A - 19 Ruimtelijke Ordening (23) 3a. Adelaarsweg-Meeuwenlaan Bijlagen bij de
Tekst van het document
Het hoofddoel van HHNK voor de waterkeringen is ervoor zorgen dat ze in een goede constructieve staat verkeren en aan de veiligheidsnorm voldoen. De keringen staan onder voortdurende controle en worden aangepakt waar en wanneer dat nodig is. HHNK voert het beheer zodanig uit, dat bescherming tegen overstromingen blijvend is gewaarborgd. Tegelijkertijd heeft het hoogheemraadschap oog voor maatschappelijke belangen. Het hoogheemraadschap staat open voor de maatschappelijke wens tot medegebruik van de waterkeringen. Door samen te werken met belanghebbenden probeert HHNK te bereiken dat maatregelen elkaar zo veel mogelijk aanvullen en versterken en dat de beschikbare middelen optimaal worden besteed. Keur Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV,1 november 2019) De Keur is de waterschapsverordening van het waterschap AGV. De Keur is gericht op het beschermen van waterstaatswerken en -keringen, de water aan- en –afvoer, het voorkomen van wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de Keur zijn verschillende geboden en verboden opgenomen voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers, wateren en verhard oppervlak. Waterbeheerplan waterschap AGV 2016-2021 Het beleid van het Hoogheemraadschap AVG is verwoord in het Waterbeheerplan AGV 2016-2021 'Waterbewust en waterrobuust'.
In dit beheerplan worden de hoofdtaken van het waterschap behandeld, namelijk waterveiligheid, voldoende water en schoon water. Voor elk van deze thema's zijn de wensbeelden voor 2030, de doelen en de aanpak op hoofdlijnen aangegeven. De 'Watervisie Amsterdam 2040' Het water in Amsterdam is voor iedereen' is een uitwerking van de gemeentelijk Structuurvisie Amsterdam 2040 en heeft als doel het geven van een ruimtelijk-economisch perspectief op de ordening van de diverse functies en gebruik van het water. Naast een richtinggevend beleidsinstrument voor het college van burgemeester en wethouders, wordt de Watervisie ingezet als planologisch-juridisch toetsingsdocument voor ruimtelijke plannen.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
Om de betekenis van het water voor de stad nog meer te vergroten is in de Watervisie de koers uitgezet aan de hand van de volgende hoofdrichtingen: water toegankelijk en beleefbaar maken & activeren; groei door spreiden van recreatie en toerisme; meer dynamiek in het gebruik van het water; toepassen van economische principes. Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam en Integraal Technisch Beleidsrapport 2016-2021 Het Gemeentelijk RioleringsPlan bevat de visie van de gemeente op het gewenste waterbeleid voor de komende jaren. De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen indien dit vanuit de grondwaterzorgplicht nodig is. In dit beleidsdocument staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting, zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen. Dit plan biedt tevens een kans om in te spelen op ontwikkelingen, zoals het veranderende klimaat.
In het GRP wordt de ambitie geuit om de stad in zijn geheel meer waterbestendig te maken, conform richtlijnen uit het programma Amsterdam Rainproof. 5.1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het Waterschap AGV, zodat de Keur AGV van toepassing is. Tevens ligt het plangebied in de beschermingszone van een afgewaardeerde primaire waterkering (thans is sprake van een regionale waterkering) van HHNK. Voor de waterkering en de bijbehorende beschermingszone is de bestemming Waterstaat - Waterkering opgenomen.
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 33
Uitsnede legger Waterveiligheid HHNK met het plangebied en de afgewaardeerde primaire waterkering en beschermingszones
Uitsnede legger AGV. Paarse stippellijn geeft het beheergebied aan, met daarin het plangebied ter plaatse van de rode pijl Conclusie Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe (bouw)ontwikkelingen, zodat het plan geen gevolgen heeft voor de waterhuishouding.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Kader De juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Erfgoedwet. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de
Gemeente Amsterdam
blz. 34
ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Rijk De Europese ministers van Cultuur hebben in 1992 het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Deze culturele overeenkomst had tot doel om meer bewustzijn van het Europese erfgoed te creëren en in het bijzonder het Europese archeologische erfgoed voor toekomstige generaties beter in stand te houden. In Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud exsitu). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. In de Erfgoedwet is een bepaling opgenomen dat in elk bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. De Erfgoedwet bevat tevens een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zogenaamde meldingsplicht).
Provincie Noord-Holland De provincie stimuleert en inspireert gemeenten over archeologisch erfgoed, in het bijzonder over de 10 archeologiegebieden die door de provincie zijn aangewezen. Dit zijn gebieden die een bovenregionale archeologische waarde vertegenwoordigen. Archeologische waarden kunnen een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Het Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland ondersteunt gemeenten op het gebied van ruimtelijke ordening en archeologie. De provincie registreert en bewaart alle bodemvondsten in het archeologisch depot in Huis van Hilde.2 Als toetsingskader voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gebruikt de provincie Noord-Holland de structuurvisie (Omgevingsvisie NH2050), de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC). Tevens dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met de provinciale verordening (Omgevingsverordening NH2020). Gemeente Amsterdam De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geïntegreerd. Hiermee worden twee doelen gediend. Ten eerste een efficiënte voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen. En ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed.
Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De bescherming van (verwachte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsgunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het belang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overleggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog.
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 35
De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen. Erfgoed voor de stad Amsterdam is permanent in verandering en ontwikkeling. Erfgoed is een bron van inspiratie en een drijvende kracht bij die ontwikkeling: monumentale gebouwen en archeologische vindplaatsen, maar ook tradities en verhalen bepalen de identiteit en de kwaliteit van de bestaande stad. Omgekeerd dankt erfgoed haar voortbestaan aan verandering en groei. Actuele ontwikkelingen in de economie en het verkeer, in het wonen, de culturele sector, het onderwijs en het sociale domein zijn bepalend voor de toekomst van zowel het materiële als het immateriële erfgoed. Nieuwkomers en zittende bewoners, jonge starters en gevestigde (internationale) bedrijven zoeken steeds opnieuw passende ruimte in de stad. En zorgen voor een vitale mix van wonen, werken en recreëren in de bijzondere buurten en monumentale gebouwcomplexen van Amsterdam. In de Erfgoedagenda (Erfgoed voor de stad, 2016) worden de hoofdlijnen, aandachtspunten en acties voor de komende jaren uiteengezet.
Rode draad is het optimaal inzetten van erfgoed bij de transformatie en groei van de stad. Erfgoed vertegenwoordigt een brede cultuurhistorische, sociaal-maatschappelijke, economische en ook een ecologische waarde. Deze waarden worden kwalitatief en steeds meer ook kwantitatief in beeld gebracht. Via permanent onderzoek ontdekken en duiden architectuurhistorici, bouwhistorici en archeologen de elementen van de stad die het verhaal vertellen van haar ontwikkelingsgeschiedenis. Zij geven aan wat de waarden ervan zijn en waarom. Het voor iedereen vindbaar en begrijpelijk maken van deze kennis wordt steeds belangrijker. De bestaande ruimtelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden, bepalend voor de identiteit van een gebied, vragen erom te worden ingezet als bron van inspiratie bij ontwikkeling en transformatie. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie De uitvoering van archeologisch onderzoek is gebonden aan de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL SIKB 4000) en daarmee samenhangend de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA gaat uit van een gefaseerde aanpak. Er wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen Bureauonderzoek, een Inventariserend Veldonderzoek, en het doen van Opgravingen (Appendix: stroomschema). Het inventariserend veldonderzoek is bedoeld om de resultaten van het bureauonderzoek te toetsen.
Het geeft inzicht in de aanwezigheid en toestand van de archeologische overblijfselen in de bodem. Een opgraving wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van een vindplaats met waardevolle archeologische resten. Archeologisch veldonderzoek wordt, afhankelijk van de bodemingreep en de verwachting, voorafgaand aan of tijdens de civieltechnische werkzaamheden (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd. Elke onderzoeksfase wordt afgesloten met een selectiebesluit. Hierin wordt vastgesteld welke delen van een plangebied in aanmerking komen voor verder archeologisch onderzoek of voor bescherming en welke delen van het plangebied worden vrijgegeven. Voor archeologisch veldonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) vereist. Hierin zijn de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het werk vastgelegd. Het vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het laten opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
5.2.1.2 Plangebied Door M&A is in oktober 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (d.d. 10 december 2021), zie bijlage 3. Uit dit onderzoek volgt dat sprake is van een verwachtingskaart voor het plangebied met één zone: Zone A, de Volewijk. De archeologische verwachting is hier laag. In de voormalige buitendijkse polder kunnen sporen voorkomen die verband houden met landgebruik vanaf de 10de eeuw tot de verstedelijking in de 19de eeuw. Ook kunnen huisplaatsen uit de ontginningsperiode aanwezig zijn, maar deze kennen een lage trefkans. Grote delen van de Volewijk zijn naar verwachting verstoord door grootschalig grondverzet in de 20ste en 21ste eeuw. Binnen het plangebied geldt één archeologische beleidszone: Beleidsvariant 11 (terreinen met een lage verwachting die zijn opgehoogd): uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij alle bodemingrepen. Voor deze beleidszone is logischerwijs geen dubbelbestemming opgenomen. Voor het gehele onderzoeksgebied geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Kader 5.2.2.1.1
Rijksbeschermd stadsgezicht
Op 3 maart 2014 is Amsterdam-Noord aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht, in het kader van de Monumentenwet 1988. In het aanwijzingsbesluit staat dat het gebied Amsterdam-Noord van algemeen belang is vanwege zijn historisch-ruimtelijk karakter en dat dit nog voldoende gaaf en herkenbaar is. Het beschermd stadsgezicht richt zich niet op de bescherming van afzonderlijke gebouwen maar op de instandhouding van het geheel van stedenbouwkundige structuur, bebouwing en openbare ruimte. Het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Noord omvat de belangrijkste dragers van de historische ontwikkeling die dit gebied in de periode 1850-1940 doormaakte: ten eerste de Waterlandse Zeedijk met de dijkdorpen Schellingwoude, Nieuwendam, Buiksloot en de lintbebouwing Oostzanerdijk; daarnaast het 19e-eeuwse ontwikkelingsgebied, met name de Volewijk en delen van de Nieuwendammer- en Buiksloterhampolder, met het Noordhollands Kanaal als belangrijkste as. Ten slotte de reeks tuindorpen die in de eerste helft van de 20e eeuw binnen deze structuur tot stand kwam, ook wel de ‘20-40 gordel’ van Noord genoemd. De Vogelbuurt valt in deze gordel. De Vogelbuurt is ontstaan in drie fasen met elk een eigen stedenbouwkundige structuur: Spreeuwenpark, Vogelbuurt-Midden en Vogelbuurt-Noord. De Adelaarsweg is van oorsprong de oostelijke zeedijk langs het Noord-hollands Kanaal.
De Meeuwenlaan is een van de oude wegen in de
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 37
Volewijk en de Nieuwendammerham. Over de Adelaarsweg reed tussen 1886 en 1923 een stoomtram en ook de Meeuwenlaan heeft tot 1956 een trambaan gekend.3
Het Rijksbeschermd stadsgezicht "Amsterdam-Noord" met blauwe omlijning 5.2.2.2 Plangebied Het plangebied ligt geheel in de Vogelbuurt, die onderdeel is van het Rijksbeschermde stadsgezicht Amsterdam-Noord. In het gebied werd eerste, in de jaren '60, een tijdelijk schoolgebouw gebouwd. Dit tijdelijke gebouw werd in 1985 gesloopt en door nieuwbouw vervangen. Het bestaande schoolgebouw heeft geen ordewaardering gekregen op de Waarderingskaart van Amsterdam omdat het pas later is gebouwd. De cultuurhistorische waarde daarvan is daarom nog niet bekend. Conclusie Aangezien er sprake is van een conserverend bestemmingsplan, zijn er vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen geconstateerd voor dit bestemmingsplan.
5.3
Duurzaamheid
5.3.1
Kader
Voor wat betreft duurzaamheid heeft de gemeente Amsterdam de volgende doelstellingen4: 2030 Streeft naar een volledige uitstootvrije stad Heeft een duurzame eigen organisatie Wekt 80% van de elektriciteit die huishoudens gebruiken op uit zonne- en windenergie Gebruiken we 50% minder nieuwe grondstoffen Stoot 55% minder CO2 uit in vergelijking met 1990
Gemeente Amsterdam
blz. 38
2040 Is aardgasvrij 2050 Is klimaatadaptief Heeft alle geschikte daken ingezet voor de opwek van zonne-energie Is klimaatneutraal Is circulair Verder bestaat het aspect "duurzaamheid" binnen de gemeente uit verschillende onderdelen: 1. Klimaatneutraal. Er is een "Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050". De Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal is een ambitiedocument met een lange termijn visie op de Amsterdamse energietransitie en acties voor de korte termijn. In de Routekaart worden de belangrijkste ingrediënten van de strategie beschreven om samen de overgang van fossiele naar duurzame energie in beweging te zetten en te houden. 2. Duurzame energie. Zo is er de ConceptRES (Regionale Energietransitie) Amsterdam, waarin de ambitie en zoekgebieden van Amsterdam op het gebied van grootschalige opwekking van wind- en zonne-energie voor 2030 wordt beschreven. Daarnaast wordt een eerste schets gegeven van de vraag naar warmte en (potentiële) warmtebronnen. Dit is de inzet van Amsterdam voor het regionale bod dat Noord-Holland Zuid (NHZ) de komende periode in haar Regionale Energiestrategie (RES) gaat opstellen. Deze ‘deelRES’ is dus een tussenproduct dat onderdeel wordt van de Concept RES voor heel NoordHolland Zuid. 3. Aardgasvrij. In de Transitievisie Warmte wordt richting gegeven aan de overstap naar een aardgasvrij Amsterdam.
Op basis van de kennis van nu, gecombineerd met de wensen van de Amsterdamse bewoners en partnerorganisaties, wordt een route door de stad geschetst. Het uitgangspunt is betaalbaarheid. 4. Circulaire economie. In de Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025 wordt op hoofdlijnen geschetst waarom en hoe Amsterdam circulair wordt. Hierbij hoort ook het Innovatie- en Uitvoeringsprogramma 2020-2021, de rapportage "De stadsdonut voor Amsterdam" en de Monitor. 5. Schone lucht. Het Actieplan Schone Lucht zet in op het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat de gemiddelde Amsterdammer in 2030 drie maanden langer leeft. De Gemeente neemt daarvoor zoveel mogelijk vervuilingsbronnen weg en ze zet haar energie op de bronnen waar ze de meeste invloed op heeft: het verkeer, de passagiers- en pleziervaart, houtstook en de mobiele werktuigen. De maatregelen in het Actieplan zorgen dat Amsterdam zo snel mogelijk voldoet aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. Het Actieplan Schone Lucht leidt met de Agenda Autoluw en het programma smart mobility Amsterdam naar een samenhangendplan voor minder, slimmer en schoon verkeer in Amsterdam. 6. Groen. In de Groenvisie 2020-2050 staan de hoofdlijnen van wat de gemeente vanaf 21 december 2020 tot 2050 gaat doen om een steeds groenere stad te worden.
De Groenvisie is één van de bouwstenen voor de Amsterdamse Omgevingsvisie en input voor de regionale Verstedelijkingsstrategie. 5.3.2
Plangebied
Met dit bestemmingsplan wordt zogezegd de bestaande situatie vastgelegd en worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Conclusie Het bestemmingsplan staat het gemeentelijk beleid niet in de weg.
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 39
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
6.2
Artikelsgewijze toelichting
6.2.1
Algemeen
In de bestemmingsomschrijving van de planregels wordt beschreven welke functies binnen de desbetreffende bestemming zijn toegestaan. In de bouwregels wordt weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. In de navolgende (sub)leden worden maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. In de specifieke gebruiksregels worden nadere bepalingen gegeven omtrent de functies die zijn vermeld in de doeleindenomschrijving. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van bepaalde functies beperkt worden, of de situering van functies worden aangewezen. In dit hoofdstuk wordt elk artikel kort toegelicht.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
6.2.2
Planregels
6.2.2.1 Inleidende regels Begrippen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. De begripsbepalingen staan, behalve voor de begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan' op alfabetische volgorde. Wijze van meten In dit artikel is geregeld op welke manier moet worden gemeten. 6.2.2.2 Bestemmingsplanregels Sport Binnen deze bestemming is ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening' een openbaar toegestaan. Het gaat hier zogezegd feitelijk om een verhard speelterrein met enkele speelvoorzieningen, een groen speelveld met een omheind gedeelte, een verharde strook en een deel van een speelpleintje. Maatschappelijk Basischoool "De Kinderboom" en het inpandige "Expertisecentrum Uniek" hebben de bestemming Maatschappelijk gekregen. Binnen deze bestemming zijn tevens -conform de bestaande situatiebergingen en andere nevenruimten, erven, speel- en groenvoorzieningen en overige voorzieningen ten behoeve van deze bestemming toegestaan. Verkeer Deze bestemming is opgenomen voor het Albatrospad, gelegen aan de noordzijde van het plangebied. Fiets- en voetpaden zijn toegestaan, evenals bijbehorende functies. Er is gekeken naar de inhoud van de voorheen geldende plannen en de bestaande situatie.
Waarde - Cultuurhistorie Zoals uit 5.2.2.2 volgt, valt het plangebied geheel in de Vogelbuurt, die onderdeel is van het Rijksbeschermde stadsgezicht "Amsterdam-Noord"en is daarom deze bestemming opgenomen. Behoud van de cultuurhistorische- en architectuurhistorische waarden staat bij gronden met deze bestemming voorop. Om die reden is de bestemming primair gemaakt aan de overige aan deze gronden gegeven bestemmingen. Dit betekent dat aanvragen om omgevingsvergunning altijd eerst dienen te worden getoetst aan de regels van de dubbelbestemming. Voor zover de op de verbeelding aangegeven dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen, gelden in de eerste plaats de bepalingen uit dit artikel en in de tweede plaats de bepalingen uit de overige artikelen. Waterstaat - Waterkering De regionale waterkering en de bijbehorende beschermingszone zijn voorzien van een beschermende regeling. Verder is ook in deze bestemming de prioritering van de dubbelbestemmingen opgenomen. 6.2.2.3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond welke betrokken is geweest bij het toestaan van een bouwplan bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is. bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 41
Algemene aanduidingsregels In dit artikel is vastgelegd dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mede zijn bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein "Johan van Hasseltkanaal Oost", op geluidsgevoelige bestemmingen. Tevens is bepaald dat een toelaatbaar gebouw of uitbreiding daarvan welk kan worden aangemerkt als geluidsgevoelige bestemming, alleen is toegestaan indien de geluidsbelasting vanwege het genoemde industrieterrein op de gevels van het gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeurgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde. Tevens is een regeling opgenomen die afkomstig is uit het bestemmingplan "Grondwaterneutrale kelders" (vastgesteld op 7 oktober 2021), dat is opgesteld vanwege de negatieve gevolgen van kelderbouw. Het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders" dient dat te voorkomen. Voor verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting van dat bestemmingsplan. Algemene bouwregels In deze regel wordt geregeld dat bepaalde overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Algemene gebruiksregels In dit artikel is aangegeven wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bestemmingsplan.
In deze regeling zijn de algemene ondergeschikte afwijkingsmogelijkheden opgenomen zodat enige flexibiliteit mogelijk wordt gemaakt ten aanzien van de regels. Dit zal maatwerk zijn per situatie waarbij de belangen van het betrokken geval dienen te worden afgewogen. Overige regels In deze regels is een dynamische verwijzing naar het geldende parkeerbeleid voor auto's en fietsen opgenomen. Hierdoor kan de gemeente een bouwplan bij de vergunningverlening toetsen aan het parkeerbeleid. De parkeernormen zelf zijn niet in het bestemmingsplan opgenomen. Het voordeel van een dynamische verwijzing is dat bestemmingsplan niet hoeft te worden aangepast indien het parkeerbeleid gedurende de looptijd van dit bestemmingsplan wijzigt. 6.2.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In dit artikel wordt geregeld dat legale bouwwerken mogen worden behouden of legaal gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomt met de regels die in dit bestemmingsplan worden gegeven. Het opnemen van een dergelijke regeling is voorgeschreven vanuit het Besluit ruimtelijke ordening. Slotregel Dit wordt ook wel de citeerbepaling genoemd. Hierin wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan genoemd is.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 43
Hoofdstuk 7 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Kader
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financieel-economische haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Daarnaast moet op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). Deze wetgeving is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden.
7.2
Plangebied
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en zet de bestaande situatie voort. Er is daarom geen aanleiding tot het vaststellen van een exploitatieplan. Zoals in elk bestemmingsplan is het mogelijk om binnen bestaande bebouwingscontouren sloop-nieuwbouwplannen te ontwikkelen. In die gevallen, voor zover zij zich zullen voordoen, zijn er echter geen kosten voor de gemeente, waardoor kostenverhaal niet aan de orde is. Conclusie De financieel-economische uitvoerbaarheid is niet in het geding. Vanwege het ontbreken van nieuwe ontwikkelingen is kostenverhaal niet aan de orde en hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 45
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaatsgevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen (voorbereiding van besluiten waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Aangezien er sprake is van een conserverend bestemmingsplan waarbij geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, wordt de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen voldoende geacht in het kader van participatie.
8.2
Vooroverleg
In overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de volgende instanties: Provincie Noord-Holland Stadsdeel Noord gemeente Amsterdam Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waternet Bureau M&A gemeente Amsterdam Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland Van onderstaande instanties is een reactie ontvangen: Provincie Noord-Holland Stadsdeel Noord gemeente Amsterdam Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waternet Bureau M&A gemeente Amsterdam Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland De ingebrachte overlegreacties zijn opgenomen in de Nota van beantwoording vooroverleg, die als bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd.
8.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 9 juni 2022 zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 47
Eindnoten
1. Stb. 2020, 204. 2. Bron: https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Cultuur_en_Erfgoed/Archeologie 3. Toelichting bij het aanwijzingsbesluit van het Rijksbeschermd Stadsgezicht "Amsterdam-Noord", p. 22-25. 4. Bron: https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/volg-beleid/duurzaamheid/
Gemeente Amsterdam
blz. 56
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 57
Bijlage 2
Onderzoek externe veiligheid
Gemeente Amsterdam
Advies Externe Veiligheid Adviesdatum: 08-06-2021 Mozard zaaknummer
Z10287990
Projectfase
Ontwerpbestemmingsplan
Inrichting of Project:
Basisschool De Kinderboom
Adres / Plaats:
Adelaarsweg 113/Meeuwenlaan Amsterdam
Contactpersoon: Kopie aan:
Opdrachtgever gemeente Amsterdam
Datum adviesverzoek:
29-04-2021
Adviseur:
Christiaan Roodhart
Tweede lezer:
Stefan Musch
Bronnen:
1. Adviesaanvraag Mozard
Vraag Gevraagd wordt advies uit te brengen over externe veiligheid voor het conserverende postzegelbestemmingsplan voor basisschool De Kinderboom aan de Adelaarsweg 113 in Amsterdam. Advies Geadviseerd wordt: 1. Een onderbouwing voor de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid conform artikel 7 Bevt op te laten stellen. 2. Advies te vragen aan de Veiligheidsregio conform artikel 9 Bevt over de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid. Wel dient een beperkte verantwoording groepsrisico te worden opgesteld, waarover advies van de veiligheidsregio wordt gevraagd.
1|6
Inhoudelijke beoordeling Landelijke wet- en regelgeving Een eerste indruk van de risico’s wordt verkregen via de Signaleringskaart EV. Uit de Signaleringskaart blijkt dat ten oosten een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie loopt (zie figuur 1). Er vallen echter geen plaatsgebonden risicocontouren of invloedsgebieden over de locatie. Er is ten aanzien van de buisleidingen geen strijd met de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en er hoeft ook geen nader onderzoek en verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.
Figuur 1 - Uitsnede EV-Signaleringskaart
Verder zijn er geen risicocontouren of invloedsgebieden van risicovolle bedrijven of wegen, spoorwegen en waterwegen die vallen onder Basisnet over deze locatie gelegen.
2|6
Gemeentelijk beleid Transport van gevaarlijke stoffen over de weg De gemeenteraad van Amsterdam heeft gemeentelijke routes voor transport van gevaarlijke stoffen aangewezen. Transporteurs van routeplichtige stoffen 1 zijn verplicht de aangewezen routes te volgen en moeten indien zij daarvan willen afwijken een ontheffing aanvragen bij het college. Langs het plangebied loopt een aangewezen route over de Johan van Hasseltweg. De routeplicht geldt alleen voor de gevaarlijkste categorie stoffen. Transporten met benzine en diesel zijn bijvoorbeeld niet verplicht de route te volgen of ontheffing aan te vragen en blijven dan ook buiten beschouwing in de volgende analyse.
Figuur 2 - Gemeentelijke routering vervoer gevaarlijke stoffen nabij het plangebied (Bron: data.amsterdam.nl)
Het doel van de routering is het reguleren van transport van gevaarlijke stoffen over het gemeentelijk wegennet. De routering nabij het plangebied is bedoeld voor de ontsluiting van het nabijgelegen bedrijventerrein en voorkomt onnodig transport door Amsterdam Noord. Dit betekent ook dat geen grote aantallen transporten met gevaarlijke stoffen te verwachten zijn. In voorbereiding is een nieuwe gemeentelijke routering, waarbij de aanwijzing zal komen te vervallen. Transport van routeplichtige gevaarlijke stoffen is dan alleen nog mogelijk met ontheffing. Door middel van de ontheffing kunnen ook wegen worden aangewezen waardoor een eventuele leverroute niet meer langs de school loopt. Dit vraagt in het proces van de benadeling van een aanvraag om het afwegen van voor- en nadelen van verschillende routes. Vaststelling risico Er zijn geen telgegevens of transport aantallen bekend. Om te bepalen of er toch rekening moet worden gehouden met plaatsgebonden risico en/of groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de Handleiding 1
Routeplicht | Gevaarlijke stoffen weg | Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) (ilent.nl)
3|6
Risicoanalyse Transport (HART). In het achtergronddocument staan vuistregels die daarvoor gebruikt kunnen worden. 1.2.4 Routetype: weg binnen de bebouwde kom (50 km/uur) 1.2.4.1 Toetsing plaatsgebonden risico Vuistregel 1: Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10-5 -contour. Vuistregel 2: Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10-6 -contour. 1.2.4.2 Toetsing groepsrisico Toetsing oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Er zijn aan de betreffende route geen bedrijven bekend die stoffen in deze categorie per bulk krijgen aangeleverd. Een berekening met RBM II kan achterwege blijven. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-98 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Er zijn aan de betreffende route geen bedrijven of locaties bekend waarnaar structureel transport van GF3 (propaan/LPG) plaatsvindt. Incidenteel transport zal niet leiden tot een overschrijding. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden.
Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Er zijn aan de betreffende route geen bedrijven bekend die stoffen in deze categorie per bulk krijgen aangeleverd. Een berekening met RBM II kan achterwege blijven. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Er zijn aan de betreffende route geen bedrijven of locaties bekend waarnaar structureel transport van GF3 (propaan/LPG) plaatsvindt. Incidenteel transport zal niet leiden tot een overschrijding. De grens van 10% van de oriëntatiewaarde wordt niet overschreden.
4|6
Begripsbepaling Binnen het aspect externe veiligheid is van belang of er sprake is van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. De school met bijbehorend buitenterrein is op grond van artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) aangewezen als kwetsbaar object. Plaatsgebonden risico Voor het plaatsgebonden risico geldt een afstand van 0 meter vanaf de weg. Het plangebied ligt hier buiten. Er is geen strijd met de grens- of richtwaarden (voor respectievelijk kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) volgens artikel 4 uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. Plasbrandaandachtsgebied Er geldt voor gemeentelijke wegen geen op grond van het Bevt aangewezen plasbrandaandachtsgebied. Er is geen nadere onderbouwing of onderzoek nodig. Verantwoording groepsrisico en hulpverlening Algemeen Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt met minder dan 10% toe in de nieuwe situatie. Er wordt namelijk een conserverend bestemmingsplan vastgesteld waardoor geen toename van personen plaats zal vinden. Daarom is er geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk en hoeft uitsluitend artikel 7 van het Bevt uitgewerkt worden. Dit artikel stelt het volgende: Artikel 7 Bevt In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt ingegaan op: a.
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de weg en b. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet met gevaarlijke stoffen. Artikel 8 Bevt Dit artikel heeft betrekking op het gebied binnen 200 meter van een transportroute. Het plan ligt daar binnen, maar aangezien gebruik gemaakt kan worden van de uitzondering genoemd in lid 2 hoeft geen nadere motivering te worden opgenomen. Artikel 9 Bevt (Advies Veiligheidsregio) Artikel 9 uit het Bevt is ook relevant en stelt het volgende: De veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland dient in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen over de bij a en b genoemde onderwerpen.
5|6
Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Gemeente Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid stelt dat objecten specifiek bedoeld voor minder-zelfredzame personen (voorzieningen) buiten de 100% letaliteitscontour van de transportroute moeten worden gesitueerd. Hoewel het aantal risicovolle transporten verwaarloosbaar zal zijn kan niet worden uitgesloten dat de 100% letaliteitscontour over (een deel) van de bestemming valt2. Binnen een basisschool verblijven minderzelfredzame personen. Zodoende wordt op dit punt niet voldaan aan het Uitvoeringsbeleid. Er is echter in het verleden een andere afweging gemaakt. Het lijkt niet opportuun om in het kader van deze procedure daar op terug te komen. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Zodoende wordt op dit punt wel voldaan aan het Uitvoeringsbeleid.
2
Een plasbrand benzine kent bijvoorbeeld een letaliteitscontour van 30 meter (Bron: Tankwagen Benzine – Plasbrand | Scenarioboek Externe Veiligheid (scenarioboekev.nl))
6|6
blz. 64
bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)
blz. 65
Bijlage 3
Archeologisch bureauonderzoek
Gemeente Amsterdam
Archeologisch bureauonderzoek Bestemmingsplan Adelaarsweg-Meeuwenlaan, BO 21-161 Amsterdam 2021 Monumenten en Archeologie
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Inhoud Inhoud .............................................................................................................................................3 Samenvatting ................................................................................................................................ 4 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1
Basisgegevens ........................................................................................................................ 6
2
Wet- en regelgeving ................................................................................................................7 2.1 Algemeen........................................................................................................................7 2.2 Rijk ..................................................................................................................................7 2.3 Provincie Noord-Holland .................................................................................................7 2.4 Gemeente Amsterdam ................................................................................................... 8 2.5 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie ...................................................................... 8
3
Historisch-geografische en archeologische inventarisatie......................................................10 3.1 Geomorfologie en bodem algemeen .............................................................................10 3.2 Historie algemeen .........................................................................................................10 3.3 Historisch-geografische inventarisatie ..........................................................................12 3.3.1 Het Waterlandse veengebied ....................................................................................12 3.3.2 De Volewijk ...............................................................................................................
13 3.3.3 Recente ontwikkelingen ............................................................................................14 3.4 Archeologische inventarisatie van het plangebied .........................................................16 3.4.1 Archeologische Monumentenkaart ...........................................................................16 3.4.2 Vindplaatsen .............................................................................................................16 3.4.3 Bodemopbouw en grondwaterstand .........................................................................18 3.5 Conclusie: gespecificeerde verwachting ........................................................................18
4
Archeologische verwachtingskaart ........................................................................................19
5
Archeologische beleidskaart ................................................................................................. 20
6
Conclusie ...............................................................................................................................21
7
Bronnen................................................................................................................................ 22
Appendix I: beleidsvarianten en stroomschema ........................................................................... 24
3
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Samenvatting Monumenten en Archeologie heeft in opdracht van Ruimte en Duurzaamheid een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor bestemmingsplangebied Adelaarsweg-Meeuwenlaan, stadsdeel Noord. Dit onderzoek is bedoeld om een beeld te krijgen van de ondergrondse cultuurhistorische waarden die in het plangebied aanwezig kunnen zijn, en ten gevolge van eventuele toekomstige bouwontwikkelingen verstoord kunnen worden. In deze gevallen is aanvullend advies nodig voor het bepalen van het geschikte archeologisch vervolgtraject (zie stroomschema appendix 1). Het bureauonderzoek gaat uit van een beknopt overzicht van de historisch-geografische ontwikkeling van het plangebied. Het historisch overzicht wordt aangevuld met archeologische informatie afkomstig van vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. De historische en archeologische informatie over de ruimtelijke topografische ontwikkelingen is omgezet naar een beeld van archeologische verwachtingen. De archeologische verwachting betreft één zone, zoals aangegeven op de verwachtingskaart (p. 19). Aan de hand van deze verwachtingskaart is een archeologische beleidskaart opgesteld, waarin de beleidsregels en maatregelen voor de vereiste archeologische monumentenzorg zijn vastgelegd. De beleidskaart telt één zone met een lage verwachting (p. 20).
Voor deze zone geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen. Voor het gehele plangebied geldt een wettelijke meldingsplicht. Dit houdt in dat ook wanneer geen archeologisch onderzoek is vereist, en toch bodemvondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, dit wordt gemeld bij Monumenten en Archeologie. In overleg met de ontwikkelaar worden vervolgens maatregelen getroffen tot documentatie en berging van de vondsten.
4
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Inleiding Monumenten en Archeologie heeft in opdracht van Ruimte en Duurzaamheid een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor bestemmingsplan Adelaarsweg-Meeuwenlaan, stadsdeel Noord. Het plangebied wordt ruwweg begrensd door de Johan van Hasseltweg, de Kievitstraat, de Adelaarsweg en aan de zuidkant door de achterzijde van de percelen aan de Fazantenweg . Het bureauonderzoek geeft een overzicht van bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van historisch kaartmateriaal, relevante publicaties en archiefbronnen in samenhang met archeologische informatie over al bekende vindplaatsen in het plangebied en omgeving. Deze informatie is samengevat in een archeologisch verwachtingsmodel op basis waarvan de beleidsregels voor erfgoedzorg worden vastgelegd ten behoeve van het plan- en onderzoeksgebied. In het bureauonderzoek komt een landschappelijke, historische en archeologische analyse van het plangebied (hoofdstuk 3) aan de orde. Hieruit volgt een archeologische verwachtingskaart (hoofdstuk 4), gekoppeld aan een beleidskaart (hoofdstuk 5) die inzichtelijk maakt bij welke oppervlakte en diepte bodemingrepen zijn uitgezonderd van de archeologische onderzoeksplicht.
5
Gemeente Amsterdam
1
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Basisgegevens
Project Opdrachtgever Uitvoerder bureauonderzoek Bevoegd gezag Beheer en plaats documentatie Onderzoeksgebied Provincie Plaats Stadsdeel ARCHIS onderzoeksnummer Centrum coördinaat
Ruimte en Duurzaamheid Monumenten en Archeologie – B. Vissers Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam
Noord-Holland Amsterdam Noord 5117372100 X: 123.247 Y: 489.052
1 Het plangebied (rood omlijnd) geprojecteerd op de luchtfoto van 2020 (Basisinformatie, Gemeente Amsterdam)
6
Gemeente Amsterdam
2
Wet- en regelgeving
2.1
Algemeen
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Het archeologisch erfgoed bestaat uit structuren, grondsporen en voorwerpen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving. Het beleid voor het archeologisch erfgoed heeft dan ook veel raakvlak met dat van de ruimtelijke ordening. Voor een optimale integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het rijk onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast, en de Erfgoedwet geïntroduceerd. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 vervallen, maar het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving blijft via het Overgangsrecht in de Erfgoedwet van toepassing.1
2.2
Rijk
In 1992 hebben de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Deze culturele overeenkomst had tot doel om meer bewustzijn van het Europese erfgoed te creëren en in het bijzonder het Europese archeologische erfgoed voor toekomstige generaties beter in stand te houden. In Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud ex situ). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. In de Monumentenwet is een bepaling opgenomen dat in elk bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden.2 De Erfgoedwet bevat een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zogenaamde meldingsplicht).3
2.3
Provincie Noord-Holland
Als toetsingskader voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gebruikt de provincie Noord-Holland de omgevingsvisie, de leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC).4 Op grond van de Wro dienen gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen de Provinciale Ruimtelijke 1
Hoofdstuk 9 Erfgoedwet 2016. Artikel 9.1 Erfgoedwet (overgangsrecht); Artikel 38a lid 1 van de gewijzigde Monumentenwet schrijft hierover dat De gemeenteraad bij vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Met ‘monument’ wordt hier een (onbeschermd) archeologisch monument bedoeld, ofwel alle terreinen welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde (art. 1 Monumentenwet). 3 Artikel 5.10, tweede lid, Erfgoedwet 2016. 2
4
Provincie Noord-Holland, 2018.
7
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Verordening in acht te nemen. Op de ILC zijn o.a. archeologisch verwachtingsvolle gebieden opgenomen. Naast de ILC beheert de provincie de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van het rijk. Op de AMK staan de beschermde archeologische monumenten, de terreinen van zeer hoge en hoge archeologische waarde en de gebieden met een archeologische betekenis. De waardestellingen van de ILC en AMK zijn bedoeld als algemene indicaties die per specifiek plangebied nadere invulling en precisering nodig hebben.
2.4
Gemeente Amsterdam
De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geïntegreerd.5 Hiermee worden twee doelen gediend. Ten eerste een efficiënte voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen. En ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed. Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De Monumentenwet biedt een tweetal mogelijkheden (artikelen 39-40) die Monumenten en Archeologie heeft uitgewerkt in de modelregels archeologie. De bescherming van (verwachte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsgunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het belang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning in aanvulling op voorliggend bureauonderzoek een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overleggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog. De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen (Appendix: Beleidsvarianten). In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor.
2.5
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
De uitvoering van archeologisch onderzoek is gebonden aan de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL SIKB 4000) en daarmee samenhangend de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA gaat uit van een gefaseerde aanpak. Er wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen Bureauonderzoek, een Inventariserend Veldonderzoek, en het doen van Opgravingen (Appendix: stroomschema). 5
Monumenten en Archeologie, 2016.
8
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Het inventariserend veldonderzoek is bedoeld om de resultaten van het bureauonderzoek te toetsen. Het geeft inzicht in de aanwezigheid en toestand van de archeologische overblijfselen in de bodem. Een opgraving wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van een vindplaats met waardevolle archeologische resten. Archeologisch veldonderzoek wordt, afhankelijk van de bodemingreep en de verwachting, voorafgaand aan of tijdens de civieltechnische werkzaamheden (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd. Elke onderzoeksfase wordt afgesloten met een selectiebesluit. Hierin wordt vastgesteld welke delen van een plangebied in aanmerking komen voor verder archeologisch onderzoek of voor bescherming en welke delen van het plangebied worden vrijgegeven. Voor archeologisch veldonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) vereist. Hierin zijn de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het werk vastgelegd. Het vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het laten opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan.
9
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
3
Historisch-geografische en archeologische inventarisatie
3.1
Geomorfologie en bodem algemeen
Het huidige natuurlijke landschap in en om Amsterdam is in grote mate bepaald door de landschapsvorming in het Holoceen. Dat is de geologische periode na de laatste IJstijd (vanaf ca. 10.000 v.Chr.). Er heerste toen een gematigd klimaat waarin in enkele duizenden jaren grote pakketten veen groeiden in de kuststreek. De top van dit Hollandveen bevindt zich in de huidige ondergrond op gemiddeld NAP -2 à -3 m. Het natuurlijke landschap werd vanwege grootschalige veenontginningen vanaf de 12de eeuw omgevormd tot een veenweidegebied. Aan de noordzijde van het IJ, in Waterland, begon deze ontwikkeling al in de 10de eeuw. Aangezien de waterhuishouding een cruciale rol speelde bij de veenontginningen, begon tegelijkertijd de aanleg van het stelsel van (zee)dijken ter bescherming van het nieuwe bouw- en akkerland. Later, in de 17de en 18de eeuw, volgden de droogmakerijen waarbij grote watergebieden in Noord-Holland werden ingepolderd.
3.2
Historie algemeen
De vroegste sporen van menselijke bewoning of activiteiten binnen het gemeentelijk gebied van Amsterdam gaan, zo blijkt uit recente vondsten in de Noord/Zuidlijn bouwputten op het Damrak en Rokin, terug tot het late Neolithicum (ca. 2400 v. Chr.). Ook rond de stad, op vooral de hoger gelegen strandwallen, zijn dergelijke oude vindplaatsen bekend. De oudste stedelijke bewoningssporen, voor zover nu archeologisch bekend, beginnen eind 12de eeuw en zijn teruggevonden aan de Nieuwendijk / Kalverstraat en de Warmoesstraat/Nes. Met de aanleg van de (Nieuwezijds en Oudezijds) voorburgwallen in de 14de eeuw startte het proces van stadsvorming. De laatmiddeleeuwse stad was omsloten door het huidige Singel aan de westkant en de Geldersekade en Kloveniersburgwal aan de oostkant. In de periode 1585-1663 groeide de stad explosief door vier stadsuitbreidingen. Ten tijde van de Eerste Uitleg (1585-1586) verplaatste de stadsrand zich naar de huidige Herengracht en de Oudeschans. Bij de Tweede Uitleg (1592-1596) kwamen er vier nieuwe woon- en werkeilanden (Marken, Uilenburg, Rapenburg en Vlooienburg) aan de oostkant van de stad. In 1613 ontstond met de Derde Uitleg aan de westzijde van de stad de woon- en werkbuurt de Jordaan en het eerste deel van de grachtengordel tot aan de Leidsegracht.
Met de Vierde Uitleg van 1663 werd in de Gouden Eeuw het halfcirkelvormige stadsplan van Amsterdam voltooid. Het oostelijk deel van de grachtengordel werd aangelegd over de Amstel en aan het IJ kwamen de drie oostelijke haveneilanden Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg. De eerste woonwijken buiten de Singelgracht ontstonden naar aanleiding van het uitbreidingsplan Kalff in 1877, gevolgd door een tweede ring na annexatie van grote delen van de gemeenten Nieuwer-Amstel en Sloten in 1896. De 20ste-eeuwse groei van de stad valt uiteen in vier fasen. Tussen 1915 en 1940 werd in Noord, Oost, Zuid en West de Gordel 20-40 gebouwd. Deze werd gevolgd door de naoorlogse tuinsteden in West, Buitenveldert en Noord, en in de jaren zestig en zeventig door het volbouwen van de Bijlmermeerpolder. Met IJburg borduurt de stad begin 21ste eeuw weer voort op het concept van vier eeuwen tevoren, het creëren van stedelijk areaal in
10
Gemeente Amsterdam
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
en aan het IJ. Daarnaast wordt door de bouw van woningen binnen het bestaande stedelijk gebied ingezet op verdichting van de stad.
11
Gemeente Amsterdam
3.3
BO 21-161 Adelaarsweg-Meeuwenlaan
Historisch-geografische inventarisatie
Het plangebied wordt ruwweg begrensd door de Johan van Hasseltweg, de Kievitstraat, de Adelaarsweg en aan de zuidkant door de achterzijde van de percelen aan de Fazantenweg. De locatie maakt historisch gezien deel uit van een voormalige landtong van de noordelijk IJ-oever: de Volewijk (afb. 3). Voor de historisch-geografische analyse van dit gebied zijn verschillende cartografische bronnen gebruikt, waaronder de Paleogeografische kaart door Vos et al. (2018), de kaart van Nicolaes Visscher (ca. 1700), de kadastrale kaart van 1832 en de kaart van Publieke Werken van 1929.
2 Paleogeografische kaart (uitsnede) voor de periode rond 1500 ter hoogte van Amsterdam en de Volewijk 6
3.3.1 Het Waterlandse veengebied Tussen de 10de en 13de eeuw werd het Waterlandse veengebied ontgonnen.7 Het inklinken van het veen en daardoor de noodzaak om telkens nieuw gebied in cultuur te brengen, leidde tot een wijde verspreiding van woonterpen over het landschap.8 Tussen de 13de en de 14de eeuw ontstond door voortdurende bodemklink een laaggelegen vlakte die ongeschikt was voor akkerbouw, maar nog wel als weidegrond gebruikt kon worden.9 Om het gebied te beschermen tegen het water van de Zuiderzee werden zeedijken aangelegd, die uiteindelijk samen de Waterlandse zeedijk zouden vormen.