CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A- 28 Openbare Orde en Veiligheid (4) Economische-Verkenningen-Metropoolregi

RAAD 31 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de bespreking van het onderwerp Weldoordacht plan van aanpak heropening Amsterdamse samenleving in de raadscommissie AZ. Nr. VN2021-00624748.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

De CO2-uitstoot in de MRA is in deze periode gedaald met 8,5 procent. Deze afname is hoger dan de reductie in geheel Nederland van 5,2 procent. Hier is sprake van een absolute ontkoppeling, omdat deze daling van CO2-uitstoot zich ondanks de groei in de MRA van economie en bevolking (die ook nog eens sterker was dan die van Nederland), heeft voorgedaan. Dit betekent dat de emissie-intensiteit van de MRA-economie aanzienlijk is afgenomen. De daling wordt onder andere veroorzaakt door de groei van het aandeel hernieuwbare energie, het verbeteren van het energielabel van woningen en gebouwen en de uitbreiding van het aantal warmteaansluitingen. 23

157

Economische Verkenningen MRA 2020

De MRA kent twee RES’en: RES Noord-Holland Zuid en RES Flevoland. Hierin werken de MRA-gemeenten ook samen met gemeenten die buiten de MRA vallen, zoals andere gemeenten in de provincie Flevoland.

Economische Verkenningen MRA 2020

158

Zo daalde het totale gasverbruik van zowel woningen als gebouwen sinds 2015.

gesloten) en drie in het Velsen/IJmond-cluster. Als we kijken naar bedrijven, dan zien we dat het in het NZKG gevestigde Tata Steel relatief veel CO2 uitstoot (ruim 6 Mton per jaar, exclusief elektriciteitsproductie in de nabijgelegen Nuon-centrale die restgassen van Tata Steel verstookt), gevolgd door het Afval Energiebedrijf Amsterdam (AEB) met 1,7 Mton per jaar.25 Dit zijn afgeronde cijfers, die van jaar tot jaar kunnen fluctueren. De dienstensector bestaat uit een groot aantal bedrijven met elk een betrekkelijk lage CO2-uitstoot (in totaal ruim 8 Mton). De totale uitstoot van gebouwde omgeving is ruim 7 Mton. Hiervan is 3,5 Mton afkomstig van woningen. Tabel 5.3 laat zien dat de dienstensector en huishoudens in de totale uitstoot van de MRA oververtegenwoordigd zijn, terwijl de uitstoot van de industrie een kleiner aandeel heeft dan in Nederland als geheel. Transport wijkt nauwelijks af van Nederland (Broekman et al., 2017).

Binnen de MRA is een veelheid aan activiteiten verantwoordelijk voor de uitstoot van CO2.24 De grootste emittenten zijn geconcentreerd in het Noordzeekanaalgebied (NZKG) met een totale omvang van circa 19 megaton (Mton) CO2-uitstoot per jaar (dit is 11 procent van de CO2-emissies van heel Nederland; overigens is een belangrijk deel van deze emissies het gevolg van het produceren van energie en producten die buiten het havengebied geconsumeerd worden). Verder beslaat elektriciteitsproductie in verschillende centrales daarvan zo’n 6,2 Mton per jaar. Dit betreft een gascentrale in het cluster aan de Hemweg in Amsterdam (de kolencentrale is sinds 2019 Figuur 5.6 De MRA laat ondanks economische groei een daling van CO2 emissies zien

Routes naar CO2-neutraal Er zijn twee hoofdroutes om energieneutraal of CO2-neutraal te worden: enerzijds energiebesparing, anderzijds de productie van hernieuwbare energie. Beide routes laten we zien in figuur 5.7. Deze figuur laat tot 2018 de realisatie van het energieverbruik en de opwek van hernieuwbare energie binnen de MRA zien; vanaf 2018

Index 2010 = 100

130 120 110

Tabel 5.3 Huishoudens en diensten in MRA verbruiken relatief veel energie in 2015

100

MRA

90 80 2010

2011

CO2-uitstoot*

2012 Bevolking

2013

2014

2015

2016

2017

Bruto Regionaal Product

* CO2-emissies door gas, elektra, warmte en voertuigbrandstof (inclusief van doorgaand verkeer op auto(snel)wegen, waar het regionaal MRA beleid overigens geen directe invloed op heeft). Gemeente Velsen ontbreekt in de CO2-emissies vanwege vertrouwelijkheid emissiegegevens van TataSteel. In de Klimaatmonitor is de CO2-uitstoot berekend met verschillende soorten energiedragers en de bijbehorende emissiefactoren. 2017 is op dit moment de meest recente data in de Klimaatmonitor. Bron: Klimaatmonitor en EVMRA H2

24

Daarnaast spelen ook landgebruikemissies (LULUCF) een rol. Deze maken geen deel uit van de | cijfers gepresenteerd in dit hoofdstuk.

159

Nederland

aandeel in %

Economische Verkenningen MRA 2020

Industrie

25

30

Transport

25

24

Huishoudens

25

22

Diensten

21

16

Landbouw

3

8

100

100

Totaal Bron: Broekman et al. (2017)

25

Voor een goed begrip is het relevant te weten dat circa twee derde van de CO2-emissie van AEB bestaat uit zogenoemde biogene CO2, oftewel CO2 dat vrijkomt bij het verbranden van biomassa in het afval. Dat is CO2 dat onderdeel is van een relatief korte kringloop waarbij het CO2 uit de atmosfeer is vastgelegd in biomassa en bij verbranding weer terug in de atmosfeer komt. Het tijdverloop van die kringloop is van geheel andere aard dan die van fossiele brandstoffen, waarvan de koolstof tientallen miljoenen jaren geleden is vastgelegd.

Economische Verkenningen MRA 2020

160

betreft het mogelijke scenario’s waarbij de combinatie van voldoende opwek en besparing ervoor moet zorgen dat in 2050 het doel van 95 procent CO2-reductie kan worden gerealiseerd. De realisatie laat zien dat zowel een daling van het finale energieverbruik is ingezet en de opwek van hernieuwbare energie geleidelijk toeneemt.

nodig zijn om de businesscase sluitend te krijgen. De totale kosten van inpassing in de stedelijke omgeving kunnen ook sterk verminderd worden door uitbreiding van warmtenetwerken. Opwek van hernieuwbare energie Figuur 5.8 laat zien dat de deelregio’s van de MRA met het huidige aandeel hernieuwbare energie nog ver verwijderd zijn van het langetermijndoel van 100 procent. De Europese Richtlijn voor hernieuwbare energie stelt als doel 14 procent hernieuwbare energie in 2020 voor Nederland.26 Het aandeel van Almere-Lelystad, Amsterdam en IJmond 27 is hoger dan het gemiddelde Nederlandse aandeel, terwijl Zaanstreek-Waterland, Zuid-Kennemerland, Gooi en Vechtstreek en Amstelland-Meerlanden achterblijven. Almere-Lelystad heeft het nationale doel binnen handbereik. Een groot gedeelte van de groei van hernieuwbare energie zal van-

De sterke knik in 2020 toont dat een aanzienlijke trendbreuk noodzakelijk is om de klimaatdoelen te bereiken. Door de finale energievraag sterk te reduceren door middel van inzet op energie­ besparing in de gebouwde omgeving (inclusief kantoren), mobiliteit en industrie, kan de opwek van hernieuwbare energie in de MRA worden beperkt en daarmee het ruimtegebruik van deze productie inclusief benodigde infrastructuur voor opslag en transport. Energie die niet gebruikt wordt, hoeft immers niet te worden opgewekt en legt dus geen beslag op schaarse ruimte. Hierdoor nemen zowel de maatschappelijke kosten van inpassing van grote hoeveelheden hernieuwbare energie af, als de meerkosten die nu

Figuur 5.8 MRA ver verwijderd van langetermijndoel hernieuwbare energie Aandeel hernieuwbare energie in %

Figuur 5.7 Meer energiebesparing vraagt minder hernieuwbare energie

16

doelstelling Nederland in 2020: 14%

200 12

150 8 Scenario 1**

100 Scenario 2**

4

Scenario 3**

50

0 AlmereLelystad

Amsterdam

IJmond Gooi- en m.u.v. Velsen Vechtstreek

ZaanstreekWaterland

AmstellandZuidMeerlanden Kennemerland

MRA

Nederland

0 2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

2045

2050

Energieverbruik* in fictieve scenario’s Hernieuwbare energie in fictieve scenario’s

2018

Doelstelling Nederland 2020

Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)

* Energieverbruik exclusief auto(snel)wegen ** De gestippelde lijnen geven mogelijke energiepaden weer. Hierbij zijn drie fictieve punten in 2050 vastgezet waarbij energieneutraliteit geldt (opwek gelijk aan verbruik). Er is duidelijk te zien dat bij meer besparing (minder verbruik) minder hernieuwbare energie nodig is. Bron: Klimaatmonitor (bewerking CE Delft)

161

2010

Economische Verkenningen MRA 2020

26 27

De MRA kent geen specifiek doel voor het aandeel hernieuwbare energie 2020. Met uitzondering van gemeente Velsen.

Economische Verkenningen MRA 2020

162

wege ruimtelijke beperkingen met name plaatsvinden in ‘zon op daken’ en duurzame warmtebronnen voor warmtenetten (biomassa en aardwarmte). Zo wordt in de RES Noord-Holland Zuid ingezet op een additioneel aanbod van 2 terawattuur (TWh) aan hernieuwbare energie tot 2030, waarbij voor meer dan de helft van de opwek wordt ingezet op zon op daken, parkeerplaatsen, geluidsschermen en dergelijke (Noord-Hollandse energieregio, 2020). Voor de realisatie van warmtenetten is stedelijk gebied nodig om de schaalvoordelen van warmteleidingen en collectieve warmteopties te kunnen benutten. Warmtenetten zijn kosteneffectief in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid zoals stedelijke gebieden met gestapelde bouw. Binnen de MRA hebben diverse gemeenten ervaring opgedaan met warmtenetten, zoals Purmerend, Almere, Lelystad, Amsterdam en Haarlemmermeer.28 Een complicerende factor is dat aan de opwek van hernieuwbare energie steeds hogere eisen worden gesteld op het gebied van duurzaamheid en landschappelijke inpassing. Zo is de bijdrage van biomassa erg onzeker geworden door de discussie over de duurzaamheid en weerstand tegen de biomassacentrale in Diemen. Het SER-advies Biomassa in Balans gaat in op de beperkte regionale en wereldwijde beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen (SER, 2020).

Ook aan de inpassing in het landschap van hernieuwbare energieopwek (zoals zonneweides en windmolens) worden strengere eisen gesteld. Veel gebieden zijn provinciaal beschermd waardoor de opwek van hernieuwbare energie minder of helemaal niet mogelijk is. Daarnaast is er ook politieke en maatschappelijke weerstand tegen het realiseren van wind- en zonneprojecten in deze landschappen. Zowel de ruimtelijke mogelijkheden, de eisen en restricties die vanuit het landschap worden gesteld, als de maatschappelijke weerstand tegen wind- en zonneparken verklaren de regionale verschillen in het groeitempo van de hernieuwbare opwek.

28

Ruimtebeslag hernieuwbare energie De ruimtelijke inpassing van de duurzame ambities van de MRA is een relatief nieuwe opgave voor de ruimtelijke ordening. Deze komt boven op de bestaande ruimtelijke opgaven, zoals het creëren van ruimte voor woningen, kantoren, bedrijven en transport (zie paragraaf 5.1 en 5.2). De MRA is met Amsterdam, Schiphol en het havengebied een dichtbevolkt gebied met een hoge energievraag per hectare. De klimaatopgave van de MRA-overheden brengt dan ook een zoektocht naar ruimte voor grootschalige hernieuwbare energieopwek en nieuwe infrastructuur (energieopslag en transport) met zich mee. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat er in de minder dichtbevolkte regio’s in beginsel meer ruimte is voor grootschalige projecten, terwijl de energievraag elders hoger is. Daarbij is de ruimtelijke impact van energietransitie niet overal even groot en zijn er ook in verstedelijkte gebieden van de MRA veel mogelijkheden voor hernieuwbare energie. Om een beeld te geven van het ruimtebeslag van hernieuwbare energie, hebben we een tweetal gedachtenexperimenten ontwikkeld. Hierin bepalen we de vereiste ruimte die in elke gemeente nodig zou zijn om het totale energieverbruik van de regio op te wekken met behulp van zonne-energie of windenergie, uitgesplitst naar energieverbruik door de gebouwde omgeving en het totale energieverbruik (zie kader 5.1).

De gedachtenexperimenten die in het kader worden gepresenteerd, laten zien wat het landgebruik is voor duurzame opwekking van energie via zon en in welke mate het aantal windmolens moet toenemen. De gepresenteerde toenames zijn afgeleid onder de veronderstelling van zelfvoorzienendheid. Uiteraard kunnen de MRA-regio’s onderling en ook met regio’s buiten de MRA, afspraken maken over de verdeling van de opwek met gemeenten binnen de RES, met andere regio’s en met andere landen. De gepresenteerde behoeften illustreren de noodzaak om tot dergelijke afspraken te komen, gegeven de verschillende ruimteclaims in de MRA.

Een warmtenet wordt daarbij niet per se vanuit hernieuwbare bronnen gevoed. Bronnen als WKO en aquathermie (beide in combinatie met warmtepompen), biomassa en geothermie zijn nodig om de netten te verduurzamen.

163

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

164

Kader 5.1. Ruimteclaims voor zelfvoorzienende energieopwek via zon en wind

Zonneweides vragen veel ruimte in de MRA Aandeel percentage oppervlakte benodigd voor zonneweides voor energieverbruik voor gebouwde omgeving (links) en totaal energie­verbruik (rechts); 2018

Ons gedachtenexperiment gaat uit van het totale energieverbruik van de gebouwde omgeving van de MRA. De gehele MRA heeft een energieverbruik van 94.135 terajoule (TJ), oftewel 26,15 TWh. Dit staat gelijk aan de opwek van bijna 1.500 windmolens van 5 MW of ruim 260 km2 aan zonnepark. Grondgebonden zonneparken zijn minder efficiënt in termen van opgewekte elektriciteit per m2, maar kennen een doorgaans beperktere visuele impact dan windparken. Naast zonneweides kan er ook worden ingezet op zon op daken. Het is echter niet mogelijk om op alle daken zonnepanelen te leggen. Het benutbare oppervlak wordt bepaald op basis van kenmerken van de gebouwen. Bij de analysekaarten van het Nationaal Programma RES zijn kassen en kleine bijgebouwen in de gebouwde omgeving (zoals schuurtjes) uitgesloten. Daarnaast worden drie verschillende benuttingspercentages voor daken gebruikt. Voor kleinere woningen (tot 285 m2) geldt een benuttingspercentage van 25 procent. Een monumentaal pand of een beschermd stads- of dorpsgezicht heeft een benuttingspercentage van 12,5 procent. Bij overige gebouwen wordt uitgegaan van 30 procent (Generation Energy & CE Delft, 2019). In de conceptversie RES Noord-Holland Zuid wordt ingezet op additioneel 581 hectare zon op grote daken in 2030. Dit komt overeen met 985 gigawattuur (GWh).

Dit is 4 procent van het totale energieverbruik van de gebouwde omgeving van NoordHolland Zuid. Kortom, met zon op daken kan de MRA een beperkt deel van de totale energievraag invullen, en zullen andere opties noodzakelijk zijn voor verdere verduurzaming.

De MRA heeft een totale oppervlakte van 2.580 km2. Om in de eigen vraag voor de gebouwde omgeving te voorzien met grondgebonden zonneweides, zou 10 procent van het totale oppervlak nodig zijn. Er zijn, zoals gezegd, echter grote regionale verschillen. De figuur (links) laat zien dat Amsterdam en Haarlem tussen de 40 en 50 procent van hun grondoppervlak nodig zouden hebben om in hun energie­ behoefte voor de gebouwde omgeving te voorzien. Voor de grote meerderheid van de gemeenten ligt dit tussen de 1 en 10 procent van het oppervlak. De figuur laat ook zien (rechts) dat dit aandeel hoger wordt indien ook het energieverbruik van onder andere de industrie, landbouw, warmte en verkeer en vervoer wordt meegenomen.29 De gehele MRA heeft dan een energieverbruik van bijna 160 duizend TJ (43,72 TWh). Er is dan 17 procent oppervlak nodig. Windmolens hebben – ongeacht hun grootte – een beperkt direct ruimtebeslag, er kunnen ongeveer tien windmolens per hectare geplaatst worden. Echter, windmolens hebben een sterke impact op het landschap. De maatschappelijke kosten van inpassing komen tot uitdrukking in de prijzen van woningen met zicht op deze wind- en zonneparken. De prijsdaling van een woning die binnen 500 meter van een windmolen staat varieert tussen de 2,7 en 9,5 procent. Een woning die zich binnen 1 kilometer van een windmolen bevindt, heeft een 29

165

Economische Verkenningen MRA 2020

Het gaat hierbij om het energieverbruik van gebouwde omgeving, industrie, energie, afval en water, landbouw, bosbouw en visserij, hernieuwbare warmte en verkeer en vervoer (exclusief auto(snel)wegen en elektrisch railverkeer).

Economische Verkenningen MRA 2020

166

woningwaardedaling van 4 procent (Droës & Koster, 2019). Voor een woning op minder dan 1 kilometer afstand van een zonneweide ligt dit percentage iets lager, namelijk 3 procent. Voor alleen het energieverbruik van de gebouwde omgeving zijn er bijna 1.500 windmolens van 5 megawatt (MW) nodig in de MRA, variërend van vijf windmolens in Beemster en Oostzaan tot 529 in Amsterdam. Voor het totale energieverbruik loopt dit op naar bijna 2.500, variërend tussen de 8 en 848 windmolens per gemeente. MRA heeft veel windmolens nodig om zelfvoorzienend te zijn in energieverbruik Aantal windmolens nodig voor energieverbruik voor gebouwde omgeving (links) en totaal energieverbruik (rechts); 2018

5.3.2 Circulaire economie Naast een klimaatneutrale energiehuishouding, streeft de MRA ook naar een circulaire economie – de tweede grote uitdaging op het gebied van duurzaamheid. In een circulaire economie wordt geen afval geproduceerd en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt. In deze paragraaf beschrijven we enkele aspecten die saillant zijn in de transitie naar een circulaire economie. Hierbij is het van belang om te beseffen dat dit thema nog volop in ontwikkeling is en dat de monitoring ervan nog in de kinderschoenen staat.30 Ruimtebeslag circulaire economie Voor de circulaire economie zijn nieuwe economische activiteiten nodig die ook beslag leggen op ruimte. Tegelijkertijd staat het concept ook voor een andere manier van economische organisatie. Dat kan betekenen dat bijvoorbeeld grondstoffenstromen en (rest) energiestromen regionaal worden geclusterd en uitgewisseld door activiteiten bij elkaar te realiseren (co-siting). Dat kan de zogenoemde ruimtequotiënt (benodigde ruimte per werknemer) van circulaire activiteiten drastisch naar beneden brengen. Ecorys (2018) schat de totale extra ruimtevraag van circulaire bedrijvigheid in de MRA tot 2040 op 100 tot 165 hectare. Dit is de verwachte ruimtebehoefte in vier geselecteerde grondstoffenstromen: biomassa, bouw, warmte en CO2-hergebruik.

Op dit moment beslaan deze stromen 100 hectare, 7 procent van de ruimte op (droge) bedrijventerreinen. In de toekomst moet dus rekening worden gehouden met minimaal anderhalf keer het bestaande areaal voor nieuwe circulaire activiteiten. Inkoop circulaire producten Het Ontwikkelplan Circulaire Economie Metropoolregio Amsterdam (MRA, 2018a) heeft als missie dat de MRA in 2025 een van de meest circulaire grootstedelijke regio’s van Europa is. Een van de speerpunten van het ontwikkelplan is het volledig circulair maken van de inkoop van MRA-overheden. Dit betekent dat naast de prijs van de producten en diensten, de effecten van de inkoop op milieu en sociale aspecten worden meegenomen. Het aanpassen van inkoopvoorwaarden kan een positief effect hebben op een circulaire economie. Jaarlijks kopen 30

167

Economische Verkenningen MRA 2020

Zie bijvoorbeeld PBL, 2020; werkprogramma monitoring en sturing circulaire economie 2020 4182.pdf.

Economische Verkenningen MRA 2020

168

de MRA-regio’s voor 4 miljard euro in (MRA, 2018b). In 2018 is de Intentieverklaring circulair inkopen en opdrachtgeverschap getekend, waarin het doel is om 10 procent circulair in te kopen in 2022 en 50 procent in 2025. Hiervoor werd in 2019 een nulmeting uitgevoerd en in 2020 een actieplan opgesteld. Daarna wordt er besloten wanneer volledig circulair inkopen kan worden bereikt. Grondstoffen- en materialenstromen Momenteel is volgens schattingen van onderzoeksbureau Circle Economy (2018) 11 procent van de werkgelegenheid in de MRA circulair (140 duizend banen). In dergelijke studies wordt echter teruggevallen op een breed gebruik van het concept ‘circulariteit’, waarbij bijvoorbeeld de reparatie-en-onderhoudsector in het algemeen en garages (reparatie voertuigen) in het bijzonder ook tot circulaire activiteiten worden gerekend. Een andere manier om de omvang van de circulaire economie in kaart te brengen, is het inventariseren van grondstoffen- en materialenstromen. Binnen de MRA zijn hierover enkele inventarisaties gedaan, zoals de Grondstoffenatlas. Deze atlas laat zien dat in de zeehaven grote hoeveelheden grondstoffen – en dan met name fossiele grondstoffen zoals olie, kolen en aardgas – worden verwerkt (Royal Haskoning DHV et al., 2018).

Deze bedragen samen 60 Mton per jaar.31 Het grootste gedeelte van de olie en kolen wordt daarbij niet verwerkt of verbruikt in de regio zelf, maar doorgevoerd. Een andere grote stroom betreft bouwgrondstoffen met circa 35 Mton. Het grootste gedeelte hiervan betreft grondstoffen als zand, grond en grind. Het aandeel bouw­ materialen (vooral asfalt, beton en steen) bedraagt ongeveer 20 à 30 procent daarvan. De sectoren Dienstverlening, Toerisme en Horeca leggen nauwelijks beslag op fysieke stromen.32 Dat neemt niet weg dat ook deze sectoren kunnen bijdragen aan het sluiten van kringlopen. Bij Toerisme gaat het dan met name om inzameling van voedsel (biomassa) en plastic en het beter benutten van deze stromen. Dienstverlening maakt veel gebruik van ICT-apparaten en kan de hoeveelheid e-waste beperken, 31 32

Het basisjaar wordt in deze studie echter niet gegeven. Het energieverbruik van de reisbewegingen door toeristen is opgenomen in de CO2-emissies van het transport.

169

Economische Verkenningen MRA 2020

apparaten hergebruiken en inzameling van voedselresten en plastic opzetten. Binnen de Horeca en toerisme is voedselafval een belangrijke afvalstroom. Ongeveer een derde van al het voedsel in de horeca wordt verspild (Royal HaskoningDHV et al., 2018). Afval In een circulaire economie bestaat afval niet, maar is het een grondstof voor een volgend product. De wijze van inzameling is dan ook een indicator voor het in beeld brengen van de ontwikkeling naar een circulaire economie. Een belangrijk deel van het afval van de MRA wordt nog altijd verwerkt door verbranding van restafval. Daarbij betreft een deel huishoudelijk afval. De landelijke doelstelling gaat uit van maximaal 100 kilogram huishoudelijk restafval per inwoner in 2020. Het Nederlandse gemiddelde was 170 kilogram per inwoner in 2018 (NVRD et al., 2019). Figuur 5.9 laat zien dat de gemiddelde hoeveelheid huis­ houdelijk restafval per inwoner in de MRA in de periode 2010-2018 is Figuur 5.9 MRA-regio’s produceren meer huishoudelijk restafval dan Nederland Aantal kilo huishoudelijk restafval per inwoner 400 350 300 250 200 150 100 50 0 Gooi- en Vechtstreek

2010

AlmereLelystad

AmstellandMeerlanden

ZaanstreekZuidWaterland Kennemerland

IJmond

Amsterdam

MRA

Nederland

2018

Bron: CBS

Economische Verkenningen MRA 2020

170

gedaald. Deze daling is met 14 procent kleiner dan die in Nederland (circa 25 procent). De daling per regio varieert van 3 procent (IJmond) tot 21 procent (Zuid-Kennemerland). Regio’s met veel hoogbouw en een grote binnenstad, zoals Amsterdam, hebben gemiddeld meer restafval dan regio’s met weinig hoogbouw, zoals Gooi en Vechtstreek, doordat in binnensteden en gebieden met veel hoogbouw er minder ruimte is om verschillende soorten afval gescheiden in te zamelen. Indien bronscheiding lastig wordt door bijvoorbeeld hoogbouw, kan nascheiding een effectieve methode zijn. De nascheidingsinstallatie van AEB scheidt jaarlijks 300 duizend ton huishoudelijk afval in zeven verschillende soorten grondstoffenstromen voor hergebruik (AEB, 2020). De gemeente Amsterdam heeft besloten om vanaf 2021 te stoppen met het gescheiden inzamelen van plastic en drankkartons en de scheiding over te laten aan de nascheidingsinstallatie. Voorzieningen als ondergrondse containers voor GFT, plastic of metalen verpakkingen en drinkpakken (PMD), en papier en karton, zijn essentieel voor gescheiden of ‘omgekeerde’ inzameling. Daarnaast is ook het prijsmechanisme door middel van tariefdifferentiatie (diftar) een belangrijke factor in de effectiviteit van gescheiden inzameling. Een benchmark33 laat een verschil zien van 49 procent in de hoeveelheid restafval tussen diftar- en niet-diftargemeenten.

Binnen de MRA hebben alleen de gemeenten Haarlemmermeer en Aalsmeer (beide regio Amstelland-Meerlanden) en Bloemendaal en Heemstede (regio Zuid-Kennemerland) vormen van diftar.

5.4 Afruilen en keuzes in ruimtegebruik Zoals uit de voorgaande paragrafen is af te leiden, is er een spanningsveld tussen economie, leefomgeving en ruimte. Zowel voor de economie als voor de leefomgeving is ruimte nodig en zijn er effecten over en weer. Zo kan economische ontwikkeling tot emissies en hinder leiden en daarnaast ruimte vergen. Een gezonde leef­omgeving en invulling geven aan doelen met betrekking tot klimaat en circulariteit vragen ook ruimte (zie paragraaf 5.3). Figuur 5.10 illustreert de afruilen tussen economie, leefomgeving en ruimte. De keuzes die deze afruilen vergen, zijn onderwerp van politieke discussie – een discussie die de komende jaren ook in de MRA nog vaak gevoerd zal worden. Vanuit een breed welvaartsperspectief is het van belang om bij beleidskeuzes zowel de positieve als de negatieve effecten van economische activiteiten af te wegen. Dit kan bijdragen aan groei die tegelijkertijd slim, duurzaam en inclusief is, gericht op het maximaliseren van brede welvaart.34 Figuur 5.10 Economische ontwikkeling en bescherming leefomgeving vergen ruimte Economie

Emissies, hinder

Ruimtegebruik

Schaarste, afruil, beleid

Leefomgeving

Ruimte Ruimtegebrek Brede welvaart

33

https://businessmonitor.azurewebsites.net/nvrd/BENCHMARK-ANALYSERAPPORT-PJ-2018.PDF.

Bron: SEO Economisch Onderzoek

34

171

Economische Verkenningen MRA 2020

De EU streeft naar groei die slim, duurzaam en inclusief is. Zie over brede welvaart ook CBS (2019).

Economische Verkenningen MRA 2020

172

Om deze afruil inzichtelijk en concreet te maken, bespreken we in deze paragraaf twee cases: Schiphol en het Noordzeekanaalgebied. Deze gebieden hebben een grote impact op zowel de economie en leefomgeving als het ruimtebeslag in de MRA. Een analyse van enkele relevante indicatoren op deze domeinen, toont de noodzaak van een zorgvuldige afruil.

Economische impact Schattingen van de bijdrage van Schiphol aan de economie lopen uiteen (CE Delft, 2019; SEO, 2017a). Het directe effect in de luchtvaart zelf is 60 duizend tot 90 duizend banen en 4 tot 8 miljard euro aan toegevoegde waarde. Daar komen buiten de luchtvaart nog 50 duizend tot 200 duizend banen en 3 tot 18 miljard euro aan toegevoegde waarde bij (SEO, 2017b). De effecten buiten de luchtvaart variëren dus sterker dan het directe effect in de luchtvaart. De ‘katalytische effecten’ op bedrijfsvestiging (ook wel voorwaartse indirecte effecten genoemd) zijn zeer onzeker en worden daarom niet in alle studies meegenomen. Dat geldt ook voor de geïnduceerde effecten (extra inkomsten leiden tot extra consumptie, hetgeen tot extra productie leidt (CE Delft, 2019).

5.4.1 Luchthaven Schiphol Luchtvaart is belangrijk voor de economie van de MRA, maar brengt ook geluidshinder, emissies en ruimtebeslag met zich mee. In deze paragraaf schetsen we de ontwikkelingen op deze terreinen in de afgelopen jaren. Ontwikkeling Uit tabel 5.4 blijkt dat Schiphol de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid is. Het aantal passagiers dat Schiphol als vertrek- of eind­ punt van de vliegreis heeft, is van 2014 tot 2019 met 40 procent toege­nomen. Ook het aantal bestemmingen dat zonder overstap bereikt kan worden vanaf Schiphol is gegroeid. De groei van het aantal bestemmingen is echter aanzienlijk lager dan de groei van het aantal passagiers. De toename van het aantal reizigers per bestemming is daarom de voornaamste oorzaak van de groei van het aantal passagiers. Tabel 5.4 laat ook zien dat het aandeel van Schiphol in het aantal passagiers van de tien grootste luchthavens in de EU in 2018 1 procentpunt hoger was dan in 2014.

Geluidshinder en emissies Tegenover de economische voordelen van Schiphol, staan nadelen als geluidsoverlast en de bijdrage van luchtvaart aan klimaatverandering. Schiphol heeft dus zowel positieve als negatieve effecten op de welvaart (Konikow & Bredehoeft, 1992). Het Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl) laat zien dat het aantal ‘ernstig gehinderden’35 door Schiphol tussen 2014 en 2016 met ongeveer 15 procent Tabel 5.5 Geluidhinder en broeikasgassen potentiële knelpunten voor de groei van Schiphol 2019 Vliegbewegingena

Tabel 5.4 Aantal passagiers Schiphol aanzienlijk toegenomen en vracht sterk gedaald 2019

2014

niveau

2015

2016

2014

x1.000

2017 2018 2019

496,8

Uitgestoten broeikasgassen (in CO2-equivalenten) door vliegtuigen die vanaf Schiphol vertrekkenb

2015

2016

2017 2018 2019

jaarlijkse groei in % 3,0

2,8

6,3

3,7

4,1

5,5

3,1

3,2

0,5

-0,5

index (2004 = 100)

jaarlijkse groei in %

Passagiers waarvan de vliegreis start of eindigt op Schiphol, (in miljoenen)*

72

4,6

6,0

9,1

7,7

3,7

1,0

Bestemmingen zonder overstap (zomerseizoen)*

332

-1,2

0,9

0,0

1,2

0,3

1,5

Vervoerde vracht van en naar Schiphol (in miljoenen tonnen)*

1,4

6,7

-0,7

2,8

5,7

-2,5 -15,9

Zakelijke reizigers in totaal aantal reizigers*

31

31

32

32

33

Passagiers tien grootste luchthavens in EU**

12

12

12

13

13

Ernstig gehinderden door geluidsoverlast Schiphol

128

147

a. Een vliegtuigbeweging is een start of landing van een vliegtuig. b. CBS (eigen berekening SEO. Overige broeikasgassen worden omgerekend naar CO2-equivalenten. Bron: Compendium voor de Leefomgeving

aandeel in %

Bron: * Schiphol; ** Eurostat

173

Economische Verkenningen MRA 2020

32

35

Een omwonende van Schiphol is ernstig gehinderd door de geluidsoverlast van Schiphol wanneer de totale geluidsbelasting waaraan hij/zij over een etmaal wordt blootgesteld, grenswaarden overschrijdt. Deze waarden zijn opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Bij de berekening van de geluidsbelasting kent de ILT aan geluidsoverlast in de nacht een hoger gewicht toe dan aan geluidsoverlast overdag.

Economische Verkenningen MRA 2020

174

is toegenomen (zie tabel 5.5). Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT, 2020) wijst op een toename van de geluidsbelasting. Deze toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de groei van het aantal vliegtuigbewegingen. Daarnaast is het aantal mensen dat rondom Schiphol woont toegenomen. De uitstoot van broeikasgassen door Schiphol is een andere potentiële groeibelemmering van de luchthaven. De uitstoot van vliegtuigen die vertrekken vanaf Schiphol is van 2014 tot 2017 met ongeveer 12 procent toegenomen.

naar zakelijke bestemmingen. Minder rendabele vluchten, zoals vrachtvluchten en vluchten naar toeristische bestemmingen, verdwenen van Schiphol. Op deze wijze konden luchtvaartmaatschappijen binnen een vaststaand aantal vluchten naar maximale winst streven. Tabel 5.4 laat zien dat de hoeveelheid vervoerde vracht van en naar Schiphol inderdaad is gedaald in 2018 en 2019. Wanneer vliegtuigmaatschappijen Figuur 5.12 Schiphol heeft een groot direct en indirect ruimtebeslag

Om de geluidsoverlast en uitstoot van broeikasgassen van Schiphol te beperken, is in het zogeheten Aldersakkoord (2008) het aantal vliegtuigbewegingen op de luchthaven tot en met 2020 gelimiteerd tot 500 duizend.36 Figuur 5.11 laat zien dat Schiphol vrijwel alle toegestane vliegtuigbewegingen benutte en daarom van 2017 tot en met 2019 niet verder kon groeien. Een gevolg hiervan is dat luchtvaart­ maatschappijen hun beschikbare slots vooral gebruikten voor de meest rendabele vluchten, namelijk langeafstandsvluchten en vluchten Figuur 5.11 Schiphol bereikt sinds 2017 het maximaal aantal toegestane vliegbewegingen Aantal vliegbewegingen x 1.000

550 500 450 400 350 300 250 2000

2005

Werkelijke vliegbewegingen

2010

2015

2020

Maximum vliegbewegingen

Bron: Schiphol

36

Bron: PlanMER Luchtvaartnota 2020

Kamerstukken II, 2008-2009, 29 665, nr. 108.

175

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

176

zich toeleggen op het uitvoeren van de meest rendabele vluchten, neemt de economische relevantie per vlucht toe (SEO, 2017b). Ruimtebeslag De luchthaven zelf beslaat 2.787 hectare; dit is bijna 28 km2. Figuur 5.12 laat zien dat er ook een aanzienlijk indirect ruimtebeslag is. In een groot deel van de MRA gelden beperkingen ten aanzien van het ruimtegebruik die voortkomen uit de aanwezigheid van de luchthaven. Daarbij gaat het met name om geluidshinder en externe veiligheid. Technologische ontwikkelingen (stillere vliegtuigen) of krimp van het vliegverkeer kunnen tot minder geluidshinder en daardoor tot minder ruimtebeslag leiden. Groei van Schiphol of aanscherping van geluidsnormen of veiligheidsnormen kunnen dit (directe en indirecte) ruimtebeslag juist vergroten. 5.4.2 Havens Noordzeekanaalgebied De MRA heeft een in omvang aanzienlijk havengebied: het Noordzeekanaalgebied (NZKG). Het NZKG betreft de industriegebieden rond het Noordzeekanaal, het IJ en de grote industrieën in de Zaanstreek. Het gebied wordt gedomineerd door de havens van IJmuiden en Amsterdam. Rondom de sluis van IJmuiden gaat het om Tata Steel, een visserijhaven, een afmeerplaats voor de ferryverbinding met New­ castle, locaties die offshorewindparken faciliteren, en voorzieningen voor cruiseschepen.

De Amsterdamse haven kent met name overslag van droge en natte bulk, waarbij vooral olie en kolen en nog enkele andere bulkproducten belangrijk zijn (zie figuur 5.14). Het grootste gedeelte van de olie en kolen wordt doorgevoerd en niet in de MRA zelf verbruikt. Daarnaast worden zee- en riviercruises gefaciliteerd.

Economische impact De directe zeehaven-gerelateerde werkgelegenheid in 2017 bedroeg circa 35 duizend banen (UPT, 2018). De directe toegevoegde waarde in hetzelfde jaar bedroeg 4,5 miljard euro. De indirecte betekenis (achterwaarts) kwam uit op 33 duizend banen en 2,7 miljard euro. De trend in recente jaren is dat zowel de toegevoegde waarde als het aantal banen in het havengebied toeneemt, waarbij de toegevoegde waarde sterker groeit dan de werkgelegenheid. Verwerkende industrieën, zoals de basismetaal- en metaalproductenindustrie, chemie en food, leveren per ton vracht een hoge toegevoegde waarde in verhouding tot de overslag van (fossiele) brandstoffen (Netherlands Economic Observatory & Erasmus Universiteit Rotterdam, 2016). Benzine en kolen leveren de havenregio een beperkte toegevoegde waarde per ton op. Deze producten worden in hoofdzaak tijdelijk opgeslagen en doorgevoerd. Groothandel bevindt zich in de middencategorie. De verwerkende industrie maakt zo’n 50 procent van de totale toegevoegde waarde uit van het havengebied. Figuur 5.13 NZKG kent belangrijke industrieën in verschillende regio’s

Ontwikkeling Figuur 5.14 laat zien dat het totaalaantal scheepsbezoeken in de periode 2012-2019 heel licht is afgenomen, namelijk met 1,3 procent. Deze afname zit in general cargo. Het aandeel natte bulk (met name olieproducten) neemt daarentegen met 8 procent toe. De categorie ‘Kolen’ valt onder droge bulk. De categorie ‘Container’ is minimaal. De totale overslag in het NZKG groeide in dezelfde periode echter wel met zo’n kleine 10 procent (Projectbureau Noordzeekanaalgebied, 2018). 177

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

178

Emissies Zoals besproken in paragraaf 5.3, worden CO2-emissies in het NZKG voor een belangrijk deel gedomineerd door elektriciteitsproductie, staalproductie, afvalverbranding (deels biogeen) en voedingsindustrie. Per 1 januari 2020 is de steenkool-gestookte Hemwegcentrale gesloten, als gevolg van het klimaatbeleid van de rijksoverheid.

Het NZKG is voor wat betreft CO2-uitstoot, lucht- en watervervuiling, geluids- en geurhinder en veiligheidsrisico’s, een zwaar belaste regio met bovendien weinig vrije ruimte. Op bepaalde locaties is de beschikbare milieuruimte benut en vergund. Voor nieuwbouw of nieuwe bedrijventerreinen is weinig milieuruimte beschikbaar, waardoor nieuwe ontwikkelingen moeilijk te faciliteren zijn.

Overheden en bedrijven in het NZKG hebben de ambitie in 2050 klimaatneutraal te zijn. De bedoeling is dat het NZKG zich ontwikkelt tot de ‘duurzame batterij’ van de regio en ruimte biedt voor het faciliteren van de energietransitie en circulaire economie. Dat brengt met zich mee dat de elektriciteitscentrales op termijn zullen moeten overstappen op klimaatneutrale brandstoffen (waterstof) of – als alternatief – zullen moeten sluiten. Voor de industrie met aanzienlijke hogetemperatuur-warmtevraag kan gedacht worden aan afvang en opslag van CO2 (CCU), biobased grondstoffen voor de chemie, elektrificatie en waterstof.

Ruimtebeslag Het huidige ruimtebeslag van het NZKG is circa 4.020 hectare, plus 680 hectare terrein van Tata Steel (CE Delft, 2018). Het oppervlak aan vrije kavels bedraagt circa 375 hectare (peildatum 31 december 2017), waarvan een deel is versnipperd in kleine kavels. Het NZKG herbergt vele functies, vaak grootschalig van aard. Naast veiligheid, geluidshinder en geuroverlast als beperkende factoren voor nieuwe gebiedsontwikkeling, is de fysieke ruimte ook hier een beperkende factor. Gezien de schaarse ruimte in het NZKG, is het belangrijk om te kijken welke ontwikkelrichtingen mogelijk zijn en passen in het ruimtelijk gebied. Naast energietransitie zijn bedrijvigheid en bereikbaarheid van groot belang. De verschillende functies van het NZKG moeten worden samengebracht en een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt over de invulling van de ruimte. Tabel 5.6 geeft het ruimte­ beslag van enkele mogelijke ontwikkelingen rond duurzaamheid weer.

Figuur 5.14 Scheepsbezoeken vrijwel stabiel tussen 2012 en 2019 Aantal scheepsbezoeken x 1.000 in Haven Amsterdam

Tabel 5.6 Ruimtebeslag van enkele ontwikkelrichtingen 2019

2012

0

1

2

3

4

Natte bulk

Droge bulk

Container

Rest (w.o. cruises)

5

6

7

General cargo

8

Ruimtebeslag

Indicatie milieuruimte

aantal hectare

aantal meter afstand

Verzwaring elektriciteitsnet (onderstations 50 kV)

2-3 ha

50 meter tot onderstation

Warmteproductie geothermie

5 ha

50 meter afstand tot geothermiebron

Waterstofproductie (vergelijkbaar met elektriciteitsproductie en huidig aardgas­ gebruik industrie)

6 ha

300 meter tot elektrolyserinstallatie

Biobrandstofproductie per fabriek

10 ha

300 meter tot installatie (zonder opslag) 1.000 meter tot installatie (opslag)

Methanolfabriek (CCU)

30 ha*

Aanleg en onderhoud wind op zee

50 ha

Onbekend

80-100 ha

Afhankelijk van soort circulaire activiteit

Circulaire economie Bron: Port of Amsterdam, 2017

179

300 m tot fabriek

* Exclusief waterstofproductie. Met waterstofproductie is 24 ha extra nodig voor elektrolysers en de aansluiting op het landelijk waterstofnet. Bron: CE Delft, 2018

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

180

5.5 Slotbeschouwing: vooruitzichten en de coronacrisis De coronacrisis heeft een moeilijk te overschatten impact op de wereld, Europa, Nederland en de MRA. In deze slotparagraaf gaan we in op de vooruitzichten voor de leefomgeving en het ruimtegebruik, aan de hand van twee scenario’s voor het verloop van de coronacrisis. Hierbij maken we een onderscheid in korte termijn (komende twee jaar), middellange termijn (tot 2025) en lange termijn (tot 2030). We hebben hierbij bijzondere aandacht voor onderwerpen die in dit hoofdstuk aan bod kwamen, zoals de woningmarkt, de havens en duurzaamheid.37 Vooruitzichten woningmarkt en ‘havens’ op korte termijn De impact van de coronacrisis op de woningmarkt in de komende jaren is onzeker. Waarschijnlijk zullen de economische krimp en de hoge overheidsuitgaven tijdens de crisis zich op termijn vertalen in minder koopkracht en een hogere lastendruk, waardoor mogelijk de vraag naar (duurdere) woningen minder groot zal zijn of minder sterk zal groeien dan in de afgelopen jaren het geval was. De ontwikkeling van Schiphol in de komende twee jaren (2021 en 2022) is zeer onzeker. In een optimistisch scenario herstelt de Nederlandse luchtvaartsector zich in 2021; in het meest pessimistische scenario blijven passagiersvolumes in deze jaren 70 tot 80 procent onder het niveau van vóór de crisis (SEO, 2020).

Als de coronacrisis achter de rug is, zullen verschillende knelpunten de groei van Schiphol mogelijk belemmeren. In de Ontwerp-Luchtvaartnota 2020- 2050 geeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aan onder welke voorwaarden Schiphol verder kan groeien na 2020. De kern is dat de luchtvaart groei kan ‘verdienen’ door de geluidshinder en uitstoot te laten dalen. De krimp in Nederland en Duitse afzetmarkten zal ook gevolgen hebben voor de maritieme haven.De overslag van de zeehavens in het NZKG daalde sinds de eerste coronagolf (maart-mei 2020) met zo’n 37

Op de economische impact van de coronacrisis in het algemeen en de kwetsbaarheid van de economie van de MRA, wordt respectievelijk ingegaan in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 3.

181

Economische Verkenningen MRA 2020

10 procent. De invloed van de wereldwijde coronacrisis op de overslagcijfers is daarin zichtbaar. Het verder wegvallen van de vraag in de nabije toekomst gaat naar verwachting invloed hebben op de overslag van verschillende stromen in de haven. Over de mogelijke impact van de coronacrisis op het NZKG is op dit moment echter veel onzeker en weinig bekend. Duurzaamheidsscenario’s korte termijn Vanwege de grote onzekerheid over de toekomstige impact van de coronacrisis op economie en fysieke leefomgeving, hanteren we twee scenario’s voor de ontwikkeling van duurzaamheid in de MRA. Scenario 1 beschrijft een kortdurende crisis, waarbij voor medio 2021 een afdoende medische oplossing is gevonden voor de coronacrisis en het economisch herstel relatief snel inzet. In scenario 2 laat het economisch herstel langer op zich wachten en zal de economische crisis langduriger en dieper zijn en tot minimaal begin 2022 duren. In dit scenario kunnen gedragsveranderingen die impact hebben op milieu een meer structureel karakter krijgen, aangezien zij meer tijd krijgen om ‘in te slijten’. Scenario 1 wordt in de eerste plaats gekenmerkt door een kortdurende beperking van transport (zowel goederen- als personenvervoer) met een tijdelijke vermindering van luchtverontreinigende en CO2-emissies tot gevolg.

Industriële activiteiten (inclusief emissies) in het havengebied zullen grotendeels op peil blijven, aangezien deze nog steeds worden ingezet om aan de vraag te voldoen. De voedingsen genotmiddelenbedrijven in de Zaanstreek zullen nauwelijks geraakt worden door de crisis; mogelijk zien deze bedrijven hun afzet zelfs toenemen. Afvalverbranding en elektriciteitsproductie blijven grotendeels op hetzelfde productieniveau opereren. Wel kan staalproductie in IJmuiden sterker geraakt worden door een uitvallende wereldwijde vraag. In de gebouwde omgeving zullen verwarming en koeling wat verschuiven van kantoren en instellingen naar woningen; per saldo kan echter verwacht worden dat het energieverbruik nauwelijks verandert. In dit scenario is de verbetering van regionale leefomgeving en klimaat van korte duur. In 2022 zijn de eerste tekenen van inhaaleffecten – bijvoorbeeld meer personenmobiliteit om te compenseren voor Economische Verkenningen MRA 2020

182

sociale en economische rantsoenering – zichtbaar en zullen de luchtverontreinigende en CO2-emissies snel op het oude niveau terugkeren. In scenario 2 zal de industriële productie (en emissies) dieper afnemen in het havengebied. De afnemende regionale productie zal gevolgen hebben voor afval- en energieproductie, en daarnaast voor de open overslag van goederen in het havengebied. De bijdrage van een ‘rustig Schiphol’ aan het milieu is daarbij groot: de geluidshinder en de emissies van stikstof, CO2 en fijnstof lopen sterk terug. De milieuwinst van Schiphol zal in dit scenario zeker aanhouden tot halverwege dit decennium. In scenario 2 wordt verwacht dat de luchtvaart in kleine stapjes naar het niveau van 500 duizend vliegtuigbewegingen groeit. Gedragsveranderingen zoals meer thuiswerken, minder transport, minder vliegreizen en minder pendelstromen, zijn in scenario 2 structureler. Dat leidt tot een minder drukke spits en een lager energieverbruik van mobiliteit. Dat kan – in ieder geval op korte termijn – een bijdrage leveren aan het beoogde doel van het Klimaatakkoord. In scenario 2 stellen veel bedrijven investeringsplannen in energietransitie uit. Denk aan warmtenetten, energie­ besparende maatregelen, transformatie van industriële clusters in het havengebied, uitrol van laadpalen en elektrische auto’s, maar ook aan particuliere investeringen in woningverbetering.

Het uitstellen van deze investeringsplannen heeft negatieve gevolgen voor de beoogde reductie van emissies.

tegelijkertijd congestie en luchtverontreiniging te verminderen. Bij een volledig herstel van de MRA-economie, zowel in scenario 1 als 2, ligt sterke druk op milieu en ruimte vanwege de grote concentraties van bevolking en economische activiteiten, weer op de loer. De crisis biedt ons een verlichting van de milieudruk in de vorm van een veel schonere leefomgeving, maar dit effect is tijdelijk. Bepalend voor de invloed op langere termijn is of de kans op gedragsaanpassing richting duurzaamheid benut wordt, of duurzame investeringen kunnen doorgaan en in welke mate het transitiebeleid effectief ingevuld kan worden. Slot Het totaalbeeld voor de toekomst is dat er grote onzekerheden zijn, maar dat de kans groot is dat herstel van de economie na de coronacrisis opnieuw gepaard zal gaan met spanningen in de driehoek van economie, leefomgeving en ruimtegebruik. Daarbij rijst de vraag hoe schaarse ruimte zodanig verdeeld kan worden dat tegelijkertijd de economische ontwikkeling wordt bevorderd en externe effecten worden beperkt. Efficiënt ruimtegebruik is daarbij een belangrijke factor. Zorgvuldige afwegingen blijven nodig. Bij die afwegingen kan informatie over toegevoegde economische waarde, werkgelegenheid, milieueffecten en ruimtegebruik van economische activiteiten een belangrijke rol spelen.

Dit hoofdstuk geeft hiervan voor de eerste maal een schets, die de komende jaren in andere edities van de Economische Verkenningen MRA nader zal worden ingevuld.

Middellange en lange termijn (na 2025) Op dit moment is het lastig in te schatten hoe burgers en bedrijven op langere termijn zullen reageren op de coronacrisis. Bepaalde gedragsveranderingen zoals thuiswerken en virtueel vergaderen zullen wellicht niet verloren gaan. Dat geldt zeker wanneer ze professioneel ondersteund worden met goede vergaderfaciliteiten of een andere organisatie van werkprocessen en vergezeld gaan met goede afspraken tussen werknemer en werkgever. Met deze ondersteuning kunnen gedragsveranderingen een blijvend effect hebben op de omvang van de personenmobiliteit (KiM, 2020). In de MRA neemt personenmobiliteit 19 procent van de CO2-emissies voor haar rekening. Niet reizen is de belangrijkste manier om CO2-uitstoot te beperken en 183

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

184

Bijlagen Bijlage 1 Begrippenlijst Bijlage 2 Gemeenten in de MRA per regio, 2020 Bijlage 3 Afbakening economische sectoren Bijlage 4 Woon-werkverkeer en verhuizingen in MRA Bijlage 5 Referenties Bijlage 6 Verantwoording Toegevoegde waarde: het verschil tussen marktprijzen en basisprijzen Het totaal van alle toegevoegde waarde in een economie (omzet minus verbruik) wordt berekend in basisprijzen. Als daarbij het saldo van productgebonden belastingen en subsidies, en het verschil tussen toegerekende en afgedragen btw worden opgeteld, spreken we over het bruto binnenlands product in marktprijzen. De jaarlijkse procentuele verandering daarvan is de ‘economische groei’. Het bbp/brp in marktprijzen is alleen goed traceerbaar in de statistieken voor nationale en regionale totalen. De toegevoegde waarde van sectoren in regio’s is in basisprijzen. Het bbp/brp is ongeveer 10 tot 15 procent hoger dan de toegevoegde waarde in basisprijzen. Het verschil in groei kan enige tienden van een procent zijn. Voor alle regio’s in de MRA zijn beide totaalcijfers beschikbaar. In deze publicatie zijn nationale en internationale cijfers altijd uitgedrukt als bbp in marktprijzen. Bij de vergelijking met Nederland, Europa en andere grootstedelijke regio’s wordt eveneens het bbp in marktprijzen gebruikt.

Bij sectorale (cluster)vergelijkingen en de cijfers per deelregio wordt de toegevoegde waarde in basisprijzen gebruikt. De sectoren van iedere regio tellen op tot de totale toegevoegde waarde van de (deel)regio in basisprijzen. Economische Verkenningen MRA 2020

186

Bijlage 1 Begrippenlijst38 Arbeidsproductiviteit Arbeidsproductiviteit is een maatstaf voor de efficiëntie waarmee wordt gewerkt. Voor de economie als geheel is dit het bruto binnenlands product (in marktprijzen) gedeeld door het arbeidsvolume (in voltijdequivalenten). Voor de arbeidsproductiviteit van bedrijfs­ takken wordt in plaats van het bruto binnenlands product de bruto toegevoegde waarde in basisprijzen gebruikt. De uitkomst is de voortgebrachte hoeveelheid bbp of toegevoegde waarde per voltijdbaan. De arbeidsproductiviteit is een belangrijke economische indicator: een groeiende arbeidsproductiviteit verhoogt de welvaart van een land (of regio) en de winstgevendheid van ondernemingen. De arbeidsproductiviteit kan bijvoorbeeld verhoogd worden door meer of beter gebruik te maken van machines. Sommige beroepen, zoals dat van kapper of violist, zijn van nature arbeidsintensief en lastig te automatiseren of te mechaniseren. Hier valt dan ook weinig arbeidsproductiviteitswinst te behalen. Dit verklaart voor een belangrijk deel de grote verschillen in arbeidsproductiviteit(sgroei) tussen bedrijfstakken. Arbeidsvolume De hoeveelheid arbeid die is ingezet in het productieproces, uitgedrukt in arbeidsjaren. Arbeidsjaren zijn alle gewerkte uren in banen (voltijd en deeltijd) omgerekend naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte’s of fte’s) genoemd.

Bevolking Alle personen woonachtig in de regio ongeacht hun leeftijd. Beroepsbevolking Alle personen van 15 tot en met 74 jaar die werken of officieel werkloos zijn.

38

Bruto binnenlands product (bruto regionaal product), in marktprijzen Het bruto binnenlands product (bbp), of voor regio’s binnen een land het bruto regionaal product (brp), is een maat voor de omvang van de economie. Deze wordt berekend uit de som van de waarde die door ondernemingen, huishoudens en overheden wordt toegevoegd aan de goederen en diensten die zij hebben verbruikt om hun producten te maken. Deze som staat bekend als de toegevoegde waarde ‘in basisprijzen’. Om tot het bbp ‘in marktprijzen’ te komen, wordt hierbij het saldo van productgebonden belastingen en subsidies én het verschil tussen toegerekende en afgedragen btw opgeteld. Economische groei De voor inflatie gecorrigeerde groei van het bruto binnenlands product (of bruto regionaal product). Economische groei kan ook worden uitgedrukt in toegevoegde waarde. De voor inflatie gecorrigeerde groei wordt ook wel ‘volumegroei’ of ‘reële groei’ genoemd. Gewerkte uren Het totaal aantal feitelijk gewerkte uren van iemand die betaalde arbeid verricht. Hoogopgeleid Persoon met hoger onderwijs als hoogst genoten opleidingsniveau. Het onderwijs op hoger niveau bouwt voort op onderwijs op middelbaar niveau en voorziet deelnemers van wetenschappelijke of beroepsgerichte kennis, vaardigheden en competenties (conform de Standaard Onderwijsindeling SOI). Dit betreft hbo (bachelor en master), wo (bachelor en master) en doctor.

Intermediair verbruik De producten die in de verslagperiode zijn verbruikt in het productieproces, gewaardeerd tegen aankoopprijzen, exclusief aftrekbare btw. Dit kunnen al dan niet in de verslagperiode aange-

Bron: CBS (via www.cbs.nl) en TNO

187

Bruto-arbeidsparticipatie Beroepsbevolking als percentage van de potentiële beroepsbevolking. Ook wel ‘brutoparticipatie’ genoemd.

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

188

kochte grondstoffen, halffabricaten en brandstoffen zijn, maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdiensten en diensten van externe accountants. Laagopgeleid Persoon met lager onderwijs als hoogst genoten opleidingsniveau. Het onderwijs op lager niveau omvat zowel het basisonderwijs als de eerste fase van het secundair onderwijs (conform de Standaard Onderwijsindeling, SOI). Dit betreft dus het gehele basisonderwijs (groep 1 tot en met 8), de eerste fase van het voortgezet onderwijs (lbo, vbo, vmbo, mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo), plus het laagste niveau van het beroepsonderwijs (mbo1). Middelbaar opgeleid Persoon met middelbaar onderwijs als hoogst genoten opleidingsniveau. Het onderwijs op middelbaar niveau omvat de tweede of laatste fase binnen het secundair onderwijs (conform de Standaard Onderwijsindeling, SOI). Dit betreft mbo2 tot en met mbo4 en havo en vwo (bovenbouw). Niet-actieve bevolking Alle personen in de leeftijd van 15 tot en met 74 jaar die woonachtig zijn in de regio en niet werken en niet officieel werkloos zijn. Overige bevolking Personen van 0 tot en met 14 jaar en 75 jaar en ouder die woonachtig zijn in de regio. Pendelsaldo Het verschil tussen het aantal werkzame personen dat in de regio zijn werkadres heeft en de werkzame beroepsbevolking die in regio woonachtig is.

In beide gevallen betreft het personen die één uur of meer werken per week. Potentiële beroepsbevolking Alle personen van 15 tot en met 74 jaar die woonachtig zijn in de regio.

189

Economische Verkenningen MRA 2020

Productie De waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten, alsmede de waarde van producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers. Specialisatiegraad De specialisatiegraad (in vakjargon ook locatiequotiënt genoemd) toont of een sector in een regio over- of ondervertegenwoordigd is ten opzichte van het landelijk of regionaal gemiddelde. Het regionale aandeel van een sector wordt afgezet tegen het nationale aandeel van die sector. Als het aandeel van de sector op regionaal niveau hetzelfde is als op nationaal niveau, dan is de specialisatiegraad 1. Is het regionale aandeel lager dan het nationale aandeel, dan is de score lager dan 1 (ondervertegenwoordiging) en bij een hoger aandeel in de regio is de specialisatiegraad hoger dan 1 (oververtegenwoordiging). In de Economische Verkenningen MRA worden deze waarden (omwille van de leesbaarheid van figuren) vermenigvuldigd met 100. Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) Het verschil tussen de productie (in basisprijzen) en het intermediair verbruik (exclusief aftrekbare btw). Een basisprijs is het bedrag dat een producent daadwerkelijk overhoudt van de verkoopprijs van een goed of dienst.

Dit is de verkoopprijs exclusief de handels- en vervoers­ marge en exclusief productgebonden belastingen en subsidies. Vestiging van bedrijven Elke afzonderlijk gelegen ruimte, elk afzonderlijk terrein of complex van ruimten of terreinen, benut door een onderneming voor de uitoefening van haar activiteiten. Iedere onderneming bestaat uit ten minste één vestiging. Meerdere locaties van een bedrijf binnen één postcodegebied worden als één vestiging beschouwd. Werkgelegenheid De werkgelegenheid betreft het totaal aan werkzame personen dat bij bedrijven en instellingen in de regio zijn werkadres heeft. Het betreft werk van 1 uur of meer per week, in een of meer banen, als werknemer Economische Verkenningen MRA 2020

190

of zelfstandige (zzp’er of ondernemer). Het totaalaantal uren dat de werkzame personen in de regio werken, is gelijk aan het arbeids­ volume werkzame personen (in voltijdequivalenten).

Bijlage 2 Gemeenten in de MRA per regio, 2020

Werkloosheid Aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking. Werkloze beroepsbevolking Alle personen woonachtig in de regio zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. Werkzame beroepsbevolking Alle personen woonachtig in de regio van 15 tot en met 74 jaar die werken, ongeacht de arbeidsduur. Werkzame personen Tot de werkzame personen behoren alle personen die in de regio betaalde arbeid verrichten, ook al is het maar voor één uur of enkele uren per week. Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en zelfstandigen (zzp’ers).

IJmond

Zaanstreek-Waterland

Almere-Lelystad

ZuidKennemerland

Amsterdam

Amstelland-Meerlanden Gooi en Vechtstreek

IJmond* Beverwijk Heemskerk Velsen

Amstelland-Meerlanden Regio Haarlemmermeer Aalsmeer Haarlemmermeer Uithoorn Overig Amstel-Meerlanden Amstelveen Diemen Ouder-Amstel

Zaanstreek-Waterland Zaanstreek Uitgeest* Wormerland Zaanstad Waterland Landsmeer Oostzaan Beemster Edam-Volendam Purmerend Waterland Zuid-Kennemerland Bloemendaal Haarlem Heemstede Zandvoort

Amsterdam Amsterdam Almere-Lelystad Almere Lelystad Gooi en Vechtstreek Blaricum Gooise Meren Hilversum Huizen Laren Weesp Wijdemeren

* In de geanalyseerde databestanden zijn Castricum en Uitgeest onderdeel van deelregio IJmond. Castricum maakt echter geen deel uit van de bestuursregio Metropoolregio Amsterdam. Uitgeest werkt samen in de regio Zaanstreek.

191

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

192

Bijlage 3 Afbakening economische sectoren Standaard bedrijfsindeling van bedrijfstakken De sectorale afbakening voor deze Economische Verkenningen MRA is gebaseerd op de Standaard Bedrijfsindeling (SBI 2008) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2012 publiceerde het CBS voor het eerst regionale statistieken in deze indeling. Met behulp van enkele aanvullende databronnen is deze basisindeling op enkele punten aangepast. Code D en E zijn samengevoegd tot Energie, water en afval. Code G, Handel, is gesplitst in Groothandel en Detailhandel. Ten behoeve van de leesbaarheid zijn in figuren kortere namen gebruikt en zijn codes B (Delfstoffen) en T (Huishoudens) in de meeste figuren buiten beschouwing gelaten. Revisie broncijfers In 2018 heeft het CBS een revisie doorgevoerd in de regionale economische jaarcijfers. Dit doet het CBS – conform internationale afspraken – elke vijf jaar, om aan te sluiten op nieuwe statistische bronnen en methoden. Door de revisie is er een breuk in de tijdreeks ontstaan. Eind 2019 heeft het CBS een volledig gereviseerde reeks van de regionale economische jaarcijfers gepubliceerd. Deze reeks bevat cijfers voor de jaren 1995-2018, waarbij cijfers over 2018 nog de status ‘voorlopig’ hebben. In deze editie van de Economische Verkenningen MRA is aangesloten op deze nieuwe cijferreeks van het CBS.

(Hierdoor zijn mogelijk kleine afwijkingen in absolute niveaus ontstaan, ten opzichte van de Economische Verkenningen MRA 2019.)

Sectorindeling: SBI 2008 A. Landbouw n Landbouw, bosbouw en visserij B. Delfstoffen n Winning van aardolie en aardgas n Winning van overige delfstoffen C. Industrie n Voedings- en genotmiddelen n Textiel, kleding, lederwaren en schoenen n Hout, kurk, riet, papier en karton n Drukkerijen n Cokesoven, aardolie en chemische producten n Farmaceutische grondstoffen en producten n Rubber, kunststof en minerale producten n Metaal n Computers en elektronische, optische en elektrische apparatuur n Machines en apparaten n Auto’s en overige transportmiddelen n Meubels en overige goederen n Reparatie en installatie van machines D + E. Energie, water en afval n Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en lucht n Winning en distributie van water n Afvalwaterinzameling n Afvalinzameling en recycling n Sanering en overig afvalbeheer F. Bouw n Bouwnijverheid

193

Economische Verkenningen MRA 2020

Economische Verkenningen MRA 2020

194

G. Groothandel n Landbouwproducten n Voedings- en genotmiddelen n Consumentenartikelen n Medische instrumenten, laboratoriumbenodigdheden en farmaceutische producten n ICT-apparatuur n Hightechsystemen en -machines n Overige gespecialiseerde groothandel, vooral chemische producten n Handelsbemiddeling G. Detailhandel n Detailhandel n Autohandel en -reparatie H. Vervoer en opslag n Vervoer over land n Vervoer over water n Luchtvaart n Opslag en dienstverlening voor vervoer n Post en koeriers I. Horeca n Logiesverstrekking n Eet- en drinkgelegenheden J. Informatie en communicatie n Uitgeverijen n Productie en distributie van films, tv-programma’s en geluidsopnamen n Uitzenden van radio- en televisieprogramma’s n Telecommunicatie n Diensten op het gebied van informatietechnologie n Diensten op het gebied van informatie

195

Economische Verkenningen MRA 2020

K. Financiële diensten n Banken, beleggingsinstellingen, kredietverleners en financieel adviseurs n Verzekeringen en pensioenfondsen n Overige financiële dienstverlening L. Onroerend goed n Verhuur van en handel in onroerend goed M. Specialistische zakelijke diensten n Juridische dienstverlening, accountancy, belastingadvisering en administratie n Holdings (geen financiële), concerndiensten en management­ advisering n Architecten, ingenieurs, keuring en controle n Speur- en ontwikkelingswerk n Reclame en marktonderzoek n Industrieel ontwerp en vormgeving, fotografie, vertaling en overige consultancy N. Overige zakelijke diensten n Verhuur en lease van auto’s, machines, consumentenartikelen en overige roerende goederen n Arbeidsbemiddeling en uitzendbureaus n Reisorganisaties en reserveringsbureaus n Beveiliging en opsporing n Facilitymanagement en reiniging n Overige zakelijke diensten zoals secretariële dienstverlening, callcenters, incassobureaus en veilingen O. Overheid n Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen P. Onderwijs n Primair, voortgezet, middelbaar en hoger onderwijs n Overig onderwijs

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9920928/1