CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 25 Ruimtelijke Ordening (23) 8. Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 14

RAAD 9 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 VN2023-01995340.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Gemeente Amsterdam

blz. 88

tevens een trend zichtbaar dat niet-woonfuncties op de straathoeken worden omgezet naar woningen. De vierkante meterprijzen voor woningen zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. Hierdoor treedt verdringing op. Een woning levert op deze locaties meer geld op dat een niet-woonfunctie. Om de bestaande fijnmazige functiemening in de woonbuurten te behouden, maakt het bestemmingsplan het niet mogelijk om niet-woonfuncties in de woonstraten om te zetten naar een woning. Omdat het detailhandelsbeleid er op gericht is om winkels te clusteren in de winkelstraten, worden in de voormalige buurtwinkels in de woonstraten maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijven in de begane grond bij rechte toegestaan. Bestaande winkels en consumentgerichte dienstverleners worden positief bestemd. Daarmee is een uitbreiding van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening in de woonstraten niet mogelijk. De clusterpunten buiten de winkelstraten met een aantal grote winkelketens (Sloterkade 110 - 140 en Rietwijkerstraat 22-24) zijn weliswaar gelegen langs woonstraten, maar hebben vanwege hun omvang en functioneren dezelfde bestemming en vestigingsmogelijkheden gekregen als de niet-woonfuncties in de begane grond in de doorgaande straten.

Specifieke regelingen Naast bovenstaande straatgerichte benadering, die gericht is op het behouden en versterken van de voorzieningenstructuur in het plangebied als geheel, bevat het bestemmingsplan regelingen die gericht zijn op een aantal specifieke soorten gebruik. Supermarkten Door de grote aantallen mensen die op supermarkten afkomen, de frequente laad- en losactiviteiten en de bijbehorende verkeersbewegingen onderscheiden supermarkten zich van andere winkels. De effecten die supermarkten op het woon- en leefklimaat hebben, zorgen ervoor dat er terughoudend omgegaan dient te worden met het aantal supermarkten en de grootte daarvan in een dicht bebouwde woonomgeving zoals het plangebied. In het gemeentelijke detailhandelsbeleid is voor het onderhavig plangebied (dat in het beleid onderdeel is van de 'Centrumzone') aangegeven dat de boodschappenfunctie geborgd dient te worden in clusterpunten en stadsstraten. Op grond van het detailhandelsbeleid is uitbreiding van bestaande supermarkten als belangrijke trekkers in kansrijke winkelgebieden op zich mogelijk. Echter, indien een supermarkt in een bestaand winkelgebied wil uitbreiden, moet eerst aan de hand van een concreet plan worden beoordeeld of een uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is. Het is daarom niet wenselijk om voor supermarkten extra vierkante meters in het bestemmingsplan mogelijk te maken.

Om die reden maakt het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe supermarkten en de uitbreiding van bestaande supermarkten die groter zijn dan 300 m2 niet mogelijk. De bestaande supermarkten die groter zijn dan 300 m2 zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. Sportscholen Sportscholen vormen een bijzondere vorm van dienstverlening. Sportscholen zijn commerciële bedrijven met een winstoogmerk en worden daarom niet aangemerkt als een maatschappelijke voorziening. Sportscholen onderscheiden zich tevens van andere vormen van consumentgerichte dienstverlening. Ze zijn alleen tegen betaling (abonnement) toegankelijk en zijn voor hun functioneren niet afhankelijk van bezoekersstromen. Ze hoeven zich daarom niet noodzakelijkerwijs te vestigen in winkelstraten. Twee van de vier sportscholen in het plangebied zijn gevestigd in woonstraten. Sportscholen worden daarom aangemerkt als een bijzonder vorm van consumentgerichte dienstverlening.

bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 89

Een sportschool kan overlast veroorzaken voor de omgeving in de vorm van veel geparkeerde fietsen op straat en geluidsoverlast (muziek) voor omwonenden. Vanwege de mogelijk negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat maakt het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe sportscholen en de uitbreiding van bestaande sportscholen niet mogelijk. Bestaande sportscholen zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. Maatschappelijke dienstverlening Maatschappelijke dienstverlening omvat activiteiten zoals gezondheidszorg, onderwijs, religie, kunst & cultuur en welzijnsvoorzieningen en dergelijke, die een publiek belang dienen en daarom toegankelijk moeten zijn voor alle burgers. Om die toegankelijkheid te waarborgen is het van belang dat er in alle wijken in de stad voldoende maatschappelijke voorzieningen aanwezig zijn. Maatschappelijke voorzieningen zijn voor hun functioneren niet afhankelijk van bezoekersstromen. Ze hoeven zich daarom niet noodzakelijkerwijs te vestigen in de winkelstraten. Binnen het plangebied bevinden de meeste maatschappelijke voorzieningen (circa 50 van de 55) zich in de woonstraten. Aangezien het detailhandelsbeleid er op gericht is om publieksgerichte functies te clusteren in de winkelstraten, worden maatschappelijke voorzieningen niet bij rechte toegestaan in de winkelstraten.

Maatschappelijke voorzieningen die reeds zijn gevestigd in de begane grond van een winkelstraat, hebben een bestemming die uitwisseling mogelijk maakt met detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. Het bestemmingsplan maakt in winkelstraten daarom de vestiging van nieuwe en de uitbreiding van bestaande maatschappelijke voorzieningen niet mogelijk. Bestaande maatschappelijke voorzieningen zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. In heel Oud-Zuid is behoefte aan meer ontmoetingsplekken en zorgvoorzieningen, waaronder huisartsenprakijken. In de Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt zijn veel zorg- en welzijnsvoorzieningen gevestigd op de straathoeken. Het is gewenst om deze noodzakelijke voorzieningen voor de bewoners van de buurt en wijk (onder andere ten behoeve van de gezondheidszorg) te behouden. Omdat maatschappelijke dienstverleners geen winstoogmerk hebben, kunnen zij minder hoge markthuren betalen dan sommige commerciële bedrijven. De gemeente wil voorkomen dat maatschappelijke voorzieningen daardoor uit populaire wijken worden verdrongen door bedrijven met een winstoogmerk omdat ze minder hoge markthuren kunnen betalen. Om die reden hebben maatschappelijke voorzieningen in de begane grond van doorgaande straten en woonstraten daarom een aparte bestemming gekregen.

Binnen de overige gemengde bestemmingen voor de doorgaande straten en woonstraten is de vestiging van maatschappelijk voorzieningen bovendien overal bij rechte toegestaan op de plekken waar zich nu een andere niet-woonfunctie bevindt, met uitzondering van panden waar kleinschalige bedrijvigheid is gevestigd (dit wordt herina verder toegelicht). Horeca Vanwege de mogelijke overlast van horeca op het woon- en leefklimaat, is een (verdere) uitbreiding van het aantal horecapanden in het plangebied in beginsel niet gewenst. Het bestemmingsplan biedt daarom geen ruimte om het aantal horecavestigingen of het vloeroppervlak uit te breiden. In het bestemmingsplan zijn de bestaande, legale horecavestigingen positief bestemd door deze op te nemen met de bijbehorende horeca-categorie (zie ook paragraaf 5.6.1 'Horecabeleid'). De vier gehanteerde horeca-categorieën zijn onderscheiden naar de mate waarin overlast ontstaat voor het woon- en leefklimaat. In het algemeen mogen zwaardere horeca-categorieën worden omgezet naar lichtere. Lichtere horeca-categorieën mogen daarentegen niet worden omgezet naar zwaardere. Hierdoor blijft het Gemeente Amsterdam

blz. 90

mogelijk om het bestaande horeca-aanbod te vernieuwen en kan de horecasector blijven inspelen op veranderende behoeftes van het horecapubliek. Er kunnen echter geen horeca-inrichtingen ontstaan die onevenredig veel overlast veroorzaken op het woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt ook geen uitbreiding van hotels (in aantal of oppervlak) mogelijk. Dit is in overeenstemming met het gemeentelijke Overnachtingsbeleid (hotelbeleid). De bestaande, legale hotels als zodanig bestemd. Kantoren in de begane grond Niet-publieksgerichte dienstverlening, zoals een advocaten- en notariskantoor, functioneert op vergelijkbare wijze, en heeft dezelfde ruimtelijke uitstraling als een 'regulier' kantoor. Daarom is dit soort dienstverlening in het bestemmingsplan aangemerkt als kantoorfunctie. Een kantoor is een niet-publieksgerichte functie, omdat consumenten niet of slechts in onderschikte mate (bijvoorbeeld telefonisch) rechtstreeks te woord worden gestaan of geholpen. Aangezien het detailhandelsbeleid er op gericht is om publieksgerichte functies te clusteren in de winkelstraten, worden kantoren niet bij rechte toegestaan in de winkelstraten. Kantoren die reeds zijn gevestigd in de begane grond van een winkelstraat hebben een bestemming die uitwisseling mogelijk maakt met detailhandel en consumentgerichte dienstverlening.

Het bestemmingsplan maakt in winkelstraten daarom de vestiging van nieuwe en de uitbreiding van bestaande kantoren niet mogelijk. Bestaande kantoren zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. In de doorgaande straten en woonstraten is vestiging van kantoren in de begane grond wel overal bij rechte mogelijk. Kleinschalige bedrijven Kleinschalige bedrijven, zoals fietsenmakers, meubelmakers, kleermakers en garagebedrijven, dragen bij aan een goed en compleet voorzieningenaanbod. Het zijn doorgaans laagdrempelige voorzieningen waar veel bewoners gebruik van maken en die passen bij het gemengde karakter dat bijvoorbeeld het noordelijk deel van de Schinkelbuurt van oudsher heeft. Kleinschalige bedrijven kunnen vaak minder hoge markthuren betalen dan andere niet-woonfuncties, zoals kantoren, consumentgerichte dienstverleners en winkels. De gemeente wil voorkomen dat kleinschalige bedrijvigheid uit populaire wijken wordt verdrongen omdat ze minder hoge markthuren kunnen betalen. Het gevolg van het beschermen van kleinschalige bedrijven voorzieningen is dat het risico op leegstand bij beëindiging van de vestiging groter wordt. De verhuurder heeft immers minder potentiele huurders aan wie hij het pand kan verhuren. Ditzelfde speelt bij het beschermen van de maatschappelijke voorzieningen in de begane grond.

Leegstand kan de leefbaarheid aantasten en zorgt voor een minder goede uitstraling van een straat. In de winkelstraten wordt aan dit bezwaar een zwaarder gewicht toegekend dat in de doorgaande straten en woonstraten. De winkelstraten hebben namelijk een meer representatieve functie dan de doorgaande straten en woonstraten. Daarom is ervoor gekozen om kleinschalige bedrijven die in de doorgaande straten en de woonstraten in de begane grond zijn gevestigd te beschermen. Dat is gedaan door de kleinschalige bedrijven in de woonstraten en doorgaande straten een eigen specifieke bestemming te geven. Uitwisseling met andere niet-woonfuncties en wonen is niet mogelijk. Dit is vergelijkbaar met de regeling voor maatschappelijke voorzieningen in de begane grond. In de winkelstraten is de kleinschalige bedrijvigheid in de begane grond niet beschermd. Het detailhandelsbeleid er immers op gericht is om de publieksgerichte functies detailhandel en

bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 91

consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten. Het beschermen van ambachtelijke bedrijven in de winkelstraten past hier niet bij. Voor alle kleinschalige en ambachtelijke bedrijven in het plangebied geldt dat zij geen onaanvaardbare overlast mogen veroorzaken voor het woon- en leefmilieu. Een goede ruimtelijke ordening dient immers te voorzien in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Uitgesloten gebruik Binnen de verschillende gemengde bestemmingen is een aantal vormen van dienstverlening en detailhandel uitgesloten als gebruiksmogelijkheid. Het betreft de volgende gebruikstypen: belwinkels, automatenhallen, massagesalons, seksinrichtingen, geldwisselkantoren en smartshops. Dit zijn functies met een ruimtelijk ongewenste uitstraling die kunnen zorgen voor een negatieve impact op het woon- en leefklimaat van een buurt. Hieraan zijn 'toeristische voorzieningen' toegevoegd. In 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan winkeldiversiteit Centrum vastgesteld. Hierin is bepaald dat in het centrum geen nieuwe winkels en diensten zijn toegelaten die zich uitsluitend op toeristen richten. In de gebiedsagenda van Oud-Zuid is geconstateerd dat ook in dit gebied buiten het Centrum steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen.

In sommige straten in het stadsdeel dreigt hierdoor een monocultuur te ontstaan. Om dit te voorkomen, zijn deze voorzieningen uit voorzorg uitgesloten. Hiermee wordt ook voorkomen dat een 'waterbedeffect' ontstaat doordat toeristische voorzieningen in het Centrum, en inmiddels ook in andere delen van de stad, worden geweerd. Vestiging in de begane grond van ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening die uitsluitend gericht is op toeristen, zoals souvenirwinkels, fietsverhuur of ticketshops, is daarom uitgesloten. Dit laatste past tevens bij de ambities in het gemeentelijke programma 'Stad in Balans'. Stad in Balans is gericht op het herstellen en bewaren van de balans tussen rust en drukte, tussen wonen, werken en recreëren en het bewaren van evenwicht tussen het profijt en de hinder van drukte. De daartoe geformuleerde doelstellingen zijn (onder andere) het bieden van meer kwaliteit en diversiteit in het winkel- en voorzieningenaanbod, het verminderen van overlast en het stellen van grenzen. Panden geheel in gebruik bij één gebruik In het plangebied bevinden zich tevens enkele panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening of geheel in gebruik zijn als kantoor- en/of bedrijfsverzamelgebouw. Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening, zoals scholen, hebben in het bestemmingsplan 2008 de bestemming Maatschappelijk.

Hierdoor wordt voorkomen dat deze maatschappelijke voorzieningen worden omgezet naar meer kapitaalkrachtige functies zoals woningen. Deze panden hebben in dit bestemmingsplan 2021 wederom de bestemming Maatschappelijk gekregen. Voor de maatschappelijke voorzieningen in deze panden geldt geen maximum vloeroppervlak. In stadsdeel Zuid is de beschikbare ruimte voor kantoren de afgelopen jaren afgenomen. Veel kantoren zijn bijvoorbeeld omgebouwd tot hotels en appartementen. Het uitgangspunt van het gemeentelijke kantorenbeleid is om binnen de ring A10 functiemenging te stimuleren en ruimte te (blijven) bieden aan kantoren en bedrijven in de creatieve kennisindustrie. De panden in het plangebied die geheel in gebruik zijn als kantoor en/of bedrijfsverzamelgebouw, hebben daarom een eigen bestemming gekregen. Binnen deze bestemming zijn kantoren en kantoorconcepten met een mix van startende (creatieve) ondernemers in alle bouwlagen toegestaan. In deze panden zijn daarnaast ook maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Daarmee hebben deze panden een gecombineerde kantoor-, bedrijfs- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak in panden die geheel in gebruik zijn bij deze functies

Gemeente Amsterdam

blz. 92

is niet gelimiteerd. Toets aan artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn Om te bepalen of de beperkingen in het bestemmingsplan in het kader van de Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd zijn, zijn de diverse regelingen getoetst aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Het betreft de volgende drie voorwaarden. 1. Discriminatieverbod Met brancheringsregelingen, oppervlaktecriteria en andere ruimtelijke voorschriften in bestemmingsplannen mag geen direct of indirect onderscheid worden gemaakt naar nationaliteit of, in het geval van vennootschappen, naar de plaats waar hun statutaire zetel is gevestigd. In het bestemmingsplan 2021 wordt geen onderscheid gemaakt tussen winkels en diensten gericht op Amsterdammers (Nederlanders) en winkels en diensten gericht op andere nationaliteiten. Tevens is het zowel Nederlandse als buitenlandse ondernemingen en ondernemers niet verboden om producten te verkopen of diensten aan te bieden aan dagjesmensen en/of toeristen. De verkoop mag echter niet uitsluitend daarop gericht zijn. Daarmee is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel van de onderneming geen sprake. Integendeel, de brancheringsregeling is juist gericht op inclusiviteit en het creëren van een divers (winkel)aanbod dat aantrekkelijk is voor iedereen die in Amsterdam woont, werkt, verblijft of op bezoek is.

Dat betekent dat bij de diverse regelingen in het bestemmingsplan op geen enkele wijze sprake is van discriminatie. 2. Noodzakelijkheid In het kader van de Dienstenrichtlijn behoren alle centrale winkelgebieden (van dorpscentra tot de binnensteden) en alle ondersteunende winkelgebieden (de buurt-, wijk- en stadsdeelcentra) tot het 'centrumgebied'. Het wijkwinkelgebied Hoofddorpplein, Hoofddorpweg, Zeilstraat en Amstelveenseweg kan daarom worden aangemerkt als centrumgebied. De voorwaarde dat beperkingen in het bestemmingsplan noodzakelijk moeten zijn, houdt in dat voor die beperkingen een 'dwingende reden van algemeen belang' bestaat, zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 8 Dienstenrichtlijn. Hierbij gaat het om meerdere, als zodanig aangemerkte dwingende redenen van algemeen belang. Tot die redenen behoort in elk geval ook 'de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu'.

In de rechtspraak heeft het Hof van Justitie van de EU inmiddels varianten en verfijningen van dit (meer algemene) belang erkend, te weten: Belangen vanuit detailhandelsbeleid: het behouden en bevorderen van aantrekkelijkheid, leefbaarheid, mix aan winkels, vitaliteit en waardering van het centrum en van een voldoende voorzieningenniveau en aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik, bereikbaarheid en concentratie van functies; Het voorkomen of tegengaan van leegstand, monocultuur van winkels en voorzieningen, eenzijdig aanbod van stedelijke functies en openbare ordeproblemen of het risico hierop. De diverse regelingen en beperkingen in het bestemmingsplan staan in het teken van deze belangen. De diverse hierboven beschreven regelingen en beperkingen hebben (zoals beschreven) tot doel de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het gehele plangebied (zowel in het wijkwinkelgebied als in de doorgaande straten, de buurtvoorzieningenclusters en de woonstraten) te behouden en te versterken en het woon- en leefklimaat te beschermen met het oog op de leefbaarheid. De regelingen volgen tevens uit meerdere gemeentelijke beleidskaders zoals het detailhandelsbeleid. Dat betekent dat

bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 93

de regelingen te scharen zijn onder het algemeen belang om het stedelijk milieu te beschermen. Daarmee zijn zij gerechtvaardigd als dwingende reden van algemeen belang. 3. Evenredigheid De derde voorwaarde is dat de regelingen in het bestemmingsplan 'evenredig' moeten zijn. Bij de beoordeling of aan de evenredigheid is voldaan, spelen twee hoofdvragen: a. Is de (territoriale of kwantitatieve) beperking geschikt om het daarmee beoogde doel te bereiken? b. Is de in de ruimtelijke voorschriften opgenomen brancheringsregeling of oppervlaktemaatregel proportioneel: gaat zij niet verder dan nodig en zijn er geen minder beperkende maatregelen? Deze twee vragen komen hier achtereenvolgens aan bod. Ad a. Geschikt om het nagestreefde doel te bereiken De vraag of een beperking geschikt is om het daarmee beoogde doel te bereken, valt uiteen in twee deelvragen: wordt de regeling coherent en systematisch toegepast (consistentievereiste) en bereikt de regeling effectief het beoogde doel. Belangrijke doelen voor het bestemmingsplan 2021 zijn het behouden en versterken van de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het plangebied en (met het oog op de leefbaarheid) het beschermen van het woon- en leefklimaat. Dit is bij uitstek een ruimtelijk ordeningsvraagstuk en het bestemmingsplan is hèt centrale instrument om ruimtelijke doelstellingen op gemeentelijk niveau te bereiken.

Om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur te behouden en versterken, bevatten vrijwel alle bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid (overigens net als in andere stadsdelen binnen de Ring A10) een maximum vestigingsgrootte voor niet woonfuncties op de begane grond. De lijn om hiervoor een maximum vloeroppervlak aan te houden van 300 m2 was al ingezet in het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt uit 2008. Om in de plinten een gedifferentieerd straatbeeld te behouden, is in bestemmingsplan De Pijp 2018 aan deze regeling toegevoegd dat maximaal twee panden tot één vestiging mogen worden samengevoegd. Gezien de doelstelling(en) voor dit bestemmingsplan, is dit laatste ook opgenomen in dit bestemmingsplan 2021. Het bewaren van het evenwicht tussen verschillende functies is voor de gemeente Amsterdam een voortdurende zorg en de gemeente heeft de afgelopen decennia veel ervaring opgedaan met succesvol '(tegen)sturen' op het moment dat de functiebalans onder druk kwam te staan. Om de functiemenging zo min mogelijk in de weg te leggen, is het in Amsterdam sinds jaar en dag gebruikelijk om panden met een niet-woonfunctie een Gemengde bestemming te geven. Binnen deze bestemming zijn diverse functies bij rechte toegestaan. Een aantal functies is echter nader geregeld.

Het betreft functies die een negatieve impact op het woon- en leefklimaat kunnen hebben, zoals horeca en seksgerelateerde functies. Deze zijn alleen toegestaan in panden met een specifieke bestemming of aanduiding op de digitale verbeelding. Deze lijn wordt in Amsterdam al tenminste 20 jaar gehanteerd. Een recenter voorbeeld is de stop op nieuwe hotels in het grootste deel van het gebied binnen de Ring A10, die is opgenomen in het stadsbreed geldende Overnachtingsbeleid uit 2017 (het hotelbeleid). Op grond van dat beleid is, zowel in het dit bestemmingsplan 2021 als in andere bestemmingsplannen in Amsterdam, een uitbreiding van hotels (zowel in aantal als in omvang en omvang) uitgesloten. Een ander recent voorbeeld is het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum' uit 2018. Het doel van dat bestemmingsplan is het tegengaan van een (verdere) afname van de winkeldiversiteit in een groot deel van de binnenstad, met het oog op de leefbaarheid, het herstellen van de functiebalans en het

Gemeente Amsterdam

blz. 94

realiseren van een kwalitatief hoogwaardig en divers stadshartgebied. Voorafgaand aan dat bestemmingsplan is onderzocht in hoeverre het 'Project 1012' en het bestemmingsplan 'Postcodegebied 1012' uit 2015 hebben bijgedragen aan het tegengaan van een (verdere) monocultuur in het stadshart, als gevolg van de sterke toename van op toeristen gerichte functies. Het onderzoek bevestigt dat planologische maatregelen succesvol kunnen zijn in het tegengaan ongewenste, op toeristen gerichte functies. Dat is tevens een bevestiging dat het instrument bestemmingsplan geschikt is om een (verdere) afname van de winkeldiversiteit tegen te gaan en functiediversiteit te bevorderen. Het op dat moment geldende bestemmingsplan 'Postcodegebied 1012' uit 2015 bevatte echter geen verbod op de vestiging van dergelijke functies. Om die reden is in 2018 het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum' vastgesteld, met daarin een verbod op een (verdere) toename van toeristische voorzieningen. Zoals aangegeven in paragraaf 3.3 'Uitgangspunten voorzieningenstructuur' wil het stadsbestuur de regeling ten aanzien van toeristische voorzieningen uitbreiden naar de hele stad om stadsbreed een (ontwikkeling richting) monocultuur in het winkelaanbod tegen te gaan. Daarmee kan worden voorkomen dat er een 'waterbed-effect' ontstaat doordat deze functies in stadsdeel Centrum zijn uitgesloten.

In de gebiedsagenda van Oud-Zuid is bovendien geconstateerd dat in Oud-Zuid steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen, waardoor in sommige straten een monocultuur dreigt te ontstaan. In het recente bestemmingsplan De Pijp 2018 is daarom reeds een regeling opgenomen om toeristische voorzieningen tegen te gaan, vergelijkbaar met het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum'. Om te voorkomen dat een dergelijke ontwikkeling zich als gevolg van het 'waterbed-effect' ook in het onderhavige gebied gaat voordoen, zijn winkels en dienstverleners die zich uitsluitend richten op toeristen ook in dit bestemmingsplan uitgesloten. Daar kan aan worden toegevoegd dat de gemeente verschillende maatregelen treft met het oog op het beter verspreiden van dagjesmensen en toeristen over de stad en daarbuiten. Deze beoogde spreiding heeft mogelijk tot gevolg dat het onderhavige plangebied meer gaat worden bezocht door dagjesmensen en toeristen, waardoor het risico op de vestiging van toeristische voorzieningen, en daarmee het risico op een afname van de winkeldiversiteit in het plangebied toeneemt. Hiermee wordt in dit bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening nagestreefd die samenhangend (coherent) en systematisch is, ook ten opzichte van andere bestemmingsplannen binnen stadsdeel Zuid en Amsterdam als geheel.

Het in het bestemmingsplan uitsluiten van ongewenste functies is tevens een effectief instrument om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het plangebied te behouden en te versterken en het woon- en leefklimaat te beschermen. Daarmee is het bestemmingsplan 2021 geschikt als instrument om de beoogde doelen na te streven. Ad b. Proportioneel De vraag of een in de ruimtelijke voorschriften opgenomen beperking proportioneel is, valt eveneens uiteen in twee deelvragen: gaat de regeling niet verder dan nodig is en het moet aannemelijk zijn dat er geen minder beperkende maatregelen voorhanden zijn om het doel te bereiken. Om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur te behouden en versterken, staat het bestemmingsplan 2021 niet toe dat de vestigingsgrootte van niet-woonfuncties in de begane groter is dan 300 m2 en dat maximaal twee panden mogen worden samengevoegd tot één vestiging. Ten behoeve van het op te stellen bestemmingsplan is onderzocht of er in het plangebied vestigingen zijn die groter zijn dan deze maten. Dat is het geval en betreft zowel kleinschaliger detailhandel en dienstverlening als een aantal grotere supermarkten in het plangebied. De rechten van deze pandeigenaren, exploitanten en ondernemers zijn in het bestemmingsplan gerespecteerd: De bestaande, legale grotere vestigingen zijn in de regels van het bestemmingsplan positief bestemd.

Daarmee mogen deze bestaande grotere vestigingen worden voortgezet, maar niet verder worden vergroot.

bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 95

De supermarkten groter dan 300 m2 zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid met een specifieke functieaanduiding 'supermarkt'. Aangezien deze functieaanduiding ligt over de gehele bestaande vestiging, geldt ook voor de bestaande grote supermarkten dat zij mogen worden voortgezet. Een verdere vergroting is echter niet toegestaan. Het bestemmingsplan bevat een vergelijkbare regeling voor ongewenste functies (automatenhallen, belwinkels, seksinrichtingen et cetera) en toeristische voorzieningen. Het gebruik ten behoeve van deze functies is in de algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan expliciet uitgesloten. De bestaande, legale vestigingen zijn als zodanig op de verbeelding opgenomen met een specifieke functieaanduiding. Op basis daarvan mogen deze bestaande vestigingen worden voortgezet. Door bestaande rechten te respecteren en uitsluitend nieuwe grote vestigingen en uitbreiding van de verboden gebruiksvormen tegen te gaan, is sprake van een bestemmingsplan dat het doel niet voorbijschiet en niet verder gaat dan absoluut nodig is om het doel te bereiken. Minder vergaande planologische maatregelen om grote vestigingen tegen te gaan of een toename van ongewenste functies te voorkomen, zijn niet voorhanden. Dit betekent dat de regelingen en beperkingen in het bestemmingsplan tevens proportioneel zijn.

Bovenstaande toets aan artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn leidt tot de conclusie dat voldoende onderbouwd is dat het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2021 niet discriminerend is, dat het noodzakelijk is om de gestelde beleidsdoelen te bereiken en dat het bestemmingsplan evenredig is. Daarmee is er geen sprake van strijd met artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn.

5.2

Rijksbeleid

5.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), dat in 2012 (gewijzigd) is vastgesteld. Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet, de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Stelling van Amsterdam. Geen van de in het Barro opgenomen bepalingen zijn van toepassing op het plangebied. Consequenties voor dit bestemmingsplan Het onderhavige bestemmingsplangebied is een binnenstedelijke locatie waar de in het Barro aangegeven Rijksbelangen niet in het geding zijn.

Gemeente Amsterdam

blz. 96

5.2.2

Ladder Duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, waaronder bestemmingsplannen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat gemeenten bestemmingsplannen vaststellen voor een "goede ruimtelijke ordening". De ladder voor duurzame verstedelijking is een hulpmiddel, dat een bijdrage levert aan een goede ruimtelijke ordening.

In trede 1 wordt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor wonen, werken, detailhandel en overige voorzieningen bepaald. In trede 2 wordt beschreven of de beoogde ontwikkeling kan plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door een andere bestemming van een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden. Blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, dan wordt in trede 3 beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd. De ladder als motiveringsgrond voor ruimtelijke ontwikkelingen blijft, maar wordt lichter in het gebruik.

In de aangepaste ladder is het volgende bepaald over nieuwe stedelijke ontwikkelingen (artikel 3.1.6 sub 2 van het Bro): "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande gebied, een motivering waarom niet het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien" In het Bro is geen exacte minimale omvang vastgelegd waaraan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voldoen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling, wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Wel worden de volgende richtlijnen gegeven: voor woningbouwlocaties is als richtlijn gegeven dat er bij realisatie van twaalf of meer woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling; voor overige stedelijke functies is het volgende aangegeven: a. voor ontwikkeling van terreinen is als richtlijn gegeven dat er bij een terrein van 500 m2 of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling; b. voor ontwikkelingen van gebouwen is als richtlijn gegeven dat er bij een gebouw met een vloeroppervlak van 500 m2 bvo of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Consequenties voor dit bestemmingsplan Het onderhavige bestemmingsplangebied valt binnen stedelijk gebied, zodat de uitgebreide motiveringsplicht voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijke gebied niet van toepassing is. Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 97

op grond van deze richtlijnen als nieuwe stedelijke ontwikkelingen zijn aan te merken. Daarmee is ten behoeve van het bestemmingsplan 2021 de Laddertoets niet van toepassing. Voor de motivering waarom bij dit bestemmingsplan sprake is van een goede ruimtelijke ordening, wordt hier verwezen naar de verantwoording elders in deze toelichting. 5.2.3

Luchthavenindelingsbesluit (LIB) Schiphol

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke beperkingen die gesteld worden in verband met het Luchthaven Schiphol. Deze beperkingen worden enerzijds gesteld vanwege externe veiligheidsrisico's en geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Anderzijds hebben de beperkingen te maken met waarborgen van veilig luchtverkeer (beperking aan hoogte en aan functies die vogels aantrekken). Het plangebied valt geheel binnen de beperkingengebieden voor wat betreft de maximale bouwhoogtes, voor wat betreft functies die vogels aantrekken en ten aanzien van windturbines en lasers. Het zuidelijke deel van het plangebied (ruwweg ten zuiden van het Hoofddorpplein) ligt tevens binnen het afwegingsgebied LIB 5. 5.2.3.1 Hoogtebeperkingen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de toetshoogtes van het LIB in acht worden genomen. Er zijn twee toetshoogtes: de algemene of maatgevende toetshoogte (bijlage 4 bij het LIB) en de toetshoogte in verband met radar (bijlage 4a bij het LIB). Met een bestemmingsplan kan van de maatgevende toetshoogte van het LIB worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Waterstaat de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB).

Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan is strijd zijn met de radartoetshoogte, is het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. Het bestemmingsplan 2021 valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 (maatgevende toetshoogte) en 4a (maatgevende toetshoogte radar) bij het LIB. Maatgevende toetshoogte Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 98

Afbeelding: Uitsnede hoogtebeperkingen'Maatgevende kaart toetshoogte', bijlage 4 bij het LIB, en het plangebied.

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de maatgevende toetshoogte lopen op van circa 45 meter + N.A.P. aan de zuidzijde van het plangebied (ter hoogte van de Vlaardingenlaan) tot ongeveer 65 meter + N.A.P. aan noordzijde van het plangebied (ter hoogte van het Surinameplein). Aangezien het bestemmingsplan dergelijke bouwhoogtes niet mogelijk maakt, staat de maatgevende toetshoogte de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Toetshoogte in verband met radar Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het LIB objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.

bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

blz. 99

Afbeelding: Uitsnede hoogtebeperkingen'Maatgevende toetshoogteradar', bijlage 4a bij het LIB, en het plangebied.

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de toetshoogte in verband met de radar lopen op van circa 43 meter + N.A.P. aan de zuidzijde van het plangebied (ter hoogte van de Vlaardingenlaan) tot ongeveer 50 meter + N.A.P. aan noordzijde van het plangebied (ter hoogte van het Surinameplein). Aangezien het bestemmingsplan dergelijke bouwhoogtes niet mogelijk maakt, staat de maatgevende toetshoogte voor radar de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. 5.2.3.2 Beperkingen ten aanzien van het aantrekken van vogels Het LIB bevat een gebied waarbinnen, vanwege de veiligheidsoverwegingen die samenhangen met de luchtvaart, beperkingen gelden voor activiteiten die een sterke aantrekkingskracht op vogels kunnen hebben. Op basis van artikel 2.2.3 van het LIB gaat het hierbij om grote wateroppervlakten en moerasgebieden van meer dan 3 hectare (natuurreservaten / vogelreservaten / viskwekerijen met extramurale bassins). Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe vogelaantrekkende functies mogelijk, zodat het bestemmingsplan ook op dit onderdeel in overeenstemming is met het LIB. 5.2.3.3 Beperkingen windturbines en lasers Voor windturbines en lasers geldt één toetsgebied, dat alle andere toetsvlakken omvat. Binnen het toetsgebied geldt voor windturbines een maximum ashoogte van 35 meter.

Voor dakturbines op een gebouw geldt een maximale tiphoogte van de turbine van 5 meter en de hoogte van het gebouw inclusief de tiphoogte van de turbine mag niet hoger zijn dan 35 meter. In de algemene afwijkingsregels is daarom bepaald dat windturbines over daken niet hoger mogen zijn dan 35 meter boven NAP.

Gemeente Amsterdam

blz. 100

In het toetsgebied is het gebruik van (vaste) laserinstallaties verboden. Wanneer iemand binnen dit gebied van plan is om een lasershow of lichtshow te organiseren, of lichten te plaatsen die in het luchtruim schijnen, dient het voornemen daartoe ter toetsing voor te worden gelegd. Het betreft zowel tijdelijke als permanente laseropstellingen. Windturbines die niet binnen de maximum hoogte passen en laserinstallaties kunnen alleen mogelijk worden gemaakt als er op grond van het LIB een verklaring van geen bezwaar is. Omdat dit bestemmingsplan geen aangewezen bestemmingen met laserinstallaties toestaat, zijn bovengenoemde beperkingen niet aan de orde. 5.2.3.4 Beperkingengebied geluid (LIB 4) Het beperkingengebied LIB4 is ingesteld om ernstige geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen. Het bestemmingsplangebied ligt niet in dit beperkingengebied. 5.2.3.5 Afwegingsgebied LIB 5 Bijlage 3 van het LIB bevat het ruimtelijk afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (voorheen: 20 Ke gebied), aangeduid met nummer 5. Volgens het bepaalde in artikel 2.2.1.d, eerste lid, van het LIB zijn binnen het ruimtelijke afwegingsgebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied.

In bestaand stedelijk gebied binnen het ruimtelijke afwegingsgebied moeten gemeenten bij het bouwen van nieuwe woningen rekening houden met de geluidsproductie en het risico die vliegroutes van en naar Schiphol met zich meebrengen. Hier moet de gemeente de nieuwe bewoners informeren over de belasting door vliegtuiggeluid en eventuele klachten van nieuwe bewoners afhandelen. De provinciale Omgevingsverordening (POV) NH2020 van de provincie Noord-Holland (zie hierna) bevat overigens eveneens (en vergelijkbare) regelgeving ten aanzien van het bij nieuwe woningbouw rekenschap geven van de geluidsbelasting. Op grond van artikel 6.24 POV dient in een ruimtelijk plan dat nieuwe woningen toestaat in de toelichting op dat plan rekenschap te worden gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en dienen de redenen te worden vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. Op 28 juni 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsregel 'Wonen en vliegen 20Ke-contour Schiphol' vastgesteld waarin is vastgelegd hoe het 'rekenschap geven' zoals bedoeld in de POV in de toelichting van een bestemmingsplan vorm krijgt. Consequenties voor dit bestemmingsplan Het zuidelijke deel van het plangebied (ruwweg ten zuiden van het Hoofddorpplein) ligt binnen het Afwegingsgebied LIB 5.

bestemmingsplan_Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13455801/1