardingen; • Opslag van grond, bagger of puindepots, dan wel andere materialen zoals sintels, slakken, asfalt en dergelijke; • Als tijdens het veldonderzoek zaken worden aangetroffen die van invloed zijn op de beoordeling van de verontreinigingstoestand (zie opsomming hierboven) worden hiervan foto’s gemaakt en bij de
rapportage gevoegd.
3.4 Onderzoeksstrategie 3.4.1 Onderzoeksstrategie heterogeen diffuus vooroorlogse wijken De onderzoekslocatie is gelegen in een vooroorlogse wijk, zoals weergegeven in de overzichtskaart in bijlage 1. Het aantal boringen en te nemen grondmonsters per oppervlakte, anders dan voor asbest, is zodanig gekozen dat een voldoende duidelijk beeld wordt verkregen van de verontreinigingstoestand op de locatie. De plaats van de boringen wordt afgestemd op het doel van het onderzoek en de mogelijkheden ter plaatse. Van belang is bijvoorbeeld waar eventuele werkzaamheden gaan plaatsvinden of hoe de toekomstige inrichting van de locatie is voorzien (bebouwing, kelders, tuinen, etc.). De onderzoeksaanpak wordt op deze
16
|
ARVO 2024
toekomstige inrichting afgestemd. Wegens de vaak beperkte onderzoeksmogelijkheden in de dichtbebouwde binnenstad is het niet altijd mogelijk het onderzoek uit te voeren zoals in de ARVO staat beschreven. In die gevallen kan gemotiveerd worden afgeweken van de onderzoeksstrategie. Wel dient in de rapportage onderbouwd opgenomen te worden met welke reden is afgeweken en wat het effect hiervan is op het onderzoeksresultaat. Het samenstellen van grondmengmonsters is afhankelijk van de onderzoeksdoelstelling. Doel is om voldoende inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van een bepaald bodemcompartiment (bijv. de oudstedelijke ophooglaag of een hoeveelheid af te voeren grond, etc.). Er mogen uitsluitend grondmengmonsters – in het laboratorium - worden samengesteld uit grondmonsters van gelijksoortige bodemlagen en zintuiglijke waarnemingen. De laagdikte is maximaal 0,5 meter. Alleen deelmonsters van dezelfde grondsoort mogen over een grotere laagdikte gemengd worden. Een grondmengmonster wordt samengesteld uit maximaal 4 boringen, waarvoor maximaal 4 deelmonsters worden gebruikt. Bij voorkeur wordt er niet verticaal gemengd. Als dit wel wordt gedaan, wordt dit gemotiveerd (bijv. bij ondergrondse afvalcontainers). Uit alle peilbuizen worden grondwatermonsters genomen voor analytisch-chemisch onderzoek.
In Tabel 3.1 is het minimale aantal boringen, peilbuizen en grondmengmonsters per oppervlak in m2 weergegeven. 3.4.2 Onderzoeksstrategie heterogeen diffuus naoorlogse wijken De onderzoekslocatie is gelegen in een naoorlogse wijk, zoals weergegeven in de overzichtskaart (bijlage 1) en is bevestigd in het vooronderzoek. Deze onderzoeksstrategie is gebaseerd op NEN 5740 voor onverdachte terreinen. Het aantal te nemen grondmonsters per oppervlakte is zodanig gekozen, dat een voldoende duidelijk beeld wordt verkregen van de verontreinigingstoestand ter plaatse. Ook hier moet de opzet van het onderzoek zijn afgestemd op de geplande werkzaamheden of de toekomstige terreininrichting. Tevens wordt de mogelijkheid open gehouden om gemotiveerd af te wijken van de onderzoeksstrategie. In Tabel 3.2 is het minimale aantal boringen, peilbuizen en grondmengmonsters per oppervlak in m2 weergegeven. Er mogen uitsluitend grondmengmonsters - in het
laboratorium - worden samengesteld uit grondmonsters van gelijksoortige bodemlagen en zintuiglijke waarnemingen. De laagdikte is maximaal 0,5 meter. Alleen deelmonsters van dezelfde grondsoort mogen over een grotere laagdikte gemengd mogen worden.
Een grondmengmonster wordt samengesteld uit maximaal 6 boringen, waarvoor maximaal 6 deelmonsters worden gebruikt. Bij voorkeur wordt er niet verticaal gemengd.
Tabel 3.1 Onderzoeksstrategie diffuus vooroorlogse wijken2) 4) Oppervlakte in m2
Boringen tot 2,0 m-mv
Mengmonsters
met peilbuis 3,0 m-mv
Totaal
top 1 0 - 0,5 m-mv
top 2 0,5 - 1,0 m-mv
diep 1 > 1,0 m-mv
diep 2 tot 0,5 m onder ontgraving3)
0 - 151)
0
1
1
1
1
1
1
15 - 100
1
1
2
1
1
1
1
100 - 200
2
1
3
1
1
1
1
200 - 400
3
1
4
2
2
1
1
400 – 1.000
4
2
6
2
2
2
2
1.000 – 2.500
7
2
9
3
3
2
2
2.500 – 5.000
9
3
12
3
3
3
3
5.000 - 1 ha
12
4
16
4
4
4
4
1 – 3 ha
20
7
27
7
7
7
7
3 – 5 ha5)
30
10
40
10
10
10
10
1) Voor kleine onderzoeklocaties is 1 boring met peilbuis voldoende (bijv. boomlocatie, ondergronds inzamelsysteem). 2) Zie Bijlage 1 voor de contour waarbinnen de vooroorlogse gebieden zich bevinden; het historisch onderzoek geeft uitsluitsel of een locatie zich in het vooroorlogse of het naoorlogse gebied bevindt en is maatgevend voor de keuze van de strategie. 3) Bemonstering onder bebouwing alleen als er grondverzet nodig is voor het aanleggen van ondergrondse ruimten als een kelder of een parkeergarage. De bodemlaag onder de nieuwe constructie wordt afzonderlijk onderzocht. 4) Deze tabel geldt niet voor onderzoek naar asbest. Zie daarvoor NEN 5707. 5) Bij een grotere oppervlakte dan 5 hectare wordt de onderzoeksstrategie afgestemd met de Omgevingsdienst.
Tabel 3.2 Onderzoeksstrategie diffuus naoorlogse wijken2) 4) Oppervlakte in m2
Boringen tot 1,0 m-mv
tot 0,5 m-mv
tot 2,0 m-mv
Mengmonsters met peilbuis 3,0 m-mv
Totaal
top 1 0 - 0,5 m-mv
top 2 0,5 - 1,0 m-mv
diep 1 > 1,0 m-mv
diep 2 tot 0,5 m onder ontgraving3)
0 - 151)
0
0
0
1
1
1
1
1
1
15-100
1
1
0
1
3
1
1
1
1
100-200
2
1
0
1
4
1
1
1
1
200-400
3
1
1
1
6
2
1
1
1
400-1000
4
2
2
1
9
2
2
1
1
1000-2500
6
3
2
1
12
3
2
2
2
2500-5000
8
4
3
2
17
3
3
2
2
5000-1 ha
11
5
4
3
23
4
4
3
3
1 – 5 ha
26
14
10
6
56
10
10
6
6
5 – 10 ha5)
40
20
15
9
84
15
15
8
8
1) Voor kleine onderzoeklocaties is 1 boring met peilbuis voldoende (boomlocatie, ondergronds inzamelsysteem). 2) Bijlage 1 voor de contour waarbinnen de vooroorlogse gebieden zich bevinden; het historisch onderzoek geeft echter uitsluitsel of een locatie zich in het vooroorlogse of het naoorlogse gebied bevindt en is maatgevend voor de keuze. 3) Bemonstering onder bebouwing alleen als er grondverzet nodig is voor het aanleggen van ondergrondse ruimten als een kelder of een parkeergarage. De bodemlaag onder de nieuwe constructie wordt afzonderlijk onderzocht. 4) Deze tabel geldt niet voor onderzoek naar asbest. Zie daarvoor NEN 5707. 5) Bij oppervlakten groter dan 10 ha wordt de onderzoeksstrategie afgestemd met de Omgevingsdienst.
17
|
ARVO 2024
3.4.3 Onderzoeksstrategie puntbron Deze strategie wordt toegepast als uit het vooronderzoek is gebleken dat op de locatie een of meerdere puntbronnen kunnen voorkomen, ofwel als uit vooronderzoek is gebleken dat de bodem verontreinigd is geraakt met één of meer stoffen door historische of huidige activiteiten. Het onderzoek wordt gericht op de terreindelen met een of meerdere puntbronnen en de te verwachten verontreinigingen. Hierbij wordt minimaal het standaardanalysepakket ingezet. Deze strategie kan ook worden gebruikt als de bodem moet worden onderzocht nadat tijdens werkzaamheden een milieuhygiënische toevalsvondst is aangetroffen.
Indien de verontreiniging omvangrijker is dan aanvankelijk was voorzien, wordt overgeschakeld op de NTA 5755, de onderzoeksstrategie voor het nader onderzoek [Lit. 11].
Door de dichte bebouwing in de binnenstad, het bodem gebruik voor wonen en werken en de aanwezigheid van ondergrondse obstakels (kabels en leidingen, funderings constructies, kelders), is het vaak niet mogelijk om exact de onderzoeksstrategie uit NEN 5740 te volgen in het vooroorlogs gebied. In voorkomende gevallen wordt een goed onderbouwd onderzoeksplan opgesteld, waarbij, naast de bevindingen van het vooronderzoek, de onderzoeksmogelijkheden op de locatie maatgevend zijn.
Als sprake is van een reële PFAS-verdenking op basis van het vooronderzoek wordt in ieder geval onderzoek gedaan naar gehalten aan PFOS en PFOA.
3.4.4 Onderzoeksstrategie PFAS Onderzoek volgens deze strategie wordt toegepast als er een reële verdenking bestaat dat PFAS in de bodem kan worden aangetroffen. Bij het uitvoeren van bodemonderzoek op PFAS dient aangesloten te worden op de bestaande normen, beoordelingsrichtlijnen en protocollen. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met de Handreiking PFAS bemonsteren [Lit. 26].
Het aantal te nemen grondmonsters per oppervlakte wordt zodanig gekozen, dat een voldoende duidelijk beeld wordt verkregen van de bodemkwaliteit ter plaatse. Ook hier wordt bij de opzet van het onderzoek rekening gehouden met de voorziene werkzaamheden of de toekomstige terrein inrichting. De onderzoeksstrategie wordt gemotiveerd in de rapportage.
Het onderzoek naar PFOS en PFOA wordt uitgebreid met andere stoffen uit de PFAS-groep, indien uit het vooronderzoek blijkt dat deze op bronlocaties in verhoogde gehalten kunnen worden aangetroffen. Stoffen behorend tot PFAS dienen individueel per stof beoordeeld te worden. Voor alle PFAS, met uitzondering van PFOA, gelden de gehalten en de handelwijze in de Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2023 [Lit. 19] zoals die voor PFOS gelden. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFAS, dan wel het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en PFOA, belast is.
Bij homogeen diffuus verontreinigde bodemlagen, zoals ophogingen met baggerspecie op verder onverdacht terrein kan de onderzoeksstrategie vooroorlogse wijken of naoorlogse wijken worden aangehouden (afhankelijk van de ligging). Op kleinere locaties zal het verschil in aanpak op verdachte of onverdachte locaties vaak niet meer inhouden dan het herschikken van boorlocaties, bijvoorbeeld door het plaatsen van de peilbuis zo dicht mogelijk bij de verdachte locatie.
De strategie is afgeleid van de in NEN 5740 opgenomen strategie voor een homogene diffuse belasting op schaal van monsterneming (VED HO). Het onderzoek wordt gericht op de laag die volgens het vooronderzoek diffuus belast is (meestal alleen de bovenste halve of hele meter, tenzij het gebied is opgehoogd in de periode waarin sprake was van depositie) en de laag daar direct onder.
Tabel 3.3 Onderzoeksstrategie PFAS Oppervlakte in m2
0-100
Boringen tot 0,5 m onder de diffuus belaste lagen 1
Mengmonsters
met peilbuis 3,0 m-mv
Totaal
1
2
|
onder diffuus belaste laag 1
1
1
100-200
2
1
3
1
1
1
200-2500
4
1
5
1
1
1
2500-1 ha
5
2
7
2
2
2
> 1 ha
5+p1)
2+0,5p
7+1,5p
2 + 0,5p
2 + 0,5p
2+0,5p
1) p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 1 ha).
18
diffuus belaste laag
Grondwater
ARVO 2024
• • • •
Bouw en sloopafval (BSA); Gemengd puin; Betonpuin; Metselpuin.
3.4.5 Onderzoeksstrategie asbest Indien een locatie op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 2, beschouwd wordt als asbestverdacht, wordt een fysiek asbestonderzoek uitgevoerd volgens NEN 5707. Alle uitvoeringdetails als wijze van veldonderzoek, bemonstering, laboratoriumonderzoek en wijze van rapporteren zijn in deze norm te vinden.
TNO heeft vastgesteld dat voor asfaltpuin, straatstenen en klinkers geen verband kan worden aangetoond met asbest.
Tijdens de uitvoering van het veldwerk kan het nodig zijn de onderzoekshypothese te heroverwegen en waar nodig bij te stellen. Bij onverwachts aantreffen van puin of stukjes vermoedelijk asbesthoudend (plaat)materiaal kan het noodzakelijk zijn om de onderzoeksstrategie uit de NEN 5707 aan te passen.
asbestdaken Op locaties waar de bodem met asbestvezels verontreinigd kan zijn door afspoeling bij verwering van asbestdaken en -gevels, dienen ook grondmonsters genomen te worden in het gebied dat beïnvloed kan zijn door hemelwater van de druiprand.
Als tijdens het veldonderzoek in of op de bodem puingranulaat, bouwpuin of slooppuin wordt aangetroffen, wordt in de rapportage informatie, voor zover bekend, gegeven over: • Samenstelling (puinsoort, grootte, granulaat, bijmen gingen) met detailfoto’s in kleur met een maatvoering; • Herkomst en productiedatum; • Tijdstip van aanbrengen van granulaat of puin; • bewijsmiddelen van certificering (indien beschikbaar).
asbest op maaiveld Indien sprake is van zichtbaar asbest op het maaiveld, wordt de beoordeling en aanpak meegenomen met de asbest inventarisatie, uitgevoerd door een SCA-erkende aannemer (Stichting Certificatie Asbest). In geval van niet zichtbaar asbest in grond of dreigende besmetting van de bodem (bijv. bij een calamiteit) is onderzoek volgens NEN 5707 vereist.
Puingranulaat, bouwpuin of slooppuin dat als laag of stort in of op de bodem is aangetroffen is op zich geen onderdeel van de bodem4 en valt daarmee niet onder de ARVO en NEN 5707 [Lit. 6]. Dit materiaal zal afzonderlijk aan de hand van NEN 5897 [Lit. 10] onderzocht moeten worden. Wel kan de laag of stort als bron worden beschouwd van eventuele bodemverontreiniging. Het veldonderzoek moet uitwijzen of vermenging met de bodem is opgetreden. Bij werkzaamheden in (puinhoudende) bodem, waarbij tijdelijk uitgeplaatst wordt zonder afvoer van grond, kan de Richtlijn tijdelijk uitname asbest en puin [lit. 22] worden gebruikt. Dit is een praktische benadering van de verplichting om bij het voorkomen van puin onderzoek te doen naar asbest, zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens graafwerkzaamheden. In 2018 is door TNO een onderzoek [Lit. 17] uitgevoerd om de relatie tussen het voorkomen van puin in de bodem en de daadwerkelijke aanwezigheid van asbest in de bodem nader te onderzoeken. Uit dit onderzoek is gebleken dat er een correlatie bestaat tussen asbest en de volgende typen puin, als bijmenging in grond:
3.4.6 Onderzoeksstrategie openbare ruimte - kabels en leidingen Tracés van kabels en leidingen bestaan over het algemeen uit betrekkelijk lange en smalle stroken. De werkzaamheden zijn vaak van korte duur en er vindt hoofdzakelijk tijdelijke uitname plaats. Hierbij wordt de terug te plaatsen grond naast het tracé gelegd en wordt de grond na het werk weer in de sleuf geplaatst. Regelmatig moet hierbij ook grond worden afgevoerd als deze niet aan de civieltechnische eisen voldoet (te sterk klei-, veen- of puinhoudend). Voorafgaand aan werkzaamheden aan ondergrondse infrastructuur wordt een vooronderzoek uitgevoerd om te bepalen of • de graafactiviteiten uitvoerbaar zijn met de bodem kwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit; • de graafactiviteiten vallen onder de milieubelastende activiteit graven onder of boven interventiewaarde. Indien het niet mogelijk is gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In Tabel 3.4 is de onderzoeksinspanning voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen.
4 Bodem: vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestandsdelen en organismen. Volgens vaste jurisprudentie is een stortlaag die voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat geen bodem meer zoals bedoeld in artikel 1 Wbb. Deze jurisprudentielijn is ook onder de Omgevingswet relevant.
19
|
ARVO 2024
Tabel 3.4 Onderzoeksstrategie bij ondergrondse kabels en leidingen3) Lengte tracé
Minimaal aantal boringen
Minimaal aantal peilfilters1)
tot 100 meter
2
1
100 tot 1.000 meter
2 + 1 per 150 m extra
2)
1 per 300 m
vanaf 1.000 meter
8 + 1 per 300 m extra2)
1 per 500 m
1) Bij werkzaamheden boven het grondwaterpeil worden er geen peilbuizen geplaatst. 2) De boorlocaties worden gelijkmatig verdeeld over het tracé. 3) Deze tabel geldt niet voor onderzoek naar asbest. Zie daarvoor NEN 5707.
Tabel 3.5 Onderzoeksstrategie bermen en groenstroken Bermbreedte Smal Gemiddeld Breed
Vakgrootte ≤ 0,50 m
≤ 750 m
4
1
2.000 m2
4
1
> 2,5 m
4.000 m2
8
1
De onderzoeksdiepte is 0,5 meter onder de toekomstige aanlegdiepte van de kabels en leidingen. Afhankelijk van de bodemopbouw en het werk kan een andere maatvoering gekozen worden, waarbij een onderzoekstraject van maximaal 1,0 meter mag worden samengevoegd tot één mengmonster (bijv. 0,5 tot 1,5 m, 1,5 tot 2,5 m). Per boring mag er een grondmengmonster - in het laboratorium worden samengesteld uit grondmonsters van gelijksoortige bodemlagen en zintuiglijke waarnemingen. Per boring wordt het standaardanalysepakket ARVO ingezet. Het grondwater wordt onderzocht bij werkzaamheden onder het grondwaterpeil. 3.4.7 Onderzoeksstrategie openbare ruimte onverharde berm en groenstrook In de bodemkwaliteitskaart openbare weg zijn de meeste bermen beschreven als licht verontreinigd (AW en kwaliteit wonen). Voor de ondergrond zou in een aantal gevallen volstaan kunnen worden met een geringer aantal boringen, maar in de vooroorlogse wijken geldt dat juist de ondergrond meer verdacht is dan de bovengrond. Om die reden is