CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 26 Ruimtelijke Ordening (23) 7. Nota van beantwoording zienswijzen beste

RAAD 20 december 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Aanvaarden MER Omgevingseffectrapport Schinkelkwartier en vaststellen van het bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 VN2023-02248516.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Colofon Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid Versie november 2023 Contact schinkelkwartier@amsterdam.nl

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Inhoud 1

Inleiding ........................................................................................................... 4

2 2.1 2.2

Zienswijzen ...................................................................................................... 5 Inleiding ................................................................................................................................5 Samenvatting en beantwoording zienswijzen .......................................................................5

Bijlagen .................................................................................................................. 24

3

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

1

Inleiding

Het ontwerpbestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 met bijbehorende stukken heeft in het kader van de terinzagelegging van 13 april tot 25 mei 2023 ter inzage gelegen. De kennisgeving over de ter inzagelegging vond plaats in het Gemeenteblad van 12 april 2023. Gedurende de periode van terinzagelegging is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen bij de gemeenteraad van Amsterdam. Van 6 september tot 18 oktober 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 met bijbehorende stukken opnieuw ter inzage gelegen. Dit is gedaan omdat de papieren versie op een van de locaties, niet raadpleegbaar was. Tijdens de eerste periode van terinzagelegging zijn twee zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Tijdens de periode van de hernieuwde terinzagelegging is één zienswijze naar voren gebracht. In voorliggende Nota van beantwoording zienswijzen zijn de ingebrachte zienswijzen samengevat en van een beantwoording voorzien. Bij de beantwoording is aangegeven in hoeverre de zienswijzen aanleiding hebben gegeven om het bestemmingsplan te wijzigen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zoals dat ter inzage heeft gelegen. Deze wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen in een Nota van wijzigingen.

Deze Nota van beantwoording zienswijzen maakt integraal onderdeel uit van het te nemen raadsbesluit over het vaststellen van het bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188. Gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 hebben het concept Omgevingseffectrapport (OER) Schinkelkwartier en het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden Wet geluidhinder ter inzage gelegen. De zienswijzen over het OER Schinkelkwartier zijn in een separate nota samengevat en beantwoord. De zienswijzen over het ontwerpbesluit hogere waarden Wet geluidhinder zijn in het betreffende besluit samengevat en beantwoord. In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden de uitkomsten van het OER Schinkelkwartier door de gemeenteraad aanvaard. Vooruitlopend op de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad stelt het college van burgemeester en wethouders het besluit hogere waarden Wet geluidhinder vast.

4

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

2

Zienswijzen

2.1

Inleiding

Er zijn drie zienswijzen ingediend. De eerste betreft een zienswijze van Merin Autumn Amsterdam B.V. en Merin Spring Amsterdam B.V. (hierna: Merin). Merin heeft op 24 mei 2023 een pro forma zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Vervolgens heeft het college van B&W aan Merin op 1 juni 2023 schriftelijk kenbaar gemaakt dat zij een termijn van twee weken krijgen om de zienswijze aan te vullen. Op 13 juni 2023 heeft Merin een aanvullende zienswijze ingediend. De tweede zienswijze is op 31 mei 2023 en dus buiten de termijn (van de eerste terinzagelegging) ingediend door Rijkswaterstaat (het Ministerie van infrastructuur en Waterstaat, hierna: RWS). De gemeente heeft besloten om deze zienswijze ambtshalve in deze nota van beantwoording te betrekken. De derde zienswijze is op 17 oktober 2023, tijdens de periode van de hernieuwde terinzagelegging, ingediend door Global Switch Amsterdam B.V. en Global Switch Amsterdam Property B.V. (hierna: Global Switch).

2.2

Samenvatting en beantwoording zienswijzen

1.

Zienswijze Merin

1.1

Het ontwerpbestemmingsplan voorziet niet in een goed woon- en leefklimaat Het plan is volgens Merin niet voorbereid met de vereiste zorgvuldigheid en voorziet niet in een goed woon-, leef- en ondernemersklimaat en is niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Merin stelt dat het project een omvangrijke ontwikkeling betreft die grote gevolgen zal hebben voor de percelen in eigendom bij Merin, met name op het bestaande gebruik. Verder vindt Merin dat de negatieve effecten op haar percelen onvoldoende in kaart zijn gebracht en dus onvoldoende zijn beoordeeld. Daarnaast ontbreekt het aan een evenredige afweging van belangen op alle voor Merin meest relevante onderwerpen. Zo zou blijken van een aanzienlijke verslechtering van het windklimaat ter plaatse van de percelen van Merin, maar zijn mogelijke oplossingen niet onderzocht. Dat geldt ook ten aanzien van daglichttoetreding voor de kantoorgebouwen van Merin. Verder zouden de parkeer- en verkeersonderzoeken, maar ook het geohydrologisch, stikstofen de wind- en bezonningsstudies onjuistheden bevatten of onvolledig zijn. Beantwoording De gemeente Amsterdam heeft als doel om Schinkelkwartier te transformeren naar een goed bereikbaar stedelijk woon-werkgebied. In de projectnota Schinkelkwartier, vastgesteld op 14 december 2021, is als ambitie geformuleerd: het transformeren van een geïsoleerd

5

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

werkgebied tot een inclusieve, levendige en groene stadswijk die goed verbonden is met de omgeving. Met ruimte voor 11.000 woningen, 1.020.000 m2 werkruimte (ten opzichte van circa 700.000 m2 in de huidige situatie) en 450.000 m2 maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Schinkelkwartier als geheel heeft een goede hoofdstructuur nodig om de ambities in dit gebied waar te kunnen maken. In de projectnota Schinkelkwartier is een stedenbouwkundig kader opgenomen, waarmee richting gegeven kan worden aan de definitieve uitwerking van stedenbouwkundige plannen. De gemeente stelt geen nieuw bestemmingsplan voor het gehele gebied vast om de volledige transformatie van Schinkelkwartier mogelijk de maken. De transformatie zal geleidelijk gaan en op deze manier kan altijd maatwerk worden geboden per plan of project dat definitief tot ontwikkeling komt. Er zullen dus diverse planologische besluiten binnen Schinkelkwartier worden genomen. Gelijktijdig aan de projectnota is voor Schinkelkwartier een Omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. De uitkomsten van het concept OER, waarin de effecten en alternatieven van de transformatie van Schinkelkwartier zijn beoordeeld, zijn richtinggevend geweest voor de hoofdkeuzes in de projectnota.

Onderdeel van de ontwikkeling van Schinkelkwartier is voorliggend plan om de huidige kantoren aan de Overschiestraat 182 en 188 te slopen en een nieuwbouw appartementencomplex met voorzieningen te realiseren. Het voorliggend plan voor de Overschiestraat 182 en 188 is getoetst en beoordeeld aan de hand van de projectnota en het OER Schinkelkwartier. In de toelichting van het bestemmingsplan is een afweging gemaakt in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij is ook de omgeving meegewogen. Naar aanleiding van de zienswijze van Merin zijn een aantal van de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende onderzoeken op punten aangevuld en/of gewijzigd, waarbij het effect op de percelen van Merin eveneens is meegewogen. Die afweging heeft ertoe geleid dat het bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening borgt. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel is de plantoelichting op onderdelen aangevuld. Deze aanvullingen zijn hieronder per onderdeel van de zienswijze nader geduid.

1.2

Positionering van het project direct op/tegen de erfgrens met de percelen van Merin Merin stelt dat het project in strijd is met haar privaatrechtelijke belangen en dat deze onvoldoende zijn meegewogen. Zo is het project in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat op minder dan twee meter afstand van haar perceelsgrens, via vensters en muuropeningen uitzicht zal zijn op haar percelen. Daarnaast verdwijnt een deel van het recht van overpad, waarover Merin ontsluit op de openbare weg. Merin merkt verder op dat niet is beschouwd welke negatieve effecten het gekozen ontwerp zal hebben voor de privacy in haar kantoorgebouwen en de

6

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

bewoners van de nieuwe bebouwing. Er zou ten onrechte geen afweging van de “bestaande evidente privaatrechtelijke belemmeringen” zijn gemaakt. Tot slot stelt Merin dat in het ‘Bomenplan’ (ten behoeve van het binnenterrein bij het project) bomen zijn ingetekend op haar percelen terwijl zij hiervoor geen toestemming voor heeft gegeven. Beantwoording Artikel 5:50 BW Het is zonder toestemming niet toegestaan om binnen twee meter van een erfgrens vensters, muuropeningen of balkons te hebben. Dit om te voorkomen dat op korte afstand (directe) inkijk is op een naburig perceel. Degene die het project ontwerpt en uitvoert dient hier rekening mee te houden. In dit project bevinden zich geen ramen, balkons of gevelopening binnen een afstand van twee meter van de perceelsgrens van Merin. Voor zover binnen de afstand van twee meter wordt gebouwd, wordt die bebouwing blind uitgevoerd. Initiatiefnemer heeft bevestigd dat het hoe dan ook geen muuropeningen zal realiseren op minder dan 2 meter van voornoemde percelen omdat deze zich bewust is van de problemen die dat met zich brengt, gelet op artikel 5:50 van het BW. Erfdienstbaarheid/ontsluitingsweg Het is juist, dat ten behoeve van de percelen van Merin een erfdienstbaarheid is gevestigd. Dit loopt door het plangebied.

Het is ook juist dat als het project is uitgevoerd, de erfpachter dit recht niet langer ten behoeve van Merin gestand kan doen. De gemeente is echter van oordeel dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een plan niet doorslaggevend. Dit is alleen anders als op voorhand duidelijk is dat een evidente belemmering aan de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode van in beginsel 10 jaar in de weg staat. En ook dat niet binnen die periode tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. Van belang is dat voor de percelen van Merin een alternatieve, nieuwe ontsluitingsweg wordt gerealiseerd. Via deze weg kan het verkeer direct op de Henk Sneevlietweg ontsluiten. De verwachting is dat de ontsluitingsweg in de tweede helft van 2024 kan worden aangelegd. Het ontwerp van de ontsluitingsweg is op 12 september 2023 positief beoordeeld door de gemeentelijke Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Verder staan er geen planologische belemmeringen aan de uitvoering in de weg. Het gebruik van deze gronden voor een ontsluitingsweg past namelijk binnen het vigerende bestemmingsplan Nieuwe Meer e.o. Voorwaardelijke verplichting t.b.v.

Merin Om de belangen van Merin te borgen, wordt een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en in de planregels opgenomen. Zo wordt verzekerd dat de bestaande ontsluitingsweg (waarvoor de erfdienstbaarheid is gevestigd) onbelemmerd blijft, totdat een alternatieve ontsluitingsroute voor Merin is gerealiseerd.

7

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Het Bomenplan, waarin de bomen ten onrechte op de percelen van Merin waren ingetekend, is aangepast. Het oude Bomenplan gaf de indruk dat er ten behoeve van het project bomen werden aangeplant op de percelen van Merin. Dit is niet het geval. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding om de verbeelding en regels van het bestemmingsplan te wijzigen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, op grond waarvan de huidige ontsluitingsweg onbelemmerd en vrij moet worden gehouden, totdat een alternatieve ontsluitingsroute ten behoeve van de percelen van Merin is gerealiseerd. Deze planregel is gekoppeld aan een aanduiding op de verbeelding. Ook is het aangepaste Bomenplan in de plantoelichting opgenomen.

1.3

De hoogbouweffecten zijn onvoldoende in kaart gebracht Merin stelt dat in het ontwerpbestemmingsplan en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken geen wezenlijke aandacht is besteed aan de ruimtelijke effecten van de hoogbouw in relatie tot haar percelen. De maximale bouwhoogte van het project had bepaald moeten worden aan de hand van de reeds aanwezige hoogtes in de omgeving, niet de toegestane hoogte volgens het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Ten onrechte ligt de focus van het ontwerpbestemmingsplan alleen op de inpasbaarheid van het project in de verdere herontwikkeling van het Schinkelkwartier. Merin benadrukt dat de negatieve effecten van de beoogde hoogbouw voor het uitzicht, de privacy en de wind- en bezonningsituatie nergens meer zullen worden gevoeld dan ter plaatse van de percelen van Merin. De door Antea Group opgestelde hoogbouweffectrapportage rept volgens Merin echter met geen woord over het bestaande kantoorgebruik van Merin en schiet aldus als onderbouwing te kort. Beantwoording Inpasbaarheid hoogbouw De gemeente is van oordeel dat de geprojecteerde bouwhoogte goed past in de omgeving en het ruimtelijk beleid. Uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 volgt dat verdichting een van de belangrijkste opgaven is van de gemeente Amsterdam. Er moeten woningen en vele andere programma’s gebouwd worden. De bouwhoogte zal bij binnenstedelijke verdichting toenemen.

De huidige maximale bouwhoogtes van Overschiestraat 182 en 188 zijn 10 respectievelijk 18 meter. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet in een maximale bouwhoogte van 24 en 34 meter met een maximum van 7 en 10 bouwlagen. Deze nieuwe bouwhoogtes zijn stedenbouwkundige beoordeeld en, gerelateerd aan de open ruimte waar de gebouwen aan grenzen, ruimtelijk aanvaardbaar bevonden. De bouwhoogte is vergelijkbaar met de bouwhoogte van ontwikkelingen in de omgeving. De bouwhoogte is overigens beperkt als deze wordt gerelateerd aan het hoogbouwbeleid van de gemeente Amsterdam. Als gebouwen hoger zijn dan 30 meter, wordt het door de gemeente beoordeeld als hoogbouw en is het hoogbouwbeleid van toepassing. In de Structuurvisie 2040 (wat nog steeds het geldend kader is voor hoogbouw) is de Sloterstrip

8

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

aangeduid als een zone langs een infrastructuurbundel. Voor de Overschiestraat 182 en 188 betekent dit dat hoogbouw in de omgeving van de zuidflank gestimuleerd wordt: “In de zuidflank laat de hoge ontwikkeldruk zich prima vertalen in hoogbouw tot 60 meter, bij belangrijke knooppunten liefst nog hoger. Daar bestaat de voorkeur voor hoogbouwclusters en – ensembles.” Het gekozen stedenbouwkundig kader volgt verder uit de vastgestelde projectnota Schinkelkwartier. De typologie van gebouwen in Sloterstip wordt vooral bepaald door grote bouwblokken met een geluidluw binnenterrein dat publiektoegankelijk is. Op deze manier ontstaat een gebied met zowel intensief gebruikte, bruisende stadsstraten als rustige, groene binnenterreinen. Met deze bebouwingstypologie wordt met relatieve laagbouw toch een hoge dichtheid bereikt. In de hoogbouweffectrapportage is de relatie met de bestaande kantoorgebouwen van Merin en de geprojecteerde bebouwing onvoldoende beschouwd. Om deze reden is in de hoogbouweffectrapportage nader ingegaan op de hoogbouw in relatie tot de percelen van Merin, meer specifiek op de aspecten windhinder en bezonning. De gevolgen van de hoogbouw voor het windklimaat op het perceel van Merin zijn ook beoordeeld en aangevuld in het windhinderonderzoek en bezonningsonderzoek.

Uitzicht en privacy Naar het oordeel van de gemeente leidt het project niet tot een onaanvaardbare vermindering van uitzicht en privacy van de (gebruikers van de) kantoren die op het nieuwe gebouw zullen uitkijken. Het uitzicht vanuit de kantoorgebouwen van Merin zal inderdaad veranderen. De gebouwen in het plangebied zullen worden gesloopt en in de plaats daarvan wordt een hoogwaardig woonblok gebouwd met voorzieningen in de plint. Binnen in het U-vormige bouwblok wordt een onbebouwd binnenterrein gerealiseerd met groen en volop ruimte voor bomen. De bouwlokken die op de perceelsgrens komen te liggen worden blind uitgevoerd. De woningen in de bouwblokken beschikken weliswaar over openingen, maar hierbij wordt de afstand van 2 meter ruimschoots gerespecteerd. Van een onevenredige vermindering van privacy van de gebruikers van de kantoorgebouwen is geen sprake. Van een onevenredige vermindering van uitzicht is ook geen sprake. Er bestaat overigens ook geen recht op onverminderd uitzicht. In een transformatiegebied als Schinkelkwartier en vooral gezien de verdichtingsopgave ligt het voor de hand dat het uitzicht in dit gebied, met in de huidige situatie relatief veel laagbouw, zal veranderen.

Het belang van Merin om het door haar gestelde uitzicht te behouden weegt minder zwaar dan het belang van de gemeente om op deze locatie zo efficiënt om te gaan met de ruimte en om de verdichting te realiseren. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel is de hoogbouweffectrapportage herzien en is het effect van de hoogbouw in relatie tot de percelen van Merin in beeld gebracht. Ook de plantoelichting is overeenkomstig de uitkomsten van de herziene HER aangepast. De herziene rapportage is bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

9

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

1.4

Het windonderzoek is onzorgvuldig en onvolledig Merin stelt dat het ontwerpbestemmingsplan niet leidt tot een aanvaardbaar windklimaat en dat onvoldoende aandacht is aan de negatieve windeffecten ter plaatse van haar percelen. Op dat punt had een gedegen afweging moeten worden gemaakt waarom voor de huidige stedenbouwkundige opzet is gekozen. Merin stelt dat in de planregels (in het bijzonder artikel 4) niet is geborgd dat bij de realisatie van het project sprake zal zijn van een acceptabel verblijfsklimaat. Er kan niet worden volstaan met de voorwaardelijke verplichting in artikel 5.2.4 van de planregels omdat reeds bij vaststelling van het bestemmingsplan duidelijkheid moet bestaan of de toegestane bouwhoogtes- en volumes met een goede ruimtelijke ordening in overeenstemming zijn. Daarnaast is Merin van oordeel dat het windhinderonderzoek geen enkel inzicht biedt over de mogelijk te treffen maatregelen voor het mitigeren van de te verwachten verslechtering van het windklimaat ter plaatse van de percelen van Merin. Tot slot vreest Merin dat het matige tot slechtere windklimaat ertoe zal leiden dat intensiever gebruik wordt gemaakt van de semipublieke ruimtes aan de noordzijde van het project, zonder dat daarvoor in kaart is gebracht hoe een dergelijk gebruik zich zou verhouden tot het bestaande kantoorgebruik.

Beantwoording Beoordeling windklimaat De gemeenteraad heeft beleidsruimte bij de beoordeling welk type windklimaat ruimtelijk aanvaardbaar is. Windhinder is een indicatie van hoeveel last een individu van wind zal ondervinden. Het ervaren van windhinder is afhankelijk van de activiteit die wordt ondernomen. De kans dat bij een bepaalde windsnelheid hinder wordt ondervonden bij stilzitten is groter dan bij lopen. Zo is een windklasse C bijvoorbeeld slecht voor langdurig zitten, maar goed voor doorlopen. Een matig of slecht windklimaat kan worden opgelost door gevoelige functies te verplaatsen (b.v. een terras naar een gebied met klasse A verplaatsen), of door maatregelen te treffen die het windklimaat beïnvloeden. In het windhinderonderzoek zijn de effecten van de geprojecteerde en bestaande bebouwing op het windklimaat in de omgeving van het plangebied onderzocht. Daaruit volgt dat geen sprake is van windgevaar of een risico op windgevaar. Er kan een aanvaardbaar windklimaat worden behaald binnen het plangebied, maar hiervoor zijn op sommige plekken mitigerende maatregelen nodig. Het gaat dan in het bijzonder om de entreegebieden en het binnenterrein van het project. Op deze plekken is zonder maatregelen een windklasse D voorzien, wat slecht is voor entreefuncties en binnenterrein functies (bedoeld voor langdurig zitten).

Voor de entreegebieden ten zuiden zijn windschermen als mitigerende maatregel onderzocht. Het windklimaat kan door het plaatsen van deze schermen worden verbeterd tot een klasse A (goed voor alle functies) en B (goed voor slenteren). Op andere locaties kan het windklimaat worden verbeterd door het plaatsen van straatmeubilair en begroeiing. Naar het oordeel van de gemeente staat hierdoor voldoende vast dat een aanvaardbaar windklimaat behaald kan worden.

10

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Volgens de gemeente is het niet aannemelijk dat de toekomstige gebruikers de entrees (wegens een slecht windklimaat) zullen vermijden. Met het aanbrengen van mitigerende maatregelen ter plaatse van de entrees aan de zuidzijde en westzijde zal een goed windklimaat heersen. Daarbij komt dat dit de aangewezen entrees zijn voor de ontsluiting naar de woningen. Deze liggen ook dichtbij de geprojecteerde fietsenstalling. Het ligt voor de hand dat gebruikers en bewoners de aangewezen toegangen/onderdoorgangen zullen gebruiken en niet helemaal, zoals Merin vreest, zullen omlopen om het via het noorden te betreden. Windklimaat percelen Merin De gemeente onderschrijft dat in het windhinderonderzoek meer aandacht besteed had moeten worden aan het windklimaat ter plaatse van de percelen van Merin. In het windhinderonderzoek was weliswaar te zien dat het windklimaat op twee locaties op de percelen van Merin verslechtert; het windklimaat wijzigt van een overwegend B en C naar een C en D-klimaat. Maar, er had ook gekeken moeten worden naar de aanvaardbaarheid van die verslechtering in relatie tot de gebruiksfunctie van de desbetreffende gronden. Om deze reden is het windhinderonderzoek aangevuld met een beoordeling ten aanzien van de percelen van Merin.

Uit het aanvullend windhinderonderzoek volgt dat ter plaatse van de percelen van Merin de windklassen C (goed voor doorlopen en matig voor slenteren) en D (matig voor doorlopen) optreden op de parkeerplaats en de groenstrook tussen de gebouwen en het plangebied. Uit het aanvullend onderzoek volgt dat hoewel het windklimaat verslechtert, deze aanvaardbaar is voor de gebruiksfuncties van de gronden (parkeerplaatsen en een groenstrook). Deze gronden kwalificeren namelijk als doorloopgebied (al kan op de groenstrook niet gelopen worden), waar de windklassen C en D aanvaardbaar zijn. Nadere eis De gemeente is van oordeel dat artikel 5.4.2 van het bestemmingsplan voldoende mogelijkheid biedt om te sturen op het treffen van mitigerende maatregelen. Uit het windhinderonderzoek volgt dat op bepaalde plaatsen maatregelen nodig kunnen zijn om met name bij de entrees een aanvaardbaar windklimaat te behalen. In het onderzoek wordt aangetoond dat door deze maatregelen (het aanbrengen van windschermen) een aanvaardbaar klimaat kan worden behaald. De gemeente heeft de mogelijkheid om op basis van het definitieve ontwerp nadere eisen te kunnen stellen aan zowel het gebouw, de positionering en de maatregelen ter voorkoming of vermindering van windhinder. Te denken valt aan luifels en windschermen aan, in of op het gebouw, maar ook maatregelen in de openbare ruimte ten westen van het bouwblok.

Mitigerende maatregelen Merin stelt terecht dat in artikel 4 Verkeer-1 van de planregels de maatregelen ter voorkoming van windhinder niet expliciet zijn geborgd. Dit wordt hersteld door maatregelen ter voorkoming van windhinder uitdrukkelijk in de planregels op te nemen. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding om de planregels van het bestemmingsplan te wijzigen. In de planregels zijn ‘bijbehorende bouwwerken en bijbehorende voorzieningen ter voorkoming of vermindering van windhinder’ opgenomen in de bestemming Verkeer. Daarnaast is het windhinderonderzoek herzien en aangevuld. Ook de plantoelichting is

11

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

overeenkomstig de uitkomsten van het aanvullend windhinderonderzoek aangepast. Dit herziene onderzoek is bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

1.5

De zonstudie en de bezonningstoets zijn onzorgvuldig en onvolledig Merin stelt dat het project niet voldoet aan de eisen voor bezonning en daglichttoetreding. Zo zal het project volgens Merin niet voldoen aan de lichte TNO-norm, noch aan de – minder strenge – Amsterdamse norm. Verder zou niet uit de plantoelichting, noch uit de zonnestudie blijken wat de effecten van het project zijn op de bezonning van de kantoorgebouwen van Merin. Ten aanzien van de beschikbare bezonningstudie valt Merin verder op dat daarin geen rekening is gehouden met de zonnepanelen op de daken van het project. Voor zover uit de stukken al iets over de situatie valt af te leiden, maken de daarin opgenomen illustraties duidelijk dat de nieuw op te richten bebouwing zal leiden tot aanzienlijke schaduwhinder voor de percelen van Merin. Het ontgaat Merin op welke grond geconcludeerd zou kunnen worden dat geen sprake is van een onevenredige bezonningssituatie. Beantwoording Zonstudie/schaduwwerking Voor de volledigheid is de zonstudie aangevuld om de maximale schaduwwerking in de omgeving (in het bijzonder de percelen van Merin) inzichtelijk te maken. In het eerdere bezonningsonderzoek was namelijk uitgegaan van het bouwvolume van het Voorlopig ontwerp (VO).

Dit was weliswaar inclusief de installaties op het dak, maar om inzicht te geven in de maximale schaduwwerking, is ervoor gekozen om het onderzoek aan te vullen. In het geactualiseerde onderzoek zijn de bouwblokken als dichte bebouwing beoordeeld, terwijl ten minste 30% van het bestemmingsvlak onbebouwd moet blijven. Het gaat in die zin om een overdrijving van de worst-case situatie. Uit het aanvullend bezonningsonderzoek volgt dat het project tot meer schaduwwerking leidt bij de percelen van Merin, maar dat deze niet onaanvaardbaar is. Zo krijgt het noordoostelijk gelegen kantoorgebouw in het voorjaar en in het najaar (februari en oktober) tot halverwege de middag te maken met meer schaduwwerking ten opzichte van de bestaande situatie. De gevels van het noordwestelijk gelegen kantoorgebouw hebben nauwelijks verschil in bezonning in de bestaande situatie ten opzichte van de maximale bouwvolumes. In de zomer (juni) staat de zon veel hoger waardoor schaduwwerking veel minder is. Hierdoor zullen aan het einde van de ochtend tot aan halverwege de middag (15-16 uur) de zuidelijke gevels van beide noordelijk gelegen kantoorgebouwen meer schaduwwerking ondervinden dan in de ochtend en namiddag.

Gezien de huidige kantoorfunctie en de verdichtingsopgave ten behoeve van woningbouw in Amsterdam is deze toenemende schaduwwerking aanvaardbaar en daarom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bezonning project Bij nieuwbouwplannen van woningen kijkt de gemeente in welke mate een project voldoet aan de lichte TNO-norm of een variant op de lichte TNO-norm (‘de Amsterdamse norm’). Voor de bezonning gelden namelijk geen wettelijke normen. Waar de lichte TNO-norm uitgaat van tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) is bij de Amsterdamse variant een kortere periode beoordeeld, te

12

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

weten 6 maanden tussen 21 maart en 21 september Dit onderzoek heeft tot doel om inzicht te krijgen in de bezonningssituatie ter plaatse en deze te betrekken in een belangenafweging c.q. besluitvorming. De uitkomst van deze belangenafweging is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het wel of niet voldoen aan de lichte TNO-norm (of de Amsterdamse variant daarop) is dus niet doorslaggevend. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de TNO- of Amsterdamse norm niet van toepassing is op kantoorgebouwen. Gezien de totale opgave in het plangebied en de wensen en ambities is de gemeente van oordeel dat er geen sprake is van een onevenredig negatieve bezonningssituatie. Van belang hierbij is dat het behalen van de doelen voor woningbouw alleen mogelijk is als nieuwe ontwikkelingen in hoge dichtheden wordt gebouwd. Die hoge dichtheden hebben tot gevolg dat een lichte bezonningsnorm niet voor elke woning (circa 30) in het project haalbaar is. Dit is mede het gevolg van de gekozen bouwopzet, te weten een gesloten bouwblok, dat tegelijkertijd ook zorgt voor de benodigde geluidluwe zijde en een geluidluw binnenterrein. De stelling van Merin dat het project niet aan de eisen met betrekking tot daglichttoetreding voldoet, wat overigens wezenlijk anders is dan bezonning, is niet juist. Bij bezonning gaat het om zonlicht in de tuin, openbare ruimte of gevel.

Hiervoor gelden geen harde normen. Daglichttoetreding is geregeld in het Bouwbesluit en is een toetsingsnorm voor een aanvraag om omgevingsvergunning. De nieuwbouw zal aan de eisen uit het Bouwbesluit moeten voldoen. Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de vergunningverlening. Merin hoeft ook niet te vrezen dat de kantoorgebouwen op haar percelen niet (langer) voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Voor de berekening van de daglichttoetreding wordt het effect van bouwwerken op ander percelen namelijk niet meegenomen. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel zijn de bezonningsstudie en de hoogbouweffectrapportage aangevuld. Ook de plantoelichting is overeenkomstig de aangevulde stukken aangepast. De herziene rapportages zijn bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

1.6

Het geohydrologisch onderzoek is onzorgvuldig en onvolledig Merin stelt dat het geohydrologisch onderzoek onjuistheden bevat en vreest dat het bouwen van de parkeergarage tot grondwateroverlast zal leiden. Gelet hierop maakt Merin zich zorgen over de negatieve effecten van de ondergrondse parkeergarage ter plaatse van haar percelen. Zo is in het geohydrologisch onderzoek gebruik gemaakt van informatie afkomstig uit peilbuizen op een veel te grote afstand van het plangebied (namelijk > 500 meter). Daarbij komt dat slechts 3 peilbuizen zijn geraadpleegd. Ook is geen rekening gehouden met diverse maatregelen die zullen worden uitgevoerd aan het watersysteem binnen het Schinkelkwartier. Verder gaat het onderzoek uit van bebouwing op een afstand van minimaal 10 meter, terwijl deze afstand tot aan de geprojecteerde parkeerbak en haar kantoorgebouwen, veel kleiner is.

13

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Merin stelt verder dat het ontwerpbestemmingsplan een maximale diepte voor de bouw van ondergrondse parkeergarage had moeten bevatten. Er moet op dit moment al vaststaan dat de parkeergarage grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Dit kan niet worden doorgeschoven tot een later moment. Merin verwijst hierbij naar de verbodsbepaling en binnenplanse afwijking als genoemd in artikel 11.2.2 van het ontwerpbestemmingsplan. Merin stelt tot slot dat ook gekeken had moeten worden naar de gevolgen van de geprojecteerde parkeergarage voor de ontwikkelmogelijkheden in de omgeving. Beantwoording In het bestemmingsplan is op grond van het paraplubestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’ (vastgesteld 7 oktober 2021) een gebiedsaanduiding ‘overige zone-2’ opgenomen. Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding geldt een verbod voor het bouwen van kelders. In het paraplubestemmingsplan is een onderscheid gemaakt in 'overige zone-1' en ‘overige zone-2’. In ‘overige zone-1’ geldt een absoluut verbod. Het is dan ook niet mogelijk om binnenplans af te wijken van dit verbod. In 'overige zone-2' is een onderscheid gemaakt tussen kelders tot en met 300 m2 en maximaal 4 meter bouwdiepte en kelders die groter zijn dan 300 m2 of dieper dan 4 meter.

Voor de eerste categorie geldt dat het bevoegd gezag op basis van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan afwijken van het bouwverbod voor kelders, als het bouwplan voldoet aan de beleidsregels ‘Grondwaterneutrale kelders Amsterdam'. Voor de tweede categorie (kelders die groter zijn dan 300 m² of dieper dan 4 meter) moet uit een geohydrologisch onderzoek blijken dat het bouwplan grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Dit onderzoek wordt dan aangeleverd bij de aanvraag voor de activiteit bouwen. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is (vooruitlopend op een definitief bouwplan en -aanvraag) onderzocht of een kelder ter plaatse grondwaterneutraal kan worden gerealiseerd. Er is gekeken naar de effecten van zowel een ondiepe kelder tot 4 meter onder het maaiveld (hierna ‘< 4 m - mv’) en een diepe kelder (hierna ‘> 4 m - mv’). Omdat het geohydrologisch onderzoek enkele onduidelijkheden bevat, is dit verduidelijkt. Uit het geactualiseerde onderzoek volgt dat de bouw van een ondiepe parkeerkelder (< 4 m mv) grondwaterneutraal kan worden uitgevoerd. Ten aanzien van de positionering van de parkeergarage in relatie tot de gebouwen van Merin wordt overwogen dat bij een afstand van minimaal 10 meter tot aan de gebouwen van Merin de geringe opstuwing naar verwachting geheel uitgedempt zal zijn.

Echter, wanneer de parkeerkelder op minder dan 10 meter van de noordelijke bebouwing gerealiseerd wordt kunnen de negatieve effecten op het grondwater groter zijn. Om tegemoet te komen aan de zienswijze van Merin wordt in het bestemmingsplan een strook opgenomen waarin het bouwen van een ondergrondse parkeergarage is uitgesloten. Het gaat om een strook van 5 meter vanaf de perceelsgrens. Op deze manier wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de afstand van 10 meter tussen de gebouwen van Merin en de voorgenomen parkeergarage. Daarnaast wordt bij de bouw van de kelder rekening gehouden met maatregelen zoals het aanbrengen van grof zand onder en rondom de parkeerkelder. Om een diepe kelder grondwaterneutraal uit te voeren (> 4 m - mv) zijn mitigerende maatregelen nodig. In het geohydrologisch onderzoek wordt voorgesteld om een drainagelaag van 5 meter aan te brengen om de grondwaterneutraliteit te borgen.

14

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Naar het oordeel van de gemeente is op voorhand voldoende aangetoond dat het aanleggen van zowel diepe als ondiepe kelders, grondwaterneutraal kan worden uitgevoerd. De exacte effecten kunnen echter pas in kaart worden gebracht in een nader geohydrologisch onderzoek dat specifiek wordt uitgevoerd in het kader van het uiteindelijke bouwplan. De verplichting tot het uitvoeren van het onderzoek en de eis dat grondwaterneutraal gebouwd moeten worden, is geborgd in artikel 11.2.2 van de planregels. Daarnaast is in de planregels is geborgd dat mitigerende maatregelen die nodig zijn om een kelder grondwaterneutraal te kunnen bouwen volledig binnen het bouwvlak en dus op eigen perceel moeten worden gerealiseerd. Als het bouwplan niet aan deze vereisten voldoet, wordt de vergunning geweigerd. In het aangepaste geohydrologisch onderzoek is verder verduidelijkt dat gebruik is gemaakt van de meest nabijgelegen peilbuizen (aangeduid met een groene stip) die relevant en bruikbare informatie bevatten. Het is verder juist dat in de toelichting van het bestemmingsplan toekomstige maatregelen worden omschreven die in de nabijheid van het plangebied zijn voorzien. Het dempen van de watergang ten noorden van het perceel van Merin is daar bijvoorbeeld een van.

Echter, deze maatregelen (zoals omschreven in de projectnota Schinkelkwartier) zijn op dit moment nog onvoldoende concreet om in het voorliggend onderzoek te betrekken. Zo is nog onbekend op welke termijn deze uitgevoerd zullen worden en wat de exacte invulling daarvan zal zijn. Het is de gemeente niet duidelijk op welke overige ontwikkelmogelijkheden Merin doelt. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat er geen concrete ontwikkelingen zijn in de directe nabijheid van het plangebied. Conclusie Naar aanleiding van de zienswijze zijn de verbeelding en de planregels aangepast. Op de verbeelding is een zone van 5 meter vanaf de noordelijke erfgrens opgenomen. In de planregels is opgenomen dat ter plaatse van deze zone een (parkeer)kelder is uitgesloten. De zienswijzen hebben ook geleid tot een aanpassingen van het geohydrologisch onderzoek op basis waarvan ook de plantoelichting is aangepast. Het aangevulde geohydrologisch onderzoek zijn bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

1.7

Het ontwerpbestemmingsplan bevat een merkwaardige spagaat ten aanzien van de parkeer- en verkeerssituatie Merin stelt dat het ontwerpbestemmingsplan ten aanzien van de parkeerbehoefte onduidelijk is en vreest dat het project tot grote parkeerdruk in de omgeving zal leiden. Merin vindt het vreemd dat voor de parkeerbehoefte enerzijds wordt uitgegaan van 77,5 parkeerplaatsen, terwijl anderzijds de voorziene parkeerbak ruimte biedt aan meer dan 200 parkeerplaatsen. De planregels bieden in hun huidige redactie volgens Merin niet de vereiste waarborgen om te garanderen dat na realisatie van het project sprake zal zijn van een onaanvaardbare parkeersituatie. Daarnaast wordt niet ingegaan op het feit dat door het project enkele (kennelijk 4) parkeerplekken die nu door huurders van Merin worden gebruikt, komen te vervallen.

15

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Beantwoording Parkeerbehoefte De parkeernormen van gemeente Amsterdam gelden als uitgangspunt voor het berekenen van de verwachte parkeerbehoefte. De gemeentelijke parkeernormen zijn vastgesteld in de ‘Nota Parkeernormen Auto 2017’, deze nota bevat de parkeernormen en regels over de toepassing van parkeernormen (vastgesteld door de gemeenteraad in 8 juni 2017 en gewijzigd 29 november 2017). De parkeernormen zijn onderverdeeld in ‘A-locatie’, ‘B-locatie’ en ‘Clocatie’. Op basis van de Nota Parkeernormen Auto is de Overschiestraat gecategoriseerd als ‘B-locatie’ en kiest de gemeente ervoor om naast een maximum parkeernorm ook een minimum parkeernorm te hanteren. De bouwaanvraag zal getoetst worden aan de parkeernormen van Amsterdam. Dit is geborgd in artikel 9 van de planregels van het bestemmingsplan. De parkeerbehoefte is naar aanleiding van de zienswijze aanvullend berekend. Uitgaande van een woonprogramma van maximaal 430 woningen, moet het plan voorzien in minimaal 52 parkeerplaatsen. Dat is voldoende parkeergelegenheid voor het woningbouwprogramma op basis van de Nota Parkeernormen. De maximale norm zou op grond van de Nota Parkeernormen 430 parkeerplaatsen bedragen. Op grond van de spelregels in het OER geldt tevens een maximum van 0,3 voor de woonfuncties. Dit is inclusief bezoekersparkeren.

Hierdoor mogen er niet meer dan 130 parkeerplaatsen komen ten behoeve van het woonprogramma. Ten behoeve van voorzieningen moet het plan gezien de parkeernorm minimaal voorzien in 96 plekken. De totale parkeerbehoefte van het totale programma (148 plaatsen) kan ruimschoots gerealiseerd worden binnen het plangebied. Het autoparkeren voor bezoekers van woningen wordt door de gemeente gefaciliteerd in de openbare ruimte. Ten oosten van het plangebied bevinden zich op de Overschiestraat binnen een loopafstand van circa 30 tot circa 300 meter ruim voldoende openbare parkeerplaatsen. Er is ruim voldoende capaciteit voor de bezoekers van de woningen om op straat te parkeren. Er zal daarom geen sprake zijn van een onaanvaardbare parkeersituatie. Omdat het bouwplan aan de gemeentelijke parkeernormen getoetst wordt, zal het project altijd in voldoende parkeerplaatsen voorzien. Dit is geborgd in artikel 9 van het bestemmingsplan. Gebruik Merin 4 parkeerplaatsen binnen het plangebied De gemeente was niet bekend met het feit dat Merin kennelijk gebruik maakt van 4 parkeerplekken binnen het plangebied. Ook de initiatiefnemer was hiervan niet op de hoogte. Initiatiefnemer stelt dat er geen overeenkomst is gesloten met Merin hierover. Evenmin is hiervoor toestemming verleend aan Merin om deze gronden te mogen gebruiken.

Daarbij komt dat Merin op eigen terrein over voldoende parkeerplaatsen beschikt. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel is parkeerbalansberekening in de plantoelichting aangepast. Verder is in de toelichting aangevuld op het aspect bezoekersparkeren voor de woningen.

16

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

1.8

Maximale planologische mogelijkheden niet in ogenschouw genomen Merin stelt dat ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische situatie voor wat betreft het verkeers– en akoestisch onderzoek. Verder zou in het verkeersonderzoek ten onrechte niet zijn gekeken naar de effecten van de transformatie van de Henk Sneevlietweg naar een stadsstraat. Beantwoording Naar aanleiding van de zienswijze is het verkeersonderzoek geactualiseerd, maar dit heeft niet tot andere conclusies geleid. Hierbij is uitgegaan van 430 woningen, 500 m2 horeca en 2.550 m2 voorzieningen. Dit heeft niet geleid tot een wijziging van de verwachtte verkeersintensiteiten. Het verkeersonderzoek is uitgevoerd aan de hand van het VMA (Verkeersmodel Amsterdam). Het verkeersmodel bepaalt aan de hand van het aantal arbeidsplaatsen, inwoners, onderwijsplaatsen en andere kenmerken per gebied de verkeersgeneratie. Voor de planontwikkeling is dus uitgegaan van 903 inwoners, 25 arbeidsplaatsen horeca en 32 arbeidsplaatsen bedrijf. De kavel Overschiestraat 182+188 ligt in de VMA zone 467 van het verkeersmodel. Voor het onderzoek is uitgaan van een worst-case scenario in die zin dat toekomstige ontwikkeling van omliggende kavels is meegenomen in dit verkeersonderzoek. Dit leidt tot een toename van 1.200 motorvoertuigen per etmaal.

Deze toename is zowel het gevolg van het voorliggend plan als de ontwikkelingen in hetzelfde deelgebied (467). Er is geen aanleiding geweest om de mogelijke inrichting van de Henk Sneevlietweg als stadsstraat in het verkeersonderzoek op te nemen. De toekomstige inrichting van de Henk Sneevlietweg als stadsstraat is omschreven in de projectnota Schinkelkwartier. Het is nog onbekend op welke termijn deze mogelijke herinrichting zal plaatsvinden en dus onvoldoende concreet. Het uitgangspunt is weliswaar dat deze straat opnieuw zal worden ingericht met publieksfuncties en entrees aan de straat, maar de functie als hoofdroute voor doorgaand autoverkeer wordt daarbij gerespecteerd. In de projectnota is opgenomen dat de Henk Sneevlietweg ook als stadstraat een 50 kilometer weg blijft en ook dat het aantal rijbanen gelijk blijft. In dit verband is aannemelijk dat de toekomstige herinrichting als stadsstraat geen invloed zal hebben op de verkeersintensiteiten. De gemeente is verder van oordeel dat het akoestisch onderzoek wel degelijk uitgaat van de juiste gegevens, die overeenkomen met de maximale planologische situatie. Voor de verkeersgegevens van de gemeentelijke wegen zijn gebruik gemaakt van de milieugegevens uit het verkeersonderzoek (Verkeersonderzoek Overschiestraat 182+188).

En verder is voor het akoestisch onderzoek voor de rijksweg en spoor aangesloten bij de meest recente gegevens uit het geluidsregister. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel is het verkeersonderzoek geactualiseerd. Het geactualiseerde verkeersonderzoek is bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

17

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

1.9

Het stikstofonderzoek is onduidelijk en onvolledig Merin stelt dat het stikstofonderzoek onjuistheden bevat en niet uitgaat van de maximale planologische invulling. Zo is uitgegaan van andere woningaantallen en andere gebruiksfuncties en metrages. Verder is onduidelijk welke uitgangspunten zijn gehanteerd voor het verkeer en zijn onjuiste toetsingscriteria gebruikt. Ten onrechte is de procentuele toename van het verkeer over de wegen niet mee genomen in de beoordeling van wanneer het verkeer “opgaat in het heersend verkeersbeeld”. Merin stelt verder dat het uitgevoerde stikstofonderzoek niet compleet is omdat de aanleg van de openbare ruimte naast het bouwblok niet is meegenomen. Daarnaast is onduidelijk waarom de overige werkzaamheden in het gebied niet zijn meegenomen. Merin stelt tot slot dat de bouwfase een forse toename van het bouwverkeer met zich mee brengt. Dit had nader onderzocht moeten worden. Ook zijn de door de aannemer aangeleverde uitgangspunten niet nader onderbouwd. Beantwoording Naar aanleiding van de zienswijze is het stikstofonderzoek opnieuw uitgevoerd. Daarin is ook de aanleg van de openbare ruimte (met de bestemming ‘Verkeer’) meegenomen. Deze was in het voorgaande onderzoek – zoals Merin in haar zienswijze heeft gesteld - ten onrechte niet meegenomen. In het geactualiseerde stikstofonderzoek is deze omissie hersteld.

Uit de AERIUS-berekeningen volgt dat in de bouw- en gebruiksfase er geen depositie van stikstof plaatsvindt op Natura 2000-gebieden. Tijdens de aanlegfase wordt materieel ingezet voor de uit te voeren werkzaamheden. De in te zetten mobiele werktuigen, het aantal draaiuren en het aantal voertuigbewegingen van bouwverkeer zijn in de berekening als input gebruikt. De aannemer heeft tevens een raming gemaakt van de benodigde inzet van zwaar vrachtverkeer en licht verkeer per jaar. Ook is rekening gehouden met emissies van het laden en lossen van vrachtverkeer aan de hand van de hoeveelheid vrachtverkeerbewegingen. Als routes voor het bouwverkeer (zwaar en licht verkeer) is uitgegaan van een route vanaf het plangebied via de Overschiestraat in oostelijke richting, via de op- en afrit van de Henk Sneevlietweg (S107) tot aan de rotonde bij de oprit A10, alwaar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Wat betreft de gebruiksfase is aan de hand van de huidige verkeersintensiteiten van omliggende wegen bepaald waar het toekomstig verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Er zijn op basis van de gehanteerde uitgangspunten in de aanlegfase geen rekenresultaten in de AERIUS Calculator 2022 hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit geldt voor alle rekenjaren 2023, 2024, 2025, 2026 van de aanlegfase.

Ook de situatie met de gecumuleerde aanlegfase (2026) en gebruiksfase levert eenzelfde resultaat op. De gemeente is van oordeel dat het voorgenomen gebruik en de aanleg voldoende onderzocht. Het is de gemeente niet bekend op welke overige werkzaamheden Merin doelt.

18

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel is het stikstofonderzoek opnieuw aangepast en is de plantoelichting overeenkomstig aangepast. Dit aangepaste onderzoek is bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

2.

Zienswijze Rijkswaterstaat (hierna: RWS)

2.1

Verkeersgegevens akoestisch onderzoek gebaseerd op verouderd geluidregister In het akoestisch onderzoek is gebruik gemaakt van verkeersgegevens uit het geluidregister van december 2021 in plaats van het actuele geluidregister december 2022. Beantwoording Het akoestisch onderzoek is hierop tekstueel aangepast, omdat daarin inderdaad ten onrechte wordt verwezen naar het geluidsregister van 21 december 2021. Dit is echter een fout. Er is namelijk wel gebruik gemaakt van het actuele geluidregister van december 2022. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Wel is het akoestisch onderzoek aangepast om te verduidelijken dat gebruik is gemaakt van de meest actuele gegevens uit het geluidsregister. Het aangepaste akoestisch onderzoek wordt bij de op de toelichting bij het bestemmingsplan betrekking hebbende bijlagen gevoegd.

2.2

Gevelweringsonderzoek gaat ten onrechte niet uit van berekende geluidscumulatie RWS wijst erop dat voor de omgevingsvergunningen een gevelweringsonderzoek nodig is waarbij uit moet worden gegaan van de berekende geluidscumulatie. RWS wijst erop dat voor de woningen waar de gecumuleerde geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, er mogelijk extra geluidwerende maatregelen getroffen moeten worden. In dit verband vraagt RWS om hierover regels op te nemen in het bestemmingsplan. Beantwoording De gemeente is van oordeel dat in het plan geen regels en eisen over de gevelwering nodig zijn, omdat dit al geregeld wordt in het Bouwbesluit. Daaruit volgt dat de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner is dan het verschil tussen de hoogst toelaatbare geluidsbelasting in het hogere waarden besluit en 33 dB. Voor bedgebieden geldt een binnenwaarde van 28 dB. Bij de toetsing van de bouwaanvraag zal de gevelbelasting aan de eisen uit het Bouwbesluit worden getoetst. Om deze reden is er geen reden om de eisen ten aanzien van gevelwering (ook) in het bestemmingsplan op te nemen. Overigens is van belang dat de geluidwering wettelijk wordt bepaald aan de hand van maximale toelaatbare belasting per bron, zoals omschreven in het hogere waarde besluit. De

19

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

gecumuleerde belasting is in het kader van het vaststellen van het hogere waarden besluit wel betrokken om te kunnen beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen.

2.3

Aanvullende maatregelen geluidluwe gevel RWS merkt op dat aanvullende maatregelen gewenst zijn, zodat elke woning een geluidluwe gevel heeft. In het verlengde hiervan zullen hogere geluidswaarden nodig zijn voor de woningen met een hoge geluidbelasting (tussen 48 dB en 53 dB). Beantwoording In de planregels van het bestemmingsplan is een stille zijde bij iedere woning verplicht gesteld. Als er van nature geen stille zijde aanwezig is, zal deze gecreëerd worden door het toepassen van een geluidwerende maatregel zoals een loggia of geluidwerend balkon. Voor de woningen waar de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde zijn hogere waarden nodig. Om deze reden is gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden ter inzage gelegd. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen.

3.

Zienswijze Global Switch

3.1

Rekening houden met geluid Global Switch Naar het oordeel van Global Switch, exploitant van een datacenter aan de Johan Huizingalaan 759, dient rekening te worden gehouden met geluid als gevolg van installaties van Global Switch (onder andere de koelinstallaties). De geluidseffecten van de aan Global Switch vergunde activiteiten strekken zich namelijk uit tot de locatie waarop het ontwerpbestemmingsplan betrekking heeft. Global Switch verwijst naar de verleende omgevingsvergunning milieu van 26 januari 2022 (bijlage 1 bij de zienswijze). Beantwoording Het is juist dat Global Switch geluid veroorzaakt binnen het plangebied. Om deze reden is in het kader van het ontwerpbestemmingsplan onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van Global Switch op de geprojecteerde woningen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het akoestisch onderzoek van DGMR van 24 maart 2023, dat als bijlage 19 bij het bestemmingsplan is opgenomen. In dat akoestisch onderzoek is uitgegaan van de aan Global Switch verleende omgevingsvergunning milieu van 30 augustus 2018 (wijziging van de omgevingsvergunning milieu van 20 oktober 2015) en het akoestisch rekenmodel van Peutz waar Global Switch in haar zienswijze naar verwijst. De resultaten van dit akoestisch onderzoek zijn ook opgenomen in paragraaf 5.4.1 van de plantoelichting.

20

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. 3.2

Geen geluidgrenswaarden in oostelijke richting Global Switch stelt dat de geluidgrenswaarden in de omgevingsvergunning milieu zijn afgestemd op het stapsgewijs uitbreiden van Global Switch tot de beoogde eindsituatie, die in overeenstemming is met het voor Global Switch vigerende bestemmingsplan. Deze geluidgrenswaarden zijn ontleend aan een rapport van Peutz van 14 oktober 2014, met kenmerk FJ 15231-5-RA-003 (bijlage 2 bij de zienswijze). In omgevingsvergunning milieu zijn ten oosten van de inrichting geen geluidgrenswaarden van toepassing, dus wordt in die richting de geluidemissie (en –immissie bij geluidgevoelige bestemmingen) niet gelimiteerd. In die zin kan niet worden uitgesloten dat de beoogde woningbouw in het plangebied beperkend is voor Global Switch. Beantwoording In de omgevingsvergunning milieu wordt uitgegaan van een stapsgewijze uitbreiding van Global Switch; kort gezegd de uitbreidingen conform scenario´s A t/m D. Voor een overzicht van de verschillende scenario’s wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van de omgevingsvergunning milieu (bijlage 1 bij de zienswijze). In de omgevingsvergunning milieu zijn voor verschillende scenario’s geluidgrenswaarden voor vergunningpunten in de omgeving van de inrichting opgenomen. Om aan deze geluidgrenswaarden te kunnen voldoen moet Global Switch geluidmaatregelen treffen.

Deze maatregelen zijn per scenario beschreven in het rapport van Peutz van 14 oktober 2014. In de wijzigingsvergunning van 30 augustus 2018 zijn aanvullende scenario’s A-C en B-D opgenomen, met daarbij behorende geluidgrenswaarden voor de vergunningpunten. De aan scenario A-C en scenario B-D verbonden geluidvoorschriften voorzien in een omissie in de omgevingsvergunning van 20 oktober 2015 en zorgen ervoor dat ook in deze tussenfase geluidhinder wordt voorkomen dan wel voldoende wordt beperkt. In de omgevingsvergunning milieu zijn, zoals Global Switch terecht opmerkt, ten oosten van Global Switch (in de richting van het plangebied) geen vergunningpunten vastgelegd. Juist om deze reden zijn in het akoestisch onderzoek bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188, op basis van het aangeleverde akoestisch rekenmodel van Peutz alle mogelijke scenario’s uit de omgevingsvergunning milieu onderzocht en doorgerekend. De resultaten van dit akoestisch onderzoek worden beschreven onder 3.3. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen.

3.3

Nader onderzoek geluidruimte nodig Global Switch is van mening dat in het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende aandacht is voor de mogelijke beperkingen voor Global Switch als gevolg van de beoogde woningbouw in

21

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

het plangebied. Volgens Global Switch wordt in het ontwerpbestemmingsplan geen rekening gehouden met de mogelijke beperkingen voor Global Switch. De gemeente dient nader te onderbouwen en onderzoeken hoe de geluidruimte van Global Switch zal worden gerespecteerd en gewaarborgd. Beantwoording Naar aanleiding van de zienswijze is het akoestisch onderzoek Overschiestraat 182 en 188 geactualiseerd. Voor de volledigheid is daarbij uitgegaan van de (milieuneutrale) wijziging van de omgevingsvergunning milieu (Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Holland) van 26 januari 2022. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van scenario C, omdat dit scenario als de worst case situatie voor de beoogde woningen in het plangebied kan worden beschouwd. Uit de omgevingsvergunning milieu volgt namelijk dat ‘scenario C in werking treedt op het moment dat Global Switch is gestart met (een deel van) zijn uitbreiding volgens het 'Masterplan Global Switch Amsterdam', en nieuwbouw van gevoelige objecten aan de zuidzijde van Global Switch nog niet zijn gebouwd en opgeleverd’. In het rapport van Peutz van 14 oktober 2014 zijn de maatregelen in scenario C beschreven die in principe noodzakelijk zijn om de uitbreiding volgens het Masterplan binnen de geluidruimte te kunnen realiseren. De koel- en luchtbehandelingsinstallaties op de daken blijken bepalend voor de geluidemissie in oostelijke richting.

Ter beperking van deze emissie zijn een geluidscherm van 4 meter hoog op het dak van hal 2 ter hoogte van de plant room en een geluidscherm van 3 meter hoog op het dak van hal 2 ter hoogte van de koelinstallaties van hal 2 nodig. Daarnaast zijn maatregelen noodzakelijk om de geluidemissie van de generatoren (10 dB(A)) en transformatoren (13 dB(A)) te beperken en wordt uitgegaan van een geluidreductie van de koelers door een efficiëntere regeling (5 dB(A)). Uit de hernieuwde akoestische berekening blijkt dat in scenario C de geluidbelasting op de gevels van de woningen, 51 dB(A) in plaats van 54 dB (A) bedraagt. Dit verschil in uitkomsten heeft te maken met een instelling in het akoestisch rekenmodel van Peutz waarmee de te treffen geluidmaatregelen aan- en uitgezet kunnen worden. Zonder deze maatregelen is de maximaal berekende geluidbelasting op de gevels van de woningen in het plangebied 54 dB(A) etmaalwaarde. Met deze maatregelen, wordt de geluidbelasting gereduceerd tot 51 dB(A). Deze instelling was bij het akoestisch onderzoek Overschiestraat 182 en 188 van maart 2023 niet toegepast. De gemeente is van mening dat zij redelijkerwijs mag uitgaan van de situatie dat de maatregelen zijn uitgevoerd. Immers, dit zijn voorschriften zoals opgenomen in de omgevingsvergunning milieu waar Global Switch aan moet voldoen.

Het is aannemelijk dat 51 dB(A) de maximale geluidbelasting is, die toekomstige bewoners in het plangebied als gevolg van Global Switch zullen ervaren. De gemeente ziet echter aanleiding om van de worst case situatie (dus 54 dB(A)) uit te gaan. Het is namelijk niet uit te sluiten dat Global Switch tijdens de stapsgewijze uitbreiding (scenario A-C) voor een bepaalde periode een belasting van 54 dB(A) op de gevels van de geprojecteerde woningen zal veroorzaken. De relevante maximale geluidsniveaus (piekgeluiden) zijn het gevolg van verkeersbewegingen op het terrein. Deze vinden voornamelijk plaats aan de westzijde van het bedrijf. De

22

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188

berekende maximale geluidbelasting ter plaatse van de woningen bedraagt 54 dB(A) etmaalwaarde. Om te beoordelen in hoeverre sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is in het akoestisch onderzoek aangesloten bij het stappenplan zoals opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Een geluidbelasting van 51 dB(A) etmaalwaarde is maar een beperkte overschrijding van de richtwaarde (50 dB(A)) volgens stap 2 uit de VNG-publicatie. Aangezien sprake is van een gemengd gebied en met oog op de overige geluidsbronnen in de omgeving is 51 dB(A) een aanvaardbaar geluidniveau. Overigens is dat ook het geval voor een belasting van 54 dB(A). In beide gevallen wordt voldaan aan de richtwaarde (55 dB(A)) volgens stap 3 uit de VNG-publicatie. Het berekende maximale geluidniveau voldoet ruimschoots aan de richtwaarde van 70 dB(A) volgens stap 2 uit de VNG-publicatie. Bij een geluidbelasting van zowel 51 dB(A) als 54 dB(A) etmaalwaarde is met een standaard gevelwering van 20 dB bij de woningen in het plangebied een aanvaardbaar binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde te behalen. In verband met de geluidbelasting als gevolg van andere geluidbronnen wordt overigens in een hogere geluidwering voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13612812/1