A - 24 Ruimtelijke Ordening (23) 6a. 13092023 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Tekst van het document
Langs het Schapenburgerpad waren bedrijven in de textielnijverheid gevestigd. Hier geldt een vergelijkbare, hoge verwachting, zij het met een wijdere spreiding van archeologische resten. D: Tuinbouw Langs deze paden aan de Boerenwetering werd in de 17de/18de eeuw groente verbouwd en stonden kleinschalige woongebouwen van tuinders. De archeologische resten hiervan bestaan onder meer uit ophogingslagen en diverse botanische resten, (houten) structuren van bebouwing en erfafscheidingen. De verwachting is daarmee hoog, met een relatief wijde spreiding van archeologische resten. E: Amstelveenseweg De Amstelveenseweg heeft zijn oorsprong in een veendijk die in de 12de-eeuwse ontginningsperiode werd aangelegd. Daarna ontwikkelde de veenweg zich tot een van de belangrijkste uitvalswegen van Amsterdam. Overblijfselen hiervan zijn ophogingslagen en verhardingen, die belangrijk licht kunnen werpen op de laatmiddeleeuwse ontwikkeling van het gebied. De verwachting is daarmee hoog.
26
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
F: Bolwerk Amstelveen Een klein deel van de gemetselde saillant (punt) van het bolwerk Amstelveen van omstreeks 1660 reikte tot in het plangebied. Archeologische resten bestaan uit gemetselde gewelfbogen, funderingen en ophogingen van het bolwerk. G: Boerenwetering en Singelgracht De Boerenwetering is sinds de late middeleeuwen in gebruik als afwateringskanaal en als waterweg voor kleinschalig verkeer tussen Amsterdam en het agrarische achterland. De enige samenhangende structuren bestaan uit wrakken van kleine vrachtschuiten, maar dit zijn geïsoleerde vindplaatsen met een kleine trefkans. Daarnaast kunnen in de waterbodem losse voorwerpen aanwezig zijn die bij het transport of bij activiteiten op de kant te water zijn geraakt. De 17de-eeuwse Singelgracht maakte deel uit van de verdedigingslinie van Amsterdam, maar de buitenoever vond ook gebruik als vestigingsplaats voor allerlei bedrijven, zoals ramen en molens. In de bedding van de (voormalige) gracht kunnen losse vondsten voorkomen die verband houden met de verschillende functies van de waterweg. Sommige delen van de oorspronkelijke Singelgracht zijn in de late 19de eeuw gedempt en bebouwd. H: Binnendijkse Buitenveldersepolder Hier kunnen archeologische resten voorkomen die verband houden met bewoning en landgebruik vanaf de 12de eeuw tot in de 20ste eeuw, zoals sloten en losse vondsten.
Ook kunnen huisplaatsen uit de ontginningsperiode aanwezig zijn, maar deze hebben een lage trefkans. Door grootschalige ophogingen in de late 19de en 20ste eeuw zijn deze bovendien verstoord geraakt.
27
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
28
Gemeente Amsterdam
5
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Archeologische beleidskaart
De archeologische beleidskaart van het onderzoeksgebied Museumkwartier en Valeriusbuurt is bedoeld als een ruimtelijk schema van de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologisch erfgoed binnen bepaalde zones of locaties in het onderzoeksgebied. De verwachtingen worden gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. De clustering van de verwachtingszones resulteert in een beleidskaart met daarop zes zones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregel (Appendix: beleidsvarianten, stroomschema). Beleidscategorie 4-A: Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of ondieper dan 1 m. Beleidscategorie 4-B: Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of ondieper dan 2,5 m. Beleidscategorie 5-A: Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 1 m Beleidscategorie 5-B: Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 2,5 m. Beleidsvariant 9: Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 10.000 m2. Beleidsvariant 11: (terreinen met een lage verwachting die zijn opgehoogd) Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij alle bodemingrepen.
Voor het gehele onderzoeksgebied geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
29
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
30
Gemeente Amsterdam
6
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Conclusie
Het voorliggende bureauonderzoek naar archeologische waarden is uitgevoerd voor onderzoeksgebied Museumkwartier – Valeriusbuurt. Hiervoor gelden zes archeologische beleidszones. Voor de eerste zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder diep dan 1 m. Voor de tweede zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder diep dan 2,5 m. Voor de derde zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of minder diep dan 1 m. Voor de vierde zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of minder diep dan 2,5 m. Voor de vijfde zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 10.000 m2. Voor de zesde zone geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen. Voor het gehele plangebied geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
31
Gemeente Amsterdam
7
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Bronnen
Digitale bronnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2), 50 cm maaiveld gridproduct, shaded relief. Geodan/ Esri Nederland AAGV: Archief Waterschap Amstel Gooi en Vecht ARCHIS: Archeologisch Informatiesysteem: http://www.archis.nl/archisii/html/index.html CHW: Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Holland: http://chw.noord-holland.nl/ HisGIS: Historisch Geografich Informatiesysteem: http://www.hisgis.nl/ Molendatabase: http://www.molendatabase.org/ SAA: Stadsarchief Amsterdam: https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/ Literatuur Bont, C. de, Vergeten land: ontginning, bewoning en waterbeheer in de westnederlandse veengebieden (800-1350), Alterra Wageningen 2009. Bont, C. de, Amsterdamse boeren. Een historische geografie van het gebied tussen de duinen en het Gooi in de middeleeuwen, Wageningen 2014. Borger, G.J., Ontgonnen, bedijkt, bebouwd. De agrarische voorgeschiedenis van het stedelijk gebied, in: W.F. Heinemeijer, M.F. Wagenaar, Amsterdam in kaarten. Verandering van de stad in vier eeuwen cartografie, Antwerpen 1987. Baart, J. M., in: Carasso, D. E. M. (red.), Historisch Tijdschrift Holland. 31e jaargang nummer 6, 1999 Colijn, J. (e.a.), ‘De Boerenwetering: wonen, werken en vermaak langs een eeuwenoude waterweg’, Amstelveense Historische Reeks 2, 1995. Gawronski, J., J. Veerkamp, Frans Ottenstadion. IVO Amstelveenseweg (2004) (MenA AAR 13). Amsterdam 2007.
Gawronski, J., J. Veerkamp, Tussen Veenweg en Schinkel. IVO Amstelveenseweg 122, Amsterdam (2016) (MenA AAR 91). Amsterdam 2016. Gawronski, J., J. Veerkamp: Amsterdamse waterbodems. Archeologische Begeleidingen kadewerken en baggeren, Amsterdam (2012-2015), Amsterdamse Archeologische Rapporten 93, Amsterdam 2017 Jansen, L., ‘De Binnendijksche Buitenveldersche Polder’, Ons Amsterdam 17, 1965, 10-15. Jayasena, R., ‘Amsterdam 1200-1390. Stadswording aan de monding van de Amstel’, Jaarboek Amstelodamum 109 (2017), 112-149. Joustra-Schumacher, T., ‘het Polderhuis met Boeresluis en Overhaal’, in: Colijn, J. (e.a.), ‘De Boerenwetering: wonen, werken en vermaak langs een eeuwenoude waterweg’, Amstelveense Historische Reeks 2, 1995, 23-29. Kooij, F. van (I), ‘De Waskaarsenfabriek’, in: ‘De Boerenwetering: wonen, werken en vermaak langs een eeuwenoude waterweg’, Amstelveense Historische Reeks 2, 1995, 45-50. Kooij, F. van (II), ‘Nieuwer-Amstel versus Amsterdam’, in: ‘De Boerenwetering: wonen, werken en vermaak langs een eeuwenoude waterweg’, Amstelveense Historische Reeks 2, 1995, 97-110. Kooij, F. van (III), ‘Wonen en werken langs de paden’, in: ‘De Boerenwetering: wonen, werken en vermaak langs een eeuwenoude waterweg’, Amstelveense Historische Reeks 2, 1995, 123-131.
32
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Monumenten en Archeologie, Erfgoed voor de stad. Agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam, Amsterdam 2016. Provincie Noord-Holland, Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland. Ontwikkelen met Ruimtelijke Kwaliteit. Haarlem 2010. Roetemeijer, H.J.M., ‘Wasblekerij “De Honingbij” en Koninklijke Waskaarsenfabriek”, Ons Amsterdam 22, 1970, 322-328. Schmal, H., ‘De rand van de stad. Industriële en agrarische activiteiten’, in Heinemeijer, W.F. & Wagenaar, M.F. Amsterdam in kaarten. Verandering van de stad in vier eeuwen cartografie, Ede/Antwerpen 1987, 40-43. Stol, T., Wassend water, dalend land. Geschiedenis van Nederland en het water. Utrecht/ Antwerpen 1993. Verkerk, C.L., ’De Windmolenzijde. Een bijdrage tot de ontwikkelingsgeschiedenis van Amsterdams Noordwestelijke stadsgebied in de dertiende en veertiende eeuw’, Amstelodamum 90 (1998),13-38.
33
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Appendix I: beleidsvarianten en stroomschema Het archeologisch beleid wordt als maatwerk voor een bepaald plangebied in Amsterdam vastgesteld aan de hand van elf varianten, die een afweging bieden op basis van de aard van de verwachting in combinatie met de specifieke (oppervlakte/diepte) bodemingreep. - 1: Gebieden met bekende archeologische waarden. Aangezien hier met zekerheid archeologische overblijfselen aanwezig zijn, is bij elke ingreep in de (water)bodem, ongeacht het oppervlak of de diepte, archeologisch onderzoek noodzakelijk. - 2: Bebouwde gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 3: Gebieden met een hoge archeologische verwachting langs nog aanwezige historisch infrastructurele assen / in een historische woonkern buiten het historische centrum van Amsterdam. Deze gebieden zijn onbebouwd of de bebouwing dateert van vóór de 19de eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 4: Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten het historische centrum van Amsterdam, waarvan de huidige bebouwing dateert uit de late 19de eeuw.
De verwachte resten hebben een dichte spreiding. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of ondieper dan de 19de-eeuwse ophogingen. - 5: Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten het historische centrum van Amsterdam, waarvan de huidige bebouwing dateert uit de late 19de of 20ste eeuw. Indien de bebouwing dateert uit de 19de eeuw hebben de verwachte resten een wijdere spreiding. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan de 19de- en 20ste-eeuwse ophogingen. - 6: Onbebouwde gebieden met een lage archeologische verwachting in de landelijke periferie van Amsterdam. Hier liggen archeologische vondsten dicht aan het oppervlak, zodat relevante archeologische lagen kunnen zijn opgenomen in de bouwvoor. De bouwvoor heeft gemiddeld een diepte van 0,3 – 0,5 m waaronder een eerste sporenvlak zichtbaar wordt. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 7: Bebouwde gebieden met een lage archeologische verwachting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). De bebouwing dateert uit het einde van de 19de en de 20ste eeuw.
Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de en 20ste eeuwse ophogingen. - 8: Terreinen met een hoge archeologische verwachting die als vaarweg in gebruik zijn binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 500 m2. - 9: Gebieden met een lage archeologische verwachting die als vaarweg in gebruik zijn of waren binnen en buiten het historische centrum van Amsterdam. Uitzondering van archeologisch
34
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
veldonderzoek geldt bij ingrepen in de (voormalige) waterbodem binnen het historisch centrum kleiner dan 2.500 m2 (9a) en buiten het historisch centrum kleiner dan 10.000 m2 (9b). - 10: Gebieden met een lage archeologische verwachting die onder water liggen, of die onder water gelegen hebben en ingepolderd zijn of opgespoten zijn. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen kleiner dan 10.000 m2 of in de oorspronkelijke waterbodem of in het oorspronkelijke maaiveld. - 11: Gebieden zonder archeologische overblijfselen omdat hier al archeologisch onderzoek of grootschalig grondverzet heeft plaatsgevonden voor bijv. zware funderingen, kelders, tunnels e.d. en gebieden in de voormalige landelijke periferie van Amsterdam buiten de Singelgracht met een lage archeologische verwachting die bovendien opgehoogd, onderheid en bebouwd zijn aan het einde van de 19de en in de 20ste eeuw. Hier geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek. Gebieden waar al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden zijn wel indirect van belang voor archeologische planning omdat ze aanwijzingen geven voor de eventuele aanwezigheid van archeologische resten in omliggende gebieden. Voor de beleidsvarianten, 4, 5 en 7 tot en met 10 geldt dat het dieptecriterium op de uiteindelijke beleidskaart nader wordt gespecificeerd.
Stroomschema archeologie MenA
35
Gemeente Amsterdam
BO 20-024 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Colofon Archeologisch bureauonderzoek BO 20-105 Amsterdam 2020 Voor akkoord controle proces en waardestelling:
Drs. J. A. G. Veerkamp, Senior KNA-archeoloog MA Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie Datum:
06-08-2020
Status:
1.1
Tekst:
T. Terhorst MA, Dr. J. Euwe
Redactie:
drs. J. A. G. Veerkamp
Cartografie:
T. Terhorst MA
Vormgeving:
Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam
© Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam, 2020 Postbus 10718, 1001 ES Amsterdam, 020-2514900 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op enigerlei andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Monumenten en Archeologie. MenA aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
36
blz. 59
Bijlage 3
Cultuurhistorische verkenning
Gemeente Amsterdam
Museumkwartier - Valeriusbuurt Cultuurhistorische verkenning C 20-122 Amsterdam 2020
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Inhoud
Inleiding
2
1 1.1
Samenvatting, conclusie en advies Samenvatting
3 3
1.2
Advies en onderbouwing plangebied
6
1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.2.4 1.2.5 1.2.6 1.3
Bebouwing / architectuur Rooilijnen Bouwhoogtes Kapvormen Plinten Groen, water en openbare ruimte Advies ophogen bebouwing
6 6 7 7 7 8 10
2
Beleidskader
15
3 3.1
Historisch stedenbouwkundige analyse Ontstaansgeschiedenis
16 16
3.1.1 3.1.2
Binnendijkse Buitenvelderse Polder en Boerenwetering Stedelijke ontwikkeling
16 18
3.1.2.1
Museumpleinbuurt en Duivelseiland
19
3.1.2.2
Concertgebouw- en Valeriusbuurt
26
3.1.2.3
Plan Zuid-strook
34
3.1.3 3.2
Naoorlogse ontwikkelingen Stedenbouwkundige, typologische en architectonische aspecten
40 42
3.2.1 3.2.2 3.2.3
Stedenbouwkundige opzet Openbare ruimte, groen en water Architectuur
42 44 47
4 4.1
Betekenisvolle bebouwing, structuren en elementen Stedenbouwkundige zones
50 50
4.2
Bebouwing
51
Bronnen
52
1
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Inleiding
Stadsdeel Zuid heeft Monumenten en Archeologie (M&A) verzocht te adviseren over de bovengrondse cultuurhistorische waarden die bij het opstellen van het van het bestemmingsplan voor plangebied Museumkwartier-Valeriusbuurt van belang zijn. Dit heeft geresulteerd in een uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis en een overzicht van de in het gebied aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden. Voor de ondergrondse cultuurhistorische waarden verwijzen we naar het Archeologisch Bureauonderzoek van M&A. Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Het is meestal niet nodig alle cultuurhistorische elementen aan te wijzen als beschermd monument of gezicht. Het is wel van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied.
Afbeelding 1: Kaart met daarop de contouren van het plangebied in rood aangegeven.
2
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
1
Samenvatt ing, conclusie en advies
1.1
Samenvatting
Het plangebied ligt ten zuidwesten van de Singelgracht, net buiten de historische binnenstad. Tot het einde van de negentiende eeuw was het ruraal gebied en maakte het deel uit van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder – het ontgonnen veengebied tussen de Amstel en de Schinkel. Dit poldergebied werd doorsneden door sloten die uitmondden in de Singelgracht en de Boerenwetering, het water dat het plangebied aan de oostzijde begrenst. Afgezien van het Schapenburgerpad (achter de P.C. Hooftstraat), het verdwenen Mennonietenpad (ter hoogte van de Hobbemastraat) en de Schagerlaan (nu Ruysdaelstraat) kon het gebied alleen te water doorkruist worden. Er waren met name molens, tuinderijen en lusthoven te vinden. Aan de Boerenwetering bevond zich bovendien wat industrie. Het plangebied raakt in de periode 1870-1930 gebouwd. Doordat hier verschillende plannen aan ten grondslag lagen en sommige ontwikkelingen simultaan op verschillende locaties in het gebied plaatsvonden, is het voor dit onderzoek opgesplitst in drie deelgebieden: 1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland 2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt 3. Plan Zuid-strook
2
1
3
Afbeelding 2: Kaart met daarop de contouren van het plangebied en afzonderlijke deelgebieden aangegeven.
3
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland De eerste stedelijke bebouwing ontstond in de jaren 1870 direct ten zuiden van het Vondelpark met de aanleg van de P.C Hooftstraat en de Vossiusstraat. Deze volgden de aanwezige polderverkaveling. De rest van de Museumpleinbuurt werd in het uitbreidingsplan van Kalff (1877) bestemd tot een luxewijk, waarvoor het in 1902 vastgestelde uitbreidingsplan van P.J.H. Cuypers (tevens architect van het in 1885 gerealiseerde Rijksmuseum) grotendeels de basis vormde. Op basis daarvan kreeg de wijk een waaiervormige structuur van radialen en geknikte dwarsverbindingen die voortborduurt op de opzet van de zeventiende-eeuwse grachtengordel. Het middelpunt wordt gevormd door het Rijksmuseum met het daarachter gelegen Museumplein, dat werd gebruikt voor diverse manifestaties en waarop in de winters altijd werd geschaatst. Daaromheen bevonden zich als sinds de jaren 1880-90 het Stedelijk Museum en – aan de overkant van de Van Baerlestraat – het Concertgebouw. Duivelseiland vormt de zuidpunt van dit gebied en werd al vanaf 1890 bebouwd. Het ging hierbij om speculatiebouw, waarbij de verkaveling de oude poldersloten volgde. Deze rastervormige opzet botste met het plan van Cuypers, wat de verdraaiing in de straten ten zuidoosten van het Museumplein, waaronder de Gabriël Metsustraat, verklaart. Beide buurten behoren tot de 19de-eeuwse Ring. 2.
Concertgebouw- en Valeriusbuurt Het gebied ten westen van de Van Baerlestraat lag aanvankelijk op het grondgebied van de gemeente Nieuwer-Amstel, waarvan dit deel in 1896 door Amsterdam werd geannexeerd. Vanwege de dreigende annexatie was er in de jaren 1880 al begonnen met het ontwikkelen van het gebied dat tegen de grens aan lag, wat leidde tot de aanleg van de Willemsparkweg, Koninginneweg, Van Eeghenstraat en -laan en de Alexander Boersstraat, die precies de loop van de gemeentegrens volgde. Na de annexatie maakte L.C.M. Lambrechtsen van Ritthem, de toenmalige directeur van Dienst Publieke Werken, in 1899 een uitbreidingsplan voor de invulling van dit gebied. Nadat dit was afgewezen, werd architect H.P. Berlage gevraagd een plan te maken. Ook dit eerste Plan Zuid (1905) werd niet vastgesteld. Toch zijn delen van beide plannen gebruikt voor de verdere invulling van het gebied ten zuiden van de Willemsparkweg. Net als de wijken die volgens het plan van Kalff tot stand zijn gekomen, volgt de opzet van dit gebied de oude polderverkaveling en wordt het dan ook tot de 19de-eeuwse Ring gerekend. De structuur bestaat uit een raster van lange oost-westlopende straten dat wordt doorsneden door noord-zuidlopende dwarsstraten, gelegen tussen de Van Baerlestraat en Amstelveenseweg, waarbij de bebouwing in het westelijk deel in de jaren 1910 werd gerealiseerd. 3.
Plan Zuid-strook Dit gebied is tot stand gekomen op basis van het tweede, vastgestelde Plan Zuid van Berlage (1917) en werd gerealiseerd in de jaren 1920-30. Het is in veel opzichten een overgangsgebied tussen de 19deeeuwse Ring en de Gordel ’20-’40. Het westelijke deel van de strook bouwt voort op de negentiendeeeuwse orthogonale structuur, waarbij de noord-zuidlopende dwarsstraten tot aan het kanaal werden doorgetrokken en drie daarvan, de Cornelis Schuytstraat, Emmastraat en de Emmalaan/het Valeriusplein de buurt middels bruggen verbinden met de Stadionbuurt. In het zuidoostelijk deel, gelegen tussen de Cornelis Schuytstraat en de Boerenwetering, gaat de orthogonale structuur over in een verkaveling van onregelmatig gevormde bouwblokken, begeleid door knikkende noord-zuidstraten. Tussen de Joh. M. Coenenstraat en Roelof Hartstraat is de Harmoniehofbuurt, voor Plan Zuid kenmerkende
4
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
hovenbebouwing, gerealiseerd. Ook het Noorder Amstelkanaal maakte onderdeel uit van Berlage’s plan: dit heeft een belangrijke structurerende functie binnen het op basis van Plan Zuid gerealiseerde gebied. Alle buurten binnen het plangebied zijn grotendeels herkenbaar gebleven als onderdelen van de 19deeeuwse Ring en de Gordel ’20-’40. Er hebben in tegenstelling tot een aantal andere buurten binnen de 19de-eeuwse Ring geen grote stadsvernieuwingsprojecten plaatsgevonden. Het enige dat veel veranderingen heeft ondergaan is het Museumplein, waar op basis van een door Cornelis van Eesteren gemaakt ontwerp vanaf 1953 een autoweg overheen liep – een ontwikkeling die weer is teruggedraaid met het in 1999 gerealiseerde ontwerp van architect S.I. Andersson. Daarnaast zijn de culturele instellingen die het plein afbakenen in de afgelopen decennia één of meerdere keren verbouwd en/of voorzien van een uitbreiding.
5
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
1.2
Advies en onderbouwing plangebied
De adviezen zijn uitgesplitst in de ruimtelijke kenmerken die voor het plangebied gelden. 1.2.1
Bebouwing / architectuur
In het plangebied bevindt zich veel hooggewaardeerde bebouwing. Met name in de Museumpleinbuurt en in de Plan Zuid-strook is de architectuur van hoge kwaliteit en is veel bebouwing hooggewaardeerd (0rde 1 en 2). Omdat deze wijken volgens een plan tot stand zijn gekomen, is er een sterke samenhang tussen de stedenbouw en de architectuur. In de Concertgebouw- en Valeriusbuurt, die perceelsgewijs is ontwikkeld, is de bebouwing overwegend minder hoog gewaardeerd. Desalniettemin draagt deze bij aan de veelal hoge stedenbouwkundige waarderingen van de straten in dit gebied en is dit wisselende straatbeeld, bestaande uit afzonderlijke panden of eenheden van meerdere panden, een belangrijke karakteristiek van de negentiende-eeuwse stedenbouw. Advies Aangezien de Plan Zuid-strook behoort tot het rijksbeschermd stadsgezicht Plan Zuid, verdient het aanbeveling om voor alle bebouwing een sloopvergunningsstelsel op te nemen. De rest van het plangebied (Museumpleinbuurt en Duivelseiland / Concertgebouw- en Valeriusbuurt) behoort tot het potentieel beschermde gezicht Oud-Zuid. Voorlopig adviseren we om hier in elk geval voor betekenisvolle bebouwing die met een orde 1 of 2 gewaardeerd is, of met een orde 3 in combinatie met een stedenbouwkundige zone A of B, een sloopvergunningsstelsel op te nemen. Dit zal nog nader uitgezocht worden.
In beide gevallen dient bij een bepaling van zodanige strekking te worden opgenomen dat M&A een nadere cultuurhistorische afweging dient te maken. De achtergrond hiervan is dat sinds 1 april 2012 voor de activiteit slopen alleen nog een meldingsplicht bestaat en geen samenloopregeling bestaat tussen de melding en de omgevingsvergunning. Dit is wel het geval indien een sloopregeling wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Aangezien bij de orde 1en 2-panden, en bij orde 3-panden in combinatie met een stedenbouwkundige zone A of B, het ruimtelijke beeld/stads- en straatbeeld in het geding is, ligt hier de ruimtelijke relevantie en relatie met het bestemmingsplan. Daarbij kan worden gewezen op het feit dat voor aangewezen monumenten de Erfgoedwet en de erfgoedverordening van toepassing zijn. 1.2.2
Rooilijnen
De stedenbouwkundige structuur van het plangebied wordt gekenmerkt door de waaiervorm van de Museumpleinbuurt en de rechtlijnige opzet met gesloten bouwblokken van het Duivelseiland, de Concertgebouw- en Valeriusbuurt. Ten zuidoosten van de De Lairessestraat gaat in het onder Plan Zuid gerealiseerde gebied de orthogonale structuur over in een verkaveling van onregelmatig gevormde bouwblokken, waarbij pleinen als scharnierpunt dienen. Rooilijnen bepalen de contouren van de bebouwing en daarmee die van de openbare ruimte. Zo behoren afgeschuinde hoeken tot een klassiek kenmerk van de 19de-eeuwse Ring en worden bij bebouwing binnen de Gordel ‘2o-’40 verspringende rooilijnen toegepast om de openbare ruimte vorm te geven.
6
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Advies M&A adviseert de rooilijnen van de bebouwing vast te leggen, inclusief de her en der aanwezige verspringingen en afgeschuinde hoeken, zodat het verkavelingspatroon van de buurten herkenbaar blijft. Tevens verdient het aanbeveling om de achterrooilijnen vast te leggen. Deze rooilijnen bepalen de contouren van de binnentuinen, die in de stedenbouwkundige ruimte de contramal vormen van de openbare ruimte. 1.2.3
Bouwhoogtes
De bouwhoogtes in de verschillende buurten zijn in veel gevallen van stedenbouwkundige en cultuurhistorische betekenis. Zo illustreren de wisselende bouwhoogtes in de P.C. Hooftstraat en in de straten die nog onder Nieuwer-Amstel werden bebouwd, de ontwikkelgeschiedenis van het gebied. In het deel van het gebied dat behoort tot de Gordel ’20-’40 is sprake van een sterke samenhang tussen architectuur en stedenbouwkundige opzet. De bebouwingshoogte onderstreept in de Plan Zuid-strook de hiërarchie tussen hoofd- en secundaire wegen. Ook worden hier belangrijke kruisingen vaak gemarkeerd met hoogteaccenten. Deze zijn dan ook van grote stedenbouwkundige betekenis. Advies Het verdient aanbeveling om de bestaande bouwhoogtes vast te leggen, alsmede de goot- en nokhoogtes. Dat laatste is bij platte daken niet nodig. Ons advies wat betreft de panden waarbij per uitzondering een hogere bouwhoogte stedenbouwkundig denkbaar wordt geacht, is te vinden in paragraaf 1.3. 1.2.4
Kapvormen
Kapvormen zijn bepalend voor het straatbeeld en vaak kenmerkend voor de bouwperiode van een pand. Bij pre-stedelijke bebouwing zijn de kappen vaak dwars op de straat geplaatst, wat onder andere veel is te zien in de Willemsparkweg. Daarna werden panden die deel uitmaken van een architectuureenheid veelal met een kap afgedekt die parallel aan de straat loopt, waardoor de daken een eenheid vormen. Bij bebouwing behorende tot de Gordel ’20-’40 is de kap afhankelijk van het ontwerp. Advies M&A adviseert om de vorm van de afzonderlijke dakkappen in de regelgeving te respecteren door het vastleggen van de richting, de goot- en nokhoogten van de dakkappen. Voor de langskappen dient in de regels de goot- en nokhoogte en een minimale dakhelling vast te worden gelegd. De mate van bescherming van de kapvormen is gekoppeld aan de ordewaardering. Het is aanbevelenswaardig om bij alle orde 1-panden in het plangebied de gehele kap te beschermen. Bij alle orde 2-panden en de orde 3panden die zich in een stedenbouwkundige zone A of B bevinden, dient de voorzijde van de kap beschermd te worden omdat deze onderdeel is van het straatbeeld. 1.2.5
Plinten
In de negentiende-eeuwse buurten liggen winkels van oudsher verspreid in de buurten en niet alleen aan de hoofdstraten. Een deel van deze winkelruimtes is nu in gebruik als woonruimte, voor werken aan huis 7
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
of bij kleine bedrijven. Voor de beleving van de openbare ruimte en de leefbaarheid van de buurten is de wisselwerking tussen bebouwing en openbare ruimte van groot belang. De als open vormgegeven winkelpuien vertegenwoordigen een belangrijke cultuurhistorische waarde van de negentiende-eeuwse stad. Advies Het verdient aanbeveling te onderzoeken of de wisselwerking die op deze manier tussen straatwand en openbare ruimte wordt bewerkstelligd in de regels moet worden verankerd, of dat de welstandsnota hierin voldoende voorziet. In ieder geval zou het situeren van bergingen aan de straatzijde moeten worden tegen gegaan (zie bestemmingsplannen Amsterdam Centrum). Zo is in bestemmingsplan Nieuwmarkt (vastgesteld op 1 juli 2015) een bepaling opgenomen waarin staat geformuleerd dat bergingen aan de straatzijde, noch het construeren of wijzigen van de gevel zodat er een gesloten plint ontstaat, niet is toegestaan.
Afbeelding 3: Een rij wachtenden voor een groentewinkel op de hoek van de Johannes Vermeerstraat 40 en de Frans van Mierisstraat. Uit SAA, ANWE00188000001, 1942.
1.2.6
Groen, water en openbare ruimte
De Museumpleinbuurt kent door haar planmatige opzet een hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte, waarin groen een grote rol speelt. Het Museumplein fungeert als groene long van de buurt, maar ook de Teniers-, Honthorst- en Johannes Vermeerstraat, waarvan het profiel bestaat uit een middenstoep met een enkele of dubbele rij bomen, dragen bij aan de groenbeleving. Dit geldt ook voor de (voor)tuinen in de Johannes Vermeer- en Gabriël Metsustraat, de tuinen van het Rijksmuseum, en die van de villa’s rondom het Museumplein. Noemenswaardig zijn verder de driehoekige plantsoentjes rondom het Johannes Vermeerplein. Ook de Plan Zuid-strook kent veel hoogwaardig groen, dat hier veel 8
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
is ingezet om de stedenbouwkundige structuur te accentueren: de groene oevers van het Noorder Amstelkanaal, het plantsoen met vijver in de Harmoniehof en het groen dat vorm geeft aan het Roelof Hart-, Ban- en Jacob Obrechtplein. In de Concertgebouw- en Valeriusbuurt is het Valeriusplein een belangrijke schakel in de groenstructuur die het Vondelpark met Plan Zuid verbindt. Noemenswaardig is verder het profiel van de Willemsparkweg, dat wordt bepaald door de bomen aan de weerszijden van de straat en de straten die direct aan het Vondelpark grenzen. De stedenbouwkundige opzet van het plangebied met overheersend gesloten bouwblokken brengt met zich mee dat veel van het aanwezige groen zich bevindt in de binnenhoven van de bouwblokken, die als contramal van de stedenbouwkundige structuur fungeren. Dit groen en de onbebouwde ruimte is echter zeer belangrijk voor de kwaliteit van het wonen (waaronder lucht- en lichttoetreding). Advies M&A adviseert de kleinere groenstructuren in het plangebied die nu nog als ‘Verkeer-Verblijfsgebied’ zijn bestemd, als groen te bestemmen. Dit betreft het gazon op het Banplein en de drie plantsoenen aan het Johannes Vermeerplein. Het verdient extra aanbeveling om waardevolle profielen in het bestemmingsplan te verankeren.
Het verdient tevens aanbeveling om de binnentuinen als zodanig te bestemmen en de vergunningsvrije bouwmogelijkheden in te perken wat betreft uitbouwen. Zie als voorbeeld het bestemmingsplan De Pijp 2018 (vastgesteld op 19 september 2018).
Afbeelding 4: prentenbriefkaart met daarop de Harmoniehof. Net als de bebouwing is de plantsoenaanleg alsmede de geometrische vorm van de vijver een rijksmonument. Uit SAA, PRKBB00478000002, 1935.
9
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
1.3
Advies ophogen bebouwing
Inleiding Voor het nieuwe bestemmingsplan beoogt SD Zuid nader te onderzoeken onder welke voorwaarden de mogelijkheid tot het toevoegen van extra bouwlagen kan worden toegestaan. Aanleiding is dat het huidige bestemmingsplan (vastgesteld in 2011) een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kent voor het – onder enkele voorwaarden – overschrijden van de toegestane maximum bouwhoogte ten behoeve van het realiseren van een extra bouwlaag of het verbouwen van een bijzondere bouwlaag (hiermee wordt in dit geval de kap bedoeld) tot een bouwlaag met ten hoogste 3 meter. Door de toenemende bouwdynamiek heeft dit in de afgelopen jaren geleid tot veel bouwinitiatieven die de cultuurhistorische waarden en daarmee de ruimtelijke kwaliteit van het gebied hebben aangetast. Huidige regeling In het huidige bestemmingsplan is de volgende binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen: Artikel XX Algemene afwijkingsregels a. Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, is het dagelijks bestuur bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de desbetreffende bepalingen van dit bestemmingsplan, ten behoeve van: [….] 6.
de in de regels toegestane maximum bouwhoogten ten behoeve van een extra bouwlaag of het verbouwen van een bijzondere bouwlaag tot een bouwlaag met ten hoogste 3 meter, onder voorwaarden dat:
door de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam een positief advies is gegeven en;
de bouwlaag ten dienste is van de functie wonen en;
de bouwlaag niet leidt tot een toename van het aantal woningen en;
de bouwlaag geen onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld;
[….]
b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel kan worden verleend, mits de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Uitvoeringsrichtlijnen 2020 Aan de zoals hierboven genoemde afwijkingsmogelijkheid zijn in 2020 kaders gesteld door het vaststellen van uitvoeringsrichtlijnen. Deze zijn opgesteld in samenwerking met M&A en verklaren in welke gevallen er sprake is van een ‘onevenredige afbreuk’ aan het ‘straat- en bebouwingsbeeld’. Dit heeft ertoe geleid dat sindsdien alle orde 1- en 2-bebouwing en de orde 3-bebouwing in een hoge stedenbouwkundige zone is uitgesloten van ophoging, aangezien dit leidt tot een onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld.
10
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Vragen aan M&A In het nieuwe bestemmingsplan beoogt SD Zuid de ophogingsmogelijkheden verder in te perken door in beginsel bij alle bebouwing de bestaande bouwhoogtes als maximaal toegestane bouwhoogte vast te leggen. Op een aantal geselecteerde locaties acht zij bij uitzondering een hogere bouwhoogte denkbaar, omdat hier bijvoorbeeld al veel ophogingen hebben plaatsgevonden. De betreffende panden en architectuureenheden zijn ter beoordeling voorgelegd aan M&A. Hierbij gaat het om twee lijsten: 1. Op lijst 1 staan panden die voldoen aan de uitvoeringsrichtlijnen bouwlagen Museumkwartier en Valeriusbuurt, die op 21 april 2020 zijn vastgesteld. Het betreft wat orde 3-panden in een stedenbouwkundige zone C, basisordepanden en een pand dat geen ordewaardering heeft. 2. Op lijst 2 staan enkele architectuureenheden die hoger zijn gewaardeerd dan zone C, orde 3 of basisorde, maar waarbij één of meerdere panden binnen de eenheid al zijn opgehoogd. Daarop aansluitend is de vraag voorgelegd of aan de panden waarbij een hogere bouwhoogte wordt toegestaan middels een regeling voorwaarden kunnen worden gesteld aan de architectonische vormgeving van de extra bouwlaag. Dit zou kunnen gaan om een regeling waarbij aan het volgende wordt gedacht: 1. Als het gaat om een bestaand pand met een kap, dan kan er alleen worden meegewerkt indien er een laag onder de kap wordt toegevoegd. 2.
Als het gaat om een bestaande pand met een plat dak, dan moet qua kapvorm worden aangesloten bij de naastgelegen hogere panden. Werkwijze Bij beide lijsten is begonnen met een onderzoek op locatie, waarvan de uitkomsten vervolgens zijn aangevuld met gegevens uit het archief voor Bouw- en Woningtoezicht . Bij het onderzoek is gekeken naar de cultuurhistorische context, de architectuur van het pand en de bouwhoogtes van de naburige panden. Het toevoegen van een extra bouwlaag is immers zichtbaar vanaf de openbare ruimte en heeft daardoor altijd impact op het straatbeeld. Doordat een extra bouwlaag de gevelarchitectuur van het bestaande pand kan aantasten, en daarmee een zowel ruimtelijke als architectonische afweging is, zijn de bevindingen afgestemd met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). De uitkomsten zijn te vinden in de tabel. Op basis van de resultaten die het locatieonderzoek heeft opgeleverd, is aan de CRK gevraagd in hoeverre het wenselijk is dat er middels een regeling in het nieuwe bestemmingsplan kan worden gestuurd op de architectonische vormgeving van de extra bouwlaag. M&A heeft hiervoor de volgende vragen voorgelegd aan de commissie: 1. Geeft regeling in het huidige bestemmingsplan genoeg ruimte aan de CRK om het bouwen van extra bouwlagen aan te kunnen sturen?
11
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Reactie CRK: De commissie adviseert om in de algemene afwijkingsregels het advies van de CRK als integraal onderdeel (dus ook als weigeringsgrond) in de ruimtelijke afweging op te nemen. Hierdoor wordt het niveau van de architectonische inpassing en uitwerking onderdeel van de toets op ruimtelijke gronden. Medewerking aan ophoging zal dan onder andere moeten afhangen van een grondige analyse van het pand en de straatwand, waaruit een passende én hoogwaardige uitwerkingsrichting van de extra bouwlaag voortvloeit. De vraag is wel of de bestaande afwijkingsregel de lading voldoende dekt:
door de Commissie voor Welstand en Monumenten* Amsterdam een positief advies is gegeven en;
*de commissie heet sinds een aantal jaar Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 2. Is het wenselijk om daar waar een hogere bouwhoogte wordt toegestaan middels een regeling voorwaarden te stellen aan de architectonische vormgeving van de extra bouwlaag? Reactie CRK: De commissie vindt de ruimte voor maatwerk van groot belang en adviseert geen voorwaarden voor de vorm van de extra bouwlaag op te nemen in de ruimtelijke regels. De wenselijk vorm is afhankelijk van de specifieke opbouw van de gevel, de relatie tot de architectuureenheid en straatwand als geheel en de aanwezigheid van bestaande (en vergunde) ophogingen. Wanneer het advies van de commissie integraal onderdeel is van de ruimtelijke toets, kan vroegtijdig op een goede oplossing worden aangestuurd en is er duidelijkheid voor de aanvrager.1 Advies Uit het bovenstaande valt te concluderen dat het niet wenselijk is via een regeling in het bestemmingsplan te sturen op de architectonische vormgeving van de bouwlaag. Uit zowel ervaring als de uitkomsten van het locatieonderzoek bleek dat er in veel gevallen maatwerk nodig blijft om tot een oplossing te komen die het straat- en bebouwingsbeeld niet aantast. Het is daarbij aanbevelenswaardig om te onderzoeken of een advies van de CRK een integraal onderdeel kan vormen voor de ruimtelijke toets.
In onderstaande tabel is per architectuur- en bouweenheid van de door het stadsdeel aangeleverde lijsten weergegeven in welke gevallen een ophoging wel/niet denkbaar is. Het onderzoek met onderbouwing is te vinden in de bijlage.
1
Advies collegiaal overleg Subcommissie 2B, 3 maart 2021.
12
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Lijst 1
1 2 3
4 5
Adres
Ordewaardering
Architectuureenheid
Valeriusstraat 251 - 255 Valeriusstraat 165 - 171 Valeriusstraat 145-149 Lassusstraat 1-3 Joh. Verhulststraat 220-224 Valeriusstraat 130-150
Orde 3, zone C Orde 3, zone C Basisorde, zone C en B
9849 9842 9678
Extra bouwlaag denkbaar? ja ja ja
Basisorde, zone C Basisorde, zone B en C Orde 3, zone C Basisorde, zone B Basisorde, zone B
9681, 9683, 9684
ja
9672, 9673, 9674
ja
9664, 9665, 9666, 9667 9572
nee
6
Valeriusstraat 93-109 Dufaystraat 2 Valeriusstraat 103-109 Joh. Verhulststraat 168 – 204
7
Van Breestraat 165-171
8
Van Baerlestraat 74A
9 1 0 1 1 1 2 1 3 1 4 1 5
Nicolaas Maesstraat 58-76 Nicolaas Maesstraat 35 – 63
Geen ordewaardering, zone A Orde 3, zone C Orde 3, zone C
9141, 9155 9214, 9215, 9217
nee ja
Nicolaas Maesstraat 73-89
Orde 3, zone C
9133, 9134
nee
Bronckhorststraat 16-22
Basisorde, zone C Orde 3, zone C
16466
ja
9194
nee
Orde 3, zone C
9192
nee
Orde 3, zone C
9191
ja
Orde waardering Orde 3, zone A
Architectuureenheid 10163
Extra bouwlaag denkbaar? ja
Orde 3, zone B
9659
nee
Orde 3, zone B Orde 3, zone A Orde 3, zone B
9573 9418 9439
nee ja nee
Orde 3, zone B Orde 3, zone B Orde 3, zone B Orde 2, zone B
9147 9143 9144 11548
nee nee nee nee
Corn. Anthoniszstraat 1 – 11 Corn. Anthoniszstraat 13 – 25 Corn. Anthoniszstraat 8 – 18
Lijst 2 Adres 16 17 18 19 20 21 22 23 24
nee
Valeriusplein 34-40 Corn. Krusemanstraat 2 Joh. Verhulststraat 163 – 167 Dufaystraat 8 - 10 Van Breestraat 173-179 Van Eeghenstraat 153 - 155 Alexander Boerstraat 27-31 Van Eeghenstraat 1 Wouwermanstraat 38-44 Wouwermanstraat 37-43 Wouwermanstraat 29-35 Wouwermanstraat 1-3
ja, hiervoor loopt nu al een aanvraag
13
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
25 26 27 28 29
Nicolaas Maesstraat 91 - 101 Frans van Mierisstraat 58-68 Frans van Mierisstraat 113 Van Baerlestraat 53-59 Honthorststraat 42 – 44
Orde 2, zone C Orde 2, zone B Orde 3, zone B Orde 3, zone B Orde 2, zone B
9132 9124 9113 9233 9279
nee nee ja nee nee
14
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
2
Beleidskader
Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, d.d.17 juni 2011, staatsblad 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. In de toelichting van de Bro staat dat dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Dit vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten omdat aan het belang van de cultuurhistorie dan waarde wordt toegekend via het proces van de ruimtelijke ordening. Voor Amsterdam komt het verankeren van de cultuurhistorie in het proces van ruimtelijke ordening ook aan bod in de Beleidsnota ‘Ruimte voor Geschiedenis’ (vastgesteld 13 april 2005) en ‘Spiegel van de Stad, visie op het erfgoed van Amsterdam’ (vastgesteld 14 november 2011) en in ‘Erfgoed voor de stad, agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam’ (vastgesteld 5 juli 2016).
De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (vastgesteld op 10 april 2018). De kaart geeft in zijn algemeenheid informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten/monumenten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als militaire structuren en historische dijken. Deze informatiekaart is voor wat betreft bovengrondse cultuurhistorische waarden vooral gericht op gemeente overschrijdende zaken. Het is daarom niet gericht op de specifiek Amsterdamse waarden, en het geeft daar dan ook geen beeld van.
15
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3
Historisch stedenbouwkundige analyse
3.1
Ontstaansgeschiedenis
Het plangebied ligt ten zuidwesten van het centrum. Het wordt aan de oostzijde begrenst door de Singelgracht en de Boerenwetering, aan de zuidkant door het Noorder Amstelkanaal en de Cornelis Krusemanstraat, aan de westzijde door de Amstelveenseweg en aan de noordkant door de Koninginneweg, van Eeghenstraat en het Vondelpark. 3.1.1
Binnendijkse Buitenvelderse Polder en Boerenwetering
Tot ver in de negentiende eeuw lag het gehele plangebied nog buiten de stad en maakte het deel uit van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder. Van oorsprong was dit het veengebied tussen de Amstel en de Schinkel. Dit drassige gebied werd doorsneden door veenstroompjes, waarvan de Oude Wetering er één van was. In de middeleeuwen, vanaf de elfde eeuw, werd begonnen met de ontginning van het veen. Een belangrijk onderdeel daarvan was de aanleg van de Amsteldijk: deze had als gevolg dat de Oude Wetering werd verbreed tot de latere Boerenwetering zodat deze het overtollige water naar de Amstel af kon voeren. Na de vierde uitleg van de grachtengordel verdween de Boerenwetering ten zuiden van het Singel en de Herengracht en werd deze ingekort tot de Buitensingelgracht. Hier stond een overhaal waar de schuiten overgingen van polderpeil naar het hogere stadspeil. Ten zuiden van de Singelgracht bleef het landelijke karakter van de Boerenwetering tot in de negentiende eeuw bestaan. Dit polderland was verkaveld in zuidoost-noordwestlopende sloten die haaks op de Boerenwetering en de Singelgracht uitmondden. Afgezien van het Schapenburgerpad (achter de P.C Hooftstraat), het verdwenen Mennonietenpad (ter hoogte van de Hobbemastraat) en de Schagerlaan (nu Ruysdaelstraat) kon het gebied alleen te water doorkruist worden.
Er waren voornamelijk tuinderijen en lusthoven te vinden en aan de Mennonietensloot en aan de Boerenwetering zat wat industrie. Zo stonden er langs het Mennonietenpad graan- en zaagmolens en bevond zich ten noorden van de huidige Nicolaas Maesstraat nog tot 1906 een waskaarsenfabriek die voor aardig wat stankoverlast zorgde.
Afbeelding 5: De Mennonietensloot en de overhaal van de Boerenwetering (links). Rechts de molens De Oranjeboom (afgebroken in 1875) en De houthandel. Uit SAA, A.T. Rooswinkel, 010094000796
16
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Afbeelding 6: Uitsnede van de Kaart van Amsterdam en omliggende gebieden, met daarop de ligging van het plangebied ten opzichte van de stad. Uit SAA, Daniël Stopendaal en Nicolaas Visscher, KOG-AA-3-02-081-2, 1618-1679.
Afbeelding 7: Uitsnede van een achttiende-eeuwse kaart met daarop het plangebied aangegeven met een rode contour. Het bevindt zich tussen de Amstelveenseweg (links) en de Boerenwetering (rechts), waarbij zich aan de weerszijden verschillende tuinderijen (‘Moes Thuinen’) bevinden. Ook het Schagerpad en de ‘Zaag Moolens’ aan het Mennonieterpad staan hierop aangegeven. Uit SAA, Pieter Mol, KAVA00027000001, 1770.
17
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.2
Stedelijke ontwikkeling
In de periode 1870-1930 raakt het plangebied bebouwd en transformeert het van een poldergebied in een volwaardig onderdeel van de stad. De bebouwing komt tot stand op basis van meerdere plannen, die elkaar niet alleen op sommige plekken overlappen, maar waarvan de uitvoering soms ook tegelijkertijd op verschillende locaties plaatsvindt. Daarom is er voor gekozen om het plangebied in drie deelgebieden op te delen: 1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland Dit betreft het gebied gelegen tussen de Vossiusstraat, Stadhouderskade, Boerenwetering, Roelof Hartstraat en Van Baerlestraat. Dit gebied raakte bebouwd in de periode 1872-1915 en behoort tot de 19de-eeuwse Ring. 2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt Dit betreft het gebied tussen de Amstelveenseweg, Sophia-/Saxen Weimarlaan, Koninginneweg, Vondelpark, Van Baerlestraat, Bronckhorst-/Jacob Obrecht-/Nicolaas Maes-/Banstraat en de Cornelis Kruseman-/De Lairessestraat. Het behoorde tot 1896 grotendeels tot de gemeente Nieuwer-Amstel en raakte bebouwd in 1877-1920 als onderdeel van de 19de -eeuwse Ring. 3. Plan Zuid-strook Dit deel bevindt zich tussen de bovenstaande deelgebieden en het Noorder Amstelkanaal, en strekt zich uit over de gehele breedte van het plangebied. Het is in de periode 1915-1930 bebouwd en maakt deel uit van het van rijkswege beschermd stadsgezicht Plan Zuid. Het behoort tot de Gordel ’20-’40.
2
1
3
Afbeelding 8: Uitsnede van het plangebied met daarop de drie deelgebieden aangegeven.
18
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
3.1.2.1
Museumpleinbuurt en Duivelseiland
Het uitbreidingsplan van Kalff In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide de Amsterdamse economie. De opkomst van industrieën en de toename van bedrijvigheid in het havengebied brachten veel werkgelegenheid met zich mee. Daarmee werd de vraag naar woningen groter. Tegelijkertijd werd het bouwen in het buitengebied vergemakkelijkt, omdat in 1848 de vestingwallen waren afgebroken en de Singelgracht op belangrijke punten werd rechtgetrokken. Om het bouwen toch enigszins in goede banen te kunnen leiden, was voor het eerst sinds de aanleg van de grachtengordel een nieuw uitbreidingsplan nodig. Nadat een eerste plan voor de uitbreiding van Amsterdam door stadsingenieur J.G. van Niftrik uit 1867 wegens onuitvoerbaarheid werd afgekeurd, werd in 1876 door directeur gemeentewerken J. Kalff in samenwerking met Van Niftrik een ander plan ingediend. Dit werd de onderlegger voor de bebouwing van de 19de-eeuwse ring. Kalffs plan voorzag in een uitbreiding rondom de historische binnenstad binnen de bestaande gemeentegrenzen, waarin hij de al bestaande plannen en bebouwing integreerde. Uitgangspunt was het aanwezige verkavelingspatroon van het landelijke gebied met landbouwgronden en bijbehorende verbindings- en ontwateringssloten.
Het plan diende als richtlijn in de onderhandelingen met de particuliere bouwondernemers over waar zij konden bouwen en waar de gemeente straten, pleinen en parken wenste. De Museumpleinbuurt was echter van dit plan uitgezonderd, want de gemeente had in het gebied tussen de P.C. Hooftstraat en de Boerenwetering een luxewijk voor ogen. In tegenstelling tot andere negentiende-eeuwse wijken, zou deze wijk geen polderverkaveling krijgen.
Afbeelding 9: Uitsnede van het uitbreidingsplan van J. Kalff, met daarop het deelgebied aangegeven met een zwarte contour. De grillige lijn op de kaart stelt de gemeentegrens voor. Uit SAA, B00000007268, 1875.
19
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
P.C Hooftstraat en Vossiusstraat Toen het Plan Kalff in 1877 werd vastgesteld, was het gebied ten zuiden van de Singelgracht nog een grotendeels landelijk gebied, waar op sommige plaatsen een begin was gemaakt met stedelijke uitbreiding door particuliere ondernemers. Het in 1865 geopende 'Nieuwe Park', sinds 1880 Vondelpark geheten, was een belangrijke ontwikkeling. Dit was aangelegd op initiatief van een groep rijke Amsterdammers en werd gefinancierd met de te verwachten waardevermeerdering van de kavels rond het park. Met succes, want de grond werd met winst verkocht en rondom het park werden al snel straten aangelegd. In 1872 verscheen de P.C. Hooftstraat en kort daarop de aan het park grenzende Vossiusstraat. Beide straten raakten in de jaren 1870 al voor een groot deel bebouwd. Dit gebeurde perceelsgewijs, zonder vooropgezet plan, op particulier initiatief, wat is af te lezen aan de verschillende bouwhoogtes. De Parkcommissie had echter wel eisen verbonden waaraan de bebouwing moest voldoen: zo gold er een verbod voor de bouw van fabrieken, werkplaatsen en arbeiderswoningen. Overigens werd de minder kapitaalkrachtige burger ook uitgesloten door de hoge grondprijzen.
Ontwikkelingen in de Museumpleinbuurt tot 1902 Het idee voor een luxe wijk ‘tegenover het schoonste gedeelte der oude stad’, waarmee de grachtengordel tussen de Leidsestraat en de Vijzelstraat werd bedoeld, was een idee dat al in 1867 was geïntroduceerd door Van Niftrik. Een beslissing over de definitieve invulling liet echter lang op zich wachten. Het besluit van de gemeente om het noordelijk deel van het gebied ter beschikking te stellen voor de bouw van het prestigieuze Rijksmuseum (voltooid in 1885), gaf de planvorming een belangrijk oriëntatiepunt en verhoogde bovendien de status van het te ontwikkelen luxekwartier. In de discussies die zowel in de media als de gemeenteraad werden gevoerd, was het al dan niet introduceren van een plein voor culturele manifestaties en de beoefening van sport, het belangrijkste punt waarin van mening werd verschild. Tegenstanders vonden dit niet passen in een luxewijk. Toch werd er al rekening gehouden met de mogelijke aanleg van een plein toen er een locatie moest worden gekozen voor het op te richten Stedelijk Museum dat zich ook graag in het gebied wilde vestigen. Een voorstel om dit tegenover het Rijksmuseum te bouwen werd namelijk afgewezen en in plaats daarvan kreeg het nieuwe museum een plek aan de Paulus Potterstraat.
Zolang een besluit over de invulling van het gebied verder uitbleef, werden de braakliggende stukken grond achter het museum gebruikt voor het houden van parades, volksfeesten en evenementen, zoals de Wereldtentoonstelling in 1883. Achter dit terrein was ondertussen ook al een deel van de Van Baerlestraat aangelegd: onderdeel van de geplande binnenring die later aan zou sluiten op de Ceintuurbaan en Constantijn Huygensstraat. Aan de overzijde van deze nieuwe verbindingsweg opende in 1888, toen nog gelegen tussen de weilanden, het Concertgebouw. Dit was min of meer toevallig: hier kwam een geschikt stuk grond vrij. Toch moet de locatie zo dicht bij de geplande luxewijk zeker een rol hebben gespeeld bij de keuze voor deze plek. Het ontwerp van Cuypers (1902) Zoals hierboven al genoemd, ging aan het definitieve plan voor de Musempleinbuurt een reeks ontwerpen en veel discussie vooraf. Het in 1902 vastgestelde ontwerp was een compromis van een in opdracht van B&W gemaakt plan en een wijzigingsplan dat raadslieden P.J.H. Cuypers en J. Ankersmit als reactie daarop in 1891 indienden. Cuypers was echter al sinds de jaren ‘70 betrokken bij de planontwikkeling voor dit gebied. Het uiteindelijke ontwerp werd gekenmerkt door straten die naar het zuiden in een waaier uitlopen met het Rijksmuseum en een groot, ruitvormig plein als middelpunt. 20
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Verder beoogde het gesloten bebouwing voor dit wigvormige gebied. Als architect van het Rijksmuseum werd Cuypers gedreven door zijn streven dit gebouw zo goed mogelijk in te passen in de stad in wording. Zo ensceneerde hij de overgang van de oude naar de nieuwe stad via het museum en zocht hij in de compositie van het museum en de daarbij horende gebouwen naar een overgang tussen het museum en de toekomstige villabebouwing. Ook was Cuypers degene die een grote open ruimte in het plan introduceerde. Niet alleen zag hij dit als een unieke kans voor Amsterdam om zich met een groot plein te meten aan andere Europese steden, ook kon hij dit gebruiken voor een zo goed mogelijke inpassing van ‘zijn’ museum. Cuypers verweefde in zijn ontwerp het vasthouden aan een traditioneel-historiserend stadsbeeld met moderne opvattingen over de vormgeving van pleinen en straten. Het idee voor een stadsuitbreiding met een structuur van radialen en geknikte dwarsverbindingen borduurt voort op de opzet van de zeventiende-eeuwse grachtengordel, terwijl hij in de vormgeving van de straten en de ruimtes rond het museum gangbare middelen gebruikte voor de verfraaiing van het stadsbeeld die al eerder in steden als Parijs, Brussel en Wenen waren beproefd.
Afbeelding 10-11: Links het ontwerp van Cuypers en Ankersmit, 1902. Rechts: beeld van de Wereldtentoonstelling van 1883, in de verte zijn de landerijen te zien met aan de rand daarvan het Concertgebouw.
Afbeelding 12: Uitsnede van een kaart uit 1900 met daarop het plan van Cuypers ingetekend. De locatie van de waskaarsenfabriek is met een rode contour aangegeven, het plangebied met een zwarte. Uit SAA, B00000008516.
21
C 20-122 Juli 2021
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Definitief
Uitvoering van het plan De inrichting van het gebied tussen de Stadhouderskade, Van Baerlestraat, P.C. Hooftstraat, Boerenwetering en Nicolaas Maesstraat kwam in grote lijnen volgens het uiteindelijk vastgestelde plan van Cuypers tot stand. Al in de jaren 1890 werd ten westen van het beoogde plein de Jan Luijken-, Paulus Potter- en een deel van de Honthorststraat aangelegd en bebouwd. In 1894 verrees het Stedelijk Museum, naar het ontwerp van A.W. Weissman, op de hoek van de Paulus Potter- en de Van Baerlestraat - beide belangrijke uitvalswegen voor de buurt. Ten oosten van het plein liet de uitvoering van het plan langer op zich wachten. De waskaarsenfabriek die tot 1906 was gevestigd tussen de Honthorst- en Ruysdaelstraat (zie: afbeelding 12) verhinderde aanvankelijk de planmatige invulling van dit gebied, waardoor dit deel pas in de jaren 1910 kon worden bebouwd. De bebouwing die hier werd gerealiseerd bestond voornamelijk uit gesloten blokbebouwing met herenhuizen en etagewoningen voor de goede burgerij, voorzien van individuele gevelarchitectuur. Aan de weerszijden van het Museumplein werden villa’s en ensembles van twee- en drie-onder-één kap gerealiseerd. De kwaliteit van de architectuur in de gehele buurt is hoog.
Bezorgdheid bij architecten over de architectonische kwaliteit van sommige huizen had namelijk geleid tot de oprichting van de eerste welstandscommissie, de ‘Commissie van advies inzake de bebouwing van Gemeentebouwterreinen in Amsterdam’, die vanaf 1898 toezicht hield op de esthetische kwaliteit van de bebouwing die in de wijk werd gerealiseerd.
Afbeelding 13: Johannes Vermeerplein, 1918.
Afbeelding 14: Paulus Potterstraat, 1894.
Cultuur en sport Van begin af aan lag in de Museumpleinbuurt wat betreft de functies voor de openbare gebouwen de nadruk op een combinatie van sport en cultuur. Deze toon werd onmiskenbaar gezet toen werd besloten het Rijksmuseum in dit gebied te bouwen en andere culturele instellingen volgden. Het Museumplein werd na aanleg in gebruik genomen als ‘gemeentelijk sportterrein’. Gedurende de winters werd het zelfs onder water gezet en verhuurd aan de Amsterdamse IJsclub, die tot 1953 haar eigen verenigingsgebouw tegenover het Concertgebouw had. Ook verrees op de hoek van de Hobbemastraat en de Hobbemakade een rijwielschool. Het door J. Ingenohl en K. Muller ontworpen gebouw werd in 1911 herbestemd tot het Zuiderbad. In datzelfde jaar werd op de plek van de oude waskaarsenfabriek het Ignatiuscollege gerealiseerd. Winkels zijn voornamelijk te vinden in de P.C. Hooftstraat en Van Baerlestraat. De P.C. Hooftstraat werd in 1891 daartoe bestemd, waarna veel woningen op de begane grond werden omgebouwd tot winkelruimtes. De Van Baerlestraat ontwikkelde zich van begin af aan als straat voor winkels, woningen en kantoren. Hierdoor ontstond al snel een tegenstelling tussen de drukke, stedelijke westzijde van de wijk en de oostzijde die meer het karakter kreeg van een woonbuurt. 22