A - 26 Verkeer, Vervoer en Luchtkwaliteit (40) Bijlage 1.2G Natuur (flora en fauna)
Tekst van het document
29 (29)
Bijlage 1
Wet natuurbescherming: soortbescherming
In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij onderscheiden we drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1. e.v.) ∑ Lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. ∑ Lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. ∑ Lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. ∑ Lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. ∑ Lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten bijlage IV Habitatrichtlijn, bijlage I Verdrag van Bern (artikel 3.5 e.v.) ∑ Lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
∑ Lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. ∑ Lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. ∑ Lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. ∑ Lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (artikel 3.10 e.v.) ∑ Lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ∞ onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ∞ onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ∞ onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. Onderzoeken naar het voorkomen vanuit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn hebben een geldigheidsduur van drie jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de Andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Onderzoeken naar het voorkomen van Andere beschermde soorten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd.
Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen. Met artikel 4 van de verordening van provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 3.1. In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. Deze zijn opgenomen, zodat er een goed beeld gehouden kan worden op welke manier er van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt en de vrijstelling niet zorgt voor een verslechtering van de desbetreffende soort. Ook zijn hier een aantal artikelen opgenomen die helderheid verschaffen over wie de vrijstelling mag gebruiken en wordt de link met het Faunabeheerplan vastgelegd. Voordat er tot uitvoering van de vrijstelling overgegaan mag worden, moet de intentie tot uitvoering aan de provincie worden gemeld. Dit zodat het bevoegd gezag op de hoogte is van het gebruik van de door hen verleende vrijstelling en de mogelijkheid heeft tot (steekproefsgewijze) controle.
In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar uitgevoerd zal worden op grond van de vrijstelling. Eventuele latere wijzigingen van dit voornemen moeten ook worden doorgegeven. Ter controle op de gunstige staat van instandhouding van de soort en in verband met de evaluatie van de toegepaste werkwijze is het van belang dat de grondgebruiker aan het einde van de periode van uitvoering rapporteert (provincie Noord-Holland, 2016). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de wet. Er is dan geen ontheffing nodig.
Tabel 3.1
Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016)
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: Zorgplicht (artikel 1.11) ∑ lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. ∑ lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ∞ onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat dan wel, ∞ onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of ∞ onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. ∑ lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Bijlage 2
Gemeentelijk beleid
Door gemeente Amsterdam is in 2011 een structuurvisie6 vastgesteld. In de structuurvisie wordt het volgende geschreven: “De structuurvisie geeft de zeven nieuwe stadsdelen richting mee. Enerzijds gaat het om ruimtelijke problematiek en ingrepen die over stadsdeel- en soms gemeentegrenzen heen gaat, anderzijds gaat het om een programmatische richting. Dit laatste betekent dat de stadsdelen een pakket meekrijgen dat door het stadsdeel verder moet worden uitgevoerd. Het gaat om een woningbouwopgave, bescherming van een aantal bedrijventerreinen, aanpak van verbindingen of het reserveren van tracés voor verbindingen, inspanningsverplichting voor intensiever gebruik van parken. Vanwege de nieuwe Wet ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht aan te tonen hoe de ruimtelijke toekomstvisie wordt waargemaakt. Daarvoor is een bij de visie behorend uitvoeringsdeel en instrumentarium opgesteld. Het uitvoeringsdeel toont aan in welke stappen de ambitie moet worden gerealiseerd; de prioritering en fasering van projecten komen aan de orde. Gezien de huidige economische situatie is het noodzaak om meer dan ooit prioriteiten te stellen in de uitvoering van de ruimtelijke ambities. De projecten vloeien rechtstreeks voort uit de visie. De fasering geeft een beeld van de projecten die tussen 2010 en 2020 worden uitgevoerd, tussen 2020 en 2030 en als laatste in de periode na 2030.
In het instrumentarium staat een aantal procedures en criteria die ondersteunend zijn aan de visie en een rol spelen bij het opstellen en toetsen van ruimtelijke plannen”. Om economisch sterk en duurzaam te zijn, en Amsterdam en de regio verder te kunnen ontwikkelen als internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool, slaat Amsterdam de volgende richting in: ∑ een aantrekkelijke stad; ∑ systeemsprong regionaal openbaar vervoer; ∑ hoogwaardiger inrichting openbare ruimte; ∑ investeren in recreatief gebruik groen en water; ∑ het postfossiel brandstoftijdperk. Dit resulteert in de volgende ruimtelijke ingrepen: ∑ meer woonkwaliteit in de stad en intensivering; ∑ systeemsprong openbaar vervoer; ∑ verbeteren kwaliteit openbare ruimte; ∑ investeren in intensiever gebruik groen en water in en om de stad; ∑ klimaatverandering; ∑ duurzame energieopwekking. Om invulling te geven aan de structuurvisie zijn diverse agenda’s en visies ontwikkeld. Navolgend worden de relevante agenda’s en visies verder toegelicht. Dit zijn: 1) Agenda duurzaamheid. 2) Agenda Groen. 3) Ecologische Visie. 4) Handboek Natuurinclusief bouwen en ontwerpen in twintig ideeën.
6
Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam.
Agenda Duurzaamheid Gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: 1. Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energieopgewekt dan in 2013. 2. Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% minder energie verbruikt dan in 2013. 3. Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstofdioxide35% lager dan in 2015. 4. Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015. 5.
Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden. 6. In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in2012. En de volgende kwalitatieve doelen: 1. Zo veel mogelijk verkeer uitstootvrij (of zo schoon mogelijk) in Amsterdam in 2025. 2. Een circulaire economie te realiseren met nieuwe vormen van productie, distributie en consumptie. 3. Op basis van de door het College van B&W in 2014 ondertekende intentieverklaring „Ruimtelijke Adaptatie” klimaatadaptatie in 2020 in het relevante gemeentelijke beleid te verankeren. 4. De gemeentelijke inkoop voldoet aan de doelstellingen uit deze Agenda voor de transitie naar circulaire economie, het scheiden van afval, energie en slim en schoon vervoer. Bovenstaande is integraal overgenomen uit de Samenvatting Agenda Duurzaamheid. Aspecten uit de Agenda Duurzaamheid die relevant zijn voor het projectgebied zijn:
∑ klimaatbestendige stad; ∑ gemeente duurzaam. Klimaatbestendige stad Gemeente Amsterdam is een partner van Amsterdam Rainproof en is onderdeel van de nieuwe Agenda Duurzaamheid. Het thema extreme regenval is een belangrijke pijler om de stad klimaatbestendig te maken. Dit kan gerealiseerd worden door het stedelijk gebied meer als ‘een spons’ in te richten. Eenvoudige maatregelen die hieraan bijdragen, zijn het gebruiken van een groen dak en het toepassen van regenwateropvangmogelijkheden, zoals een vijver.
Gemeente Duurzaam De gemeente gaat zelf de eigen bedrijfsvoering verder verduurzamen, daarmee schaal maken én het goede voorbeeld geven, zie figuur A1. De gemeente hanteert de volgende doelen: ∑ in 2025 is de eigen CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012 (B&W-besluit oktober 2013); ∑ gemeentelijke inkoop voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelen uit deze agenda duurzaamheid op het gebied van energiebesparing, een duurzame energielevering, het scheiden van afval, slim en schoon vervoer; ∑ de gemeente biedt een helder investeringskader om duurzame investeringen te vergemakkelijken. In 2013 was de CO2-uitstoot van de gemeentelijke organisatie jaarlijks 93 duizend ton. In dat jaar is de bestaande doelstelling voor CO 2-reductie aangepast en opnieuw vastgesteld in een routekaart richting 2025 met concrete stappen om energie te besparen en daarmee de CO2-uitstoot terug te brengen met 45 procent ten opzichte van 2012. In de routekaart is een scan opgenomen van gebieden waar investeren het meeste effect oplevert en waar kansen liggen qua natuurlijke momenten, vervanging of nieuwe aanschaf. Daarnaast is een stappenplan opgenomen met acties en actiehouders en is afgesproken wie verantwoordelijk is voor uitvoer van acties op de routekaart.
Energiemaatregelen per jaar zijn onder andere opgenomen op het gebied van: ∑ ICT: energiezuinige werkplek en inkoop energie-efficiënte dataopslag. ∑ Openbare verlichting: vervangen door dimbare LED-verlichting. ∑ Kantoren: flexwerken en afstoten kantoorruimte, energiemaatregelen. ∑ Wagenpark.
Figuur A1
Infographic duurzaam Amsterdam (bron: gemeente Amsterdam).
Agenda Groen Het Amsterdamse groen moet worden aangepast aan de eisen van deze tijd. Veranderende leefgewoonten van Amsterdammers, de groei van de stad en de grote aantallen bezoekers vragen om een andere omgang met het groen in de stad. Het vele groen dat er al is in Amsterdam, krijgt er nieuwe functies bij om het vestigingsklimaat, de toenemende drukte en de effecten van klimaatsverandering te verzachten. Tegelijkertijd willen we het groen nog beter inrichten voor recreatie, biodiversiteit en de gezondheid. In deze agenda wordt de koers uitgezet voor investeringen in het groen tussen 2015 en 2018 en daarmee geeft de agenda duidelijk richting aan initiatieven. De prioriteit wordt daarbij de komende jaren gelegd op vier thema’s: 1. stadsparken; 2. klimaat en biodiversiteit; 3. groen in de buurt; 4. verbindingen en toegankelijkheid. Voor het voorgenomen plan is punt 2 in te vullen. Klimaat en biodiversiteit De groene ruimte speelt een belangrijke rol bij het klimaatbestendig maken van de stad. Buien worden steeds extremer en temperaturen hoger. De beste manier om regenwater te kunnen opvangen en de temperatuur te beperken, is het vergroten van groene oppervlakten. Daarnaast zorgt groen voor meer biodiversiteit in de stad. Doelstellingen 2040 ∑ Meer groen in de stad voor een prettig leefklimaat, koeling en waterberging.
∑ Verder vergroten van de biodiversiteit in en rondom de stad. Focus 2015-2018, zie figuur A2 ∑ Potentieel van het daklandschap benutten door het toevoegen van 50.000 m 2 groen dak. ∑ Meer plekken geschikt maken voor de opvang van regenwater door vergroening. ∑ Aandacht voor gezonde bomen in de stad die, afgezien van een aantrekkelijke leefomgeving, zorgen voor verkoeling en voor wateropname. ∑ Oplossen van ecologische knelpunten en initiatieven stimuleren voor meer biodiversiteit. ∑ Bevorderen van natuurinclusief bouwen.
Figuur A2
Infographic Agenda Groen (bron: Gemeente Amsterdam).
Ecologische Visie In de Ecologie Visie staat het volgende: ”Op 17 februari 2011 werd de structuurvisie “Amsterdam 2040: economisch sterk en duurzaam” vastgesteld door de Amsterdamse gemeenteraad. In de structuurvisie is een globale kaart opgenomen van een ecologische structuur voor Amsterdam, ter versterking van en aanvulling op de provinciale ecologische hoofdstructuur. Bij de behandeling van de structuurvisie in de Amsterdamse gemeenteraad werd een motie aangenomen waarin werd gevraagd om nadere precisering van deze ecologische structuur. Deze notitie is daarvan de invulling. Na vaststelling door de gemeenteraad zal deze notitie als een uitwerking van de structuurvisie worden beschouwd. Dat betekent dat ruimtelijke plannen aan deze notitie zullen worden getoetst. Daarbij wordt gelet op het volgende beleidsuitgangspunt: “de ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen is, vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig.” Bij ruimtelijke projecten in een gebied waar zich een in deze visie benoemd knelpunt bevindt, is de beleidsintentie dat het oplossen van dat knelpunt wordt meegenomen in het Programma van Eisen en/of het budget van het betreffende projectplan.
Handboek Natuurinclusief bouwen en ontwerpen in twintig ideeën In mei 2018 is door de Amsterdamse gemeenteraad een handboek aangenomen om voortaan bij alle renovatie en nieuwbouw in de stad de voorwaarde te stellen dat de biodiversiteit vergroot moet worden. Met andere worden ‘natuurinclusief bouwen’. Bij de realisatie van nieuwbouw zijn er kansen voor de vergroting van de biodiversiteit. Nieuwe gebouwen kunnen bijvoorbeeld worden voorzien van neststenen voor vogels; een relatief goedkope inpassing die geschikt is voor mussen, gierzwaluwen en spreeuwen. Ook voor vleermuizen kunnen voorzieningen worden ingepast. Nestplaatsen voor vogels De huismus en de gierzwaluw broeden in kolonies binnen het stedelijke gebied en zijn afhankelijk van goede ‘vaste’ nestplaatsen. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Speciale nestkaststenen kunnen vrij gemakkelijk in het toekomstige ontwerp van de geplande nieuwbouw worden ingepast en de kosten zijn bovendien minimaal. De nestkasten kunnen worden geïntegreerd in de gevels en kunnen zichtbaar of onzichtbaar worden ingepast. Verblijfplaatsen voor vleermuizen Ook voor vleermuizen kunnen voorzieningen in gebouwen worden ingepast. De beste methode hiervoor is het inmetselen van speciale vleermuisstenen in de spouwmuren waar de dieren zowel in de zomer als in de winter kunnen verblijven.
Voorzieningen kunnen zichtbaar, maar ook vrijwel onzichtbaar (op minstens drie meter hoogte), worden ingepast in of aan de zuidwestzijde van de gevel. Groene daken en gevels Natuurinclusief bouwen is ook het benutten van de daken en de gevels. Daken zijn nu vaak grijs en leeg, maar kunnen perfect gebruikt worden voor het aanleggen van een daktuin met sedum of inheemse bomen of struiken. Ook kan de gevel worden bedekt met bijvoorbeeld klimop of wilde wingerd. Groene daken en gevels hebben veel voordelen. Zo zorgen ze er voor dat gebouwen in de zomer koeler blijven, dat fijnstof in de stad beter wordt afgevangen en dat hevige regenbuien tot wel 90% beter worden opgevangen, waardoor het riool niet overbelast raakt.
∑ Voor openbare verlichting van de Hoofdgroenstructuur gelden de volgende uitgangspunten: ∞ er wordt terughoudend verlicht, tenzij de sociale- of verkeersveiligheid om een hoger lichtniveau vraagt; ∞ verlichting dient gelijkmatig te zijn, zodat de weggebruiker ook bij een laag lichtniveau voldoende zicht heeft op zijn route en de omgeving; ∞ in parken en polders worden alleen de doorgaande, verharde routes voorzien van (openbare) verlichting; ∞ verlichting bij evenementen is energiezuinig en heeft een minimale uitstraling op de hemel en de omgeving.
Bijlage 3
Onderzoek vleermuizen sluisbuurt
Onderzoeksbureau en auteur onbekend
Datum
tijd
inventarisatie
weer
21-06-2017
03:00 - 05:20
Zomer- & kraamverblijf
13 C, 2 Bft, zachte nacht
12-07-2017
23:00 - 23:30
Extra ronde
17 C, 2 Bft, zachte avond
15-07-2017
03:00- 05:20
Zomer- & kraamverblijf
17 C, 2 Bft, zachte avond
15-08-2017
03:00- 05:20
Paarverblijf
16 C,1 Bft, zachte avond
20-09-2017
18:30 - 23:15
Paarverblijf
13 C, 2 Bft koele avond
21-06-2017 Zachte nacht. Drie gewone dwergvleermuizen foerageren boven de woonboten. Twee gewone dwergvleermuzien foerageren boven de dijk (afb1). De dieren zijn ruim voordat het licht wordt verdwenen en blijven niet aanwezig tot in de schemer. Gewoonlijk indicatie dat de verblijfplaats wat verder weg is. Geen indicties voor verblijfplaatsen waargenomen. Geen zwermende dieren en/ of sociaal gedrag. 12-07-2017 (extra) Extra inventarisatie. Was protocollair niet nodig maar ik was aan het inventariseren in de buurt. Even kort gekeken of er activiteit was. Wederom drie gewone dwergvleermuizen aan het foerageren in de luwte van de bomen boven de woonboten. Geen indicaties voor verblijfplaatsen waargenomen. 15-07-2017 Tweede protocollaire ronde voor zomer- en kraamverblijven. Tijdens deze avondronde vier gewone dwergvleermuizen aanwezig boven de woonboten. Foerageren daar de gehele inventarisatie. Drie meervleermuizen passeren over de dijk vanuit westelijke richting. Deze komen van de nieuwe b vaart, vliegen door de sluizen, steken het Amsterdam Rijnkanaal over en vliegen dan over de zuider-ijdijk richting ijmeer en ijburg. Ze vliegen daarbij op twee plekken over de zuider-ijdijk (afb.1). Tijdens deze inventarisatieronde geen aanwijzingen voor verblijfplaatsen waargenomen. 15-08-2017 Eerste ronde met als doel paarverblijven inventariseren. Drie gewone dwergvleermuizen aanwezig.
Continu foeragerend boven de woonboten. Geen sociale roep. Geen aanwijzingen voor verblijfplaatsen waargenomen. Vijf meervleermuizen vliegen wederom over de zuider-ijdijk. 20-09-2017 Eerste ronde met als doel paarverblijven inventariseren. Vier gewone dwergvleermuizen foerageren boven de woonboten. Zijn de gehele inventarisatie aanwezig. Heel sporadisch wordt en sociale roep gehoord. Echter elke keer in vlucht en immer vanaf object zoals boom, bebouwing en/of woonboot. Een ruige dwergvleermuis foerageert kort boven de zuider-ijdijk. Deze laat geen sociale geluiden horen (afb.2). een aanwijzingen voor verblijfplaatsen waargenomen.
Afb.1: Waarnemingen van vleermuizen tijdens inventarisatie op 15 juli.
Afb.2: Waarnemingen van vleermuizen tijdens inventarisatie op 20 september.
Conclusies Drie tot vier gewone dwergvleermuizen foerageerden elke inventarisatie boven de woonboten aan de zuider-ijdijk. Bij wind uit het zuid-westen, in Nederland dominant, vinden ze hier onder aan de dijk en achter de bomen luwte. Er zijn, op de sporadische aanwezigheid van een ruige dwergvleermuis tijdens de inventarisatie van 20 september, geen boombewonende soorten waargenomen. Ook zijn er geen indicaties voor verblijfplaatsen, zoals zwermen en/of sociale roep vanaf objecten, waargenomen. Wel loopt er een vliegroute van meervleermuizen over de zuider-ijdijk. Het is voor de voorgenomen ruimtelijk ingrepen niet toegestaan deze vliegroute negatief te beïnvloeden. Voor een lichtgevoelige soort als meervleermuis betekend dit dat er geen extra verlichting mag worden geplaatst welke een verstorende werking op de vliegroute heeft.
Bijlage 4
Protocol Japanse duizendknoop