CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A- 18 Ruimtelijke Ordening (30) 04. BP E-buurt Oost Toelichting

RAAD 31 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan E-buurt Oost en wijzigen Welstandsnota. Nr. VN2021-00418723.329 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 61

De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel 16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d.

17 juni 2011, stb 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten.

In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Structuurvisie Amsterdam 2040 en nota Hoogbouw in Amsterdam De Structuurvisie Amsterdam 2040 is vastgesteld door de gemeenteraad op 17 februari 2011. Hierin is ook het beleid voor hoogbouw in de stad op hoofdlijnen beschreven. Aangegeven wordt dat een zorgvuldige afweging dient te worden gemaakt ten aanzien van cultuurhistorische waarden in de omgeving. Aspecten zijn onder andere landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing, in het bijzonder als sprake is van cultuurhistorische waarden. De visie op hoogbouw is vanzelfsprekend beschermend voor het UNESCO-gebied (kerngebied en bufferzone), en in mindere mate ook voor het Gemeente Amsterdam

blz. 62

metropolitane landschap. Schaalbreuk of aantasting van weefsel of typologie zijn in het UNESCO-gebied niet acceptabel. In dit gebied is maximaal middelhoogbouw toegestaan, alsmede hogere bebouwing voor zover passend binnen de vigerende bestemmingsplannen, een en ander met inachtneming van de HER-procedure (Hoogbouw Effect Rapportage). Rondom het UNESCO-gebied is op de kaart een zone van 2 kilometer opgenomen waarbinnen voor hoogbouw extra beperkingen gelden. Het beleid voor hoogbouw is verder uitgewerkt en toegelicht in de nota 'Hoogbouw in Amsterdam' van juni 2011. Bij de inpassing van hoogbouw dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden ten aanzien van cultuurhistorische waarden. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing.

De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren.

Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A). In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen.

Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 63

Cultuurhistorie beleid Amsterdam In hoofdstuk 2.1 is ingegaan op de historische en cultuurhistorische aspecten van het plangebied. 5.3.2

Plangebied

Er is archeologisch onderzoek gedaan voor een groter gebied dan het plangebied, namelijk voor de DEG buurt (Archeologisch bureauonderzoek, Bestemmingsplangebied DEG-buurt, BO 16-041 Amsterdam 2016, Monumenten en Archeologie, zie bijlage 13 Archeologisch onderzoek). Het bureauonderzoek geeft een overzicht van bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van historisch kaartmateriaal, relevante publicaties en archiefbronnen in samenhang met archeologische informatie over al bekende vindplaatsen in het plangebied en omgeving. Op basis van dit onderzoek zijn binnen het plangebied materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met de bewoningsgeschiedenis van de Venserpolder vanaf de 12de eeuw. Eventuele archeologische resten in de voormalige Bijlmermeerpolder dateren vanaf de 17de eeuw. Voornamelijk betreffen dit wijdverspreide sporen van landgebruik met een lage archeologische trefkans. Een hoge verwachting geldt voor de bebouwing van de voormalige Bijlmer Ringdijk. De dijk zelf is grotendeels afgegraven bij de ontwikkeling van Amsterdam Zuidoost in de late 20ste eeuw. Ook in de voormalige Bijlmermeerpolder dient rekening te worden gehouden met recente verstoringen door grootschalige bebouwing en grondverzet.

Binnen het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan is er een locatie die aangemerkt is als Beleidsvariant 5: zone met hoge verwachting in opgehoogd/bebouwd gebied. Voor deze zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of minder diep dan 1 m.

5.4

Natuurbescherming

5.4.1

Kader

Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. Natura 2000 In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van

Gemeente Amsterdam

blz. 64

gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen.

Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. Voor functiewijzigingen, die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur. Eventuele wijzigingen kunnen aan de Gemeenteraad worden voorgelegd.

5.4.2

Onderzoek Wet natuurbescherming

Voor het noordelijk en het zuidelijk deel van het plangebied zijn onderzoeken gedaan, zie bijlage 14 Ecologisch onderzoek 1 en bijlage 15 Ecologisch onderzoek 2. Hierin wordt geconcludeerd dat het plangebied niet ligt in of in de omgeving van een Natura 2000 gebied. Ook maakt het gebied geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland en ligt het gebied niet in de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Het gebied aan de andere zijde van de Elsrijkdreef maakt onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur.

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 65

In de onderzoeken wordt geconcludeerd dat nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk is. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. In het plangebied zijn dan ook geen verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen aanwezig. Langs de Elsrijkdreef en Daalwijkdreef staat een bomenrij die de mogelijkheid in zich hebben om als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen te dienen. In de aanwezige wilgen en Amerikaanse eiken zijn geen geschikte boomholtes en spleten aangetroffen die potentieel geschikt zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. De essen bevatten enkele spleten en noesten waar een soort als ruige dwergvleermuis tussen kan kruipen. Omdat de vleermuis een beschermde diersoort is is de conclusie van het ecologisch onderzoek om nader onderzoek te doen naar boombewonende vleermuissoorten en een mogelijke essentiële vliegroute. Aan de hand van dit nader onderzoek kan dan bepaald worden of een ontheffing in het kader van de beschermde soorten van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Dit nader onderzoek is gedaan, zie bijlage 16 Nader onderzoek 1. In dit onderzoek is geconstateerd dat er boomholten en nesten aanwezig zijn in de bomen, die mogelijk geschikt zijn voor broedplaaten van vleermuizen en beschermde vogelsoorten.

Er is vervolgens veldonderzoek gedaan, zie bijlage 17 Nader onderzoek 2, boomholten en nesten. Uit dit laatste onderzoek komt naar voren dat de boomholten niet geschikt zijn voor broedplaatsen van vleermuizen. Ingeschat wordt dat er geen sprake is van aantasting van essentiële vliegroutes of foerageergebieden, mits het inpassingsplan gericht is op het behoud van bomenrijen als vliegroute en foerageergebied. Mogelijk dient het ontwerp te worden aangepast op aanwijzen van de ecoloog. Eén van de nesten in te kappen bomen is in gebruik door een paartje zwarte kraai. Van deze soort is het nest niet jaarrond beschermd, waardoor het nest buiten het broedseizoen kan worden verwijderd en de boom kan worden gekapt. 5.4.3

Onderzoek Stikstofdepositie

Het plangebied ligt op ca. 7 km van het dichtsbijzijnde Natura 2000 gebied Botshol. Er is onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie tengevolge van de woningbouwontwikkeling in de E-buurt Oost.

Gemeente Amsterdam

blz. 66

Uit het onderzoek (Stikstofdepositie onderzoek woningbouwproject E-buurt Oost, Tauw, 19 november 2019, zie bijlage 18) komt naar voren dat in de realisatiefase de stikstofdepositie 0,00 mol/ ha/per jaar bedraagt onder de voorwaarde dat gewerkt wordt met werktuigen met een STAGE klasse lV. Mede omdat de woningen gasloos zullen zijn zal in de gebruiksfase de stikstofdepositie op het Natura 2000 gebied 0,00 mol/ha/per jaar bedragen. Conclusie Het plangebied ligt niet in de nabijheid van Natura 2000 gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Ook ligt het gebied niet binnen de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. De ontwikkeling zal geen schade aanbrengen aan de beschermde dier- en plantensoorten. De bomen in het plangebied zijn geïnventariseerd. Deze staan met name aan de Elsrijkdreef, Provinciale weg en Daalwijkdreef. Een deel van deze bomen zal gekapt worden. Deze zullen in het plangebied gecompenseerd worden, waarbij rekening zal worden gehouden met de instandhouding van de vliegroute en foerageergebied van de vleermuizen. De stikstofdepositie op de Natura 2000 gebieden zal 0.0 mol/ha/per jaar bedragen. Daarmee is de ontwikkeling niet strijdig met de Wet natuurbescherming.

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 67

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

De bestemmingen

De bestemmingen van het onderhavige bestemmingsplan zijn geregeld (in alfabetische volgorde) in de artikelen:

Artikel 1: Begripsbepalingen Dit artikel bevat definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel regelt op welke manier moet worden gemeten. De bouwhoogte wordt gemeten vanaf het

Gemeente Amsterdam

blz. 68

aangrenzende straatpeil. Het bebouwingspercentage geldt ten opzichte van het bestemmingsvlak of het bouwvlak. Artikel 3: Groen Deze bestemming heeft betrekking op de groenzone die door het gebied zal lopen, de bestaande buurttuin en de bestaande groenvoorziening aan de oostzijde van het plangebied. Artikel 4: Verkeer - 1 Deze bestemming heeft betrekking op de doorgaande hoofdwegen de Elsrijkdreef en Daalwijkdreef. Artikel 5: Verkeer - 2 De wijkontsluitingswegen hebben de bestemming Verkeer - 2. Artikel 6: Verkeer - 3 Deze bestemming is gegeven aan de buurtontsluitingswegen. Artikel 7: Verkeer - 4 Het te creëren plein heeft met name een verblijfsfunctie en is bestemd als Verkeer - 4. Artikel 8: Wonen - 1 De eengezinswoningen en gestapelde woningen vallen onder de bestemming Wonen - 1. Hier is één bestemming opgenomen waar de woningen, wegen en groen kunnen worden gerealiseerd. Op de verbeelding zijn de verschillende maximale bouwhoogten opgenomen en een gevellijn. De maximale hoogte van 13 m gelden alleen voorzover daar gestapelde woningen worden gebouwd. Als daar grondgebonden woningen worden gebouwd geldt een maximale bouwhoogte van 7 meter. Daaraan is toegevoegd dat dan ook de gevellijn die behoort bij een bouwhoogte van 7 meter geldt.

Dit ziet op de bebouwing aan de Egoli, waar de gevellijn voor de woningen met een maximale hoogte van 7 meter iets terug ligt dan voor de hoekbebouwing van maximaal 13 meter. Voor de gevellijn is verder bepaald dat deze voor tenminste 70% bebouwd dient te worden. Dit geldt voor de totale gevellijn en niet per perceel. Artikel 9: Wonen - 2 Deze bestemming heeft betrekking op het bouwblok D. Hier is sociale woningbouw voorzien. Op de verbeelding is de maximale bouwhoogte aangegeven. In de regels is bepaald dat het gebouw hoger dient te zijn dan de bebouwing binnen het bestemmingsvlak 'Wonen - 3'. Er is een bebouwingspercentage opgenomen verdeeld over een aantal hoogten. De woningen dienen een stille zijde te hebben. Het gebouw dient zodanig gesitueerd te worden dat deze een geluidafschermende werking hebben voor de te bouwen woningen in het bestemmingsvlak 'Wonen -1'. Naast woningen zijn niet-woonfuncties toegestaan, echter alleen op de eerste bouwlaag. Voor de niet-woonfuncties zijn maximaal aantal vestigingen opgenomen, de maximale omvang van een vestiging en de maximale omvang van de vestigingen. Artikel 10: Wonen - 3 Deze bestemming heeft betrekking op de blokken A, B en C. Op de verbeelding zijn aangegeven het bouwvlak en de maximale bouwhoogte. Buiten het bouwvlak zijn tot een maximale bouwhoogte van 1,5

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 69

m een parkeergarage, bergingen en toegang tot de gebouwen toegestaan. Voor de bebouwing daarboven gelden maximale bebouwingspercentages. De maximale bouwhoogte van de bebouwing dient lager te zijn dan de bebouwing binnen het bestemmingsvlak 'Wonen - 2'. De bebouwing dient zodanig gesitueerd te worden dat deze een geluidafschermende werking heeft voor de bebouwing binnen het bestemmingsvlak 'Wonen - 1'. Artikel 11: Wonen - 4 Deze bestemming heeft betrekking op Blok 3. Op de verbeelding zijn aangegeven het bouwvlak, de maximale bouwhoogte en een gevellijn. Dat laatste geeft aan dat in deze lijn moet worden gebouwd over tenminste de plint en 2 bouwlagen. Hiermee wordt beoogt een hoekbebouwing te creëren waardoor tussen de blokken 1/2 en 3 een plein zal ontstaan. In de begripsbepalingen is opgenomen wat onder het begrip 'plint' moet worden verstaan, namelijk een laag op maaiveldniveau met een verdiepingshoogte van tenminste 3,5 m, bedoeld voor onder meer publiekstoegankelijke functies. Onder het het gebouw kan een parkeergarage komen. Alleen de woningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. De algemene regel dat gevelaccenten, zoals balkons maximaal 1,5 m buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd, is hier alleen van toepassing op de gevels die grenzen aan het te creëren plein, dus de gronden met de bestemming Verkeer - 4.

De woningen mogen pas in gebruik worden genomen nadat de bebouwing binnen 'Wonen - 5' is gerealiseerd of in ieder geval zodanig is gerealiseerd dat deze een geluidafschermende werking hebben voor de woningen binnen bestemmingsvlak 'Wonen - 4'. Voor de niet-woonfuncties zijn maximaal aantal vestigingen opgenomen, de maximale omvang van een vestiging en de maximale omvang van de vestigingen. Artikel 12: Wonen - 5 Deze bestemming heeft betrekking op de Blokken 4 en 5. Op de verbeelding zijn aangegeven het bouwvlak en de maximale bouwhoogte. Tussen de twee bouwvlakken is er een vlak aangegeven met de specifieke bouwaanduiding -1. Hier is bebouwing mogelijk, maar alleen ten behoeve van de ontsluiting van de gebouwen. Deze mogelijkheid is met name opgenomen om afscherming van het geluid te bereiken voor de gevels aan de pleinzijde. Tot verschillende hoogten zijn verschillende maximale bebouwingspercentages opgenomen. De algemene regel dat gevelaccenten, zoals balkons maximaal 1,5 m buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd, is hier alleen van toepassing op de gevels die grenzen aan het te creëren plein, dus de gronden met de bestemming Verkeer - 4. De bebouwing dient zodanig te worden gesitueerd dat deze een geluidafschermende werking hebben voor de woningen in de bestemmingsvlakken Wonen - 1' en 'Wonen - 4'. In de plint zijn niet woon-functies mogelijk.

Hiervoor zijn bepalingen opgenomen over de maximaal aantal vestigingen, de maximale omvang van een vestiging en de maximale omvang van de vestigingen. Artikel 13: Leiding - Leidingstrook De in het gebied aanwezige ondergrondse hoogspanningsleiding is als dubbelbestemming opgenomen. Dat wil zeggen dat bouwen alleen mogelijk is, als het de leiding niet schaadt en vooraf advies is gevraagd aan de leidingbeheerder. Voor een aantal grondwerkzaamheden is een vergunning nodig. de werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van het bestemmingsplan zijn hiervan uitgezonderd. Artikel 14: Waterstaat - Waterkering (dubbelbestemming) Deze bestemming heeft betrekking op de aanwezige waterkering die ligt op de Elsrijkdreef en Daalwijkdreef. Het gaat hier om een scheiding tussen polders. Hier geldt eenzelfde regeling als in de bestemming Leiding - Leidingenstrook.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

Artikel 15: Waarde - Archeologie De bestemming beoogt mogelijke archeologische waardevolle vondsten te beschermen. Uit bureauonderzoek is gebleken dat deze daar mogelijk aanwezig zijn, echter op een diepte die dieper ligt dan 1 meter onder maaiveld. Artikel 16: Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Artikel 17: Algemene bouwregels In dit artikel wordt geregeld dat bepaalde (kleine) overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Ondergrondse bouwwerken mogen in principe alleen bestaan uit parkeergarages. Hiervan kan worden afgeweken onder een aantal voorwaarden, waaronder dat er geen schade mag zijn voor de waterhuishouding en de archeologische waarden. Artikel 18: Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene regels met betrekking tot het gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten in het geheel verboden. Ook zijn regels opgenomen met betrekking tot de parkeernorm en de toegestane bedrijven. Het aantal woningen binnen de bestemmingsvlakken mag niet meer bedragen dan 550 woningen.

In aansluiting op en in overeenstemming met de Huisvestingsverordening 2020, zoals die op 1 januari 2020 geldt is een verbod opgenomen om woonruimte als onzelfstandige woonruimte te gebruiken. Ook het gebruik voor bed & breakfast is verboden. In de Huisvestingsverordening 2020 zijn regels opgenomen over de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Onderscheid bestaat tussen zelfstandige woonruimte, onzelfstandige woonruimte en bedrijfsmatig gebruik van een deel van de woonruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van bed & breakfast. Met ingang van 1 april 2020 geldt op grond van de Huisvestingsverordening 2020 voor omzetting (verkamering) en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast een quotumstelsel. Dit betekent dat er verdeeld over 99 wijken in de stad is vastgesteld hoeveel omzettingsvergunningen voor kamergewijze verhuur alsmede hoeveel onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast er maximaal kunnen worden verleend. Bij het bepalen van die quota is de aanvaardbaarheid voor het woon- en leefklimaat betrokken. Afwijking van het verbod om woonruimte als onzelfstandige woonruimte te gebruiken dan wel een bed & breakfast te exploiteren is alleen mogelijk als daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of -verordening is verleend. Artikel 19: Aanduidingsregels Dit artikel heeft betrekking op de magnetisch veldzone.

Met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten -1' (-sw-1) is deze op de verbeelding aangegeven. Binnen deze zone is het gebruik voor het gebruik als hoofdverblijf voor personen jonger dan 15 jaar en andere gevoelige bestemmingen verboden. Dit geldt niet als alleen de buitenruimten binnen de aanduiding zijn gelegen of voor de bouwlagen die buiten de magnetisch veldzone liggen, zoals aangegeven in bijlage 2 Magnetisch veldzone doorsneden. In twee situaties kunnen B & W afwijking verlenen. Dat is in het geval het beleid of regelgeving hieromtrent wijzigt en als de de ligging en/of werking van de elektriciteitskabels zijn aangepast, zodanig bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 71

dat de magnetische straling lager is dan 0,4 microtesla Artikel 20: Overige regels Als er verwezen wordt naar wettelijke regelingen zijn dit de regelingen zoals die gelden op het moment van ter inzage legging van het bestemmingsplan. Artikel 21: Overgangsrecht Het overgangsrecht bepaalt dat gebouwen of gebruik dat in het vorige bestemmingsplan reeds was toegestaan voortgezet mag worden. De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Artikel 22: Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer en de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 73

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). De 'grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden. Planschade Een externe bureau heeft een planschade risicoanalyse opgesteld. Omdat voor de nu nog geldende bestemming "Uit te werken woningen C.A. - Uwx 5 t/m 7" uit het bestemmingsplan 'De Nieuwe Bijlmer' geen uitwerkingsplan is vastgesteld, is in dit kader nagegaan of eigenaren van de woningen in de omgeving van het plangebied op de hoogte konden zijn van concept uitwerkingen in de vorm van een stedenbouwkundig plan.

Als de eigenaren op de hoogte zouden kunnen zijn geweest, dan hebben zij bij de aankoop van hun woning, het risico van bebouwing in hun omgeving aanvaard, omdat de ontwikkeling voorzienbaar was. Uit de planschade risicoanalyse komt naar voren dat op 24 april 2007 het Stedenbouwkundig Programma van Eisen E-buurt Oost (SPvE) is vastgesteld. Voor de meeste koopwoningen in de directe omgeving geldt dat de levering van de woningen na 24 april 2007 heeft plaats gevonden. Voor 14 woningen aan de zuidwestzijde van het plangebied is uit globaal kadastraal onderzoek gebleken dat de zakelijke rechten van alle woningen op z'n vroegst in december 2007 zijn geleverd. Het gaat bij de beoordeling van het onderwerp voorzienbaarheid echter niet om de datum van levering, doch om de datum van ondertekening van de daaraan voorafgaande koopovereenkomst. Uit de externe planschade risico analyse komt naar voren dat voor deze 14 woningen het mogelijk is dat de woningbouw in het plangebied niet of gedeeltelijk voorzienbaar was. Hier dient een planologische vergelijking gemaakt te worden met de planologische regeling voorafgaand aan het bestemmingsplan De Nieuwe Bijlmer. Dat is het bestemmingsplan Bijlmermeer, vastgesteld op 19 maart 1975 en onherroeplijk sinds 16 juli 1981. Het bestemmingsplan Bijlmermeer maakte op ca. 80 meter afstand een flat mogelijk van maximaal 34 meter hoog.

Het voorliggende bestemmingsplan E-buurt Oost maakt woningbouw met een hoogte van 10 -13 meter mogelijk op ca. 40 meter afstand van de 14 woningen. Hoewel de nieuwe woningen op basis van bestemmingsplan E-buurt Oost ca. 40 meter dichterbij gerealiseerd kunnen worden dan de gesloopte flats, leidt de verkleining van de afstand niet tot relevante vermindering van uitzicht, privacy, of meer schaduw of geluid, omdat de nieuwe woningen substantieel lager worden en het aantal woningen ook minder zal zijn. Er is dan ook geen planologisch nadeel. Voor zover er toch enig planologisch nadeel zou zijn dat niet voorzienbaar was, dan zal met de aftrek vanwege het normaal maatschappelijk risico de planschade nihil zijn. Hier kan uitgegaan worden van een normaal maatschappelijk risico van 5%, omdat de nieuwe bouwontwikkeling in de lijn der verwachtingen ligt en past in het ruimtelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

7.2

Plangebied

Met onderhavig bestemmingsplan is een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Aan de ontwikkelaars zullen de gronden in erfpacht worden uitgegeven. Het eventuele kostenverhaal zal in dat kader plaats vinden. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De raad zal, voor vaststelling van het bestemmingsplan, moeten besluiten dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld.

bestemmingsplan_E-buurt Oost (vastgesteld)

blz. 75

Hoofdstuk 8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voortraject

De gemeenteraad heeft op 27 november 2019 het Stedenbouwkundig Plan E Buurt Oost (SP) vastgesteld. Met het vaststellen van het SP zijn de uitgangspunten voor het bestemmingsplan vastgesteld. Het ontwerp SP heeft ter inzage gelegen voor inspraak.

8.2

Inspraak

Omdat het ontwerp SP ter inzage heeft gelegen, is er geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd en heeft er geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen ( = voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Het ontwerp bestemmingsplan wordt, conform de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging wordt er een bewonersavond georganiseerd.

8.3

Vooroverleg

Op grond van Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 8 mei 2012, is vooroverleg met de provincie zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Bro niet nodig. Het stedenbouwkundig plan is in overleg met het Waterschap AGV/Waternet tot stand gekomen. Vanuit het Waterschap AGV/Waternet is een reactie ontvangen waarin gevraagd wordt om inzichtelijk te maken hoeveel het verharding wordt toegevoegd en hoe dit gecompenseerd of verrekend wordt. Gewezen wordt op de vergunningplicht voor werkzaamheden in de (buiten)beschermingszone van een waterkering op grond van de Keur van het waterschap. Onduidelijk is wat de invloed is van de bouwontwikkeling op de grondwaterstand, mede ook vanwege het infiltreren van hemelwater. Naar aanleiding van de reactie van het Waterschap AGV/Waternet is in paragraaf 5.2.2 onder 'Waterberging' een tabel opgenomen met de extra verharding in het plangebied en hoe dit verrekend wordt. In deze paragraaf is een onderdeel Grondwater opgenomen, waarin verwezen wordt naar het geohydrologisch onderzoek en het overleg dat met het Waterschap AGV/Waternet is geweest over het aanbrengen van drainage in het talud van de (buiten)beschermingszone van de waterkering. Vanuit de gemeente Diemen is bericht ontvangen dat de gemeente geen opmerkingen heeft.

Het concept ontwerp bestemmingsplan is aan de Veiligheidsregio voorgelegd in verband met de ligging in de zone waarop artikel 2.2.1d van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol van toepassing is. De Brandweer heeft op 8 oktober 2019 een advies hierover uitgebracht.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9921044/1