A - 24 Ruimtelijke Ordening (23) 6. 13092023 Museumkwartier - Valeriusbuurt
Tekst van het document
Door het maximale vloeroppervlak in te perken naar 300 m2 worden de winkelpanden minder aantrekkelijk voor grote winkelfilialen. Hiermee worden de overlevingskansen voor kleinere, meer buurtgerichte winkels en dienstverleners vergroot. De bestemming van het buurtvoorzieningencluster aan de Ruysdaelstraat (tussen de Hobbemakade en de Johannes Vermeerstraat) is in het nieuwe bestemmingsplan verruimd. Naast winkels, consumentgerichte dienstverlening en bedrijven worden hier nu ook maatschappelijke voorzieningen, galeries en kantoren toegelaten. Enerzijds wordt hiermee de overlevingskans van dit cluster vergroot, nu de vraag naar winkelruimtes afneemt. Anderzijds worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen en kleine kantoren vergroot. Ook hier geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. De bestemming van de niet-woonfuncties in de Johannes Vermeerstraat en langs de Hobbemakade is ingeperkt. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn hier niet langer bij rechte toegestaan op de begane grond. Het toestaan van nieuwe detailhandel en consumentgerichte dienstverlening in de Johannes Vermeerstraat kan een bedreiging vormen voor het bestaande winkelaanbod in de
bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)
blz. 91
nabijgelegen wijkwinkelgebieden. De Hobbemakade onderdeel van het hoofdnet auto en leent zich niet goed voor de vestiging van publieksgerichte voorzieningen. Op de begane grond worden maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Bestaande winkels, consumentgerichte dienstverlening en horeca worden positief bestemd. De bestemming van de overige niet-woonfuncties in de woonstraten is eveneens ingeperkt. De mogelijkheid om publieksgerichte voorzieningen te vestigen is in het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. Niet publieksgerichte voorzieningen, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven zijn hier wel toegestaan. Bestaande winkels en dienstverleners worden met een aanduiding bestemd. Cornelis Schuytstraat en omgeving In de Cornelis Schuytstraat zijn op dit moment vooral winkels gevestigd. De straat heeft een sterk imago en oefent op dit moment nog voldoende aantrekkingskracht uit als vestigingslocatie voor winkels. Het winkellandschap staat echter onder druk. Het risico bestaat dat er in de toekomst vanuit de markt minder vraag naar winkelruimte in de Cornelis Schuytstraat zal zijn. Door ook consumentgerichte dienstverlening bij rechte toe te staan, worden overlevingskansen van deze niche winkelstraat vergroot.
De bestemming van panden in het deel van de Cornelis Schuytstraat tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat is daarom verruimd. In alle panden is op de begane grond naast detailhandel nu ook consumentgericht dienstverlening toegestaan. Het maximale bvo per vestiging is 300 m2. Bestaande andere niet woonfuncties en woningen op de begane grond worden positief bestemd. Het oostelijke deel van de Willemsparkweg (tot en met de Jacob Obrechtstraat) en het laatste stuk van de Koninginneweg (vanaf de Hendrik Jacobszstraat) zijn in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een 'voldragen stadsstraat'. Deze stukken fungeren als aanloopstraten van het kernwinkelgebied Van Baerlestraat Noord - P.C. Hooftstraat respectievelijk het wijkwinkelgebied Amstelveenseweg - Zeilstraat - Hoofddorpplein. Daarom hebben de niet-woonfuncties in deze twee stukken van de route Willemsparkweg - Koninginneweg een brede gemengde bestemming gekregen. Hier kunnen zich zowel publieksgerichte als overige voorzieningen vestigen. In deze panden zijn op de begane grond detailhandel, consumentgerichte dienstverlening , maatschappelijke voorzieningen, galeries en kleine kantoren en kleine bedrijven toegelaten. Het maximale bvo per vestiging is 300 m2.
Het westelijke deel van de Willemsparkweg en de Koninginneweg (tot de Hendrik Jacobszstraat) zijn in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een potentiele stadsstraat. Door hier eveneens publiekgerichte voorzieningen bij rechte toe te staan in panden met een niet-woonfunctie in de plint, wordt bijgedragen aan de ambitie om het tracé als stadsstraat te versterken. Daarom hebben de niet-woonfuncties langs dit tracé eveneens een brede gemengde bestemming gekregen waarbinnen zich zowel publieksgerichte als overige voorzieningen kunnen vestigen. In deze panden zijn op de begane grond detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijven bij rechte toegestaan. Het maximale bvo per vestiging is ook hier 300 m2. In het voorgaande bestemmingsplan hebben de niet-woonfuncties in de De Lairesstraat een gemengde bestemming gekregen. Er zijn echter geen winkels, dienstverleners en bedrijven gevestigd in deze straat, maar hoofdzakelijk woningen en kantoren. In dit bestemmingsplan zijn de gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties daarom beperkt tot kantoren. De gebruiksrechten voor detailhandel, dienstverlening en bedrijven zijn komen te vervallen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Daarbij gelden geen beperkingen ten aanzien van het maximale vloeroppervlak per vestiging.
De maatschappelijke voorzieningen in de straat hebben een maatschappelijke bestemming gekregen.
Gemeente Amsterdam
blz. 92
De bestemming van de niet-woonfuncties in de Jacob Obrechtstraat (tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat) en de niet-woonfuncties in de Emmastraat (tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat) wordt verruimd. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt hier een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Valeriusbuurt De panden langs de Amstelveenseweg en de kop van de Koninginneweg (tussen de Amstelveenseweg en de Saxen Weimarlaan) zijn bestemd als wijkwinkelstraat. In alle panden is detailhandel en consumentgerichte dienstverlening toegestaan op de begane grond. Andere niet-woonfuncties en bestaande woningen op de begane grond worden positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt ook hier een maximaal bvo van 300 m2 per vestiging. Ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan is de bestemming voor de niet-woonfuncties in de voorzieningenclusters in de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Koninginneweg/Valeriusplein en in de Cornelis Krusemanstraat verruimd.
Op de begane grond worden nu detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. Ook hier geldt voor alle niet-woonfuncties weer een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. De bestemming van de niet-woonfuncties in het deel van de Koninginneweg tussen de Saxen Weimarlaan en de Hendrik Jacobszstraat is op dezelfde manier verruimd. Op de begane grond zijn nu detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Bestaande horeca wordt positief bestemd. En ook hier geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. De bestemming van de panden in de rest van de Koninginneweg is gewijzigd. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming. De overige niet-woonfuncties krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. In deze panden is wonen toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd.
In de panden met een gemengde bestemming geldt voor alle niet-woonfuncties ook weer een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. De bestemming van de niet-woonfuncties in in het deel van de De Lairessestraat dat ligt in de Valeriusbuurt, is op dezelfde wijze aangepast als het deel van de straat dat ligt in de Cornelis Schuytstraat en omgeving. Overige uitgangspunten voorzieningenclusters Ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan zijn de gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties in de woonstraten herzien. Er is in dit bestemmingsplan aangesloten bij de regeling voor niet-woonfuncties in woonstraten uit het nieuwe bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt. Dit betekent dat de gebruiksrechten voor detailhandel en consumentgericht dienstverlening komen te vervallen, uitgezonderd de panden waar al een winkel of dienstverlener is gevestigd. Dat past bij het gemeentelijke detailhandelsbeleid, dat erop gericht is om geen losstaande winkels mogelijk te maken maar winkels juist te concentreren in winkelstraten en stadsstraten. Er wordt juist ruimte geboden voor functies die bijdragen aan het gemengde woon-werkmilieu, maar minder goed passen in de winkelstraten zoals maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren, galeries en kleine bedrijven. Bestaande winkels, bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)
blz. 93
consumentgerichte dienstverleners en horecazaken zijn positief bestemd. Net als voor het overgrote deel van het plangebied geldt voor alle niet-woonfuncties in de woonstraten ook een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Specifiek e regelingen Naast bovenstaande gebieds- en straatgerichte benadering, die gericht is op het behouden en versterken van de voorzieningenstructuur in het plangebied als geheel, bevat het bestemmingsplan ook regelingen die gericht zijn op een aantal specifieke soorten gebruik. Kantoren in gehele panden In het voorgaande bestemmingsplan gold voor kantoren een maximaal vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Het gemeentelijke kantorenbeleid heeft als uitgangspunt om binnen de ring A10 functiemenging te stimuleren en ruimte te bieden aan kantoren. Het limiteren van het vloeroppervlak van kantoorpanden past niet bij deze ambitie en is daarmee achterhaald. Zoals boven aangegeven, is het vloeroppervlak van panden die geheel in gebruik zijn als kantoor in dit bestemmingsplan niet gelimiteerd. De panden in het plangebied die geheel in gebruik zijn als kantoor en/of bedrijfsverzamelgebouw, hebben een eigen bestemming gekregen. Binnen deze bestemming zijn kantoren en kantoorconcepten met een mix van startende (creatieve) ondernemers in alle bouwlagen toegestaan. In deze panden zijn daarnaast ook maatschappelijke voorzieningen toegestaan.
Daarmee hebben deze panden een gecombineerde kantoor-, bedrijfs- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak van panden die geheel in gebruik zijn bij deze functies is niet gelimiteerd. Maatschappelijke voorzieningen hebben moeite om zich in het Museumkwartier en de Valeriusbuurt te vestigen. Door deze toe te laten in kantoorpanden worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen vergroot. Maatschappelijke voorzieningen hebben ook een vergelijkbare impact op het woon- en leefklimaat als kantoren. Het zijn allebei functies die niet publieksgericht zijn en een beperkte verkeersaantrekkende werking hebben. Bovendien zijn het beide functies die geen tot minimale overlast veroorzaken voor de omgeving. Kantoren op de begane grond Niet-publieksgerichte dienstverlening, zoals een advocaten- en notariskantoor, functioneert op vergelijkbare wijze, en heeft dezelfde ruimtelijke uitstraling als een 'regulier' kantoor. Daarom is dit soort dienstverlening in het bestemmingsplan aangemerkt als kantoorfunctie. Een kantoor is een niet-publieksgerichte functie, omdat consumenten niet of slechts in onderschikte mate (bijvoorbeeld telefonisch) rechtstreeks te woord worden gestaan of geholpen.
Aangezien het detailhandelsbeleid er op gericht is om publieksgerichte functies te clusteren in de winkelstraten, worden kantoren niet bij rechte toegestaan in de winkelstraten in de winkelstraten die behoren tot het kernwinkelgebied. Kantoren die hier reeds zijn gevestigd hebben een bestemming die uitwisseling mogelijk maakt met detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. Het bestemmingsplan maakt in deze winkelstraten daarom de vestiging van nieuwe en de uitbreiding van bestaande kantoren niet mogelijk. Bestaande kantoren in de winkelstraten zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. Buiten het kernwinkelgebied hebben kantoren op de begane grond (met daarboven woningen) een gemengde bestemming gekregen. Afhankelijk van de vestigingslocatie (voorzieningencluster of overige locatie) kan een kantoor worden omgezet naar een andere niet-woonfunctie dan wel een woning. Omdat kleinschaligheid het uitgangspunt is voor niet-woonfuncties op de begane grond (uitgezonderd de winkelstraten in het kernwinkelgebied) is het vloeroppervlak van deze kantoren gelimiteerd tot maximaal 300 m2 bvo per vestiging.
Gemeente Amsterdam
blz. 94
Kleinschalige bedrijven Kleinschalige bedrijven, zoals fietsenmakers, meubelmakers, kleermakers en garagebedrijven, dragen bij aan een goed en compleet voorzieningenaanbod. Het zijn doorgaans laagdrempelige voorzieningen waar veel bewoners gebruik van maken en die passen bij het gemengde karakter van het bestemmingsplangebied. Kleinschalige bedrijven kunnen vaak minder hoge markthuren betalen dan andere niet-woonfuncties, zoals kantoren, consumentgerichte dienstverleners en winkels. De gemeente wil voorkomen dat kleinschalige bedrijvigheid uit populaire wijken wordt verdrongen omdat ze minder hoge markthuren kunnen betalen. Het gevolg van het beschermen van kleinschalige bedrijven voorzieningen is dat het risico op leegstand bij beëindiging van de vestiging groter wordt. De verhuurder heeft immers minder potentiele huurders aan wie hij het pand kan verhuren. Ditzelfde speelt bij het beschermen van de maatschappelijke voorzieningen. Leegstand kan de leefbaarheid aantasten en zorgt voor een minder goede uitstraling van een straat. In de winkelstraten wordt aan dit bezwaar een zwaarder gewicht toegekend dat in overige straten. De winkelstraten hebben namelijk een meer representatieve functie dan de doorgaande straten en woonstraten. Daarom is ervoor gekozen om alleen ambachtelijke bedrijven die in de woonstraten zijn gevestigd te beschermen.
Dat is gedaan door de kleinschalige bedrijven een eigen specifieke bestemming te geven. Uitwisseling met andere niet-woonfuncties en wonen is niet mogelijk. Dit is vergelijkbaar met de regeling voor maatschappelijke voorzieningen in de begane grond (zie ook hierna). In de winkelstraten is de kleinschalige bedrijvigheid in de begane grond niet beschermd. Het detailhandelsbeleid er immers op gericht is om de publieksgerichte functies detailhandel en consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten. Het beschermen van ambachtelijke bedrijven in de winkelstraten past hier niet bij. Voor alle kleinschalige en ambachtelijke bedrijven in het plangebied geldt dat zij geen onaanvaardbare overlast mogen veroorzaken voor het woon- en leefmilieu. Een goede ruimtelijke ordening dient immers te voorzien in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Supermarkten Door de grote aantallen mensen die op supermarkten afkomen, de frequente laad- en losactiviteiten en de bijbehorende verkeersbewegingen onderscheiden supermarkten zich van andere winkels. De effecten die supermarkten op het woon- en leefklimaat hebben, zorgen ervoor dat er terughoudend omgegaan dient te worden met het aantal supermarkten en de grootte daarvan in een dicht bebouwde woonomgeving zoals het plangebied.
In het gemeentelijke detailhandelsbeleid is voor het onderhavig plangebied (dat in het beleid onderdeel is van de 'Centrumzone') aangegeven dat de boodschappenfunctie geborgd dient te worden in clusterpunten en stadsstraten. Op grond van het detailhandelsbeleid is uitbreiding van bestaande supermarkten als belangrijke trekkers in kansrijke winkelgebieden op zich mogelijk. Echter, indien een supermarkt in een bestaand winkelgebied wil uitbreiden, moet eerst aan de hand van een concreet plan worden beoordeeld of een uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is. Het is daarom niet wenselijk om voor supermarkten extra vierkante meters in het bestemmingsplan mogelijk te maken. Om die reden maakt het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe supermarkten en de uitbreiding van bestaande supermarkten die groter zijn dan 300 m2 niet mogelijk. De bestaande supermarkten die groter zijn dan 300 m2 zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. Sportscholen bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)
blz. 95
Sportscholen vormen een bijzondere vorm van dienstverlening. Sportscholen zijn commerciele bedrijven met een winstoogmerkt en worden daarom niet aangemerkt als een maatschappelijke voorziening. Sportscholen onderscheiden zich tevens van andere vormen van consumentgerichte dienstverlening. Ze zijn alleen tegen betaling (abonnement) toegankelijk en zijn voor hun functioneren niet afhankelijk van bezoekersstromen. Ze hoeven zich daarom niet noodzakelijkerwijs te vestigen in winkelstraten. Sportscholen zijn daarom aangemerkt als een bijzondere vorm van consumentgerichte dienstverlening. Een sportschool kan overlast veroorzaken voor de omgeving in de vorm van veel geparkeerde fietsen op straat en geluidsoverlast (muziek) voor omwonenden. Vanwege de mogelijk negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat maakt het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe sportscholen en de uitbreiding van bestaande sportscholen niet mogelijk. Bestaande sportscholen zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. Maatschappelijke voorzieningen in gehele panden Maatschappelijke voorzieningen omvatten activiteiten zoals gezondheidszorg, onderwijs, religie, kunst & cultuur en welzijnsvoorzieningen en dergelijke, die een publiek belang dienen en daarom toegankelijk moeten zijn voor alle burgers.
In het plangebied bevinden zich diverse panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening, zoals scholen en kerkgebouwen. Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening hebben in het vigerende bestemmingsplan de bestemming Maatschappelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat deze maatschappelijke voorzieningen worden omgezet naar meer kapitaalkrachtige functies zoals woningen. Deze panden hebben daarom in dit bestemmingsplan wederom de bestemming Maatschappelijk gekregen. Voor de maatschappelijke voorzieningen in deze panden geldt geen maximum vloeroppervlak. Maatschappelijke dienstverlening op de begane grond Er zijn ook maatschappelijke voorzieningen gevestigd op de begane grond van panden met een gemengde bestemming, zoals huisartsen, tandartsen en dergelijk. Het huidige bestemmingsplan maakt het mogelijk om deze maatschappelijke dienstverlening om te zetten naar een andere niet-woonfunctie. De wens is echter om deze maatschappelijke dienstverlening beter te beschermen. Dat is gedaan door maatschappelijke dienstverleners die zijn gevestigd op de begane grond een eigen specifieke bestemming te geven. Op de begane grond is uitsluitend een maatschappelijke voorziening toegestaan. Deze mag niet worden omgezet naar een andere niet-woonfuncties. Dit is vergelijkbaar met de regeling voor de kleinschalige bedrijven (zie boven).
Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Er is een uitzondering gemaakt voor de winkelstraten. Hier krijgen maatschappelijke dienstverleners op de begane grond een gemengde bestemming op grond waarvan deze voorzieningen kunnen worden omgezet naar een andere niet-woonfunctie. Het detailhandelsbeleid is erop gericht om winkels en consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten en stadsstraten. Veel maatschappelijke voorzieningen hebben geen publieksgerichte uitstraling en dragen niet bij aan het uitwisselingsmilieu dat wordt nagestreefd in de winkelstraten. In de winkelstraten wordt aan het behoud en versterken van het uitwisselingsmilieu een zwaarder gewicht toegekend dan aan het behoud van maatschappelijke voorzieningen. Overigens is in dit plangebied het merendeel van de maatschappelijke voorzieningen buiten de winkelstraten gevestigd. Binnen de maatschappelijke bestemming wordt kinderdagopvang toegestaan. Het gebruik van de tuin als (wettelijk verplichte) buitenruimte kan echter tot overlast leiden voor omwonenden. Het geluid van spelende kinderen doorbreekt de stilte in de binnentuinen. Het beleid is juist gericht op het creëren of intact houden van een stille zijde aan de achterzijde als compensatie voor de stedelijke levendigheid aan de voorzijde van de woningen.
Daarom bevat het bestemmingsplan een binnenplanse afwijking om een buitenruimte voor een kinderdagverblijf op een binnenterrein te kunnen realiseren. Er kan alleen een Gemeente Amsterdam
blz. 96
afwijking worden verleend indien dit niet tot onevenredige geluidsoverlast voor de omliggende woningen leidt. De criteria hiervoor zijn overgenomen uit andere bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid overgenomen. In het plangebied bevinden zich meerdere zorgklinieken. Een aantal van deze klinieken biedt medisch noodzakelijke zorg aan die in beginsel gewoon wordt vergoed door de zorgverzekeraar (mits die uiteraard een contract heeft met de kliniek). Maar er is ook een aantal klinieken dat gespecialiseerd is in cosmetische behandelingen zoals plastische chirurgie. Dit is, enkele uitzonderingen daargelaten, doorgaans medisch niet-noodzakelijke zorg die niet in aanmerking komt voor een vergoeding door de zorgverzekeraar. Of een zorgkliniek wordt aangemerkt als een maatschappelijke voorziening, hangt af van het type zorg dat wordt aangeboden. Indien een kliniek hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbiedt dan dient deze een publiek belang. Omdat de geboden zorg in beginsel wordt vergoed door de zorgverzekeraar is de kliniek toegankelijk voor alle burgers. Deze zorgverleners hebben echter geen winstoogmerk en hebben en kunnen minder hoge markthuren betalen dan sommige commerciële bedrijven. Om deze zorgklinieken te beschermen, hebben klinieken die hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbieden, een maatschappelijke bestemming gekregen.
Privéklinieken die medisch niet-noodzakelijke zorg aanbieden, zoals plastische chirurgie, dienen daarentegen geen publiek belang. Er is daarom geen noodzaak om dit soort voorzieningen te beschermen tegen hoge markthuren. Het toekennen van de maatschappelijke bestemming aan deze klinieken vormt juist een risico. Omdat wordt aangenomen dat privéklinieken een hogere huur kunnen betalen, ontstaat het risico dat ze andere maatschappelijke voorzieningen wegconcurreren. Dat is een reden om privéklinieken géén maatschappelijke bestemming te geven. Omdat privéklinieken planologisch niet beschermd worden, krijgen ze in beginsel een kantoorbestemming. Binnen deze bestemming zijn kantoren en maatschappelijke dienstverlening bij rechte toegestaan. Privéklinieken die zijn gevestigd in de begane grond van een pand met daarboven woningen, hebben (afhankelijk van het type straat waar de kliniek is gevestigd) een gemengde bestemming gekregen. Horeca Vanwege de mogelijke overlast van horeca op het woon- en leefklimaat, is een (verdere) uitbreiding van het aantal horecapanden in het plangebied in beginsel niet gewenst. Het bestemmingsplan biedt daarom geen ruimte om het aantal horecavestigingen of het vloeroppervlak uit te breiden.
In het bestemmingsplan zijn de bestaande, legale horecavestigingen positief bestemd door deze op te nemen met de bijbehorende horeca-categorie (zie ook paragraaf 5.6.1 'Horecabeleid'). De vier gehanteerde horeca-categorieën zijn onderscheiden naar de mate waarin overlast ontstaat voor het woon- en leefklimaat. In het algemeen mogen zwaardere horeca-categorieën worden omgezet naar lichtere. Lichtere horeca-categorieën mogen daarentegen niet worden omgezet naar zwaardere. Hierdoor blijft het mogelijk om het bestaande horeca-aanbod te vernieuwen en kan de horecasector blijven inspelen op veranderende behoeftes van het horecapubliek. Er kunnen echter geen horeca-inrichtingen ontstaan die onevenredig veel overlast veroorzaken op het woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt ook geen uitbreiding van hotels (in aantal of oppervlak) mogelijk. Dit is in overeenstemming met het gemeentelijke Overnachtingsbeleid (hotelbeleid). De bestaande, legale hotels zijn als zodanig bestemd. Uitgesloten gebruik Binnen de verschillende gemengde bestemmingen is een aantal vormen van dienstverlening en detailhandel uitgesloten als gebruiksmogelijkheid. Het betreft de volgende gebruikstypen: belwinkels,
bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)
blz. 97
automatenhallen, seksinrichtingen, geldwisselkantoren en smartshops. Dit zijn functies met een ruimtelijk ongewenste uitstraling die kunnen zorgen voor een negatieve impact op het woon- en leefklimaat van een buurt. Hieraan zijn 'toeristische voorzieningen' toegevoegd. In 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan winkeldiversiteit Centrum vastgesteld. Hierin is bepaald dat in het centrum geen nieuwe winkels en diensten zijn toegelaten die zich uitsluitend op toeristen richten. In de gebiedsagenda van Oud-Zuid is geconstateerd dat ook in dit gebied buiten het Centrum steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen. In sommige straten in het stadsdeel dreigt hierdoor een monocultuur te ontstaan. Om dit te voorkomen, zijn deze voorzieningen uit voorzorg uitgesloten. Hiermee wordt ook voorkomen dat een 'waterbedeffect' ontstaat doordat toeristische voorzieningen in het Centrum, en inmiddels ook in andere delen van de stad, worden geweerd. Vestiging in de begane grond van ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening die uitsluitend gericht is op toeristen, zoals souvenirwinkels, fietsverhuur of ticketshops, is daarom uitgesloten. Dit laatste past tevens bij de ambities in het gemeentelijke programma 'Stad in Balans'.
Stad in Balans is gericht op het herstellen en bewaren van de balans tussen rust en drukte, tussen wonen, werken en recreëren en het bewaren van evenwicht tussen het profijt en de hinder van drukte. De daartoe geformuleerde doelstellingen zijn (onder andere) het bieden van meer kwaliteit en diversiteit in het winkel- en voorzieningenaanbod, het verminderen van overlast en het stellen van grenzen. Toets aan artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn Om te bepalen of de beperkingen in het bestemmingsplan in het kader van de Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd zijn, zijn de diverse regelingen getoetst aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Het betreft de volgende drie voorwaarden: 1. Discriminatieverbod Met brancheringsregelingen, oppervlaktecriteria en andere ruimtelijke voorschriften in bestemmingsplannen mag geen direct of indirect onderscheid worden gemaakt naar nationaliteit of, in het geval van vennootschappen, naar de plaats waar hun statutaire zetel is gevestigd. In het onderhavige bestemmingsplan wordt geen onderscheid gemaakt tussen winkels en diensten gericht op Amsterdammers (Nederlanders) en winkels en diensten gericht op andere nationaliteiten. Tevens is het zowel Nederlandse als buitenlandse ondernemingen en ondernemers niet verboden om producten te verkopen of diensten aan te bieden aan dagjesmensen en/of toeristen.
De verkoop mag echter niet uitsluitend daarop gericht zijn. Daarmee is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel van de onderneming geen sprake. Integendeel, de brancheringsregeling is juist gericht op inclusiviteit en het creëren van een divers (winkel)aanbod dat aantrekkelijk is voor iedereen die in Amsterdam woont, werkt, verblijft of op bezoek is. Dat betekent dat bij de diverse regelingen in het bestemmingsplan op geen enkele wijze sprake is van discriminatie. 2. Noodzakelijkheid In het kader van de Dienstenrichtlijn behoren alle centrale winkelgebieden (van dorpscentra tot de binnensteden) en alle ondersteunende winkelgebieden (de buurt-, wijk- en stadsdeelcentra) tot het 'centrumgebied'. Het gehele bestemmingsplangebied Museumkwartier-Valeriusbuurt kan daarom worden aangemerkt als centrumgebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 98
De voorwaarde dat beperkingen in het bestemmingsplan noodzakelijk moeten zijn, houdt in dat voor die beperkingen een 'dwingende reden van algemeen belang' bestaat, zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 8 Dienstenrichtlijn. Hierbij gaat het om meerdere, als zodanig aangemerkte dwingende redenen van algemeen belang. Tot die redenen behoort in elk geval ook 'de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu'. In de rechtspraak heeft het Hof van Justitie van de EU inmiddels varianten en verfijningen van dit (meer algemene) belang erkend, te weten: Belangen vanuit detailhandelsbeleid: het behouden en bevorderen van aantrekkelijkheid, leefbaarheid, mix aan winkels, vitaliteit en waardering van het centrum en van een voldoende voorzieningenniveau en aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik, bereikbaarheid en concentratie van functies; Het voorkomen of tegengaan van leegstand, monocultuur van winkels en voorzieningen, eenzijdig aanbod van stedelijke functies en openbare ordeproblemen of het risico hierop. De diverse regelingen en beperkingen in het bestemmingsplan staan in het teken van deze belangen.
De diverse hierboven beschreven regelingen en beperkingen hebben (zoals beschreven) tot doel de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het gehele plangebied (zowel in het wijkwinkelgebied als in de doorgaande straten en de woonstraten) te ehouden en te versterken en het woon- en leefklimaat te beschermen met het oog op de leefbaarheid. De regelingen volgen tevens uit meerdere gemeentelijke beleidskaders zoals het detailhandelsbeleid. Dat betekent dat de regelingen te scharen zijn onder het algemeen belang om het stedelijk milieu te beschermen. Daarmee zijn zij gerechtvaardigd als dwingende reden van algemeen belang. 3. Evenredigheid De derde voorwaarde is dat de regelingen in het bestemmingsplan 'evenredig' moeten zijn. Bij de beoordeling of aan de evenredigheid is voldaan, spelen twee hoofdvragen: a. Is de (territoriale of kwantitatieve) beperking geschikt om het daarmee beoogde doel te bereiken? b. Is de in de ruimtelijke voorschriften opgenomen brancheringsregeling of oppervlaktemaatregel proportioneel: gaat zij niet verder dan nodig en zijn er geen minder beperkende maatregelen? Deze twee vragen komen hier achtereenvolgens aan bod. Ad a.
Geschikt om het nagestreefde doel te bereiken De vraag of een beperking geschikt is om het daarmee beoogde doel te bereken, valt uiteen in twee deelvragen: wordt de regeling coherent en systematisch toegepast (consistentievereiste) en bereikt de regeling effectief het beoogde doel. Belangrijke doelen voor het onderhavige bestemmingsplan zijn het behouden en versterken van de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het plangebied en (met het oog op de leefbaarheid) het beschermen van het woon- en leefklimaat. Dit is bij uitstek een ruimtelijk ordeningsvraagstuk en het bestemmingsplan is hèt centrale instrument om ruimtelijke doelstellingen op gemeentelijk niveau te bereiken. Om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur te behouden en versterken, bevatten vrijwel alle bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid (overigens net als in andere stadsdelen binnen de Ring A10) een maximum vestigingsgrootte. De lijn om in dit plangebied vrijwel overal een maximum vloeroppervlak aan te houden van 300 m2 was al ingezet in het voorgaande bestemmingsplan Hoofddorpplein en Schinkelbuurt uit 2012. Dat geldt ook voor de gehanteerde (grotere) maximum omvang van vestigingen in de kernwinkelstraten P.C. Hooftstraat en het noordelijke deel van de Van Baerlestraat. De voorwaarde dat winkelvestigingen in de P.C.
Hooftstraat een gevelbreedte van maximaal 15 meter in beslag mogen nemen, is eveneens een voortzetting van de regeling in het voorgaande bestemmingsplan. bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)
blz. 99
Het bewaren van het evenwicht tussen verschillende functies is voor de gemeente Amsterdam een voortdurende zorg en de gemeente heeft de afgelopen decennia veel ervaring opgedaan met succesvol '(tegen)sturen' op het moment dat de functiebalans onder druk kwam te staan. Om de functiemenging zo min mogelijk in de weg te leggen, is het in Amsterdam sinds jaar en dag gebruikelijk om panden met een niet-woonfunctie een Gemengde bestemming te geven. Binnen deze bestemming zijn diverse functies bij rechte toegestaan. Een aantal functies is echter nader geregeld. Het betreft functies die een negatieve impact op het woon- en leefklimaat kunnen hebben, zoals horeca en seksgerelateerde functies. Deze zijn alleen toegestaan in panden met een specifieke bestemming of aanduiding op de digitale verbeelding. Deze lijn wordt in Amsterdam al tenminste 20 jaar gehanteerd. Een recenter voorbeeld is de stop op nieuwe hotels in het grootste deel van het gebied binnen de Ring A10, die is opgenomen in het stadsbreed geldende Overnachtingsbeleid uit 2017 (het hotelbeleid). Op grond van dat beleid is, zowel in het onderhavige bestemmingsplan als in andere bestemmingsplannen in Amsterdam, een uitbreiding van hotels (zowel in aantal als in omvang en omvang) uitgesloten. Een ander recent voorbeeld is het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum' uit 2018.
Het doel van dat bestemmingsplan is het tegengaan van een (verdere) afname van de winkeldiversiteit in een groot deel van de binnenstad, met het oog op de leefbaarheid, het herstellen van de functiebalans en het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig en divers stadshartgebied. Voorafgaand aan dat bestemmingsplan is onderzocht in hoeverre het 'Project 1012' en het bestemmingsplan 'Postcodegebied 1012' uit 2015 hebben bijgedragen aan het tegengaan van een (verdere) monocultuur in het stadshart, als gevolg van de sterke toename van op toeristen gerichte functies. Het onderzoek bevestigt dat planologische maatregelen succesvol kunnen zijn in het tegengaan ongewenste, op toeristen gerichte functies. Dat is tevens een bevestiging dat het instrument bestemmingsplan geschikt is om een (verdere) afname van de winkeldiversiteit tegen te gaan en functiediversiteit te bevorderen. Het op dat moment geldende bestemmingsplan 'Postcodegebied 1012' uit 2015 bevatte echter geen verbod op de vestiging van dergelijke functies. Om die reden is in 2018 het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum' vastgesteld, met daarin een verbod op een (verdere) toename van toeristische voorzieningen.
Zoals aangegeven in paragraaf 3.3 'Uitgangspunten voorzieningenstructuur' wil het stadsbestuur de regeling ten aanzien van toeristische voorzieningen uitbreiden naar de hele stad om stadsbreed een (ontwikkeling richting) monocultuur in het winkelaanbod tegen te gaan. Daarmee kan worden voorkomen dat er een 'waterbed-effect' ontstaat doordat deze functies in stadsdeel Centrum zijn uitgesloten. In de gebiedsagenda van Oud-Zuid is bovendien geconstateerd dat in Oud-Zuid steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen, waardoor in sommige straten een monocultuur dreigt te ontstaan. In het recente nieuwe bestemmingsplannen De Pijp 2018 en Hoofddorpplein-Schinkelbuurt is daarom reeds een regeling opgenomen om toeristische voorzieningen tegen te gaan, vergelijkbaar met het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum'. Om te voorkomen dat een dergelijke ontwikkeling zich als gevolg van het 'waterbed-effect' ook in het onderhavige gebied gaat voordoen, zijn winkels en dienstverleners die zich uitsluitend richten op toeristen ook in dit bestemmingsplan uitgesloten. Daar kan aan worden toegevoegd dat de gemeente verschillende maatregelen treft met het oog op het beter verspreiden van dagjesmensen en toeristen over de stad en daarbuiten.
Deze beoogde spreiding heeft mogelijk tot gevolg dat het onderhavige plangebied meer gaat worden bezocht door dagjesmensen en toeristen, waardoor het risico op de vestiging van toeristische voorzieningen, en daarmee het risico op een afname van de winkeldiversiteit in het plangebied toeneemt. Hiermee wordt in dit bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening nagestreefd die samenhangend (coherent) en systematisch is, ook ten opzichte van andere bestemmingsplannen binnen stadsdeel Zuid en Amsterdam als geheel. Het in het bestemmingsplan uitsluiten van ongewenste functies is tevens een effectief instrument om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het plangebied te behouden en te versterken en het woon- en leefklimaat te beschermen. Daarmee is het
Gemeente Amsterdam
blz. 100
bestemmingsplan geschikt als instrument om de beoogde doelen na te streven. Ad b. Proportioneel De vraag of een in de ruimtelijke voorschriften opgenomen beperking proportioneel is, valt eveneens uiteen in twee deelvragen: gaat de regeling niet verder dan nodig is en het moet aannemelijk zijn dat er geen minder beperkende maatregelen voorhanden zijn om het doel te bereiken. Om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur te behouden en versterken, staat het bestemmingsplan niet toe dat de vestigingsgrootte van niet-woonfuncties niet groter worden dan de gestelde maximum maten. Ten behoeve van het op te stellen bestemmingsplan is onderzocht of er in het plangebied vestigingen zijn die groter zijn dan deze maten. Dat is het geval en betreft zowel kleinschaliger detailhandel en dienstverlening als een aantal grote supermarkten in het plangebied. De rechten van deze pandeigenaren, exploitanten en ondernemers zijn in het bestemmingsplan gerespecteerd: De bestaande, legale grotere vestigingen zijn in de regels van het bestemmingsplan positief bestemd. Daarmee mogen deze bestaande grotere vestigingen worden voortgezet, maar niet verder worden vergroot. De supermarkten in het plangebied zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen met een specifieke functieaanduiding 'supermarkt'.
Aangezien deze functieaanduiding ligt over de gehele bestaande vestiging, geldt ook voor de bestaande grote supermarkten dat zij mogen worden voortgezet. Een verdere vergroting is echter niet toegestaan. Het bestemmingsplan bevat een vergelijkbare regeling voor ongewenste functies (belwinkels, automatenhallen, seksinrichtingen et cetera) en toeristische voorzieningen. Het gebruik ten behoeve van deze functies is in de algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan expliciet uitgesloten. De bestaande, legale vestigingen van deze functies zijn ten behoeve van het op te stellen bestemmingsplan eveneens onderzocht. De bestaande vestigingen zijn eveneens als zodanig op de verbeelding opgenomen met een specifieke functieaanduiding. Op basis daarvan mogen deze bestaande vestigingen worden voortgezet. Door bestaande rechten te respecteren en uitsluitend nieuwe grote vestigingen en uitbreiding van de verboden gebruiksvormen tegen te gaan, is sprake van een bestemmingsplan dat het doel niet voorbijschiet en niet verder gaat dan absoluut nodig is om het doel te bereiken. Minder vergaande planologische maatregelen om grote vestigingen tegen te gaan of die een toename van de verboden functies kan voorkomen, zijn niet voorhanden. Dit betekent dat de regelingen en beperkingen in het bestemmingsplan tevens proportioneel zijn.
Bovenstaande toets aan artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn leidt tot de conclusie dat voldoende onderbouwd is dat het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt niet discriminerend is, dat het noodzakelijk is om de gestelde beleidsdoelen te bereiken en dat het bestemmingsplan evenredig is. Daarmee is er geen sprake van strijd met artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn.
bestemmingsplan_Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 (vastgesteld)