A - 19 Ruimtelijke Ordening (23) 2d. bijlage Ontwerp gewijzigde GR SPW WAS-W
Tekst van het document
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Instellingsbesluit van de gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Haarlem, Haarlemmermeer en Velsen en Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent Recreatieschap Spaarnwoude (Gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Spaarnwoude) De raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Haarlem, Haarlemmermeer en Velsen alsmede Provinciale Staten en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland wijzigen de regeling als volgt; overwegende dat: -
ten gevolge van de voorgenomen herindeling van de gemeenten Haarlemmermeer en Haarlemmerliede en Spaarnwoude per 1 januari 2019 het noodzakelijk is de gemeenschappelijke regeling Spaarnwoude te wijzigen; in verband met de laatste wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (1 juli 2022) het noodzakelijk is de gemeenschappelijke regeling te wijzigen; daarnaast nog redactionele verbeteringen nodig zijn;
gelet op: het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Provinciewet en titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht; besluiten: de gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Spaarnwoude als volgt gewijzigd vast te stellen:
HOOFDSTUK I Artikel 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Begripsbepalingen
1. Deze regeling verstaat onder: a. recreatieschap:
het openbaar lichaam, genoemd in artikel 2, eerste lid, van deze regeling;
b. deelnemers:
de in de aanhef genoemde bestuursorganen;
c. Bestuursorganen
Provinciale Staten van Noord-Holland, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de onderscheiden deelnemers
c. gebied:
het gebied als bedoeld in artikel 2, derde lid van deze regeling, inclusief daarbinnen gelegen wateren, wegen en vaarwegen voor zover niet uitdrukkelijk uitgezonderd;
d. uitvoeringsorganisatie: de organisatie belast met uitvoering van door het bestuur van het recreatieschap opgedragen taken, en e. Wgr:
Wet gemeenschappelijke regelingen.
i. exploitatieresultaat
Tekort of overschot na saldering van de kosten en baten van het recreatieschap in een boekjaar na verrekening participantenbijdrage;
j. negatief/positief saldo Tekort of overschot na verrekening exploitatieresultaat
1
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid 2.
Waar in of krachtens deze regeling artikelen van de Gemeentewet of enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komt in die artikelen in de plaats van: -
“de provincie” en “de gemeente”:
het recreatieschap;
-
“Provinciale Staten” en “de gemeenteraad”:
het algemeen bestuur;
-
“Gedeputeerde Staten” en “burgemeester en wethouders”:
het dagelijks bestuur, en
-
“de commissaris van de koning” en “de burgemeester”:
de voorzitter.
Artikel 2
Openbaar lichaam
1.
Er is een openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wgr, genaamd Recreatieschap Spaarnwoude.
2.
Het openbaar lichaam is gevestigd te Haarlem.
3.
Het gebied waarvoor deze regeling geldt, omvat het rechtsgebied zoals dat is vastgelegd op de van deze regeling onderdeel uitmakende en als zodanig gewaarmerkte kaart (bijlage 1).
4.
Wanneer het recreatieschap enig zakelijk dan wel persoonlijk recht verwerft op gronden, grenzend aan het in het derde lid bedoelde gebied, is deze regeling ook van toepassing op (het gebied van) die gronden, indien het bestuur van de gemeente, tot het grondgebied waarvan deze behoren, bij aangetekende brief heeft medegedeeld hiermede in te stemmen. De in het eerste lid bedoelde tekening wordt overeenkomstig aangepast en aanvullend gewaarmerkt.
HOOFDSTUK II DOEL, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Artikel 3
Doel
Het recreatieschap heeft ten doel binnen een gebied, als aangegeven op de bij deze regeling behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening: a. het bevorderen van een evenwichtige ontwikkeling van de openluchtrecreatie; b. het tot stand brengen en bewaren van een evenwichtig natuurlijk milieu; c. het tot stand brengen en onderhouden van een landschap, dat is afgestemd op het onder a en b geformuleerde.
Artikel 4
Taken
1. Ter behartiging van de in artikel 3 genoemde belangen worden aan het recreatieschap tenminste de volgende taken toegekend: a. de ontwikkeling van recreatieve mogelijkheden; b. het tot stand brengen van recreatieve werken en inrichtingen; c. het beheren en onderhouden van werken, inrichtingen, eigendommen en goederen; d. het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 15 en 16 van de Wegenwet voor wat betreft de door het recreatieschap aangelegde c.q. aan te leggen dan wel door een deelnemende gemeente in beheer en onderhoud aan het recreatieschap overgedragen of over te dragen wegen, (fiets)paden en routevoorzieningen; e. het daartoe opstellen dan wel aanpassen van een beleidsplan, dat onder meer omvat een prioriteiten- en investeringsschema; f.
het opmaken en vaststellen van plannen voor de werken, inrichtingen, eigendommen en goederen van het recreatieschap, waaronder begrepen basis- en deelplannen alsmede beheerplannen;
g. het uitvoeren of doen uitvoeren van de plannen genoemd onder e en f; h. het uitoefenen van toezicht op de naleving van bepalingen in wetten, reglementen en verordeningen in het gebied;
2
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid i.
het verwerven, ruilen, bezwaren en vervreemden van voor natuur en recreatie van belang zijnde roerende en onroerende zaken, vorderingen of persoonlijke rechten en tot het verhuren, verpachten of op ander wijze in gebruik geven van de werken, inrichtingen, goederen of eigendommen van het recreatieschap.
2. In aanvulling op de taken, genoemd in het eerste lid kan het recreatieschap op verzoek van een deelnemer voor deze deelnemer in het kader van de doelstemming als bedoeld in artikel 3 en met inachtneming van het door die deelnemer vastgestelde beleid, ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten. Dit wordt in een overeenkomst vastgelegd. 3. De deelnemers zijn verplicht aan het recreatieschap inlichtingen te verschaffen omtrent plannen en maatregelen die voor het recreatieschap van belang zijn.
Artikel 5
Bevoegdheden
1. Aan het bestuur van het recreatieschap worden ter behartiging van de in artikel 3 genoemde belangen en ter verwezenlijking van de in artikel 4 omschreven taken alle bevoegdheden toegekend dan wel overgedragen die aan de bestuursorganen van de deelnemers toebehoren evenals alle bevoegdheden van regeling en bestuur voortvloeiende uit de W gr, de Gemeentewet en de Provinciewet, met inachtneming van de beperkingen daarin gesteld en voorts met inachtneming van hetgeen in deze regeling verder is bepaald. 2. Onder de in het eerste lid overgedragen bevoegdheden worden ten minste verstaan: a. besluiten tot het oprichten van en deelnemen in rechtspersonen stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, voor zover dit past binnen het in artikel 3 gestelde belang; b. besluiten tot het aangaan van overeenkomsten als bedoeld in artikel 4, tweede lid. c. besluiten tot het aangaan van overeenkomsten met derden, niet zijnde deelnemers aan de regeling, tot het verrichten van adviserende, ondersteunde en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van natuur en recreatie. d.
het vaststellen van verordeningen, al dan niet door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, strekkende tot de uitoefening van de belangen en de taken van het recreatieschap, met in achtneming van het bepaalde in artikel 156, tweede en derde lid van de Gemeentewet; e. het heffen van leges vaststellen van een legesverordening; f.
het uitoefenen van de gemeentelijke bevoegdheden, ingevolge artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht;
g. het uitoefenen van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 2.1 en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor wat betreft het gestelde in Bijlage I, onderdeel C, categorie 19, onder 19.1, onder g en ten eerste van het Besluit omgevingsrecht. h. het sluiten van een overeenkomst met een uitvoeringsorganisatie ter uitvoering van taken die op grond van deze regeling aan het openbaar lichaam zijn opgedragen. i. 3.
het instellen van commissies als bedoeld in artikel 25 van de Wgr. Het algemeen bestuur besluit niet tot vaststellen van een verordening, door strafbepalingen of bestuursdwang te handhaven, dan nadat de raden van de deelnemende gemeentenen Provinciale Staten van Noord-Holland in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het dagelijks bestuur zendt daartoe het ontwerp van de verordening aan de raden en de Staten. De raden van de deelnemende gemeenten en de Staten zenden uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het ontwerp van die verordening schriftelijk bericht aan het algemeen bestuur.
3. Indien de raad van een deelnemende gemeente, op het grondgebied waarvan de door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven verordening betrekking heeft, schriftelijk heeft bericht, dat naar zijn mening de verordening geheel of ten dele niet dient te gelden voor bepaald aangewezen gebieden van
3
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid deze gemeente, worden deze gebieden uitgesloten van de werkingssfeer van de betreffende bepalingen van de verordening. Deze uitsluiting geldt slechts indien: a. een gemeentelijke verordening voorziet in hetzelfde onderwerp, en b. door het bestuursorgaan wiens bevoegdheden het betreft voorzien is in een besluit tot mandatering van de voor het beheer en toezicht noodzakelijke bevoegdheden aan het uitvoeringsorgaan dat door het recreatieschap is belast met het beheer over het gebied. 4. In een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening als bedoeld in het derde lid wordt een eventuele uitsluiting vermeld met verwijzing naar de voor deze gebieden geldende gemeentelijke verordening. 5. Het algemeen bestuur stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop in een vroegtijdig stadium ingezetenen van de provincie alsmede belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid van het recreatieschap worden betrokken. 6. a. Onverminderd het bepaalde in de Wgr worden de volgende ontwerpbesluiten van het algemeen bestuur ter zienswijze aan de gemeenteraden en Provinciale Staten van de deelnemers gezonden: -
het opstellen dan wel aanpassen van beleidsplannen;
-
het vaststellen van verordeningen, al dan niet door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, strekkende tot de uitoefening van de belangen en de taken van het recreatieschap;
-
het vaststellen van een legesverordening;
-
besluit tot oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang;
-
het instellen van een bestuurscommissie;
b. Onder een zienswijze in de zin van dit artikel wordt verstaan dat de gemeenteraden onderscheidenlijk Provinciale Staten hun wensen en bedenkingen kenbaar kunnen maken. c. Het algemeen bestuur kan bij andere besluiten bepalen of zienswijzen worden gevraagd. d. Het algemeen bestuur bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen zienswijzen kunnen worden ingediend.
HOOFDSTUK III ALGEMEEN BESTUUR Artikel 6
Samenstelling
1. Het algemeen bestuur bestaat uit 6 leden, te weten: a. twee vertegenwoordigers aan te wijzen door Provinciale Staten van Noord-Holland, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de gedeputeerden; b. één vertegenwoordiger, aan te wijzen door de raad van de gemeente Amsterdam, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders; c. één vertegenwoordiger aan te wijzen door de raad van die gemeente Haarlem, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders; d. één vertegenwoordiger aan te wijzen door de raad van de gemeente Haarlemmermeer, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders; e. één vertegenwoordiger, aan te wijzen door de raad van de gemeente Velsen, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders. 2.
De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een periode van vier jaar. Zolang de leden lid zijn van het bestuursorgaan van de deelnemer, behouden zij het lidmaatschap van het algemeen bestuur tot hun opvolgers zijn benoemd.
3.
De aanwijzing van leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van de gemeenteraden in nieuwe samenstelling na gehouden gemeenteraadsverkiezingen voor de leden als
4
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e, en van Provinciale Staten in nieuwe samenstelling na gehouden statenverkiezingen voor het lid als bedoeld in het eerste lid, onder a. 4.
De raad onderscheidenlijk Provinciale Staten kunnen voor elk lid van het algemeen bestuur dat zij hebben aangewezen, tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt. 5.Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt, conform de WGR, van rechtswege zodra het lid ophoudt lid of voorzitter te zijn van de gemeenteraad dan wel ophoudt wethouder te zijn, dan wel ophoudt lid te zijn van Provinciale of Gedeputeerde Staten.
5. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur door ontslag, overlijden of om een andere reden vacant komt, wijst de raad van de gemeente waar het voormalig lid uit afkomstig was onderscheidenlijk wijzen Provinciale Staten binnen 8 weken na dat openvallen een nieuw lid aan. 6. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen. 7. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats het is benoemd zou hebben moeten aftreden. 8. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, in dienst van het door of vanwege het bestuur van het recreatieschap aangesteld of anderszins daaraan ondergeschikt. 10.Een deelnemer kan voor degene die door de deelnemer is aangewezen als lid van het algemeen bestuur een plaatsvervanger in het algemeen bestuur aanwijzen. 11.Het in dit artikel bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van plaatsvervangers
Artikel 7
Werkwijze
1. Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en verder zo vaak dikwijls indien dit door één of meer leden van het algemeen bestuur schriftelijk en onder opgave van redenen wordt gevraagd. In het laatste geval wordt de vergadering binnen drie weken gehouden. 2. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de bepalingen van deze regeling, een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement alsmede de daarin aangebrachte wijzigingen wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis gebracht van de colleges en de raden van de deelnemers. 3. Het algemeen bestuur en de leden van het algemeen bestuur hebben de bevoegdheid personen uit te nodigen als adviseur aan een vergadering deel te nemen dan wel zich te doen bijstaan door één of meer (al dan niet ambtelijke) adviseurs. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur kan hieromtrent nadere regels stellen. 4. Een lid onderscheidenlijk zijn plaatsvervanger kan staande de beraadslagingen vragen de beslissing over het aan de orde zijnde onderwerp aan te houden voor nader overleg met het orgaan dat hem heeft aangewezen. 5. Een aanhouding als bedoeld in het vorige lid wordt door de voorzitter verleend tot aan de volgende vergadering. Indien de voorzitter van oordeel is dat de urgentie dan wel het belang van de zaak geen uitstel duldt, beslist de vergadering.
6 Op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 22 van de Wgr en de daarin vermelde artikelen uit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
6. Het algemeen bestuur maakt zijn agenda, vergaderstukken en verslagen uit eigen beweging openbaar, met inachtneming van de artikelen 5.1 en 5.2 van de Wet open overheid.
5
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Artikel 8
Openbaarheid vergaderingen
1.Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. 2.De deuren worden gesloten wanneer tenminste de helft van de aanwezige leden daarom verzoekt of wanneer de voorzitter dat nodig oordeelt. 3.Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over a. Het vaststellen en wijzigen van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; b. het vaststellen, wijzigen of intrekken van door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven verordeningen. c. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen en d. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 25 van de Wgr. 5.Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de W et openbaarheid van bestuur over de geheimhouding van de inhoud van stukken is het bepaalde in artikel 23, leden 1 tot en met 4, van de Wgr van toepassing.
Artikel 9
Stemmen en besluitvorming
1. Het algemeen bestuur neemt besluiten bij gewone meerderheid van stemmen, tenzij in deze regeling anders is bepaald, waarbij ieder bestuurslid een stem heeft. 2. Besluiten tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen worden genomen bij unanimiteit. 2.Wanneer de stemmen staken, is het voorstel verworpen. In dat geval wordt een nieuwe vergadering belegd. Artikel 32 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3.Wanneer ten aanzien van zaken geen der leden stemming vraagt, wordt aangenomen dat conform het voorstel is besloten. Bij het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen dient steeds tot stemming te worden overgegaan, tenzij het bestuur unaniem besluit van stemming af te zien. Als dan wordt, evenals ten aanzien van zaken, aangenomen dat conform het voorstel is besloten. 4.Indien tot stemming wordt overgegaan, wordt over alle zaken mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen, bij gesloten en ondertekende briefjes. Daarbij wordt de stemverhouding als aangegeven in het eerste en tweede lid in acht genomen.
Artikel 10 Bevoegdheden 1.Aan het algemeen bestuur behoren met betrekking tot de in artikel 5 omschreven bevoegdheden van het recreatieschap alle bevoegdheden, die niet ingevolge de W gr of deze gemeenschappelijke regeling aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter zijn opgedragen. 2.Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren ten minste: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting en het vaststellen van de jaarrekening; b. het vaststellen van verordeningen door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven. 3.Het algemeen bestuur besluit slechts tot oprichting van en de deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat raden van de deelnemende gemeenten en de Staten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij unanimiteit.
6
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Artikel 10
Vergoedingen en tegemoetkoming
Het algemeen bestuur kan met inachtneming van artikel 52, eerste lid, juncto artikel 21, eerste en tweede lid van de Wgr voor leden, plaatsvervangende leden en adviseurs van het algemeen en dagelijks bestuur, alsmede ten behoeve van de leden en plaatsvervangende leden van een in artikel 15 bedoelde commissie een regeling vaststellen voor een op jaarbasis te bepalen vergoeding voor hun werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten.
HOOFDSTUK IV DAGELIJKS BESTUUR Artikel 11
Samenstelling
1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en twee overige leden, met dien verstande dat geen twee leden afkomstig zijn uit dezelfde gemeente. 2. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode van het algemeen bestuur. 3. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij aftreden als lid van het algemeen bestuur. 4. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur openvalt, wijst het algemeen bestuur terstond een nieuw lid aan. 5.Degene die door de deelnemer met inachtneming van het in artikel 6 bepaalde is aangewezen als plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is tevens plaatsvervangend lid van het dagelijks bestuur indien het lid van het algemeen bestuur dat door hem wordt vervangen tevens lid is van het dagelijks bestuur.
Artikel 12
Werkwijze
1. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn besloten. 2. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of wanneer een lid hem dit schriftelijk verzoekt onder opgave van de te behandelen onderwerpen. Indien een vergadering is gevraagd, wordt zij binnen twee weken gehouden. 3. Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. 4. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. 5.Voor het overige zijn ten aanzien van de vergaderingen van het dagelijks bestuur de regels van toepassing zoals die in een reglement zijn vastgelegd. Het dagelijks bestuur zendt het reglement ter kennisgeving aan het algemeen bestuur. 5. Het dagelijks bestuur maakt de agenda’s en besluitenlijsten uit eigen beweging openbaar, met inachtneming van de artikelen 5.1 en 5.2 van de Wet open overheid.
Artikel 13
Taken en bevoegdheden
1. Het dagelijks bestuur is bevoegd a. het dagelijks bestuur van het recreatieschap te voeren, voor zover niet bij de wet of de regeling het algemeen bestuur daarmee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam; d. het benoemen, schorsen en ontslaan van ambtenaren; d. het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wgr;
7
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid e. te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dat het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; 2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor: a. het opstellen van agenda’s en verslagen van vergaderingen van het algemeen bestuur; b. de informatievoorziening aan het algemeen bestuur. 2.Indien en voor zover het dagelijks bestuur de uitvoering van de haar toebedeelde taken opdraagt aan de uitvoeringsorganisatie, dient zij erop toe te zien dat die taken conform het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid worden uitgevoerd. Het dagelijks bestuur adviseert de uitvoeringsorganisatie met betrekking tot de wijze van uitvoering van het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid. 3.Het dagelijks bestuur is bevoegd om in onvoorziene en dringende gevallen afwijkingen in de uitvoering van door het algemeen bestuur vastgestelde plannen en begrotingen goed te keuren. Het algemeen bestuur kan deze bevoegdheid van het dagelijks bestuur inperken door het stellen van algemeen verbindende voorschriften.
HOOFDSTUK V DE VOORZITTER Artikel 14
Benoeming en taak
1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter aan. 2.De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur. 3.De vicevoorzitter van het algemeen bestuur is tevens vicevoorzitter van het dagelijks bestuur. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 5.De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. 3. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter indien deze verhinderd is 4. Indien door het recreatieschap een geding wordt gevoerd tegen of een rechtshandeling gepleegd met een rechtspersoon, die door dezelfde persoon wordt vertegenwoordigd als de voorzitter van het recreatieschap, wordt het recreatieschap vertegenwoordigd door de vicevoorzitter, ook indien door de wederpartij alsnog een andere vertegenwoordiger mocht zijn aangewezen.
HOOFDSTUK VI COMMISSIES Artikel 15
Adviescommissie en bestuurscommissie
1.Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. 1. Het algemeen bestuur kan voor bepaalde belangen een bestuurscommissie instellen zoals bedoeld in de artikel 25 van de Wgr, waaraan bevoegdheden van algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen worden overgedragen. 2. Het algemeen bestuur bepaalt de bevoegdheden en samenstelling van de bestuurscommissies. 3.Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een bestuurscommissie als bedoeld in het vorige lid dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen zijn geïnformeerd en gedurende een periode van 3 maanden in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
8
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
HOOFDSTUK VII INLICHTINGEN EN VERANTWOORDING Artikel 16
Interne verantwoording en inlichtingenplicht
1.De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2.Zij geven het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 1. De leden van dagelijks bestuur verstrekken -tezamen dan wel afzonderlijk- aan het algemeen bestuur alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het bepaalde in artikel 23 van de Wgr, die door het algemeen bestuur dan wel één of meer leden daarvan, hetzij mondeling in een vergadering van het algemeen bestuur, hetzij schriftelijk worden verlangd en wel door: a. mondelinge beantwoording van de gestelde vragen in dezelfde vergadering van het algemeen bestuur; b. toezending van bepaald aangewezen stukken binnen drie weken na ontvangst van het verzoek daartoe; c. schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan. 2. Indien een beroep wordt gedaan op het bepaalde in artikel 50a juncto artikel 23 van de Wgr, kan het algemeen bestuur besluiten, dat in een besloten vergadering terzake mededelingen worden gedaan.
Artikel 17
Externe verantwoording en inlichtingenplicht
1. Een lid van het algemeen bestuur verschaft de raad die hem als lid heeft aangewezen alle inlichtingen die door één of meer leden van die raad onderscheidenlijk van Provinciale Staten worden verlangd. 2. Een lid van het algemeen bestuur is aan de raad onderscheidenlijk aan Provinciale Staten die hem als lid heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 3. De leden van het dagelijks bestuur verschaffen inlichtingen aan de raden onderscheidenlijk Provinciale Staten.
Artikel 18
Informatieverstrekking door het bestuur
1. Het algemeen bestuur geeft aan de gemeenteraden en Provinciale Staten alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het bepaalde in artikel 52 juncto artikel 23 van de Wgr, die door één of meer leden van de gemeenteraden schriftelijk worden verlangd en wel door: a. toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen drie weken na ontvangst van het verzoek daartoe; b. schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en commissies geven de raden en Provinciale Staten alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk Provinciale Staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. Het algemeen bestuur zendt in ieder geval de volgende stukken, zodra die zijn vastgesteld respectievelijk door het dagelijks bestuur zijn ontvangen, ter kennisneming aan de raden en Provinciale Staten toe: - plannen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e; - verordeningen, al dan niet door strafbedreiging of politiedwang te handhaven; - de reglementen van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur; - de agenda's voor de vergaderingen van het algemeen bestuur; - de verslagen van de vergaderingen van het algemeen bestuur; - het jaarverslag van het recreatieschap; - Koninklijke besluiten die betrekking hebben op stukken of aangelegenheden van het recreatieschap.
9
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
HOOFDSTUK VIII BELEID, UITVOERING EN VERANTWOORDING Artikel 20 Beleid Het algemeen bestuur kan bij verordening een procedure vaststellen voor het opstellen en vaststellen van een meerjarig beleidsplan als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder e, alsmede wijzigingen hierop, waarin de betrokkenheid wordt beschreven van: •
a. de deelnemers aan de regeling
•
b. de uitvoeringsorganisatie
•
c. de belangenorganisaties van gebruikers, recreanten en ondernemers
•
d. de eigenaren van zakelijke rechten in het gebied
Artikel 19
Verantwoording /verslaglegging
1. Het algemeen bestuur brengt ten behoeve van de deelnemers jaarlijks verslag uit van de werkzaamheden van het recreatieschap gedurende het voorafgaande jaar. Het jaarverslag wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. 2. Het algemeen bestuur kan in een financiële verordening als bedoeld in artikel 24 eerste lid nadere regels stellen met betrekking tot periodieke rapportages door de uitvoeringsorganisatie.
Artikel 20
Mandaat
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur c.q. de voorzitter kunnen de bevoegdheden inzake de hun opgedragen taken mandateren / machtigen aan een uitvoeringsorganisatie voor zover er geen wettelijk voorschrift is dat hieraan in de weg staat of voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet tegen mandatering/machtiging verzet. Het algemeen bestuur stelt daarvoor een verordening op betreffende algemene bepalingen en uitgangspunten op basis waarvan de uitvoeringsorganisatie de taken in mandaat uitvoert. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur dan wel de voorzitter kunnen hun bevoegdheden inzake de hun opgedragen taken met inachtneming van afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht mandateren of machtigen of volmacht verlenen zowel binnen het openbaar lichaam als aan een uitvoeringsorganisatie.
HOOFDSTUK IX FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 21
Geld- en financieringsmiddelen
De geldmiddelen van het recreatieschap worden gevormd door: a. de in artikel 30, lid 1, jo. bijlage 2 omschreven bijdragen van de deelnemers welke bijlage deel uitmaakt van deze regeling die worden bepaald met inachtneming van de regels in de door het algemeen bestuur vastgestelde Verordening financieel beheer; b. subsidies, andere bijdragen dan de onder a bedoelde, schenkingen, legaten en erfstellingen; c. geldleningen; d. exploitatieopbrengsten, waaronder begrepen eenmalige vergoedingen, uit het in beheer zijnde recreatiegebied; e. overige inkomsten. Artikelen 24 t/m 32 (vigerende GR) zijn opgenomen in de Verordening financieel beheer
10
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
HOOFDSTUK X TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 22
Toetreding
1. Het daartoe bevoegde orgaan van een publiekrechtelijk lichaam of rechtspersoon kan verzoeken tot toetreding tot deze regeling. Het verzoek wordt aan het algemeen bestuur gezonden. 2. Het algemeen bestuur stelt, na overleg met de deelnemers, binnen drie maanden, nadat het in het eerste lid bedoelde verzoek is ontvangen, een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling in verband met de voorgenomen toetreding alsmede een regeling voor de gevolgen van de toetreding. Het dagelijks bestuur zendt dit ontwerp en regeling aan de deelnemers, waaronder begrepen de aspirant-deelnemer, met het verzoek binnen drie maanden na verzending hiervan, inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen. De toetreding vindt plaats wanneer alle deelnemers en de aspirant-deelnemer hiertoe eensluidend besluiten. 3. De toetreding gaat in op de eerste dag, volgend op die, waarop het besluit tot toetreding bekend is gemaakt, als bedoeld in artikel 26 van de W gr. 3. De toetreding treedt in werking de eerste dag van de maand na bekendmaking van het besluit, of anders op een moment zoals bepaald in het toetredingsbesluit.
Artikel 23
Uittreding
1.Uittreding uit deze regeling kan geschieden met ingang van het derde kalenderjaar volgend op de toezending van het betreffende besluit van de uittredende deelnemer aan het algemeen bestuur. 2.Uittreding geschiedt onder door het algemeen bestuur na overleg met deelnemers te stellen regelen die in ieder geval betreffen de voort te zetten verplichtingen van de uittredende deelnemer betreffende de rente en aflossing van geldleningen bedoeld in artikel 32, eerste lid en andere langlopende verplichtingen met een resterende looptijd van ten minste 5 jaar. 3.Het algemeen bestuur stelt binnen drie maanden nadat het besluit tot uittreding is ontvangen een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling aan de gevolgen van de uittreding en zendt dit ontwerp aan de deelnemers met het verzoek binnen drie maanden na verzending van dat ontwerp inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen
1. Een deelnemer die voornemens is uit te treden, kan het algemeen bestuur verzoeken een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam. De indicatie wordt binnen zes maanden na het verzoek verstrekt, tenzij anders overeengekomen is tussen het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer. De kosten van de indicatie komen voor rekening van de deelnemer die daarom heeft verzocht. De indicatie is niet bindend. 2. Onder de gevolgen van uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3. Uittreding uit deze regeling kan geschieden met ingang van het derde kalenderjaar volgend op de toezending van het betreffende besluit van de uittredende deelnemer aan het algemeen bestuur. Bij unaniem besluit van alle deelnemers kan van deze termijn afgeweken worden. 4. De procedure voor uittreding begint de dag nadat het algemeen bestuur het besluit tot uittreding van de deelnemer heeft ontvangen. 5. Uittreding geschiedt onder door het algemeen bestuur na overleg met deelnemers te stellen regelen, vervat in een uittredingsplan. 6.
Het algemeen bestuur stelt binnen drie maanden nadat het besluit tot uittreding is ontvangen een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling aan de gevolgen van de uittreding en zendt dit ontwerp aan de deelnemers met het verzoek binnen drie maanden na verzending van dat ontwerp inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen.
11
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Artikel 24
Uittredingsplan
1. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, waaronder in ieder geval betreffen de voort te zetten verplichtingen van de uittredende deelnemer betreffende de rente en aflossing van geldleningen bedoeld in artikel 30, eerste lid, en andere langlopende verplichtingen met een resterende looptijd van ten minste 5 jaar. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het dagelijks bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het dagelijks bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de andere deelnemers in het algemeen bestuur.
Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden uit de deelnemers, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer en een vertegenwoordiger van algemeen bestuur. 5. Ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 32. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen.
Artikel 25
Te vergoeden kosten van uittreding
1. De voorlopige, respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het recreatieschap die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het recreatieschap die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het recreatieschap brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
12
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, derde lid. 7. Het recreatieschap is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 26
Wijziging
Deze regeling kan slechts worden gewijzigd bij gelijkluidend besluit van alle deelnemers.
Artikel 27
Opheffing en liquidatie
1.
Deze regeling kan worden opgeheven bij gelijkluidend besluit van alle deelnemers.
2.
In geval van opheffing van deze regeling geschiedt de liquidatie door het algemeen bestuur dat daarvoor de nodige regels stelt. Hierbij kan van bepalingen van deze regeling worden afgeweken.
3.
Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de deelnemers gehoord, vastgesteld.
4.Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. 4.
Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan.
5.
Een voor- of nadelig saldo van de liquidatie wordt over de deelnemers verdeeld, respectievelijk omgeslagen op overeenkomstige wijze als de omslag van een exploitatietekort
HOOFDSTUK XI HET ARCHIEF Artikel 28
Archief
1.Het dagelijks bestuur is belast met de zorg, de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het recreatieschap, alsmede het toezicht daarop overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 en daarop betrekkende hebbende regelingen vast te stellen verordening, die aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland moet worden medegedeeld. 2.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan. 3.Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995. 1.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap.
2.
De directeur en de bestuurssecretaris zijn belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3.
Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
4.
Het recreatieschap vormt één archief voor de eigen bedrijfsvoerings-, bestuurstaken en de door de deelnemers overgedragen (gedelegeerde) bevoegdheden.
5.
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Het Noord-Hollands Archief.
6.
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Noord-Hollands Archief.
13
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid 7.
De archivaris van het Noord-Hollands Archief brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
8.
Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het recreatieschap.
9.
De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken.
10. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. 11. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling. 12. Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de in het tweede lid bedoelde archiefbescheiden overgebracht naar de in het derde lid genoemde archiefbewaarplaats.
HOOFDSTUK XII SLOTBEPALINGEN Artikel 29
Duur en inwerkingtreding
1. Deze regeling treedt, na bekendmaking ervan zoals bedoeld in artikel 26 van de Wgr, in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 onder intrekking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 van de regeling die van toepassing was tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. 2. Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 30
Evaluatie
1. Het bestuur draagt tenminste een keer in de vier jaar zorg voor een evaluatie van de regeling. 2. De evaluatie heeft onder meer, doch niet uitsluitend, tot doel na te gaan: a.
of, en zo ja in welke mate, de met deze regeling beoogde samenwerking is gerealiseerd;
b.
of, en zo ja in welke mate, de bij deze regeling opgedragen taken, in het licht van de beoogde samenwerking, aanpassing behoeven.
Artikel 31
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als 'Gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Spaarnwoude’.
Deze wijziging treedt in werking de dag na bekendmaking.
14