CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A- 28 Openbare Orde en Veiligheid (4) Economische-Verkenningen-Metropoolregi

RAAD 1 april 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de bespreking van het onderwerp Weldoordacht plan van aanpak heropening Amsterdamse samenleving in de raadscommissie AZ. Nr. VN2021-00624748.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

338

0,5

0,5

0,9

0,6

0,7

.

.

Almere-Lelystad

288

1,5

1,0

1,0

1,4

1,6

.

.

Gooi en Vechtstreek

256

0,0

0,2

0,7

0,8

0,8

.

.

Zuid-Kennemerland

230

0,1

1,1

0,8

0,7

0,8

.

.

IJmond

199

0,4

0,3

0,4

0,5

0,5

.

.

* Prognose 2020 en 2021, alleen voor de gehele MRA1 ** Jaargemiddelde in 2019 Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

41

Economische Verkenningen MRA 2020

Natuurlijk verloop en migratie De toename van de bevolking bestaat uit het saldo van geboorte en sterfte (natuurlijk verloop) en de saldi van binnenlandse en buitenlandse migratie. Het natuurlijk verloop is al enige decennia een belangrijke, stabiele component in de bevolkingsgroei van de MRA, met sinds 1970 een toename van tussen de 1 en 5 personen per 1.000 inwoners (zie figuur 2.2). Tot 1996 lag het natuurlijk verloop in de MRA lager dan in de rest van Nederland, maar vanaf 1997 is dit in de MRA groter dan in de rest van Nederland, waar het natuurlijk verloop sterker wordt bepaald door de vergrijzing van de bevolking. Jongeren en jonge gezinnen zagen de MRA in toenemende mate als een aantrekkelijke plek om te wonen en te werken. Voor (afgestudeerde) studenten biedt de MRA voldoende werk, terwijl hoofd­zakelijk oudere gezinnen en ouderen de regio verlaten. Dat was geheel in lijn met de trend van verstedelijking in de jaren negentig van de vorige eeuw en het eerste decennium van de huidige eeuw die voor een groot deel van de wereld geldt. Sinds de kredietcrisis lijkt hierin echter een omslag te zijn gekomen. De laatste paar jaar is het binnenlandse migratiesaldo negatief geworden bij een gelijktijdige (en grotere) toename van het buitenlandse migratiesaldo.

Dat laat zien dat een groot deel van de bevolking vanaf de gezinsfase elk jaar de MRA verlaat en dat de (woon) ruimte die daardoor beschikbaar komt niet alleen wordt ingenomen Economische Verkenningen MRA 2020

42

door studenten en werkenden uit andere regio’s in Nederland, maar ook door buitenlandse, vaak hoogop­geleide migranten, waarvoor Amsterdam en omgeving een relatief aantrekkelijke vestigingsplaats is geworden. Het hoge aantal buitenlandse migranten uit Azië en Amerika, gevolgd door migranten uit Europa, is een betrekkelijk nieuw en groeiend verschijnsel. Internationale ontwikkelingen (waaronder bijvoorbeeld Brexit) bevorderen deze ontwikkeling, maar ook de aantrekkende economie heeft hierbij een rol gespeeld. Internationale migratie van werknemers houdt de arbeidsmarkt van de MRA relatief ruim in tijden van een vergrijzende beroepsbevolking in combinatie met de inzet op innovaties en transities, waardoor inflatie en loonstijgingen worden gedempt.

De krappe woningmarkt heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in de MRA tussen 2014 en 2019 veel sterker zijn gestegen dan in Nederland als geheel (+53 versus +34 procent; zie ook hoofdstuk 5). In eerdere jaren was de toename in huizenprijzen binnen en buiten de MRA nog vergelijkbaar. De sterke groei van de huizenprijzen kan een belangrijke reden zijn voor werkenden in andere regio’s om niet te verhuizen naar de MRA. De coronacrisis heeft vooralsnog de toename van de huizenprijzen niet afgeremd.

Een keerzijde vormt de krappe woningmarkt, waardoor per saldo steeds meer inwoners vanuit de MRA naar andere delen van Nederland verhuizen (zie paragraaf 2.5). Hun werk blijft echter in de MRA, zodat de inkomende pendel toeneemt (zie paragraaf 2.5). Figuur 2.2 Bevolking MRA neemt vanaf 2015 vooral toe door buitenlandse migratie

Natuurlijk verloop (geboorte minus sterfte), binnenlands migratiesaldo (saldo verhuizingen MRA met de rest van Nederland) en buitenlands migratiesaldo (saldo verhuizingen MRA met buitenland)* Verandering per 1.000 inwoners

Voor het aantal migranten dat naar de MRA komt, heeft de coronacrisis een onbekende invloed. Enerzijds kan worden verwacht dat de aantrekkingskracht van stedelijke gebieden afneemt vanwege de drukte en hogere kans op besmetting die daarmee gepaard gaat. Anderzijds kan Nederland in vergelijking met andere landen in coronatijd juist een positieve aantrekkingskracht hebben op werkenden uit het buitenland, onder meer door het goede gezondheidssysteem, het goede (digitaal) toegankelijke onderwijsstelsel en de aantrekkelijke woonomgeving van veel groen rond de stedelijke gebieden. Deze factoren spelen al jaren een gunstige rol in het aantrekken van kenniswerkers.

Internationalisering

15

MRA vergroent, Nederland vergrijst

Suburbanisatie 10 5 0 1970

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015

2019

-5 -10 -15 Natuurlijk verloop MRA Natuurlijk verloop NL

Binnenlands migratiesaldo MRA Buitenlands migratiesaldo MRA

* Definitieve realisatiecijfers. Cijfers betreffen het gemiddelde per jaar ((omvang 1 januari + 31 december) / 2). Bron: CBS, PBL (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

43

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

44

2.2 Bruto-arbeidsparticipatie

van het saldo van enerzijds het aantal werkenden (+29 duizend) en werk­lozen (-5 duizend = samen +24 duizend personen) en anderzijds een afname van het aantal niet-actieven (-7 duizend) bij een minder grote toename van de potentiële beroepsbevolking (+17 duizend). Figuur 2.1 toont deze ontwikkeling. Het gaat hierbij steeds om personen die in de MRA wonen. Voor werkenden geldt dat zij betaald werk hebben voor minimaal 1 uur per week, binnen of buiten de MRA.

Omvang en herkomst De bruto-arbeidsparticipatie is de mate waarin mensen deelnemen aan het arbeidsproces of daar actief naar streven, ofwel de mate waarin de potentiële beroeps­bevolking zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. De potentiële beroepsbevolking is de bevolking tussen 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd, maar omdat de pensioen­gerechtigde leeftijd steeds verder toeneemt, wordt de potentiële beroepsbevolking internationaal gemakshalve aangeduid met de bevolking van 15 tot en met 74 jaar. Het deel van de potentiële beroepsbevolking dat niet actief is op de arbeidsmarkt – dat wil zeggen geen betaald werk verricht en daar niet actief naar op zoek is – wordt aangeduid met de term ‘niet-actieven’.

Omdat de potentiële beroepsbevolking (15 t/m 74 jaar) ruimer is gedefinieerd dan de bevolking tot de pensioen­gerechtigde leeftijd (15 t/m ongeveer 67 jaar), is de maximaal te bereiken bruto-arbeidsparticipatie in de ‘potentiële’ beroepsbevolking lager dan 100 procent (in 2019 ongeveer 89 procent). De ruimte voor de inzet van extra arbeid is daarmee kleiner dan de bruto-arbeidsparticipatie van 72,1 procent suggereert. Die ruimte wordt in de loop van de tijd steeds kleiner doordat de bevolking verder vergrijst en een steeds groter deel van de bevolking zich tussen de pensioengerechtigde leeftijd en de leeftijd van 74 jaar bevindt.

In 2019 bedroeg de bruto-arbeidsparticipatie in de MRA 72,1 procent van de bevolking van 15 tot en met 74 jaar (zie figuur 2.3). De brutoarbeidsparticipatie in de MRA is daarmee met ongeveer 1 procentpunt gegroeid sinds 2018 (71,4 procent). Die groei zit in een toename

Ontwikkeling in arbeidsparticipatie De sterke stijging van de bruto-arbeidsparticipatie wordt al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw grotendeels veroorzaakt door de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, een ontwikkeling die nog altijd gaande is en wordt bevorderd door de steeds grotere mogelijkheden om in deeltijd te werken. Daar kwam sinds 1995 een sterke afbouw van de mogelijkheden om vervroegd met pensioen te gaan bij, waardoor de bruto-arbeidsparticipatie sindsdien vooral onder 55-plussers is toegenomen. De laatste jaren is de toename van de bruto-arbeidsparticipatie vertraagd, mede door de kredietcrisis in de periode 2008-2014 en de steeds verder oplopende vergrijzing van de Nederlandse (beroeps)bevolking. Daardoor maakt de groep ouderen met een gemiddeld lagere arbeidsparticipatie een steeds groter deel uit van de potentiële beroepsbevolking. Desondanks is er nog steeds sprake van een stijging van de bruto-arbeids­participatie, zowel in de MRA als in Nederland als geheel (zie figuur 2.3).1

Figuur 2.3 Steeds minder rek in groei bruto-arbeidsparticipatie Bruto-arbeidsparticipatie in %

76 72 68

64 60 56 1995 MRA

2000 Amsterdam

2005

2010

2015

Nederland

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

45

Economische Verkenningen MRA 2020

2019

Figuur 2.4 laat zien dat zowel voor als na de kredietcrisis (de periode 2009-2013) het aantal werkenden in de MRA sterker is toegenomen dan de omvang van de potentiële beroepsbevolking. Ter herinnering Economische Verkenningen MRA 2020

46

(zie kader 2.1): de potentiële beroepsbevolking omvat iedereen in de leeftijd van 15 tot en met 74 jaar die werkt (werkzame beroepsbevolking), werkloos is (werkloze beroepsbevolking) of niet participeert op de arbeidsmarkt (niet-actieve beroepsbevolking). Het verschil tussen de potentiële beroepsbevolking en de beroepsbevolking is het aantal niet-actieven; het verschil tussen de beroepsbevolking en de werkende beroepsbevolking is het aantal werklozen. Vóór de kredietcrisis nam de totale beroepsbevolking sterker toe dan de potentiële beroepsbevolking en daarmee ook de bruto-arbeidsparticipatie. Tijdens en na de kredietcrisis is sprake van een lagere toename van de beroepsbevolking dan van de potentiële beroepsbevolking, maar het verschil is te klein om te zorgen voor een daling van de bruto-arbeidsparticipatie. Sinds 2009 behoren van elke 100 extra personen in de potentiële beroepsbevolking er steeds meer dan 70 tot de werkende beroepsbevolking. Als de brutoarbeids­participatie ongeveer op 70 procent ligt, dan neemt die daardoor alleen maar toe. Verder valt in figuur 2.3 op dat de bruto-arbeidspartici­patie in de MRA – en in de stad Amsterdam in het bijzonder – sinds 1995 een sterkere ontwikkeling heeft doorgemaakt dan de bruto-arbeidsparticipatie in de rest van Nederland. Dit heeft verschillende oorzaken.

De belangrijkste is dat de economie van Amsterdam en de MRA sinds 1995 sterker is gegroeid dan de economie van de rest van Nederland als gevolg van een concentratie van economische activiteiten, waardoor de stad en de regio aantrekkelijker zijn geworden voor werkenden, ook om te wonen. Dat is ook terug te zien in de leeftijdsopbouw van de bevolking in de MRA, die gemiddeld jonger is geworden in vergelijking met de rest van Nederland. Daardoor is ook de vergrijzing minder invloed gaan uitoefenen op de bruto-arbeidsparticipatie in de MRA in vergelijking met de rest van Nederland.

Arbeidsparticipatie naar leeftijd en geslacht De bruto-arbeidsparticipatie ligt in de oudste leeftijdsgroep (45 tot en met 74 jaar) het laagst (62 procent in 2019), waardoor de gemiddelde arbeidsparticipatie lager zou worden bij een toename van het aandeel ouderen in de potentiële beroepsbevolking (vergrijzing). Zoals figuur 2.5 laat zien, wordt die ontwikkeling echter gecompenseerd door een toename van de arbeidsparticipatie in alle onderscheiden leeftijdscategorieën sinds 2003. De sterkste groei in bruto-arbeidsparticipatie vindt bovendien plaats in de oudste leeftijdsgroep. Het hoogste niveau van arbeidsparticipatie wordt gevonden bij de groep 25- tot 45-jarigen (88 procent in 2019). Bij jongeren onder de 25 jaar is de gemiddelde bruto-arbeidsparticipatie met 66 procent in 2019 nog altijd hoger dan bij de oudste leeftijdsgroep, ondanks het feit dat een groot deel van de jongeren nog actief is in het initieel onderwijs. Het verschil in bruto-arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen is in de afgelopen jaren langzaam kleiner geworden. Bedroeg de bruto-arbeidsparticipatie in 2003 nog respectievelijk 75 en 61 procent, in 2019 is deze opgelopen tot Figuur 2.4 Aantal werkenden neemt sneller toe dan potentiële beroepsbevolking, behalve tijdens de kredietcrisis Gemiddelde jaarlijkse verandering x 1.000 personen

25 20 15 10 5 0 -5

1

In deze Economische Verkenningen MRA zijn gegevens over bruto-arbeidsparticipatie en werkloosheid voor de jaren 2003-2019 aangevuld met gegevens voor de jaren 1995-2012. Deze cijfers van een eerdere periode hebben een andere definitie, namelijk de bevolking van 15 tot en met 64 jaar met betaald werk van meer dan 12 uur per week. De huidige definitie is ruimer, namelijk de bevolking van 15 tot en met 74 jaar met betaald werk van meer dan 1 uur per week. Voor de potentiele beroepsbevolking, beroepsbevolking, werkzame beroepsbevolking en werkloosheid zijn de gegevens vóór 2003 gecorrigeerd voor deze breuk, zodat een aansluitende tijdreeks voor de periode 1995-2019 is verkregen.

47

Economische Verkenningen MRA 2020

-10 1996-2002

2003-2008

2009-2013

Potentiële beroepsbevolking

Beroepsbevolking

Niet-actieven

Werkzame beroepsbevolking

2014-2019

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2020

48

respectievelijk 77 en 68 procent. Vanaf het uitbreken van de kredietcrisis is het tempo van de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen (ten opzichte van mannen) wel trager geworden.

laagopgeleiden was afgenomen naar 18 procent. Laagopgeleiden zijn relatief sterk vertegenwoordigd in de oudste leeftijdscategorie, omdat met elke generatie het gemiddelde opleidingsniveau toeneemt (ieder jaar komen er relatief meer hoogopgeleide jongeren bij). Deze trend is in Amsterdam nog sterker zichtbaar dan in de MRA als geheel.

Arbeidsparticipatie naar opleidingsniveau Hoewel de bruto-arbeidsparticipatie sinds 2003 voor zowel laag-, middelbaar- als hoogopgeleiden redelijk constant is gebleven, nam de totale arbeidsparticipatie toch toe. Dit kan worden verklaard doordat het aandeel hoogop­geleiden in het totaal steeds groter wordt ten koste van het aandeel laagopgeleiden (zie figuur 2.6). Hoogop­geleiden kennen gemiddeld een hogere bruto-arbeids­ participatie (85 procent in 2019) dan middelbaar opgeleiden (73 procent in 2019) en laagopgeleiden (51 procent in 2019; zie tabel 2.2). In 1995 was de beroepsbevolking van de MRA nog overwegend middelbaar opgeleid (44 procent van de beroepsbevolking), laagopgeleiden volgden met 32 procent, en hoogopgeleiden maakten 24 procent uit van de beroepsbevolking. In 2019 bestond de beroepsbevolking van de MRA grotendeels uit hoogopgeleiden, namelijk 46 procent van de beroepsbevolking. Het aandeel middelbaar opgeleiden was afgenomen naar 35 procent; het aandeel

Arbeidsparticipatie naar migratieachtergrond De bruto-arbeidsparticipatie van inwoners van de MRA met een niet-westerse migratieachtergrond ligt enkele procentpunten lager dan die van inwoners zonder migratieachtergrond: 68 versus 73 procent in 2019 (zie figuur 2.7). Dit verschil is tussen 2003 en 2019 weliswaar kleiner geworden (61 versus 69 procent in 2003), maar toch valt op dat de bruto-arbeidsparticipatie van inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond in tegenstelling tot andere inwoners van de MRA vanaf 2013 substantieel is gedaald en pas vanaf 2017 weer meestijgt met de rest van de beroepsbevolking. De bruto-arbeidsparticipatie van inwoners van de MRA met een westerse migratieachtergrond ligt juist hoger dan die van inwoners zonder migratieachtergrond (75 versus 73 procent in 2019). Figuur 2.6 De beroepsbevolking van de MRA is steeds hoger opgeleid

Figuur 2.5 Bruto-arbeidsparticipatie is het meest gestegen onder 45-plussers 90

70

Bruto-arbeidsparticipatie in %

Aandeel beroepsbevolking in %

60 50

80

40

70

30 60

20 10

50

0 1995

40 2003 Totaal

2005

2010 15 tot 24 jaar

2015

25 tot 44 jaar

45 tot 74 jaar

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

49

2019

2000

2005

Hoogopgeleid Middelbaar opgeleid

2010

2015

2019

Laagopgeleid Hoogopgeleid Amsterdam

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

50

Voor deze groep geldt dat ze relatief gemakkelijk ons land kunnen binnenkomen en verlaten, waardoor een bepaald deel van deze groep specifiek voor werk naar de regio komt. Dat zorgt ervoor dat de arbeidsparticipatie in deze groep relatief hoog ligt. Een vergelijking tussen de drie groepen laat zien dat de kredietcrisis in de periode 2009-2013 een grotere impact had op inwoners met een niet-westerse of westerse migratieachtergrond dan op inwoners zonder migratieachtergrond. Dit betekent dat inwoners met een migratieachtergrond over het algemeen een zwakkere positie op de arbeidsmarkt hebben in tijden van laagconjunctuur. In het licht van de coronacrisis en de te verwachten effecten hiervan, is dat een belangrijke constatering. Overigens ligt de brutoarbeidsparticipatie van inwoners met een migratieachtergrond in de MRA hoger dan landelijk: van inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond is de bruto-arbeidsparticipatie 68 procent in de MRA versus 67 procent landelijk, van inwoners met een westerse migratieachtergrond is deze 75 procent in de MRA versus 71 procent landelijk (zie tabel 2.2). De MRA biedt in tijden van hoogconjunctuur relatief goede kansen voor mensen uit alle delen van de wereld. Maar in tijden van laagconjunctuur blijft de positie van mensen met een migratieachtergrond kwetsbaar.

Zelfstandigen zonder personeel De werkende beroepsbevolking in de MRA bestaat in toe­nemende mate uit zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Uitgedrukt in de potentiële beroepsbevolking (bevolking van 15 tot en met 74 jaar) is dat aandeel tussen 2007 en 2018 toegenomen van 6 naar 9 procent (zie figuur 2.8). Dit is een sterkere groei dan landelijk, waar dit aandeel in 2018 uitkwam op 7 procent. Amsterdam kent binnen de MRA tussen 2007 en 2018 zowel het hoogste aantal zzp’ers als de sterkste toename van dit aantal. Inmiddels werkt meer dan 10 procent van de potentiële beroepsbevolking in Amsterdam als zzp’er. Opvallend is dat die toename nauwelijks lijkt te worden beïnvloed door de economische conjunctuur. Zowel tijdens de kredietcrisis als in de jaren van economische voorspoed die daarop volgden, is het aandeel zzp’ers in ongeveer hetzelfde tempo gegroeid, zowel in de MRA als landelijk, op een lichte dip in 2010 na. Gedurende de kredietcrisis werd het zelfstandig ondernemerschap vaak gezien als alternatief voor het werknemerschap bij een dalend aantal banen. Voor en na de Tabel 2.2 Bruto-participatie, werkloosheid en niet-actieven naar achtergrondkenmerk Brutoparticipatie MRA

Figuur 2.7 Arbeidsparticipatie niet-westerse inwoners MRA relatief laag 75

%

Bruto-arbeidsparticipatie in %

70

65

60 2003

2005

2010

Niet-westerse achtergrond

2015

Westerse achtergrond

Nederlandse achtergrond

Werkloosheid Niet-actieven MRA Nederland %

MRA

Werklozen MRA

x 1.000

Totaal

72

71

3,6

3,4

534

49

Laagopgeleiden

51

53

5,7

5,8

238

14

Middelbaar opgeleiden

73

75

3,3

3,3

176

16

Hoogopgeleiden

85

84

2,1

2,2

111

13

Nederlandse achtergrond

73

72

2,3

2,6

326

20

Niet-westerse achtergrond

68

67

5,8

7,3

134

17

Westerse achtergrond

75

71

1,9

4,4

67

4

Mannen

77

76

3,2

3,4

224

23

Vrouwen

68

67

2,8

3,4

308

18

15-24-jarigen

66

70

5,0

6,7

97

10

25-44-jarigen

88

88

2,8

2,8

86

17

45-74-jarigen

62

61

2,5

2,7

351

14

2019

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

51

Nederland

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

52

kredietcrisis bood het zelfstandig ondernemerschap voor veel werkenden grote mogelijkheden om meer invloed te kunnen uitoefenen op werkzaamheden en inkomen.

regionale economie daarmee niet alleen kwetsbaar, maar ook wendbaar: zzp’ers weten na een crisis doorgaans ook snel weer meer werk en inkomen te vergaren.

De ontwikkeling van het aantal zzp’ers is met name interessant in het licht van de coronacrisis. Blijft dit aantal toenemen ondanks de economische neergang, of zullen ook zzp’ers geraakt worden door de coronacrisis en moeten stoppen met hun eenmanszaak? Tijdens de kredietcrisis waren het vooral de individuele inkomsten uit het zelfstandig ondernemerschap die terugliepen. Het mediane inkomen2 dat zzp’ers uit hun bedrijf halen, daalde sterk in zowel 2009 – na de eerste economische dip eind 2008 – als in de periode 20122013, na de tweede economische dip in 2012 (zie figuur 2.9). Vanaf 2014 is juist sprake van een sterke ontwikkeling van het mediane inkomen uit zelfstandig ondernemerschap. De economische conjunctuur heeft dus niet zozeer invloed op het aantal zzp’ers, maar des te meer op het inkomen dat zij met hun zelfstandig ondernemerschap verdienen. Daarmee vangen zzp’ers een groot deel van de klappen van een economische crisis op. Dat zal naar verwachting niet anders gelden in de coronacrisis. Een groter aandeel zzp’ers maakt de

In de MRA – en met name in Amsterdam – speelt die wendbaarheid sterker dan landelijk, omdat het aandeel zzp’ers daar groter is. Daarnaast werken zzp’ers in de MRA gedeeltelijk in andere sectoren dan landelijk, waardoor de gevolgen voor de werkgelegenheid en het inkomen ook anders zijn. Tabel 2.3 vergelijkt de verdeling van zzp’ers over sectoren tussen de MRA, Amsterdam en Nederland als geheel. In de MRA werkt de helft van alle zzp’ers in de Zakelijke dienstverlening, Bouw, Cultuur, sport en recreatie en Zorg. De meeste van deze sectoren worden sterk geraakt door de coronacrisis.3 De gevolgen van de coronacrisis in de sector Cultuur, sport en recreatie zullen vooral gevoeld worden in Amsterdam, waar deze sector relatief groot is, met een relatief groot aandeel zzp’ers. Verder valt in de deelregio’s van de MRA op dat er relatief veel zzp’ers zijn te vinden in de Zorg in Almere-Lelystad (12,7 versus 8,5 procent), in de Financiële dienstverlening in Gooi en Vechtstreek (7,8 versus

Figuur 2.8 Het aantal zzp’ers in de MRA en met name in Amsterdam stijgt sterker dan landelijk

Figuur 2.9 Inkomen zelfstandigen daalt in laagconjunctuur en stijgt in hoogconjunctuur Mediane inkomen zzp'ers x 1.000 euro

Aandeel zzp'ers in %

32

12

30 28

10

26 24

8

22 20

6

18 16

4 2007 MRA

2010 Amsterdam

2015 Nederland

2007 MRA

2010 Amsterdam

2015

2018

Nederland

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

53

2018

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

54

2.3 Werkloosheid

5,6 procent), in de Handel in IJmond en Zaanstreek-Waterland (respectievelijk 11,6 en 9,9 procent versus 7,9 procent) en in de Zakelijke dienstverlening in Zuid-Kennemerland (27 versus 23 procent). Voor Amsterdam, IJmond, Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland lijken de gevolgen van de coronacrisis voor zzp’ers daarom sterker dan landelijk.

Tabel 2.3 Zelfstandigen werken in MRA vaak in andere sectoren dan landelijk, 2018 MRA

Amsterdam

Nederland

aandeel in % Zakelijke dienstverlening

23,0

26,0

17,6

Bouw

11,2

6,2

13,7

Cultuur, sport en recreatie

8,7

14,3

5,0

Zorg

8,5

7,4

10,6

Handel

7,9

6,1

9,3

Informatie en communicatie

6,8

8,5

4,2

Financiële dienstverlening

5,6

4,4

5,5

Onderwijs

4,8

5,1

4,3

Overige dienstverlening

4,8

3,7

6,1

Verhuur en overige zakelijke diensten

4,5

3,7

3,8

Vervoer en opslag

3,8

5,2

2,7

Industrie

2,1

1,8

3,0

Horeca

1,9

2,3

2,0

Landbouw

0,8

0,1

6,6

Overige sectoren

0,7

0,8

1,1

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

2

 et mediane inkomen is het inkomen waarbij de ene helft van de populatie minder verdient en de H andere helft meer. Dit is een betere indicator van de inkomensontwikkeling, omdat het gemiddelde inkomen veel sterker wordt beïnvloed door de hoogste inkomens, waardoor dat gemiddelde verhoudingsgewijs meer zegt over de hoge inkomens dan de lage inkomens in de populatie.

3

Volgens de Macro Economische Verkenning 2021 van het CPB is het vooral de werkgelegenheid in de private dienstverlening die wordt getroffen door de coronacrisis. Het gaat dan met name om cultuur, recreatie en overige diensten, de sectoren Handel, Vervoer en Horeca, en Zakelijke dienstverlening. Deze sectoren ondervinden relatief veel hinder van de contactbeperkende maatregelen en hebben bovendien te maken met vraaguitval vanwege besmettingsangst onder consumenten (CPB, 2020).

55

Economische Verkenningen MRA 2020

Mensen zijn werkloos als ze zonder betaald werk zitten, recent naar werk hebben gezocht en direct voor werk beschikbaar zijn. In de MRA is de werkloosheid tussen 2018 en 2019 afgenomen met 5 duizend personen, van 54 naar 49 duizend inwoners. Daarmee bedroeg het werkloosheids­percentage 3,6 procent van de beroepsbevolking, nog net boven het lage niveau van de jaren 1999 tot en met 2001 (3,0 procent in 2001). Destijds was de bruto-arbeidsparticipatie substantieel lager en waren er dus meer mensen in potentie beschikbaar voor de arbeidsmarkt dan in 2019. De schaarste aan personeel werd in 2019 in verschillende sectoren van de MRA voelbaar en leidde tot een toename van het woon-werkverkeer (zie paragraaf 2.4), een groei van de buitenlandse migratie (zie paragraaf 2.1) en een verhoging van de arbeidsparticipatie (zie paragraaf 2.2). In 2020 zal dat voor verschillende sectoren nog steeds gelden, terwijl sectoren die sterk geraakt worden door de coronacrisis, te maken krijgen met een snel stijgende werkloosheid. Figuur 2.10 laat zien dat het werkloosheidspercentage sterk meebeweegt met de conjunctuur. De langdurige periode van hoogconjunctuur sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw zorgde voor een sterke daling van de werkloosheid, totdat begin van deze eeuw het knappen van de internetbubbel tot stagnatie en stijgende werkloosheid leidde.

Vanaf 2005 was er weer sprake van een flinke economische groei en een dalend werkloosheids­percentage. Hieraan kwam een einde met het ontstaan van de kredietcrisis vanaf 2008. Sinds 2014 is er weer sprake van een afname van de werkloosheid. Ook deze daling komt ten einde, dit keer als gevolg van de economische neergang die volgt op de coronacrisis in 2020. Werkloosheid naar leeftijd en geslacht Het werkloosheidspercentage van 3,6 procent in de MRA is het gemiddelde van het werkloosheidspercentage van 5,0 procent voor de groep jongeren tot 25 jaar en de veel lagere werkloosheidspercentages voor de leeftijdsgroepen 25 tot en met 44 jaar (2,8 procent) en 45 tot en met 74 jaar (2,5 procent; zie tabel 2.2). Voor jongeren geldt dat zij vaak nog in een overgang zitten van de opleiding via ‘startbanen’ naar ‘hartbanen’ en nog de nodige Economische Verkenningen MRA 2020

56

werkervaring missen. Vooral voor jongeren zonder startkwalificatie is werkervaring belangrijk om het ontbreken van diploma’s te compenseren. Bij de oudere leeftijdsgroepen laat het werkloosheidspercentage van minder dan 3 procent zien dat er vooral sprake is van frictiewerkloosheid en nauwelijks van structurele werkloosheid, een teken dat de arbeidsmarkt in de MRA in 2019 behoorlijk krap was. In vergelijking met de rest van Nederland liggen de werkloosheidspercentages voor alle leeftijdsgroepen lager, in het bijzonder voor jongeren. Dat laat zien dat de arbeidsmarkt van de MRA specifiek voor jongeren veel kansen biedt op doorstroom van een opleiding naar de arbeidsmarkt. Waar in Nederland als geheel het werkloosheidspercentage gelijk ligt voor mannen en vrouwen (3,4 procent), ligt het werkloosheidspercentage voor vrouwen in de MRA nog lager dan dat voor mannen (2,8 versus 3,2 procent). Ook voor vrouwen is de doorstroom op de arbeidsmarkt binnen de MRA dus relatief goed.

van werkloosheid veel meer te lijden hebben onder perioden van economische neergang dan middelbaar opgeleiden. Laatstgenoemden hebben hier weer meer onder te lijden dan hoogopgeleiden. Onder deze laatste groep is het werkloosheidspercentage in de MRA sinds 2003 redelijk stabiel, rond de 2,5 procent (dit varieert tussen 1,4 procent in 2008 en 3,7 procent in 2013). Voor de groep laagopgeleiden in de MRA varieerde in dezelfde periode het werkloosheids­ percentage tussen 5,6 procent in 2008 en 12,6 procent in 2014. Voor laagopgeleiden in Amsterdam was dit respectievelijk 9,1 en 19,4 procent. In tijden van economische neergang wordt als eerste afscheid genomen van tijdelijk en gemakkelijk te vervangen personeel. In perioden van economische groei vindt deze groep ook weer snel de weg terug naar arbeid. Zo ligt het werkloosheidspercentage onder laag- en middelbaar opgeleiden in 2019 vrijwel op hetzelfde niveau als in 2008. Als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt, zal een steeds grotere groep werkenden (werknemers en zelfstandigen) te maken krijgen met de gevolgen van conjuncturele golfbewegingen. Vooral laag- en middelbaar opgeleiden vormen zo een flexibel reservoir van arbeid om conjuncturele schokken op te vangen; zij zorgen

Werkloosheid naar opleidingsniveau Er is een groot verschil in werkloosheidspercentages naar opleidingsniveau. Dit verschil wordt sterk beïnvloed door conjuncturele ontwikkelingen. Figuur 2.11 laat zien dat laagopgeleiden in termen

Figuur 2.11 Werkloosheid laagopgeleiden varieert sterker met conjunctuur Figuur 2.10 Werkloosheid sterk afhankelijk van conjunctuur

Werkloosheid in %

20

Werkloosheid in %

14 12

15

10 10

8 6

5

4 2

0 2003

0 1995 MRA

2000

2005

2010

Amsterdam

Nederland

2015

2005

2010

Laagopgeleid Laagopgeleid Amsterdam

2015

2019

Middelbaar opgeleid Hoogopgeleid

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

57

2019

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

58

voor een sterke veerkracht van de regionale economie. Dat is naar verwachting ook terug te zien in de gevolgen van de coronacrisis, waardoor de werkloosheid eerst flink zal toenemen en – wanneer de pandemie wereldwijd onder controle is – ook weer snel zou kunnen dalen, afhankelijk van de duur van de pandemie. Dat vergt naast een flexibele beroepsbevolking ook investeringen in van werk- naar werk­trajecten, omdat sectoren verschillend worden geraakt door de coronacrisis en ook verschillend uit de crisis zullen komen. Werkloosheid naar migratieachtergrond Opgedeeld naar migratieachtergrond, kennen inwoners van de MRA met een niet-westerse migratieachtergrond de hoogste werkloosheid (5,8 procent in 2019), meer dan twee keer zo hoog als bij inwoners zonder migratieachtergrond (2,3 procent in 2019). Inwoners met een westerse migratieachtergrond kennen het laagste werkloosheidspercentage (1,9 procent in 2019; zie tabel 2.2). Verschillen worden vooral veroorzaakt door het opleidingsniveau en de eerdergenoemde selectie van werkenden met een westerse migratieachtergrond die specifiek naar Nederland komen voor werk. In vergelijking met de rest van Nederland zijn de werkloosheidspercentages in de MRA onder alle herkomstgroepen lager.

Dit geldt in het bijzonder voor inwoners met een westerse migratieachtergrond (1,9 versus 4,4 procent in 2019), die veel vaker specifiek voor werk naar de MRA lijken te komen. Ontwikkelingen op korte termijn De coronacrisis trekt een zware wissel op de economische groei in Nederland en op die van de MRA in het bijzonder (Smits & Tieben, 2020). Met name de lockdown in het voorjaar van 2020 heeft gezorgd voor een uitval van aanbod van producten en diensten, waarna door dalende inkomsten ook de vraag naar producten en diensten is afge­ nomen. Het CPB voorspelt in de Macro Economische Verkenning 2021 van september (CPB, 2020) een krimp van de economie van 5,0 procent in 2020 en een toename van de werkloosheid tot 3,6 procent. Die relatief geringe stijging van de werkloosheid op korte termijn wordt door het CPB toegeschreven aan enerzijds de steunmaatregelen van de regering (die vooral werknemers met een vast contract op korte termijn beschermen tegen baan- en inkomensverlies) en anderzijds aan het zich niet langer aanbieden op de arbeidsmarkt 59

Economische Verkenningen MRA 2020

van voornamelijk flexibele werknemers die werkloos zijn geworden vanwege de slechte vooruitzichten op een baan op korte termijn. Hierdoor is het arbeidsaanbod gedeeltelijk meegedaald met het verlies aan banen. Voor de langere termijn hangen de vooruitzichten af van de ernst van vervolggolven van coronabesmettingen en de maat­ regelen die worden genomen om verdere besmettingen te voorkomen. Als gevolg van de tweede golf voorspelt het CPB (2020) een economische krimp die kan oplopen tot 3 procent in 2021 en een stijging van de werkloosheid tot 10 procent van de beroepsbevolking. De MRA en de stad Amsterdam in het bijzonder, zullen relatief sterk worden getroffen door de coronacrisis, omdat het aandeel van private dienstverlening (Zakelijke dienstverlening, Detailhandel, Horeca, Cultuur, sport en recreatie) daar aanzienlijk sterker is vertegenwoordigd dan landelijk. Deze sectoren ondervinden relatief veel hinder van de contactbeperkende maatregelen en hebben bovendien te maken met vraaguitval vanwege besmettingsangst onder consumenten (CPB, 2020). Bovendien kent de MRA een relatief flexibele beroepsbevolking, met veel tijdelijke contracten en een groot aantal zzp’ers.

Dit betekent op korte termijn dat de gevolgen voor de werkgelegenheid sneller zichtbaar worden in de MRA, met een sneller stijgende werkloosheid, lagere inkomens en een sneller krimpende beroepsbevolking dan landelijk. Door verschillen in de sectorstructuur kunnen er tussen deelregio’s grote verschillen ontstaan. Op langere termijn zorgt de relatief flexibele beroepsbevolking voor een groter herstelver­mogen, waardoor de MRA sneller uit de crisis zal komen dan andere delen van het land. Die snelheid zal wel sterk afhangen van de duur van de pandemie. Ook de discussie over verschillende vormen van arbeid en de gewenste balans daarin, o.a. gevoerd door de Commissie Regulering van Werk (‘Commissie-Borstlap’)4 zal invloed hebben op de manier waarop de arbeidsmarkt zich in de komende jaren zal ontwikkelen.

4

Zie ‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk.’ Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk, 23 januari 2020.

Economische Verkenningen MRA 2020

60

2.4 Veranderingen in het arbeids­aanbod

Tussen 2018 en 2019 is, als gevolg van een verder aantrekkende vraag naar arbeid, de werkzame beroepsbevolking toegenomen met 29 duizend personen (2,2 procent). Die toename betreft voornamelijk hoogopgeleiden (5,1 procent) en laagopgeleiden (1,3 procent; zie tabel 2.5). Het aantal middelbaar opgeleiden in de werkzame beroepsbevolking is juist met 10 duizend personen afgenomen (-2,1 procent). Omdat de werkloosheid onder middelbaar opgeleiden niet is toegenomen ten opzichte van laag- of hoogopgeleiden (zie figuur 2.11), zijn er eenvoudigweg minder middelbaar opgeleiden die zich op de arbeidsmarkt aanbieden. Dat heeft behalve met een toename van het gemiddelde opleidingsniveau in Nederland, ook te maken met een afname van de vraag naar arbeid voor beroepen en functies op middelbaar beroepsniveau als gevolg van automatisering en robotisering. In plaats daarvan ontstaan nieuwe banen op een hoger beroepsniveau. Bij laagopgeleiden gaat het vaak nog steeds om taken die niet gemakkelijk kunnen worden geautomatiseerd en waar een groeiende vraag naar is, zoals persoonlijke dienstverlening.

In 2019 is de beroepsbevolking, en daarmee het arbeids­aanbod, met 24 duizend personen toegenomen tot bijna 1,4 miljoen. Tabel 2.4 laat zien hoe het arbeidsaanbod is verdeeld over laag-, middelbaar en hoogopgeleiden. Het arbeidsaanbod maakt 72 procent uit van de totale potentiële beroepsbevolking, bij laagopgeleiden is dat bijna 51 procent en bij hoogopgeleiden 85 procent. Dat betekent dat bijna 50 procent van alle laagopgeleiden niet-actief is op de arbeidsmarkt van de MRA. Bij middelbaar opgeleiden is dat ruim 25 procent, bij hoogopgeleiden bijna 15 procent. ‘Niet-actief’ heeft alleen betrekking op betaald werk, omdat een deel van de groep niet-actieven wel degelijk actief is door bijvoorbeeld een opleiding te volgen, vrijwilligerswerk te doen of mantelzorg te bieden. Ook heeft een deel van deze groep weinig kansen op de arbeidsmarkt door gebrek aan kennis of vaardigheden, of is ontmoedigd om arbeid aan te bieden door eerdere negatieve ervaringen. De groep laagopgeleiden heeft het grootste onbenutte arbeidspotentieel, maar kent ook het hoogste werkloosheidspercentage: 5,7 procent. Bij hoog­opgeleiden is dat 2,1 procent. Gemiddeld zit 3,6 procent van het totale arbeidsaanbod in de MRA zonder werk. Tabel 2.4 Opbouw arbeidsaanbod naar opleidingsniveau in de MRA Totaal

Laag

Middelbaar

Hoog

x 1.000 Potentiële beroepsbevolking

1.914

479

662

745

Beroepsbevolking

1.379

244

481

633

Werkzamen

1.331

226

466

619

Werklozen

49

14

16

13

Niet-actieven

534

238

176

111

aandeel in % Potentiële beroepsbevolking

100

100

100

100

Brutoparticipatie

72,0

50,9

72,7

85,0

Nettoparticipatie

69,5

47,2

70,4

83,1

Werkloosheid

3,6

5,7

3,3

2,1

Niet-activiteit

27,9

49,7

26,6

14,9

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

61

Economische Verkenningen MRA 2020

Opvallend is dat inwoners van de MRA met een migratieachtergrond in 2019 sterker hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de werkgelegenheid dan inwoners zonder migratieachtergrond. De toename van het aantal werk­zame personen bedroeg onder inwoners met een migratie­achtergrond rond de 5 procent, tegenover 1,1 procent voor inwoners zonder migratieachtergrond. In een krappe arbeidsmarkt kan de grootste toename plaatsvinden bij de groepen met het hoogste onbenutte arbeidspotentieel. Het betekent niet alleen dat een situatie van hoogconjunctuur nodig is om een inhaalslag te maken in de arbeidspartici­patie van inwoners met een zwakkere positie op de arbeidsmarkt, maar ook dat deze groepen voldoende geschikt zijn om een rol op de arbeidsmarkt te kunnen vervullen. Overigens is een deel van de toename van het aantal werkzame personen met een migratie­ achtergrond rechtstreeks afkomstig uit het buitenland, gelet op de toename van de buitenlandse migratie (zie figuur 2.2). Dat laat zien dat het aanbod van passende arbeid mogelijk onvoldoende is onder de beroepsbevolking in de MRA. Dat kan enerzijds liggen aan de kwaliteit van het arbeidsaanbod, maar anderzijds ook aan de aanwezigheid van moeilijk vervulbare vacatures en de (arbeidsvoorwaardelijke) eisen waar inwoners van de MRA niet altijd aan willen of kunnen voldoen

Economische Verkenningen MRA 2020

62

2.5 Mobiliteit

(bijvoorbeeld het verrichten van zwaar fysieke arbeid of het draaien van nachtdiensten).

Afhankelijk van de beschikbaarheid van woningen en de bereikbaarheid van de werklocatie, besluiten huishoudens te verhuizen en/of op en neer te pendelen naar het werk (woon-werkverkeer). In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de ontwikkeling van pendel­ stromen naar, vanaf en binnen de MRA en daarna op de ontwikkeling van het aantal verhuizingen van en naar de MRA. De beschikbaarheid en prijzen van huizen hebben dus net zo goed invloed op de omvang van het woon-werkverkeer als dat de omvang van het woon-werkverkeer invloed heeft op de vraag naar woningen.

In 2019 zijn meer vrouwen aan het werk gekomen dan mannen, en meer ouderen dan jongeren. Deels zijn deze ontwikkelingen een gevolg van de omvang van het arbeidsaanbod (vrouwen hebben nog altijd een lagere arbeidsdeelname en door de vergrijzing is er relatief weinig aanbod van jongeren), maar ze laten ook zien dat alle groepen in de samenleving in tijden van krapte kansen hebben op de arbeidsmarkt van de MRA.

Woon-werkverkeer Arbeidsplaatsen binnen de MRA worden vervuld door zowel de inwoners van de deelregio’s binnen de MRA als door mensen die elders in het land wonen. Ook werkt een deel van de werkzame beroeps­ bevolking van de MRA buiten de regio. Op basis van de gegevens over banen van werknemers naar woon- en werkregio kunnen de ingaande en uitgaande pendelstromen in beeld worden gebracht.

Tabel 2.5 Verandering opbouw werkzame beroepsbevolking naar categorie in de MRA Aantal personen x 1.000, 2018 en 2019; verschil x 1.000; groei in procenten 2018

2019

Verschil

x 1.000

x 1.000

x 1.000

%

1.302

1.331

29

2,2

Laagopgeleid

223

226

3

1,3

Middelbaar opgeleid

476

466

-10

-2,1

Hoogopgeleid

589

619

30

5,1

Nederlandse achtergrond

846

855

9

1,1

Niet-westerse achtergrond

261

275

14

5,4

Westerse achtergrond

189

198

9

4,8

Mannen

685

699

14

2,0

Vrouwen

618

637

19

3,1

15-24-jarigen

184

187

3

1,6

25-44-jarigen

583

595

12

2,1

45-74-jarigen

536

548

12

2,2

Totaal

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

63

Economische Verkenningen MRA 2020

In 2018 wonen 1,3 miljoen mensen die deel uitmaken van de werkzame beroepsbevolking in de MRA en werken 1,5 miljoen mensen bij bedrijven en instellingen die in de MRA gevestigd zijn. Van de personen die bij bedrijven en instellingen in de MRA werken, wonen er 1 miljoen in de MRA. De totale inkomende pendelstroom komt daarmee op 466 duizend personen. De totale uitgaande pendelstroom is naar schatting 243 duizend personen. Daarmee komt de netto inkomende pendelstroom uit op 223 duizend personen. De pendelstromen van 2018 laten zien dat de regio Amsterdam en Amstelland-Meerlanden de hoogste inkomende pendelsaldi hebben, respectievelijk 218 en 102 duizend personen (zie tabel in bijlage 4). In beide gevallen is het aantal werkzame personen veel hoger dan de totale werkzame beroepsbevolking in deze regio’s. Gooi en Vechtstreek heeft ook een licht positief pendelsaldo (van 2 duizend personen). Bij alle andere regio’s is juist het tegenovergestelde te zien: daar is de totale werkzame beroepsbevolking hoger dan het aantal werkzame personen. Zaanstreek-Waterland en Almere-Lely­stad

Economische Verkenningen MRA 2020

64

per MRA-regio en het potentiële arbeidsaanbod (beroepsbevolking) per regio neemt in de loop der jaren toe. De grootste toename vindt plaats in regio Amsterdam, waarbij het verschil is gestegen met ruim 40 duizend personen. Deze cijfers weerspiegelen de trend in de betreffende periode dat steden een sterke aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op nieuwe bedrijvigheid. Op de tweede plaats staat Amstelland-Meerlanden met een toename van ruim 22 duizend personen. De laagste toename is in Zuid-Kennemerland, met een verschil van duizend personen.

hebben met respectievelijk 40 en 31 duizend personen het hoogste uitgaande pendelsaldo en zijn daarmee bij uitstek woon­regio’s binnen de MRA. De steeds schevere verhouding tussen wonen en werken heeft sterke gevolgen voor de mobiliteitsdruk gehad. De omvang van de pendelstromen wordt onder andere bepaald door de afstand en bereikbaarheid van de regio, de arbeidsmarkt en woningmarkt. De hoogconjunctuur leidde ertoe dat de woningmarkt steeds krapper werd, terwijl de bedrijvigheid en de vraag naar personeel toenamen. In de MRA en in Amsterdam in het bijzonder, betreft dit in toenemende mate een vraag naar hoogopgeleid personeel, dat eerder dan laagopgeleid personeel bereid is om te pendelen (zie onder andere EVMRA, 2016).

Verhuizingen Het grootste deel van alle verhuisbewegingen vindt plaats binnen de verschillende deelregio’s van de MRA (zie figuur 2.13). Mensen verhuizen vooral binnen de eigen vertrouwde omgeving. Een groot deel van de overige verhuizingen in, vanuit en naar de MRA betreft verhuizingen van en naar de gemeente Amsterdam. Relatief grote verhuisstromen bestaan er tussen Amsterdam en Amstelland-Meerlanden (onder andere Amstelveen en Haarlemmermeer).

In de periode 2014-2018 is de woon-werkbalans in de MRA steeds schever geworden. Het verschil tussen het aantal werkzame personen Figuur 2.12 De MRA kent per saldo een grote inkomende pendel, 2018 25

Holland boven Amsterdam

Totaal MRA

112

466

243

Figuur 2.13 Veruit de meeste verhuizingen blijven binnen de deelregio’s van de MRA, 2018 Totaal 45 naar MRA

7

Holland boven Amsterdam

Totaal Overig Nederland

IJmond

11 8

7

3

3 9

9

8 23

IJmond

18

Almere-Lelystad 4

6

16

300

24

Amstelland-Meerlanden

4

11

3

Metropoolregio Amsterdam Woont en werkt in MRA: 1,059 miljoen personen Woont en werkt in eigen deelregio: 676 duizend personen Interne MRA pendel: 383 duizend personen Inkomende pendel: 466 duizend personen Uitgaande pendel 243 duizend personen

59

136

71

Zuid-Holland

85

2

2

OostNederland

3

8

7

9

Zuid-Nederland

77

Utrecht

16

Gooi en Vechtstreek 15

11

6

6

14 Pendel tussen twee regio’s x 1.000 personen Grootste onderlinge stroom is rood < 1.000 niet meegenomen

Zuid-Holland

8

4

woont- en werkt in dezelfde regio

164

Bron: CBS (bewerking CE Delft)

65

Amsterdam 6

1

21

2

Amstelland-Meerlanden

Gooi en Vechtstreek

getal x 1.000

14

1

19

22

46

OostNederland

7

1

79

5

30

5

9

56

1

ZuidKennemerland

2

Almere-Lelystad

5

66

Amsterdam 54

Zaanstreek-Waterland

2

1

31

17

ZuidKennemerland 47

14

4

5 5

10

Zaanstreek-Waterland 3

7

Noord-Nederland

2

5

78

7

4

11

Totaal naar overig NL

6

Noord-Nederland 47

51

Zuid-Nederland

10

12

Metropoolregio Amsterdam Totaal verhuizingen: 329 duizend Naar MRA: 45 duizend Naar overig Nederland: 51 duizend Binnen de MRA: 233 duizend w.v. binnen een regio: 180 duizend w.v. tussen twee regio's: 53 duizend

Utrecht Verhuizingen tussen twee regio's x 1.000 Grootste onderlinge stroom is rood Tussen de 500 en 1500 < 500 niet meegenomen

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

66

Er verhuizen meer mensen van Amsterdam naar de andere delen van de MRA dan andersom. De aantallen verhuizingen tussen andere deelregio’s dan Amsterdam zijn relatief beperkt. Vanuit de MRA verhuizen meer mensen naar nabijgelegen provincies dan andersom (zie ook figuur 2.2).

67

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

68

3 n

n

n

n

n

Economische structuur en concurrentiekracht

De groei van de toegevoegde waarde en de werk­gelegenheid was in de periode 2013-2018 in de MRA hoger dan in Overig Nederland. In bijna alle sectoren was de groei hoger dan in Overig Nederland. De MRA is gespecialiseerd in sectoren met een relatief snel groeiende toegevoegde waarde en werkgelegenheid zoals ICT en (Specialistische) zakelijke diensten. De arbeidsproductiviteit in de MRA lag gedurende de periode 1996-2012 ongeveer 20 procent boven de arbeidsproductiviteit in Overig Nederland. Kennis­intensieve bedrijven clusteren zich in de regio en profiteren van agglomeratievoordelen die de MRA biedt. De groei van de arbeidsproductiviteit vlakt enigszins af vanaf 2013, maar in mindere mate dan in Overig Nederland. Hierdoor ligt de arbeidsproductiviteit in de MRA in 2018 niet 20 maar 25 procent hoger dan in Overig Nederland. De MRA is gespecialiseerd in een aantal sectoren die relatief kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de coronacrisis, zoals de sectoren Cultuur, sport en recreatie, Horeca, Specialistische zakelijke diensten en Financiële diensten.

Economische Verkenningen MRA 2020

70

In dit hoofdstuk analyseren we de economische structuur van de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De focus ligt op de ontwikkelingen in de periode van herstel sinds de financiële crisis, 2013-2018. In paragraaf 3.1 vergelijken we de sectorale ontwikkelingen in de MRA met die in Overig Nederland en analyseren we het specialisatie­ patroon van de MRA. Deze analyses laten zien welke sectoren de afgelopen jaren een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de groei van de regio als geheel en welke sectoren in de MRA sneller en langzamer groeiden dan in de rest van Nederland. In paragraaf 3.2 besteden we uitgebreid – meer dan in andere jaren – aandacht aan arbeidsproductiviteit. Daarbij analyseren we de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in de MRA in de afgelopen jaren. We maken hierbij onderscheid tussen sectoren en leggen verbanden met factoren die van belang zijn voor de arbeidsproductiviteitsontwikkeling. In paragraaf 3.3 analyseren we de impact die de coronacrisis heeft op de economische structuur en de ontwikkeling van de MRA.

3.1 Economische ontwikkeling per sector en specialisatie In deze paragraaf kijken we naar het specialisatiepatroon van de MRA in combinatie met de groei van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van sectoren. Hierbij ligt de focus op de recente periode 2013-2018. Allereerst schetsen we de economische ontwikkeling in de MRA ten opzichte van die van Overig Nederland. Dit doen we door een zogenoemde shift-share-analyse; deze toont de groei van sectoren in de beschouwde periode in de MRA, in vergelijking met de groei van diezelfde sectoren in de Nederlandse economie als geheel. Ontwikkelingen MRA afgezet tegen de Nederlandse economie Hoe verhoudt de economische groei van de MRA zich tot de groei van de Nederlandse economie als geheel? En wat is het belang van de sectorale samenstelling van de MRA voor het verklaren van verschillen in economische ontwikkeling tussen de MRA en Nederland? Om tot een antwoord op beide vragen te komen, moeten we de sectorale groei ontleden (zie kader 3.1). Kader 3.1 Decompositie van de groei Om de groei van de economie in de MRA te analyseren, gebruiken we een shift-shareanalyse. Hierin wordt de groei van een variabele (in dit hoofdstuk respectievelijk toegevoegde waarde, werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit) gesplitst in een samenstellingseffect en een sectoralegroei-effect.

Het samenstellingseffect geeft aan hoe de groei van de MRA zich ontwikkeld zou hebben als de groei van de sectoren van de MRA-economie gelijk zou zijn geweest aan de groei van diezelfde sectoren van de Nederlandse economie. Het verschil tussen deze hypothetische groei en de groei van de Nederlandse economie wordt dan veroorzaakt doordat de sectorstructuur van de MRA afwijkt van de Nederlandse economie. Als de MRA gespecialiseerd is in sectoren met een relatief hoge groei op nationaal niveau, dan ligt de op die manier berekende hypothetische groei van de MRA boven die

71

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

72

de in de Nederlandse economie als geheel, is terug te voeren op het sectoralegroei-effect: het feit dat de groei per sector in de MRA hoger ligt dan de groei van diezelfde sector in de Nederlandse economie als geheel. Alleen in de Zorg, Landbouw en Industrie is de groei van de toegevoegde waarde in de MRA lager dan in Nederland (niet in de figuur) en die laatste twee sectoren zijn in de MRA bovendien relatief klein. In alle andere sectoren is de groei in de MRA (soms aanzienlijk) hoger. De hogere groei van de MRA ten opzichte van de Nederlandse economie als geheel wordt dus voornamelijk gedreven door een hogere groei per sector: het sectoralegroei-effect domineert. Een mogelijke verklaring hiervoor is het belang van agglomeratievoordelen, het feit dat bedrijven en werknemers profijt ondervinden van de aanwezigheid van andere bedrijven en werknemers in de omgeving, hetgeen bijvoorbeeld bijdraagt aan makkelijkere kennisuitwisseling en een betere match op de arbeidsmarkt (zie ook paragraaf 3.2 voor een uitgebreide toelichting hierop).

van de Nederlandse economie. In dat geval is het samenstellingseffect positief: de specialisatie van de MRA veroorzaakt een hogere groei van de MRA als geheel. De uitkomst geeft inzicht in de mate waarin de specialisatie van de MRA in bepaalde sectoren bijdraagt aan een hogere of juist lagere groei (samenstellingseffect). Het sectoralegroei-effect geeft aan welk deel van het groeiverschil tussen de MRA en Nederland veroorzaakt wordt door verschillen in de groei per sector. Het groeiverschil tussen de MRA en Nederland wordt dan veroorzaakt doordat de groei per sector in de MRA afwijkt van diezelfde sector in de Nederlandse economie. Als sectoren in de MRA gemiddeld harder groeien dan diezelfde sectoren in Nederland, dan ligt de op die manier berekende hypothetische groei boven die van de Nederlandse economie. Het sectoralegroei-effect geeft daarmee inzicht in de mate waarin de groei van de MRA wordt veroorzaakt doordat sommige sectoren in de MRA zich beter ontwikkelen dan in de rest van Nederland. Figuur 3.1 splitst de groei van de toegevoegde waarde in de MRA in de periode 2013-2018 in het samenstellingseffect en het sectoralegroei-effect. De rode lijn geeft de werkelijke groei van de toegevoegde waarde weer gedurende deze periode in de MRA. De toegevoegde waarde steeg in de MRA met ruim 20 procent.

De onderste, blauwe lijn geeft weer hoe de toegevoegde waarde in de MRA gegroeid zou zijn als deze even snel gegroeid zou zijn als de Nederlandse economie: de groei was dan bijna de helft lager uitgekomen. Ten slotte geeft de grijze lijn in de figuur de ontwikkeling weer van de toegevoegde waarde in de MRA zoals die geweest zou zijn als de groei per sector in de MRA vanaf 2012 gelijk zou zijn geweest aan de groei van de betreffende sector op nationaal niveau. Het verschil tussen de blauwe en de grijze lijn geeft het samenstellingseffect van de economie van de MRA weer. Doordat de MRA gespecialiseerd is in sectoren die relatief snel groeien, komt de grijze lijn (enigszins) boven de blauwe lijn uit, maar het verschil is klein. De sectorale samenstelling van de MRA-economie verklaart dus maar een klein deel van de relatief snelle groei van de toegevoegde waarde ten opzichte van de Nederlandse economie als geheel. Verreweg het grootste deel van het verschil met de groei van de toegevoegde waar73

Economische Verkenningen MRA 2020

Figuur 3.1 Economie MRA groeit sinds 2012 aanzienlijk sneller dan Nederland

125

Decompositie groei toegevoegde waarde MRA Index: 2012=100

120 115

Sectorale groeieffect = 8,6

110

Samenstellingseffect = 0,8

105 100 95 2012

2013

2014

2015

2016

MRA

MRA met sectorale groei als Nederland MRA met groei Nederland

2017

2018

Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2020

74

Figuur 3.2 geeft een vergelijkbaar inzicht in de werkgelegenheidsgroei. Uit deze figuur blijkt dat ook de werkgelegenheid in de MRA in deze periode met 11 procent aanzienlijk sneller groeide dan in de Nederlandse economie als geheel (7 procent), hoewel dit verschil minder groot is dan bij de toegevoegde waarde. Ook hier verklaart het samenstellingseffect – het feit dat sectoren met een snelle werkgelegenheidsgroei in de MRA relatief groot zijn – slechts een beperkt deel van het totale groeiverschil, namelijk een kleine 30 procent. Het grootste deel van het verschil met de werkgelegenheidsgroep in de Nederlandse economie als geheel komt door de hogere groei per sector in de MRA dan die van vergelijkbare sectoren in Nederland. Alleen in Overige zakelijke diensten, Zorg en Landbouw was de werkgelegenheidsgroei lager. In alle andere sectoren was de groei in de MRA hoger. Vooral in sectoren als Informatie en communicatie en Financiële diensten ligt de groei van de werkgelegenheid in de MRA veel hoger (circa 2 procentpunt per jaar) dan in Nederland als geheel.

Figuur 3.2 Ook werkgelegenheid groeit in MRA harder dan in Nederland

115

Decompositie groei werkgelegenheid MRA Index: 2012=100

Specialisatiepatronen en determinanten van groei Verschillen in sectorstructuur maar vooral de snellere groei van diverse sectoren verklaren dus de snellere groei van de MRA-economie. Om de sectorale specialisatie van de MRA nader te analyseren, vergelijken we de (relatieve) omvang van elke sector in de economie van de MRA met de omvang van de desbetreffende sector in Overig Nederland: de specialisatiegraad.5 Hiermee kunnen we bepalen in welke sectoren de MRA is gespecialiseerd ten opzichte van de rest van Nederland. Een specialisatiegraad met een waarde van 100 betekent dat het aandeel van de sector in de MRA gelijk is aan het aandeel van diezelfde sector in de rest van Nederland. In figuur 3.3 is de specialisatiegraad van de MRA in 2018 berekend op basis van de toegevoegde waarde per sector; in figuur 3.4 is deze berekend op basis van de werkgelegenheid. De MRA is ten opzichte van Overig Nederland relatief sterk gespecialiseerd in de sectoren aan de rechterzijde van de verticale stippellijn. Hier is het aandeel van de sector (in toegevoegde waarde of werkgelegenheid) in de MRA relatief groot ten opzichte van de rest van de Nederlandse economie. Aan de linkerzijde van de stippellijn is sprake van een relatieve ondervertegenwoordiging van sectoren in de MRA ten opzichte van Overig Nederland.

De grootte van de bol reflecteert het aandeel van de desbetreffende sector in de economie van de MRA. Kader 3.2 De specialisatie-index

Sectorale groeieffect = 3,1

110

De specialisatie-index geeft aan hoe het aandeel van een sector in de economie van de MRA zich verhoudt tot het aandeel van diezelfde sector in de economie van Overig Nederland. Wanneer een sector relatief groot is in de MRA, duidt dit op een sterke positie van de MRA in deze bedrijfsactiviteit. Een dergelijk economisch zwaartepunt komt tot uiting in een indexscore hoger dan 100. Omgekeerd drukt een score lager dan 100 een relatief beperkte vertegenwoordiging van een sector in de MRA uit ten opzichte van Overig Nederland.

Samenstellingseffect = 1,2

105

100

95 2012

2013

2014

2015

2016

MRA

MRA met sectorale groei als Nederland MRA met groei Nederland

2017

2018 De berekening is als volgt: (Aandeel sector (in %) in totale toegevoegde waarde (of werkgelegenheid) MRA) (Aandeel sector (in %) in totale toegevoegde waarde (of werkgelegenheid) Overig Nederland)

Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economische Onderzoek)

75

5

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

x 100

76

In de figuren 3.3 en 3.4 wordt de positie op de specialisatie-index (horizontaal) afgezet tegen de gemiddelde groei van de (toegevoegde waarde respectievelijk werkgelegenheid in de) sector in de periode 2013-2018. De horizontale stippellijn geeft de gemiddelde groei van de MRA per jaar. Sectoren boven (onder) de stippellijn groeiden bovengemiddeld (benedengemiddeld). Zo ontstaan vier kwadranten. Sectoren waarin de MRA sterk is gespecialiseerd én die bovengemiddeld snel groeiden in de periode 2013-2018, bevinden zich in het kwadrant rechtsboven.

In de praktijk betekent een hoge specialisatie-indexscore vaak ook dat er sprake is van fysieke concentratie van de betreffende bedrijfsactiviteiten in de MRA. Hiermee bedoelen we dat een groot deel van de (landelijke) sector in de MRA is gevestigd. De gedachte achter de specialisatie-index is dat een sectorale oververtegenwoordiging het resultaat is van kostenvoordelen en productiviteitsvoordelen die samenhangen met specifieke gunstige regionale factoren. In economisch jargon spreken we van ‘comparatieve voordelen’, zoals unieke kennis, kunde, menselijk kapitaal, (internationale) bereikbaarheid en vertrouwen. Deze voordelen bepalen in belangrijke mate de concurrentiepositie van bedrijfsactiviteiten in de regio.

De MRA is in termen van toegevoegde waarde gespecialiseerd in Financiële diensten, Informatie en communicatie, Cultuur, recreatie en sport, Horeca, Specialistische zakelijke diensten, Vervoer en opslag, Overige zakelijke diensten en Groothandel. Afgezien van Cultuur, recreatie en sport en Horeca zijn dit ook relatief grote sectoren binnen de economie van de MRA.

Figuur 3.3 Groei MRA wordt in belangrijke mate gedreven door commerciële diensten

8

Toegevoegde waarde 2013-2018 Gemiddelde groei in %

7 Informatie en communicatie

7 Overige zakelijke diensten

6

Bouw

Onroerend goed

3

Groothandel

Industrie

0

Landbouw

20

Financiële diensten

Overige diensten

Overheid

40

2

Gemiddelde Gemiddelde groei groei MRA MRA 2013-2018 2013-2018 (3,2%) (3,2)

Zorg

2

60

-1

Onderwijs

Lagere specialisatie

100

120

140

160

180

Hogere specialisatie

Aandeel sector in Overig Nederland = 100

200

220

240

260

Specialisatie-index (tw)

Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economische Onderzoek)

77

1 0

Cultuur, sport en recreatie

80

Horeca

3

Specialistische zakelijke diensten

Energie, water en afval

6

4

Vervoer en opslag

Detailhandel

4

Werkgelegenheid (fte’s) 2013-2018 Gemiddelde groei in %

Informatie en communicatie

5

Horeca

5

1

Figuur 3.4 Werkgelegenheid MRA gedreven door ICT, zakelijke en consumentendiensten

Economische Verkenningen MRA 2020

-2

Overige zakelijke diensten

Specialistische zakelijke diensten

Detailhandel Energie, water en afval

Cultuur, sport en recreatie

Overige diensten Onderwijs Industrie Landbouw

20

40

60

80

Bouw Overheid

Vervoer en opslag

Gemiddelde groei MRA 2013-2018 (1,8%)

Onroerend goed

100 Zorg

120

140

160

Groothandel

Lagere specialisatie

180

200

220

240

Financiële diensten

Hogere specialisatie

Aandeel sector in Overig Nederland = 100

Specialisatie-index (arbeid)

Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economische Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2020

78

3.2 Arbeidsproductiviteits­ontwikkeling

Dit bevestigt het beeld van de MRA uit eerdere edities van de Economische Verkenningen MRA: de MRA als hoogwaardige diensteneconomie met aantrekkelijke stedelijke voorzieningen (zoals bioscopen, restaurants, musea en theaters). Met uitzondering van Cultuur, recreatie en sport en Financiële diensten, kennen deze sectoren ook allemaal een (ruim) bovengemiddelde groei van de toegevoegde waarde in de periode 2013-2018. De groei van de Financiëledienstensector blijft, ook op landelijk niveau, achter sinds de financiële crisis (die begon met de val van zakenbank Lehman Brothers in 2008). Dat neemt niet weg dat deze sector in de MRA ten opzichte van de financiële diensten op nationaal niveau nog relatief snel groeit. Kortom, commerciële diensten zijn de belangrijkste aanjagers van de relatief hoge economische groei van de MRA sinds 2012. Dezelfde analyse van het aandeel in de werkgelegenheid (zie figuur 3.4) levert een vergelijkbaar beeld. De gemiddelde jaarlijkse groei in de MRA bedroeg 1,8 procent: dit is flink hoger dan de 1,1 procent groei in de Nederlandse economie als geheel. Ook in termen van werkgelegenheid is de MRA gespecialiseerd in de sectoren Informatie en communicatie, Financiële diensten, Cultuur, recreatie en sport, Specialistische zakelijke diensten, Groothandel, Horeca, Vervoer en opslag en Onroerend goed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9958916/1