A - 30 Diversiteit en Antidiscriminatiebeleid (9) Bijlage 1 Analyse van het
Tekst van het document
De gepleegde ontucht in het verleden lijkt uiteindelijk het belangrijkste argument te zijn waarom de Commissie afwijzend besluit voor een terugkeer in het onderwijs. Dat is te gevaarlijk en niet verantwoord: “Verzoeker (28) vraagt bewijs voor tewerkstelling als onderzoeker bij het Lager Onderwijs. Hij werd veroordeeld wegens het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige en met iemand beneden de leeftijd van 16 jaar ontuchtige handelingen plegen, beide meermalen gepleegd (in beide gevallen jongens). (…) In 1954 is er weer iets gebeurd, hoewel dat gering moet worden genomen. In het bijzijn van enige jongens in
21
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
een openbare badinrichting heeft hij een erectie gekregen. Het proces-verbaal is toen geseponeerd. Hij heeft in het licht van dat moment bezien, niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen. De politie is afwijzend. In 1954 is door de Commissie ongunstig geadviseerd. Verzoeker is inmiddels getrouwd en zou dolgraag bij het onderwijs terugkomen. (…) Het slot van het rapport luidt: “Het komt ons voor, dat de kernvraag in deze ligt op het gebied van de sexuele gerichtheid van betrokkene. M.a.w. op het alsnog al dan niet aanwezig zijn van homosexuele componenten en op het vermogen van betrokkene om deze neigingen – indien aanwezig – te beheersen. De behandelde zenuwarts komt in deze tot een duidelijke conclusie. Wij kunnen ons voorstellen, dat Uw Commissie zich nog door een andere psychiater zou willen laten voorlichten”. Een zenuwarts uit Haarlem schrijft: ”dat psychiatrisch bezien, de toekomst, wat zijn verdere ontwikkeling betreft, met vertrouwen tegemoet kan worden gezien”. Voor spreker is intussen het moeilijke punt, moet in een dergelijk geval iemand, die een zo belangrijke plaats krijgt bij de opvoeding van de jeugd, toch tot het onderwijs worden toegelaten. Het vonnis is 6 jaar geleden, en met het oog op het feit, vindt spreker de beslissing wel erg moeilijk. De Voorzitter en een ander commissielid zijn van mening, dat het gevaarlijk blijft.
Een commissielid zegt dat hij een heleboel van dergelijke personen onder zijn toezicht heeft; de geboren homosexueel is niet te genezen. ’t Is een raar complex, wij brengen iemand in gevaar en zou het, gezien zijn ervaring met deze mensen, niet verantwoord vinden.” Dat homoseksualiteit allesbehalve algemeen geaccepteerd is blijkt ook wel uit een voorbeeld waarin een persoon door de zedenpolitie werd aangetroffen “op plaatsen en onder omstandigheden, welke doen vermoeden, dat hij homo-sexueel zou zijn.” Maar aangezien er geen veroordeling is geweest, hij verklaard heeft dat hij zich met succes heeft kunnen verzetten tegen zijn homoseksuele neigingen en inmiddels is gehuwd ziet de Commissie geen probleem meer. In twee andere gevallen adviseert de politie afwijzend omdat een persoon meerdere keren “onder verdachte omstandigheden is aangetroffen in de buurt van een urinoir, waarbij zich een groep homosexuelen ophield.” Overigens oordeelde de Commissie in beide gevallen gunstig. Soms klinken er ook binnen de Commissie verschillende geluiden. Zo noemt een commissielid een homoseksueel gevaarlijk. Onduidelijk is precies waarom. Hij noemt dat er veel jongemannen werken en hij nog in zijn proeftijd zit vanwege verduistering. Hij lijkt gevaar te zien in zijn homoseksuele aard aangezien hij noemt dat er veel jongemannen zijn.
Deze interpretatie lijkt bevestigd te worden door de reacties van andere leden. Een lid zegt bijvoorbeeld dat “het gevaar” bij groot personeel minder groot is. Vervolgens nemen commissieleden het voor de man in kwestie op: "Deze mensen moeten niet worden verstoten; het is een feit, waar zij zelf toch niets aan kunnen doen". Een ander is het ermee eens en heeft zelf ook een paar "van deze mensen in dienst en zij doen hun werk uitstekend.” Hoewel het laatste citaat begripvol en goedbedoeld is, wordt homoseksuelen hier als een aparte categorie mensen besproken alsof homoseksualiteit arbeidsmarktprestaties kan voorspellen. Geregeld bestaat er eveneens verschil van inzicht tussen de Commissie, de politie en het Genootschap. Het Genootschap neemt in onderstaand fragment een neutrale positie in door geen positie in te nemen of de (afwijkende) seksuele geaardheid een reden is om af te wijzen. Zoals wel vaker het geval is, oordeelt de politie negatiever over homoseksuelen. De Commissie zelf ziet geen reden om geen gunstig advies te geven. “Hij komt uit voor zijn homo-sexualiteit. Het genootschap is van mening dat hem het bewijs moet worden gegeven; of iemand afgewezen moet worden uitsluitend in verband met zijn (afwijkende) sexuele geaardheid, kan het Genootschap niet beoordelen, alsdus het rapport.
Er wordt op gewezen dat aanvrager zich niet schuldig heeft gemaakt aan aanstootgevende dingen. Politie adviseert negatief. Er wordt gunstig besloten.” In veel gevallen is het niet uitsluitend de homoseksuele geaardheid die meegewogen wordt in het oordeel. Vaak gaat het om een combinatie van homoseksualiteit en gepleegde delicten. Daarbij wordt er soms stigmatiserend gesproken. Over iemand die meerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan wordt vervolgens opgemerkt: “De man is ook nog homosexueel, een typisch figuur”. Deze manier van
22
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
spreken doet vermoeden alsof homoseksualiteit een vergelijkbaar ‘misdrijf’ is en op zijn minst ongepast is net als de verschillende gepleegde delicten. Homoseksueel in combinatie met ontucht of onzedelijk gedrag is een combinatie die de kans op afwijzing lijkt te vergroten. Zo krijgt een man – net zoals een hierboven eerdergenoemd geval - een afwijzing voor een onderwijsfunctie omdat hij veroordeeld is voor ontucht met een minderjarige van hetzelfde geslacht. Het type werk lijkt in combinatie met de gepleegde ontucht de doorslag te geven voor de afwijzing, aangezien het onderwijs een plek is waar hij in aanraking komt met potentiele slachtoffers. Ook in andere gevallen is ontucht een reden voor afwijzing. Toch is de combinatie van homoseksualiteit en ontucht of onzedelijk gedrag niet in alle gevallen reden tot afwijzing. Opvallend is bijvoorbeeld dat een man ontucht heeft gepleegd met minderjarige jongens, gunstig advies krijgt. Het probleem van ontucht valt voor de Commissie in dit geval weg omdat de man inmiddels is getrouwd, een “keurige nette man is” en een goede indruk heeft achtergelaten bij verschillende werkgevers. In een ander opvallend geval is er sprake van onzedelijk gedrag, adviseert de politie ongunstig en is het Genootschap ook niet bepaald positief door hem een onberekenbaar type te noemen. Zonder verdere onderbouwing oordeelt de Commissie toch gunstig.
3.2.3 Geslacht In het voorgaande hoofdstuk is al gewezen op de verschillen in de manier waarop mannen en vrouwen worden beoordeeld. Dit lijkt te wijzen op structurele ongelijke behandeling in de Commissiebeoordelingen. De Commissie bestond meestal uit alleen maar mannen, al is er ook een tijd een vrouwelijk commissielid geweest, dat echter na enkele vergaderingen weer afscheid genomen lijkt te hebben. De manier waarop vrouwen worden beoordeeld, met name in de oorlogsjaren, is duidelijk vanuit een paternalistischer en kritischer basishouding dan het geval is met betrekking tot mannelijke aanvragers. Dat blijkt ook uit de kwantitatieve analyse en heeft zowel betrekking op de uitslag van de beoordelingen als op de meegewogen criteria. Zo komt de Commissie bij mannelijke aanvragers vaker tot een gunstig oordeel (58 procent) dan bij de vrouwen (48 procent) en wordt bij vrouwen vaker afwijzend geadviseerd (37 procent) dan bij mannen (31 procent). Dit is in onderstaand figuur te zien.
Beoordelingen man/vrouw 100% 80% 60%
Seksuele moraal meegewogen 100%
48%
58%
40%
12%
20%
31%
80% 60%
15%
40%
37%
20%
0%
0% man afwijzend
vrouw geen
36% 8% man
gunstig
Figuur 3.2 percentage uitkomst beoordelingen naar geslacht (19421947, 1950-1954 en 1958)
64% 92%
vrouw ja
nee
Figuur 3.3 percentage beoordelingen waarin seksuele moraal is meegewogen, naar geslacht (1942-1947, 1950-1954 en 1958)
De verschillende uitkomsten hebben mogelijk te maken met het meewegen van andere criteria in deze beoordelingen. Dat blijkt inderdaad het geval als we kijken naar de mate waarin de seksuele moraal van de aanvrager wordt meegewogen. Bij vrouwelijke aanvragers spreekt de Commissie zich in meer dan
23
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
een derde van de gevallen uit over het seksueel gedrag van de aanvrager, terwijl dat bij de mannen slechts in 8 procent van de gevallen relevant wordt geacht. Vrouwen wordt bijvoorbeeld aangerekend dat zij als prostitué hebben gewerkt, of dat zij veel contacten met verschillende mannen hebben gehad. “Op zedelijk gebied laat haar gedrag echter veel te wenschen over. Zij stond bijv. tot 1939 bekend als prostituée. De Voorzitter en de Secretaris vinden een dergelijk type ongeschikt voor de P.T.T. en stellen voor, ongunstig te adviseeren.” Bij mannen gaat het eerder om aanranding of exhibitionisme, en in enkele gevallen om homoseksualiteit. De nadruk op het seksueel gedrag van vrouwelijke aanvragers kan uiteraard ook voortkomen uit een daadwerkelijke oververtegenwoordiging van bijvoorbeeld prostitutiegevallen in de groep van vrouwelijke aanvragers. Het ligt echter voor de hand, en blijkt ook uit de besprekingen van de Commissie, dat de Commissie bij vrouwen duidelijk meer nadruk legt op seksueel gedrag dan bij mannen. In de jaren ‘50 lijkt dit verschil tussen mannen en vrouwen te zijn weggevallen. De manier waarop er over vrouwen wordt gesproken is niet expliciet negatiever dan over mannen. Ook stelt de Commissie zich bij meerdere vrouwen mild en begripvol op.
Zo krijgt een vrouw die veroordeeld was voor “wegmaking van kinderlijkje” en die daarnaast op zedelijk gebied “minder goed bekend” stond een gunstig advies omdat er de laatste jaren geen klachten meer over haar waren. Een ander voorbeeld betreft een vrouw die het bewijs nodig heeft om als schoonmaakster te werken en veroordeeld is voor een poging tot moord op haar man. Op het moment dat de Commissie haar verzoek behandelde was ze inmiddels gescheiden. Alle commissieleden zijn het erover eens dat het een ongelukkig geval is en men haar het bewijs moet geven. Waarom het precies een ongelukkig geval is, wordt overigens niet toegelicht. Een lichte kanttekening is dat er in deze jaren wel een vrouw is afgewezen vanwege een abortus. Ook over prostitutie laat de Commissie zich uit. Hierover komen we in paragraaf 4.3.1 te spreken. 3.2.4 Fysieke, psychische en verstandelijke beperkingen Er wordt wisselend geoordeeld over mensen met een beperking. Soms worden mensen afgewezen, omdat ze “niet helemaal normaal’ of ‘debiel’ zijn. In sommige gevallen is dat omdat er daarnaast ook sprake is van ontucht of het plegen van andere delicten. Meestal lijkt het of niet of nauwelijks mee te spelen en volgt er een gunstig advies. Overigens is het niet geheel duidelijk of het hier ook daadwerkelijk gaat om mensen met verstandelijke beperkingen.
Etiketten als ‘debiel’ ogen vrij subjectief, ook omdat er geregeld ogenschijnlijke willekeurige gradaties worden gehanteerd door de commissieleden. Zo spreken ze soms over een lichte debiel, halve debiel en enigszins een debiel. Als mensen een fysieke beperking hebben – bijvoorbeeld door een ongeluk of als gevolg van gezondheidsproblemen) - is er in een aantal gevallen een zachte opstelling en een neiging tot gunstige advisering. Zo is het geval van een half invalide man in eerste instantie aangehouden. In de overwegingen stelde een commissielid dat hij het “zou betreuren indien zijn dienstverband verbroken moest worden”. In tweede instantie werd medegedeeld dat de man zwaar invalide is, een hartkwaal en reuma heeft. Toch is de conclusie: “hij werkt er al een tijdje en dit werk kan hij nog doen.” Soms worden mensen met fysieke beperkingen afgekeurd. Dat geldt bijvoorbeeld voor iemand die te kampen heeft met astmakwalen. 3.2.5 Afkomst Zelden komen er gevallen naar voren waarin de afkomst van de aanvrager wordt genoemd. In een geval wordt gesproken over een West-Indiër. Deze man krijgt een gunstig advies, zijn afkomst is geen reden voor twijfel. Bij een ander geval wordt gesproken over een joodse man. Hoewel het niet heel expliciet is, lijkt het alsof het leed van dit joodse gezin meespeelt in de gunstige beslissing.
24
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
“Hij heeft de nodige beroerdigheid ondervonden als jood. Het genootschap neemt het nog al voor het gezin op. (…) Het is de kans van zijn leven.” Er is slechts één voorbeeld van een expliciete afwijzing op basis van afkomst, en wel een heel schrijnende. De heer […] deelde mede, dat [aanvrager] een kleuring (Surinamer) is. Men heeft met deze menschen zooveel slechte ervaringen opgedaan, dat ze brandschoon moeten zijn willen ze een kans hebben om aangenomen te worden. Het vonnis is in dit geval niets, maar met het oog op de consequenties ten aanzien van soortgenooten komt de man niet in aanmerking. De aanvraag wordt derhalve, overeenkomstig het bepaalde in de vorige vergadering, teruggezonden." Deze beoordeling is zodanig principieel afwijzend dat het erop lijkt dat de afwezigheid van andere soortgelijke beoordelingen vooral te maken heeft met het feit dat er weinig aanvragers met een nietNederlandse afkomst bij de Commissie ter sprake kwamen.
3.3
Gedragingen
Naast persoonskenmerken zien we in de overwegingen ook veel verwijzingen naar het gedrag van mensen. Aandacht is er voor drie type gedragingen: immoreel seksueel gedrag, delinquent gedrag en (overmatig) alcoholgebruik. Op welke manier dit werd gedaan lichten we hieronder toe. 3.3.1 Immoreel seksueel gedrag Immoreel seksueel gedrag wordt in veel gevallen ter sprake gebracht door de Commissie. Zo zijn er gevallen van ontucht en onzedelijk gedrag waarbij men afwijst en bijvoorbeeld stelt dat de persoon een “vieze indruk” maakt. Opvallend is echter dat er over ontucht vaak licht en mild gedacht wordt. Een persoon die in het onderwijs werkzaam was, kan ondanks ontucht in het verleden terugkeren in het onderwijs volgens de Commissie omdat hij gereclasseerd zou zijn. Eveneens is men opvallend mild over een persoon van 37 jaar die een ongevaarlijk type wordt genoemd terwijl hij op 18-jarige leeftijd ontucht heeft gepleegd met een 6-jarig meisje. Ook over een 21-jarige jongen die veroordeeld is voor ontucht met een 4-jarige jongen is men ook mild: “Geef de man een kans”. Een ander persoon is veroordeeld voor ontucht met twee meisjes, maar een commissielid noemt hem wel een “leuke kerel”.
En in onderstaand citaat is te lezen hoe de Commissie bijna achteloos voorbijgaat aan ontucht van een man met zijn dochter door het te relativeren (heeft niets met het werk te maken) en over te schakelen op andere informatie over de persoon in kwestie. “Met zijn oudste dochter heeft hij sexueel verkeer gehad en zij heeft daarvan een kind gekregen. Op werk gaat het goed. De politie is afwijzend en spreker noemt het een onfrisse man, maar hij heeft nooit een economisch delict gehad. Het gepleegde delict heeft niets met het werk te maken.” Bij een vrouw lijkt prostitutie mee lijkt te spelen voor het geven van een afwijzend advies. Maar tegenover dit geval staan er meerdere (ex)-prostituees die juist een gunstig advies hebben gekregen. Het argument bij een prostituee is dat ze haar leven heeft verbeterd en niet meer zal prostitueren. Dit verschil in beoordeling komt in onderstaande voorbeelden tot uiting. "De Secretaris zegt, dat toch ook het zedelyk gedrag geldt, vooral op de tram, de meest openbare betrekking, waar zy met iedereen en alles in aanraking komt. (…) De Secretaris is van meening, dat alleen reeds het feit, day zy prostituée is geweest, een reden is voor afwyzing. De tram vraagt waarborgen. De Secretaris blyft van meening, dat een prostituée van zoo recenten datum niet op de tram behoort te worden indienstgesteld."
25
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
“Ook weer een prostitueé zegt de heer […]. Verder is er niets tegen… Men heeft de indruk, dat men te doen heeft met een eerlijk meisje, dat tijdelijk op een moreel onjuist spoor was, maar zich nu in het contact met haar a.s. echtgenoot heeft hersteld.” Over het geheel gezien worden aanvragers waarbij de Commissie een seksueel aspect meeweegt, wel duidelijk negatiever beoordeeld dan de rest. Deze groep aanvragers krijgt bijna net zo vaak een gunstig als een afwijzend advies, zoals uit onderstaand figuur blijkt.
Advies bij meegewogen seksueel gedrag 50%
46%
44%
40% 30% 20%
10%
10% 0% gunstig
afwijzend
geen
Figuur 3.4 Percentage adviezen waarin seksueel gedrag is meegenomen, naar uitkomst beoordeling (1942-1947, 1950-1954 en 1958)
3.3.2 (Overmatig) alcoholgebruik Over overmatig alcoholgebruik en drankverslaving zien we een duidelijk patroon. Zolang mensen nog veel drinken, is dat een reden voor afwijzing. Als dit gedrag tot het verleden behoort, is dat gevallen een reden om een gunstig advies te geven. De Commissie rekent drankmisbruik dus niet de rest van hun leven aan. “Het is een slappeling en hij drinkt veel”. “De proeftijd loopt nog. De man maakt misbruik van sterke drank en weet dan niet wat hij doet.” “Het is geen man voor de baan wegens te ernstige feiten en veel dronkenschap”. “De man is van de drank af en van goede wil.”
3.4
Sociale, maatschappelijk-historische en institutionele context
Opvallend is dat de Commissie niet alleen maar individuele kenmerken en gedragingen meewoog in haar oordeel, maar dat het ook bepaalde sociale, maatschappelijk-(historische) en institutionele contexten mee liet spelen. Bij de sociale context gaat het dan over het gezin waarin mensen zijn opgegroeid en de opvoeding die zij daarin hebben meegekregen. De maatschappelijke-(historische) context verwijst naar de oorlogsjaren waarbij er zowel tijdens als na afloop van de oorlogsjaren verwijzingen zijn te vinden naar de oorlog. De institutionele context verwijst in dit geval naar het type beroep. Met andere woorden, duidelijk is dat het oordeel soms afhankelijk is van de beroepscontext waar de desbetreffende persoon wil werken. 3.4.1 Sociale context Uit een ‘slecht’ gezin komen en een ‘slechte’ opvoeding zijn soms redenen om mild te oordelen, maar soms ook juist weer reden om iemand als onverbeterlijk in te schatten. Zo komt bij een man naar voren dat hij uit geen goede opvoeding heeft genoten van zijn pleegouders en krijgt hij ondanks meerdere
26
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
veroordelingen een gunstig advies. Een vrouw wordt juist weer vanwege haar familieachtergrond afgewezen. “Aanvraagsters vader, moeder en steifvader [waren] van laag allooy […]. Dientengevolge getuigt haar eigen leven ook van lichtzinnigheid, zoodat zij minder geschikt geacht moet worden om als conductrice bij de Tram te werken.” Het omgekeerde gebeurt ook: uit een ‘goed’ gezin komen kan aanleiding zijn om gunstig te adviseren ondanks bepaalde delicten of een nog lopende proeftijd en uit een slecht gezin komen kan een reden zijn tot afwijzing. Ook huwelijken en gezinsvorming van de persoon in kwestie kunnen redenen zijn om gunstig te oordelen. “Komt uit een heel net gezin (…) is nu met een goede vrouw getrouwd.” 3.4.2 Oorlogscontext als verzachtende omstandigheid Delicten tijdens de oorlogsjaren worden – na de oorlog – minder zwaar gewogen. Sterker nog, de oorlog wordt vaak als verzachtende omstandigheid ingebracht. Een voorbeeld is het stelen van een motor tijdens de oorlog. De Commissie die een gunstig advies geeft noemt dit een “zuiver oorlogsgeval”. Ook komt het voor dat veroordelingen in de oorlogsjaren niet meer meetellen als de persoon na de oorlog een goede staat van dienst heeft en/of al enkele jaren betrouwbaar is geweest.
In dit verband geeft de Commissie ook een gunstig advies voor een vrouw die in oorlogstijd als prostitueé werkte, maar na de oorlog een “behoorlijke levensstijl” had opgebouwd. We constateren een zekere mildheid ten aanzien van personen die in de oorlog een controversiële rol hebben gespeeld. Over een persoon die “politiek minder fraai” was als lid van de NSB en S.S. stelt men dat de gepleegde criminele feiten (verboden in- en uitvoer) gering zijn waarna men gunstig oordeelt. Opvallender is de mildheid naar een man die tien jaar straf heeft gekregen wegens hulp aan de vijand in de oorlog met onder andere opsporing en de dood tot gevolg. Hij heeft dit meerdere keren gepleegd. Alsof men het verder niet of nauwelijks de moeite waard vindt om hier nader bij stil te staan, merkt de Commissie vervolgens ogenschijnlijk onverschillig op: “De proeftijd is verlopen en hij heeft zich anderhalf jaar goed gedragen. Verder is er niets op hem aan te merken en zit zijn proeftijd er al anderhalf jaar op.” Commissieleden brengen de oorlog een enkele keer ook in als verklaring voor delinquent gedrag na de oorlog. Ze stellen bijvoorbeeld vast dat een man ontwricht is door de oorlog en zien mede daarom de gepleegde delicten door de vingers. Als er verwezen wordt naar oorlogsmisdragingen gelden afwijzingen als uitzondering.
Een voorbeeld is dat een man zich tijdens de oorlog als politieagent heeft misdragen. Zo zou hij schuldig zijn aan “diefstal met braak uit een Jodenwoning”. En bij een verzoek voor emigratie naar Argentinië lijkt de Commissie uitsluitend gunstig te adviseren zodat de gemeente Amsterdam verlost is van de desbetreffende persoon. Hoewel de man zich schuldig heeft gemaakt aan moord en medeplichtigheid daaraan onderbouwt men het ‘gunstige’ advies als volgt: “De man is een avonturier, die ook niet heeft bewezen van goed gedrag te zijn. De voorzitter merkt op dat de man geen veroordeling heeft (…). De voorzitter wil de man wel kwijt.” Het valt op dat ook aanvragers in diverse gevallen de oorlogscontext als verklaring aandragen voor gepleegde misdrijven. Zij verklaren tegenover de Commissie dan bijvoorbeeld dat zij de misdaden voor het verzet tegen de bezetter pleegden, of dat zij onderduikers moesten helpen, bijvoorbeeld met het stelen van voedselbonnen. De Commissie heeft weinig informatie om deze verklaringen te controleren, maar gelooft niet elk verhaal. "De man schermt ermee, dat hij onderduikers zou hebben geholpen."
27
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
"Hij zou voor de verleiding zijn bezweken, omdat hij Joodsche onderduikers in huis had, die door hem gevoed moesten worden."
28
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
4
Beschouwing: lessen en conclusies
4.1
Structuur en context van de Beoordelingscommissie
De studie leert ons dat het ontbreken van een duidelijk en eenduidig beoordelingskader gepaard ging met willekeur, ongelijke behandeling en uitsluiting. Een gemeenschappelijk kader had deze problemen mogelijk kunnen verkleinen. Belangrijk om te benadrukken is dat uitsluiting niet alleen maar het gevolg is van het handelen van individuele commissieleden, maar dat de structuur en context waarin zij moesten werken uitsluiting en discriminatie mede mogelijk heeft gemaakt. De archiefstukken laten ook zien dat de Commissieleden niet alleen zelf ervan overtuigd waren dat zij goed werk deden, maar dat zij hiervoor ook nadrukkelijk erkenning kregen. Hieronder gaan we nader in op aspecten van de structuur en context die ook voor huidige processen van beoordelingen en selectie, in het personeelsbeleid of anderszins, relevant kunnen zijn. In de Commissie lijkt er om te beginnen onvoldoende balans te bestaan tussen het mandaat en de beslismacht en de verplichtingen tot verantwoording of controle. Het ontbreken van een duidelijke opdracht en een formeel beoordelingskader resulteert niet alleen soms in twijfels en dilemma’s bij commissieleden, maar schept ook ruimte voor willekeur en subjectiviteit.
Beslissingen lijken geregeld gebaseerd te zijn op impliciete en expliciete vooroordelen en vooringenomenheden over homoseksuelen, vrouwen, mensen met een verstandelijke beperking of mensen met een crimineel verleden en mensen uit ‘probleemgezinnen’. Het leidt ertoe dat gelijke gevallen ongelijk behandeld worden, maar ook de beoordeling van ongelijke gevallen lijkt lang niet altijd in verhouding. Zo is het onverklaarbaar waarom relatief lichte delicten soms reden zijn om iemand af te wijzen, terwijl zware delicten dat soms niet zijn. De Commissieleden corrigeren elkaar soms, maar hebben hiervoor ook zelf geen instrumenten in handen. Interne controle op besluit- en oordeelsvorming ontbreekt en is mede afhankelijk van persoonlijke autoriteitsrelaties. De externe controle lijkt zelfs nog gebrekkiger. Duidelijke onderbouwingen zijn niet vanzelfsprekend altijd aanwezig. Dat laatste hangt ook samen met de afwezigheid van de noodzaak om beslissingen zorgvuldig te motiveren en te onderbouwen. Er is immers geen formele instantie die het werk van de Commissie controleert waardoor zij in feite vrij spel heeft. Mogelijk kan het vrije mandaat om te oordelen verklaren waarom sommige commissieleden geregeld de ruimte voelen om resolute, ongenuanceerde en grove uitspraken te doen over mensen. Opvallend is dat zij tegelijkertijd zich van geen kwaad bewust waren.
Dat de vergaderingen via notulen werden vastgelegd heeft hen er niet van weerhouden om zich zeer open en expliciet te uiten. De inhoud van die oordelen is beïnvloed door de tijdsgeest (waarin bijvoorbeeld homoseksualiteit als afkeurenswaardig werd gezien), maar de vorm en de context die deze oordelen mogelijk maakt is tijdloos. Ook als we rekening houden met het gebrek aan interne en externe controle op het werk van de Commissie, blijft het opvallend dat hooggeplaatste medewerkers van de Gemeente Amsterdam geregeld over weinig gevoel lijken te beschikken voor genuanceerd of diplomatiek taalgebruik, en weinig reflectievermogen tonen ten aanzien van hun beoordelingsvermogen. Dit kan ook met het profiel van de Commissieleden te maken hebben. De leden lijken niet uitgekozen te zijn op hun vakkundige expertise op het gebied van selectie of delinquentie, maar vooral op hun gezag en positie in de betreffende organisaties. De leden uit de Commissie hadden dan ook niet per definitie een geschikte opleiding of de juiste vaardigheden om het type werkzaamheden die bij de functie van Commissielid behoorden, naar behoren uit te voeren. Daar komt bij dat ook de samenstelling behoorlijk eenzijdig was met bijna uitsluitend (vermoedelijk) heteroseksuele mannen.
Deze drie kernaspecten van de opzet en structuur van de Commissie - de afwezigheid van interne verantwoording, externe controle, professionaliteit leden - leiden in combinatie tot een situatie waarin er veel ruimte is voor bewuste en onbewuste uitsluiting. Huidige vormen van diversiteits- en inclusiebeleid proberen deze ruimte zo veel mogelijk te beperken. Hierop gaan we hieronder verder in.
29
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
4.2
Institutioneel diversiteitsbeleid als antwoord op uitsluiting
Afwijzing en sociale uitsluiting op de arbeidsmarkt op basis van discutabele of ongegronde redenen zijn ook vandaag nog actuele thema's. In onderzoek is bijvoorbeeld aangetoond dat discriminatie op basis van afkomst en huidskleur geregeld voorkomt (zie Andriessen, e.a., 2015). Ook ervaren jongeren met een migratieachtergrond discriminatie als zij in het kader van hun studie een stageplek zoeken (zie Klooster, e.a., 2016). En de vraag of mensen een strafblad hebben speelt ook vandaag nog mee in de beoordeling, al laat recent onderzoek zien dat een delinquent verleden voor sommige groepen in de samenleving minder snel tot afwijzingen leidt. Sterker nog, het onderzoek laat zien dat autochtone sollicitanten met een geweldsdelict op hun naam drie keer meer kans maken op een positieve reactie dan islamitische sollicitanten zónder strafblad. Verder blijken sollicitanten met een westerse achtergrond die een vermogens- of zedendelict op hun naam hebben staan vier keer vaker een positieve reactie te krijgen dan eenzelfde sollicitant met een Arabische naam (Berg, e.a., 2017). 3 Als het gaat om seksuele diversiteit op de arbeidsmarkt, is het beeld positiever.
Uit onderzoek onder homoseksuele mannen en biseksuele vrouwen blijkt dat zij over het algemeen open kunnen zijn over hun seksuele gerichtheid naar collega's toe, en dat zij in werktevredenheid, conflict- en pestervaringen niet afwijken van hun heteroseksuele collega's. Wel lijkt het erop dat zij bepaalde sectoren kiezen om in te werken, zoals de publieke sector, die beter scoren op het gebied van lhbt-acceptatie.4 Een diversiteitsbeleid of inclusief beleid veronderstelt een actieve aanpak om discriminatie in de werving en selectie van personeel te verminderen en te voorkomen. Dat begint bij voldoende bewustzijn en inzicht in de mate waarin en hoe discriminatie voorkomt in bijvoorbeeld de werving- en selectieprocessen (vgl. Coello Eertink en Kreinsen, 2019). In de laatste decennia is een groot aantal interventies ontwikkeld die door bedrijven en organisaties ingezet worden om discriminatie bij de werving en selectie tegen te gaan. Grofweg zijn deze interventies in te delen in twee soorten: een soort die selectieprocessen probeert te objectiveren (bijv. door het anonimiseren van sollicitaties, assessments, structurering van gesprekken en processen) en een soort die probeert processen juist te personaliseren (bijv. door middel van kennismaking, proefplaatsingen, of proactieve bemiddeling).
Naast deze aandacht voor het tegengaan van discriminatie bij de selectie, vraagt een diversiteitsbeleid om een breder perspectief op uitsluitingsprocessen. De socioloog Gowricharn (2001) laat zien dat er tussen uitsluiting en insluiting allerlei gradaties bestaan. In dit zogenaamde tussengebied ziet hij allerlei combinaties van in- en uitsluiting en concludeert hij dat mensen voorwaarden verbinden aan in- en uitsluiting. Ook in onze studie zien we dat vrouwen en homoseksuelen niet op absolute wijze worden uitgesloten, maar onder bepaalde voorwaarden worden ingesloten. Denk aan een ‘positief’ karakter, een ‘goed’ arbeidsmoraal, een ‘correcte’ seksuele moraal en afkomstig zijn uit een ‘net’ gezin. Tegelijkertijd hebben we gezien dat dergelijke voorwaarden niet altijd consequent worden toegepast. Dit laatste gegeven versterkt de complexiteit en gelaagdheid van discriminatie en afwijzing. Tussen resolute uitsluiting van de arbeidsmarkt en volledige insluiting bestaan dus allerlei tussenvormen. Dit is een belangrijke kwestie, want een eenzijdige nadruk op discriminatie kan resulteren in een blinde vlek voor andere vormen van uitsluiting op de arbeidsmarkt en de werkvloer. Zo kunnen mensen bijvoorbeeld ook meer impliciete en subtielere vormen van uitsluiting ervaren die vaak onbewust en onbedoeld lijken (Meertens & Pettigrew, 1997; Waters, 1999).
Denk bijvoorbeeld aan subtiele vooroordelen, stigmatisering, grappen over etnische groepen, genegeerd en onderschat worden. Ogenschijnlijk goedbedoelde complimenten kunnen eveneens stigmatiserend zijn voor mensen (vgl. Charkaoui, 2019; Lamont, e.a., 2016; Omlo, 2011). In onze studie zien we ook dat bepaalde kandidaten niet zozeer op resolute wijze afgewezen worden enkel en alleen op basis van hun afkomst, seksuele oriëntatie of gender, maar wel dat er allerlei morele en stigmatiserende uitspraken over hen 3
Berg, C. van den; Blommaert, E.C.C.A. ; Bijleveld, C.C.J.H & Ruiter, S. (2017) Veroordeeld tot (g)een baan: Hoe delict- en persoonskenmerken arbeidsmarktkansen beïnvloeden. Tijdschrift voor Criminologie, vol. 59, iss. 1-2, p. 113-135 4 Kuyper, L. (2013), Seksuele oriëntatie en werk, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
30
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
worden gedaan. Geregeld worden er expliciet en impliciet bepaalde typische gedragingen toegeschreven aan de ‘homoseksueel’, ‘de vrouw’ of de ‘prostitueé’. De verslagen van de Commissie zijn doordrenkt met allerlei subtiele vooroordelen. Het ingewikkelde van subtiele uitsluiting is dat ze soms zo subtiel en impliciet zijn dat ze moeilijk zijn te herkennen door de persoon die ze uitspreekt, maar ook voor de ontvanger van de boodschap (Charkaoui, 2019). Dat maakt ze niet per definitie minder onschuldig dan directere vormen van stigmatisering en discriminatie. Ook subtiele ervaringen kunnen als kwetsend en beledigend worden ervaren (Charkaoui, 2019; Omlo, 2011) en het kan ook onbewust en onbedoeld doorwerken in het gedrag van mensen. Lagere verwachtingen van mensen met een migratieachtergrond of vrouwen kan bijvoorbeeld de doorgroeimogelijkheden beperken. En herhaalde stigmatiserende opmerkingen en vragen kunnen het werkplezier en daarmee goed functioneren in de weg staan. Ook eenmaal in dienst kunnen medewerkers op de werkvloer in het contact met collega’s dus op verschillende manieren gestigmatiseerd en gediscrimineerd worden.
4.3
Conclusie: tijdsgeest en blinde vlekken
Terwijl er inmiddels veel interventies, maatregelen en instrumenten zijn ontwikkeld om discriminatie en uitsluiting te bestrijden en diversiteit te bevorderen, blijven deze problemen een hardnekkig fenomeen. De manier waarop wij vanuit huidig perspectief naar het werk van de Commissie bekijken, laat bovendien zien dat ons perspectief op uitsluiting in de beoordeling en selectie van personen sterk afhankelijk is van de tijdsgeest. Net als het voor de Commissieleden volstrekt normaal was om aspecten als seksuele moraal mee te nemen in de beoordeling van potentiële ambtenaren, zullen er ongetwijfeld ook in onze huidige tijd vanzelfsprekendheden zijn die vanuit een toekomstig perspectief onacceptabel lijken. De veelgehoorde uitspraak dat een bepaald idee "niet meer kan" laat zien dat moraliteit en normbesef onderhevig zijn aan sterke veranderingen door de tijd heen. Het is dan ook niet verrassend dat het identificeren van blinde vlekken in veel aanpakken gericht op inclusiviteit centraal staat. De in dit hoofdstuk genoemde aspecten van structuren en instituties, zoals helder gedefinieerde kaders en verantwoordingsprocessen, zijn daar ook een poging toe.
Wanneer deze blinde vlekken echter op maatschappelijk moreel niveau bestaan - in de zin dat uitsluiting van bepaalde groepen als een bewuste en verdedigbare keuze wordt gezien - zullen structuren en kaders de uitsluiting eerder verstevigen dan voorkomen..
31
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
Bijlage 1: coderingskader en datamanagement B1.1 Coderingskader Voor de analyse van de beoordelingen van de Commissie is onderstaand coderingskader gebruikt. De doestelling van de codering is tweeledig: 1. Kwantitatieve uitspraken kunnen doen over aantallen beslissingen, welke mensen het betrof, positief/negatief en dergelijke 2. Verwijzingen naar interessante casussen voor kwalitatieve analyse; filteren van relevant/niet relevant voor ons doel en relevante citaten/beslissingen identificeren Dat betekent dat we op een manier moeten werken waarop we straks cijfermatige analyses (tellingen) kunnen uitvoeren, en die ons tegelijkertijd in staat stelt om interessante casussen op te zoeken. Hiervoor lijkt een Excel invulschema het meest voor de hand liggend. Coderingsindicatoren Achtergrondgegevens (voor overzicht en filtering): Bestandnaam/nummer o Toelichting: om dossiers terug te kunnen vinden Dossiernummer: cijfer o Toelichting: belangrijk om terug te kunnen zoeken Jaartal o Toelichting: belangrijk om te bezien of er opvallende verschuivingen zijn in de loop der tijd Geslacht beoordeelde: man/vrouw o Toelichting: voor totaaloverzicht uitspraken, en eventuele verschillen in positief/negatief advies; vrouwen zijn over het algemeen aangeduid als mej.
bij de naam Oordeel: gunstig/afwijzend/geen o Toelichting: voor totaaloverzicht en filtering Oorspronkelijke veroordeling: diefstal/verduistering/fraude/ontucht/oorlogsgerelateerd/meerdere veroordelingen/anders/onbekend o Toelichting: voor totaaloverzicht en filtering Worden de volgende aspecten genoemd in de beoordeling? Seksuele moraal: ja/nee o Toelichting: Gaat in principe over seksuele aspecten (behalve seksuele oriëntatie), dus bijvoorbeeld ontucht met minderjarigen, prostitutieverleden of ander soort lichter ‘seksueel afgekeurd’ gedrag. Persoonlijkheid (betrouwbaar, slap etc): ja/nee o Toelichting: soms gaat het in de beslissing niet om feitelijke overtredingen, maar wordt er een vrij algemeen oordeel over iemands karakter geveld. Seksuele oriëntatie/homoseksualiteit: ja/nee o Toelichting: voor totaaloverzicht en voor de filtering Drank/alcohol: ja/nee o Toelichting: lijkt regelmatig terug te komen als karakteraanduiding, interessant om te zien hoe vaak dat zo is Burgerlijke staat (gehuwd, alleenstaand, gescheiden) genoemd: ja/nee
32
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
o
-
-
Toelichting: nog niet tegengekomen, maar zou een rol kunnen spelen, met name bij vrouwen Gedrag van omgeving (ouders, echtgenoten of kinderen) meegenomen in de beslissing: ja/nee o Toelichting: soms wordt de reputatie van de ouders, echtgenote of het gezin genoemd, zowel in negatieve als positieve zin. Interessant dat dit voor de beoordeling een rol speelt, dus goed om voor het totaaloverzicht en voor filtering mee te nemen. Etniciteit/afkomst: als open invulveld, alleen waar het genoemd word of relevant is (bijvoorbeeld wordt er verwezen naar gastarbeider, buitenlander etc.) o Toelichting: dit lijkt niet veel voor te komen, maar is wel zinvol om de optie te hebben om het te kunnen noteren, mocht het toch relevant blijken. Maar we hoeven het dus niet voor elk geval apart te registreren omdat het meestal niet van toepassing is.
Voor analyse: Interessant voor casusanalyse: ja/nee o Toelichting: hier moeten we goede afspraken over maken. Ik zou pleiten voor een brede definitie van wat ‘interessant’ is. Niet alleen de homoseksualiteitszaken, maar ook zaken die op arbitraire beslissingen lijken of die wijzen op machtsmisbruik. Waarom interessant: open invulveld Citaten: open invullen o Vooral treffende citaten die ons bevindingen kunnen illustreren met ook aandacht voor uitzonderingen.
B1.2 Aanpak codering Het gebruik van het coderingskader maakt onze aanpak systematisch en bovendien transparant en reproduceerbaar. Wij hebben er bewust voor gekozen om de bestudering van de stukken te verdelen tussen twee onderzoekers. Dit gaf ons de mogelijkheid om tussentijds te overleggen over aanvullingen voor het coderingskader, over interessante vondsten en over twijfelgevallen in de codering. Hierdoor vond tijdens het coderingsproces al een deel van de analyse plaats. Ook hebben we voor elk jaar een aantal gevallen dubbel gecodeerd om na te gaan of we op dezelfde wijze te werk gaan. Om de selectie van de dubbel gecodeerde gevallen te randomiseren, hebben we gebruik gemaakt van een digitale gerandomiseerde nummergenerator. De resultaten van de dubbele codering lieten geen noemenswaardige verschillen zien. Het coderingsysteem bleek voldoende eenduidig te zijn.
B1.3 Data management In de notulen van de Commissie worden namen van leden van de Commissie en de namen van de aanvragers genoemd die beoordeeld worden. De gegevens zijn dus te herleiden tot personen. Om de vertrouwelijkheid van de informatie te beschermen, worden in dit rapport geen namen genoemd. Voor het onderzoek hebben de onderzoekers toegang gekregen tot de digitale bestanden uit het Stadsarchief Amsterdam. De onderzoekers hebben hiervoor ingestemd met een onderzoekersverklaring. Om de gegevens te beschermen, hebben de onderzoekers de gegevens opgeslagen op een externe dataschijf en deze veilig bewaard. Na afronding van het onderzoek worden de gegevens weer verwijderd.
33
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel
34
Eindrapport: Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel