CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 21 Monumenten en Erfgoed (23) bijlage 2c TOELICHTING Tuindorp Watergraaf

RAAD 30 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Aanwijzen van drie gemeentelijke gebieden tot beschermd stadsgezichtVN2022-0314494.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beschermd stadsgezicht Tuindorp Watergraafsmeer

Datum in procedure:

Datum aanwijzing:

Errata:

Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Tuindorp Watergraafsmeer gemeente Amsterdam (Noord-Holland) ex artikel 35 Monumentenwet 1988

Amsterdam, Tuindorp Watergraafsmeer

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu zijn bevoegd om gezamenlijk beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. Het rechtsgevolg van de aanwijzing is dat de gemeenteraad ter bescherming van een stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan, als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, vast moet stellen. In die zin kan de aanwijzing tevens een stimulans betekenen voor een te voeren ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In totaal zijn er in Nederland meer dan 400 beschermde stads- en dorpsgezichten met een geschiedenis die teruggaat tot vóór het jaar 1850. In het kader van het Monumenten Inventarisatie Project is ook de stedenbouw uit de periode 1850-1940 landelijk geïnventariseerd. Het besluit tot aanwijzing van Tuindorp Watergraafsmeer in de gemeente Amsterdam als beschermd stadsgezicht vloeit voort uit deze inventarisatie.

1

2

Inleiding Het beschermd stadsgezicht Tuindorp Watergraafsmeer (of ‘Betondorp’) bevindt zich in het zuidoosten van Amsterdam in de voormalige, in 1629 drooggemalen Watergraafsmeer. Het stadsgezicht vormt een duidelijk herkenbare eenheid, vanwege de enigszins geïsoleerde ligging te midden van snelwegen (Rijksweg A10 en Gooiseweg), sportparken en een begraafplaats (Nieuwe Oosterbegraafplaats). Hoewel het er geografisch buiten ligt, behoort het tuindorp qua periode, met nog enkele buurten die meer noordelijk, aan de westzijde van de Middenweg in de Watergraafsmeer zijn gelegen, tot de zogenaamde gordel 20-40. Dit is de ring van woonwijken, die in de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw rond Amsterdam werd aangelegd en bebouwd. Het tuindorp valt binnen het huidige stadsdeel Oost/Watergraafsmeer. Het beschermd stadsgezicht Tuindorp Watergraafsmeer heeft de volgende begrenzingen: • noordwest: Zaaiersweg/Landbouwstraat; • noordoost: Middenweg (ventweg); • zuidoost: Onderlangs; • zuidwest: Duivendrechtselaan/Onderlangs. Ontstaan en ontwikkeling Tot 1921 was Watergraafsmeer een zelfstandige gemeente, die was ontstaan uit de in 1629 drooggemalen Watergraafsmeer of Diemermeer ten zuidoosten van Amsterdam nabij Diemen. Binnen de polderverkaveling werden twee elkaar kruisende hoofdwegen aangelegd, de Middenweg en Kruislaan. In 1907 werd een plan opgezet door de architecten P.

Vorkink en J.Ph. Wormser, dat

voorzag in de huisvesting van 225.000 inwoners in de Watergraafsmeer, die op dat moment slechts 5.500 inwoners telde. Na de annexatie in 1921 stelden de architecten J. Gratama en G. Versteeg een deelplan van dit stedenbouwkundig plan op voor het ‘Tuindorp Watergraafs-meer’ in het zuiden van de polder. Gratama had ervaring met het ontwerpen van stedenbouwkundige plannen opgedaan in zijn samenwerking met H.P. Berlage aan de Transvaalbuurt. Latere plannen van zijn hand zijn de Stadionbuurt en Plan West. De gedachte achter het stichten van tuindorpen was de ontwikkeling van een zelfstandig woongebied of een nieuwe woonwijk van een stad met een lage bebouwingsdichtheid te midden van het groen. De tuinstadgedachte was door de Engelsman Ebenezer Howard uitgewerkt in zijn boek Garden cities of tomorrow (1898) en vond in Amsterdam in de jaren tien en twintig ook aanhang om groene wijken dichtbij de stad te creëren. In de voorgaande jaren was een toenemende kritiek te horen op de tekortkomingen van de 19e-eeuwse stadsuitbreidingen in Amsterdam, met name van de Pijp, met hun hoge bebouwingsdichtheid, nauwe straten en gebrek aan openbare ruimte en weinig gevarieerde gevelwanden. Arie Keppler, directeur van de Amsterdamse Woningdienst, speelde in het stichten van tuindorpen een grote rol. Het tuindorp Watergraafsmeer kreeg vanaf het begin een rood stempel mee.

Niet alleen werd hier het sociaaldemocratische ideaal ingelost dat elke arbeider recht had op een eengezinswoning met tuin. De opname van vijf scholen, een verenigingsgebouw en een bibliotheek met als 3

oogmerk de arbeider te onderrichten, kwam hier ook uit voort. Van het bouwen van een winkelgalerij, een Montessorischool, een tehuis voor ongehuwde arbeiders en een badgelegenheid moest om financiële reden worden afgezien. Het schrappen van de laatste voorziening werd beargumenteerd met het voornemen 400 woningen van een eigen douche te voorzien. Tegenover het bibliotheekgebouw zou een woningopzichteres toezicht houden op het woongedrag van de bewoners. Overigens zouden ook veel ambtenaren in het tuindorp komen wonen. De politieke voorkeur lag bij het merendeel van de bewoners bij de sociaal-democratie of het communisme. Tot aan de Tweede Wereldoorlog verrezen er om die reden dan ook geen kerken in dit stadsdeel. In hun plan namen Gratama en Versteeg het principe van het centrale plein (de Brink) en de radiaalstraten, die het centrum met de rand van het tuindorp verbinden, over uit het eerdere plan van Vorkink en Wormser. De toevoeging van de Brinkstraat was een idee van Dick Greiner, die verantwoordelijk was voor het stedenbouwkundig plan van de Brink. Het totale project voorzag in de bouw van circa 2000 woningen. De helft zou worden uitgevoerd in tien verschillende betonsystemen. De keuze voor beton, dat op dat moment nog lang niet door iedereen als hoogwaardig en duurzaam bouwmateriaal werd gezien, maar dat de concurrentie met baksteen kon doorstaan, was noodgedwongen.

In de voorbereidingsperiode van de bouw van tuinstad Water-graafsmeer, waren de prijzen van baksteen mede door de grote behoefte aan bouwmateriaal aanmerkelijk gestegen. De hoop was dat het bouwen met beton relatief goedkoop was en door de eenvoudige verwerking het bouwproces kon bespoedigen, al was het materiaal nog verre van volmaakt. Keppler was met name 4

bevreesd voor moeilijkheden tijdens het productieproces bij de bekistingmethode, en voor isolatieproblemen na de oplevering. Om de kans op het slagen van de gehele bouwoperatie te vergroten, werd daarom de andere helft van het tuindorp uitgevoerd in traditionele baksteenbouw. De bebouwing omvat negenhonderd woningen in beton, waarvan driehonderd eengezinswoningen en driehonderd percelen met ieder twee woningen en nog eens ruim duizend woningen in baksteenbouw. Voor de ontwerpen van de verschillende betonnen woonblokken en -stroken werden verschillende architecten uitgenodigd, waaronder Dick Greiner, die tevens de stedenbouwkundige aanleg van de Brink, het centrum van het tuindorp uitwerkte, J.B. van Loghem, J.H. Mulder, H.W. Valk, D. Roosenburg en H.F. Mertens. Door het aantrekken van verschillende architecten, elk gekoppeld aan een verschillende bouwaannemer, die elk weer gebruikmaakten van een verschillend type betonsysteem, ontstond een grote architectonische variatie. De bakstenen woningen werden alle uiteindelijk vooral door G. Versteeg ontworpen, die zich midden jaren twintig uit zijn samenwerkingsverband met Gratama had losgemaakt. Het zijn varianten van een basistype, dat door middel van kleine accenten zoals poorten, hoektorens en in- en uitspringende gevelwanden, de stedenbouwkundige ruimte op een voor tuindorpen typisch wijze vormgeven.

De betonnen woningen kwamen in de periode 1923-1925 tot stand, de bakstenen woningen iets later. De Brink werd 1926-1928 gerealiseerd. Hier concentreerden zich de buurtvoorzieningen waaronder, naast talrijke winkels, een verenigingsgebouw en een bibliotheek. Vijf openbare scholen en later nog een hervormde school staan verspreid

over het tuindorp. De twee kerken kwamen pas veel later, omdat de bouw daarvan door de sociaal-democratische opvattingen die aan de wijk ten grondslag lagen, lange tijd werd tegengehouden. Zo is de kerk van Parochie van de H. Familie (Zaaiersweg 182) met de bijbehorende pastorie pas in 1952 gerealiseerd. De ligging in de noordwesthoek van het gebied en daarvan gescheiden door brede groenstroken, benadrukt deze afzonderlijke situatie. Van 1950 dateert ook de bebouwing aan de zuidkant van de Oogststraat. Deze is in schaal aangepast aan de bestaande betonbouwwoningen, echter in materiaal, baksteen en grote glasoppervlakken in houten kozijnen, en detaillering sterk afwijkend. In 1964 ten slotte, werd op de noordelijke bocht van de Zaaiersweg de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen gebouwd, naar ontwerp van architect Pennink.

slecht aan toe. De bebouwing op de Brink van Dick Greiner, die op de monumentenlijst stond, werd gerestaureerd. Hierbij is het oorspronkelijke bouwmateriaal nog zichtbaar. Dat geldt niet voor de woningen die niet alleen op onderdelen vernieuwd zijn, maar waarbij ook de betonnen muren verpakt werden in een 10 centimeter dikke laag isolatiemateriaal (systeem Strikotherm 300). Dit geldt ook voor het verenigingsgebouw en de bibliotheek. De vernieuwde kozijnen werden bij de renovatie even ver naar buiten geplaatst. Van het experiment in beton is dus vrijwel niets meer zichtbaar. De stedenbouwkundige structuur en de morfologische opbouw bleven echter onaangetast.

Dat het bij het bouwen in beton om een experiment ging, bewezen de ingrijpende herstelwerkzaamheden, die in het tuindorp plaatsvonden. Al na een jaar moesten de woningen, die volgens het systeem ‘Olbertz’ werden gebouwd (Sikkelstraat), wegens lekkage van een houten gevelbekleding worden voorzien. In 1954 waren aan diverse betonsystemen ingrijpende herstelwerkzaamheden noodzakelijk. De korrelbetonwoningen van W. Greve aan de Oogststraat werden gesloopt en vervangen door bakstenen woningen naar een ontwerp D. Veldhorst en waren door het materiaalverschil nogal afwijkend van de overige bebouwing. In de tweede helft van de jaren tachtig vond in Betondorp een ingrijpende renovatie plaats, nadat enkele jaren daarvoor het bakstenen gedeelte al was gerenoveerd. De woningen die in de verschillende betonsystemen waren uitgevoerd, waren er op dat moment 5

Huidig ruimtelijk karakter en bebouwingsbeeld Kenmerkend en voor een tuindorp vrij ongebruikelijk is de radiale opzet van het tuindorp Watergraafsmeer. De als een achthoek vormgegeven Brink vormt de kruising van twee assen, die deze centraal gelegen ruimte kruisen: de Landbouwstraat en Veeteeltstraat. Vanaf de Middenweg fungeert de Brinkstraat als een toegangsweg en mondt onder een overbouwing uit op de Brink. Deze drie straten ontsluiten de wijk. Radiaalverbindingen (Ploegstraat, Akkerstraat en Weidestraat) aan de oostzijde en een zuidwaarts knikkende straat aan de westzijde (Oogststraat) zorgen voor de onderlinge verbindingen. De straten van de hoofdstructuur sluiten weer kleine buurtjes in, die symmetrisch van opzet zijn of worden gedomineerd door een plein, waarop straatjes doodlopen. Pleinruimtes ontstaan ook door een incidentele verwijding van een straat. Door de hiërarchische opbouw van het stratenpatroon met knikkende straten of korte straten, die uitmonden in een plein zijn de voor een tuindorp gebruikelijke, vrij gesloten buurten ontstaan. Ze zijn alle variaties op een combinatie van open verkavelingen en gesloten bebouwingsbeelden. Lange zichtlijnen zijn er alleen over de genoemde hoofdstraten. Van buiten af, bijvoorbeeld vanaf de Rozenburglaan en de Gooiseweg manifesteert de wijk zich ook als een naar binnen gekeerd geheel.

De vier bebouwingblokken langs de Middenweg fungeren als een buffer tussen deze hoofdweg en het tuindorp. Binnen deze blokken die als eerste werden gebouwd, werd geëxperimenteerd met kleine hofjes.

6

De architectuur speelt een belangrijke rol in de vormgeving van de stedenbouwkundige ruimte. Hierbij maakt het niet uit of de straten en pleinen in het gedeelte met de betonwoningen liggen of in het deel met de bakstenen woningen. Wel is er een verschil waarin beide type woningen aan het straatbeeld bijdragen. Ten eerste fungeren de blokken aan de randen van het tuindorp als een duidelijke begrenzing, omdat ze hoger zijn. Accenten op de hoeken van de straten, soms in de vorm van torenopbouwen zoals bij de Schovenstraat, ogen als toegangspoorten tot de buurt. Ook de blokken langs de Middenweg schermen de buurt van de omgeving af. Verder zorgen het terugspringen van de rooilijn van de woningblokken, de dwars geplaatste woningen aan de kruisingen van straten en de aanwezigheid van portiekjes in de oksel hiervan, zeker in het bakstenen deel van het tuindorp, voor vernauwingen en dus voor besloten straatbeelden. In het betonnen deel is dit vooral zichtbaar in het noordwestelijke deel. In het zuidwestelijk en zuidelijk gedeelte van het betonnen gedeelte bestaat de bebouwing vooral uit strak vormgegeven, rechthoekige strokenbouw. Hier ontstaan omsloten ruimtes door het terugplaatsen van een geheel blok woningen, zoals aan de beide uiteinden van de Hooistraat of de zuidelijke uitloper van de Akkerstraat.

Het grootste verschil tussen het in beton opgetrokken gedeelte en de bebouwing in baksteen is vooral aan de zuidzijde zichtbaar. Hier is tussen de woningen in beton een open dorpsbeeld ontstaan dat sterk verschilt van het noordelijke deel. De strakke kleuren wit en grijs

contrasteren met het vele groen in de wijk, maar dit verschijnsel is vooral ontstaan door de ingrijpende renovaties in de jaren tachtig van de 20e eeuw. Wel zochten de architecten van de betonwoningen in het benadrukken van het nieuwe bouwmateriaal duidelijk een contrastwerking op, waar de woningen in baksteen met sterk hellende zadeldaken gemakkelijker worden opgenomen in het groen van de wijk. Door het feit dat hier slechts één architect (Versteeg) verantwoordelijk was voor de vormgeving, vertoont het in baksteen opgetrokken gedeelte een sterke samenhang. Het verschil tussen woningen in beton of in baksteen komt ook in de bouwhoogten tot uitdrukking. Het betonnen deel bestaat uit twee bouwlagen, op de hoeken van straten verhoogd met een derde bouwlaag, die door middel van extra ornamentiek afwijkend is vormgegeven. Dergelijke markante straathoeken bevinden zich bij Onderlangs, maar ook binnen het dorp zelf op een aantal T-kruisingen zijn ze aangebracht. In het bakstenen deel bestaat de bebouwing aan het merendeel van de straten uit twee bouwlagen onder met pannen gedekte zadeldaken. Ter hoogte van kruisingen van straten en op straathoeken zijn ook hier extra bouwlagen aangebracht of is een rijkere afwisseling van in en uitspringende geveldelen gemaakt, waarbij straten verbreed of versmald worden. Ter hoogte van de Akkerstraat is de afwisseling het grootst.

Hier staan aan weerszijden van de Brinkstraat bakstenen woningen van één bouwlaag met kap en dakkapellen. In zuidelijke richting kruist de Bakkerstraat de Veeteeltstraat, geaccentueerd door een verhoogde, als poort fungerende gevel. Door middel van deze versmallingen, verbredingen, verhogingen en lage straatdelen zijn geen twee straatdelen

in het tuindorp identiek, wat als kenmerk voor de tuindorparchitectuur kan worden beschouwd. De pleinen en hoven, veelal met een groene (gazon)invulling vormen belangrijke ankerpunten binnen de hoofdstructuur. Openbare gebouwen, zoals de school bij de Huismanshof of het jeugdgebouw aan het Zuivelplein worden als een dominante wand van een hof gebruikt, waarbij woningbouw de overige twee of drie wanden vormgeven. Ook komen pleinen voor, die alleen door stroken woningbouw worden omzoomd, zoals bij de Graanstraat is te zien. Het hoogtepunt in deze samenhang tussen stedelijke ruimte en architectuur is de Brink. Dit is mede te danken aan het feit dat Greiner zowel het stedenbouwkundig plan als de architectuur van het plein ontwierp. Het achthoekige plein ontleent zijn vorm aan de gebouwen rondom, met uitzondering van de zuidzijde. Hier zorgt een betonnen pergola voor een visuele afsluiting. Daarachter ligt een strook bejaardenwoningen in een afwijkende, romantische bouwstijl in wit gepleisterd baksteen. De pergola verbindt het verenigingsgebouw met de bibliotheek, beide ontworpen door Dick Greiner en beide Rijksmonument. De laatste markeert met de toren de ligging van de Brink in het centrum van het tuindorp. Daar waar de beide hoofdstraten op de Brink uitkomen, zijn met behulp van kleine verspringingen in de bebouwing de toegangen benadrukt.

Typerend voor een tuindorp is de belangrijke rol, die het groen in de aankleding van de openbare ruimte speelt. Hoewel het Rijk daaraan bij de totstandkoming geen geld wilde spenderen, had de gemeente voor de beplanting en 7

aanleg van de tuin geld vrijgemaakt. In de volksmond werd het tuindorp gauw bekend als het bloemendorp. Op talrijke plaatsen ondersteunt de lage begroeiing van de openbare ruimte de ritmering van de bebouwing. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen een nadrukkelijker groengebruik, dat de hoofdstructuur accentueert, de brede groenstroken rond het tuindorp en een eenvoudiger en informeler groengebruik ter ondersteuning van de meer besloten delen van het plan. Ten eerste geldt dit voor de karakteristieke, alle straatprofielen dominerende voortuinen, ten tweede voor de plantsoenen op de Brink, aan het Zuivelplein, op het Huismanshof, langs de Hooistraat en terzijde van verschillende straten, waar de bebouwing in hoefijzervorm of U-vorm is aangelegd. De hofachtige structuren zijn in de loop der jaren op verschillende manieren ingevuld, variërend van grasvlakken met of zonder kinderspeeltuigen (Huismanshof, Sikkelstraat), met volgens een strak schema aangebrachte begroeiing (De Brink, Zuivelplein) of in een willekeurige afwisseling van laag struikgewas en solitaire, of in kleine groepen geplante boomsoorten. Het straatprofiel heeft in de meeste straten wijzigingen ondergaan om meer ruimte aan auto’s te bieden. De bomen langs het merendeel van de verkeersstraten in de wijk bestaan uit jonge aanplant, uitgezonderd de buitenring van de Brink met hoge, oude bomen.

De enige verstoring van het oorspronkelijke tuinstadidee dat in deze wijk werd gerealiseerd, wordt momenteel gevormd door de aanwezigheid van de vele geparkeerde auto’s, die het vele groen (met name in de voortuinen) aan het zicht onttrekken. Een deel van het oorspronkelijke profiel, namelijk de in de trottoirs geplaatste bomen, hebben voor auto’s moeten wijken. 8

Een zeer in het oog springende wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke profiel bestaat uit de afbakening van de voortuinen in vrijwel alle straten. Tegenwoordig is van de oorspronkelijke, uniforme afrastering met zeer eenvoudige hekwerken en betonnen hoekpaaltjes afgeweken, waarvoor een bonte verzameling hekwerken in alle soorten en maten in de plaats is gekomen. Het groene karakter ontleent de wijk ook aan de openingen tussen de bebouwingsstroken, waardoor het zicht op de achtertuinen vaak mogelijk is. Andere elementen die een bijzondere, van het reguliere stratenpatroon afwijkende invulling hebben gekregen, zijn het Zuivelplein en het Huismanshof. Kleinere hofachtige structuren met eenvoudige ingevulde groene perken zijn tevens te herkennen in de Sikkelstraat, in de Landbouwstraat ter hoogte van de Schoffelstraat en in de Ploegstraat ter hoogte van de Tuinbouwstraat. Het Zuivelplein heeft een invulling gekregen in de vorm van eenvoudige perken omzoomd door wilgenhagen. Een vergelijkbaar stramien is verwerkt in het Huismanshof, tussen de Brink en Zaaiersweg. De Brink is de enige echte pleinruimte in het plan. Het middendeel van het plein bestaat uit een eigentijdse parkinrichting met een geometrisch patroon van tweekleurige straattegels, afgewisseld met enkele bosjes en duidelijk afgezette, vierkante bloemperkjes.

Door de oprichting van de betonnen pergola kreeg het groen ook in deze stedelijke ruimte een prominente plaats toegewezen, te midden van de winkels en publieke voorzieningen.

Nadere typering van te beschermen waarden De structuur van straten die vertrekken uit de centraal gelegen Brink met de gekromde hoofdstraten die deze doorkruisen, is kenmerkend voor tuindorp Watergraafsmeer. Deze sterk formele opzet is typerend voor de Amsterdamse tuindorpen, die zich elders in Amsterdam-Noord bevinden, echter ongebruikelijk voor de tuindorpen in Nederland waarin doorgaans een verspreide bebouwing met blokjes woningen van twee of vier onder één kap is te vinden. De voor een tuindorp typerende samenhang tussen stedelijke ruimte en architectuur is in tuindorp Watergraafsmeer nog gaaf bewaard gebleven. Terwijl de directe omgeving van het gebied in de decennia sinds het ontstaan aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan, zijn deze aan het besloten, en op zichzelf staande tuindorp, vrijwel geheel voorbijgegaan.

In het beschermd gebied zijn vijf ruimtelijke hoofdkarakteristieken aan te wijzen, namelijk: • de planmatige structuur die aan het geheel ten grondslag ligt; • de grote samenhang tussen de verschillende groenvoorzieningen en de bebouwing; • de nadrukkelijke begrenzing van het gebied ten opzichte van de omgeving; • het contrast tussen beide ‘dorpsdelen’ in materiaalgebruik, kleur en volumes; • met name in het ‘betonnen’ dorpsdeel: de sterke afwisseling van horizontale en verticale accenten door het gebruik van (indertijd innovatieve) platte daken en kubische vormen.

In het beschermd gebied is het historische karakter van de stedenbouwkundige aanleg zeer goed bewaard gebleven. Van geringere waarde in het gebied zijn de invullingen van het openbare groen, die op indifferente wijze is geschied, en niet teruggaat op oorspronkelijke beplantingsplannen of beplantingen zoals die in eerste instantie in de wijk werden gerealiseerd. Van indifferente waarde zijn de toegepaste materialen, steensoorten en formaten in de bestrating, die hier even willekeurig als elders in Amsterdam lijken te zijn toegepast. De profielen van het merendeel van de straten, zo is op oude foto’s vast te stellen, weerspiegelen grotendeels de oorspronkelijke opzet. Hoewel het tuindorp zijn bijnaam ontleent aan het gebruik van nieuwe bouwsystemen in beton, is van dat materiaal in de gerealiseerde woningen niets meer zichtbaar. De muren gaan schuil achter een dikke laag isolatiemateriaal. Alleen de openbare gebouwen aan de Brink geven een indruk weer van hoe het gehele betonnen gedeelte eruit heeft gezien. Wat dat betreft is de minder bekende, in baksteen opgetrokken bebouwing authentieker. De architectonische waarde van het betonnen deel van het tuindorp, is wat dat betreft vooral cultuurhistorisch van aard, omdat de renovatie alleen de morfologie gerespecteerd heeft en niet de materiele karakteristieken van de bebouwing.

De waarde van de verschillende architectonische eenheden en stedenbouwkundige zones is weergegeven op de waarderingskaart.

9

Begrenzing

Waardering

Het tuindorp Watergraafsmeer wordt aan de noordzijde begrensd door de zuidoever van de Molenwetering langs de Zaaierweg en Landbouwstraat. Aan de overzijde van de Molenwetering bevindt zich de hoge, sterk begroeide walkant of dijk van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Deze groene zoom langs de noordwestrand van het tuindorp en de zoom tussen de Rijksweg A10 die nu bezet wordt door sportveldjes en kinderspeelplaatsen, benadrukken de ruimtelijk geïsoleerde ligging van het tuingebied en suggereren een ligging in het groen (aan de bosrand). Aan de andere zijden vormen de ventweg naast de Middenweg en Onderlangs de grenzen van het gebied. De exacte begrenzing is weergegeven op de bijgevoegde begrenzingskaart, MSP/32/04.

Vroeg 20e-eeuwse stadsuitbreiding met goed bewaarde planmatige structuur en architectonisch samenhangende bebouwing en groeninvulling, waaraan weliswaar de idealen van de tuinstadbeweging ten grondslag liggen, maar die door de sterk formele opzet uniek is voor Nederlandse tuindorpen. Bijzonder is eveneens dat het tuindorp deels in experimentele betonbouw werd uitgevoerd. Deze stadsuitbreiding is als zodanig van belang, vanwege de bijzondere stedenbouwkundige waarden, waarbij de renovatie in de jaren tachtig van de 20e eeuw weliswaar afbreuk heeft gedaan aan het experiment. De betonnen gevels van de betonwoningen zijn niet meer als zodanig herkenbaar, omdat zij bij deze restauratie van een dikke beschermlaag zijn voorzien. De oorspronkelijke experimentele betonconstructies zijn daarbij goeddeels aan het zicht onttrokken en de uit de constructie voortkomende detaillering van de oorspronkelijke gevels zijn vervangen door versieringen in het stucwerk. Hoewel deze noodzakelijke ingrepen als resultaat hebben gehad dat daarbij een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke bouwsubstantie verloren is gegaan, is de stedenbouwkundige eenheid onaangetast gebleven.

Vanuit het karakter van het tuindorpconcept is het aan te wijzen stadsgezicht Tuindorp Watergraafsmeer als een besloten, en op zichzelf staande, naar binnen gekeerde structuur aangelegd. Van sterke ruimtelijke en functionele relaties met de directe omgeving is daarom geen sprake. Binnen het complex met de bovenstaande grenzen is de ruimtelijke samenhang zeer hecht. De relatie van Betondorp met de omgeving wordt vooral bepaald door de, het gebied omgrenzende wegen, groenstroken en waterlopen. De exacte begrenzing is weergegeven op de bijgevoegde begrenzingskaart MSP/32/04.

10

Rechtsgevolg van de aanwijzing

Ter effectuering van de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht moet ingevolge artikel 36 van de Monumentenwet 1988 een bestemmingsplan worden opgesteld. De toelichting op de aanwijzing kan daarbij voor wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de toekomstige ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te bieden voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruikmaakt en daarop voortbouwt. In het aanwijzingsbesluit is bepaald in welke mate de vigerende bestemmingsplannen aan het beschermingsvereiste voldoen.

11

Bronnen

Colofon

Literatuur • Bocanet en Tj. Boersma, Betondorp gebouwd/verbouwd 1923-1987, Amsterdam 1987. • Tj. Boersma, Betondorp, ontwerp, maatschappij, techniek, Amsterdam 1987. • J.H. Kruizinga, 350 jaar Watergraafsmeer, Amsterdam/Alphen aan den Rijn 1979. • M.C. Kuipers, Bouwen in beton; experimenten in de volkshuisvesting voor 1940, Den Haag 1987.

Uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort 2012

Kaarten • Waarderingskaart, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2012. • Watergraafs- of Diemermeer, gegraveerd en uitgegeven door Pieter van den Berge in 1719 (zuidkant is boven). Bron: W.F. Heinemeijer, Amsterdam in kaarten, Ede/Antwerpen. • Uitbreidingsplan Watergraafsmeer, plan Vorkink en Wormser, circa 1907. Bron: Gemeentearchief Amsterdam. • Tuindorp Watergraafsmeer in 1928 met het plan van Gratama en Versteegh. Bron: Kaart Publieke Werken Amsterdam, 1928, Gemeente-archief Amsterdam.

12

Onderzoek en tekst Bureau Monumenten en Archeologie, Amsterdam, J. van der Werf en F. Schmidt Kaartmateriaal Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, drs. B.A.R.T. Broex Foto omslag Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, drs. L.G.M. van Roij Redactie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, drs. E.B. Manuel Productie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/Drukkerij Mailfors, Amersfoort.

Bijlagen

1. Waarderingskaart. 2. Watergraafs- of Diemermeer, gegraveerd en uitgegeven door Pieter van den Berge in 1719 (zuidkant is boven). 3. Uitbreidingsplan Watergraafsmeer, plan Vorkink en Wormser, circa 1907. 4. Tuindorp Watergraafsmeer in 1928 met het plan van Gratama en Versteegh.

13

Waarderingskaart Tuindorp Watergraafsmeer Legenda grens beschermd stadsgezicht Tuindorp Watergraafsmeer rooilijnen baksteen (Versteegh) rooilijnen beton (particuliere) voortuinen zichtas

onderdoorgang symmetrie-as bijzondere bebouwing bijzondere bebouwing na 1945 bijzondere pleinruimtes structurerend (openbaar) groen landmark 0

50

Topografie © Topografische Dienst Kadaster Emmen, 2002

Kaart 1

100

150

200 m

© RCE, e-KS/BB 4 oktober 2012

Waarderingskaart

Kaart 2

Watergraafs- of Diemermeer, gegraveerd en uitgegeven door Pieter van den Berge in 1719, (zuidkant is boven)

Kaart 3

Uitbreidingsplan Watergraafsmeer, plan Vorkink en Wormser, circa 1907

Kaart 4

Tuindorp Watergraafsmeer in 1928 met het plan van Gratama en Versteegh

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12083667/1