CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 27 Ruimtelijke Ordening (23) Bijlage 2. Rapport RecreatiefNetwerk LaagHo

RAAD 21 december 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Instemmen met het indienen van een zienswijze op de rapportage Recreatief Grid Laag Holland van de recreatieschappen Twiske-Waterland en Alkmaarder- en Uitgeestermeer VN2023-02342431.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bijdrage voor een investering (incidenteel) of beheer (structureel)? Over het algemeen geldt: hoe meer ‘verplicht’ een bijdrage is (bijvoorbeeld parkeergeld of entree), hoe beter het voor beheer en onderhoud kan worden ingezet. Meer vrijwillige bijdragen (legaten, crowdfunding) zijn kansrijker als het gaat om een nieuw project waar gezamenlijk de schouders onder gezet moeten worden.

Extra inkomsten door bedrijfsmatige aanpak TBO’s en eigenaren van monumenten, erfgoed en andere bouwwerken in het gebied kunnen extra financiering halen uit de exploitatie van de gebouwen, b.v. horeca, verblijf en diensten aan de zakelijke markt. Denk aan verkoop van (streek-)producten, museale diensten (al dan niet in bezoekerscentra), het faciliteren van vergaderzalen met catering en rondleidingen. Dit gebeurt al op grote schaal in Nederland. De groeimogelijkheden hiervoor moeten niet worden overschat.. Een ander voorbeeld zijn inkomsten uit parkeergelden. Vanaf 2020 heeft Natuurmonumenten betaald parkeren ingevoerd bij o.a. Kasteel Hackfort (Gelderland) en de Haarzuilens (Utrecht). Natuurmonumenten gebruikt het parkeergeld voor het onderhoud van fiets- en wandelpaden, routemarkering en bankjes. Leden van Natuurmonumenten hoeven niet te betalen: zij dragen immers al bij aan het beheer. Volgens Natuurmonumenten is 40-60% van de bezoekers aan de natuurgebieden geen lid, maar maakt wel gebruikt van de voorzieningen. Zo wil Natuurmonumenten de bijdragen tussen leden en niet-leden gelijker trekken. Toch ligt het innen van parkeergelden ook gevoelig. Staatsbosbeheer wil bijvoorbeeld vooralsnog geen parkeergeld vragen bij de entree van gebieden in hun eigendom.

Beperkingen voor recreatieschappen aan zelfexploitatie In het voorgaande kader wordt de mogelijkheid belicht van het creëren van extra inkomsten via bijvoorbeeld het zelf bedrijfsmatig exploiteren van een horecagelegenheid. Maar een recreatieschap is een publiekrechtelijke rechtspersoon. De Mededingingwet (en eerder de tijdelijk wet Markt en Overheid) stelt grenzen aan het optreden van een overheid als marktpartij.

https://www.visitfaroeislands.com/closed/why-were-closing-again/

6 Zie www.supportfornature.nl/

Om dat te ‘omzeilen’ kan een vennootschap worden opgezet – zie bijvoorbeeld Leisurelands – die op afstand wordt geplaatst en meer vrijheid heeft. De vraag is overigens wel of in een dergelijk kader de publieke belangen wel in voldoende mate zijn gewaarborgd. Ook kan het niet de bedoeling zijn dat de overheid op die manier een private partij een gebiedsmonopolie verschaft. Er zijn dus de nodige kanttekeningen te plaatsen bij deze ‘oplossing’. 66 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

recreatieve infrastructuur die groei zullen bijbenen. De verwachting is dan ook dat de geconstateerde recreatieparadox de komende jaren nijpender wordt. De recreatieparadox: Het maatschappelijk en economisch belang van recreatie is evident, maar toch zijn er onvoldoende middelen voor uitbreidingsinvesteringen en voor beheer! 6.3

Mogelijkheden voor verwerven van extra middelen

We concludeerden dat met name het tekort aan middelen voor recreatieve infrastructuur en beheer daarvan nijpend is. In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar mechanismen die kunnen bijdragen aan structurele oplossingen voor het beheervraagstuk. De grote stromen verblijfstoeristen en dagbezoekers in en rondom Laag Holland bieden, aangevuld met de eigen bevolking, potentie voor het genereren van extra middelen voor investeringen in het beheer van landschap, recreatieve structuren en voorzieningen. Grofweg zijn er mogelijkheden voor een extra bijdrage van recreanten, van bedrijven en van overheden.

Kwalitatief goede recreatievoorzieningen en handhaving nodig Als de recreatiemogelijkheden onvoldoende meegroeien met de vraag/de maatschappelijke behoefte, merken gebiedsbeheerders, boeren en gemeenten dat mensen steeds meer hun eigen gang gaan en boerenland en/of natuur betreden, waar dat niet de bedoeling is. Dat leidt (soms) tot schade aan natuur (flora en fauna) en landschap, zet de agrarische bedrijfsvoering onder druk en zorgt hier en daar ook voor zwerfafval. Voldoende gebieden met passende voorzieningen voor meer intensieve recreatie voorkómen een deel van dit gedrag. In dergelijke gebieden is ook enige handhaving mogelijk, al zijn de daarvoor beschikbare budgetten uitermate krap. Handhaving met BOA’s is hoe dan ook een belangrijk sluitstuk van een goed gebiedsbeheer, een vraagstuk dat met de verwachte bevolkingsgroei ongetwijfeld belangrijker wordt. In het verspreide landelijk gebied is handhaving welhaast een illusie: middelen en capaciteit hiervoor ontbreken.

6.3.1

Mogelijkheden voor extra bijdrage recreanten

Uit voorbeelden elders in het land blijkt dat recreanten best financieel willen bijdragen aan recreatieve voorzieningen. We moeten ze hiertoe wel de kans geven, en in veel gevallen moeten we ook goed kijken wat we de recreant dan bieden. Mogelijkheden die bezoekers de kans geven om financieel bij te dragen aan de recreatieve voorzieningen zijn: • Kaartverkoop of entreeheffing, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt op de Hoge Veluwe (zie voorbeeld in 3.5), de Waterleidingduinen en in het Noordhollands Duinreservaat. Het lastige is dat deze gebieden niet vergelijkbaar zijn met Laag Holland omdat het in die voorbeelden om min of meer afgeschermde gebieden gaat. Bovendien is het vanuit maatschappelijk oogpunt niet wenselijk om alle recreatievoorzieningen in Laag Holland uitsluitend toegankelijk te maken voor betalende bezoekers. • (Meer) betaald parkeren. Voor een aantal terreinen is dit al een belangrijke inkomstenbron en dit middel kan worden ingezet om meer inkomsten te genereren. Met marketing en informatievoorziening kunnen mensen naar de juiste plek geleid worden. Daarover in H7 meer. Ook kan bijvoorbeeld op een plek waar normaal geen sprake is van betaald parkeren, betaald parkeren worden ingevoerd tijdens een evenement of andere tijdelijke activiteit om zo extra inkomsten te genereren.

In recreatiegebied ‘t Twiske is betaald parkeren inmiddels goed voor € 0,45 miljoen aan inkomsten na aftrek van de kosten. Die € 0,45 miljoen is goed voor ongeveer 8% van de beheerkosten. Een nuttige aanvullende inkomstenbron dus. In het piekjaar was het onder invloed van corona zelfs € 0,6 miljoen. • Vignetten voor specifieke gebruikers en faciliteiten, dit gebeurt bijvoorbeeld op de Utrechtse Heuvelrug succesvol door middel van een mountainbikevignet en een ruitervignet (zie voorbeeld in 3.5). Dit is echter alleen een oplossing voor specifieke faciliteiten voor bepaalde doelgroepen. Wandelaars zijn minder bereid te betalen dan ruiters of MTB-ers. Samenwerking met de doelgroep zelf is nodig om een vignet tot een succes te maken. De faciliteiten waartoe het vignet toegang geeft, moeten van voldoende kwaliteit zijn. Achterstallig onderhoud moet eerst weggewerkt Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 67

worden. • Vrijwilligers inschakelen voor uitvoeren van onderhoudsmaatregelen of als toeristisch-recreatieve activiteit. Voor wat betreft dat laatste zien we dat bezoekers steeds vaker een bijdrage willen leveren aan het onderhoud van het gebied. De Faeröer eilanden gingen een tijdje geleden een heel weekend dicht voor toeristen, behalve voor 100 gelukkige vrijwilligers die bereid waren mee te helpen met onderhoudsklussen. In ruil voor de geboden hulp kregen vrijwilligers het gehele weekend onderdak en eten, met op zondag een feestelijk afsluitingsmaal met locals en medevrijwilligers. Toeristenbelasting voor dagrecreatie, hoe zit dat? Toeristenbelasting is bij de meeste bezoekers wel bekend. Een gemeente mag volgens de Gemeentewet toeristenbelasting heffen over verblijf van personen die niet woonachtig zijn in de betreffende gemeente. Aanbieders mogen deze belasting doorberekenen aan de gasten. Vormen en tarieven van toeristenbelasting verschillen per gemeente. In Den Haag, Haarlem, Rotterdam en Amsterdam wordt sinds kort ook toeristenbelasting berekend over vakantieverhuur via Airbnb en waarvan de inning automatisch via het Airbnb-platform loopt. Toeristenbelasting is geen doelheffing en dus komen inkomsten in de algemene gemeentekas terecht. Sommige gemeenten romen een percentage af om een doelgericht fonds te vullen.

Zo stopt de gemeente Wijdemeren 10% van de forensen- en toeristenbelasting in Reserve Recreatie & Toerisme, waarmee zij investeren in o.a. onderhoud van recreatieve paden. Veel drukke gebieden of attracties ontvangen met name dagrecreanten, denk aan de Zaanse Schans, Giethoorn en de Keukenhof. We zien steeds vaker dat hierop ook belasting wordt geheven. Op basis van de Gemeentewet (artikel 229c) mag een gemeente vermakelijkheidsretributie heffen om kosten te dekken van voorzieningen die zijn getroffen voor grote groepen bezoekers. De belasting op vermaak is niet nieuw en is in opkomst in steeds meer gemeenten. De gemeente Zaanstad heft bijvoorbeeld vermakelijkheidsretributie in een afgebakend gebied rondom de Zaanse Schans. Alle betaalde activiteiten die beginnen in het gebied vallen onder de heffing. Het tarief bedroeg in 2021 € 0,25 per bezoeker, per activiteit. Deze belasting mag worden verhaald op de bezoeker, bijvoorbeeld door het verhogen van de entreeprijs. De belastingplichtige moet zelf per tijdsvak (kwartaal) aangifte doen. Omdat vermakelijkheidsretributie geheven wordt door gemeenten, is het lastig om direct te heffen voor kosten voor beheer van een gemeentegrensoverschrijdend gebied. Wellicht kan in samenspraak een verdeelsleutel worden afgesproken, waarbij een bijdrage naar een gebiedsfonds gaat.

Vermakelijkheid is een breed begrip en activiteiten die onder deze regeling vallen worden in brede zin omschreven in de gemeentewet. Naar voorbeeld van de Zaanse Schans zou dit wel toepast kunnen worden op bijvoorbeeld rondleidingen, bootverhuur, musea en andere vormen van vermaak. De gemeente die deze belasting heft, mag geen winst maken op een heffing.

Ook blijken mensen bereid bij te dragen aan vernieuwing of ontwikkeling, bijvoorbeeld aan mountainbikepaden, speelvoorzieningen, bankjes en dergelijke. • Bijdragen van deelnemers van activiteiten en (sport)evenementen. Voor veel terreinbeheerders is de organisatie van excursies al een belangrijke bron van inkomsten. Daarnaast kan via S(up)port for Nature ook een bijdrage gevraagd worden van deelnemers van (door anderen) georganiseerde sportevenementen 6. Daarnaast is S(up)port for Nature ook een natuurzorgsysteem gericht op het voorkomen van schade aan de bodem en de natuur, het voorkomen van overlast voor bezoekers en omwonenden en het bevorderen van de veiligheid van het evenementen. • Gebiedsapp met verzoek om vrijwillige bijdrage voor beheer. Bezoekers Grotere rol voor boeren in het beheer Naast het genereren van extra inkomsten kan ook gekeken worden naar manieren om de kosten van beheer te drukken. Een denklijn die daarbij regelmatig de revue passeert is om meer te doen via agrarisch beheer. Dat kan goedkoper zijn, omdat het voor de boer een nevenactiviteit is en er toch al op en aan het land moet worden gewerkt. Tegelijk zorgt het voor boeren voor extra inkomsten. Kansrijk is daarbij ook het realiseren van meer boerenlandpaden zodat de routestructuren fijnmaziger worden.

Echter, de groei van het aantal inwoners en – post-corona – ook weer de aanwezigheid van bezoekers zijn van een dusdanige omvang dat zeker in de nabijheid van de grotere steden een tamelijk robuuste inrichting noodzakelijk is. Dat leent zich minder voor agrarisch beheer. Ook heeft de agrarische sector al te maken met een grote druk op het areaal door claims voor verstedelijking, energie en infrastructuur, wat de bereidheid om mee te werken aan paden over boerenland wellicht vermindert. Het kan dus een nuttige aanvulling vormen maar niet dé oplossing voor versteviging van de recreatieve infrastructuur, inhoudelijk/ruimtelijk noch financieel. Een interessante dubbelslag is mogelijk door meer fijnmazige toegankelijkheid over boerenland te combineren met een ruimere beheervergoeding voor boeren. Dat voegt een meer informele toegankelijkheid – struinen in cultuurlandschap – toe aan het palet aan recreatiemogelijkheden tegen bescheiden kosten voor overheden en genereert extra inkomsten voor boeren. In het relatief natte Laag Holland vergt dat soms ook eenvoudige voorzieningen om slootjes te kunnen oversteken (‘plank’/trekpondje/polsstok).

Daarbij wordt opgemerkt dat een dergelijke ontwikkeling wordt bemoeilijkt door de toenemende juridische druk en discussies over aansprakelijkheid, die beheerders en dus ook agrariërs dwingt richting meer robuuste inrichting, het vastleggen van periodieke keuringen en gestructureerd onderhoud. Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 68

ontvangen dan een bericht als zij het gebied binnenkomen. In de praktijk is dit lastig, met name vanwege privacy. Een alternatief is om met QR codes en informatiemateriaal de mogelijkheid voor een vrijwillige bijdrage breed onder de aandacht te brengen. Het is wel onzeker wat dit concreet oplevert (welk percentage van de bezoekers doet daadwerkelijk een vrijwillige bijdrage en om hoeveel geld gaat het dan). • Giften, legaten, crowdfunding etc. Deze zijn op dit moment al een belangrijke bron van inkomsten voor TBO’s. Er zijn kansen om dit verder uit te breiden, waarbij het van belang is dat mensen zich verbonden voelen met het gebied en dat ze bij voorkeur bijdragen aan een concrete activiteit of ingreep zodat meteen duidelijk is waar het geld naartoe gaat. De ANBIstatus, waarmee giften fiscaal aantrekkelijk worden voor ondernemers en particulieren, helpt daarbij. Diverse TBO’s en bijvoorbeeld ook de Agrarische Natuurvereniging Water, Land & Dijken hebben zo’n status. Staatsbosbeheer heeft zelfs een afzonderlijke stichting, Buitenfonds, opgericht, om ook van dergelijke geldstromen te kunnen profiteren. • Goede doelen loterijen Dit is weliswaar geen directe stroom vanuit recreanten, maar een deel van hun verkoop van loten wordt wel ontleend aan hun bijdrage aan goede doelen, waaronder ook aan natuur en landschap.

Vooral de ambitieuze en grootschalige projecten blijken hiervoor interessant. Een bekend voorbeeld is de bijdrage van de Postcodeloterij aan de eerste fase van de Markerwadden.

6.3.2

Mogelijkheden voor extra bijdrage bedrijven

Als landschap een belangrijke basis is voor het bestaansrecht van de sector, en er in de sector veel geld omgaat, is het dan niet logisch dat toeristisch-recreatieve bedrijven meebetalen aan het behoud van het landschap en van de recreatieve voorzieningen? Het klinkt logisch, maar in de praktijk is het mede-financieren van landschapsbeheer vanuit toeristischrecreatieve bedrijvigheid weerbarstige materie. De zorg voor het landschap wordt door veel ondernemers primair gezien als een kerntaak van de overheid. Enkele voorbeelden van hoe ondernemers wél kunnen bijdragen: • Meer verdienmodellen in groen met huur/pacht of zelf uitbaten door

gebiedsbeheerder. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld horeca, leisure, verblijfsrecreatie, evenementen (incidenteel) of landbouw. In Laag Holland maken veel gebieden echter onderdeel uit van Natura2000 of het Natuurnetwerk Nederland, het toevoegen van activiteiten mag de natuur niet schaden. De natuurstatus maakt ontwikkelingen ook planologisch gezien uitdagend. Dat is gelijk ook kanttekening hierbij: dit vergt een lange adem en is geen oplossing die al op wat kortere termijn helpt. • Vrijwillige CO2-compensatie. Grote, energie-intensieve bedrijven vallen onder het Europese Emissie Handelssyteem (ETS in het Engels) voor CO2-rechten. Kleinere bedrijven – en daar zijn er heel veel van in de MRA – niet. In toenemende mate zijn bedrijven in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen en/of in het kader van hun (toekomstige) jaarverslagverplichtingen geïnteresseerd in het compenseren van hun CO2-uitstoot. Er is een markt van intermediairs ontstaan die bedrijven daarbij helpen. Vaak gaat het daarbij om het stimuleren van bosaanplant in het buitenland. Maar vermoedelijk is de betrokkenheid en (betalings) bereidheid groter, als de mogelijkheid wordt gecreëerd bij te dragen aan regionale/lokale groen-ambities. Op heel lange termijn – als de economie volledig ‘carbonneutraal’ is geworden – zou deze geldstroom vervallen, maar voorlopig is het nog niet zo ver.

De MRA zou in samenwerking met private partijen een dergelijk programma kunnen opzetten. • Streekproducten en arrangementen met ‘Laag Holland’-afdracht, op de Utrechtse Heuvelrug is bijvoorbeeld een streekproductenlijn in ontwikkeling, met kaas, bier, schapenwol, veldboeketten en meer. Een klein deel van de aankoopprijs komt ten goede aan het gebied. Overigens zitten er aan deze oplossing ook weer de nodige haken en ogen. Op de Heuvelrug is het Nationaal Park de partij waaraan de afdracht plaatsvindt, maar in Laag Holland zijn er veel verschillende partijen. Ook de administratieve lasten kunnen een drempel zijn: er is een zekere schaalgrootte nodig, wil het financieel interessant worden. • Sponsoring en giften vanuit bedrijven, bijvoorbeeld naar het voorbeeld van Nationaal Park de Alde Feanen (zie voorbeeld 3.5). Nationaal Park De Alde Feanen experimenteert bovendien met een groene factuur waarbij 2% van de omzet door recreatiebedrijven wordt afgedragen aan het gebied. In het verlengde hiervan liggen (relatief laagdrempelige) partnerschapsproRapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 69

gramma’s zoals landschapsabonnementen met bijvoorbeeld bronzen, zilveren en gouden ‘lidmaatschappen’ voor bijdragen aan landschapsbeheer met fysieke en digitale ‘plakkaten’ en oplopende tegenprestaties. • De introductie van een ‘Laag Holland’-keurmerk: jaarlijkse bijdrage van toeristisch-recreatieve bedrijven in ruil voor ‘bord op deur/website/etc’. Om dit lucratief te laten zijn, moet het al snel gaan om een bijdrage in een ordegrootte van € 1.000 per jaar. Het is onzeker of en wanneer ondernemers bereid zijn om dit te betalen: er moet ook direct profijt duidelijk zijn. Bovendien zitten er ook kosten aan zo’n systeem. De schaalgrootte moet daarom groot genoeg zijn, om geld over te houden voor het gebied. Daarnaast loop je de kans op ‘free riders’ als je het te duur maakt, en levert het juist niks op als het te goedkoop is. • Samenwerking voor het ontwikkelen van arrangementen. Voorbeeld is de Laag Holland Trail, een actief en compleet verzorgd arrangement met overnachtingen in verschillende accommodaties. Voorwaarde bij dit type inkomsten is dat er sterke samenwerking nodig is om de waarde van het gebied te gelde te maken (zie ook H7). Er moet een sterke identiteit zijn, en een goed merk.

Dit draagt eraan bij dat ondernemers het gebied een warm hart toedragen, dat zij zich bewust zijn van het belang van het landschap en de recreatieve voorzieningen voor hun onderneming en activiteiten. “Het is al lastig om ondernemers zo ver te krijgen dat ze een bijdrage leveren aan de gebiedsmarketing, laat staan aan het gebiedsbeheer.” (uit: interview voor dit onderzoek) 6.3.3

Mogelijkheden voor extra bijdrage overheden

Overheden zijn op dit moment de belangrijkste bron van middelen voor het landschap en recreatieve infrastructuur. Vanwege het publieke karakter ligt een rol van overheden ook voor de hand. Mogelijkheden om extra bijdragen van overheden te realiseren, zijn: • Inzet van extra (tijdelijke) middelen van het Rijk voor stikstof en veenweide. Het nieuwe Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) is

hiervoor een kans, een kans die Noord-Holland inmiddels heeft omarmd. • Extra bijdrage van provincie en gemeenten zelf. Maar dit is een politieke keuze en er zijn weinig ‘knoppen’ om aan te draaien. • Verevening vanuit woningbouw. Er komen tot 2050 circa 325.000 woningen bij in de MRA en het lijkt kansrijk om de groenstructuur hiervan mee te laten profiteren door een deel van de marge af te romen en in groene inrichting rondom nieuwe wijken te investeren. Verevening of kostenverhaal vanuit gebiedsontwikkeling – o.a. woningbouw, kantoren, bedrijventerreinen – is staande praktijk in Nederland. Onder de Wro (Wet op de ruimtelijke ordening) gebeurt dat privaatrechtelijk anterieur of via publiekrechtelijk kostenverhaal. Het aldus financieren van buurtgroen, plantsoen of buurtpark en van de aansluiting op recreatieve wandel- en fietsinfrastructuur is gebruikelijk. De Omgevingswet biedt een interessant haakje om ook groen op enige afstand (dus voor voorzieningen met een betekenis die de gebiedsontwikkeling overstijgt) op deze manier (mede) te financieren. In de praktijk zitten hier wel nog steeds de nodige haken en ogen aan. Kanttekening is daarnaast dat dit een incidentele oplossing is voor een structureel probleem. En dan is er nog de mismatch tussen stenen en landschap: gaan we extra rood toevoegen om groen te financieren? • Verevening vanuit toeristische bedrijven.

Bijvoorbeeld door bij nieuwvestiging of uitbreiding van toeristisch-recreatieve bedrijvigheid een bijdrage voor investering/onderhoud van het landschap te vragen (anterieur of via kostenverhaal). In de provincie Zeeland zijn er meerdere gemeenten die hiermee werken. De kanttekeningen hierbij zijn hetzelfde als die voor verevening vanuit woningbouw: voor een incidentele investering is dit een oplossing, maar niet voor de structurele beheeropgave. • Toeristenbelasting gericht inzetten. De meeste gemeenten heffen toeristenbelasting. In 2020 werd in Laag Holland zo’n € 6,3 miljoen aan toeristenbelasting geïnd en in Amsterdam tussen de € 100-200 miljoen. Dat de toeristenbelasting geen doelheffing is, is ondernemers-(organisaties) een doorn in het oog. Het valt namelijk onder het (generiek) budgetrecht van de gemeenteraad. Toch zijn er gemeenten die afspraken hebben gemaakt over het inzetten van (een deel van) de toeristenbelasting voor toeristische doeleilanden. Daarnaast kan er bijvoorbeeld regionaal een verhoging worden afgesproken die hiervoor wordt ingezet. Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 70

• Dagtoeristenbelasting heffen. Dit heet ook wel vermakelijkheidsretributie en is een manier om dagtoeristen bij te laten dragen aan het beheer en onderhoud van de recreatievoorzieningen waar zij gebruik van maken. Meer hierover in kader.

• Hoe beheer van het landschap en recreatieve benutting onderdeel kunnen worden van een duurzame agrarische bedrijfsvoering (zowel economisch, sociaal als ecologisch). Hierbij is koppeling aan GLB en vergroening denkbaar.

Ook buitenlandse voorbeelden – zie bijvoorbeeld publicaties van Helen Toxopeus in het kader van het EU-project ‘Naturvation’ – kunnen inspirerend werken, al is ook daar geen sprake van een ‘gouden ei’ en zijn er altijd verschillen in (wettelijke) kaders en context.

Maar welke aanvullende opties ook worden benut, het laat onverlet dat er een belangrijke financiële rol voor de overheden is en blijft in de investeringen in en het beheer van het recreatief netwerk. De recreatieve basisinfrastructuur wordt door zowel bewoners als ondernemers gezien als onderdeel van de kerntaken van de lokale overheid.

6.3.4 Kansrijke mogelijkheden, maar er blijft een grote financiële rol voor overheden In de voorafgaande passages zijn suggesties gedaan voor het vergroten van de inkomsten voor gebiedsbeheerders via bijdragen van recreanten of bedrijven of het vergroten van de mogelijkheden voor bijdragen vanuit de overheid. Het meest kans-rijk voor de korte termijn zijn acties die weinig coördinatie vragen in de uitvoering, en daardoor lage uitvoeringskosten hebben. Wij denken dan aan: • Meer betaald parkeren • Vignetten voor specifieke gebruikers en faciliteiten (bijv. skaters) • Bijdragen van deelnemers van activiteiten en (sport)evenementen • Het inzetten op vergroten van de giften en legaten • Goede doelen loterijen benaderen met prestigieuze nieuwe projecten in Laag Holland • Bijdragen van deelnemers van activiteiten en (sport)evenementen • Meer verdienmodellen in het groen (al vergt dat vanwege de planologische complicaties wel een lange adem) Voor de middellange tot lange termijn adviseren wij om in ieder geval onderstaande mogelijkheden verder te onderzoeken: • Vermakelijkheidsretributie • Vrijwillige CO2-compensatie • Streekproducten uitbreiden en hiermee directe en indirecte inkomsten voor het gebied genereren Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 71

6.3.5 Inspirerende voorbeelden

Nationaal Park Hoge Veluwe Het Nationaal Park Hoge Veluwe is een uniek natuurgebied in de provincie Gelderland. Het National Park is het grootste actief beheerde particuliere landschapspark van Nederland. Het park voert vanaf 1935 een zelfstandige exploitatie. Uit het Meerjarenplan Fondsenwerving 2021-2025 van de Stichting Hoge Veluwe Fonds blijkt dat 8% van de inkomsten afkomstig is uit natuurbeheersubsidies, zoals SNL. De overige 92% is afkomstig uit entreegeld, horeca, winkel, houtverkoop, erfpacht en schenkingen. Bezoekers betalen in 2022 € 11,30 per volwassene (kinderen 6 t/m 13 jaar €5,65) en eventueel € 8,00 om de auto mee te nemen in het park. Buiten het hek geldt een parkeertarief van €4,00 per bezoek. Wie daarnaast het Kröller-Möller Museum wil bezoeken, betaalt € 12,00 extra. In het park staan 1800 witte fietsen die binnen het Park gratis mogen worden gebruikt door alle bezoekers. De stichting kent ook verschillende manieren van fondsenwerving. Bedrijven en particulieren kunnen op verschillende manieren bijdragen, bijvoorbeeld middels een eenmalige schenking, periodieke gift, nalatenschap of partnerschap. Vanaf 2018 wordt er gewerkt met een Vriend van de Hoge Veluwe-systeem. In ruil voor verschillende privileges worden drie pakketten aangeboden: brons (€200€1000), zilver (€1.000-€2.000) en goud (meer dan €2.000).

Van de inkomsten wordt ongeveer 90% ingezet voor beheer van het park, bijvoorbeeld onderhoud van paden, routemarkeringen en de bezoekerscentra.

Nationaal Park De Alde Feanen Nationaal Park De Alde Feanen dekt jaarlijks een deel van de begroting met behulp van fondsen en sponsoren. Rabobank is de grootste sponsor, vanuit het Stimuleringsfonds krijgt het NP € 10.000 per jaar. Daarnaast heeft het park zo’n 12 MKB-bedrijven als sponsor of partner, die jaarlijks gezamenlijk zo’n € 20.000 bijdragen. Het grootste deel is geen recreatieondernemer, maar voelt zich simpelweg verbonden met het gebied en wil daar iets voor terug doen. Ook laten zij hiermee zien maatschappelijk betrokken te zijn. Het NP heeft hier partnerschapspakketten voor ontwikkeld (zie afbeelding). Jaarlijks verzorgen zij een leuk uitje voor deze ondernemers, waarbij zij ook introducees mogen meenemen, en bijvoorbeeld een ‘challenge’ voor medewerkers. Tot slot heeft het NP nog zo’n 60-70 private donateurs. Het gaat hierbij om particulieren die het gebied een warm hart toedragen. Alhoewel het om kleine bedragen gaat, helpt het aanbieden van de mogelijkheid om donateur te worden ook om inwoners bij het gebied te betrekken.

72 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

Cinque Terre Card

Landgoed Den Treek-Henschoten

Cinque Terre is een gebied aan de Ligurische Zee in het noordwesten van Italië, iets ten zuiden van Genua. Het gebied bestaat uit vijf schilderachtige dorpen (“cinque terre”), onderling verbonden door een treinrails en wandelroutes langs de steile kust en dwars door de wijngaarden. Het gebied is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. Het gebied kent enorme bezoekersaantallen. Zowel een gedeelte van de zee als de landnatuur heeft een beschermde status. Als bijdrage aan de hoge kosten van natuurbescherming en het onderhoud van onder andere wandelroutes, zijn bezoekers aan het gebied verplicht om de Cinque Terre Card aan te schaffen. Naast toegang tot de routes, is de kaart ook geldig voor andere kleine handigheden, zoals gratis toiletgebruik op de stations.

Landgoed Den Treek Henschoten ligt in de provincie Utrecht. Het landgoed ontvangt subsidies voor het onderhoud van wandelpaden en fietspaden, maar vraagt een bijdrage voor MTB-routes in de vorm van een vignet (dag: € 5,00, kwartaal: € 10,00) en bijdrage voor ruiterpaden (variërend van € 10,00 per dag tot €100,00 per jaar). Het landgoed heeft themawandelingen ontwikkeld met financiële steun van de ANWB en de Heuvelrug Erfgoed Pas. De natuur wordt actief beheerd door middel van een schaapskooi en hersteld waar nodig. Denk hierbij aan vernatting, plaggen en het aanleggen van nieuwe natuurterreinen met de juiste omstandigheden voor zeldzame (moeras)planten.

Bezoekers aan de dorpen hoeven geen kaart te kopen, maar zodra je adembenemende routes door de bergen en wijngaarden wil betreden, moet je een Cinque Terre Card kopen van ongeveer € 7,50 per persoon per dag. Ook hier zijn er geen poortjes aan het begin de routes. In theorie kan men zonder bijdrage de routes betreden. Maar in de promotie van de kaart wordt het natuurbehoud en onderhoud van de routes sterk aangezet. De drempel om een kaart te kopen wordt ook verlaagd door een speciale combikaart aan te bieden inclusief vrij gebruik van de trein en shuttlebus, inclusief de buiten het gebied gelegen “opstappunten” Levanto en La Spezia. Door zo’n tweede incentive aan de kaart te hangen (namelijk all-in treingebruik, inclusief van en naar het park) wordt de bezoeker nog meer aangemoedigd bij te dragen. Ontzorgen van bezoeker en geldstroom in één.

Buitenleven Vakanties Een bijzondere manier van exploitatie van bouwwerken wordt toegepast door het samenwerkingsverband van Staatsbosbeheer, Landschappen NL en Natuurmonumenten: Buitenleven Vakanties. Oude boswachtershuisjes, landhuizen, molens en kastelen worden verhuurd aan rustzoekers en natuurliefhebbers en de opbrengsten dragen vervolgens bij aan natuurbeheer. De unieke locatie draagt bij aan de beleving en waardering van het gebied en een relatief hoge prijs levert opbrengsten op voor beheer, onderhoud en voorzieningen. 73 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 74

7

BESTEMMINGSONTWIKKELING, -MANAGEMENT EN MARKETING Zowel de huidige situatie als de optimalisatie van het recreatief netwerk vragen om een intensieve samenwerking van gebiedspartijen, waarbij in het belang van het gebied gehandeld wordt. In dit hoofdstuk beschrijven wij de organisatorische randvoorwaarden voor succesvolle doorontwikkeling van het recreatief netwerk. 7.1

Bestemmingsontwikkeling

De bestemming Laag Holland centraal

De optimalisatie van het recreatief netwerk heeft als doel de belevingsmogelijkheden en bereikbaarheid van Laag Holland te verbeteren. Dat is naast een fysiek vraagstuk, ook een organisatorisch vraagstuk. De belangrijkste organisatorische opgaven zijn: • Versterken van de identiteit van het gebied. • Doorbreken van de recreatieparadox: voldoende middelen voor beheer en ontwikkeling genereren. • Integreren van verschillende beleidsprocessen en doelen (landbouw, recreatie, natuur, klimaat). Samengesteld product vraagt om organisatie op gebiedsniveau Samenwerking is essentieel voor succesvol(le) bestemmingsmanagement, - marketing en -ontwikkeling. Dit komt doordat: • De recreatieve beleving een samengestelde beleving is, verschillende partij maken samen de recreatieve beleving: de boer en natuurbeheerder voor het landschap, de vrijwilligers die het erfgoed in stand houden, de verhuurder van de kano, het recreatieschap voor het fietspad en de routes, de musea, de attracties, de horeca, de winkeliers, de streekproducten, de marketingorganisatie voor inspiratie en informatie. • Toeristen en recreanten geen gemeentegrenzen kennen en geen onder-

Bestemmingsmanagement

Bestemmingsmarketing

Figuur 1 Bestemmingsdriehoek scheid zien tussen verschillende terreinbeherende organisaties. Een sterke toeristisch-recreatieve bestemming vraagt dus om intensievere en gestructureerde samenwerking tussen verschillende partijen (publiek, privaat, ngo’s) binnen Laag Holland. We gebruiken de drie onderdelen van de “bestemmingsdriehoek”(zie figuur 1) om te laten zien welke kansen een nieuwe en sterkere organisatorische aanpak biedt voor Laag Holland. 7.1.1

Bestemmingsmanagement

Wat is bestemmingsmanagement? Regie op het functioneren van een toeristisch-recreatieve bestemming op basis van analyse, samenwerking en een gezamenlijke visie noemen we bestemmings-management. Bestemmingsmanagement wordt ook wel de ‘software’ van het gebied genoemd: organisatie en regie op gebiedsniveau maken optimale benutting van het gebied mogelijk. Aangezien er veel par75 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

tijen betrokken zijn bij recreatie en toerisme, is regie nodig om de uitdagingen gezamenlijk aan te pakken. Wat bestemmingsmanagement voor het recreatief netwerk kan betekenen is: a. De (georganiseerde) bezoekers naar de juiste plekken leiden via marketing en afspraken met aanbieders. Zo wordt bijgedragen aan spreiding en aan het accommoderen van de juiste bezoeker op de juiste plek; b. Het doorbreken van de recreatieparadox. Het (op gecoördineerde wijze) generen van inkomsten uit recreatie en toerisme: parkeergeld, (dag-)toeristenbelasting, bijdragen uit deelnemers van sportevenementen, vignetten, etc. c. Het managen en bewaken van de kwaliteit van een sterk gebiedslogo of (keur)merk voor Laag Holland, bruikbaar voor zowel streekproducten als toeristisch-recreatieve belevingen. 1 Patrick Polie, Destinatie X, 2021, concept

VeluweAlliantie

In de huidige situatie heeft Laag Holland geen bestemmingsmanagement. Bureau Toerisme Laag Holland (BTLH) heeft weliswaar een coördinerende rol, maar die richt zich niet op bovengenoemde activiteiten. Er zijn bovendien diverse organisaties (verschillende lokale en deelregionale marketingorganisaties en VVV’s) die zich hier ook deels op richten. In het rapport (S)Laag Samen van Destinatie X uit 2021 is geadviseerd om hier meer coördinatie in aan te brengen door vanuit verschillende gebiedsbeheerders marketingopdrachten te verstrekken aan BLTH. Dat heeft onder geleid tot opdrachten vanuit de recreatieschappen Twiske-Waterland en AUM. De gemeenten zijn eveneens met de aanbevelingen van Destinatie X aan de slag om tot een effectievere invulling te komen. De VeluweAlliantie (zie kader) is een interessant voorbeeld van een netwerkorganisatie die al enkele jaren gestaag werkt aan de integrale ontwikkeling van de Veluwe op het gebied van natuur en economie. Projecten die van hieruit gezamenlijk opgepakt worden, zijn bijvoorbeeld: zonering recreatie en natuur, vignetten voor MTB en ruiters en duurzame recreatieve bereikbaarheid.

De VeluweAlliantie is een netwerksamenwerking, o.a. gericht op management van de bestemming Veluwe. Ongeveer 40 partijen verbonden aan de Veluwe hebben (vrijwillig) een samenwerkings-overeenkomst getekend en delen de gezamenlijke ambitie van de VeluweAgenda. Deze alliantie bestaat uit enkele gemeenten, provincie Gelderland, KHN, natuurbeheerders, IVN, Recron, LTO en verschillende bestaande Veluwse overlegkoepels. De VeluweAlliantie werkt volgens een vastgesteld uitvoeringsprogramma zodat plannen en ambities ook op lange termijn kunnen worden uitgevoerd. Een gekozen VeluweBoard (met onafhankelijke voorzitter) is opdrachtgever van het Veluweteam, waarin onder andere een programmamanager, strategen en een communicatieadviseur zitten, aangevuld met projectleiders voor specifieke opgaven zoals laadpalen, duurzame mobiliteit en Vitale Vakantieparken. Kaart Aandachtspunten nadere Bestemmingsontwikkeling Laag Holland

76 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

7.1.2

Bestemmingsontwikkeling

Wat is bestemmingsontwikkeling? Bestemmingsontwikkeling richt zicht op alle facetten van het toeristischrecreatieve product (‘de hardware’): verblijf, vervoer, omgeving, bezienswaardigheden, activiteiten. De voorgaande paragrafen laten zien dat er raakvlakken zijn tussen bestemmingsmanagement en bestemmingsontwikkeling. Nieuw of aanvullend aanbod voor bezoekers valt ook onder bestemmingsontwikkeling. Wat bestemmingsontwikkeling voor het recreatief netwerk kan betekenen is: a. Productontwikkeling, dit kan de vorm hebben van routes/routenetwerken, activiteiten. b. Ontwikkelen van arrangementen waarmee bezoekers verleid worden om langer in het gebied te verblijven, ook eens een wat onbekendere plek te bezoeken en/of meer te besteden. c. Meekoppelkansen realiseren: heel concreet bij uitvoeringsprojecten in de regio ervoor zorgen dat het recreatieve belang goed uit de verf komt en kansen voor recreatie worden benut. De regie qua bestemmingsontwikkeling voor het landelijk gebied in Laag Holland ligt voor een belangrijk deel bij de provincie Noord-Holland. De Provincie heeft een gebiedscommissie Laag Holland ingesteld die mede sturing geeft aan de inzet van provinciale en rijksmiddelen. Gemeenten Hoogheemraadschap en gemeenschappelijke regelingen (de recreatieschappen) richten hun geld en activiteiten ook op het PPLG Laag Holland.

De vrijetijdssector heeft een taak in het moderniseren van het aanbod aan attractieve bestemmingen, arrangementen en verblijfsaccommodaties en het zorgen voor een betere gerichtheid op de gedifferentieerde (consumenten)vraag.

7.1.3

Bestemmingsmarketing

Wat is bestemmingsmarketing? De aanpak om het gebied te positioneren door middel van verhalen, identiteitsversterking en promotie, noemen we bestemmingsmarketing. Dat is de basis voor promotie en communicatie. Voor een sterk merk is het belangrijk dat iedereen onder dezelfde noemer acteert. Wat bestemmingsmarketing voor het recreatief netwerk kan betekenen is: a. Realiseren van een sterk merk en logo b. Betere informatievoorziening naar de consument (spreiden en verleiden) c. Aantrekken van de gewenste doelgroepen 7.2

Aanbevelingen organisatie Recreatief Netwerk

7.2.1

Investeer in een regionale netwerk samenwerking

Huidige situatie biedt onvoldoende basis In Laag Holland zien we dat de coördinerende en trekkende rol wordt ingevuld door Bureau Toerisme Laag Holland, die met het merk Laag Holland gebiedspartijen moet verbinden. Onverlet het goede werk, blijkt daar in de praktijk te weinig slagkracht en capaciteit te zitten voor het managen van een hele regio. Dat valt onder andere te lezen in (S)laag samen en komt naar voren in gesprekken met partijen in de regio. Ook de communicatie is enorm versnipperd. De huidige situatie biedt onvoldoende soelaas om Laag Holland als bestemming te managen en het netwerk als basis voor het recreatieve product verder te ontwikkelen. Zo is worden recreatieve mogelijkheden in de lopende gebiedsprocessen in de Provincie Noord-Holland rondom NNN, Natura2000, stikstof, bodemdaling en natuurinclusieve landbouw bijvoorbeeld zijdelings opgenomen in de schetsontwerpen, maar is geen geld belegd voor langdurig beheer van de recreatieve structuur.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 77

Sterke netwerksamenwerking voor de toekomst Om Laag Holland als bestemming goed te kunnen managen en het recreatief netwerk verder te kunnen ontwikkelen, ligt een netwerksamenwerking voor de hand. Bij het uitwerken daarvan raden wij aan om inspiratie op te Een greep uit de verschillende benamingen voor (delen van) het gebied: • Laag Holland • Waterland • Amsterdam Countryside • Old Holland • Land van Leeghwater • Holland boven Amsterdam • VisitBeemster • Zaanstreek • Nationaal Landschap Laag Holland • Amsterdam Wetlands • Twiske-Waterland 2 https://beemsterexperience.nl

doen bij Van Gogh Nationaal Park, de VeluweAlliantie (zie ook kader) of Stichting NP Weerribben-Wieden, alle robuuste netwerken van allerlei actoren die op gebiedsbreed, gemeente-overstijgend niveau opereren vanuit een gezamenlijk belang. Aanbevelingen voor de netwerksamenwerking zijn: • Zorg voor een duidelijke onafhankelijke trekker/regisseur en commitment van de belangrijkste stakeholders; • Leg commitment van partijen vast op uitvoeringsniveau inclusief inzet menskracht en middelen; • Stel het gebied centraal, en zet in op brede welvaart (natuur, economie, welzijn) in het gebied; • Werk uit welke vorm van participatie door bewoners het beste past bij de gekozen samenwerkingsvorm; • Heb aandacht voor zowel de hotspots voor toerisme en recreatie (Zaanse Schans, Marken, Volendam, t Twiske) als de rustige gebieden ertussen. • In het genoemde rapport van Destinatie X wordt gepleit voor het toevoegen van een extra hotspot in laag Holland. De in ontwikkeling zijnde

Beemsterexperience 2 (haalbaarheidsonderzoek: positief) heeft vanwege de werelderfgoedstatus van De Beemster, de ligging en aansluiting op de recreatieve structuren de potentie om zo’n hotspot te worden. 7.2.2

Zorg voor een sterk merk en een duidelijke positionering

Versnippering zorgt voor ontbreken van sterk merk In Laag Holland zien we een flink aantal verschillende logo’s, verhaallijnen en marketingorganisaties die werken aan hetzelfde stukje land (zie kader). Deze versnippering zorgt dat er geen sterk merk ontstaat. Als Laag Holland zich als één bestemming wil profileren, is gezamenlijke marketing onder één vlag noodzakelijk. Samenwerking creëert volume en slagkracht en dat geeft zowel de bestemmingsontwikkeling als marketing een sterkere positie. Ook hier is een regiefunctie cruciaal voor optimale samenwerking en aansturing in het gebied. Bij de oprichting van Bureau Toerisme Laag Holland is afgesproken dat het merk Laag Holland partijen uit de regio zou verbinden, waarbij het uitgangspunt was om de bestaande merken en campagnes te versterken. Je zou het zo kunnen zien dat BTLH bedoeld was om de managementkant van de regio vorm te geven en dat de bestaande campagnes, logo’s en beelden allen invulling gaven aan de marketingstrategie 3. Hier wringt de schoen. Deze loskoppeling heeft niet alleen voor verwarring gezorgd onder ondernemers, maar ook geresulteerd in een veelheid aan zwakke(re) merken. Het paraplumerk Laag Holland heeft nog onvoldoende slagkracht om de onderliggende merken te verbinden.

Consistentie, zichtbaarheid en herkenbaarheid zijn de sleutel In marketing is consistentie, zichtbaarheid en herkenbaarheid noodzakelijk voor het overbrengen van de boodschap. Patrick Polie schrijft in zijn rapport (S)laag samen dan ook dat verwachtingen van ondernemers en de ingezette strategie van BTLH niet overeenkomen. In het gebied ontbreekt het aan een duidelijke positionering. 3 Polie, P., Destinatie X. (2021). (S)laag samen, Perspectief voor herkenbare en vraaggerichte regiomarketing en bestemmingsontwikkeling in Laag Holland

78 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

De taak die het gebied te doen staat is te kiezen welke propositie zij als bestemming wil innemen, de strategie te bepalen en die van adequate middelen te voorzien. Het rapport (S)laag samen geeft veel handvatten voor het aanvliegen van dit proces. Vul de positionering met één (beeld) merk en ondersteunende verhaallijnen op basis van herkenbare iconen. Zorg bovendien dat positionering en marketing aansluiten bij de vraag, gebaseerd op data van bezoekers en leefstijlen. Het bundelen van capaciteit en middelen van de verschillende marketingorganisaties kan de slagkracht mogelijk vergroten doordat financiële middelen gebundeld ingezet kunnen worden om de positionering over te brengen richting doelgroep middels campagnes die effectief bijdragen aan zichtbaarheid en herkenbaarheid van het gebied. Het helpt hierbij dat de identiteit van het gebied en de bijbehorende oer-Hollandse iconen (Zaanse industrie, polderen, molens, kaas, dorpen) al wereldwijd bekend zijn: een deel van de keuzes kan hieraan opgehangen worden, aldus Patrick Polie. In het verlengde hiervan is ook zijn advies om voor het buitenlands bezoek te mikken op de nabije markten (Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk) vermeldenswaard. Die komen veelal met eigen vervoer en vertonen qua recreatiegedrag veel overeenkomsten met de (regionale) recreanten.

De investeringen in het recreatief netwerk zijn dan relevant voor zowel toerist als recreant. Dat leidt overigens wel tot intensiever gebruik en dus hogere beheerkosten, maar dit terzijde. Uitbouwen sterk merk: ook voor financieringsstromen Een sterk merk voor het gebied is essentieel voor marketing en communicatie naar bezoekers (toerisme en recreatie), maar heeft in potentie nog veel meer betekenis. Een sterk merk kan namelijk ook bijdragen aan financieringsstromen. Sponsoring, CO2-compensatie, crowdfunding, vignetten voor specifieke recreantengroepen, evenementen en streekproducten hebben allemaal baat bij een sterk gebiedsmerk. Bovendien kan aan een sterk merk ook een meer centrale informatievoorziening gekoppeld worden, waarmee gestuurd kan worden op bezoekersstromen. 7.2.3

Zet in op productontwikkeling en arrangementen

De juiste voorzieningen en producten – en verbindingen daartussen – maken het gebied Laag Holland aantrekkelijk en beleefbaar en kunnen bijdragen aan een goede spreiding van recreanten over het gebied. Daarbij is van belang om te kijken naar welk aanbod er nu al is, hoe dat beter met elkaar verbonden kan worden en welk aanvullend aanbod van toegevoegde waarde zou zijn. Aanbevelingen hiervoor zijn: • Het landschap van Laag Holland kan het beste beleefd worden door erin te bewegen. Ontwikkel nieuw aanbod in lijn met (de in de marketingstrategie gekozen) verhaallijnen. Denk aan voorzieningen en beleving langs routes en het beleefbaar maken van het verhaal en het landschap van Laag Holland door middel van storytelling.

Samen opgaven aanpakken en kansen benutten Een solide samenwerking is belangrijk om opgaven voor het netwerk te bundelen en kansen te benutten. Denk bijvoorbeeld aan spreidingstactieken om druk en draagkracht in balans te houden of brengen. Grip op groei is belangrijk om het gebied leefbaar te houden voor de eigen inwoner en om de natuurwaarden van de bijzondere wetlands te behouden en verstoringsgevoelige soorten te beschermen. Het toepassen van een zoneringsbeleid ziet bijvoorbeeld toe op de ruimtelijke spreiding van intensief en extensief gebruik van de ruimte door recreanten. Het aanleggen van bepaalde type paden (smal/breed, verhard/onverhard) zorgt voor intensief of minder intensief gebruik van het gebied. Zo kan ruimtelijk gedrag van de recreant enigszins gestuurd worden. Op plaatsen waar het niet storend is om grotere groepen bezoekers te ontvangen, is het logisch om bijvoorbeeld een toegangspoort te ontwikkelen met bijbehorende faciliteiten en ontsluiting. In het gebied zijn een aantal bestemmingen die nu al grote groepen (kunnen) ontvangen, maar door het ontbreken van logische routes, beperkte fysieke ontsluiting en/of onvoldoende bekendheid worden zij over het algemeen niet verleid ook het omliggende groengebied te bezoeken. Uit het MRA-onderzoek naar omvang en draagkracht blijkt dat Laag Holland over de capaciteit beschikt om meer bezoekers te ontvangen.

Ook het erfgoed en het landschap kan beter worden benut voor recreatie en toerisme. Een goede recreatieve dooradering is daarvoor essentieel. Overlast en beperking van de leefbaarheid komt met name voor in de zogenaamde hotspots Zaanse Schans, Marken, Volendam en ’t Twiske. Daar liggen kansen voor een betere ontsluiting, duurzame mobiliteit en het beter organiseren van verkeersstromen. Bron: Ontwikkelperspectief recreatie en toerisme MRA (Bureau BUITEN en Bureau voor Ruimte & Vrije Tijd, concept 2-2-2022) Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 79

• Investeer in duurzame bereikbaarheid, bijvoorbeeld door toeristische overstappunten en buitenpoorten. Zorg voor de juiste voorzieningen op deze plekken, zoals fietsverhuur, e-bikes of andere vormen van duurzaam vervoer en reguleer parkeren en bezoek met touringcars. • Het erfgoed in het gebied is buiten de hotspots nog onderbelicht. Denk aan erfgoedpark De Hoop en Etersheim, industrieel erfgoed en ook het cultuurlandschap zelf. De eerder genoemde Beemsterexperience past ook bij deze notie. Kijk gezamenlijk hoe erfgoed en landschap beter onder de aandacht gebracht en beleefbaar gemaakt kunnen worden. • Arrangementen en thema’s verbinden meerdere toeristisch-recreatieve producten aan elkaar, voegen waarde toe aan de beleving van de bezoeker en verleiden hen om langer in het gebied te blijven. Onderzoek daarom samen met ondernemers de mogelijkheden voor het ontwikkelen van arrangementen in aansluiting op de wensen en voorkeuren van bezoekers. 7.2.4

Doorbreek de recreatieparadox; Maar grotere overheidsbijdrage is nodig

In hoofdstuk 5 zijn we uitgebreid ingegaan op mogelijkheden om meer middelen voor beheer en onderhoud te genereren. Er zijn zeker kansen om extra middelen te genereren, maar de verwachtingen omtrent extra inkomsten voor gebiedsbeheerders moeten wel realistisch - = bescheiden - worden geformuleerd. Het is onontkoombaar dat de groeiende druk – zie hoofdstuk 3 – zich ook vertaalt in extra bijdragen van de overheden in de vorm van geld en een meer op ontwikkeling gericht beleid, naast het consoliderende en beschermende beleid voor grote delen van het landelijk gebied.

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 80

Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland | 81

8

INVESTERINGEN Kosten verbetervoorstellen recreatief netwerk Laag-Holland 8.1 Verbetervoorstellen in soorten en maten Op de kaart xx op pagina xx van dit rapport zijn alle uitbreidings- en verbetervoorstellen samengevoegd. In een excelbestand zijn bijna 80 projecten gedefinieerd en voor (vrijwel al) die projecten zijn investeringskosten en jaarlijkse beheerkosten geraamd. De verbetervoorstellen zijn in verschillende categorieën onderverdeeld: • Er zijn inrichtingsplannen voor integrale recreatieve landschaszones; • Idem voor landschapszones voor natuur en recreatie; • Er zijn verbeterplannen voor kano- en vaarnetwerken; • Er zijn projecten gericht op wandel- en fietsinfrastructuur; • Er is een categorie kleinschalige verbeteringen in ondersteunend faciliteiten (met name bankjes toevoegen); • En er is een kernlijst van acties die van wezenlijk belang zijn en die uit alle voorafgaande categorieën onderdelen kunnen bevatten. Van de projecten is bepaald waar het is, wat het is en om welke aantallen het gaat – in termen van kilometers wandel-/fietsinfrastructuur, arealen groengebieden of aantallen bruggen, bankjes, etc. De kanoprojecten zijn grofmaziger in beeld gebracht, meer op gebiedsniveau.

8.2 Kentallen als basis Voor diverse onderdelen zijn kentallen geïnventariseerd op basis van voorbeelden van elders, onder meer vanuit de analyses voor Groen Groeit Mee Utrecht en verschillende investeringsramingen voor de Provincie ZuidHolland met groene, blauwe en recreatieve elementen. Ook is praktijkinformatie vanuit RNH gebruikt. De kentallen zijn geïndexeerd naar prijzen van 2023voor zover nodig. Kostenramingen zijn inclusief voorbereiding, administratie en toezicht, maar exclusief btw. Grondverwerving is in een

aantal projecten meegenomen, maar niet in alle gevallen is duidelijk of er verwerving nodig is en waar dat niet bekend is, zijn ze niet meegenomen. Er is hier en daar bewust van de berekende kentallen afgeweken, bijvoorbeeld bij een brug, waar voor kleine fietsbruggen met een bedrag tussen € 150.000-450.000 is gerekend, maar wat voor eenvoudige wandelbruggetjes voor het overbruggen van een klein slootje ruimschoots te hoog is. In de directe nabijheid van Amsterdam is soms juist uitgegaan van wat hogere prijzen, vanwege de grote aantallen gebruikers die daar zijn te verwachten. In enkele gevallen zijn stelposten gebruikt, o.a. voor de verbeteringen voor kanovaren in enkele gebieden. Voor watermaatregelen in de Westzanerpolder en het Ilper- en Jisperveld en Varkensland moet nog een aanvullende berekening worden gemaakt. Hier beschikken wij over onvoldoende referentiecijfers. 8.3 Onzekerheden, risico’s en enkele verschillen aan de voorkant Er is een aantal onzekerheden en risico’s verbonden aan deze analyses. In de eerste plaats is er betrekkelijk weinig differentiatie gehanteerd in de basiskentallen, waarbij bijvoorbeeld verschillen in ondergrond niet of nauwelijks zijn meegewogen. Ook is er bijvoorbeeld een standaard fietspadbreedte gehanteerd en is er niet gecorrigeerd voor situaties waarin dat smaller of breder wordt uitgevoerd.

Er is hier en daar wel rekening gehouden met bijvoorbeeld verschillen in grondwaardes: in het relatief natte Waterland is € 80.000 per ha gerekend, terwijl bijvoorbeeld in een droogmakerij als De Purmer is gerekend met €120.000 per ha. De gehanteerde differentiatie zal op projectniveau vermoedelijk een onderschatting zijn van de werkelijke spreiding. De belangrijkste onzekerheid is de prijsontwikkeling. Hoewel is getracht alles op prijzen van 2023 te zetten, zijn bouwkosten op dit moment dermate (en vooral opwaarts) beweeglijk dat er een risico is dat de bedragen na 82 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

publicatie al zijn achterhaald. Daar staat tegenover dat er ook meevallers kunnen zijn. Bij de recreatieve zones en de natuur- en recreatieve zones gaat het om het realiseren van voornamelijk (boeren)landpaden in een extensieve vorm, die ervoor zorgen dat die gebieden recreatief ‘doorwaadbaar’ worden. Daarbij is geredeneerd vanuit vierkanten van 500 x 50 m, dus 25 ha in areaal, die in het midden van noord naar zuid en van oost naar west worden doorsneden. Figuurlijk en rekenkundig dan althans, in de praktijk kan het ook om één meanderend pad gaan en moet er uiteraard rekening worden gehouden met de ligging van sloten en andere infrastructuur. Een dergelijke inrichting leidt tot een extensieve recreatieve ontsluiting met een gemiddelde maaswijdte van 500m. In open gebieden moet het niet intensiever, in meer gesloten landschappen (bijvoorbeeld met veel riet) zou het netwerk eventueel dichter kunnen, maar daarmee is vooralsnog niet gerekend. Per 25 ha is uitgegaan van gemiddeld 2 bruggetjes (eenvoudige houten passages voor slootjes) en enkele overstapjes of toevallen¹. Aanlegkosten van dergelijke paden zijn heel bescheiden en ook de beheerkosten zijn laag, uitgaande van de boerenlandpadregeling die in Noord-Holland wordt gehanteerd. Er zijn een paar private investeringsprojecten (een uitspanning, een bootverhuur) waarvoor de kosten niet zijn geraamd.

Ook zijn er een paar maatregelen waarbij er vanuit is gegaan dat een kostenraming niet nodig is, omdat de kosten al worden meegenomen in een grote project. Dat is het geval bij het Purmerbos (verbetering wordt betaald vanuit de woningbouw ter plaatse) en bij het verhogen van een duiker in de N247 (meegenomen in kosten wegaanpassing). Overigens wordt opgemerkt dat ook als de investering in zo’n voorbeeld van het Purmerbos wordt gedekt uit de woningbouw, dat er dan nog geen oplossing is voor de kosten van beheer, onderhoud en toezicht. Een ‘incidentele’ opbrengst is immers geen oplossing voor structurele jaarlijkse kosten. Een denklijn zou kunnen zijn dat de bouwende gemeenten hieraan 1 Het gaat hier niet om het toeval maar om de toeval: een eenvoudig zelf dichtvallend hek

extra bijdragen vanuit hun resulterende hogere WOZ-opbrengsten, maar het zijn de gemeenteraden die hier uiteindelijk over gaan. Of groen- of gebiedsbeheer dan overeind blijft in alle andere gemeentelijke prioriteiten is maar zeer de vraag. Kortom, dit voorbeeld is eens te meer een illustratie van het eerder gememoreerde beheertekort en de recreatieparadox (zie hoofdstuk 6). 8.4 Investeringsraming In totaal behelzen de projecten een investeringsbedrag in een ordegrootte van € 102 mln. Dat mag een flink bedrag lijken, maar is eigenlijk vrij bescheiden als naar eerdere ramingen op MRA-niveau wordt gekeken. Wanneer wordt bedacht dat er grosso modo een uitvoeringstermijn tot pakweg

Kentallen tbv Recreatief Grid Laag Holland

categorien

fiets

fietsbrug

kosten, zonder eenheid grondverwerving, prijspeil 2023 € 805.000 km

€ 8.000.000 stuk

fietsbrug klein

€ 300.000 stuk

wandel

€ 50.000 km

kano

=zuidvleugel!F4 (exclusief grondverwerving). 5 m Duur, maar wel gehanteerd breed strook 3,5 m breed fietspad verhard en 2x0,75 meter berm. € 230 per m2 fietspad 3,5 m breed incl berm kanaal, snelweg. Als die beweegbaar is, is het Maar bij grote brug wat lager duurder. In stedelijk gebied ook duurder. bedrag genomen tussen de 2500 en 7500 euro per meter. Bij een https://ipvdelft.nl/wat-kost-eenbrug van 4 breed en 15 meter, kom je op 150.000- brug/#:~:text=De%20fietsbrug%20L 450.00. gemiddeld 300.000 aarveld%20in%20Weert,per%20m2 %20(prijspeil%202023). hadden eerder hoog bedrag (€ 230.000/km) genomen, vanwege noodzaak grondwerk in m.n. Waterland, maar die kosten zijn niet overdreven hoog, aldus Alex Rohof. Daarom substantieel lager op basis enkele referenties.

km

kwaliteitsverbetering recreatie pont

€ 6.800 ha

WATER landschapszone R

stuk € 68.000 ha

landschapszone R&N onderzoek

€ 68.000 ha € 5.000 stuk

bankjes

€ 1.000 per 2 stuks

stuk

Kanomaatregelen zijn nog onvoldoende duidelijk en is lastig per gebied te schatten, nu stelpost genomen dit is 10% van de inrichtingskosten per ha ??? Moeten we induiken. Elektrificeren pont is tussen de 500.000 en 1 miljoen denk ik.

??? Moeten we induiken Bron: 55.000, geindexeerd is het 68000,- ik ga er vanuit dat natuur evenveel kost als groene recreatie qua aanlegkosten. Qua beheerkosten zal recreatie iets duurder zijn vermoed ik.

Een eenvoudige veerpont voor meer dan 12 personen en maximaal 25 personen gaat volgens onze informatie als investering € 620.000,- kosten, exclusief batterijen. https://www.zeeland.nl/sites/defau

afhankelijk van omvang en type onderzoek. Hier even op 5000 per vraag gezet schatting: 1000,- per 2 bankjes, incl aanleg

83 | Rapport Recreatief Netwerk Laag Holland

2040 bij hoort en dat niet alles tegelijk hoeft, valt het alleszins mee. Bovendien gaat het om een vrij groot gebied. Enkele grote posten: • Realisatie van een parkgebied bij Saendelft van 150ha, wat is Berekend op ca. € 45 mln, ongeveer half-half verdeeld over grondaankoop en inrichtingskosten. • Het fietspad door Achtersluispolder inclusief brug over zijkanaal H is hier begroot op een kleine € 9 mln. Maar dit is naast een recreatief pad ook een utilitair snelfietspad. Het toerekenen van die kosten aan dit recreatieve plan is eigenlijk ‘niet eerlijk’. Opgemerkt wordt dat de kosten voor de brug over Zijkanaal H bescheiden zijn ingeschat. Als die hoog moet worden en zeker wanneer die beweegbaar moet zijn, dan zullen de kosten fors hoger uitvallen. • Het inpassen van paden in de Groenboog Amsterdam Noord is ruim berekend op € 10 mln. Per eenheid is hier rekening gehouden met intensief Amsterdams gebruik. Maar er zijn geen verwervingskosten opgenomen en de planinhoud is ook nog niet geheel duidelijk. Kortom, ook dit kan anders uitvallen. De kosten zijn voor de natuurinclusieve zones exclusief grondverwerving. Als grondverwerving voor die 1.100 ha noodzakelijk is, dan nemen de investeringskosten toe met ruim € 120 mln naar € 227 mln. Ook de beheerkosten stijgen dan mee.

8.5 Beheerkosten Voor de beheerkosten zijn cijfers vanuit RNH bestudeerd, maar die zijn nogal uiteenlopend en leiden tot een diffuus beeld. Omwille van eenvoud is ervoor gekozen om de beheerkosten voor standaard infastructuur (verharde fiets- en wandelpaden) op jaarlijks 1% van de investeringen te zetten. Voor kleine projecten is dat verhoogd naar 2% of soms naar 5% (bij ‘natte’ infra) of is er een stelpost opgenomen, omdat bij wijze van spreken anders de voorrijkosten niet eens worden gehaald. Verder zijn die beheerkosten ook afhankelijk van het soort onderhoudscontract dat mogelijk is. Boerenland-paden en bruggetjes in agrarisch beheer zijn relatief goedkoop, maar in een intensief recreatiegebied is andersoortig professioneel

dagelijks beheer nodig en liggen de kosten ook flink hoger. De aanvullende beheerkosten zijn geraamd op ca. € 1 mln per jaar. Groot onderhoud en vervangingsinvesteringen zijn hierin niet meegenomen.

8.6 Prioritering Het totale geraamde investeringsbedrag is weliswaar aanzienlijk, maar niet alles kan en hoeft gelukkig ook niet tegelijkertijd of slechts in de komende jaren. Het is zaak structureel en gestructureerd te werken aan de versterking van de recreatieve netwerken. Dit rapport bevat het visiebeeld waarnaar stapsgewijs toegewerkt kan worden. Voor de prioritering is er een aantal logische overwegingen: • Sluit aan op lopende projecten en programma’s, onder meer van de verschillende recreatieschappen in het gebied. • Geef prioriteit aan die investeringen die nodig zijn in gebieden waar de recreatieve vraag als gevolg van woningbouw sterk gaat toenemen en/of waar nu al sprake is van een recreatief tekort. Voorbeelden hiervan zijn de omgeving van Amsterdam-Noord (woningbouw in Noord zelf, maar ook op Zeeburgereiland en IJburg) – dus met name in Waterland - en het gebied De Omzoom ten zuiden van Saendelft/Assendelft waar de realisatie van geplande recreatieve voorzieningen sterk is achtergebleven bij de inmiddels reeds geruime tijd gerealiseerde woningbouw. • Koppel het ritme van investeringen aan de daadwerkelijke programmering van de woningbouw. Er ontstaan dan samenhangende pakketten voor, zeg, vijfjaarsperioden (tot 2030, 2035, 2040, 2045) waarbij recreatieve vraag en verbetering van het aanbod gelijk op kunnen lopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13652712/1