CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 20 Ruimtelijke Ordening (23) 2c. toelichting Bestemmingsplan Luttenbergw

RAAD 9 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Luttenbergweg 8 VN2023-01849022.834 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In opdracht van Amsterdam voert Waternet met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater en de drinkwatervoorziening uit. Tijdige afstemming met de afdeling Assetmanagement Waterketen van Waternet voorkomt eventuele knelpunten in de capaciteit van het afvalwaterstelsel en borgt tijdig passende oplossingen voor aansluiting. Waterkeringen

bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 51

Het projectgebied is niet gelegen nabij een waterkering. Waterberging Bij een toename van het oppervlakte verharding van 1.000 m² of meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging. Demping van oppervlaktewater moet voor 100% worden gecompenseerd. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Aangezien binnen het plangebied geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, vindt geen extra verharding plaats. Watercompensatie is hiermee niet aan de orde. Hemelwater In het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2016-2021 staat het beleid van de gemeente op het gebied van hemelwater beschreven. Amsterdam wil haar goede prestaties op het gebied van hemelwater verder verbeteren. De gemeente houdt bij de inrichting van de buitenruimte (privaat en publiek) rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien. Hierop wordt met het programma Rainproof op ingespeeld. De gemeente heeft de ambitie dat de stad in 2020 een bui van 60 mm per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur.

In de Hemelwaterverordening is daarnaast opgenomen dat bij nieuwbouw of bij wijzigingen van importantie per m² minimaal 60 liter hemelwaterberging dient plaats te vinden en dat dit hemelwater over de opvolgende 60 uur afgevoerd dient te worden. Dit om waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen. Aangezien er geen plannen zijn voor verandering van het bestaande kantoorgebouw is het niet noodzakelijk om aan de eisen m.b.t. hemelwaterberging te voldoen. De huidige situatie binnen het plangebied aangaande de verwerking van hemelwater blijft hiermee ongewijzigd met de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Waterkwaliteit Gebruik materialen Bij eventuele renovatie van het huidige kantoorgebouw worden géén materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals: uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout. Het rioolstelsel in het plangebied blijft in huidige vorm aanwezig. Kabels en leidingen Het bestemmingsplan heeft geen invloed op in het plangebied aanwezige kabels en leidingen. Grondwater Er worden geen kelders, ondergrondse parkeergarages of andere ondergrondse bebouwing gerealiseerd. Het bestemmingsplan heeft daarom geen gevolgen voor de grondwaterstromen in en nabij het projectgebied.

Gemeente Amsterdam

blz. 52

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

5.3.1

Kader

Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten-Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet van 9 december 2015 en die op 1 juli 2016 inwerking is getreden. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2024 in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen momenteel te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet 1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel 16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect 'archeologie', formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals-)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk.

Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, dan wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden.

bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 53

Omgevingsverordening NH2020 Paragraaf 6.4.3 ('Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde') van de Omgevingsverordening bevat regels met het oog op de uitwerking en bescherming van de essentiële landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, waaronder De Stelling van Amsterdam. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De Omgevingsverordening NH2020 bepaalt dat een ruimtelijke plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde uitsluitend voorziet in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten niet aantasten. De Omgevingsverordening geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Omgevingsverordening NH2022 Als de Omgevingswet in werking treedt, treedt ook de Omgevingsverordening NH2022 in werking. Ook in de Omgevingsverordening NH2022 zoeken we naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid, zoals omschreven in de visie voor de ontwikkeling van Noord-Holland; de Omgevingsvisie NH2050.

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Noord-Holland beschikt over een unieke en rijke variatie aan (open) landschappen, ruimtelijke structuren, aardkundige en archeologische waarden, cultuurhistorie en gebouwd (wereld)erfgoed. De provincie onderscheidt zich door haar openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Deze karakteristieken reflecteren de rijke ontstaansgeschiedenis en maken het aantrekkelijk voor mensen om hier te wonen, voor bedrijven om zich hier te vestigen en voor recreanten en toeristen om hier te verblijven. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel deze waarden en karakteristieken van landschap en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. En het gaat er om ontwikkelingen en transities te benutten om een goede landschapskwaliteit in stand te houden en zo nodig te creëren. Onderscheid wordt gemaakt in draagvermogen van de diverse landschappen. Mede op basis daarvan wordt zorgvuldig afgewogen welke ruimtelijk-economische ontwikkelingen op welke plek en op welke wijze ontwikkeld kunnen worden. Denk aan zonneparken, windmolens, verstedelijking, vergroting van agrarische bebouwing en waterberging. verschillende soorten gebieden worden onderkend.

In gebieden met grotere structuren en relatief geringere aanwezigheid van cultuurhistorie zijn meer en grotere ontwikkelingen mogelijk. In gebieden waar de waarden van bijvoorbeeld cultuurhistorie, openheid of ecologie hoog zijn en/of waar de betekenis voor de stad groot is, is alleen ruimte voor ontwikkelingen die bijdragen aan de instandhouding of versterking van deze kernkwaliteiten. Tegelijkertijd wordt gebiedsgericht geïnvesteerd in de landschappelijke, cultuurhistorische, recreatieve en ecologische kwaliteiten. In alle gevallen is ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. Deze benaderingswijze betekent een vereenvoudiging van het landschappelijk beleid met minder regimes. Er zijn ook karakteristieke en gewaardeerde landschappen die niet stabiel zijn of waar veel dynamiek op afkomt en waar een integraal perspectief op een nieuwe balans tussen de opgaven, waarden, beleving en (economisch) gebruik noodzakelijk is. Randvoorwaarden Restricties behorend bij werelderfgoederen (UNESCO), in dit geval de Waddenzee, de Beemster, de Stelling van Amsterdam en de Amsterdamse grachtengordel, als ook voor de bij UNESCO genomineerde Nieuwe Hollandse Waterlinie waarbij naar een gezamenlijke uitwerking wordt

Gemeente Amsterdam

blz. 54

toegewerkt met de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht. De Europese Landschapsconventie voor de bescherming van het landschap. De provincies dragen hiervoor een belangrijke verantwoordelijkheid Rijksmonumenten, provinciale monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten. In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen.

Omgevingsvisie NH2050 Amsterdam ligt midden in een gevarieerd landschap van grote schoonheid. Het gaat om natuurgebieden, meren en plassen, oer-Hollandse veenweiden, ingerichte recreatiegebieden, landgoederen, akkerbouwgebieden en ‘nieuwe wildernis’. In het landschap liggen bovendien twee Unesco Werelderfgoed-gebieden: de Stelling van Amsterdam en de Beemster. Het landschap is van iedereen en tegelijk van niemand. Het landschap kent altijd een eigenaar, maar vertegenwoordigt ook collectieve waarden. Werken aan het landschap vraagt daarom bij uitstek samenwerking tussen publieke en private partijen. Amsterdam heeft beperkt zeggenschap over het landschap en volgt hierin landelijk en provinciaal beleid. Toch neemt gemeente Amsterdam verantwoordelijkheid om regionaal actief samen te werken aan beheer en ontwikkeling van een toekomstbestendig landschap. In de omgevingsvisie beschrijven de gemeente haar inzet, niet als af plan, maar als richting voor deze samenwerking. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar.

In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 55

ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11).

Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat er slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Plangebied Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de Trajectnota/MER. In dit onderzoek is informatie verzameld over de bekende en verwachte archeologische waarden aan de hand van bekende gegevens. Dit resulteerde in een indeling van het tracé in zones met een lage, middelhoge en hoge archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek is geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren voor locaties met middelhoge en hoge verwachtingen. Er is vervolgens een aanvullend archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.

In het aanvullend bureauonderzoek zijn de zones waaraan in het eerder uitgevoerde bureauonderzoek middelhoge en hoge verwachtingen zijn toegekend, nader onderzocht. Tevens is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Tijdens het inventariserend veldonderzoek is de archeologische verwachting die eerder bepaald is via het (aanvullend) bureauonderzoek, in het veld getoetst door middel van bodemonderzoek. Dit onderzoek is geïntegreerd met het aanvullend bureauonderzoek. Er is vanwege de grote hoeveelheid vondsten uit de late middeleeuwen en de Nieuwe Tijd in de omgeving van knooppunt Holendrecht sprake van een hoge verwachting voor een vindplaats vanaf de late middeleeuwen. Aanpassing van het knooppunt heeft mogelijk tot een aantasting van waarden geleid. Er werd op grond van de resultaten van het veldonderzoek evenwel geen vervolgonderzoek geadviseerd. In het geldende bestemmingsplan ;Weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere' is ter plaatse van de Luttenbergweg 8 geen dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' noodzakelijk geacht om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. In voorliggend bestemmingsplan wordt hierop aangesloten door eveneens geen dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' ter plaatse van het plangebied op te nemen. Cultuurhistorie beleid Amsterdam

Gemeente Amsterdam

blz. 56

Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening). Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. 5.3.2

Plangebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Binnen het plangebied zijn eveneens geen monumenten gelegen en het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen de stellingszone of kernzone van de Stelling van Amsterdam. Bescherming van cultuurhistorische waarden middels voorliggend bestemmingsplan wordt niet noodzakelijk geacht. Het bestemmingsplan maakt daarnaast geen nieuwe ontwikkelingen nodig, het reeds aanwezige kantoorgebouw inclusief parkeerfaciliteiten blijft immers ongewijzigd aanwezig. Hierdoor worden eventueel aanwezige waarden niet aangetast.

5.4

Natuurbescherming

5.4.1

Kader

Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Rode lijstsoorten Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen.

Voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn de rode bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 57

lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Nationaal Natuurnetwerk Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstrcutuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Hoofdgroenstructuur In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is de hoofdgroenstructuur opgenomen. Waar de hoofdgroenstructuur tot nu toe nog een mozaïek vormde van groengebieden, werken de gemeente Amsterdam met de nieuwe hoofdgroenstructuur aan een aaneengesloten groen netwerk op de schaal van de stad.

De nieuwe hoofdgroenstructuur sluit naadloos aan op de groengebieden en groene routes in de gebieden rondom de stad. Dit netwerk bestaat uit grote groengebieden die onderling met elkaar worden verbonden door ecologische en recreatieve verbindingen. Bovendien voegt de gemeente de bestaande ecologische structuur van Amsterdam toe aan de hoofdgroenstructuur, zodat er aandacht is voor mens én dier. Deze ecologische structuur stamt uit 2012 en kende tot nu toe een eigen beschermingsregime. Door deze in de hoofdgroenstructuur op te nemen, krijgt deze dezelfde status.

Af beelding 5.1: Ecologische passages en structuur.

De ecologische hoofdstructuur is al voor een groot deel ingericht, echter zijn er nog wel een aantal knelpunten in de vorm van infrastructuur of onvoldoende natuurlijke inrichting. Doel is om deze barrières Gemeente Amsterdam

blz. 58

voor dieren weg te nemen en waar mogelijk de kwaliteit van het groen te verbeteren. Het uitgangspunt is om werk met werk te vervolmaken, wanneer projecten in of nabij de ecologische structuur afspelen dient er altijd een stadsecoloog te worden betrokken in het proces om de kansen te benutten. 5.4.2

Plangebied

Volgens de Wet Natuurbescherming geldt voor plannen die niet bijdragen aan de instandhouding van een Natura 2000-gebied dat eerst een passende beoordeling nodig is. Uit de wet volgt tevens dat, ondanks het feit dat het gebouw en de functie van Luttenbergweg 8 niet wordt aangepast, er sprake is van een 'plan' in de zin van art. 2.7 Wnb. Hierdoor valt het ontwerp onder het bereik van art. 2.7 Wnb. Daarnaast geldt volgens jurisprudentie voor gebruik dat mogelijk is gemaakt op grond van een overgangsrecht, en dat opnieuw wordt bestemd in een nieuw plan, alsnog een voortoets nodig is. Door Tauw is de bijdrage aan de stikstofdepositie van het bedrijfspand aan de Luttenbergweg 8 te Amsterdam berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2021.2). In februari 2023 is een berekening met de nieuwe versie van de AERIUS Calculator gemaakt. Daarbij is gerekend met de momenteel vigerende versie van AERIUS (versie 2022, releasedatum 26-1-2023). De uitkomst is en blijft 0,00 mol/ha/jaar. Dus geen effect en geen Wnb-vergunningsplicht. De AERIUS Calculator berekent voor de beoogde situatie een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar.

Daarmee zijn er voor de gebruiksfase geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het gebruik van het bedrijfspand, en is er voor het aspect stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht voor het project in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk hierdoor vinden er geen strijdigheden plaats met de Wet natuurbescherming en is een ontheffing niet noodzakelijk. Indien bij de renovatiewerkzaamheden, werkzaamheden aan de gevel worden beoogd dient een ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden om de geschiktheid van het pand voor het huisvesten van beschermde diersoorten te bepalen. Tevens heeft de stikstofdepositieberekening aangetoond dat voor het in gebruik nemen van het kantoorpand geen vergunning Wet natuurbescherming nodig is. Het plangebied maakt tot slot geen onderdeel uit van een ecologische structuur en/of ecologische passage. Hiermee is het plan eveneens niet strijdig met het gemeentelijk beleid op dit gebied.

bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 59

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

De bestemmingen

In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven.

Gemeente Amsterdam

blz. 60

HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGSREGELS Kantoor De bestemming 'Kantoor' is opgenomen voor de gronden ter plaatse van Luttenbergweg 8 en directe omgeving. Binnen deze bestemming is een aanduiding opgenomen waar parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Naast de bestemming kantoor en parkeervoorzieningen zijn nutsvoorzieningen, wegen, voet- en fietspaden, pleinen, groenvoorzieningen en is water toegestaan. De bestemmingen consolideren de bestaande situatie. Bouwregels De bouwregels verwijzen naar de aanduiding op de verbeelding. Op de verbeelding is het bouwvlak aangegeven, evenals het maatvoeringsvlak, bebouwingspercentage en maximum bouwhoogtes. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn beperkt in hoogte. In lid 3.2.4, onder a is een specifieke bouwregel opgenomen waarin op een dynamische manier is verwezen naar de geldende parkeernormen voor fietsen. Volgens vaste rechtspraak is een dynamische verwijzing naar beleidsregels op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro in beginsel toegestaan. Eveneens volgens vaste rechtspraak mag het toegestane gebruik van gronden in een plangebied niet afhankelijk worden gesteld van de uitvoering van en bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanheft en onder a, van het Bro (uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1578, en van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3191 en 2 september 2020.

ECLI:NL:RVS:2020:2087). De dynamische verwijzing is om die reden opgenomen in een bouwregel. In lid 3.2.4, onder b is een verwijzing naar de specifieke gebruiksregels opgenomen. Specifiek e gebruiksregels In lid 3.3 onder a is het maximum toegestane aantal m2 brutovloeroppervlak programma opgenomen. In lid 3.3 onder b, c en d is respectievelijk en maximum parkeernorm voor auto's, een minimum parkeernorm voor scooter en fietsen opgenomen. Gelet op de het parkeerbeleid zoals uiteengezet in paragraaf 3.4.12 en de daarin opgenomen toelichting en consequenties voor dit plan, is het wenselijk om deze normen vast te leggen in een gebruiksregels. De normen gelden eveneens bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen. HOOFDSTUK 3 - ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Algemene bouwregels In deze regel wordt geregeld dat bepaalde overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Algemene gebruiksregels In deze regel worden de algemene regels omtrent gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten uitgezonderd. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden algemene afwijkingsregels opgesomd.

Er kan voor gebouwen van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 61

en dergelijke worden afgeweken van de regels. Ook kan van de regels worden afgeweken voor geringe afwijkingen en tevens mag de in de regels toegestane maximale bouwhoogte worden overschreden in bepaalde gevallen. Hetzelfde geldt voor de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen. HOOFDSTUK 4 - OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 63

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Vanwege de conserverende aard van het bestemmingsplan is de financieel-economische uitvoerbaarheid dan ook niet in het geding. Het bestemmingsplan maakt geen bouwplan mogelijk in de zin van afdeling 6.4 van de Wro, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet is vereist.

Gemeente Amsterdam

blz. 64

bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 65

Hoofdstuk 8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Formeel is burgerparticipatie tot op heden alleen geregeld middels de inspraakverordening (laatste herziening in 2016). Hierin is participatie verengd tot “gelegenheid tot het naar voren brengen van zienswijzen naar aanleiding van een beleidsvoornemen van een bestuursorgaan”. Inspraak is de minimale vorm van participatie. De gemeenteraad heeft het in oktober 2021 het 'Beleidskader Participatie' vastgesteld. Gemeente Amsterdam verrijkt en verbreedt hiermee de vigerende inspraakverordening en vertaalt dit in een ambtelijk instrument dat kaders biedt voor het proces waarmee participatie in de gemeente Amsterdam vorm krijgt. Om initiatiefnemers te helpen bij het participatieproces heeft gemeente Amsterdam de participatiehandreiking geschreven. In deze handreiking wordt de vorm van de participatie bepaald door de impact van het initiatief op de omgeving. Voorliggend bestemmingsplan heeft beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving waardoor volstaan kan worden met het informeren van de buren en direct omwonenden door gebruik te maken van een brief, mail of via infoborden bij het project. Participatie Rijksvastgoedbedrijf Ten behoeve van deze voorgenomen verkoop en om te onderzoeken welke mogelijkheden deze percelen bieden, is contact gezocht met de drie aangrenzende eigenaren en gebruikers.

Deze partijen zijn op de hoogte gebracht van het voornemen tot verkoop en ook over de wens de bestemming te wijzigen in een kantoorbestemming, zodat het kantoor als werklocatie weer volledig bruikbaar is. Gezien de reacties gaat het Rijksvastgoedbedrijf ervan uit dat zij de gevraagde wijziging van het bestemmingsplan als niet-belemmerend ervaren. Het Rijksvastgoedbedrijf zal, voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gaat, deze partijen opnieuw benaderen en aangeven dat deze procedure gaat starten. Overige belanghebbenden om logischerwijs te attenderen op deze - anders dan mogelijk geïnteresseerden voor verwerving van deze locatie - zijn voor het Rijksvastgoedbedrijf nu niet in beeld.

8.2

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk de minister kunnen bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist. Ten tijde van het overleg in het kader van artikel 3.1.1 van het Bro, worden de stukken ook toegezonden aan overige overlegpartijen. Het plan is, nadat het college ermee heeft ingestemd, in het kader van het bestuurlijk overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro aan de volgende instanties gezonden: Burgemeester en Wethouders van Amsterdam Team Structuurvisie- afdeling Ruimte en duurzaamheid Team Stad; Burgemeester en Wethouders van De Ronde Venen (Abcoude); Burgemeester en Wethouders van Ouder-Amstel; Dagelijks Bestuur stadsdeel Zuidoost; Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, p/a Waternet; Gemeente Amsterdam

blz. 66

Rijksvastgoedbedrijf Directie Vastgoedbeheer Afdeling Klant & Vastgoedmanagement; Ministerie van Infrastructuur & Milieu /Rijkswaterstaat West-Nederland Noord (I&M/Rijkswaterstaat N-H); Ministerie van Infrastructuur & Milieu/Rijkswaterstaat Midden-Nederland; Provincie Noord-Holland. Daarnaast zijn de stukken in het kader van het maatschappelijk overleg verzonden aan: Liander; Brandweer Amsterdam-Amstelland; Bureau Monumenten & Archeologie; De Bedrijvenvereniging Amsterdam Zuidoost (VAZO); Fietsersbond Amsterdam; GGD; Vattenfall v.h. Nuon; NV Nederlandse Gasunie; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (DMB); Veiligheidsregio Amsterdam Amstelland; TenneT; Verkeer en Openbare Ruimte gemeente Amsterdam; Grond en Ontwikkeling; Gasunie. Tijdens de gestelde termijn zijn van onderstaande partijen reacties ontvangen. Geen van de partijen had een inhoudelijke opmerking. Naar aanleiding van de reacties is het dus niet nodig gebleken de toelichting van het bestemmingsplan aan te passen. TenneT: 17 oktober 2022 TenenT heeft op 17 oktober 2022 hun reactie gestuurd op het planvoornemen. In hun reactie gaf TenneT aan dat het in het plangebied geen bovengrondse-, of ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer heeft. Om deze reden heeft TenneT geen verdere opmerkingen.

Verkeer & Openbare Ruimte- Gemeente Amsterdam: 18 oktober 2022 Afdeling Verkeer & Openbare Ruimte van gemeente Amsterdam heeft op 18 oktober 2022 gereageerd per mail en deelde mee geen commentaar vanuit parkeernormen te hebben op het plan. Provincie Noord-Holland: 18 oktober 2022 De provincie Noord-Holland geeft per mail van 18 oktober 2022 aan dat er in het plangebied geen relevante werkingsgebieden zijn vanuit de Omgevingsverordening NH2020 van toepassing. De provincie Noord-Holland heeft verder geen op- en/of aanmerkingen op dit planvoornemen en geeft aan dat het planvoornomen in volgende fases niet aan de provincie hoeft te worden voorgelegd. Brandweer Amsterdam-Amstelland: 25 oktober 2022 De brandweer heeft op 25 oktober 2022 aangegeven dat zij kennis hebben genomen van het planvoornomen. De brandweer heeft met betrekking tot externe veiligheid geen aanvullende opmerkingen op het planvoornemen. Ambtelijk zijn positieve reacties ontvangen van Bureau Monumenten & Archeologie en Verkeer en Openbare Ruimte. Voor zover nodig is de toelichting aangevuld op basis van deze ambtelijke reacties.

bestemmingsplan_Luttenbergweg 8 (vastgesteld)

blz. 67

8.3

Zienswijzen

Van 27 april 2023 tot en met 8 juni 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan, gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

8.4

Ambtshalve wijzigingen

n.v.t.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13455760/1