CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 30 Diversiteit en Antidiscriminatiebeleid (9) Bijlage 2 Eindrapport De

RAAD 1 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de onderzoeksresultaten Beoordelingscommissie Goed Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel VN2021-03043622.648 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

22

Een jaar cel voor een gestolen brood of fiets Simpele diefstallen en vergrijpen werden tot ver in de jaren ’40 zeer streng bestraft. Zo bespreekt de Commissie op 14 oktober 1946 het geval van meneer A. [8193], die – wanneer precies is onduidelijk – ‘onder meer tot één jaar gevangenisstraf [werd] veroordeeld wegens diefstal van een brood’. Zijn vonnis wordt als een onvergeeflijk feit behandeld. In diezelfde vergadering wordt komt de aanvraag van meneer H. [8237] aan de orde, die toen hij 17 was, een kop en schotel heeft gestolen en daarvoor een jaar voorwaardelijk kreeg. Het rapport van het Genootschap voert als verzwarende omstandigheid aan dat hij uit een ‘slecht gezin’ komt. Op 2 juni 1947 wordt de aanvraag van meneer B. [8760] besproken, die in 1944 wegens diefstal van een fiets tot 9 maanden cel werd veroordeeld. Ook meneer De G. [8856] is wegens fietsdiefstal veroordeeld, en wel in 1942: hij kreeg een jaar cel. Meneer B. [10534] kreeg in juli 1946 wegens hetzelfde feit 1 jaar cel met 3 jaar proeftijd. Uit de aanvraag van meneer W. [15661], die op 7 mei 1956 wordt besproken, blijkt dat hij een jaar cel kreeg nadat hij als PTT’er een pakketje had gestolen; in juni 1950 stal hij opnieuw, ditmaal een pot verf, en kreeg daarvoor 1 maand voorwaardelijk met 3 jaar proeftijd, plus 10,- boete. Na de oorlog dalen de straffen spectaculair.

Neem deze zeer lage straf voor een in scène gezette roofoverval, in april 1945 uitgevoerd door drie mannen en een handlanger.47 De drie hadden ‘een overval op het Stadhuis in elkaar gezet op een ambtenaar die zich liet beroven’ van ‘een bedrag van ruim ƒ 44.500,– toebehorende aan de leden van een toen bestaande inkoopcentrale van het Stadhuis’. De zaak werd in 1947 berecht. De schuldigen kregen 6 maanden cel, een straf die later ‘bij Koninklijk Besluit werd kwijtgescholden met een proeftijd tot oktober 1950’. Mogelijk betrof de geënsceneerde overval een verzetsdaad; dat zou de extreem lage straf – en vooral: het gratiebesluit van 1950 – begrijpelijk maken, maar gewoonlijk memoreert de Commissie het nauwgezet wanneer voor een aanvrager een dergelijke verschoningsgrond kan worden aangevoerd; dat gebeurt hier niet. Over het algemeen maakt de Commissie in haar besprekingen onderscheid naar soorten veroordelingen: overtredingen van distributiewetten en -regels worden niet bijzonder zwaar gewogen, evenmin als gebruik van geweld; openbare schennis der eerbaarheid weegt relatief zwaar, doch meestal minder dan ontucht; economische delicten wegen zwaar. Zo wordt in de vergadering van 28 mei 1951 de aanvraag van meneer S. besproken [11832]; de man heeft liefst 11 vonnissen en 9 processen-verbaal op zijn naam staan (er wordt niet gemeld over welke periode een en ander zich uitstrekt).

Gewoonlijk is er over iemand met een dergelijk ‘prentenboek’, zoals secretaris Detiger dat graag mag noemen, geen debat: zo iemand wordt afgewezen. Maar deze casus wordt wel besproken: de secretaris wijst de aanwezigen er nadrukkelijk op dat geen van de veroordelingen en processen-verbaal vermogensdelicten betreft, en meent dat de man een kans moet krijgen. De Commissie besluit gunstig te adviseren.

47

Deze affaire komt tweemaal in de Commissie ter sprake; eerst wegens een aanvraag van meneer H. [10472], besproken op 155 augustus 1949, en later wegens een aanvraag van meneer W. [13382], op 19 oktober 1953.

23

Verzachtende en verzwarende omstandigheden De Commissie betrekt geregeld de (gepercipieerde) persoonlijkheid van de aanvrager in haar overwegingen. Positieve eigenschappen worden aangevoerd om een gunstig advies uit te brengen, negatieve eigenschappen vergroten de kans op een afwijzend advies. Positieve eigenschappen die genoemd worden zijn bijvoorbeeld: netjes, rustig, fatsoenlijk, eerlijk en ‘doet erg zijn best’. De negatieve typeringen die voorbijkomen, zijn niet mis en sterk moreel gekleurd. Een kleine greep: ‘scharrelaar’, ‘stumperig’, ‘infantiel’, ‘psychopate’, ‘minder gunstige woonadressen’, ‘een lui man’, ‘ordinair’, ‘slappeling’, ‘onbeheerscht type’, ‘arrogant type’, ‘ongelikte beer’, mislukt type’, ‘losbandig’, ‘driftkop’, ‘snol’. Daarnaast worden mensen veelvuldig, en met groot gemak, als ‘imbeciel’ of ‘debiel’ getypeerd. Ook het milieu van de aanvrager speelt vaak een rol. Dat iemand uit een ‘goed’ gezin komt, wordt geregeld opgevoerd als verzachtende omstandigheid en kan dan aanleiding vormen om gunstig te adviseren, ook al zijn er recente veroordelingen of zit de aanvrager nog in zijn proeftijd. Uit een ‘slecht’ gezin komen, geldt echter bijna altijd als een complicerende (en vaak verzwarende) omstandigheid. Zelfs wanneer iemand zich heeft losgemaakt van dat ‘slechte’ milieu, wordt dat geproblematiseerd.

Zo bespreekt de Commissie op 12 mei 1949 de aanvraag van meneer 10334, ‘een ietwat zwakzinnige jongeman, die uit een slecht milieu komt. Het pleit voor hem, dat hij een betrekking heeft gehad, waar hij 10 jaar is gebleven’. Een strafblad heeft hij waarschijnlijk niet; daar wordt althans geen melding van gemaakt. De man krijgt een gunstig advies. Een enkele keer wordt iemands strafblad nadelig gekoppeld aan zijn milieu, maar niet bezwaarlijk geacht vanwege het laagwaardige werk waarvoor de aanvraag geldt. Zo doet meneer 9542 een aanvraag voor een bewijs van goed gedrag voor een baan bij Ketjen, een chemiefabriek in AmsterdamNoord, waar zwavelzuur en -dioxide geproduceerd werd.48 De man heeft volgens de Commissie, die zijn zaak op 14 juni 1948 bespreekt, een boel op zijn kerfstok. Secretaris Detiger ‘meent dat deze man in het milieu, waar hij werkt, geen uitzondering maakt en stelt voor gunstig te adviseren.’ Eenzelfde redeneertrant wordt toegepast bij meneer 16632, wiens aanvraag op 116 december 1957 wordt besproken. Hij is ‘… een goed werkman, wiens algemeen levensgedrag geen afwijkingen vertoont. Hij heeft dezelfde kleine onbetrouwbaarheden, welke ook zijn milieu van afkomst aankleven en dat vindt men terug in zijn strafblad, dat men niet verontrustend vindt.’ Beiden kregen een gunstig advies.

Of neem meneer 15123, die nogal wat veroordelingen op zijn naam heeft staan, hoewel bijna alles verjaard is. De man wil als hulpje op de Algemene Begraafplaats werken; zijn aanvraag wordt op 29 augustus 1955 besproken. Volgens de Commissie lijkt hij op het eerste gezicht ‘een gedegenereerd type’, maar valt dat in de praktijk nogal mee: ‘geen drank, geen agitator, werkwillig en bereid zich aan leiding te onderwerpen. Hij onderscheidt zich niet ongunstig van zeker 80% van de arbeiders, die voor werk als hem thans is toevertrouwd, in aanmerking komen.’ Er lijkt niets mis met de man, maar zijn ‘milieu’ wordt hem aangerekend.

48

Ketjen fuseerde later met de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie, en zou na latere fusies uitgroeien tot AkzoNobel. Een korte geschiedenis van Ketjen staat hier: https://www.geschiedenis-van-amsterdamnoord.nl/ketjen-fabriek-van-vitrioololie/.

24

Wanneer een aanvrager al ouder is of een slechte gezondheid heeft, wordt dat door de Commissieleden geregeld opgevoerd als argument om iemand dan in ’s hemelsnaam deze baan maar te gunnen, de zogeheten ‘laatste kans’-redenering. In beoordelingen van strafbladen kort na de oorlog speelt de maatschappelijke context een zeer wisselvallige rol. Enerzijds wordt de hongersnood amper in overweging genomen: vonnissen wegens gestolen voedsel, vervalste boterbonnen of geschonden distributiewetten ziet de Commissie vrijwel zonder uitzondering als serieuze vergrijpen. Ze is dan niet geneigd de hand over het hart te strijken. Anderzijds wegen ook sommige oorlogsmisdaden zwaar: met name het leeghalen van de huizen van ondergedoken of afgevoerde Joodse mensen – het zogenaamde pulsen49 – werd de daders door de Commissie zwaar aangerekend.

49

Vernoemd naar Abraham Puls, eigenaar van een verhuisbedrijf, die in de oorlog meewerkte aan het leeghalen van de woningen van Joden en andere gedeporteerden. Ook het huis van de familie Frank werd door zijn bedrijf na hun deportatie leeggehaald. Puls zelf was sinds 1934 lid van de NSB en gaf diverse Joden bij de Duitsers aan. Na de oorlog is Puls wegens collaboratie veroordeeld tot levenslang (later omgezet in 24 jaar gevangenisstraf).

25

Rangen en standen Een beperkte blik op milieu en opleiding zit overigens in zekere zin al in de snit van de Commissie ‘ingebakken’: zij buigt zich uitsluitend over betrekkingen voor laaggeschoolden. Waar de cesuur precies ligt is onduidelijk, maar het adviseren omtrent verklaringen van goed gedrag ten behoeve van hogere functies valt niet onder de bevoegdheid van de Commissie; zulke aanvragen worden afgehandeld door het kabinet van de burgemeester. Zo komt er een stoet aan kandidaten voor laag- en ongeschoold werk voorbij: bewakers, kolenmannen, tramconducteurs, meteropnemers, dienstbodes, kachelstokers, huisknechten, straatvegers, magazijnknechten, schoenmakers, badmeesters, hulptelegrambestellers, kraamverzorgsters, wagenpoetsers bij de tram of trein, tegelzetters, klompenmakers. Mar waar zijn de mbo’ers, hbo’ers en wetenschappers? De beleidsambtenaren, de architecten, de artsen, de accountants, de ingenieurs, de verpleegkundigen, de leraren? De hogere functies die voorbijkomen, zijn op de vingers van een hand te tellen:  Meneer V. [10168], die student-assistent op het lab voor artsenijbereidkunde wil worden;  Meneer G. [10871], die opzichter bij Rijkswaterstaat wil worden. Volgens de Commissie is dat ‘het elitekorps’, reden waarom ‘extra waakzaamheid’ is geboden;50  Meneer W. [13402], die assistent-geneesheer wil worden;  Meneer Van der Z.

[1446], die cursussen logopedie aan de universiteit wil geven. En dan is er die meneer H. [7147a] wiens aanvraag op 4 september 1944 wordt besproken. Hij vraagt om een bewijs voor ‘een eventuele benoeming tot Burgemeester. Hij heeft al eens eerder een bewijs aangevraagd, toen de aanvrage ingetrokken. De Burgemeester heeft het vorige jaar een ongunstig rapport uitgebracht aan den Commissaris der Provincie. In 1929 is de man door de Rechtbank in Almelo veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, wegens bedrieglijke bankbreuk. Rapporteur leest het rapport voor van het Genootschap, dat niet zoo erg gunstig is en waarin de man wordt beschreven als een onevenwichtig persoon. Het vonnis is wel erg lang geleden, maar spreker is van meening, dat de man eigenlijk blijft zeuren en stelt voor afwijzend te adviseren. Conform besloten.’ Dat het verzoek niet door het kabinet van de burgemeester maar door de Commissie wordt afgehandeld, onderstreept dat ’s mans sollicitatie van meet af aan niet serieus is genomen.

50

Vergadering 6 februari 1950.

26

Verjaring en de aanstaande nieuwe regels De Commissie hecht in de praktijk amper waarde aan het concept verjaring, dat bepaalt dat een veroordeling iemand na een bepaalde termijn niet langer wordt nagedragen. Een enkele keer beschouwt ze verjaarde zaken inderdaad als afgedaan, maar aanzienlijk vaker weegt de Commissie verjaarde zaken alsnog mee in de vraag of iemand een bewijs van goed gedrag kan worden verleend. In januari 1947 hoort de Commissie dat de overheid doende is nieuwe regels op te stellen omtrent de verklaring van gedrag; er ligt een ontwerp klaar voor een Koninklijk Besluit. Secretaris Detiger licht ter vergadering de kern ervan toe. De overheid heeft een eenvoudige procedure in gedachte. Ten eerste moet voortaan op elk bewijs van goed gedrag het doel ervan worden vermeld; ‘in Amsterdam is dit reeds lang ingevoerd,’ zo vermelden de notulen trots.51 Ten tweede kan de burgemeester voortaan advies vragen aan een in elke gemeente in te stellen ‘reclasseringsraad’.

Detiger heeft zijn plan al getrokken: ‘Spreker zou willen adviseeren den Burgemeester in overweging te geven, en er op aan te dringen, dat in plaats van den reclasseringsraad, de Beoordeelingscommissie wordt aangewezen.’ Het derde aspect van het voorstel behelst een strikte toepassing van de verjaringstermijn: ‘Er zullen bepaalde termijnen worden vastgesteld, na afloop waarvan de ambtenaar van het Strafregister geen veroordeelingen meer opgeeft. Na 10 jaar wordt schoon schip gemaakt.’ De Commissie lijkt er fiducie in te hebben dat zij de taken van de aanstaande Reclasseringsraad zal kunnen uitvoeren. Sterker: andere gemeenten kunnen een voorbeeld nemen aan Amsterdam: ‘De heer Balk vraagt of er objectief iets op valt aan te merken, dat de Reclasseeringsraad in de plaats treedt van de Commissie. De secretaris [..] is van meening, dat er in de beslissingen van de Commissie meer realiteit zit. Voor Amsterdam zal die nieuwe regeling niet zoo gunstig is, wel voor het heele land. Het gaat er nu om, de ervaring van de Commissie te bewaren. De heer Balk merkt op, dat in de Commissie de leiders van de groote personeelen zijn vertegenwoordigd; aan den Minister ware een tip te geven, dat er dergelijke personen in de Commissie zitten.’ Verder wordt er weinig over het voorstel gezegd.

Wel lijken de leden zich er vanaf dat moment meer rekenschap van te geven dat de Commissie zelf die verjaringstermijn weinig eer aandoet. Vooral Van der Reijden, de geneesheer-directeur van het Binnengasthuis die vanwege de carrousel met ingang van deze vergadering weer een half jaar meedraait in de Commissie, zal de andere leden er ettelijke malen aan herinneren. Dat gebeurt al diezelfde vergadering, bij de behandeling van de aanvraag van meneer S. [8371], die bij de Gemeentelijke Bewakingsdienst wil. Toevallig is Van der Reijden zelf de rapporteur in deze zaak. Hij meldt de man ‘zich in 1933 heeft schuldig gemaakt aan het meest ernstige zedenmisdrijf, dat men zich denken kan,52 n.l. ontucht met een minderjarige dochter. Hij leest vervolgens het rapport van het Genootschap voor. Na 1935 is er niets ongunstigs meer.’ Van der Reijden vraagt zich af wat ze hier nu mee moeten, gezien de komende 10-jaarsregel. ‘De Secretaris vraagt of men zoo’n man een bewijs van goed gedrag in handen kan geven: ’t is het ergste wat er gebeuren kan.’ De Commissie besluit alsnog afwijzend te adviseren.

51

Vergadering 13 januari 1947. Dit is overigens de eerste keer dat er zo’n harde uitspraak wordt gedaan over verkrachting van een kind door de vader; eerdere gevallen werden veel milder besproken. 52

27

Maar al snel verwatert de grens van 10 jaar weer. Op 24 juni 1947 wordt de aanvraag van meneer O. [8642] besproken, die bij een bewakingsdienst wil gaan werken. Tussen 1916 en 1933 is hij 7 keer veroordeeld wegens diefstal, en in 1946 kreeg hij een boete van 20,–. ‘De Voorzitter zegt, er niet veel voor te voelen zo’n man bewaker te maken. De Secretaris merkt op, dat de laatste veroordeling al 14 jaar geleden is; de man kan nu een basis krijgen voor een positie en krijgt hij het bewijs nu niet, dan is de kans verkeken. De heer Van der Waerden zegt, dat de man een psychopaat is en eigenlijk geen persoon voor een bewakingsdienst; de reden om een bewijs te weigeren, is eigenlijk wel erg klein.’ De man krijgt een negatief advies. Soms zijn de vergrijpen die worden opgedist, al zo lang verjaard – en soms bovendien zo klein – dat je je afvraagt of dit nu echt een reclasseringscommissie is. Een kleine greep:  De aanvraag van meneer De N. [9482] wordt besproken op 15 maart 1948. Hij heeft in 1928 een diefstal gepleegd en is daarvoor toen veroordeeld; dat feit – nu 20 jaar geleden – wordt uitgebreid besproken. Hij krijgt een gunstig advies, dat wel.  De aanvraag van meneer K. [11182] wordt besproken op 26 juni 1950. Het enige dat hij op zijn kerfstok heeft, is dat hij 16 jaar eerder, in 1934, een doosje chocolade heeft gestolen.  Op 27 april 1953 wordt de aanvraag van meneer Ten H.

[13049] besproken. Er liggen vonnissen ten zijne laste uit 1927, 1932 en 1939; het laatste vonnis is dan dus zo’n 14 jaar oud; nadien is er niets voorgevallen. Beschuldigingen van de politie geven de doorslag en maken – ook al worden er geen feiten aangedragen – dat de verjaring uit het oog wordt verloren: ‘[De politie] noemt hem in velerlei opzichten een twijfelachtig figuur, terwijl ook in zedelijk opzicht verdenkingen tegen hem zijn gerezen.’ Ten H.’s aanvraag wordt afgewezen.  Op 8 maart 1954 wordt de aanvraag van meneer V. [13785] besproken; hij wil bij het onderwijs. Er ligt een vonnis uit 1938. De politie is tegen verlening van het bewijs; het Genootschap acht V. ‘een vreemde figuur, onbetrouwbaar van gedrag. Hij maakt een keurige indruk, doch dat is meer schijn dan werkelijkheid.’ Niemand wijst erop dat zijn enige veroordeling ruimschoots verjaard is; V.’s aanvraag wordt afgewezen.  Op 11 oktober 1954 komt de aanvraag van meneer K. [14094] ter tafel. Hij heeft een vonnis uit 1943 liggen, verder niets. Hier gaat het goed: ‘Dan moeten we hem een kans geven, meent de Voorzitter.’

28

Tekenen des tijds Het soort beroepen waarvoor de Commissie aanvragen ontvangt, is (deels) gekleurd door de tijd. Verklaringen van goed gedrag voor de functie van (al dan niet particuliere) bewakers zijn continu populair, vooral onder al wat oudere arbeiders, maar voor andere beroepen fluctueren ze sterk. Zo is in 1950 en 1951 een baan bij Wagon-Lits ineens in zwang, en in 1949 waren er plotseling veel aanvragen van mensen die bij chemiebedrijf Ketjen wilden werken. Ook trok het aantal functies bij de Samenwerkende Havenbedrijven in de periode 1950-52 kennelijk aan. Een mooi teken des tijds: het vak van rij-instructeur wordt populair. Met de wederopbouw groeide het autobezit onder de bevolking kennelijk, en al die aanstaande chauffeurs moesten eerst rijles krijgen, en zo ontstond er een nieuwe beroepsgroep. Wranger is de golf van mannen die een verklaring van goed gedrag nodig hebben omdat ze in 1948 waren veroordeeld wegens desertie. Nederlandse jonge mannen werden opgeroepen om voor ‘ons Indië’ te vechten. Het was geen populaire oorlog, en veel dienstplichtigen maakten zich uit de voeten. Tussen 1946 en 1950 hebben duizenden mannen dienst geweigerd of zijn ze gedeserteerd;53 waarom er in 1948 een kennelijke piek lag in veroordelingen, is niet eenduidig. De Commissie tilde niet zwaar aan een dergelijk vonnis: het werd steevast weggewoven.

De oorlog die Nederland in zijn oude kolonie voerde, was kennelijk niet populair, ook niet in kringen van de reclassering. In de periode 1948-1951 klopten voorts buitengewoon veel mensen bij de Commissie aan om te kunnen emigreren; ook daarvoor was een bewijs van goed gedrag nodig, als je eenmaal iets op je kerfstok had. De grote piek was in 1950: soms betrof de helft van alle aanvragen die dat jaar ter vergadering werden besproken,54 verzoeken voor een bewijs om naar Australië te kunnen emigreren:     

26 juni 1950: 14 aanvragen voor Australië, 2 voor de VS (van in totaal 34 zaken) 4 september 1950: 16 aanvragen voor Australië, 1 voor de VS (van in totaal 38 zaken) 9 oktober 1950: 12 aanvragen voor Australië (van in totaal 21 zaken) 20 november 1950: 17 aanvragen voor Australië, 1 voor de VS (van in totaal 30 zaken) 15 januari 1951: 15 aanvragen voor Australië, 4 voor Nieuw-Zeeland, 2 voor de VS (van in totaal 35 zaken).

In 1952 raakt Venezuela populair als emigratieland. Blijkens de aanvragen zitten er onder de kandidaten tenminste een aantal oorlogsveroordeelden. Zo probeert meneer K. herhaaldelijk naar dat land uit te wijken. Op 15 september 1952 wordt zijn eerste aanvraag behandeld [12757] en afgewezen. K. heeft een oorlogsmisdrijf o p zijn geweten en kreeg later gratie. Op 23 november 1953 wordt zijn tweede aanvraag behandeld [13547]; uit die bespreking blijkt dat de man onder meer NSB’er was. Ook nu krijgt hij geen bewijs van goed gedrag. Op 30 augustus 1954 wordt zijn derde aanvraag [14165] in de Commissie besproken; inmiddels is K. getrouwd, en zijn vrouw wil mee. Pas dan staat er meer informatie in de notulen: ‘een heel ernstig

53

Zie bijvoorbeeld https://anderetijden.nl/programma/1/Andere-Tijden/aflevering/616/Indie-weigeraars. Verzoeken waarover geen discussie nodig was, werden – zoals eerder vermeld – buiten de vergadering om afgehandeld. De totale hoeveelheid verzoeken om een bewijs van goed gedrag t.b.v. emigratie zal derhalve hoger zijn geweest. 54

29

politiek geval’. K. werd in 1947 veroordeeld tot 10 jaar cel en ontzetting ‘uit beide kiesrechten’55 wegens ‘het opzettelijk in tijd van oorlog hulp verlenen aan de vijand en het opzettelijk een ander blootstellen aan opsporing, vervolging en vrijheidsberoving, welk feit de dood tengevolge heeft gehad, meermalen gepleegd.’ De notulen vermelden voorts: ‘Maatschappelijk heeft de man zich volledig hersteld.’ ‘Ook de vrouw is, zij het in mindere mate, politiek fout geweest.’ Maar politieke veroordelingen vielen inmiddels buiten de competentie van de Commissie. Eind 1953 had de burgemeester de Commissie laten weten56 dat zij uitsluitend naar ‘normale’ veroordelingen mag kijken; politieke vonnissen beoordeelt de burgemeester zelf. Met het oog op K.’s ‘maatschappelijke’ rehabilitatie adviseerde de Commissie derhalve gunstig over een bewijs voor hem en zijn vrouw; hoe de burgemeester nadien besloot, is niet bekend.

55 56

Het actief en het passief kiesrecht: K. mocht niet meer stemmen, en zich niet verkiesbaar stellen. Mededeling van de secretaris op de vergadering van 3 november 1952.

30

Werkende vrouwen Op 13 maart 1924 was bij Koninklijk Besluit uitgevaardigd dat alle vrouwen jonger dan 45 die in overheidsdienst waren, ‘eervol’ ontslagen moesten worden op de dag na hun huwelijk. In 1937 deed minister van Sociale Zaken, Carl Romme, zelfs een poging om het werken door gehuwde vrouwen geheel te verbieden; deels om zo meer banen vrij te maken voor werkloze mannen, deels omdat werkende vrouwen ‘slechte’ moeders en huisvrouwen zouden zijn, en het gezin onder haar arbeid buitenshuis zou lijden. Het ambtelijk arbeidsverbod voor getrouwde vrouwen werd pas in 1956 afgeschaft.57 Op het ambtelijk arbeidsverbod voor getrouwde vrouwen werd tijdens de oorlog niet zo nauw gelet: er heerste tijdens de bezettingsjaren een groot tekort aan werknemers. Veel mannen waren naar werkkampen afgevoerd of waren ondergedoken om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen; Joodse mensen waren gevlucht, naar de vernietigingskampen afgevoerd, of ondergedoken. Vrouwen namen deels hun werk over. Maar al een jaar na de Tweede Wereldoorlog zakt het aandeel van de aanvragen van vrouwen zienderogen. De vrouwen die nog wel een aanvraag doen, hopen bijna allemaal als schoonmaakster in een ziekenhuis te mogen werken, of bij de WSBZ,58 de Dienst Was en Schoonmaak, Bad- en Zweminrichtingen.

De Commissie, die hoofdzakelijk adviseerde over verklaringen van gedrag voor ambtenaren, had gezien dat ambtelijk arbeidsverbod zelden te maken met aanvragen van getrouwde vrouwen. Die kwamen (buiten oorlogstijd) immers qualitate qua niet in aanmerking. Anderzijds waren ongetrouwde vrouwen soms ook verdacht: de Commissie vreesde dat zij mogelijk een losbandig leven leidden, en niet over het vereiste ‘zedelijk allooi’ voor een baan in overheidsdienst zouden beschikken. Veel uitspraken van de Commissie over vrouwen zijn ronduit choquerend. Zonder merkbare aarzeling worden ze ter vergadering als dweil59 of vaatdoek60 betiteld, wordt hen een ‘opzichtig’ uiterlijk voor de voeten geworpen, worden roddels en achterklap behandeld als betrof het vonnissen en veroordelingen. Een alleenstaande vrouw was al snel verdacht. Bovendien geldt voor de Commissie lange tijd: ‘eens een hoer, altijd een hoer’ – ook als prostitutie nimmer bewezen was. Deze bloemlezing laat zien hoe makkelijk vrouwen moreel werden gediskwalificeerd, en ook zonder enig vonnis te hunnen laste werden afgewezen:

57

Zie onder meer https://www.vice.com/nl/article/mbmjqa/dankzij-corry-worden-vrouwen-in-nederland-nietmeer-ontslagen-als-ze-trouwen. 58 Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Dienst_WSBZ. 59 Bij monde van secretaris Detiger. Het betreft mw. De G. [6743], wier aanvraag op 24 januari 1944 wordt besproken; Van der Reijden wil weten ‘wat zij heeft uitgevoerd. De heer Detiger antwoordt, dat ze een dweil is en leest het rapport voor van het Genootschap. Ze heeft geen veroordelingen, maar staat zedelijk zeer laag. Spreker voelt ervoor de aanvraag terug te zenden onder mededeeling, dat de Commissie niet competent is om advies uit te brengen.’ Aldus wordt besloten. (Cursivering in het citaat door van mij.) 60 Dit betreft mw. D. [17156], wier aanvraag wordt besproken op 24 december 1958. Ze vraagt een bewijs om met een Amerikaan te kunnen trouwen.

31

Mw. K. [5852]61 werkt bij de WSBZ. Het rapport van het Genootschap is ‘zeer ongunstig [..]. Zij wordt daarin een psychopate genoemd, die zeer veel betrekkingen gehad heeft en zich daarin steeds aan diefstalletjes schuldig maakte. Bovendien heeft zij omgang met mannen en kon door de Arbeidsbeurs niet geplaatst worden door haar opzichtig uiterlijk en minder gunstige woonadressen. Directeur van de W.S.B.Z. wil haar echter wel in dienst houden. Mr. V.d. Waerden merkt nog op, dat aanvraagster voor haar werk blijkbaar wel goed is. De Commissie besluit in ongunstigen zin te adviseren.’ Mw. De W.-LH. [6609]62 is 9 jaar eerder, in 1934, veroordeeld wegens diefstal. ‘In een rapport van de Kinderpolitie wordt zij omschreven als lui en slordig en een lichtzinnig type, dat veel van uitgaan houdt en zich, terwijl haar echtgenoot in Duitschland verblijft, met andere mannen afgeeft. [..] Zij maakt een onbetrouwbaren indruk en het kan haar persoonlijk niets schelen of zij het bewijs krijgt of niet.’ Het bewijs wordt afgewezen. Mw. H.-Y. [7020]63 is een 26-jarige weduwe. ‘Zij is eigenlijk een publieke vrouw, die reeds bij de P.T.T. werkt. Zij heeft, volgens het Politierapport, geen vonnis te haren late. Volgens eigen mededeeling is zij wegens een distributieovertreding veroordeeld tot f 10,– boete, welke zij nog niet heeft betaald.

Het rapport van het Genootschap is dusdanig slecht, dat spreker niet kan adviseren het bewijs te verleenen en leest een gedeelte van dit rapport voor. De eenige gunstige factor is, dat zij voor haar moeder zorgt.’ Mw. H.-H. [10159]64 heeft alleen een ‘verjaard vonnis’ te haren laste, maar is ‘vroeger prostituee geweest. Ze wil graag bij de WSBZ werken. Het rapport van het Genootschap schetst haar als ‘ruw en onbetrouwbaar’. De Commissie is stellig: ‘Een vroegere prostituee in gemeentedienst nemen gaat niet.’ Mw. W.-van P. [10880]65 wil schoonmaakster bij het Wilhelmina Gasthuis worden. Met haarzelf is niets aan de hand, maar het Genootschap vreest dat zij ‘heel erg onder invloed van haar man’ verkeert, die ongunstig bekend staat. De vraag wordt opgeworpen of zij straks, onder haar mans invloed, niet zal gaan stelen? Dat geeft de aanzet tot een moreel zwaarbeladen discussie in de Commissie. De voorzitter vindt dat mevrouw daar toch ‘in zekere zin een vertrouwenspositie inneemt’ – als schoonmaakster, jawel. Haar aanvraag wordt afgewezen. Mw. R.-G. [11673]66 wil bij de WSBZ werken. Het Genootschap ‘meent ‘dat zij practisch als publieke vrouw was te beschouwen’. Balk vindt haar ‘geen reclame’ voor de WSBZ. ‘Het gaat om de mentaliteit,’ zegt de voorzitter. De aanvraag wordt afgewezen. Mw. S.

[11683]67 werkt al een jaar bij de gemeente en vraagt nu formeel om een bewijs van goed gedrag. Secretaris Detiger brengt haar verleden te berde: ze is tot 1940 (11 jaar eerder) ‘een officiële hoer’ geweest. Hij vindt het bezwaarlijk dat de gemeente zo iemand in dienst neemt. Van der Waerden meent dat ‘ook zo’n vrouw’ zich kan reclasseren. Maar ‘het raakt het aanzien van de gemeente,’ zegt Detiger. Andere Commissieleden werpen tegen dat het tegenwoordig gaat om een bewijs van goed gedrag; de term zedelijk is inmiddels uit de verklaring geschrapt. Schoorvoetend gaat de Commissie akkoord met een positief advies.

61

Haar aanvraag wordt besproken op 31 mei 1943. Merk op dat de Commissie negatief adviseert, wetend dat haar werkgever haar in dienst wil houden. 62 Besproken op 20 december 1943. Merk op dat haar enige vonnis al 9 jaar oud is. 63 Besproken op 4 september 1944. Let op het smadelijke ‘eigenlijk’. 64 Besproken op 7 februari 1949. 65 Besproken op 20 maart 1950. 66 Besproken op 23 maart 1951. 67 Besproken op 5 maart 1951.

32

Bij mw. W.-K. [13340]68 is niet duidelijk voor welke functie ze een bewijs vraagt, wel dat in haar geval roddels meer tellen dan feiten en regels: ‘Er is een groot verhaal van de politie over haar gedrag, maar er zijn geen vonnissen. Zij is van het type, dat mannen opzoekt op het Rembrandtsplein. De Voorzitter stelt de vraag of, waar er geen vonnissen zijn, het bewijs wel geweigerd kan worden, waarop Mr. van der Waerden antwoordt, dat van deze vrouw toch niet gezegd kan worden, dat zij van goed zedelijk gedrag is.’ Haar aanvraag wordt afgewezen, al is er geen enkel vonnis. Kennelijk geldt het argument van ruim twee jaar eerder, hierboven aangehaald, dat ‘de term ‘zedelijk’ inmiddels uit de voorwaarden van de verklaring van goed gedrag is geschrapt, nu niet.

Voor een reclasseringscommissie is schermen met roddel, afgaan op de beweerdelijk ‘discutabele’ reputatie van aanvragers en het hen nadragen van inmiddels verjaarde veroordelingen opmerkelijk. Dat geldt eens temeer daar de genderbias in deze gevallen akelig evident is. Nergens in de ruim duizend bewaard gebleven pagina’s met notulen wordt een man ooit afgewezen op grond van de roddel dat hij geregeld met vrouwen rondhangt; een dergelijke coulance is vrouwen niet gegund. Vrouwen blijven bovendien tot in lengte der dagen achtervolgd worden door hun verleden.

68

Besproken op 19 oktober 1953.

33

Het huwelijk kan een man redden De opvatting van de Commissie dat wie eens (beweerdelijk) een prostituee was, dat altijd blijft, wringt des te meer daar andere delicten juist door vrouwen gelenigd kunnen worden. Er passeren in de loop der jaren nogal wat mannen de revue die een wild of crimineel verleden hebben, maar wier aanvraag door de Commissie wordt goedgekeurd omdat zij ‘inmiddels getrouwd’ zijn en hun vrouw ‘hem goed onder den duim’69 heeft. Ook hier een kleine bloemlezing: Meneer van B. [6026]70 heeft zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid, maar ‘is inmiddels goed getrouwd’; meneer S. [8043]71 is veroordeeld wegens schennis der eerbaarheid, maar nu ook ‘goed getrouwd’; F. [8600]72 heeft als verpleger in een opvoedingsgesticht ‘ontuchtige handelingen’ gepleegd, maar ‘is onmiddellijk na zijn ontslag uit de gevangenis getrouwd en heeft een gelukkig huwelijk’; S. [9794]73 is 6 jaar eerder veroordeeld wegens twee diefstallen, maar heeft ‘gunstige getuigschriften en is nu getrouwd’; A. [10527]74 werd eerder door de zedenpolitie ‘ervan verdacht souteneur te zijn geweest’ maar is nu ‘netjes’ getrouwd. Ze kregen bijna allemaal een positief advies. Een klassieker is deze: meneer M. [9546]75 is in 1937 veroordeeld tot 8 maanden cel (waarvan 5 voorwaardelijk), wegens onzedelijke handelingen met minderjarigen.

‘Hij dreef destijds een rijwielstalling en heeft verschillende meisjes, die autopeds kwamen huren, onzedelijk betast. [..] In 1938 is belanghebbende echter gehuwd.’ Verder niets: dat de aanvrager na zijn veroordeling ‘echter gehuwd’ is, volstaat. De Commissie gelooft zonder enige verdere discussie dat de man zich dus niet meer aan dergelijke feiten zal bezondigen. Het huwelijk geneest een man kennelijk van zijn misstappen, in de ogen van de Commissie. Een goed echtgenote kan een wankelmoedig man op het rechte pad houden, tenminste: als zij haar huwelijkse, seksuele plichten vervult. De suggestie is dat een man die geen echtgenote heeft, of een op seksueel vlak nalatige echtgenote, weinig keus heeft dan zich te vergrijpen aan een ander. Met die redenering wordt seksueel wangedrag geregeld goedgepraat. Deze opvatting komt herhaaldelijk terug in de beraadslagingen van de Commissie. Zo werd meneer De K. [6750]76 in 1939 veroordeeld ‘wegens het plegen van ontuchtige handelingen met jonge meisjes (van 7 tot 16 jaar) veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren. [..] Volgens het rapport van het Genootschap was de man, ten gevolge van het verbreken van een verloving met een meisje, waarmede hij meermalen vleeschelijke gemeenschap had gehad, in de decadentie geraakt. Hij is thans gehuwd.’

69

Citaat uit de zaak van meneer Van B. [6026], besproken op 28 juni 1943. Besproken op 28 juni 1943. 71 Besproken op 2 september 1946. 72 Besproken op 28 april 1947. 73 Besproken op 20 september 1948. 74 Besproken op 15 augustus 1949. Zijn mogelijk voormalig souteneurschap wordt hem vergeven. 75 Besproken op 14 juni 1948. 76 Besproken op 20 december 1943. 70

34

M. [9546]77 is in 1937 veroordeeld tot 8 maanden cel (waarvan 5 voorwaardelijk), wegens onzedelijke handelingen met minderjarigen. ‘Hij dreef destijds een rijwielstalling en heeft verschillende meisjes, die autopeds kwamen huren, onzedelijk betast. [..] In 1938 is belanghebbende echter gehuwd.’ Ernstiger is de zaak van d’A. [9751].78 Hij was nog geen twee jaar eerder, in december 1946, veroordeeld tot een jaar cel wegens ontucht met een minderjarige onder de 16, meermalen gepleegd. Commissielid Van der Waerden wil graag positief adviseren: ‘het huwelijksleven loopt toch weer goed en spreker meent het te mogen beschouwen als een gelegenheidsdelict.’ Het is ‘echter wel zeer recent’, en blijkt een ‘kind van elf jaar’ te betreffen. De Commissie is zwaar verdeeld en het komt uiteindelijk op een stemming aan: 6 leden stemmen tegen, 5 voor een positief advies. De man krijgt nipt geen verklaring van goed gedrag. Meneer L. [9790]79 werd in 1942 veroordeeld tot 2 maanden cel, wegens ontucht met iemand van onder de 16. Het rapport van het Genootschap meldt vergoelijkend: ‘Ondergrond van het feit zijn moeilijkheden met zijn vrouw.’ L. krijgt een positief advies. Dat geldt ook voor meneer C. [14003]:80 ‘Het exhibitionisme, waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt, is niet aangeboren. Het is gebeurd toen zijn vrouw in de 7e maand zwangerschap was.’ K.

[15730]81 werd in oktober 1952 veroordeeld tot 6 maanden cel wegens ontucht met een minderjarige: zijn nichtje van 12, de dochter van zijn zus. De notulen van de Commissie melden: ‘Het huwelijk van verzoeker liet destijds op sexueel gebied te wensen over. Verder is er nooit iets voorgekomen en noch zijn vrouw, noch zijn familie hebben hem na het gepleegde delict hierover lastig gevallen.’ K. krijgt een gunstig advies. Tot slot de aanvraag van R. [16359].82 De man wil bij een bewakingsdienst. Blijkens de notulen moet hij ‘gevaarlijk worden geacht voor jeugdige leden van de andere sekse’. Twee jaar eerder, in 1955, was R. opgenomen in een psychiatrische inrichting vanwege ‘een seksueel contact met zijn 14-jarig dochtertje’. Commissielid Elte meent dat de man ‘geen pedofiel’ is en wijt de kwestie aan ‘de conflictueuze gezinssituatie’. De Commissie besluit gunstig te adviseren. Au fond worden vrouwen verantwoordelijk worden gehouden voor het zedelijk gedrag van mannen: die gaan in de fout ofwel doordat vrouwen zich prostitueren, ofwel doordat ze (nog) geen vrouw hebben, ofwel doordat hun vrouw ze de seks onthoudt waarop ze als man recht hebben. Wanneer een vrouw zich echter niet zedelijk gedraagt, of niet zedelijk genoeg, is dat haar fout. De last van de zedelijkheid rust op de schouders van vrouwen.

77

Besproken op 14 juni 1948. Besproken op 20 september 1948. 79 Besproken in dezelfde vergadering als de vorige zaak: 20 september 1948. 80 Besproken op 2 november 1954. 81 Besproken op 26 maart 1956. 82 Besproken op 6 mei 1957. 78

35

De ultieme remedie Mannen die zich geen raad wisten met hun lusten, kozen in een enkel geval voor de ultieme remedie: castratie. In de bewaard gebleven notulen wordt van drie gevallen gerept, waarvan in elk geval twee op eigen verzoek zijn gecastreerd. Meneer S. [7097]83 is ‘een eigenaardig geval. De man is geboren in 1905. Zijn eerste proces-verbaal in 1932, terzake van diefstal van damesschoentjes, werd geseponeerd. Volgens eigen verklaring gebruikte hij die voorwerpen om zijn wellust op te wekken. Hij werd daarna meermalen veroordeeld, o.a. wegens rijwieldiefstal [..] In 1942 in Utrecht wegens eenzelfde feit, werd hij, na ingediend verzoek om gratie, voorwaardelijk veroordeeld met drie jaar proeftijd, welke nog loopt. Het is een man met abnormale sexueele neigingen. Spreker leest het rapport voor van het Genootschap, waarin wordt vermeld, dat de man op eigen verzoek is gecastreerd en nu van die neigingen is genezen. Het bewijs wordt gevraagd voor de R.V.B., waar de man alleen administratief werk verricht. Spreker meent, dat het bewijs wel kan worden gegeven.’ Aldus wordt besloten. Meneer K. [16442]84 werd driemaal veroordeeld wegens ontucht met minderjarigen jonger dan 16: in 1938 kreeg hij daarvoor anderhalf jaar cel, in 1945 een jaar cel, en in 1949 opnieuw een jaar, maar nu met tbs erbij. ‘Zijn straf heeft hij in Avereest ondergaan en daar is hij gecastreerd.’ K.

is ten tijde van zijn aanvraag – acht jaar na zijn laatste vonnis – 64 en oogt volgens de Commissie als een ‘oud mannetje’. Hij krijgt een gunstig advies. ‘Avereest’ verwijst naar het toenmalige Rijksasiel voor psychopaten,85 gelegen in de gemeente Avereest, bij Dedemsvaart. Tegenwoordig zou je zo’n instelling een tbs-kliniek noemen. Ook de dichter Gerrit Achterberg zat in Avereest, nadat hij zijn hospita had vermoord en haar dochter had aangerand. De derde man die deze procedure onderging, is F. [16635].86 Ook F. werd driemaal veroordeeld wegens ontucht met minderjarigen, en wel in 1935, 1936 en 1941. Alles is inmiddels ruimschoots verjaard – het laatste vonnis is ruim 15 jaar oud – zodat je je afvraagt waarom zijn aanvraag eigenlijk nog door de Commissie moet worden behandeld. De notulen melden: ‘Hij is in 1941 op eigen verzoek gecastreerd.’ F. wil nu graag suppoost bij het Rijksmuseum worden; de Commissie verleent hem het bewijs.

83

Zijn aanvraag wordt besproken op 4 september 1944. Besproken op 1 juli 1957. 85 Zie https://www.entoen.nu/nl/overijssel/salland/hardenberg/van-pedagogisch. 86 Besproken op 16 december 1957. 84

36

De homolijsten van de politie De zedenpolitie heeft lange tijd lijsten bijgehouden van mensen van wie zij wist, of meende te weten, dat zij homoseksueel waren. Al vrij vroeg in de oorlog, in januari 1941, is een kopie van zo’n lijst door de Amsterdamse politie aan de Sicherheitspolizei verschaft:87 ‘…betreffs einer Angabe derjenigen, die in meiner Verwaltung als homosexuell verzeichnet sind [..] Anbei schicke ich Ihnen vorläufig eine Uebersicht betreffs der ersten Buchstaben des Alphabets; dabei sind die Namen versehen mit der letzten Adresse, die bei der Kontrolle beim Einwohnermeldeamt bekannt ist. [..] Die Gesamtzahl wird sich wahrscheinlich auf mehr als 4500 belaufen.’ Veel keus had de Amsterdamse politie waarschijnlijk niet: het verzoek de namen te overhandigen was botweg een bevel van de bezetter. Het was echter buitengewoon schokkend om in het Stadarchief deze lijsten in te zien: pagina na pagina, keurig gealfabetiseerd, met de namen en geboortedatum van bekende en vermeende homoseksuele Amsterdammers, voorzien van hun laatst geregistreerde woonadres. In totaal betrof het ruim 4500 mensen, meest mannen. Het verdient serieuze aanbeveling uit te zoeken wat er in de maanden na overhandiging van deze namenlijst aan de Sicherheitspolizei met de mensen in kwestie is gebeurd.

Hoeveel moesten vervolgens verplicht een roze driehoek dragen, hoeveel van hen zijn opgepakt, en hoeveel werden afgevoerd naar de concentratie- annex vernietigingskampen? Hoeveel van hen zijn er in de jaren daarna vermoord? Dit ‘voorval’ bewijst nadrukkelijk dat namenlijsten aanleggen nooit zonder risico is: hoewel de zedenpolitie bij het aanleggen van haar overzichten nooit een doel voor ogen had als waarvoor de bezetter deze lijsten later gebruikte, is precies dat de ellende van zulke registers. Eenmaal aangelegd kunnen ze in verkeerde handen vallen. Maar ook zonder Duitse bezetter gebeurde er al van alles met de lijsten dat niet in de haak was, zeker niet met betrekking tot (vermeend) homoseksuele Amsterdammers. Want wie erop was beland – terecht of ten onrechte – was voortaan per definitie verdacht. De Commissie nam zo’n aantekening in iemands registratie vaak mee in haar overwegingen, ook als er in het geheel geen sprake was van een veroordeling.

87

Informatie van stadsarchivaris Eric Heijselaar; het betreft de archiefstukken 5225-7255. In het archief heb ik de volledige lijst gezien: pagina na pagina vol namen, compleet met het laatst bekende woonadres.

37

De bejegening van lesbiennes Op de lijst van ‘bekende’ homoseksuelen komen amper vrouwen voor. Dat is niet vreemd: lesbianisme wordt vaak minder serieus genomen dan homoseksualiteit en, bijgevolg, minder snel ‘gezien’ of afgekeurd. Toen in het Victoriaanse Engeland gelijkgeslachtelijke seksuele handelingen werden verboden, gold die wet bijvoorbeeld alleen voor mannen.88 Dat is deels omdat de seksualiteit van vrouwen, zeker toen, vooral als een afgeleide van die van mannen werd gezien, maar ook deels omdat lang niet iedereen zich kon indenken dat je heus seks kunt hebben zonder dat er een mannelijk geslachtsdeel aan te pas komt. Hoe dan ook: dat vooroordeel pakt soms in het voordeel van vrouwen uit. Lesbiennes bewogen zich makkelijker onder de radar dan homoseksuele mannen dat konden. Dat gold ook bij de Commissie. In de bewaard gebleven notulen komen slechts tweemaal vrouwen voor die ‘verdacht’ worden van homoseksualiteit. De eerste is mejuffrouw A.-B. [5522],89 wier aanvraag wordt besproken op 22 februari 1943. Of zijzelf lesbisch is of niet, staat niet vast. Haar reputatie is volgens de rapportage niet ongunstig, ondanks haar professie als barvrouw – een vak waarbij de Commissie al snel bedenkingen heeft: de verdenking van prostitutie ligt voor hen dan al snel voor de hand.

De aanvraag van deze mejuffrouw lijkt uitsluitend door de Commissie in behandeling genomen te zijn omdat haar zoon bekend staat als homoseksueel. Veroordelingen heeft ze immers niet. Maar de Commissie heeft zo haar aarzelingen: misschien heeft ze toch ‘neigingen’? ‘De rapporteur geeft te kennen, dat aanvraagster op 20-jarigen leeftijd een onecht kind kreeg; een zoon, die niet al te goed schijnt op te passen (verkeert in homosexueele milieu’s). Aanvraagster heeft, haar beroep van buffetjuffrouw in aanmerking nemende, geen al te ongunstige reputatie, hoewel betwijfeld wordt of zij geen homosexueeele neigingen heeft. Met de Justitie is er geen andere aanraking dan een geseponeerde, lichte diefstalzaak (steenkolen). De rapporteur stelt zonder groot enthousiasme voor, gunstig advies te geven voor een bewijs voor de Duitsche Weermacht. Conform besloten.’ De tweede casus is die van mw. K. [15252], besproken op 29 augustus 1955. Ze heeft het bewijs nodig voor haar baan als ‘woningopzichteres’, een functie die ze overigens al enige maanden bekleedt.

Opmerkelijk detail: haar aanvraag belandde uitsluitend bij de Commissie omdat ze mogelijk lesbisch is: ‘Zij werd nimmer veroordeeld, maar de Politie deelt mede, dat het politieonderzoek feiten aan het licht bracht op sexueel gebied, welke, ook al leveren zij geen voldoende grond op voor een veroordeling terzake, toch wel wijzen op een mentaliteit, welke haar aanstelling in de functie van “Woningopzichteres” in gemeentedienst ongewenst en onverantwoord maakt.’ Het rapport van het Genootschap relativeert de bevindingen van de politie enigszins, en specificeert die: misschien heeft ze

88

Lang is gedacht dat koningin Victoria persoonlijk zou hebben geweigerd lesbianisme onder het verbod op homoseksualiteit te laten vallen, onder het motto dat ‘vrouwen zulke dingen niet doen’. Dat is echter een urban legend: het verbod op seks tussen vrouwen stond simpelweg niet in het wetsvoorstel. Zie bv. https://www.scotsman.com/news-2-15012/background-myth-of-victoria-and-ban-on-homosexuality-11499082. 89 Ze wordt in de notulen expliciet als ‘Mej.’ aangeduid. Ik ga ervanuit, mede op grond van de overige vermelde gegevens, dat ze niet getrouwd was en haar dubbele achternaam naam niet op grond van meisjesnaam-mansnaam is samengesteld.

38

een lesbische verhouding gehad, maar dat kwam volgens hen door haar (verder niet toegelichte) omstandigheden, en niet door haar ‘natuur’: ‘Men heeft de indruk, dat zij niet homo-sexueel is, maar door bepaalde omstandigheden tot daarop gelijkende handelingen is gekomen. Er is geen vervolging of vonnis.’ Mevrouw K. krijgt haar bewijs.

39

Homoseksualiteit is een serieuze, vaak criminele zaak Homoseksualiteit bij mannen lijkt vaak hand in hand te gaan met ontucht en schennis der eerbaarheid, en dus: met veroordelingen. Maar dat is grotendeels het resultaat van een cirkelredenering; seksuele relaties tussen mannen werden immers a priori gecriminaliseerd: ze waren verboden. Je had als homoseksueel zodoende al snel een strafblad – zeker omdat ‘rondhangen’ bij publieke urinoirs, de klassieke ontmoetingsplaatsen voor gelijkgezinden, al volstond om een proces-verbaal te krijgen, en zo op de lijsten van de zedenpolitie te belanden. En als ze op die lijst staan, moet hun aanvraag in de Commissie worden besproken. De Commissie heeft het moeilijk met homoseksualiteit – zeer moeilijk. Enerzijds zeggen Commissieleden soms ‘het beroerd [te vinden] dat een man met deze geaardheid van de maatschappij wordt uitgesloten’90 of dat ‘Deze mensen niet moeten worden verstoten; het is een feit, waar zij zelf toch niets aan kunnen doen.’91 Anderzijds zijn ze enorm benauwd voor ‘publiek vertoon’ van mensen die ‘met hun kwaal te koop lopen’.92 Soms pakt een evaluatie gunstig uit. Meneer Van der P. [11990]93 wil graag in dienst bij Publieke Werken. Hij is ‘homo-sexueel’ en ‘komt daar rond voor uit’. Het Genootschap pleit ten gunste van hem: Van der P.

heeft zich ‘niet schuldig gemaakt aan aanstoot gevende dingen en hij heeft geen vonnis te zijner laste,’ en benadrukt: ‘Dit is een geval van zuiver afwijkende geneigdheid.’ Niettemin meent de hoofdcommissaris der politie afgifte van een bewijs van goed gedrag ‘te moeten afraden’. De Commissie oordeelt gunstig. Ook in het geval van meneer G. [10360]94 adviseert de Commissie positief. G kreeg in 1934 20 gulden boete opgelegd plus een maand celstraf, en in 1935 zes weken celstraf, in beide gevallen wegens ‘ontucht met een andere man in een openbare waterplaats’. ‘Aanvrager erkent homo-sexueel te zijn.’ De Commissie strijkt met de hand over het hart, met als verjaring als argument: ‘De veroordelingen zijn alweer 14 jaar geleden.’ G. krijgt zijn bewijs. Meneer W. [13775]95 treft het minder. Hij is 30 als zijn aanvraag wordt besproken, en wil conducteur bij het GVB worden. ‘Op 16-jarige leeftijd werd er door de Zedenpolitie al een onderzoek naar hem ingesteld; het is een homo-sexueel.’ Zes jaar eerder, in augustus 1948, is W. veroordeeld tot drie maanden cel wegens ontucht met een minderjarige van hetzelfde geslacht. Het rapport van het Genootschap ‘is dan ook niet zo fraai’. De Commissie besluit de aanvraag af te wijzen: deze man ‘behoort niet op de tram’: ‘Hij erkent homo-sexueel te zijn en woont met een vriend samen.’ Meneer S.

[15126]96 haalt het met de hakken over de sloot, ook al is zijn enige veroordeling er een van 20 jaar eerder, nota bene wegens een ongeldig vervoersbewijs. De reden dat zijn aanvraag in de Commissie wordt besproken, is: ‘Heeft veel omgang met homo-sexuelen gehad.’ Al heeft S. in dit verband geen

90

Citaat van dhr. Baanders, vertegenwoordiger van het bedrijfsleven in de Commissie, in de vergadering van 3 juli 1947. 91 Citaat van dhr. Voorham, in de vergadering van 12 april 1954. 92 Citaat van secretaris Detiger, in de zaak C [11494], 15 januari 1951. 93 Besproken op 25 juni 1951. 94 Besproken op 20 juni 1949. 95 Besproken op 17 mei 1954. 96 Besproken op 10 oktober 1955.

40

enkele veroordeling op zijn naam heeft, pleit de politie ervoor geen bewijs af te geven. De Commissie neigt tot een positief advies. Voorzitter Van Dullemen pruttelt tegen – hij acht verlening van het bewijs zelfs ‘een gevaarlijke beslissing’ – maar de Commissie passeert hem en gaat akkoord. Ook voor homoseksuelen geldt het huwelijk als sterk ontlastende omstandigheid, zelfs na ontucht met minderjarigen. Dat iemand nadien getrouwd is, bewijst dat hij alsnog ‘goed’ terecht is gekomen, dan wel ‘hersteld’ is van zijn kwaal. Zo bespreekt de Commissie op 15 november 1943 de aanvraag van meneer Van K. [6548]. Hij pleegde zeven jaar eerder, in 1936, ontucht met een minderjarige. De zaak blijkt ernstiger dan dat: ‘De man is 15 jaar politieagent geweest en werd voor vermeld feit, het plegen van ontucht met een clubje jongens, ontslagen. Volgens het rapport van het Genootschap staat hij op sexueel gebied niet sterk in zijn schoenen [..] Overigens valt er niet veel op hem aan te merken en het is geen onfatsoenlijk mensch. [..] De man is al jaren normaal gehuwd.’ Eenzelfde discussie speelt zich in 1952 af.97 Meneer J. [12658] is hoofdonderwijzer en kreeg in 1950 verrassend genoeg ‘eervol ontslag’ na ‘onzedelijke handelingen met mannelijke leerlingen’. Het procesverbaal werd indertijd geseponeerd, en er is geen veroordeling.

J kan nu een aanstelling krijgen bij een school met alleen maar meisjes, wat de Commissie een veilige omgeving voor hem acht, en er ligt een gunstig rapport van het Genootschap. De voorzitter wil weten: is J. inmiddels getrouwd? Ja, dat is hij, er ligt bovendien een verklaring van de Valeriuskliniek;98 die acht de man ‘genoegzaam hersteld’. De Commissie komt niet tot een eensluidend oordeel. De stemmen staken. De voorzitter neemt de stukken ter nadere bestudering mee, de zaak komt de volgende vergadering opnieuw ter tafel. Ook dan staken de stemmen. Bij grote uitzondering besluit de Commissie het oordeel aan de burgemeester over: zij onthoudt zich van advies. Langzaam keert het tij, en eind jaren vijftig vat de Commissie iemands homoseksualiteit niet zonder meer als bezwaar op. Wel achten ze iemands seksuele gerichtheid kennelijk nog steeds voldoende reden om een aanvraag in de vergadering te bespreken – opnieuw een indicatie van het discriminerende effect van de homolijsten van de zedenpolitie. Opmerkelijk detail: de Commissie gaat vanaf midden jaren vijftig geregeld in tegen het advies van de politie, en beknort die zelfs. Meneer V. [16162]99 was in 1912 en 1923 veroordeeld wegens openbare schennis der eerbaarheid; beide zaken zijn inmiddels ruimschoots verjaard.

Voorts is hij in 1939 ‘onder verdachte omstandigheden’ aangetroffen ‘op een plek die druk door homo-sexuelen wordt bezocht’. V. wil als hulpje bij de Gemeentelijke Ziekenhuizen werken. De politie is afwijzend. De Commissie trekt zich daar niets van aan: ‘De Politie is in dit geval nogal zwaar op de hand, meent de Voorzitter.’ Meneer Van A. [16393]100 leek niet volledig door zijn huwelijk te zijn genezen. Hij vraagt een bewijs voor het GEB, waar hij als magazijnknecht hoopt te kunnen werken: ‘Er zijn geen veroordelingen, maar hij staat bij de Politie op zedelijk gebied ongunstig bekend; hij is homosexueel. Wel is hij gehuwd, maar in 1952 waren er weer aanwijzingen, dat hij weer aan zijn neigingen toegaf. De Politie betwijfelt of het gewenst is, dat hij in gemeentedienst treedt, maar er bestaat onvoldoende aanleiding hem het gevraagde bewijs te weigeren.’ Van A krijgt zijn bewijs. 97

Besproken op 12 mei 1952 en 23 juni 1952. De Valeriuskliniek, geopend in 1910, was onderdeel van de VU en behandelde psychiatrisch patiënten. Zie https://www.geheugenvandevu.nl/hoofdmenu/plaatsen/valeriuskliniek. 99 Besproken op 17 december 1956. 100 Besproken op 6 mei 1957. 98

41

De politie krijgt zelfs een sneer bij de behandeling van de zaak van meneer Van T. [16536].101 Commissielid Van der Weij, die in deze zaak als rapporteur optreedt, betoont zich verbaasd dat deze zaak bij de Commissie is ingebracht. ‘De Politie geeft een vrij uitgebreid verslag over de homo-sexuele neigingen van deze 28-jarige man. Hij gaf toe, dat hij homo-sexuele contacten heeft gehad. Er zijn echter geen vonnissen of processen-verbaal. Spreker leest dan het rapport van het Genootschap voor en geeft te kennen, dat men in dit geval toch wel wat al te diep op het sexuele leven van verzoeker is ingegaan.’

101

Besproken op 4 november 1957.

42

De onverkwikkelijke kwestie C. Op de vergadering van 20 december 1948 bespreekt de Commissie stukken die haar zijn verschaft ‘om ondershands haar mening te mogen vernemen, te weten hoe haar advies eventueel zou luiden indien ten behoeve van belanghebbende een bewijs van goedgedrag zou worden gevraagd voor een eventuele tewerkstelling’. Het is een ongewone – en in de analen van de Commissie volstrekt unieke – situatie: de Commissie wordt om een hypothetisch oordeel gevraagd (‘eventueel advies’) over een hypothetische aanvraag. De notulen vermelden niet wie, of welke instantie, dit verzoek aan de Commissie voorlegde. Wat, zo luidt de vraag, als de man – meneer C. [10103] – een baan zou ambiëren bij de gemeentetram: hoe zou de Commissie dan adviseren? De casus wordt als volgt in de notulen samengevat: ‘De man is homosexueel. Hij is, zonder bewijs van goedgedrag, 3 jaar werkzaam geweest bij Sociale Zaken en wordt daar, wegens vermindering of verandering van werkzaamheden ontslagen. Uit het rapport van het Genootschap blijkt, dat de man inmiddels voor een functie bij de gemeentetram is afgewezen. Hij zou echter, indien hem een bewijs van goedgedrag zou worden gegeven, weer bij Sociale Zaken terug kunnen komen.

Spreker102 meent, dat aan een persoon als belanghebbende geen bewijs van goed zedelijk gedrag kan worden verstrekt en stelt voor te berichten, dat indien eventueel het advies der Commissie zou worden gevraagd, dit advies afwijzend zou dienen te luiden.’ Daarmee lijkt de kous af. Maar op een vergadering bijna twee jaar later, op 9 oktober 1950, komt de kwestie terug, nu als zaaknummer 11494. Hier volgt het verslag: ‘De heer Balk103 deelt mede, dat dit geval al eens eerder in de Commissie behandeld is geworden, nl. in 1948; er is toen afwijzend geadviseerd, mede omdat de man uitgesproken homo-sexueel is. Hij was op 21 November 1939 door het Gerechtshof alhier, wegens overtreding van art. 239 van het Wetboek van Strafrecht (misdrijven tegen de zeden) veroordeeld tot f 10,- boete en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met 3 jaar proeftijd. De Burgemeester stelt nu de vraag aan de Commissie of zij, indien C. een blanco strafregister had,104 gunstig zou hebben geadviseerd omtrent de afgifte van een bewijs van goed gedrag. De man is bij Sociale Zaken niet ontslagen, ondanks het afwijzend advies. De heer Balk meent, dat de Commissie op haar standpunt moet blijven staan.

De heer Elte zegt, de vraag te moeten stellen of het wel als abnormaal moet worden gezien als een homo-sexueel zich als zodanig uitleeft, mits hij geen handelingen pleegt, die hem in aanraking brengen met de strafrechter. De heer Balk meent, dat hij er goed aan doet, met eerst nog eens voor te lezen, wat de Politie nog meer zegt en met wat er zoal in het rapport van het Genootschap staat; de man is een erkend straattype. De heer Elte merkt op, dat het een andere vraag is of men zo’n neuroticus in gemeentedienst moet nemen. De heer Balk zegt te hebben vernomen, dat de man bij Soc. Zaken te koop loopt met zijn geaardheid. De Voorzitter zegt, dat de man er al 2 jaar in dienst is en zich blijkbaar goed heeft gedragen. De heer Van der Waerden vindt dat

102

De notulen vermelden niet wie de spreker in kwestie is. Aangezien dit geen ‘echte’ aanvraag betreft, en er dus geen rapporteur is aangewezen, is het waarschijnlijk Detiger, die als secretaris alle binnenkomende stukken ontvangt en voorbereidt. 103 Balk zit qualitate qua in de Commissie; hij is de directeur van de Gemeentelijke Personeelsvoorziening. 104 Merk op dat de veroordeling die Balk beschrijft, in 1939 plaatsvond, bijna 11 jaar geleden. De zaak is derhalve verjaard.

43

hetgeen in 1944 is gebeurd,105 niet mag meetellen en dat er tenslotte, na de boete van 1939, niets meer gebeurd is. De heer Schutte stelt voor nieuwe rapporten te vragen. De Secretaris geeft in overweging door de Gem. Geneesk.- en Gezondheidsdienst een psychiatrisch rapport omtrent aanvrager te doen uitbrengen. Door de vergadering wordt dienovereenkomstig besloten. De aanvraag zal dan, indien de desbetreffende rapporten althans zijn ingekomen, verder worden behandeld.’ Er wordt bij deze bespreking iets meer informatie over C.’s verleden gegeven, maar inmiddels is de Commissie kennelijk totaal uit het oog verloren dat de vorige afwijzing theoretisch was en gedraagt men zich in plaats daarvan alsof er indertijd een feitelijke afwijzing is verstrekt. Er zijn meer opvallende details. Bij de vorige bespreking, van twee jaar geleden, werkte de man al drie jaar bij Sociale Zaken, en nu dus vijf jaar; maar voorzitter Van Dullemen doet het voorkomen of de man er pas na de vorige bespreking is aangenomen. Tot slot wordt deze kwestie besproken alsof er thans een daadwerkelijke aanvraag van C. ligt, maar het betreft wederom een hypothetische kwestie: de burgemeester vraagt hoe men zou hebben geoordeeld indien de man 11 jaar geleden niet veroordeeld was. Drie maanden later, op 15 januari 1951, komt C ten derde male ter sprake.

Het gevraagde psychiatrisch rapport is klaar, en Commissielid dr. Van der Weij leest het voor. (De inhoud wordt niet in de notulen samengevat.) Daarna volgen nieuwe beraadslagingen: ‘Een eigenlijk advies wordt [in het psychiatrisch rapport] niet gegeven; de man is sinds 1939 niet meer met de strafrechter in aanmerking geweest en de conclusie is, dat betrokkene veel stabieler is geworden en waarschijnlijk niet meer zal derailleren. Hij is werkzaam als schrijver bij Sociale Zaken. Spreker wil nog opmerken, dat de gegevens van de Politie niet bepaald van recente datum zijn. De Secretaris zegt, dat het de vraag is of deze man tolerabel is in gemeentedienst; loopt hij met zijn kwaal te koop, dan niet. De heer Balk zegt, dat hij zijn inlichtingen in October 1950 heeft gekregen van de heer X, hoofd van de afdeling Personeelszaken en Organisatie van de Gem.Dienst voor Sociale Zaken. C. is er sedert Mei 1945 werkzaam. Zou het misschien aanbeveling verdienen indien de Commissie een brief schreef aan de heer Y [de directeur van Sociale Zaken – KS]. Neen, meent de Secretaris, principieel kan niet beslist worden, doch zijns inziens kan deze man niet in gemeentedienst blijven. Dr. Van der Weij vestigt er de aandacht op, dat de man in 1939 een zeer lichte straf werd opgelegd, nl. f 10,- boete en voorwaardelijk 1 maand gevangenisstraf met 3 jaar proeftijd.

Hij vindt het een moeilijke beslissing, zijns inziens zal de meeste waarde moeten worden gehecht aan de mededeling van de heer Balk. De heer Voorham vraagt, of dat “te koop lopen” geen uitloksysteem is om contact te krijgen met gelijkgeaarden. De Voorzitter acht het niet wel mogelijk aan deze man een bewijs van goed zedelijk gedrag te geven. Als ambtenaar van Soc.Zaken komt hij veel met mensen in aanraking en zou ook het publiek er mee bekend worden. De heer Van der Weij zou wel willen weten hoe hij er mee te koop loopt. De heer Van Hoeve merkt op, dat er ook bij zijn Dienst wel een paar van dergelijke mensen werkzaam zijn. Dr. Van der Weij leest nu het slot voor van het rapport van het Genootschap van 25 November 1948. De Secretaris zegt, dat de man niet wordt afgewezen voor zijn kwaal, maar met het oog op het gevaar voor zijn omgeving, deze man is niet tolerabel voor de Gemeente, waarop Dr. Van der Weij opmerkt, dat er toch wel meer in gemeentedienst zijn. De Secretaris geeft dit toe, maar deze man praat er te veel over. De heer Balk begint zich wat onzeker te gevoelen: zijn inlichtingen heeft hij allen telefonisch gekregen. Met het psych. rapport schieten we niets op, maar de man is er al 5 jaar en zou zijn Directeur hem niet onder handen kunnen nemen, vraagt de heer Voorham.

105

De notulen vermelden verder niets over ‘1944’. Blijkens de hiernavolgende vergadering is het in elk geval geen politiekwestie.

44

Besloten wordt nadere rapporten te vragen aan de Politie en het Genootschap.’ De fout van de vorige vergadering – de notie dat C. pas 2 jaar bij Sociale Zaken werkt, in plaats van inmiddels bijna 6 jaar – is hersteld, maar andere misvattingen niet. Er ligt helemaal geen aanvraag voor een bewijs, de man is er allang in dienst, er zijn geen klachten over hem. Niettemin is de Commissie zich in toenemende mate over de kwestie aan het opwinden, en verharden de standpunten zich: de tegenstanders, van wie Detiger en Voorham het meest uitgesproken zijn, verzinnen gaandeweg curieuzer argumenten: ‘ermee te koop lopen’, ‘uitloksysteem’, ‘het publiek ermee bekend maken’, ‘er te veel over praten’. Op 23 maart 1951 komt de zaak C. voor de laatste maal ter vergadering: ‘De Secretaris heeft een gesprek gehad met de heren Balk en Y, Directeur van de Gem.Dienst voor Sociale Zaken. Van deze bespreking heeft de Secretaris een nota opgemaakt, welke spreker voorleest. De conclusie is afwijzend, geen der leden verlangt het woord en op voorstel van de Voorzitter wordt besloten wederom afwijzend te adviseren.’ Wat er nadien van C. is geworden, is niet bekend. Je mag hopen dat de directeur van Sociale Zaken, die de man al bijna zes jaar naar kennelijke tevredenheid in dienst had, Detiger vriendelijk heeft aangehoord en vervolgens niets met het-advies van de Commissie deed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10830535/1