A - 22 Jeugd(zorg) (10) 02 Bestuurlijk rapport Preventieve jeugdhulp in Amst
Tekst van het document
Tot slot is een nieuw beleidskader voor de sociale basis in ontwikkeling en daarbinnen nieuw beleid gericht op de versterking van het jongerenwerk, dat ook een belangrijke preventieve werking heeft. Het bij elkaar brengen van al deze ontwikkelingen op het gebied van preventiebeleid en de uitvoering daarvan gericht op jeugd en gezinnen is niet alleen aan de wethouder Jeugd en de Stichting OKT. Om optimaal in te kunnen zetten op het voorkomen van jeugd- en gezinsproblematiek is samenwerking binnen het sociaal domein en met de bredere uitvoeringspartners essentieel. Samenhang, een overkoepelende visie en goede
46
PREVENTIEVE JEUGDHULP IN AMSTERDAM - BESTUURLIJK RAPPORT samenwerking tussen meerdere partijen in het veld zijn onontbeerlijk om dit effectief met elkaar te kunnen doen. Als gemeente verkennen we op welke manier we de verschillende kaders die op het gebied van preventie van jeugdproblematiek opgesteld of in ontwikkeling zijn binnen de gemeente gebundeld kunnen worden tot nieuw integraal, meerjarig kader. Dit vraagt om commitment en om voldoende beschikbare ambtelijke capaciteit en continuïteit (aanbeveling 6). Aanbeveling 5: Benut inzichten uit de uitvoering in de beleidscyclus U raadt aan om kennis die opgedaan wordt in de prestatiedialoog tussen gemeente en OKT te verbinden met de bredere beleidscyclus. Het college is hier al mee aan de slag door in de nieuwe gesprekscyclus van gemeente met OKT tijd voor reflectie in te bouwen met aandacht voor patronen die we zien in de praktijk, ook voor het onderdeel preventie. Het OKT neemt zowel deel aan de gebiedsdialogen zoals benoemd bij aanbeveling 3, waarin de brede preventieve opgave aan bod komt waarin OKT, buurtteams en partners uit de sociale basis een rol spelen in afstemming met de GGD en het onderwijs, als aan prestatiedialoog 2, waarin de belangrijkste ontwikkelingen binnen het jeugdstelsel besproken worden. Ook hierin wordt preventie meegenomen.
Aanbeveling 6: Verstevig het gemeentelijk team dat zich bezighoudt met het OKT U constateert dat het beleidsinhoudelijke belang dat het college hecht aan het OKT momenteel niet in verhouding is met de capaciteit en toerusting van het team dat zich bezighoudt met de opdracht aan de Stichting OKT. U raadt de gemeente aan de oorzaken van het hoge verloop binnen dit team en eventueel de bredere afdeling Jeugd te onderzoeken en het team op sterkte te brengen. Voldoende bemensing en continuïteit, zowel bij gemeente als bij de Stichting OKT, zijn belangrijke randvoorwaarden voor het opvolgen van de aanbevelingen uit uw rapport met betrekking tot preventie en ook voor de overige taken van het OKT. Ook AEF heeft dit aanbevolen naar aanleiding van de evaluatie van de contractrelatie gemeente OKT. Het college herkent dat er onvoldoende capaciteit, continuïteit en prioriteit is gegeven aan het gemeentelijk account OKT en heeft hier al voor de publicatie van uw rapport de nodige stappen in genomen. Ten behoeve van de algemene verbetering van de sturing en organisatie binnen afdeling Jeugd en Zorg, waar het account OKT is belegd, zijn twee onderzoeken in gang gezet: 1 Een evaluatie binnen de afdeling Jeugd en Zorg en Contractmanagement, met als doel te komen tot verbetering van de sturing op de beleidsterreinen jeugd en zorg.
2 Een benchmark met andere steden om te bepalen welke bemensing nodig is om de opgaven en ambities voor het jeugd- en zorgbeleid met voldoende kwaliteit te kunnen volbrengen.
47
REKENKAMER AMSTERDAM Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken wordt in 2023 een realistisch beeld geschetst van wat er nodig is en worden de benodigde stappen gezet om hier gevolg aan te geven. Ook aan de kant van de Stichting OKT zijn maatregelen getroffen met betrekking tot bemensing. De capaciteit en staf van de Stichting OKT is uitgebreid, ook ten aanzien van de preventieve taak. De gemeenteraad wordt bij de voorjaarsnota 2024 betrokken bij de besluitvorming met betrekking tot wat er nodig is om de gewenste verbeteringen te realiseren in de ambtelijke organisatie. Tot slot Als gemeente en uitvoerende organisatie geloven wij in de mogelijkheden om de preventie van jeugd- en gezinsproblematiek in Amsterdam te versterken. In het belang van Amsterdamse kinderen en ouders spannen we ons optimaal in om zware problematiek zo veel mogelijk te voorkomen, samen met alle benodigde betrokkenen en vanuit de verschillende rollen die we daar in spelen. Wij hopen u met deze reactie voldoende te hebben geïnformeerd over de wijze waarop we dat aanpakken. Met vriendelijke groet, Marjolein Moorman Wethouder Jeugd Toke Tom Bestuurder OKT
11 Nawoord rekenkamer De rekenkamer bedankt het college en Stichting OKT voor hun uitgebreide bestuurlijke reactie en de mate van concreetheid waarmee zij ingaan op de aanbevelingen, de te ondernemen acties en het daarbij behorende tijdsbestek. Het college en Stichting OKT maken expliciet dat zij de bevindingen en conclusies uit het onderzoek herkennen en het college geeft aan hoe hij – in samenwerking met Stichting OKT – onze aanbevelingen wil opvolgen. College zet in op leren en verbeteren Het college laat in de bestuurlijke reactie zien te reflecteren op onderwerpen uit ons rapport en deze aan te grijpen om verbeteringen door te voeren. Dit sterkt ons in de overtuiging dat het college het meer systematisch leren en verbeteren op deze onderwerpen wil in- en voortzetten. Voorbeelden hiervan zien we in overkoepelende beleidsstukken, zoals de aangekondigde Visiebrief Jeugd en de Amsterdamse Uitvoeringsagenda Jeugd, en in de in ontwikkeling zijnde gebiedsdialoog. Hiermee zet het college in potentie belangrijke stappen. Enerzijds in het meer integraal richting geven aan
48
PREVENTIEVE JEUGDHULP IN AMSTERDAM - BESTUURLIJK RAPPORT het jeugdbeleid, waaronder het deel preventie, en anderzijds in het meer systematisch en expliciet ophalen van inzichten over de brede preventieve opgave. Op twee onderwerpen nodigt de reactie van het college en Stichting OKT uit tot een wat uitgebreider nawoord. Het gaat om de – ons inziens beperkte – aandacht die het college legt op diens eigen verantwoordelijkheid bij de uitvoering van aanbevelingen. En om de wijze waarop het college en Stichting OKT de aanbeveling over het verbeteren van de monitoring (aanbeveling 2) lijken op te vatten. Hieronder gaan we nader in op deze twee onderwerpen. Beperkte invulling eigen verantwoordelijkheden college In onze aanbevelingen doen we suggesties voor hoe het college zijn rol als eindverantwoordelijke voor het (preventieve) jeugdstelsel beter kan invullen. Daarin maken we onderscheid tussen verantwoordelijkheden van het college als opdrachtgever richting Stichting OKT (aanbevelingen 1 en 3) en op verantwoordelijkheden van het college als beleidsbepaler in het bredere jeugddomein (aanbevelingen 4 en 5). Het college en Stichting OKT zijn in de reactie concreet over hoe zij in partnerschap en samenspraak – in het licht van de sturingsfilosofie – elementen van de aanbevelingen (gaan) opvolgen en invullen.
Maar ook als het college aanbevelingen samen met Stichting OKT wil oppakken, liggen daarin verantwoordelijkheden en daaruit voortkomende acties voor het college zélf besloten. Zo vinden wij het voor goed opdrachtgeverschap nodig dat de cyclus van opdrachtformulering, uitvoering, monitoring en bijstelling daadkrachtig en tijdig wordt ingevuld. Het is aan het college om de opdracht en het gewenste resultaat inzichtelijk te maken, evenals welke middelen daarvoor nodig zijn, waarop (bij)gestuurd kan worden en waarover verantwoording wordt afgelegd. Dit hoeft de ruimte die bewust wordt gelaten aan de professionals om de uitvoering vorm te geven, niet in de weg te staan. Als beleidsbepaler is het aan het college om beleidsmatig – inhoudelijk en integraal – richting te geven aan het preventieve veld, en de beleidsdoelen en -kaders te vertalen naar opdrachten voor uitvoerende partijen. Het blijft voor ons echter onduidelijk of het college de eigen verantwoordelijkheid voldoende (h)erkent en invult. Dat komt doordat het college op verschillende elementen van aanbevelingen 1, 4 en 5 geen reactie geeftaa, beperkt concreet maakt welke acties het voor zichzelf zietbb of weinig nieuwe acties voorstelt die het zal inzetten naar aanleiding van de overgenomen aanbevelingencc.
aa Dit zien we bij de volgende elementen van aanbeveling 1: overweeg stabiele, langjarige opdracht
voor Stichting OKT; leg risico’s rondom de uitvoering van de preventieve opgave vast; houd business case opdracht Stichting OKT opnieuw tegen het licht. bb Dit zien we bij de volgende elementen van aanbeveling 5: zorg dat kennis en inzichten over de preventieve opgave hun weg vinden binnen de bredere gemeentelijke beleidscyclus om te leren en verbeteren; zorg dat er systematisch aandacht komt voor hoe gemeentelijke (beleids)wijzigingen de uitvoering van de (preventieve) opgave door Stichting OKT beïnvloeden. cc Dit zien we bij de volgende elementen van aanbevelingen 1 en 4: expliciteer de preventieve opgave van Stichting OKT; formuleer een inhoudelijk preventief jeugdbeleid.
49
REKENKAMER AMSTERDAM Om te voorkomen dat verantwoordelijkheden (onbedoeld) komen te liggen bij Stichting OKT en andere uitvoerende partijen, denken wij dat het waardevol is wanneer het college de eigen verantwoordelijkheden expliciteert. We raden de gemeenteraad aan om het college te vragen welke concrete (nieuwe) stappen het college eigenstandig wil zetten om de aanbevelingen uit te voeren. Kern van aanbeveling over monitoring niet zichtbaar in reactie Uit de reactie op aanbeveling 2 ‘Verbeter de monitoring’ kunnen wij niet opmaken of het college en Stichting OKT de aanbeveling in de kern hebben gevat. Daarom willen we rondom het verbeteren van monitoring eerst twee mogelijke misverstanden verhelpen. Daarna lichten we twee elementen uit die we missen in de bestuurlijke reactie. Ten eerste kan de bestuurlijke reactie gelezen worden alsof wij adviseren dat het college of het OKT zelf effectiviteitsonderzoek gaat doen naar preventieve interventies. Dat is niet wat wij adviseren. Net als het college en Stichting OKT benoemen wij in onze aanbevelingen dat effectiviteit aantonen bij preventieve interventies lastig is. Juist daarom raden we aan om bij het verbeteren van de monitoring breder te kijken dan (prestatieindicatoren over) effectiviteit. Dat kan volgens ons door systematisch opgehaalde kwalitatieve informatie, proces- en structuurinformatie en beleidstheorie te gebruiken.
Deze typen monitoringinformatie geven inzicht in wat Stichting OKT doet (in plaats van wat men bereikt) en doen daarmee meer recht aan de inzet van de OKT-professionals op het preventieve vlak. Ook kan deze monitoringinformatie behulpzaam zijn in het voornemen van het college om beter inzichtelijk te maken wat men doet om de beoogde doelen en doelgroepen te bereiken. Ten tweede is het niet ons advies om méér te administreren, meten en monitoren. Juist vanwege de risico’s die dit meebrengt voor de laagdrempeligheid van preventieve activiteiten en de ervaren lastendruk voor professionals. Net als het college en Stichting OKT benadrukken wij in aanbeveling 2 de noodzaak om in beeld te brengen welke informatie nodig en betekenisvol is om inzicht te krijgen in de preventieve opgave. Vervolgens benadrukken we dat het gaat om beter gebruik en begrip van bestaande gegevens en instrumenten, waardoor verbetering van monitoring mogelijk is zonder verhoging van de administratieve lasten. Naast deze twee mogelijke misverstanden missen we in de reactie twee elementen die wij van belang vinden voor het creëren van meer inzicht in de gehele preventieve opgave. Ten eerste lijkt het college zich in de stappen die het in gang heeft gezet op het gebied van monitoring, opnieuw te focussen op preventieve groepsactiviteiten.
In ons rapport laten we zien hoe een eenzijdige focus op dit deel van de preventieve opgave ertoe heeft geleid dat er nauwelijks iets te zeggen is over de voortgang op de rest van de preventieve opgave. De stappen van het college bieden – ons inziens – een mooie gelegenheid om de focus van monitoring te verbreden naar de gehele preventieve opgave. Ten tweede gaat het college niet in op hoe het meer aandacht gaat besteden aan verdiepende analyse en duiding van verzamelde informatie. Om doorlopend te kunnen leren en verbeteren op de preventieve opgave en binnen het preventieve jeugdveld, vinden wij deze verdieping van groot belang.
50
PREVENTIEVE JEUGDHULP IN AMSTERDAM - BESTUURLIJK RAPPORT We raden het college dan ook nader te concretiseren hoe het hieraan vorm wil geven. We doen de gemeenteraad de suggestie om met het college in gesprek te gaan over bovengenoemde punten.
51
REKENKAMER AMSTERDAM
Onderzoeksverantwoording Dit is het bestuurlijk rapport van het onderzoek van de rekenkamer naar Preventieve jeugdhulp in Amsterdam. Het volledige rapport bestaat naast dit bestuurlijk rapport, ook uit het onderzoeksrapport. Volgens afspraak maakten we zowel het bestuurlijk rapport als het onderzoeksrapport openbaar op 6 juli 2023, na ontvangst van de korte bestuurlijke reactie. De uiteindelijke bestuurlijke reactie is op 22 augustus integraal opgenomen in het (reeds openbare) bestuurlijk rapport en door ons voorzien van een nawoord.
12 Onderzoeksteam Rekenkamer Amsterdam Directeur
Annelies Daalder
Onderzoekers
Carolien de Blok (projectleider) Rosalie Joosten Renée Hoogendijk Anita van der Stap (externe onderzoeker)
52