A - 26 Ruimtelijke Ordening (23) 8. Notitie Doorwerking uitkomsten OER Schin
Tekst van het document
Doorwerking uitkomsten Omgevingseffectrapport (OER) Schinkelkwartier in bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 1.
Inleiding
Het bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 is het eerste ruimtelijk besluit in het kader van het stedelijk ontwikkelingsproject Schinkelkwartier. De m.e.r.-procedure voor Schinkelkwartier is dan ook juridisch-planologisch aan dit ruimtelijk besluit gekoppeld. Het plangebied bevindt zich net ten zuidoosten van metrostation Henk Sneevlietweg, ingeklemd door de spoorlijnen (trein en metro) en de Ring A10-West. De huidige bebouwing wordt in het kader van dit plan gesloopt. Het nieuwe programma heeft een omvang van maximaal 30.500 m2 bvo, waarvan maximaal 96 procent bestaat uit woningen en circa 4-10 procent uit voorzieningen. In absolute zin komt dit overeen met 380 tot 430 appartementen en maximaal 3.050 m2 bvo aan voorzieningen op de begane grond.
Figuur 1: Ligging Overschiestraat 182 en 188. In deze notitie is opgenomen op welke wijze de uitkomsten van het Omgevingseffectrapport (OER) Schinkelkwartier doorwerken in het ruimtelijk besluit voor de ontwikkeling van Overschiestraat 182 en 188. In dat kader zijn de potentiële omgevingseffecten van deze ontwikkeling beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria zoals opgenomen in het OER. Daarbij is aangegeven op welke wijze in het ruimtelijk besluit is geborgd dat potentiële omgevingseffecten worden voorkomen of beperkt. Tot slot is onderbouwd op welke wijze de spelregels uit het spelregelkader OER Schinkelkwartier zijn toegepast.
2.
Beoordeling omgevingseffecten
Het ruimtelijk besluit moet worden getoetst aan de beoordelingscriteria die in het OER Schinkelkwartier zijn gehanteerd. In onderstaande tabel zijn de omgevingsaspecten en beoordelingscriteria uit het OER opgenomen. In de laatste kolom is toegelicht of het betreffende omgevingsaspect van toepassing is op het ruimtelijk besluit en zo ja in hoeverre de ontwikkeling tot potentiële omgevingseffecten leidt. Voor die omgevingsaspecten waarbij sprake is van mogelijke nadelige omgevingseffecten is in de toelichting van het ruimtelijk besluit gemotiveerd op welke wijze deze effecten worden gemitigeerd of voorkomen.
1
Thema
Bodem en ondergrond
Aspect
Beoordelingscriteria
Bodemopbouw
Impact bodemopbouw
Bodemkwaliteit
Mate van bodemverontreiniging
Niet gesprongen explosieven
Impact niet gesprongen explosieven
Kabels en leidingen
Impact aanwezige kabels en leidingen
Oppervlaktewater
Impact op doorstroming en kwantiteit van oppervlaktewater
Waterveiligheid
Impact op bescherming tegen overstroming
Water
Grondwater
Impact op grondwater
Toelichting potentiële effecten Uit bodemonderzoek blijkt dat de bodemopbouw naar verwachting niet wordt beïnvloed, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Uit bodemonderzoek blijkt dat in de bodem en het grondwater geen noemenswaardige verontreiniging is vastgesteld. Er is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. Het plangebied is niet verdacht op aanwezigheid van niet gesprongen explosieven, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Aan de westkant van het plangebied wordt rekening gehouden met de beperkingenzone van een transportleiding voor drinkwater. Het deel van deze transportleiding aan de zuidkant van het plangebied wordt verlegd. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plan leidt tot een afname van verhard oppervlak, zodat watercompensatie niet aan de orde is. Er is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. In het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat de aanleg van een ondiepe parkeerkelder (minder dan 4 m. -mv.) binnen het onderzoeksgebied grondwaterneutraal is te realiseren. Bij de bouw wordt rekening gehouden met maatregelen, zoals het aanbrengen van grof zand onder en rondom de parkeerkelder.
Door de aanwezigheid van watergangen ten zuiden van het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht. Bij verdere planuitwerking (o.a. ligging en definitieve diepte) moet rekening worden gehouden met de bebouwing aan de noordzijde van het plangebied. Bij een afstand tot minimaal 10 m. van deze bebouwing zal geringe opstuwing naar verwachting geheel uitgedempt zijn. Om eventuele negatieve effecten te voorkomen is in het bestemmingsplan een zone van 5 m. vanaf de noordelijke plangrens
2
Waterkwaliteit
Mate van verontreiniging van oppervlakte- en grondwater
Hemelwater
Mate van bescherming tegen intensieve regenbuien
Landschap
Impact op landschappelijk groen
Groen
Mate waarin aan de referentienorm groen wordt voldaan
Gebiedsbescherming
Impact op beschermde natuurgebieden
Soortenbescherming
Impact op beschermde soorten
Landschap, groen en natuur
3
opgenomen, waarbinnen het bouwen van een parkeerkelder is uitgesloten. Daarnaast is de planregels geborgd dat mitigerende maatregelen die nodig zijn om een kelder grondwaterneutraal te realiseren volledig op eigen perceel moet worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan is geborgd dat kelders grondwaterneutraal worden uitgevoerd, zodat potentiële omgevingseffecten worden beperkt. Uit bodemonderzoek blijkt dat in de bodem en het grondwater geen noemenswaardige verontreiniging is vastgesteld. Er is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. In de huidige situatie is het plangebied vrijwel volledig verhard. De nieuwe situatie voorziet in een binnentuin. Deels zal daar nog verharding aanwezig zijn, in de vorm van toegangspaden, maar deze kunnen waterdoorlatend worden aangelegd. De inrichting is hoofdzakelijk groen, tuinen, speelvoorzieningen. Dit is in het bestemmingsplan geborgd via een maximaal bebouwingspercentage van 70 procent, waarmee circa 30 procent ‘onbebouwd’ blijft. Tevens moet minimaal 50 procent van het onbebouwde deel uit groen bestaan. De totale waterbergingscapaciteit in het plan bedraagt 767 m3. Hiermee is sprake van een waterneutrale en klimaatadaptieve planontwikkeling. Hiermee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. In het plangebied is geen landschappelijk groen aanwezig, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten.
Het plangebied is op dit moment vrijwel volledig verhard. Het verhardingspercentage neemt af van bijna 100 naar 70 procent. Het beoogde binnenterrein bestaat voor 50 procent uit groen. Dit is geborgd in de regels. Hiermee wordt bijgedragen aan het invullen van de referentienorm groen. Uit onderzoek naar stikstofdepositie en ecologisch onderzoek blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase geen effecten optreden op beschermde natuurgebieden, ook niet in de vorm van stikstofdepositie. Uit ecologisch onderzoek blijkt dat beschermde soorten worden
Bomen
Impact op beeldbepalende bomen
Cultuurhistorie
Impact op cultuurhistorische waarden
Archeologie
Impact op archeologische waarden
Vliegveiligheid
Impact op veiligheid vliegverkeer
Windhinder
Mate waarin windhinder optreedt
Schaduwwerking
Mate waarin schaduwwerking optreedt
Cultuurhistorie en archeologie
Bouwhoogte
4
uitgesloten. Wel moet rekening gehouden worden met het broedseizoen: werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen starten. Hiermee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. In het plangebied zijn geen beeldbepalende bomen aanwezig, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft, vanwege de ligging in het tracé van de voormalige Sloterweg. Aangezien het bouwplan leidt tot bodemverstoring in een groter oppervlak dan 500 m2 en dieper gaat dan 1,5 m. geldt als beleid dat een archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd. Dit is geborgd in het bestemmingsplan, zodat potentiële omgevingseffecten worden voorkomen. Het bestemmingsplan is getoetst aan het LIB. De maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan bedraagt 34 m. De bouwhoogte blijft daarmee onder de maximaal toegestane hoogte op grond van het LIB. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. Uit windonderzoek op basis van de NEN8100 blijkt dat op veel plaatsen een matig tot slecht windklimaat ontstaat. Daarmee is sprake van potentiële omgevingseffecten. Er zijn maatregelen nodig om een aanvaardbaar windklimaat te behalen.
Deze maatregelen zijn in de regels van het bestemmingsplan geborgd via een voorwaardelijke verplichting en een nadere eis. Op twee plaatsen op het perceel ten noorden van het plangebied, leidt het project tot een verslechtering van het windklimaat. Echter, deze windklassen kunnen gezien de gebruiksfuncties van de gronden (parkeerplaatsen en een groenstrook) aanvaardbaar worden geacht. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. Er kan in het plan niet voor alle woningen worden voldaan aan de wens van de gemeente Amsterdam
Bereikbaarheid openbaar vervoer
Mate waarin de bereikbaarheid per openbaar vervoer wordt beïnvloed
Bereikbaarheid fiets en voetganger
Mate waarin de bereikbaarheid voor fiets en voetganger wordt beïnvloed
Verkeersafwikkeling
Mate waarin de verkeersafwikkeling wordt beïnvloed
Verkeer
om aan de lichte TNO-norm voor bezonning te voldoen. Ook kan niet voor alle woningen worden voldaan aan de Amsterdamse norm, maar daarin is wel een verbetering zichtbaar. Er is sprake van een beperkte afwijking van circa 10 procent. Mede in het licht van de totale opgave in het plangebied (bouwen in hoge dichtheid met een gesloten bouwblok met aantrekkelijke binnentuin en rekening houdend met de akoestische situatie) kan echter gesteld worden dat er geen sprake is van een onevenredig negatieve bezonningssituatie. In de bezonningsstudie zijn ook de effecten van het project op de percelen ten noorden van het plangebied beschouwd. Conclusie is dat er weliswaar een toename is van de schaduwwerking, maar dat deze niet onaanvaardbaar is. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. In verband met de ligging naast metrostation Henk Sneevlietweg is de bereikbaarheid per openbaar vervoer goed. Het plan heeft geen impact op de bereikbaarheid per openbaar vervoer. De ontwikkeling voorziet in voldoende parkeervoorzieningen voor fiets. De openbare ruimte rondom de nieuwe bebouwing wordt heringericht, wat positief is voor de bereikbaarheid voor fiets en voetganger. Uit verkeersonderzoek blijkt dat het plan 1.200 extra voertuigbewegingen genereert en dat de wegen in het plangebied dit kunnen verwerken zonder nieuwe knelpunten te creëren op het netwerk.
De aansluiting van de Henk Sneevlietweg op de A10 is een bestaand aandachtspunt, dat niet wordt veroorzaakt door voorliggend plan. In het kader van de gebiedsontwikkeling Schinkelkwartier wordt hier nader onderzoek naar gedaan. In het plan is de wijze van ontsluiting geborgd. Het verkeer zal in beginsel via de bestaande wegenstructuur op het oosten worden afgewikkeld. Daarnaast wordt een ontsluitingsweg
5
aangelegd om het verkeer af te kunnen wikkelen via Riekerpark. Voor deze ontsluitingsweg is een omgevingsvergunning verleend. Hierdoor is het mogelijk om, via een binnenplanse afwijking, het verkeer via het westen te laten ontsluiten. Indien op termijn het bouwblok ten noorden van het plangebied wordt ontwikkeld, ontstaat de mogelijkheid om het verkeer in de toekomst via de westzijde op de Henk Sneevlietweg af te wikkelen. De verkeersafwikkeling op de omliggende wegen kan op basis hiervan worden gegarandeerd.
Parkeren
Modal split
Mate waarin de modal split verandert van auto naar openbaar vervoer/fiets
Verkeersveiligheid
Mate waarin het aantal ongevallen verandert
Autoparkeren
Mate van parkeerdruk auto
6
Conclusie is dat potentiële omgevingseffecten worden voorkomen. De ontwikkeling leidt tot een toename van het aantal voertuigbewegingen, maar ook tot een toename van het gebruik van openbaar vervoer en fiets. De invloed op de modal split in Schinkelkwartier is beperkt. Uit verkeersonderzoek blijkt dat de toenemende verkeersdruk ertoe leidt dat op de fietsoversteek de kans op conflicten wordt vergroot. De fietser beschikt echter over vrijliggende infrastructuur, waardoor er geen knelpunten worden verwacht op het gebied van verkeersveiligheid. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. Het plan voorziet in een parkeerbalans voor auto en is getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Uitgaande van deelgebruik van woningen en commerciële voorzieningen bedraagt de parkeerbehoefte op piekmomenten gezamenlijk minimaal 148 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte om binnen het plangebied minimaal 148 parkeerplekken te realiseren. De kavel van het beoogde woongebouw is circa 7.600 m2 groot. Daarbinnen kan circa 7.000 m2 worden ingezet voor een ondergrondse parkeergarage, inclusief ruimte voor benodigd voor fiets- en scooterstalling. Uitgaande van een ruimtebeslag 1.760 m2 voor de stalling blijft ruim 5.000 m2 over voor autoparkeren. Gezien het gemengde
gebruik (wonen en voorzieningen) en daarmee een relatief hoog aantal parkeerwisselingen, wordt per autoparkeerplek een ruimtebeslag van 29 m2 aangehouden. Voor de totale behoefte voor autoparkeren is een oppervlakte van circa 4.300 m2 (148 x 29 m2) nodig. Het minimaal aantal benodigde parkeerplaatsen kan hiermee ruim binnen het plangebied gerealiseerd worden. Het parkeren van auto’s voor bezoekers wordt door de gemeente gefaciliteerd in de openbare ruimte op nog nader te bepalen plaatsen (ontwerpuitwerking) en is opgenomen in de regels. Conclusie is dat potentiële omgevingseffecten worden voorkomen. Het plan voorziet in een parkeerbalans voor fiets en is getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid.
Fietsparkeren
Geluid en trillingen
Industriegeluid
Mate van parkeerdruk fiets
Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%)
7
De totale parkeerbehoefte voor fietsen voor het woon- en voorzieningenprogramma bedraagt maximaal 1.352 parkeerplekken. Ten behoeve van de woningen zijn er hiervan in totaal 860 in laag rek beschikbaar conform de norm van 2 lage parkeerplekken per woning. Maximaal 85 procent van het bezoekersparkeren vindt inpandig plaats. De totale parkeerbehoefte voor scooters voor het woon- en voorzieningenprogramma bedraagt 65 parkeerplekken. Rondom de stallingsgarage voor auto’s worden de fietsen- en scooterbergingen gefaciliteerd onder de bouwblokken. De totale oppervlakte van deze fietsen- en scooterbergingen is circa 1.760 m² bvo. Deze zullen goed toegankelijk worden ontworpen vanuit het openbaar gebied en de bovengelegen bouwblokken en bieden voldoende ruimte om aan de berekende behoefte te voldoen. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein. Wel moet rekening worden gehouden met de vergunde
Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB(A))
Wegverkeersgeluid snelwegen
Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%)
Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB)
Wegverkeersgeluid stedelijke wegen
Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%)
8
geluidruimte van datacenter Global Switch. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen 51 dB(A) bedraagt, maar dat niet is uit te sluiten dat deze tijdens de gefaseerde uitbreiding van het datacenter 54 dB(A) bedraagt. Conclusie is dat met een standaard gevelisolatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de vergunde geluidruimte en bedrijfsvoering van Global Switch niet wordt beperkt. Om dit te borgen, is de planregels de eis opgenomen dat bij het bepalen van de gevelwering van de woningen de maximaal berekende geluidbelasting als gevolg van Global Switch in acht moet worden genomen. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat: De geluidbelasting als gevolg van de A4 en A10 bij een groot aantal gevels niet voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De hoogst berekende belasting is 59 dB na aftrek; De maximale grenswaarde van 53 dB voor geprojecteerde woningen in het gebied wordt overschreden. Dit betekent dat maatregelen en vaststelling van hogere waarden nodig zijn. Deze maatregelen zijn geborgd in het bestemmingsplan. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt.
Ondanks dat snelweggeluid een zekere mate van hinder en slaapverstoring (gemiddelde kwalificatie ‘vrij matig’) veroorzaakt wordt de geluidbelasting aanvaardbaar geacht. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat: De geluidbelasting als gevolg van de Henk Sneevlietweg en de Overschiestraat bij een aantal gevels niet voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De
Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB)
Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%) Spoorweggeluid
Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB)
Metrogeluid
Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%)
9
hoogst berekende belasting is 54 dB na aftrek; De maximale grenswaarde van 63 dB voor geprojecteerde woningen in een binnenstedelijk gebied niet wordt overschreden. Dit betekent dat maatregelen en vaststelling van hogere waarden nodig zijn. Deze maatregelen zijn geborgd in het bestemmingsplan. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. Ondanks dat geluid van stedelijke wegen een zekere mate van hinder en slaapverstoring (gemiddelde kwalificatie ‘redelijk’) veroorzaakt wordt de geluidbelasting aanvaardbaar geacht. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat: De geluidbelasting als gevolg van het railverkeer bij een groot aantal gevels niet voldoet aan de voorkeurswaarde van 55 dB. De hoogst berekende belasting is 62 dB; De maximale grenswaarde van 68 dB voor geprojecteerde woningen niet wordt overschreden. Dit betekent dat maatregelen en vaststelling van hogere waarden nodig zijn. Deze maatregelen zijn geborgd in het bestemmingsplan. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. Ondanks dat spoorweggeluid een zekere mate van hinder en slaapverstoring (gemiddelde kwalificatie ‘goed’) veroorzaakt wordt deze geluidbelasting aanvaardbaar geacht. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is.
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat: De geluidbelasting als gevolg van de metrolijnen bij een groot aantal gevels niet voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De hoogst berekende belasting is 61 dB na aftrek; De maximale grenswaarde van 63 dB voor geprojecteerde woningen in een binnenstedelijk gebied niet wordt overschreden.
Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB) Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%) Scheepvaartgeluid Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB)
Luchtvaartgeluid
Mate van blootstelling aan luchtvaartgeluid
10
Dit betekent dat maatregelen en vaststelling van hogere waarden nodig zijn. Deze maatregelen zijn geborgd in het bestemmingsplan. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. Ondanks dat metrogeluid een zekere mate van hinder en slaapverstoring (gemiddelde kwalificatie ‘vrij matig’) veroorzaakt wordt deze geluidbelasting aanvaardbaar geacht. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is. Het plangebied wordt niet belast door scheepvaartgeluid, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is. Het plangebied ligt binnen de LIB-5 zone en wordt belast door vliegverkeer van en naar luchthaven Schiphol. Uit een analyse naar luchtvaartgeluid blijkt dat de jaargemiddelde geluidbelasting in het plangebied circa 50-51 dB(A) Lden en 39 dB(A) Lnight bedraagt. Dit ligt ruim onder de norm voor de wettelijke mogelijkheden voor woningbouw, begrensd door de LIB 4 zone, waarvan de buitengrens overeenkomt met de 58 dB(A) Lden. Om de blootstelling aan luchtvaartgeluid te beperken zijn in het plan geluidadaptieve maatregelen onderzocht.
Geconcludeerd is dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om, gezien de positionering en vormgeving van de bebouwing, oriëntatie van de woningen, het gevel- en het groenontwerp, te zorgen voor voldoende afscherming van luchtvaartgeluid. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. In de planuitwerking is geborgd dat toekomstige bewoners over luchtvaartgeluid en maatregelen worden geïnformeerd. Ondanks dat luchtvaartgeluid een zekere mate van hinder (gemiddelde kwalificatie ‘matig’) en slaapverstoring (gemiddelde kwalificatie ‘redelijk’) veroorzaakt wordt deze
Grondgeluid
Mate waarin hinder door grondgeluid optreedt
Nieuwe geluidgevoelige functies: geluidbelast oppervlak (%) Cumulatief geluid
Bestaande geluidgevoelige functies: verandering geluidbelasting (dB)
11
geluidbelasting aanvaardbaar geacht. Uit het verkennend onderzoek grondgeluid in het kader van het OER volgt dat een zekere mate van hinder in het plangebied niet kan worden uitgesloten. In dat onderzoek is de invloed van bebouwing, die voor afscherming of verstrooiing van grondgeluid kan zorgen, niet gedetailleerd meegenomen. Daarom zijn in het plangebied metingen verricht naar de niveaus van grondgeluid als gevolg van startende vliegtuigen vanaf de Aalsmeerbaan en de Kaagbaan. De hoogst gemeten niveaus tijdens de maatgevende piek liggen tussen de 71 en 76 dB. Met correctie van het seizoen (de niveaus bij winterse omstandigheden zijn naar verwachting enkele dB’s hoger dan in de herfst) zijn de niveaus naar verwachting niet hoger dan 80 dB. Aangezien niveaus hoger dan 80 dB als hinderlijk worden beschouwd, kunnen de gemeten niveaus in het plangebied aanvaardbaar worden geacht. Bovendien kunnen de beoogde toekomstige bebouwing in Schinkelkwartier en de beoogde parkwal langs de A4 op termijn voor extra afscherming en daarmee een afname van de geluidniveaus zorgen. Conclusie is dat grondgeluid in het plangebied waarneembaar is, maar niet tot (ernstige) hinder of een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat leidt en dat potentiële omgevingseffecten beperkt zijn.
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de hoogst berekende gecumuleerde waarde op de gevels 65 dB is, als gevolg van de wegen in de omgeving, het railverkeer en Global Switch. Dit betekent dat maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen zijn geborgd in het bestemmingsplan. Daarmee worden omgevingseffecten beperkt. Ondanks dat de cumulatieve geluidbelasting een zekere mate van hinder en slaapverstoring (gemiddelde kwalificatie ‘zeer matig’) veroorzaakt wordt deze geluidbelasting aanvaardbaar geacht. In het plangebied zijn geen bestaande geluidgevoelige functies aanwezig, zodat dit aspect niet van toepassing is.
Trillinghinder
Mate waarin trillinghinder optreedt
Stikstofdioxide (NO2)
Verandering in concentraties
Fijn stof (PM10 en PM2,5)
Verandering in concentraties
Ultrafijnstof wegverkeer
Mate van blootstelling aan ultrafijnstof door wegverkeer
Ultrafijnstof luchtvaart
Mate van blootstelling aan ultrafijnstof door luchtvaart
Geur
Geurhinder
Mate waarin geurhinder optreedt
Stof
Stofhinder
Mate waarin stofhinder optreedt
Veiligheidsrisico’s inrichtingen
Verandering van veiligheidsrisico’s rond inrichtingen
Veiligheidsrisico’s snelwegen
Verandering van veiligheidsrisico’s rond snelwegen
Luchtkwaliteit
Omgevingsveiligheid
12
Uit onderzoek naar trillinghinder blijkt dat het trillingsniveau op de geprojecteerde woningen naar verwachting lager is dan de streefwaarde voor nieuwe situaties. Daarmee kan naar verwachting aan de SBR-richtlijn deel B voor trillingen worden voldaan. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. Uit NIMB-berekening blijkt dat de ontwikkeling en de daarmee samenhangende extra verkeersbewegingen niet tot een toename leidt die in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarmee is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. Uit NIMB-berekening blijkt dat de ontwikkeling en de daarmee samenhangende extra verkeersbewegingen niet tot een toename leidt die in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarmee is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. In het plangebied is sprake van een verhoogde concentratie ultrafijnstof vanwege wegverkeer, zodat sprake is van potentiële omgevingseffecten. Het plan heeft echter geen invloed op de mate van blootstelling aan ultrafijnstof door wegverkeer. In de planuitwerking wordt geborgd dat toekomstige bewoners over luchtkwaliteit worden geïnformeerd. In het plangebied is sprake van een verhoogde concentratie ultrafijnstof vanwege luchthaven Schiphol, zodat sprake is van potentiële omgevingseffecten. Het plan heeft echter geen invloed op de mate van blootstelling aan ultrafijnstof door luchtvaart.
In de planuitwerking wordt geborgd dat toekomstige bewoners over luchtkwaliteit worden geïnformeerd. Het plangebied wordt niet belast door geur, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Het plangebied wordt niet belast door stof, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. In of nabij het plangebied zijn geen inrichtingen met een veiligheidscontour aanwezig, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Het invloedsgebied van de gevaarlijke stoffen routes A4/A10 is
Veiligheidsrisico’s buisleidingen
Verandering van veiligheidsrisico’s rond buisleidingen
Veiligheidsrisico’s luchtvaart
Verandering van veiligheidsrisico’s luchtvaart
Hittestress
Mate waarin een stedelijk hitteeilandeffect optreedt
Lichthinder
Mate waarin lichthinder optreedt
Stralingshinder
Mate waarin stralingshinder optreedt
Sport
Mate waarin aan de referentienorm sport wordt voldaan
Gezondheidsbescherming
Gezondheidsbevordering
13
355 meter (voor toxische stoffen 880 meter). De ontwikkeling vindt plaats op 250 meter van de A10 en 550 meter van de A4. In het plan is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Daarbij is rekening te gehouden met zelfredzaamheid, bereikbaarheid en communicatie. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. In of nabij het plangebied ligt geen buisleiding met een veiligheidscontour, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Het plangebied ligt binnen de LIB-5 zone, zodat rekenschap moet worden gegeven van risico’s op een vliegtuigongeval. Het risico is zeer klein en in het plangebied zijn bronof effectmaatregelen niet mogelijk. Wel wordt in het plan rekening gehouden met zelfredzaamheid, bereikbaarheid en communicatie. Er is weliswaar sprake van potentiële omgevingseffecten, maar het risico wordt aanvaardbaar geacht. Het plangebied is op dit moment vrijwel volledig verhard. Het verhardingspercentage neemt af van bijna 100 naar 70 procent. Het beoogde binnenterrein bestaat voor 50 procent uit groen met speelvoorzieningen. Dit is geborgd in de regels. In het plangebied komt openbaar groen en waar mogelijk groene daken en groene gevels. Dit vermindert de kans op hittestress. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten beperkt. Lichthinder is niet van toepassing op het plangebied.
In het plangebied zijn geen hoogspanningsverbindingen aanwezig of voorzien. Bij de inpassing van transformatorhuisjes wordt rekening gehouden met magneetvelden, zodat potentiële omgevingseffecten worden voorkomen. Het plan voorziet in een groen binnenterrein met een speelplek van 150 m2. Deze binnentuin kent een zones tussen avontuurlijk naar rustig. In de avontuurlijke zone is een speelplaats opgenomen waarbij gebruik is gemaakt van natuurlijke speelelementen zoals bijvoorbeeld boomstammen, stapstenen in de
Energie
Bewegen
Mate waarin de omgeving bewegen bevordert
Leefstijl
Mate waarin de omgeving een gezonde leefstijl bevordert
Energievraag
Mate van reductie van gebruik elektriciteit en warmte
Energiesysteem
Mate van toepassing van duurzaam energiesysteem
Energiepotentie
Verandering in mogelijkheden duurzame opwek energie
Grondstoffengebruik
Mate van hergebruik van grondstoffen
Afvalinzameling
Mate van duurzame afvalinzameling
Circulariteit
14
wadi, een zandbak en eventueel een petanque baan. Hiermee wordt bijgedragen aan het invullen van de referentienorm voor sport en spelen. De binnentuin is alleen toegankelijk voor voetgangers (eventueel fietsers), een speeltuin van minimaal 150 m2 is meegenomen in het ontwerp en in alle gebouwen kan zowel gebruik gemaakt worden van trappen als lifttoegangen. Daarmee draagt het plan bij aan het bevorderen van bewegen. Snackbars zijn in het plan uitgesloten. Daarnaast voorziet het plan in de binnentuin in een voedselbos waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en waar zij een plek kunnen vinden om te verblijven, tuinieren, bewegen, spelen of ontspannen in de luwte van de stad. Daarmee draagt het plan bij aan het bevorderen van een gezonde leefstijl. Het streven is een EPC < 0,2. Dit is te vertalen naar BENG1=60, BENG2=20 en BENG3=70. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. Het plan wordt aardgasloos opgeleverd. Het plangebied ligt op meer dan 40 m. afstand van het warmtenet, namelijk op circa 200 m. Stadswarmte is daarmee wel mogelijk, maar is afhankelijk van de aanbieding van de concessiehouder. WKO is daarom nog een alternatief. Dit maakt het bestemmingsplan mogelijk. Daarmee wordt voorzien in een duurzaam energiesysteem. Het plan voorziet in de toepassing van EV-panelen. Daarmee voorziet het plan in mogelijkheden voor duurzame opwek van energie.
In het plan wordt uitgegaan van de toepassing van duurzame en herbruikbare materialen, waaronder FSC-hout. Uitgangspunt voor het plan is een MPG-norm van maximaal 0,8. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen. Er worden voor huishoudelijk afval ondergrondse inzamelpunten gerealiseerd door de gemeente. Voor niet-huishoudelijk afval wordt voorzien in inpandige afvalinzameling. Daarmee worden potentiële omgevingseffecten voorkomen.
3.
Toepassing spelregelkader OER
De spelregels in het spelregelkader OER Schinkelkwartier (bijlage 1 bij het OER) zijn kaderstellend voor ruimtelijke plannen in Schinkelkwartier. Het spelregelkader bevat algemene en locatiespecifieke spelregels. De algemene spelregels gelden in heel Schinkelkwartier, voor zover het omgevingsaspect voor het bouwplan van toepassing is. De locatiespecifieke spelregels zijn gekoppeld aan een digitale leefomgevingsfoto, waaruit blijkt welke spelregels voor voorliggend bouwplan van toepassing zijn. In onderstaande tabel is onderbouwd in hoeverre de spelregels van toepassing zijn en zo ja, op welke wijze deze spelregels zijn toegepast en geborgd in het plan (in regels en/of toelichting of nadere planuitwerking).
SPELREGELS DUURZAME INRICHTING Bodem en ondergrond
Toepassing/borging
Bodemopbouw (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekenschap gegeven van de bodemopbouw ter plaatse. In geval van bebouwing hoger dan 30 meter wordt geotechnisch onderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid en de funderingsmethode. Over het geotechnisch onderzoek wordt advies gevraagd aan de gemeente (Ingenieursbureau). Maaiveldophoging (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekenschap gegeven van eventueel benodigde maaiveldophoging, waarbij rekening wordt gehouden met de geldende ontwateringsnorm. Over de eventueel benodigde maaiveldophoging wordt advies gevraagd aan Waternet. Bodemverontreiniging (algemeen) Bij (water)grondwerkzaamheden wordt een actueel verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar mogelijke bodemverontreiniging ter plaatse. In geval van aantreffen van verontreiniging wordt advies gevraagd aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied over saneringsaanpak en de mogelijkheden van afvoeren en verwerking. Niet gesprongen explosieven (locatie specifiek) Bij grondwerkzaamheden wordt een risicoanalyse conventionele explosieven uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van munitie en granaten uit WOII. Over de risicoanalyse wordt advies gevraagd aan de gemeente (Ingenieursbureau). Transportleiding riolering (locatie specifiek) Bij bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden wordt rekening gehouden met een beperkingenzone van 5 meter aan weerszijden van de leiding.
Van de geldende afstanden kan alleen worden afgeweken na goedkeuring van het betrokken nutsbedrijf en/of de leidingbeheerder of in geval de leiding vanwege de gebiedsontwikkeling wordt verlegd. Transportleiding drinkwater (locatie specifiek) Bij bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden wordt rekening gehouden met een beperkingenzone van 10 meter aan weerszijden van de leiding. Van de geldende afstanden kan alleen worden afgeweken na goedkeuring van het betrokken nutsbedrijf en/of de leidingbeheerder of in geval kan worden aangetoond dat de leiding vanwege de gebiedsontwikkeling wordt verlegd.
Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden.
Hogedruk gasleiding (locatie specifiek) Bij bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden wordt rekening gehouden met een beperkingenzone van 2 meter aan weerszijden van de leiding. Van de geldende afstanden kan alleen worden afgeweken na goedkeuring van het betrokken
15
Uitkomsten geohydrologisch onderzoek zijn verwerkt in toelichting.
Uitkomsten bodemonderzoek zijn verwerkt in toelichting.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
De beperkingenzone van de drinkwatertransportleiding aan de westzijde is geborgd op verbeelding (dubbelbestemming Leiding - Water) en in de regels. Dit en benodigde verlegging van de drinkwatertransportleiding aan de zuidzijde zijn beschreven in toelichting. Niet van toepassing.
nutsbedrijf en/of de leidingbeheerder of in geval kan worden aangetoond dat de leiding vanwege de gebiedsontwikkeling wordt verlegd. Hoogspanningsleiding (locatie specifiek) Bij bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden wordt rekening gehouden met een beperkingenzone van 2 meter aan weerszijden van de leiding. Van de geldende afstanden kan alleen worden afgeweken na goedkeuring van het betrokken nutsbedrijf en/of de leidingbeheerder of in geval kan worden aangetoond dat de leiding vanwege de gebiedsontwikkeling wordt verlegd. Transportleiding warmtenet (locatie specifiek) Bij bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden wordt rekening gehouden met een beperkingenzone van 10 meter aan weerszijden van de leiding. Van de geldende afstanden kan alleen worden afgeweken na goedkeuring van het betrokken nutsbedrijf en/of de leidingbeheerder.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Water
Toepassing/borging
Watercompensatie (algemeen) Bij een toename van verhard oppervlak wordt dit gecompenseerd door binnen hetzelfde watersysteem nieuw oppervlaktewater toe te voegen ter grootte van minimaal 10 procent van de verhardingstoename. Onder voorwaarden kan compensatie worden gerealiseerd door alternatieve waterberging. In geval van verplichte watercompensatie wordt advies gevraagd aan Waternet. Demping oppervlaktewater (algemeen) Bij demping van oppervlaktewater wordt hetzelfde wateroppervlak binnen hetzelfde watersysteem teruggebracht. In geval van demping van oppervlaktewater wordt advies gevraagd aan Waternet. Waterverontreiniging (algemeen) Bij grondwerkzaamheden wordt een actueel verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke verontreiniging van oppervlakte- en grondwater ter plaatse. In geval van aantreffen van verontreiniging geldt dat eventuele verontreiniging niet mag worden verspreid en advies wordt gevraagd aan Waternet. Uitlogende materialen (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen is het gebruik van uitlogende materialen niet toegestaan in verband met negatieve effecten op de kwaliteit van hemel- en oppervlaktewater. Kernzone waterkeringen (locatie specifiek) Bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden zijn in principe niet toegestaan, tenzij een ontheffing van de Keur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is verkregen.
Beschermingszone waterkeringen (locatie specifiek) Bouw-, graaf- en heiwerkzaamheden zijn toegestaan, mits een positief advies is verkregen van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Ontwateringsnorm (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen is een ontwateringsnorm van 90 cm voor bouwen met kruipruimte het uitgangspunt, waarbij rekening wordt gehouden met voldoende groeimogelijkheden voor bomen. Grondwaterneutrale kelders (algemeen) Bij nieuwe ondergrondse ontwikkelingen is grondwaterneutraal bouwen het uitgangspunt, waarbij wordt getoetst aan de beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam en wordt aangetoond dat de ontwikkeling geen onaanvaardbare grondwatereffecten heeft. In geval sprake is van negatieve grondwatereffecten wordt advies gevraagd aan Waternet over benodigde maatregelen.
Niet van toepassing.
Waterneutrale inrichting (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen is waterneutrale inrichting het uitgangspunt, waarbij per uur 70 mm hemelwater wordt vastgehouden op de kavel, geleidelijk 2,5 mm per uur wordt afgevoerd en opgevangen hemelwater optimaal wordt benut. Technische/elektrische installaties en vitale infrastructuur worden hoog worden geplaatst en er wordt voorzien in een voldoende hoog bouwpeil (1o cm hoger dan gemiddelde maaiveld) en een waterkerende plint van 20 cm.
16
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden. Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden. Uitkomsten geohydrologisch onderzoek en grondwaterneutrale kelders zijn geborgd op verbeelding en in regels en verwerkt in toelichting. Op verbeelding is een zone van 5 m. vanaf noordelijke erfgrens opgenomen waarbinnen kelders zijn uitgesloten. Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden.
Landschap, groen en natuur
Toepassing/borging
Stikstofdepositie (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzoek gedaan naar eventuele stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000 gebieden tijdens de bouwfase en in de gebruiksfase. In geval sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden worden maatregelen getroffen. Stikstofemissie (algemeen) Voor nieuwe bedrijven wordt aangetoond dat de stikstofuitstoot van het bedrijf niet hoger is dan van een bedrijf uit milieucategorie 2. Referentienorm groen (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekenschap gegeven van de Amsterdamse referentienormen voor gebruiksgroen en/of ecosysteemgroen zoals beschreven in de projectnota Schinkelkwartier en wordt aangetoond op welke wijze een bijdrage geleverd aan het invullen van de normen in de vorm van groene binnenterreinen, pocketparks, groene daken en/of geveltuinen. Hoofdgroenstructuur (locatie specifiek) Nieuwe ontwikkelingen moeten de bij het groentype behorende waarden vergroten, waarbij wordt getoetst aan het instrumentarium uit de Structuurvisie Amsterdam 2040. Over initiatieven in de hoofdgroenstructuur wordt advies gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur (TAC).
Ecologische structuur (locatie specifiek) Nieuwe ontwikkelingen mogen in principe niet leiden tot aantasting of verzwakking van de ecologische structuur en bestaande knelpunten in de ecologische structuur worden zo veel mogelijk opgelost. Bij nieuwe ontwikkelingen in de ecologische structuur wordt advies gevraagd aan een stadsecoloog van de gemeente (Ruimte en Duurzaamheid). Beschermde soorten (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna, de effecten op deze soorten en eventuele overtreding van verbodsbepalingen, waarbij rekening wordt gehouden met de Amsterdamse gedragscode flora en fauna en het onderzoeksprotocol zoals beschreven in de Quickscan natuurwaarden Schinkelkwartier. Uit dat onderzoek moet blijken of ontheffing Wet natuurbescherming nodig is en in hoeverre mitigerende of compenserende maatregelen nodig zijn om negatieve effecten op beschermde soorten te beperken of uit te sluiten. Natuurinclusief bouwen (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen worden natuurwaarden en biodiversiteit zo veel mogelijk versterkt door invulling te geven aan de principes voor natuurinclusief bouwen. Uitgangspunt daarbij is dat minimaal wordt voldaan aan een ondergrens van 30 punten zoals opgenomen in het Handboek natuurinclusief bouwen en ontwerpen.
Over de wijze waarop hier invulling aan kan worden gegeven wordt advies gevraagd aan een stadsecoloog van de gemeente (Ruimte en Duurzaamheid). Beeldbepalende bomen (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met beeldbepalende bomen, waarbij uitgangspunt is om deze bomen in te passen in het ontwerp en de inpasbaarheid te toetsen door het stappenplan zoals beschreven in het Verkennend bomenonderzoek Schinkelkwartier te doorlopen.
Uitkomsten stikstofonderzoek zijn verwerkt in toelichting.
Cultuurhistorie en archeologie
Toepassing/borging
Stedenbouwkundige zone (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met het uitgangspunt handhaving van de ruimtelijke structuur, het historisch straatbeeld, groenvoorziening en waterpartijen en wordt advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie). Rijks- en gemeentelijke monumenten (locatie specifiek)
Niet van toepassing.
17
Niet van toepassing.
Het plan geeft invulling aan de referentienorm groen door te voorzien in een groene binnentuin. Deze binnentuin is geborgd op verbeelding en in regels en verwerkt in toelichting. Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Uitkomsten ecologisch onderzoek zijn verwerkt in toelichting.
Het plan voorziet in versterking van biodiversiteit en voldoet aan puntentelling voor natuurinclusief bouwen. Het plan scoort 57 van de minimaal 30 benodigde punten. Dit is verwerkt in toelichting.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de bepalingen voor bescherming voor bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten zoals opgenomen in de Erfgoedwet en gemeentelijke erfgoedverordening en wordt in geval van restauratie advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie). Bebouwing met voorlopige orde 1 waardering (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met het uitgangspunt behoud en restauratie en wordt advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie) over de mogelijkheden voor aanpassing van de bebouwing. Bebouwing met (voorlopige) orde 2 waardering (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen is behoud in principe het uitgangspunt en wordt eerst nader onderzoek naar de cultuurhistorische waarde van de bebouwing uitgevoerd. In het kader van het cultuurhistorisch onderzoek wordt advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie) over eventuele (gedeeltelijke) bescherming en de mogelijkheden voor aanpassing of (gedeeltelijke) sloop van de bebouwing.
Bebouwing met (voorlopige) orde 3 waardering (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie) over de mogelijkheden voor aanpassing of (gedeeltelijke) sloop van de bebouwing Bebouwing voormalig IBM-terrein (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekenschap gegeven van het advies Cultuurhistorische waardestelling IBM-schrijfmachinefabriek en wordt advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie). Meldplicht (algemeen) In geval van aantreffen van archeologische waarden bij veldonderzoek of andere bodemingrepen wordt melding gedaan bij en advies gevraagd aan de gemeente (Monumenten en Archeologie) over eventuele maatregelen. Beleidsvariant 3 - niet opgehoogd (locatie specifiek) Bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 meter wordt veldonderzoek gedaan naar archeologische waarden. Beleidsvariant 5A – opgehoogd (locatie specifiek) Bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 1,5 meter wordt veldonderzoek gedaan naar archeologische waarden. Beleidsvariant 5B – opgehoogde begraafplaats (locatie specifiek) Bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 3 meter wordt veldonderzoek gedaan naar archeologische waarden.
Beleidsvariant 6 – niet opgehoogd (locatie specifiek) Bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 meter wordt veldonderzoek gedaan naar archeologische waarden. Beleidsvariant 9 – waterbodem (locatie specifiek) Bij bodemingrepen in waterbodem groter dan 10.000 m2 en dieper dan 1,5 meter wordt veldonderzoek gedaan naar archeologische waarden.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Beleidsvariant 5A is geborgd op verbeelding (dubbelbestemming Waarde - Archeologie), in regels en verwerkt in toelichting. Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Bouwhoogte
Toepassing/borging
Hoogbouweffectrapport (algemeen) Voor nieuwe bebouwing hoger dan 30 meter wordt een hoogbouweffectrapport (HER) opgesteld, waarmee wordt getoetst aan het gemeentelijk hoogbouwbeleid en waarin de effecten van het bouwplan op onder andere windhinder, bezonning/schaduwwerking, sociale veiligheid en de hoogtebeperkingen op grond van het LIB worden beoordeeld. Over het HER wordt advies gevraagd aan de gemeente (Ruimte en Duurzaamheid). Windhinder (algemeen) Bij ontwikkeling van nieuwe bebouwing hoger dan 30 meter wordt aan de hand van een windhinderonderzoek aangetoond dat geen sprake is van een onaanvaardbare windhinder of windgevaar, waarbij wordt getoetst aan NEN 8100. In geval van onaanvaardbare effecten wordt advies gevraagd aan de gemeente (Ruimte en Duurzaamheid) over benodigde maatregelen.
Uitkomsten HER zijn verwerkt in toelichting en voor zover relevant geborgd op verbeelding en in regels.
18
Uitkomsten windonderzoek zijn geborgd in regels en verwerkt in toelichting.
Schaduwwerking (algemeen) Bij ontwikkeling van nieuwe bebouwing hoger dan 30 meter wordt aan de hand van een bezonningsonderzoek aangetoond dat geen sprake is van een onaanvaardbare schaduwwerking, waarbij wordt aangesloten bij de Amsterdamse afgeleide van de lichte bezonningsnorm van TNO. In geval van onaanvaardbare effecten wordt advies gevraagd aan de gemeente (Ruimte en Duurzaamheid) over benodigde maatregelen. Maatgevende toetshoogte (locatie specifiek) Nieuwe bebouwing (inclusief technische installaties) of op te hogen bestaande bebouwing mag de maatgevende toetshoogte op grond van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol niet overschrijden, tenzij een verklaring van geen bezwaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is verkregen. Een verklaring van geen bezwaar voor doorsnijding van het horizontale binnenvlak wordt uitsluitend verleend als de bebouwing is gelegen in de schaduw van bestaande hogere bebouwing danwel aan de hand van een luchtvaartstudie is aangetoond dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de vliegveiligheid. Toetshoogte radar (locatie specifiek) Nieuwe bebouwing (inclusief technische installaties) of op te hogen bestaande bebouwing mag de toetshoogte radar op grond van het luchthavenindelingbesluit Schiphol niet overschrijden, tenzij een positief radaradvies van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) is verkregen.
Uitkomsten bezonningsstudie zijn verwerkt in toelichting.
Uitkomsten LIB-toets (maximum bouwhoogte is lager dan LIB) zijn geborgd op verbeelding en in regels en verwerking in toelichting.
Uitkomsten LIB-toets (maximum bouwhoogte is lager dan LIB) zijn geborgd op verbeelding en in regels en verwerking in toelichting.
SPELREGELS MOBILITEIT Verkeersafwikkeling
Toepassing/borging
Verkeerskundige onderbouwing (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aan de hand van een verkeersonderzoek een onderbouwing gegeven van de effecten voor verkeersgeneratie, bereikbaarheid en doorstroming. In geval van negatieve effecten wordt advies gevraagd aan de gemeente (Verkeer en Openbare Ruimte) over eventueel benodigde maatregelen. Verkeersveiligheid (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aan de hand van een verkeersonderzoek een onderbouwing gegeven van de effecten voor verkeersveiligheid. In geval van negatieve effecten wordt advies gevraagd aan de gemeente (Verkeer en Openbare Ruimte) over eventueel benodigde maatregelen.
Uitkomsten verkeersonderzoek, waaronder ontsluiting, zijn geborgd in regels en verwerkt in toelichting.
Parkeren
Toepassing/borging
Parkeernorm fiets en scooter (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt voldaan aan de hand van een parkeerbalans aangetoond dat wordt voldaan aan parkeernormen voor fietsen en scooters zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter, waarbij in principe geldt dat op eigen terrein moet worden voorzien in voldoende en toegankelijke parkeerplekken voor fietsen en scooters. Autoparkeernorm woningen (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aan de hand van een parkeerbalans aangetoond dat wordt voldaan aan de autoparkeernorm voor woningen van maximaal 0,3 parkeerplaats per woning, inclusief 0,1 parkeerplaats per woning voor bezoekers. De parkeervoorzieningen moeten in principe op eigen terrein worden gerealiseerd, hiervan kan alleen worden afgeweken binnen de voorwaarden zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Auto. Bewoners krijgen geen vergunning voor parkeren van auto’s op straat. Bezoekersparkeren vindt bij voorkeur plaats in openbaar toegankelijke garages, en indien dit niet mogelijk is, op straat. Autoparkeernorm kantoren zone B (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aan de hand van een parkeerbalans aangetoond dat wordt voldaan aan de autoparkeernorm voor kantoren van maximaal van 1 parkeerplaats per 125 m2 kantoren inclusief bezoekersparkeren. De
Er is een parkeerbalans opgesteld, de bevindingen zijn geborgd in regels en verwerkt in toelichting.
19
Uitkomsten verkeersonderzoek, onderdeel verkeersveiligheid, zijn verwerkt in toelichting.
Er is een parkeerbalans opgesteld, de bevindingen zijn geborgd in regels en verwerkt in toelichting.
Niet van toepassing.
parkeervoorzieningen worden in principe op eigen terrein gerealiseerd, hiervan kan alleen worden afgeweken binnen de voorwaarden zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Auto. Autoparkeernorm kantoren zone C (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen geldt voor de autoparkeernorm voor kantoren maatwerk, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van een maximum autoparkeernorm van 1 parkeerplaats per 125 m2 kantoren inclusief bezoekersparkeren. De parkeervoorzieningen worden in principe op eigen terrein gerealiseerd, hiervan kan alleen worden afgeweken binnen de voorwaarden zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Auto. Autoparkeernorm bedrijven en voorzieningen (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen geldt voor de autoparkeernorm voor bedrijven en voorzieningen maatwerk conform de richtlijnen in publicatie 381 van het CROW. Deelmobiliteit en dubbelgebruik (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen worden deelmobiliteit en dubbelgebruik van parkeerplaatsen gestimuleerd, wat kan leiden tot een aangepaste parkeerbehoefte.
Niet van toepassing.
Er is een parkeerbalans opgesteld, de bevindingen zijn geborgd in regels en verwerkt in toelichting. Dit is geborgd in regels en verwerkt in toelichting.
SPELREGELS GEZONDE EN VEILIGE LEEFOMGEVING Geluid en trillingen
Toepassing/borging
Gezoneerd industrieterrein (locatie specifiek) Nieuwe geluidgevoelige functies zoals woningen zijn niet toegestaan. In het kader van de aanpassing van de geluidzone industrieterrein Schinkel wordt het industrieterrein ingeperkt tot het terrein van het NLR (Anthony Fokkerweg 2) en wordt de geluidzone dienovereenkomstig aangepast. Op het gedeelte dat geen onderdeel meer is van het gezoneerde industrieterrein Schinkel ontstaat daarmee onder voorwaarden ruimte voor toevoeging van geluidgevoelige functies. Vergunde geluidruimte en richtafstand bedrijf (locatie specifiek) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van het bedrijf (ook eventuele piekgeluiden) en wordt advies gevraagd aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. In geval van een onaanvaardbare geluidbelasting worden maatregelen getroffen (bronmaatregelen, afscherming, maatwerkvoorschriften of gevelmaatregelen).
Niet van toepassing.
Maximale milieucategorie (algemeen) Voor nieuwe bedrijven geldt ten aanzien van het aspect geluid een maximale milieucategorie 3.1, onder voorwaarde dat de bedrijfsactiviteiten niet in de openlucht en niet ’s nachts plaatsvinden en het bedrijf voor de aspecten gevaar, geur en stof maximaal in milieucategorie 2 valt. Geluidbelasting tot maximale ontheffingswaarde (locatie specifiek) Nieuwe geluidgevoelige functies zijn mogelijk, onder voorwaarden dat 1) uit akoestisch onderzoek volgt dat de maximale ontheffingswaarde op de relevante hoogte niet wordt overschreden; 2) aangetoond is dat de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is en 3) hogere waarden dan de voorkeursgrenswaarden zijn verleend. Geluidbelasting boven maximale ontheffingswaarde (locatie specifiek) Nieuwe geluidgevoelige functies zijn mogelijk, onder voorwaarden dat 1) uit akoestisch onderzoek volgt dat de maximale ontheffingswaarde op de relevante hoogte wordt overschreden en dove gevels of vliesgevels worden gerealiseerd dan wel de gemeenteraad een stap 3 besluit in het kader van de Interimwet Stad en Milieubenadering heeft genomen; 2) aangetoond is dat de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is en 3) de maximaal te ontheffen waarde is verleend.
20
Uitkomsten akoestisch onderzoek geluidbelasting datacenter Global Switch zijn verwerkt in toelichting. In regels is geborgd dat bij het bepalen van de gevelwering van de woningen, de maximaal berekende geluidbelasting als gevolg van Global Switch in acht wordt genomen. Niet van toepassing.
Er wordt voldaan aan de voorwaarden. Uitkomsten akoestisch onderzoek, advies TAVGA en maatregelen zijn geborgd op verbeelding, in regels en besluit hogere waarden en verwerkt in toelichting. Er wordt voldaan aan de voorwaarden. Uitkomsten akoestisch onderzoek, advies TAVGA en maatregelen (waaronder dove gevels) zijn geborgd op verbeelding, in regels en in besluit hogere waarden en verwerkt in toelichting.
Stille zijde woningen (algemeen) Nieuwe woningen beschikken in geval van overschrijding van de voorkeursgrenswaarden over een stille zijde zoals bedoeld in het Amsterdams geluidbeleid. Van deze eis kan slechts onder bepaalde omstandigheden worden afgeweken, waarbij in ieder geval de slaapkamer(s) aan de stilste zijde word(t)en gesitueerd. In geval van overschrijding van de maximale ontheffingswaarde krijgen nieuwe woningen bij voorkeur een dubbelzijdige oriëntatie. Geluidhinder en slaapverstoring (algemeen) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt onderzoek gedaan naar de mate van ernstige hinder en slaapverstoring vanwege industrie-, wegverkeer-, spoorweg-, metro-, scheepvaart-, luchtvaart- en cumulatief geluid. Afschermende eerstelijnsbebouwing A10-West (algemeen) Eerstelijnsbebouwing langs de A10-West heeft een geluidafschermende functie voor de daarachter gelegen bebouwing en wordt zo veel mogelijk aaneengesloten gebouwd. Verdeling woningcategorieën geluidbelaste locaties (algemeen) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt rekenschap gegeven van een gelijkwaardige verdeling van woningcategorieën over geluidbelaste locaties, waarbij wordt voorkomen dat sociale huurwoningen op de meest geluidbelaste en vrijesectorwoningen op de minst geluidbelaste locaties worden gerealiseerd.
Scheepvaartgeluid (locatie specifiek) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege scheepvaart. In geval van een onaanvaardbare geluidbelasting zijn maatregelen nodig (afscherming en/of gevelmaatregelen). Afwegingsplicht binnen LIB-5 zone (locatie specifiek) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt rekenschap gegeven van de geluidbelasting vanwege luchtvaart, waarbij gemotiveerd wordt op welke wijze invulling is gegeven aan geluidadaptieve maatregelen om de blootstelling aan luchtvaartgeluid te beperken en in hoeverre sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau vanwege luchtvaart. Motivering buiten LIB-5 zone (locatie specifiek) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt gemotiveerd in hoeverre sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau vanwege luchtvaart, waarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan geluidadaptieve maatregelen om de blootstelling aan luchtvaartgeluid te beperken. Informatieplicht LIB-5 zone (locatie specifiek) Toekomstige bewoners worden tijdig geïnformeerd over de geluidbelasting vanwege luchtvaartgeluid en eventuele getroffen maatregelen, zodat zij in de gelegenheid worden gesteld om bewust een keuze te maken voor wonen in een door luchtvaartgeluid belast gebied.
In het kader van de informatieplicht wordt in koop- en huurovereenkomsten opgenomen dat sprake kan zijn van geluidhinder vanwege luchtvaart. Informatieplicht geluid (algemeen) Toekomstige bewoners worden actief en tijdig geïnformeerd over de geluidbelasting en de getroffen maatregelen, zodat zij in de gelegenheid worden gesteld om bewust een keuze te maken voor wonen in een geluidbelast gebied. Grondgeluid Schiphol (algemeen) Bij ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies wordt onderzoek gedaan naar de mate van hinder vanwege grondgeluid van luchthaven Schiphol. In geval van onaanvaardbare hinder zijn maatregelen nodig (afscherming en/of gevelmaatregelen). Onderzoek trillinghinder (locatie specifiek) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzoek gedaan naar eventuele trillinghinder, waarbij wordt getoetst aan de streef- en grenswaarden uit de SBR Richtlijn B en rekenschap wordt gegeven van eventuele trillinghinder. In geval van overschrijding van de grenswaarden worden maatregelen getroffen.
21
Er wordt voldaan aan de voorwaarden. Uitkomsten akoestisch onderzoek, advies TAVGA en maatregelen zijn geborgd op verbeelding en in regels en verwerkt in toelichting. De oriëntatie van woningen wordt uitgewerkt in de nadere planuitwerking. Uitkomsten akoestisch onderzoek naar mate van ernstige geluidhinder en slaapverstoring zijn verwerkt in toelichting. Niet van toepassing.
Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden.
Niet van toepassing.
De invulling van de afwegingsplicht binnen LIB-5 zone is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden. Niet van toepassing.
Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden.
Dit is verwerkt in toelichting en hier wordt bij nadere planuitwerking rekening mee gehouden. Uitkomsten onderzoek grondgeluid zijn verwerkt in toelichting.
Uitkomsten onderzoek naar trillinghinder zijn verwerkt in toelichting.
Luchtkwaliteit
Toepassing/borging
Richtlijn gevoelige bestemmingen snelweg (locatie specifiek) Nieuwe gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zijn niet toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden en belangen aanleiding geven om hiervan af te wijken en GGD Amsterdam hierover heeft geadviseerd. Richtlijn gevoelige bestemmingen stedelijke weg (locatie specifiek) In de eerstelijnsbebouwing zijn nieuwe gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit niet toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden en belangen aanleiding geven om hiervan af te wijken en GGD Amsterdam hierover heeft geadviseerd. Onderbouwing luchtkwaliteit (algemeen) Bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderbouwd in hoeverre de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In geval de ontwikkeling wel in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit wordt getoetst aan de grenswaarden luchtkwaliteit zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. Ultrafijnstof (algemeen) Bij ontwikkeling van nieuwe woningen en nieuwe gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit wordt rekenschap gegeven van de concentraties ultrafijnstof vanwege luchtvaart en wegverkeer. Informatieplicht (algemeen) Toekomstige bewoners worden actief en tijdig geïnformeerd over de luchtkwaliteit ter plaatse en eventuele getroffen maatregelen, zodat zij in de gelegenheid worden gesteld om bewust een keuze te maken voor wonen in een gebied met een zekere mate van luchtverontreiniging.