CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 24 Ruimtelijke Ordening (23) 5. 20230831 Verweerschrift anoniem bestbesl

RAAD 9 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het herstelbesluit bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022 VN2023-01984729.484 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Appellant 25 Voor de samenvatting en verweer van dit beroep wordt verwezen naar paragraaf 2.12 van dit rapport.

43

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Appellant 26 Dit beroep is door meerdere appellanten ondertekend. Een aantal onderdelen van het beroep wordt door alle appellanten onderschreven. Enkele onderdelen zijn specifiek toegespitst op een appellant. Verwijderen goothoogte Appellanten stellen dat het verwijderen van de goothoogte zal leiden tot een verdere aantasting van de leefbaarheid en aanblik van de buurten. Reactie verwijderen goothoogte De raad wijst erop dat het op grond van de Wet ruimtelijke ordening niet verplicht is om een goothoogte vast te leggen. De raad heeft ervoor gekozen om een maximale bouwhoogte vast te leggen en (in de meeste gevallen) geen maximale goothoogte. Via andere regelingen, waaronder de regelingen over cultuurhistorie, is volgens de raad geborgd dat de bestaande cultuurhistorische waarden niet zomaar kunnen worden aangetast. Appellanten onderbouwen ook niet waarom de door de raad gekozen regeling onrechtmatig zou zijn. Appellant sub a t/m c Appellanten zijn het niet eens met het bouwplan ter plaatse van Johannes Vermeerstraat 85. Voor dit perceel is een omgevingsvergunning verleend en ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan liep de bezwaarprocedure tegen deze omgevingsvergunning nog.

Door in dit bestemmingsplan de vergunning te verwerken is appellant van mening dat er sprake is van legalisering terwijl appellanten menen dat het bouwplan al in strijd was met het oude bestemmingsplan (2011). Appellanten menen dat het bestreden besluit in strijd is met de raadsvoordracht behorende bij het bestreden besluit, omdat daarin is opgenomen hoe omgegaan is met zienswijzen. In deze voordracht staat: “In enkele gevallen gaven reclamanten aan dat hun onherroepelijke vergunning anders in het bestemmingsplan is verwerkt, op deze punten is het bestemmingsplan ook aangepast.” Appellanten zijn dan ook van mening dat verleende vergunningen die nog niet onherroepelijk waren ten tijde van vaststelling niet in het bestemmingsplan verwerkt zouden worden. Appellanten vinden dat daarmee op onaanvaardbare wijze vooruit gelopen wordt op een eventuele beslissing op bezwaar, beroep en/of hoger beroep. Door de wijziging vast te stellen wordt legalisering mogelijk gemaakt van een bouwplan dat naar oordeel van appellanten onder het toen geldende bestemmingsplan uit 2011 niet mogelijk is. Reactie appellant sub a t/m c De eigenaar van het perceel Johannes Vermeerstaat 85 heeft diverse vergunningen voor een dakopbouw en dakterras aangevraagd. Ten tijde van deze aanvraag moest getoetst worden aan het toen geldende bestemmingsplan.

Er was nog geen sprake van voorbereidingsbescherming op grond waarvan de aanvragen aangehouden hadden kunnen worden. Op 5 augustus 2021 zijn vergunningen verleend voor het realiseren van de gevraagde dakopbouw en dakterras. Deze vergunningen konden niet geweigerd worden vanwege het feit dat er geen strijd is met het toen geldende bestemmingsplan.

44

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Dat tegen de verleende vergunning nog bezwaar loopt doet niets af aan de geldende jurisprudentie ten aanzien van het opnemen van een verleende, doch niet onherroepelijke, vergunning in een nieuw bestemmingsplan. Hiervoor wordt verwezen naar onderstaande uitsnede van uw Afdeling: “Een niet onherroepelijke omgevingsvergunning vormt een zwaarwegend belang dat de raad moet betrekken bij zijn besluitvorming over het bestemmingsplan (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:329). Dat een omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, betekent op zichzelf niet dat de raad die vergunning niet in een bestemmingsplan mag inpassen. De raad moet bij de vaststelling van het plan rekening houden met de verleende omgevingsvergunning en afwegen of er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redenen zijn om de vergunning al dan niet in het bestemmingsplan in te passen.” De raad heeft ten aanzien van de Johannes Vermeerstraat 85 een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat de verleende omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De opmerking van appellanten dat die vergunning nog niet onherroepelijk is, doet aan het voorgaande niets af. Ten aanzien van het punt dat appellanten van mening zijn dat het bestreden besluit in strijd is met de raadsvoordracht merkt de raad het volgende op.

In de raadsvoordracht wordt in samenvattende vorm weergegeven wat de aard van de zienswijzen was. In de raadsvoordracht wordt tevens verwezen naar de totale nota van beantwoording zienswijzen en originele zienswijzen die de raad ontvangt ter beoordeling van het gehele dossier. De conclusie van appellant dat enkel onherroepelijke vergunningen in het bestemmingsplan verwerkt worden deelt de raad dan ook niet. In de uitsnede uit de raadsvoordracht die appellanten genoemd hebben wordt ingegaan op voorbeelden en geen uitputtende lijst van aanpassingen. Appellant sub d Appellant geeft aan een procedure over een dakopbouw met dakterras te voeren bij uw Afdeling ter plaatse van Frans van Mierisstraat 131. Reactie appellant sub d Het is de raad niet duidelijk wat de inhoudelijke gronden van dit deel van het beroep van appellant is. Appellant geeft enkel aan dat er nog een procedure bij uw Afdeling loopt ten aanzien van een verleende vergunning, maar gaat hier inhoudelijk niet op in. Het is daarmee voor de raad onduidelijk op welke inhoudelijke gronden dit beroep tegen het bestemmingsplan zich richt. De raad verwacht echter dat appellant het niet eens is met het feit dat verleende, maar niet onherroepelijke vergunningen zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Daarover merkt de raad het volgende op: Ten tijde van het opstellen van dit verweer is een tussenuitspraak van uw Afdeling bekend.

(ECLI:NL:RVS:2022:3153). Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft het college op 24 januari 2023 een nieuw besluit genomen en aan u toegezonden. In dit besluit van 24 januari 2023 concludeert het college dat de verleende vergunning in stand kan blijven. De vergunning was al verwerkt in het bestemmingsplan. Op grond van staande jurisprudentie (zie ook onder het kopje Appellant sub a t/m c) heeft de raad de verleende vergunning mogen verwerken in het bestemmingsplan. De raad is van mening dat ter plaatse sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

45

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Appellant sub e Ter plaatse van Nicolaas Maesstraat 112 is door de gemeente Amsterdam een vergunning verleend. Appellant sub e heeft hiertegen bezwaar ingediend bij de gemeente. Appellant geeft aan dat deze procedure nog niet is afgerond. Reactie appellant sub e Het is de raad niet duidelijk wat de inhoudelijke gronden van dit deel van het beroep van appellant is. Appellant geeft enkel aan dat er nog geen besluit op bezwaar inzake de omgevingsvergunning is genomen. Het is daarmee voor de raad onduidelijk op welke inhoudelijke gronden dit beroep tegen het bestemmingsplan zich richt. De raad verwacht echter dat appellant het niet eens is met het feit dat verleende, maar niet onherroepelijke vergunningen zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Daarover merkt de raad het volgende op: Op grond van staande jurisprudentie (zie ook onder het kopje Appellant sub a t/m c) heeft de raad de verleende vergunning mogen verwerken in het bestemmingsplan. De raad is van mening dat ter plaatse sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Appellanten sub a t/m e, goothoogtes Appellanten zijn van mening dat de gemeenteraad het advies van Bureau Monumenten en Archeologie niet opvolgt ten aanzien van het opnemen van goothoogten in het plangebied. De noodzakelijke bescherming van kapprofielen wordt daarmee losgelaten.

Appellanten menen dat het belang van de dubbelbestemmingen Waarde – Cultuurhistorie zien op de bescherming van het kapprofiel maar niet op de hoogte van de kap en het pand. Appellant meent dat dit alleen kan met het opnemen van een maximale kap- en goothoogte. Appellanten zijn van mening dat het schrappen van de goothoogtes in het bestreden besluit consequenties heeft en de bescherming lager is dan het voorheen geldende bestemmingsplan uit 2011. Reactie appellanten sub a t/m e, goothoogtes Voor de beantwoording van dit deel van dit beroep verwijzen wij naar hoofdstuk 1 van dit verweerschrift onder het kopje Algemene thema’s, punt 2 Wijzigingen bouwmogelijkheden, subkopje beschermen cultuurhistorische waarden en bepalen goot- en bouwhoogtes. Tevens verwijzen wij in dit kader naar de beantwoording van beroep 12 (paragraaf 2.12 van dit verweerschrift) onder het kopje “Reactie ontbreken goothoogtes” Appellanten sub a t/m e, algemene afwijkingsregels Appellanten maken bezwaar tegen artikel 41 van de regels. Appellanten zijn van mening dat het bezwaarlijk is dat artikel 41.1 niet ook is opgenomen voor de maximum goothoogte.

Tevens maken zij bezwaar tegen artikel 41.2 Reactie appellanten sub a t/m e, algemene afwijkingsregels Wij verwachten dat appellant bedoelt dat hij een aanvulling op de regels had gewenst die bepaalt dat de bestaande goothoogtes gezien moeten worden als de maximum goothoogtes. Voor de

46

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

beantwoording van dit punt wordt verwezen naar beroep 12 (paragraaf 2.12 van dit verweerschrift) onder het kopje “Ontbreken vangnetbepaling goothoogtes”. Ten aanzien van het bezwaar tegen artikel 41.2 heeft appellant niet aangegeven welke ruime regels bezwaarlijk zijn en waarom. Alleen al daarom kan deze beroepsgrond niet slagen. Verder wijst de raad erop dat deze planregel is vastgesteld om flexibiliteit te behouden en alleen gaat om beperkte overschrijdingen ten behoeve van (kort gezegd) ondergeschikte (onderdelen van) bouwwerken. Appellanten sub a t/m e, afwijkingsregels artikel 44.1 Appellant meent dat het bestemmingsplan onvoldoende rechtszekerheid biedt vanwege een ruime afwijkingsregel die is opgenomen in artikel 44.1 Reactie Voor de beantwoording van dit deel van het beroep wordt verwezen naar de “Reactie appellanten sub a t/m e, algemene afwijkingsregels”. Verder merkt de raad op dat het slechts om beperkte overschrijdingen van de toegestane bouwmogelijkheden gaat en dat deze mogelijkheden vergelijkbaar zijn met de afwijkingsmogelijkheden uit het voorgaande bestemmingsplan. Appellanten sub a t/m e, artikel 44.1 sub a lid 7 Appellanten zijn van mening dat dit bovengenoemd lid redactioneel onduidelijk is door het ontbreken van het woordje ‘of’. Appellant meent dat hierdoor sprake is van onvoldoende rechtsbescherming en rechtszekerheid.

Reactie De raad erkent dat er sprake is van een kennelijke verschrijving. De regel van artikel 44.1 sub a onder 7 had als volgt opgeschreven moeten worden: “het overschrijden van bouwvlak-, aanduidings- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2 meter ten behoeve van erkers, serres, uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, met uitzondering van locaties waar laad- en losactiviteiten plaatsvinden.” De raad zal deze kennelijke verschrijving herstellen door het nemen van een herstelbesluit. Daardoor is er geen sprake meer van onvoldoende rechtsbescherming of rechtszekerheid.

Appellant 27 Appellant dient beroep in tegen het wegbestemmen van het kassahuisje ter hoogte van Stadhouderskade 40. Appellant geeft aan in 1992 vergunning te hebben gekregen voor het betreffende kassahuisje en sindsdien is het kassahuisje ook als zodanig in gebruik. Enkel ten tijde van de Covis19-pandemie is het kassahuisje tijdelijk niet in gebruik geweest. Appellant wijst erop dat bestaand legaal gebruik in beginsel positief bestemd moet worden. Daarnaast wijst appellant op het gelijkheidsbeginsel en geeft hij aan dat de kassahuisjes van andere rederijen wel positief bestemd zijn geworden. Appellant is dan ook van mening dat zijn kassahuisje ook positief bestemd had moeten worden.

47

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Reactie Zowel bij een eerste inventarisatie in 2020 als bij nacontrole voorafgaand aan de raadscommissie (28 juni 2022) is gebleken dat het betreffende kassahuisje niet in gebruik was. Ten tijde van de nacontrole golden al lange tijd geen Covid-maatregelen meer. Op basis daarvan heeft de raad geconcludeerd dat het gebruik dan ook langdurig gestaakt was. De raad heeft het kassahuisje daarom, gelet op het uitgangspunt om alleen bestaand legaal aanwezige functies positief te bestemmen, in redelijkheid kunnen wegbestemmen. Echter, controles in 2023 hebben uitgewezen dat het kassahuisje opnieuw in gebruik is. Om die reden zal het kassahuisje alsnog positief bestemd gaan worden. De raad gaat daarom een herstelbesluit nemen waarin het kassahuisje, net als andere kassahuisjes in het gebied, planologisch wordt toegestaan.

Appellant 28 Appellant gaat in beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan omdat hij van mening is dat het gebruik van een hotel ter plaatse van Jan Luijkenstraat 22H ten dele is wegbestemd. Appellant voert daarbij aan dat hij een omgevingsvergunning heeft ontvangen op 5 oktober 2021 en dat deze vergunning niet is verwerkt in het bestemmingsplan. Appellant onderbouwt dit als volgt. In de regels onder artikel 16.3.4 is opgenomen dat “in een gebouw waarin zich ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan zowel een of meer hotel(s) als een of meer woning(en) bevinden [….] de woonfunctie in het souterrain, de eerste en tweede bouwlaag gehandhaafd moeten blijven.” En in artikel 42.1, aanhef en sub j is bepaald dat het aantal slaapplaatsen in het plangebied niet uitgebreid mag worden. Appellant is van mening dat het bestemmingsplan niet in lijn is met vaste jurisprudentie van uw Afdeling over het positief bestemmen van legaal bestaand gebruik. Appellant is van mening dat het hierbij niet van belang is dat de verleende vergunning nog niet ten uitvoering is gebracht. Voor zover de gemeenteraad de mogelijkheid van het hotelgebruik ter plaatse heeft willen wegbestemmen, ontbreekt hiervoor een motivering.

Appellant merkt op dat de regel onder 16.3.4 onduidelijk en rechtsonzeker is omdat de regel in het midden laat of er ter plaatse een woonfunctie aanwezig is en er dan geen hotel mogelijk is. Appellant meent dat de regels die nu opgenomen zijn op een misverstand moeten berusten nu er ter plaatse volgens appellant niet gewoond wordt én de woonfunctie op grond van het oude bestemmingsplan (2011) ook niet mogelijk is. Tot slot merkt appellant op dat hij een planschadeprocedure zal gaan starten indien de regels van het plan ongewijzigd blijven.

48

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Reactie Appellant merkt terecht op dat met deze planregeling de mogelijkheid om in het souterrain, de eerste en tweede bouwlaag een hotel te exploiteren wordt wegbestemd. Het bestaande hotel wordt daarentegen niet wegbestemd. De gemeenteraad is van mening dat de planregeling niet onduidelijk is, alleen al vanwege het feit dat appellant aan de planregeling de juiste conclusie verbindt. De keuze voor het wegbestemmen wordt hieronder nader toegelicht. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen (zie bijv. ECLI:NL:RVS:2022:1992). De gemeenteraad heeft zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022 gerealiseerd dat in het bestemmingsplan uit 2011 ten onrechte aan het gehele pand op het perceel Jan Luijkenstraat 22H een hotelfunctie is toegekend en wonen is uitgesloten. In het bestemmingsplan Museumplein e.o.

(vastgesteld in 1988, tevens toegevoegd als bijlage 6 bij dit verweer) was de woonfunctie wel toegekend. Dit bestemmingsplan gold voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt uit 2011. In het bestemmingsplan uit 1988 geldt ter plaatse van Jan Luijkenstraat 22H de bestemmingen B + W: doeleinden voor handel en bedrijf + woondoeleinden. Het ontbreken van de woonfunctie in het bestemmingsplan uit 2011 is dan ook een omissie die in het bestemmingsplan van 2022 weer is hersteld. In de tweede plaats merkt de raad op dat het op grond van het overnachtingsbeleid (zie bijlage 5) niet wenselijk is het aantal slaapplaatsen uit te breiden. Het perceel Jan Luijkenstraat 22H ligt op grond van de gebiedskaart, behorende bij het overnachtingsbeleid in een ‘nee-gebied’. (Zie de uitsnede hieronder waarbij de locatie met de rode stip is aangeduid.)

49

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

In het aangescherpte overnachtingsbeleid (deel 1) dat op 26 oktober 2021 door het college van B&W is vastgesteld blijkt dat: “een hotelinitiatief mag niet in een nee-gebied uitgevoerd worden”. Het betreft hier zowel nieuwe hotelinitiatieven als uitbreidingen van bestaande hotels die niet meer mogelijk zijn. Ter uitvoering van dit beleid is daarnaast ook in deel 1 van dit beleid (te weten pagina 21) bepaald dat de gemeente geen medewerking meer verleent aan de wijziging van erfpachtvoorwaarden ten behoeve van een nieuw hotel of een hoteluitbreiding in een nee gebied, ook niet als deze bestemming publiekrechtelijk is toegestaan. De raad beseft zich dat het in dit geval gaat om een locatie waar sprake is van eigendom en dus geen erfpacht aan de orde is, maar de raad stipuleert hiermee wel dat het beleid streng uitgevoerd wordt.

In deel 2 van het overnachtingsbeleid (eveneens vastgesteld op 26 oktober 2021) is aangegeven welk doel wordt nagestreefd (pagina 6) namelijk: “Het doel van het overnachtingsbeleid is dat er, ter bescherming van de woon- en leefomgeving, in nee-gebieden géén en in nee, tenzij gebieden slechts tegen vergaande kwalitatieve randvoorwaarden overnachtingscapaciteit bij komt.” Uit paragraaf 3.4.2 (Uitgangspunten gebruik, subparagraaf horeca) van de toelichting volgt dat in het oude bestemmingsplan (2011) diverse wijzigingsbevoegdheden waren opgenomen om het aantal hotels en horeca-vestigingen uit te breiden. De wijzigingsbevoegdheden om nieuwe hotels te vestigen komt te vervallen. Het gehele plangebied is in het overnachtingsbeleid aangewezen als nee gebied. Dit betekent dat zich hier geen nieuwe hotels mogen vestigen. Ook in paragraaf 5.5.16 van te toelichting (Overnachtingsbeleid) wordt dit bevestigd.

50

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Door zowel de onderbouwing uit de toelichting van het bestemmingsplan als het overnachtingsbeleid blijkt dat de raad geen nieuwe hotelinitiatieven mogelijk maakt en dat zij hotelfuncties op locaties waar die nog niet feitelijk zijn uitgevoerd wegbestemt ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Dit alles leidt tot de volgende regels in het bestemmingsplan: Artikel 42.1 onder j: “Onder verboden gebruik wordt in elk geval begrepen het gebruik van gronden en/of bebouwing: … j. het uitbreiden van het bestaande aantal slaapplaatsen in het plangebied.” Ten aanzien van het begrip bestaand wordt verwezen naar de begrippen uit artikel 1.16 onder b van de regels. Hierin is opgenomen dat bestaand is gedefinieerd als: “het legale gebruik van gronden en opstallen, zoals aanwezig op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt.” De raad heeft hiermee beoogd om het feitelijk aantal slaapplaatsen dat aanwezig is op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan vast te leggen. Met andere woorden, uitbreiding van het aantal slaapplaatsen is niet toegestaan. Dit is in de toelichting in paragraaf 8.2.3 (artikelsgewijze toelichting) ook aangegeven: “Naast het ongewenste gebruik van gronden is in dit bestemmingsplan tevens vastgelegd welke vormen van detailhandel, consumentgerichte dienstverlening en horeca ongewenst zijn.

Dit zijn toeristische voorzieningen, automatenhallen, belwinkels, geldwisselkantoren, massagesalons, seksinrichtingen, shishalounges en smartshops. Deze worden in de algemene gebruiksregels dan ook expliciet uitgesloten. Ook het uitbreiden van het aantal slaapplaatsen bij hotels etc wordt gezien als verboden gebruik. Dit is in lijn met het momenteel geldende overnachtingenbeleid van de gemeente.” Naar mening van de raad kan appellant geen beroep doen op het begrip bestaand legaal gebruik omdat deze verdiepingen feitelijk niet als hotel in gebruik genomen zijn. Verleende omgevingsvergunning Ten aanzien van de verleende omgevingsvergunning en het al dan niet verwerken van deze vergunning in het bestemmingsplan merkt de raad het volgende op. Het bestaande hotel is niet wegbestemd, maar uitsluitend de planologische mogelijkheid tot ingebruikname van het souterrain, de eerste en tweede bouwlaag als hotel. Dat wil de raad tegen gaan. Feit is dat op dit moment geen gebruik gemaakt is/wordt van de verleende vergunning. Daarmee wordt appellant getroffen door het gebruiksverbod uit artikel 42.1 onder j. Dat appellant van mening is dat zijn vergunning verwerkt had moeten worden in het bestemmingsplan doet hier niets aan af.

Appellant maakt naar mening van de raad een onjuiste vergelijking met uw uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:172), want van planologisch legaal gebruik is in dit geval geen sprake.. De raad is van mening dat de omgevingsvergunning van 5 oktober 2021 voor de activiteit bouwen (en aanpassen monument) moest worden verleend op basis van het limitatief imperatief stelsel

51

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

van artikel 2.10 Wabo. Dat betekent dat de omgevingsvergunning geen expliciete planologische toestemming behelst om de verdiepingen van het pand als hotel c.q. overnachtingsplaatsen te gaan gebruiken. Tot slot merkt de raad op dat het op grond van jurisprudentie van uw Afdeling niet verplicht is om verleende maar niet onherroepelijke omgevingsvergunningen in te passen in het bestemmingsplan. Hiervoor verwijst de raad naar uw uitspraak van 24 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:838), r.o. 16.2. Het volgende citaat uit deze uitspraak wordt voor het gemak herhaald: “De afweging die de raad had moeten maken is of er uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redenen zijn om de vergunning al dan niet in te passen, waarbij de verleende, maar nog niet onherroepelijke vergunning wel een zwaarwegend belang vormt (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9965, onder 3.4 en van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1812, onder 10.3). Er bestond derhalve geen verplichting voor de raad om het bouwvlak op te nemen in het plan.

Gelet op het feit dat de verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk was en de raad het voorbereidingsbesluit heeft genomen omdat de woning uit ruimtelijk oogpunt ongewenst is, was een andere uitkomst niet op voorhand onmogelijk.” Weliswaar komt de verleende omgevingsvergunning een zwaarwegend belang toe, maar desalniettemin zijn er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redenen om de vergunning niet in te passen. Zoals aangegeven is deze locatie aangewezen als een nee-gebied. De raad is van mening dat het woon- en leefklimaat van bewoners in dit geval moet prevaleren boven het belang van het hotel om te kunnen uitbreiden. Temeer omdat de verkregen vergunning een forse uitbreiding van het aantal slaapplaatsen (80 slaapplaatsen) betreft. Zoals gezegd betreft de verleende vergunning enkel een bouwvergunning. Een toets of ter plaatse sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft in dit kader niet plaats kunnen vinden. In dit kader wijst de raad op de volgende uitspraak van uw Afdeling (ECLI:NL:RVS:2017:329) r.o. 4.2 waaruit blijkt dat: “bij de vergunningverlening geen beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van dat gebruik had plaatsgevonden.

De raad kon in die zaak bij de vaststelling van het bestemmingsplan derhalve niet zonder meer bij de verleende omgevingsvergunning aansluiten.” Hiermee heeft de raad alsnog uitgebreid onderbouwd waarom de verleende omgevingsvergunning niet is ingepast in het bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022. Artikel 16.3.4 en aanwezigheid woning De stelling dat er geen woning aanwezig is ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan wordt niet gedeeld. In de bouwaanvraag die heeft geleid tot de vergunning van 5 oktober 2021 staat dat de aanvraag betrekking heeft op het intern veranderen en vernieuwen van het gemeentelijk monument van één woning naar een hotel (zie bijlage 11). Ook uit eerder ingediende tekeningen blijkt ter plaatse een woning aanwezig te zijn (zie bijlage 12). Alleen al hierom is de raad van mening dat deze beroepsgrond niet slaagt. Desalniettemin kan de gemeenteraad zich voorstellen dat de beschrijving van artikel 16.3.4 vragen oproept, omdat wordt aangesloten bij de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het

52

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

bestemmingsplan. De raad heeft niet duidelijk genoeg tot uitdrukking gebracht dat als er in het souterrain, eerste en/of tweede bouwlaag een woning aanwezig is, deze woning aanwezig moet blijven. Met andere woorden in deze bouwlagen is enkel de woonfunctie toegestaan. Om deze mogelijke onduidelijkheid weg te halen zal de raad een herstelbesluit nemen waarin de planregel verduidelijkt wordt. Tot slot merkt de raad op dat een eventuele procedure tot het verhalen van planschade buiten de reikwijdte van deze zaak valt. De raad gaat hier dan ook niet nader op in.

Appellant 29 Appellant heeft beroep aangetekend tegen het bestemmingsplan en in het bijzonder tegen artikel 45 van de regels. In artikel 45 wordt de regel begonnen met de woorden “in afwijking van”. Appellant wenst dit graag gewijzigd te zien in “in aanvulling op”. Daarmee is het voor appellant duidelijker dat het de bedoeling is dat de reeds verleende vergunning uitgevoerd mag blijven worden. Reactie De raad merkt als eerste op dat de zienswijze van appellant woordelijk is overgenomen in artikel 45 van de planregels. In de tijd dat de nota van beantwoording zienswijzen is opgesteld is meermaals contact geweest met appellant waarin de gemeente meermaals heeft toegelicht dat appellant op basis van de regels die er toen lagen haar vergunning kon blijven uitvoeren (zonder artikel 45). Appellant nam daar geen genoegen mee en de raad heeft de gevraagde aanpassing bij wijze van welwillendheid doorgevoerd in de regels. Dat appellant het nu niet eens is met haar eigen aangevoerde regel verbaast de raad ten zeerste. De raad ziet inhoudelijk ook geen reden om de gevraagde aanpassing door te voeren, aangezien de door appellant gewenste planregel woordelijk in artikel 45 van de planregels is vastgelegd.

Appellant 30 Appellant is eigenaar van de woning aan de Johannes Verhulststraat 117HS. Appellant geeft in de inleiding van zijn beroepschrift aan dat de bouw van/werkzaamheden aan een zwembad per 25 mei 2022 stilgelegd zijn. De bezwaarprocedure hierover loopt nog ten tijde van dit beroep. Inhoudelijk kan appellant zich niet vinden in de zinsnede uit artikel 37.1 onder a waarbij is bepaald dat de genoemde gronden niet gezien moeten worden als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het vergunningvrij bouwen wordt hiermee beperkt en appellant vindt dat vergunningvrij bouwen niet ingeperkt mag worden door middel van een bestemmingsplan. Uitsluitend wanneer locatiespecifieke omstandigheden hiertoe aanleiding geven en dit strekt tot een goede ruimtelijke ordening , kan een planregel worden opgenomen die het vergunningvrij bouwen aan banden legt. Appellant is van mening dat in dit geval geen sprake is van een locatiespecifieke omstandigheid die het rechtvaardigt om vergunningvrij bouwen aan banden te leggen.

53

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Tot slot gaat appellant specifiek in op de mogelijkheid om een zwembad vergunningvrij te kunnen realiseren op grond van artikel 3 lid 5 bijlage II Besluit omgevingsrecht. Appellant meent dat de raad ook hiervoor een motivatie had moeten geven waarom dit deel van het vergunningvrij bouwen aan banden gelegd is, door middel van de planregel uit artikel 22.2.3 onder d. Appellant meent schade te ondervinden als gevolg van deze planregels en stelt hiermee dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet voldoende is aangetoond. Reactie Voor de beantwoording van dit beroep wordt allereerst verwezen naar hoofdstuk 1 van dit verweer onder het kopje “regeling binnentuinen”. Hieruit blijkt dat de raad wel degelijk een locatiespecifiek onderzoek heeft uitgevoerd wat het rechtvaardigt dat vergunningvrij bouwen ten dele aan banden is gelegd. Voor wat betreft de mogelijkheid een zwembad vergunningvrij te kunnen realiseren verwijst de raad in dit geval naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam met zaaknummer: AMS 22/3546 d.d 16 augustus 2022 (zie ook bijlage 7). Hierin wordt geconcludeerd dat het gebruik van een zwembad/jacuzzi niet gezien kan worden als gebruik van de tuin. Om verdere discussies over de mogelijke realisatie van zwembaden te voorkomen heeft de raad ervoor gekozen, in lijn met de bovengenoemde uitspraak, zwembaden in zijn geheel uit te sluiten.

Uiteraard behoudens bestaand legaal aanwezige zwembaden. De raad wijst er verder op dat zwembaden en bubbelbaden op grond van artikel 3 onderdeel 5 van Bijlage II bij het Bor alleen bouwvergunningvrij zijn. De raad kan dus in het kader van een goede ruimtelijke ordening in het bestemmingsplan vastleggen dat zwembaden planologisch niet zijn toegestaan. Dat heeft de raad voor het perceel van appellant ook gedaan. Daarvoor hoeft de raad geen locatie-specifieke omstandigheden aan te dragen, omdat daarmee niet de inrichting als ‘erf’ wordt uitgesloten. Ten aanzien van schade is het de raad niet duidelijk waar appellant exact op doelt. Indien appellant van mening is dat er sprake zou zijn van planschade, dan kan appellant, te zijner tijd een verzoek tot tegemoetkoming in planschade indienen. Een eventueel aan appellant uit te keren tegemoetkoming is niet zodanig dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingsplan daardoor niet uitvoerbaar is.3

Appellant 31 Appellant richt zich tegen de wijze van bestemmen van de op- en afstaplocatie van de Blue Boat ter hoogte van Stadhouderskade 30. Appellant is van mening dat de bestaande pontons, ondanks de wijzigingen die de raad bij vaststelling van het bestemmingsplan reeds heeft doorgevoerd, niet juist is. Appellant vindt dat een ponton niet past binnen de aanduiding ‘aanlegsteiger´. 3

AbRS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:448, r.o. 5.2

54

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Reactie De raad is van mening dat de algemene betekenis van een ponton een drijvende aanlegsteiger is. De betreffende ponton valt binnen het aanduidingsvlak ‘aanlegsteiger´. Het is de raad dan ook niet duidelijk waarom appellant van mening is dat een ponton niet binnen de betekenis van een aanlegsteiger past. De raad is van mening dat het bestaande ponton op de juiste wijze positief is bestemd in het bestreden besluit en ziet dan ook geen aanleiding tot wijziging van het bestemmingsplan. De raad wijst ter illustratie op de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 20124 waarin de Afdeling oordeelt dat een ‘aanlegsteiger’ onder meer bestaat uit een ponton. Anders gezegd: als een aanlegsteiger is toegestaan, is ook een ponton toegestaan. De vrees van appellant dat de betreffende ponton in strijd is met het bestemmingsplan is dus ongegrond.

Appellant 32 Appellant is eigenaar van het pand aan de Paulus Potterstraat 42 en dient beroep in tegen de bestemmingsregeling van zijn pand. Appellant verzoekt de bestemming van zijn pand te wijzigen naar de bestemming Gemengd -5 overeenkomstig het verworpen amendement dat ingediend was bij vaststelling van het bestemmingsplan in de gemeenteraad. Appellant is van mening dat er in de Paulus Potterstraat mogelijkheid is tot functionele transformatie, waardoor een gemengde bestemming op zijn plaats is. Hierbij verwijst appellant naar diverse passages die in de toelichting van dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Reactie De raad erkent dat de toelichting van het bestemmingsplan, de Nota van Uitgangspunten en de regels niet eenduidig zijn ten aanzien van de wensen voor de noordzijde van de Paulus Potterstraat. De raad is van mening dat hetgeen in de nota van uitgangspunten en toelichting is opgenomen ten aanzien van de wenselijkheid van functiemenging aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat ook doorvertaald moet worden naar de regels. De regels zullen voor wat betreft een aantal panden aan deze straat worden aangepast door een herstelbesluit. Dat betekent concreet dat de functiemenging wordt toegestaan door het toekennen van de bestemming Gemengd – 4, met functieaanduiding ‘wonen’.

Appellant 33 Voor de samenvatting en verweer van dit beroep wordt verwezen naar paragraaf 2.12.

Appellant 34 Pieter de Hoochstraat 11/Hobbemakade 31 4

AbRS 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5123, r.o. 2.4.2

55

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Appellant is bezig met de herontwikkeling van het pand aan de Pieter de Hoochstraat 11/Hobbemakade 31. Het beroep van appellant ziet op de bouwhoogte die is verlaagd van 19 meter naar 16 meter in het bestreden besluit. Appellant stelt dat deze verlaging onder andere in strijd is met de in 2010 gesloten anterieure overeenkomst behorende bij deze herontwikkeling. Ook stelt appellant dat de bestaande bouwhoogte zonder goede reden is wegbestemd. De beantwoording van de gemeente die hierover gegeven is in de nota van beantwoording zienswijzen houdt volgens appellant geen stand. Appellant geeft aan dat de gemeente niet kan meewerken aan een hogere bouwhoogte omdat er geen sprake is van een voldoende concreet bouwplan. Appellant is van mening dat het niet nodig is om met een concreet bouwplan te komen omdat het gaat om het behoud van een bouwhoogte zoals die in het oude bestemmingsplan (2011) was opgenomen. Daarnaast verwijst appellant naar een zone waar verhoging van bebouwing denkbaar is, waar dit adres niet bijstaat. Volgens appellant is zijn adres hier niet gemoed omdat het niet gaat om een verhoging van de bouwhoogte maar om behoud van de bestaande planologische bouwhoogte. Reactie Pieter de Hoochstraat 11/Hobbemakade 31 Allereerst wijst de raad appellant erop dat de anterieure overeenkomst uit 2010 is gesloten met het college van B&W.

De raad staat hier los van en mag dus in het kader van een goede ruimtelijke ordening een andere afweging maken dan het college in de anterieure overeenkomst heeft voorzien. (zie ook: ECLI:NL:RVS:2017:109 (r.o. 6.1.) en ECLI:NL:RVS:2022:1543 (r.o. 4.1)). De raad heeft een eigen afweging gemaakt. In de toelichting van het bestemmingsplan, paragraaf 3.2.2, is bepaald dat de bestaande, feitelijk aanwezige, bouwhoogtes worden vastgelegd bij vaststelling van het bestreden besluit (voor zover het gaat om legaal aanwezige bouwhoogtes). Dit uitgangspunt is tot stand gekomen vanwege de grote bouwwoede die dit stadsdeel kent. Het gemeentebestuur is van mening dat hier een oplossing voor moet komen. Dit wordt ten dele opgelost door het bieden van minder bouwmogelijkheden dan het oude bestemmingsplan (2011) heeft geboden. Dit leidt tot het vastleggen van de bestaande bouwhoogtes. Daarmee heeft de raad een nieuwe afweging gemaakt ten opzichte van het bestemmingsplan uit 2011, waardoor het vastleggen van de bestaande bouwhoogtes het nieuwe uitgangspunt is geworden. Dat het college eerder andere afspraken met appellant heeft gemaakt doet hier niets aan af. Cornelis Schuytstraat 49-51 Appellant is van mening dat zijn vergunning van 29 oktober 2015 niet (juist) is verwerkt in het bestreden besluit en wenst het bestemmingsplan op dit punt aangepast te zien.

Appellant heeft een vergunning gekregen voor de herindeling van beide panden ten behoeve van detailhandel op de begane grond en kelder en het realiseren van een aantal woningen in de bovengelegen verdiepingen. Ook ziet de vergunning op het realiseren van een extra verdieping ter plaatse van nummer 51 en het realiseren van een dakterras ter plaatse van nummer 49. Reactie Cornelis Schuytstraat 49-51 Per abuis is deze vergunning niet verwerkt in het nieuwe bestemmingsplan. Het bestemmingsplan moet hierop aangepast worden. Op grond van de systematiek van het bestemmingsplan is de bestemming Gemengd - 3 de juiste bestemming. De bouwhoogte is wel juist op de verbeelding

56

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

van het bestemmingsplan opgenomen. De raad zal deze wijziging via een herstelbesluit doorvoeren.

Appellant 35 Evenementen Appellant is van mening dat het bestemmingsplan geen afweging bevat waarom evenementen op deze locatie (Museumplein) zijn aangewezen en hoeveel evenementen zijn toegestaan. Daarnaast vindt appellant dat de toelichting van het bestemmingsplan tegenstrijdigheden bevat. Appellant vindt dat als de hoofdfunctie van het plein is om te verpozen zich dat niet verhoudt met het op grote schaal organiseren van evenementen waardoor op dat moment niet verpoosd kan worden op het plein. Appellant meent dat vanwege evenementen en de daarbij behorende op- en afbouw het plein 126 dagen per jaar bezet is. Appellant acht het aanvaardbaar dat het Museumplein maximaal 20 % van een jaar gebruikt mag worden voor evenementen. Ook is appellant het niet eens met de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester om af te wijken van de beleidsregels met betrekking tot evenementen. Tot slot wijst appellant er op dat er voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan sprake is van nieuw evenementenbeleid dat in voorbereiding is. In dit licht bezien vindt appellant het niet aanvaardbaar dat de regels voor evenementen in het bestemmingsplan zijn vastgelegd aan de hand van het nu geldende beleid. Appellant is van mening dat het bestemmingsplan minder evenementen moet toestaan op het Museumplein en dit eventueel bij te stellen als het nieuwe beleid in werking is getreden.

Appellant verzoekt de gemeente om schriftelijk toe te zeggen dat het bestemmingsplan zal worden aangepast op het moment dat er nieuw beleid ten aanzien van evenementen is vastgesteld. Reactie evenementen In het evenementenbeleid van Amsterdam, ook wel de locatieprofielen genoemd, is een gedegen afweging gemaakt op welke locatie in de stad welk type evenementen toegestaan kunnen worden. Dit beleid dateert van december 2020 (zie bijlage 8). Het Museumplein is hierbij ook aangewezen als evenementenlocatie. Bij het bepalen van de regels die voor dit plein gelden is gekeken naar gebiedsspecifieke omstandigheden op basis waarvan onder andere het aantal evenementen en het aantal evenementen waarbij veel geluid geproduceerd mag worden is vastgelegd. Voor zover de regels uit deze locatieprofielen ruimtelijk relevant zijn, zijn deze opgenomen in het bestreden besluit. De raad heeft geen aanleiding om aan te nemen dat het geldende beleid niet of anders vertaald had moeten worden in het bestemmingsplan. De afweging of en voor hoeveel evenementen het Museumplein geschikt is, is gemaakt ten tijde van het vaststellen van het evnementenbeleid en is hier om die reden niet volledig herhaald. Het bestemmingsplan is in lijn met het gemeentelijke beleid.

57

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

De berekening van het aantal dagen waarop evenementen (inclusief op/afbouw) zijn toegestaan kan de raad niet volgen. Het aantal evenementdagen is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd (zie artikel 15.3.1). Daarbij is zowel het aantal evenementen als het maximum aantal evenementdagen vastgelegd. In het Locatieprofiel is opgenomen hoeveel dagen er maximaal open afbouw mag plaatsvinden. Het maximum aantal evenementdagen bedraagt 26 dagen per jaar. Het aantal op- en afbouwdagen bedraagt maximaal 78 dagen. In totaal is er dan sprake van maximaal 104 dagen waarop het Museumplein niet of niet geheel kan worden gebruikt door buurtbewoners. Dit acht de raad aanvaardbaar. Ten aanzien van de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester om af te wijken van het evenementenbeleid merkt de raad op dat dit buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan valt en derhalve geen onderdeel van dit beroep kan uitmaken. Indien en voor zover appellant vreest dat de burgemeester een ongelimiteerd aantal evenementen kan toestaan, wijst de raad erop dat de bevoegdheid van de burgemeester om van het evenementenbeleid af te wijken, niet de bevoegdheid bevat om van artikel 15.3 van de planregels af te wijken.

Over beleid dat nog in voorbereiding is ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan kan de raad niet anders concluderen dan dat het niet mogelijk is om in een bestemmingsplan in te gaan op een besluit dat nog niet genomen is. De nieuwe locatieprofielen zijn nog niet afgerond en hierover heeft ook ten tijde van het schrijven van dit verweer nog geen bestuurlijke besluitvorming plaatsgevonden. Zolang er geen nieuw beleid door het gemeentebestuur is vastgesteld, kan de raad hier bij vaststelling van een bestemmingsplan ook geen rekening mee houden. De in het plan vastgestelde regels over evenementen acht de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. Afwijkingsbevoegdheden Appellant komt in beroep tegen artikel 44.1 sub a onder 7. Het betreft hier een algemene afwijkingsregel voor het overschrijden van grenzen met ten hoogste 2 meter. Appellant meent dat de genoemde wijziging in samenhang met de overige regels die afwijkingen mogelijk maakt, de rechtszekerheid met betrekking tot de aanwezige (cultuurhistorische) waarden in het plangebied aantast. Er wordt volgens appellant teveel ruimte en vrijheid geboden via deze afwijkingsbevoegdheid. Reactie afwijkingsbevoegdheden Met betrekking tot de binnenplanse afwijking waar appellant naar verwijst merkt de raad op dat het hier gaat om een standaardregel die binnen Amsterdam wordt toegepast.

Artikel 44.1 onder a en 7 van de planregels luidt: Het bevoegd gezag kan in afwijking van de regels van dit plan een omgevingsvergunning verlenen voor: (…) 7. het overschrijden van bouwvlak-, aanduidings- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2 meter of ten behoeve van erkers, serres, uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, met uitzondering van locaties waar laad- en losactiviteiten plaatsvinden; Deze regeling is vergelijkbaar met artikel 25, vierde lid, van de planregels van het voorgaande plan:

58

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

“Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, is het dagelijks bestuur bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de desbetreffende bepalingen van dit bestemmingsplan, ten behoeve van: (…) 4. het overschrijden van de bouw- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2 meter voor erkers, serres, uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen;” De raad acht deze flexibiliteitsbepaling wenselijk en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van de formulering van artikel 44.1 sub a onder 7 merkt de raad op dat het woordje ‘of’ verwijderd had moeten worden. Het doel van de regels is om maximaal 2 meter te mogen afwijken ten behoeve van de hier genoemde bouwdelen. De kennelijke verschrijving wordt hersteld via een herstelbesluit. Generieke sloopvergunning Appellant is van mening dat in het gehele plangebied een generieke sloopvergunning had moeten worden opgenomen. Mede omdat er een beschermd stadsgezicht in voorbereiding was ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Appellant voegt een citaat van een verworpen amendement toe aan zijn beroep.

Reactie generieke sloopvergunning Er is bij het opstellen van het bestemmingsplan bekeken op welke wijze de aanwezige cultuurhistorische waarden het beste beschermd kunnen worden. Dit heeft geleid tot de dubbelbestemmingen Waarde – Cultuurhistorie 1, 2 en 3. Een toelichting over hoe deze dubbelbestemmingen tot stand zijn gekomen, is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit verweer onder het kopje Algemene thema’s, punt 2 wijzingen bouwmogelijkheden, subkopje beschermen cultuurhistorische waarden en bepalen goot- en bouwhoogtes. De raad acht het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk dat er een generiek sloopverbod wordt opgenomen in dit bestemmingsplan. Daarbij merkt de raad op dat het Museumkwartier inmiddels aangewezen is als beschermd stadsgezicht en vanuit artikel 2.1 lid 1 onder h van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een vergunningplicht geldt. Daarmee zijn de aanwezige cultuurhistorische waarden volgens de raad voldoende beschermd, waardoor de raad een sloopverbod niet noodzakelijk acht. De raad heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van een ‘generiek’ sloopverbod. Ondoorzichtige vaststelling Appellant geeft aan dat er veel bezwaarmakers hebben geklaagd over de ondoorzichtige vaststelling van het bestreden besluit. Reactie ondoorzichtige vaststelling

59

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Appellant onderschrijft alleen de door ‘veel bezwaarmakers’ genoemde kritiek dat het plan ‘ondoorzichtig’ is vastgesteld. Appellant geeft niet zelf aan waarom het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid. Indien en voor zover appellant hiermee opkomt voor de belangen van andere appellanten, staat het relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestemmingsplan op deze grond in de weg. Daarnaast is de raad van mening dat er geen sprake is geweest van een ondoorzichtige vaststelling. De buurt is meer dan eens betrokken geworden bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan. Reeds bij het opstellen van de Nota van Uitgangspunten zijn diverse bewonersavonden georganiseerd waarbij bewoners de kans gekregen hebben om mee te denken over de invulling van het nieuwe bestemmingsplan als ook hun vragen hierover te stellen. Na vaststelling van de Nota van Uitgangspunten is ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan ook een bewonersavond georganiseerd waar iedere bewoner van het plangebied wederom voor is uitgenodigd. Ook hier zijn vele vragen over het bestemmingsplan beantwoord. Deze vorm van participatie is uitgevoerd bovenop alle wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Om deze redenen kan er volgens de raad geen sprake meer zijn van een ondoorzichtige besluitvorming.

Verschil in beroep op de EVRM voor ondernemers en burgers Appellant geeft aan dat een deel van zijn zienswijze niet is beantwoord en herhaalt zijn zienswijze hierover in zijn beroep. Appellant vindt dat er verschillend wordt omgegaan met de vereiste afweging van grondrechten. Appellant is van mening dat dat verschil zich uit in een belangenafweging die wordt gemaakt ten aanzien van vrijheden van dienstverleners die hun economische diensten in het plangebied wil aanbieden en de vrijheidsrechten (artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM) van de omwonende bewoners. Appellant is van mening dat de privélevenssfeer van bewoners wordt aangetast door de organisatie van grootschalige evenementen. Zowel gedurende het evenement als tijdens op- en afbouw ondervinden bewoners hinder van deze evenementen. Hierdoor is er volgens appellant sprake van een ernstige inbreuk van de vrijheidsrechten van de ingezetenen van de gemeente. Reactie verschil in beroep op de EVRM voor ondernemers en burgers De raad bestrijdt niet dat er bij de vaststelling van een bestemmingsplan verschillende belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Ook grondrechten kunnen onderdeel van die belangenafweging uitmaken. De door appellant genoemde rechten (waaronder 8 EVRM en artikel 10 Grondwet) beogen de belangen van omwonenden te beschermen bij (kort gezegd) ongestoord genot van hun leefomgeving.

Daar staat tegenover onder meer het recht van eenieder om zijn of haar eigendom te kunnen gebruiken (artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM). Ook dat recht heeft de raad te eerbiedigen. Daarbij moet de raad een afweging van (onder meer) deze belangen maken. De door de raad gemaakte belangenafweging is niet onredelijk. De raad heeft daarbij betrokken dat het aantal evenementen in de planregels is beperkt, zodat er enerzijds evenementen plaats kunnen (blijven) vinden en anderzijds de belangen van omwonenden voldoende worden beschermd. Niet valt in te zien (en door appellant wordt ook niet onderbouwd) waarom de door de raad gemaakte belangenafweging in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

60

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Appellant 36 Appellant geeft aan ter plaatse van haar woning overlast te ondervinden van diverse horecavestigingen aan de Johannes Vermeerstraat en Ruysdaelstraat. Volgens appellant kunnen horecavestigingen hier niet voldoen aan de gestelde waarden voor geur en geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Begrip horeca 3 en 4 Appellant stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan de definitie van horeca categorie 3 en horeca categorie 4 wijzigt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan. Het is volgens haar op grond van het bestemmingsplan mogelijk dat in horeca van categorie 3 en 4 onder voorwaarden gelegenheid tot dansen wordt geboden, terwijl deze categorieën op grond van het voorgaande bestemmingsplan geheel gericht moeten zijn op het verstrekken van maaltijden dan wel geheel of in overwegende mate gericht zijn op het verstrekken van alcoholische dranken. De mogelijkheid tot het bieden van dansgelegenheid is volgens appellant een nieuwe situatie waarmee de deur wordt opengezet voor de verhuur van een partyzaal. Daarnaast is appellant het niet eens met de stelling van de gemeente dat de nieuwe definitie een beperking is van de gebruiksmogelijkheden op grond van het voorgaande plan.

Appellant stelt dat zodra er gelegenheid wordt geboden tot dansen met versterkte muziek, die locatie niet meer geheel of overwegend is gericht op het verstrekken van maaltijden of alcoholische dranken. Appellant meent dat bij een geluidsniveau waarop wordt gedanst, er niet meer gelijktijdig wordt gedineerd. Daarnaast mist appellant een onderbouwing waarom in elke horeca-inrichting gelegenheid moet zijn om te dansen. Appellant wijst erop dat niet is onderbouwd waarom in de horeca-inrichtingen op de Johannes Vermeerstraat en de Ruysdaelstraat gedanst moet kunnen worden. Verder wordt in de onderbouwing van het bestemmingsplan niet ingegaan op de overlast die momenteel in de Ruysdaelstraat plaatsvindt. Dat sprake is van een hoogstedelijk gebied rechtvaardigt volgens appellant niet dat er partyzalen mogen worden opgericht op minder dan 30 meter afstand van woningen. Appellant is van mening dat in het bestreden besluit regels ontbreken die waarborgen dat overlast van versterkte muziek wordt voorkomen. Reactie begrip horeca 3 en 4 De aanpassing van de begrippen onder horeca van categorie 3 en 4 is een bewuste keuze van de raad om twee redenen. Enerzijds worden de begrippen in overeenstemming gebracht met het geldende horecabeleid.

Anderzijds zorgt een toevoeging van een maximum oppervlakte aan dansvloer juist voor een beperking van de mogelijkheden ten opzichte van het bestaande regime. Dit is ook zo toegelicht in de Nota van beantwoording zienswijzen. De raad is van mening dat de begrippen nog steeds recht doen aan de verschillende types horeca die Amsterdam kent. Het is nooit een doel van het horecabeleid geweest om ter plaatse van een café of restaurant dansen onmogelijk te maken. De raad is wel van mening dat er een deugdelijk verschil moet bestaan tussen horeca van categorie 2 (nachthoreca en partycentra) en cafés en restaurants (met een

61

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

beperkte mogelijkheid om een dansvloer te realiseren). Daarom is ervoor gekozen om dansgelegenheid binnen cafés en restaurants aan banden te leggen. Ten overvloede wijst de raad erop dat een partycentrum onder horeca van categorie 2 valt. In het gehele plangebied is géén horeca van categorie 2 toegestaan. De stelling van appellant dat er partyzalen opgericht kunnen worden op minder dan 30 meter van woningen is dan ook onjuist. Illegaal aanwezige vestigingen en installaties Appellant betoogt dat de restaurants Le Garage en Loetje niet als bestaand kunnen worden aangemerkt, omdat voor 2011 slechts een maximaal oppervlak van 200 m² is toegestaan. Ook hebben de betreffende horeca-inrichtingen volgens appellant illegaal bouwwerken gerealiseerd. Volgens appellant kunnen de aanwezige horeca-inrichtingen Le Garage en Loetje niet zonder nader onderzoek en planologische waarborgen ter voorkoming van overlast in het bestemmingsplan worden opgenomen. In aanvulling hierop geeft appellant aan dat er bij een aantal horecavestigingen illegale installaties aanwezig zijn. Hierbij geeft appellant niet specifiek aan welke installaties mogelijk illegaal zijn. Appellant wijst op de vele (handhavings)procedures die zij gevoerd heeft tegen zowel de restaurants waarvan appellant meent dat deze niet als bestaand aangemerkt kunnen worden als de installaties en de daarmee gepaard gaande overlast.

Ondanks de maatregelen die sindsdien van kracht zijn geworden blijft appellant hinder ervaren van geur- en geluidoverlast. Appellant is dan ook van mening dat de diverse handhavingsverzoeken en uitspraken van uw college niet hebben geleid tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Appellant constateert daarmee dat de horeca dan ook niet past op aan de Johannes Vermeerstraat en de Ruysdaelstraat. Reactie illegaal aanwezige installaties Het bestemmingsplan gaat enkel over het vastleggen van de bouw/ en gebruiksmogelijkheden van gronden. Daarbij is reeds in de nota van uitgangspunten bepaald dat legaal aanwezige functies positief bestemd worden. De betreffende restaurants waar appellant naar verwijst zijn allen legaal aanwezig. Indien en voor zover appellant meent dat de aanwezige horecabedrijven in strijd handelen met het bestemmingsplan (of een ander algemeen voorschrift) kan appellant om handhaving verzoeken. Dat staat los van deze procedure over het bestemmingsplan. In het kader van de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft de raad geconcludeerd dat horeca op de betreffende adressen niet voor onevenredige hinder op de omgeving zorgt en er derhalve sprake is van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse.

Ten overvloede merkt de raad op dat uit diverse controles bij de betreffende restaurants blijkt dat er geen sprake meer is van illegale installaties en er ook geen sprake is van overtreding van de opgelegde maatwerkvoorschriften die uit zijn voortgekomen uit handhaving. Daarnaast is naar aanleiding van eerdere handhavingsverzoeken van appellant door de gemeente onderzocht of de betreffende horecagelegenheden voldoen aan de (geluid)regels uit het Activiteitenbesluit. Uit dit onderzoek komt naar voren dat aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit voldaan kan worden, al dan niet door het stellen van maatwerkvoorschriften aan de horeca. Deze voorschriften zijn ook opgelegd en worden deugdelijk nageleefd. Daarmee is voor de raad vast komen te staan dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

62

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid

Versie definitief Juli 2023

Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022

Ondanks dat de raad van mening is dat het beroep van appellant ten aanzien van geurhinder en de mogelijke sprake van overschrijding van de normen buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan valt merkt de raad het volgende op. Ten aanzien van geurhinder heeft de gemeente geen overschrijding van de normen gemeten bij de diverse controles die zijn uitgevoerd. Zolang er geen sprake is van een overtreding van de norm kan er ook niet handhavend opgetreden worden. Wegbestemde kantoorfunctie Appellant heeft het pand aan de Frans van Mierisstraat 55-2 aangekocht met het idee het gehele pand als kantoor te gaan gebruiken. Ter plaatse is een woonbestemming vastgesteld. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan is er enkel een woning in het betreffende pand aanwezig. Reactie wegbestemde kantoorfunctie Dat appellant het idee heeft om het pand als kantoor de gaan gebruiken kan niet gezien worden als een concrete ontwikkeling waar bij de vaststelling van dit bestemmingsplan rekening mee gehouden had moeten worden. Appellant heeft dit in haar zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ook niet met zoveel woorden kenbaar gemaakt. Daarin heeft appellant enkel aangegeven dat er ´behoefte is aan kantoorruimte´ en dat als de bestemming wonen zou blijven zij mogelijk een verzoek tot planschade gaat indienen.

De raad heeft hierin geen aanleiding gezien om de bestemming ‘Kantoor’ aan het perceel toe te kennen. De raad wijst erop dat één van de hoofduitgangspunten is, bestemmen wat bestaand legaal aanwezig is. (zie ook hoofdstuk 1 van dit verweer). Dat is in dit geval gebeurd. Daarnaast wijst de raad erop dat de Frans van Mierisstraat primair een woonstraat is. In woonstraten worden enkel de bestaande niet-woonfuncties mogelijk gemaakt, nieuwe niet-woonfuncties zijn niet wenselijk omdat deze het karakter van de woonstraat aantasten. Dit wordt door appellant ook niet bestreden. Om die reden slaagt deze beroepsgrond niet.

Appellant 37 Wegbestemmen detailhandel op de tweede bouwlaag Appellanten zijn eigenaar van de panden aan de P.C. Hooftstraat 43 en 45 H, en 45-2. Appellanten geven aan dat ter plaatse zowel op de begane grond als in de tweede bouwlaag detailhandel aanwezig is. De bovengelegen bouwlagen zijn in gebruik als woning(en). Appellant kunnen zich niet verenigen met de omschrijving van artikel 6.3.1. In dit artikel wordt bepaald dat detailhandel in twee bouwlagen is toegestaan, mits minimaal twee bouwlagen daarboven voor wonen beschikbaar blijven. Appellant wijst erop dat een bijzondere bouwlaag zoals een kapverdieping niet gezien kan worden als bouwlaag op grond van het begrip ‘bouwlaag’ (begrip 1. 23). Doordat hier ter plaatse sprake is van twee bouwlagen detailhandel, daarboven een laag wonen en wonen in de kapverdieping kan niet voldaan worden aan de planregels waarmee de detailhandel in de tweede bouwlaag feitelijk is wegbestemd. Daar kan appellant zich niet in vinden. Reactie wegbestemmen detailhandel op de tweede bouwlaag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13455785/1